|
Kamerstukken II 1986-1987, 19
778
Het
treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam
minder bedraagt dan het sociaal minimum
en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd (Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen) ¹
1. Redactie:
de wet is gepubliceerd in Stb. 1987, 281, en is in werking
getreden met ingang van 1 juli 1987.
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van Wet tot het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het
sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd
(Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen).
De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.
's-Gravenhage, 11 november 1986
BEATRIX
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods,
Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje Nassau, enz. enz. enz.
Allen,
die deze zullen zien of horen lezen,
saluut! doen te weten: Alzo Wij in
overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is een inkomensvoorziening te
treffen voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
van wie het inkomen duurzaam minder
bedraagt dan het sociaal minimum en die
als gevolg daarvan het bedrijf of beroep
hebben beëindigd;
Zo is het, dat
Wij, de Raad van State
gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en
verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
HOOFDSTUK
I
Algemene
bepalingen
Art.
1 [1].
[MvT]
In
deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze
Minister: Onze
Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid;
b.
burgemeester en wethouders: burgemeester
en wethouders van de gemeente, bedoeld
in artikel 13 [11], eerste lid;
c.
arbeidsbureau: het
arbeidsbureau in welks gebied de
gemeente is gelegen;
d.
rijksconsulent: de
rijksconsulent sociale zekerheid in
wiens ambtsgebied de gemeente is
gelegen;
e.
commissie: de
commissie, bedoeld in de artikelen 33
[-] en 34 [-];
f. nettominimumloon: het
nettominimumloon, bedoeld in artikel 1,
vierde lid, van de Algemene Bijstandswet
(Stb. 1973, 395),
Art.
2 [2].
[MvT]
-1.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt verstaan onder gewezen
zelfstandige:
a.
de persoon die voor de voorziening in
het bestaan was aangewezen op arbeid in
het eigen bedrijf of beroep en die:
1º.
de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt; en
2º. na het bereiken van de
leeftijd van 55 jaar het bedrijf of
beroep heeft beëindigd;
b.
de persoon die voor de voorziening in
het bestaan was aangewezen op arbeid in
het eigen bedrijf of beroep en die:
1º.
de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft
bereikt;
2º.
het bedrijf of beroep in verband met
arbeidsongeschiktheid heeft beëindigd;
en
3º.
recht heeft op uitkering op grond van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb.
1980, 28), berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan
80%.
-2. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt met de
gewezen zelfstandige gelijkgesteld de
meewerkende echtgenoot die voldoet aan
het bepaalde in het eerste lid,
onderdeel a of b.
-3.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt mede als gewezen
zelfstandige aangemerkt de persoon die
voldoet aan het bepaalde in het eerste
of tweede lid en die met anderen het
bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in
de vorm van een maatschap, een
vennootschap onder firma of een
commanditaire vennootschap, indien:
1°.
de volledige zeggenschap in het bedrijf
of beroep alleen of met die anderen werd
uitgeoefend; en
2°. de financiële
risico's van het bedrijf of beroep
alleen of met die anderen werden
gedragen.
-4. In deze wet en de daarop
berustende bepalingen wordt mede als
gewezen zelfstandige aangemerkt de
persoon die voldoet aan het bepaalde in
het eerste of tweede lid en die, anders
dan als werknemer in de zin van de
Werkloosheidswet (Stb. 1986,
...), het
bedrijf of beroep heeft uitgeoefend in
de vorm van een besloten vennootschap of
een naamloze vennootschap.
-5. De gewezen
zelfstandige was aangewezen op arbeid in
het eigen bedrijf of beroep indien in
het jaar voorafgaand aan de aanvraag
werd voldaan aan het urencriterium voor
toepassing van de zelfstandigenaftrek,
bedoeld in artikel 44m, eerste of vierde
lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting
(Stb. 1964, 519).
Art.
3 [3+4].
[MvT]
-1. In deze
wet en de daarop berustende bepalingen
wordt als echtgenoot aangemerkt degene
die niet duurzaam gescheiden leeft van
de gewezen zelfstandige met wie hij of
zij gehuwd is.
-2.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt mede als echtgenoot
aangemerkt de niet met de gewezen
zelfstandige gehuwde persoon van
hetzelfde of het andere geslacht met
wie de gewezen zelfstandige duurzaam een
gezamenlijke huishouding voert, tenzij
het betreft een persoon met wie
bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat.
-3.
Van een gezamenlijke huishouding,
bedoeld in het tweede lid, kan slechts
sprake zijn indien twee ongehuwde
personen gezamenlijk voorzien in
huisvesting en bovendien beiden een
bijdrage leveren in de kosten van de
huishouding, dan wel op andere wijze in
eikaars verzorging voorzien.
-4.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt als alleenstaande
gewezen zelfstandige aangemerkt de niet
gehuwde persoon, dan wel de duurzaam
gescheiden levende gewezen zelfstandige,
die niet een gezamenlijke huishouding
voert als bedoeld in het tweede lid.
-5. Onze
Minister kan nadere regels stellen
voor de toepassing van het derde lid.
-6.
In deze wet en de daarop berustende
bepalingen wordt als kind aangemerkt
het kind jonger dan 18 jaar dat niet
als eigen kind of pleegkind tot het
huishouden van een ander dan de gewezen
zelfstandige behoort en voor wie de
gewezen zelfstandige op grond van de
Algemene Kinderbijslagwet (Stb. 1980, 1)
kinderbijslag ontvangt, dan wel zal
ontvangen.
HOOFDSTUK
II
De
uitkering
§
1. De voorwaarden voor het recht op
uitkering
Art.
4 [5].
[MvT]
-1.
Recht op uitkering hebben:
a.
de gewezen zelfstandige en de
echtgenoot;
b.
de alleenstaande gewezen zelfstandige
met één of meer kinderen;
c.
de alleenstaande gewezen zelfstandige
zonder kinderen;
indien het inkomen per
maand na het beëindigen van het bedrijf
of beroep
minder bedraagt dan de overeenkomstig
het vijfde lid vastgestelde grondslag en
indien aan de in het tweede of derde lid
genoemde voorwaarden wordt voldaan.
-2.
De in het eerste lid bedoelde
voorwaarden zijn voor de gewezen
zelfstandige, bedoeld in artikel
2 [2],
eerste lid, onderdeel a:
1º.
de gewezen zelfstandige heeft gedurende
drie jaar, onmiddellijk voorafgaand aan
de aanvraag, onafgebroken rechtmatig een
bedrijf of beroep in Nederland
uitgeoefend en in de zeven jaar daarvoor
eveneens rechtmatig een bedrijf of
beroep in Nederland uitgeoefend dan wel
arbeid in dienstbetrekking verricht;
2º.
het inkomen uit of in verband met arbeid
in het bedrijfs- of beroepsleven van de
gewezen zelfstandige bedroeg de laatste
drie boekjaren, onmiddellijk voorafgaand
aan de aanvraag, gemiddeld minder dan ƒ26
100,00 per jaar;
3º.
het inkomen uit of in verband met arbeid
in het bedrijfs- of beroepsleven van de
gewezen zelfstandige zal bij
voortzetting van het bedrijf of beroep
naar verwachting duurzaam minder dan ƒ26
100,00 per jaar bedragen; en
4º. de
aanvraag is ingediend vóór het
beëindigen van het bedrijf of beroep en
de beëindiging heeft plaats gevonden
binnen een periode van anderhalf jaar
volgend op het tijdstip van aanvraag.
-3.
De in het eerste lid bedoelde
voorwaarden zijn voor de gewezen
zelfstandige, bedoeld in artikel
2 [2],
eerste lid, onderdeel b:
1º. de gewezen
zelfstandige heeft gedurende drie jaar,
onmiddellijk voorafgaand aan de
aanvraag, onafgebroken rechtmatig een
bedrijf of beroep in Nederland
uitgeoefend;
2º.
het inkomen uit of in verband met arbeid
in het bedrijfs- of beroepsleven van de
gewezen zelfstandige zal bij
voortzetting van het bedrijf of beroep
naar verwachting minder dan ƒ26 100,00
per jaar bedragen; en
3º.
de aanvraag is ingediend vóór het
beëindigen van het bedrijf of beroep en
de beëindiging heeft plaatsgevonden
binnen een periode van anderhalf jaar
volgend op het tijdstip van aanvraag.
-4.
De gewezen zelfstandige en de echtgenoot
hebben gelijkelijk recht op uitkering.
De uitkering wordt op verzoek van
beiden, of van één van hen, aan ieder
voor de helft betaald.
-5.
De grondslag, bedoeld in het eerste lid,
wordt door Onze
Minister
zodanig
vastgesteld dat:
a.
voor de gewezen zelfstandige en de
echtgenoot de helft van de grondslag
netto gelijk is aan de helft van het
nettominimumloon;
b.
voor de alleenstaande gewezen
zelfstandige met één of meer kinderen de
grondslag netto gelijk is aan 90% van
het nettominimumloon;
c.
voor de alleenstaande gewezen
zelfstandige zonder kinderen de
grondslag netto gelijk is aan 70% van
het nettominimumloon.
-6.
Onze Minister herziet de bedragen,
genoemd in het tweede lid, onder 2º en
3º, en
in het derde lid, onder 2º, met ingang van een
door hem te bepalen dag zodanig dat
deze netto gelijk zijn aan het
nettominimumloon.
Art.
5 [6].
[MvT]
-1.
Geen recht op uitkering ontstaat zolang
het bedrijf of beroep door de
zelfstandige en de echtgenoot niet is
beëindigd.
-2.
Voor de gewezen zelfstandige, bedoeld in
artikel 2 [2], eerste lid, onderdeel b,
ontstaat geen recht op uitkering
ingevolge deze wet zolang betrokkene
geen recht op uitkering heeft op grond
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
-3.
Geen recht op uitkering heeft de gewezen
zelfstandige die:
a.
zelf dan wel van wie de echtgenoot de
arbeid in bedrijf of beroep hervat of
aanvangt;
b.
buiten Nederland woont of aldaar anders
dan tijdelijk verblijf houdt;
c.
op grond van de Vreemdelingenwet (Stb.
1965, 40) kan worden uitgezet; of
d.
rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
-4.
Geen recht op uitkering heeft de
echtgenoot indien ten aanzien van deze,
dan wel ten aanzien van de gewezen
zelfstandige, zich een omstandigheid
voordoet als omschreven in het derde
lid. Indien zich ten aanzien van de
echtgenoot een omstandigheid voordoet
als omschreven in het derde lid, onderdeel b, c en d, wordt de gewezen
zelfstandige aangemerkt als
alleenstaande.
Art.
6 [7].
[MvT]
Indien
het recht op uitkering als gevolg van
werkaanvaarding van de gewezen
zelfstandige of de echtgenoot is
geëindigd en vervolgens opnieuw
werkloosheid ontstaat, herleeft het
recht op uitkering.
Art.
7 [8].
[MvT]
-1.
Als inkomen wordt aangemerkt:
a. voor de
gewezen zelfstandige en de echtgenoot:
de som van het inkomen uit of in verband
met arbeid in het bedrijfs- en
beroepsleven van hemzelf en zijn
echtgenoot;
b. voor de alleenstaande
gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit
of in verband met arbeid in het bedrijfs-
en beroepsleven.
-2. Als inkomen wordt
voorts aangemerkt het inkomen uit het
vermogen waarover de gewezen
zelfstandige en zijn echtgenoot na de
beëindiging van het bedrijf of beroep
beschikken, met dien verstande dat
daarbij een vermogen
van ƒ175 000,00 buiten beschouwing
blijft. Het inkomen uit vermogen wordt
bepaald op 5% per jaar van het vermogen.
-3.
Bij algemene maatregel van bestuur
worden nadere en zo nodig afwijkende
regels gesteld met betrekking tot het
inkomen, bedoeld in het eerste lid en in
artikel 4 [5], tweede en derde lid. Daarbij
kunnen tevens nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de
vaststelling van het inkomen, bedoeld in
het eerste lid en in artikel
4 [5], tweede
en derde lid, alsmede de periode waarop
de vaststelling betrekking heeft.
-4. Onze
Minister
herziet het bedrag,
genoemd in het tweede lid, met ingang
van een door hem te bepalen dag, voor
zover het prijsindexcijfer van de
gezinsconsumptie daartoe aanleiding
geeft.
-5.
Onze Minister herziet het percentage,
bedoeld in het tweede lid, zodra de
renteontwikkeling daartoe aanleiding
geeft.
-6.
Onze Minister stelt regels met
betrekking tot de waardering van het
vermogen, bedoeld in het tweede lid.
Art.
8 [-]. [MvT]
-1.
In afwijking van artikel 7
[8] wordt,
behoudens voor de vaststelling van het
inkomen, bedoeld in artikel
4 [5], eerste
lid, gedurende een periode van ten
hoogste twee jaren niet als inkomen
aangemerkt 30% van het inkomen uit
arbeid.
-2.
Het vrij te laten inkomen, bedoeld in
het eerste lid, bedraagt ten hoogste:
a.
voor de gewezen zelfstandige en de
echtgenoot 15% van de grondslag, bedoeld
in artikel 4 [5], vijfde lid, onderdeel a;
b.
voor de alleenstaande gewezen
zelfstandige met één of meer kinderen
15% van de grondslag, bedoeld in artikel
4 [5], vijfde lid, onderdeel a;
c.
voor de alleenstaande gewezen
zelfstandige zonder kinderen 15% van de
grondslag, bedoeld in artikel
4 [5], vijfde
lid, onderdeel c.
§
2. De hoogte van de uitkering
Art.
9 [9].
[MvT]
-1.
De uitkering bedraagt het verschil
tussen de van toepassing zijnde
grondslag en het inkomen.
-2.
In de in het eerste lid bedoelde
uitkering is begrepen een
vakantie-uitkering ter hoogte van
7,5/107,5 van die uitkering.
-3.
Indien het percentage van de
vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
(Stb. 1968,
657), wordt gewijzigd, wordt de in het
tweede lid genoemde verhouding
dienovereenkomstig aangepast.
Art.
10 [10].
[MvT]
-1. Op de uitkering wordt een bedrag
ingehouden dat gelijk is aan het bedrag
van de premies welke een werkgever op
grond van de Ziektewet (Stb. 1967, 473),
de Werkloosheidswet en de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb.
1977, 492) op het overeenkomstige loon
van een werknemer die verzekerd is op
grond van die wetten inhoudt.
-2. Indien
op grond van een der socialeverzekeringswetten een premie wordt
ingehouden waarvan het percentage per
bedrijfstak verschilt, wordt voor de
toepassing van het eerste lid bij
algemene maatregel van bestuur een
gemiddeld percentage vastgesteld.
-3. Onze
Minister kan nadere en zo nodig
afwijkende regels stellen met betrekking
tot de berekening van de op grond van
het eerste lid op de aldaar bedoelde
uitkeringen in te houden bedragen.
§
3. Het geldend maken van het recht op
uitkering
Art.
11 [15].
[MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders stellen
binnen zes maanden, nadat daartoe een
schriftelijke aanvraag is ingediend,
vast of een recht op uitkering bestaat.
-2.
De uitkering kan door de zelfstandige en
door de echtgenoot worden aangevraagd.
-3.
Indien burgemeester en wethouders niet
in staat zijn binnen zes maanden op de
aanvraag te beslissen, stellen zij de
aanvrager daarvan in kennis. Zij geven
daarbij aan binnen welke termijn de
beslissing zal worden genomen.
Art.
12 [-]. [MvT]
-1.
Op de aanvraag wordt de dag van
ontvangst aangetekend.
-2.
De beslissing op de aanvraag wordt de
aanvrager schriftelijk medegedeeld.
-3.
Alvorens te beslissen op de aanvraag dan
wel op een bezwaarschrift naar
aanleiding van de beslissing op de
aanvraag horen burgemeester en
wethouders de Commissie zelfstandigen,
bedoeld in artikel 27 van het
Bijstandsbesluit zelfstandigen (Stb.
1986, ...).
Art.
13 [11].
[MvT]
-1.
Het recht op uitkering bestaat tegenover
burgemeester en wethouders van de gemeente
waar de gewezen zelfstandige
woonplaats heeft. Bij het ontbreken van
een vaste woonplaats bestaat het recht
op uitkering tegenover burgemeester en
wethouders van de gemeente waar
betrokkene werkelijk verblijft.
-2.
Bij koninklijk besluit wordt,
gedeputeerde staten gehoord, beslist in
geschillen omtrent de toepassing van het
eerste lid.
Art.
14 [-]. [MvT]
-1.
Het recht op uitkering blijft bestaan
bij tijdelijk verblijf buiten de vaste
woonplaats.
-2. Onze
Minister kan met betrekking tot het
eerste lid regels stellen.
Art.
15 [20].
[MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders besluiten de
uitkering tijdelijk gedeeltelijk te
weigeren:
a.
indien de gewezen zelfstandige of de
echtgenoot in de periode voorafgaand aan
de aanvraag om een uitkering zich
onvoldoende heeft ingezet voor de
voorziening in het bestaan, waarbij met
betrekking tot de echtgenoot de periode
is begrensd tot twee jaar voorafgaand
aan de dag van aanvraag om een
uitkering;
b.
indien gedragingen van de gewezen
zelfstandige of de echtgenoot in strijd
met de op grond van artikel
26 [37], eerste
en tweede lid, gestelde voorwaarden of
in strijd met artikel 17
[13] daartoe
aanleiding geven.
De omvang en duur van
de maatregel worden afgestemd op de
ernst van het feit, de omstandigheden
van de uitkeringsgerechtigden, en in
geval van de in onderdeel b bedoelde
gedragingen, de mate waarin deze
gedragingen redelijkerwijs verwijtbaar
zijn. De omvang en duur kunnen worden
herzien indien een wijziging van de
omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigden daartoe
aanleiding geeft.
-2.
Burgemeester en wethouders kunnen bij
herhaalde of zeer ernstige gedragingen
als bedoeld in het eerste lid, de
uitkering tijdelijk of blijvend geheel
weigeren.
-3. Onze
Minister kan nadere regels stellen
met betrekking tot de wijze van
toepassing van het eerste en tweede lid.
Art.
16 [51].
[MvT]
-1.
Indien het arbeidsbureau op grond van
duidelijke aanwijzingen van oordeel is
of het gegronde vermoeden heeft dat een
omstandigheid als bedoeld in artikel
15 [20],
eerste of tweede lid, aanwezig is, geeft
het van dit oordeel of vermoeden
onverwijld schriftelijk kennis aan
burgemeester en wethouders, onder
vermelding van de gronden waarop het
oordeel of vermoeden steunt.
-2.
Onverminderd het eerste lid verschaft
het arbeidsbureau op verzoek van
burgemeester en wethouders inlichtingen
welke dit college voor de uitvoering van
deze wet nodig acht.
Art.
17 [13].
[MvT]
De
gewezen zelfstandige en de echtgenoot
zijn verplicht aan burgemeester en
wethouders op verzoek of uit eigen
beweging onverwijld alle feiten en
omstandigheden mede te delen waarvan
hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn
dat zij van invloed kunnen zijn op het
recht op uitkering, het geldend maken
van het recht op uitkering, de hoogte of
de duur van de uitkering.
Art.
18 [14].
[MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders onderzoeken
de juistheid en volledigheid van de
verkregen inlichtingen en stellen zo
nodig een onderzoek in naar andere
gegevens die voor de beoordeling van de
aanvraag noodzakelijk zijn.
-2.
Bij het onderzoek met betrekking tot de
aanvraag kunnen burgemeester en
wethouders gebruikmaken van de diensten
van instellingen met kennis en ervaring
inzake het zelfstandig ondernemerschap.
-3.
De voor de voortzetting van de uitkering
van belang zijnde gegevens en
omstandigheden worden regelmatig door
burgemeester en wethouders onderzocht.
-4. Onze
Minister kan met betrekking tot het
bepaalde in het eerste, tweede en derde
lid regels stellen.
Art.
19 [44+45].
[MvT]
-1.
leder is verplicht desgevraagd aan
burgemeester en wethouders schriftelijk
de inlichtingen te verstrekken die
betrekking hebben op de inkomsten van
een persoon voor wie een uitkering is
gevraagd of aan wie een uitkering wordt
verleend en die in zijn dienst dan wel
te zijnen behoeve werkt of heeft
gewerkt.
-2.
De uitvoeringsorganen van de socialeverzekeringswetten zijn verplicht
desgevraagd aan burgemeester en
wethouders schriftelijk de inlichtingen
te verschaffen welke dit college ten
behoeve van de uitvoering van deze wet
nodig acht.
-3.
Alvorens de in het eerste en tweede lid
bedoelde inlichtingen te vragen, stellen
burgemeester en wethouders de persoon
op wie de inlichtingen betrekking hebben hiervan in kennis.
§
4. De betaling van de uitkering
Art.
20 [21].
[MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders betalen de
uitkering in het algemeen per maand.
-2.
In afwijking van het eerste lid wordt de
vakantie-uitkering, voor zover niet
reeds eerder betaald, jaarlijks betaald
in de maand mei over de aan die maand
voorafgaande twaalf maanden, dan wel in de
maand waarin de uitkering eindigt.
Art.
21 [25].
[MvT]
-1.
De uitkering wordt teruggevorderd,
indien:
a.
de uitkering is verleend op grond van
door de betrokkene verstrekte onjuiste
of onvolledige inlichtingen;
b.
gedurende de uitkeringstermijn de
verplichting, bedoeld in artikel 17
[13], niet
of niet behoorlijk is nagekomen;
c.
de uitkering tot een te hoog bedrag of
geheel ten onrechte is verleend en de
betrokkene dit redelijkerwijs had kunnen
begrijpen;
d.
achteraf blijkt dat de betrokkene over
dezelfde periode waarover een uitkering
op grond van deze wet is ontvangen
inkomsten heeft genoten waarmede bij de
vaststelling van de uitkering rekening
zou zijn gehouden.
-2.
Indien de gewezen zelfstandige en de
echtgenoot aan wie onverschuldigd
uitkering is betaald een uitkering
ontvangen van een andere gemeente
dan de
gemeente die onverschuldigd heeft
betaald, is die andere gemeente bevoegd
zonder machtiging van de betrokkenen
die ten onrechte aanspraak op uitkering
hebben gemaakt, de bedragen die
teruggevorderd kunnen worden of in
mindering kunnen worden gebracht, te
betalen aan de gemeente die
onverschuldigd heeft betaald.
-3.
Ten aanzien van de wijze van
terugvordering en de daarbij te volgen
procedures, waaronder begrepen die tot
het aanwenden van rechtsmiddelen, zijn
de bij of krachtens de Algemene
Bijstandswet ter zake gestelde regels van
overeenkomstige toepassing.
Art.
22 [-]. [MvT]
-1.
Indien recht op uitkering op grond van
deze wet bestaat over een tijdvak
waarover krachtens de Algemene
Bijstandswet reeds bijstand in de
algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan is verleend, is de gemeente
bevoegd deze uitkering over dat tijdvak
te verrekenen met het bedrag van de
verleende bijstand, dan wel de uitkering
tot het bedrag van deze bijstand zonder
machtiging van de betrokkene te betalen
aan de gemeente die de bijstand
verleende.
-2.
Indien de gemeente gebruikmaakt van
haar bevoegdheid, bedoeld in het eerste
lid, stelt zij betrokkene daarvan
onverwijld schriftelijk in kennis.
Art.
23 [22].
De
uitkering wordt betaald tot de eerste
dag van de maand waarin de gewezen
zelfstandige de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
Art.
24 [23].
-1.
In geval van overlijden van de
echtgenoot van de gewezen zelfstandige
wordt tot en met de laatste dag van de
tweede maand volgend op die waarin het
overlijden plaatsvond, betaald naar de
voordien vastgestelde grondslag.
-2.
In geval van overlijden van de gewezen
zelfstandige wordt de uitkering tot en
met de laatste dag van de tweede maand
volgend op die waarin het overlijden
plaatsvond, betaald naar de voordien
vastgestelde grondslag aan:
a.
de echtgenoot van de gewezen
zelfstandige;
b.
bij ontstentenis van de onder a bedoelde
persoon, het kind of de kinderen in de
zin van deze wet.
Art.
25 [24].
-1.
De uitkering is onvervreemdbaar en niet
vatbaar voor verpanding of belening.
-2.
Een machtiging tot het in ontvangst
nemen van de uitkering, onder welke vorm
of welke benaming ook verleend, is
steeds herroepelijk.
-3.
Elk beding strijdig met het eerste of
tweede lid is nietig.
HOOFDSTUK
III
Voorwaarden
gericht op inschakeling in de arbeid en voorzieningen
Art.
26 [37].
[MvT]
-1.
Tenzij redenen van medische, sociale of
andere aard zich hiertegen verzetten,
worden aan de uitkering als voorwaarden
welke strekken tot inschakeling in de
arbeid verbonden, dat de gewezen
zelfstandige:
a.
zich als werkzoekende doet inschrijven
en zich ingeschreven doet blijven bij
het arbeidsbureau;
b.
naar vermogen tracht arbeid in
dienstbetrekking te verkrijgen;
c.
passende arbeid aanvaardt;
d.
nalaat datgene dat inschakeling in de
arbeid belemmert;
e.
voldoet aan een oproep om in verband met
de toepassing van deze wet op een
aangegeven plaats en tijd te
verschijnen;
f.
medewerkt aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot inschakeling in de
arbeid, alsmede aan een onderzoek naar
de geschiktheid voor scholing of
opleiding;
g.
medewerkt aan een door het arbeidsbureau
aangewezen scholing of opleiding ten
behoeve van inschakeling in de arbeid.
-2.
Tenzij redenen van medische, sociale of
andere aard zich hiertegen verzetten,
worden de in het eerste lid genoemde
voorwaarden eveneens gesteld aan de
echtgenoot indien vanwege een recent
arbeidsverleden inschakeling in de
arbeid in redelijkheid kan worden
verlangd. De voorwaarden worden niet
opgelegd indien de arbeid langer dan
twee jaar geleden werd beëindigd.
-3.
Tijdelijke ontheffing van één of meer
van de voorwaarden wordt verleend voor
de duur dat naleving daarvan om redenen
van medische, sociale of andere aard
niet kan worden verlangd.
-4.
Als passende arbeid, bedoeld in het
eerste lid, onderdeel c, wordt beschouwd
alle arbeid die voor de krachten en
bekwaamheden van de betrokkene is
berekend. Niet als passende arbeid wordt
beschouwd arbeid in een dienstbetrekking
op grond van de Wet Sociale
Werkvoorziening (Stb. 1967, 687).
-5. Onze
Minister kan, zo nodig onder het
stellen van voorschriften en
beperkingen, bepalen dat één of meer van
de voorwaarden, genoemd in het eerste
lid, ten aanzien van een groep van
personen niet van toepassing zijn.
Art.
27 [-]. [MvT]
-1. Indien de gewezen zelfstandige een
scholing of opleiding volgt en blijft
voldoen aan de op grond van artikel
26 [37],
eerste lid, gestelde voorwaarden, wordt
de uitkering voortgezet.
-2.
Indien de gewezen zelfstandige een
scholing of opleiding volgt welke
noodzakelijk wordt geacht voor de
inschakeling in de arbeid, wordt
ontheffing verleend van de voorwaarden,
genoemd in artikel 26
[37], eerste lid,
onderdeel b en c. Een ontheffing wordt
ingetrokken indien de vorderingen in de
scholing of opleiding onvoldoende worden
geacht.
-3. Het eerste en tweede lid zijn
mede van toepassing op de echtgenoot aan
wie op grond van artikel
26 [37], tweede lid,
voorwaarden met betrekking tot de
inschakeling in de arbeid zijn gesteld.
Art.
28 [-]. [MvT]
-1.
Indien de gewezen zelfstandige
onbetaalde werkzaamheden verricht welke
passen in het kader van aan werklozen
toegestane activiteiten, dan wel
deelneemt aan andere activiteiten ten
behoeve van werklozen, kan op diens
verzoek voor de duur daarvan ontheffing
worden verleend van de voorwaarde,
genoemd in artikel 26
[37], eerste lid,
onderdeel b. Deze ontheffing wordt
verleend voor ten hoogste één jaar en
kan, zolang geen uitzicht bestaat op
inschakeling in de arbeid, ten hoogste
met één jaar worden verlengd.
-2.
Het eerste lid is mede van toepassing op
de echtgenoot aan wie op grond van
artikel 26 [37], tweede lid, voorwaarden met
betrekking tot de inschakeling in de
arbeid zijn gesteld.
Art.
29 [39].
Gereserveerd. [MvT]
HOOFDSTUK
IV
Uitvoering
en toezicht
§
1.
Uitvoerings- en adviesorganen
Art.
30 [40].
[MvT]
De
uitvoering van deze wet berust bij
burgemeester en wethouders van de gemeenten.
Art.
31 [42].
[MvT]
De
gemeenteraad stelt voorschriften vast
betreffende de behandeling van aanvragen
om een uitkering. Ten aanzien van die
voorschriften zijn de artikelen 198 tot
en met 205 van de Gemeentewet
(Stb.
1851, 85) van toepassing.
Art.
32 [43].
[MvT]
-1.
De gemeenteraad van een gemeente
met
meer dan 50 000 inwoners kan
burgemeester en wethouders machtigen het
nemen van beslissingen op te dragen aan
gemeenteambtenaren, zulks onder nader
door burgemeester en wethouders te
stellen regels en onder behoud van hun
verantwoordelijkheid. Bij algemene
maatregel van bestuur kan het in de
vorige zin genoemde getal lager worden
gesteld.
-2.
De opdracht kan zich niet uitstrekken
tot het beschikken op bezwaarschriften
en het instellen van beroep.
-3.
Op de beslissingen genomen door de bij
het eerste lid van dit artikel bedoelde
ambtenaren zijn de artikelen 184 tot en
met 191 van de Gemeentewet
van
overeenkomstige toepassing.
-4.
Het eerste tot en met het derde lid zijn
van overeenkomstige toepassing ten
aanzien van organen, ingesteld bij of
krachtens de wet, ter behartiging van
belangen waarbij meer dan één gemeente
is betrokken.
Art.
33 [-]. [MvT]
-1.
Burgemeester en wethouders stellen een
commissie in welke hen desgevraagd of
uit eigen beweging adviseert over
algemene vraagstukken die samenhangen
met de uitvoering van deze wet. Zij
verstrekken daartoe de door de commissie
gevraagde inlichtingen.
-2.
Burgemeester en wethouders benoemen in
de commissie als leden:
a.
een vertegenwoordiger van burgemeester
en wethouders, die tevens optreedt als
voorzitter;
b.
de directeur van het arbeidsbureau of
diens vertegenwoordiger;
c.
de rijksconsulent of diens
vertegenwoordiger;
d.
drie vertegenwoordigers op voordracht
van de bij de Stichting van de Arbeid
aangesloten vakcentrales
van werknemers.
-3.
Aan de commissie wordt een
gemeenteambtenaar als secretaris
toegevoegd.
-4.
De leden worden benoemd voor een periode
van ten hoogste vier jaren. Zij zijn
terstond weer benoembaar.
Art.
34 [-]. [MvT]
Burgemeester
en wethouders van twee of meer gemeenten
kunnen in plaats van de commissie,
bedoeld in artikel 33
[-], gezamenlijk één
commissie instellen. Het bepaalde in
artikel 33 [-] is van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat één
of meer vertegenwoordigers uit de kring
van de gemeenten kunnen worden benoemd.
Art.
35 [-]. [MvT]
Burgemeester
en wethouders horen de commissie wanneer
zij dit dienstig achten. Zij kunnen de
commissie voorts horen alvorens:
a.
over te gaan tot toepassing van artikel
15 [20], eerste lid, onderdeel b en tweede
lid;
b.
een beslissing te nemen naar aanleiding
van de berichtgeving van het
arbeidsbureau op grond van artikel
16 [51],
eerste lid;
c.
een tijdelijke ontheffing te verlenen
van één of meer van de voorwaarden
met betrekking tot de inschakeling in de
arbeid op grond van artikel
27 [-], tweede
en derde lid, en artikel
28 [-] of over te
gaan tot intrekking van een ontheffing
die op grond van artikel
27 [-], tweede en
derde lid, is verleend;
d.
een beslissing te nemen op een
bezwaarschrift dat tegen een beschikking
is ingebracht, behoudens het bepaalde in
artikel 12 [-], derde lid.
§
2. Toezicht
Art.
36 [52].
[MvT]
-1.
Het toezicht op de uitvoering van deze
wet berust bij Onze
Minister. Hij wordt
hierin bijgestaan door de
rijksconsulent.
-2.
Met betrekking tot het toezicht op de
uitvoering is het bepaalde bij en
krachtens de artikelen 81b, tweede en
derde lid, 81c en 81d van de Algemene
Bijstandswet van overeenkomstige
toepassing.
HOOFDSTUK
V
De
financiering
Art.
37 [56].
[MvT]
Uitkeringen door burgemeester en
wethouders van een gemeente
toegekend,
komen ten laste van die gemeente.
Art.
38 [57].
[MvT]
-1. Het Rijk vergoedt aan de
gemeente 90 procent van de ten
laste van de gemeente gekomen
uitkeringen.
-2.
Onder uitkeringen, bedoeld in het eerste
lid, worden verstaan de netto ten laste
van de gemeente gebleven kosten van
uitkeringen, daaronder begrepen de ten
laste van de gemeente komende premies
ingevolge de socialeverzekeringswetten.
-3.
Vergoeding kan geheel of gedeeltelijk
worden geweigerd indien de uitkeringen
in strijd met de bij en krachtens deze
wet gestelde regels zijn verleend. De
beslissing wordt met redenen omkleed.
Indien meer dan één jaar is verstreken
nadat de definitieve kostenopgaven met
betrekking tot de in het desbetreffende
dienstjaar verleende uitkeringen van de
gemeenten zijn ingekomen, wordt een
zodanige beslissing niet meer genomen.
-4. Onze
Minister
kan volgens door hem te
stellen regels een vergoeding toekennen
voor de kosten van aan instellingen als
bedoeld in artikel 18
[14], tweede lid,
opgedragen onderzoek.
Art.
39 [58].
[MvT]
De
vergoedingen, bedoeld in artikel 38
[57], worden slechts verleend voor zover de
inrichting van de administratie van de
uitkeringen voldoet aan de regels door Onze
Minister ter zake gesteld en
desgevraagd daarvan inzage wordt gegeven
aan de daartoe aangewezen ambtenaren.
Art.
40 [-]. [MvT]
Binnen
twee maanden na de datum van verzending
van de beslissing inzake het niet
vergoeden van uitkeringen als bedoeld in
de artikelen 38 [57]
en 39 [58]
kunnen
burgemeester en wethouders schriftelijk
bij Ons in beroep komen. Alvorens op het
beroep te beslissen, worden gedeputeerde
staten ter zake gehoord.
HOOFDSTUK
VI
Bezwaar
en beroep
Art.
41 [-]. [MvT]
-1.
Binnen één maand na de datum van
verzending van de beslissing inzake de
uitkering kan de betrokkene een
bezwaarschrift indienen bij burgemeester
en wethouders.
-2.
Indien de beslissing langer dan één
maand uitblijft, kan de betrokkene
binnen de tweede maand een
bezwaarschrift bij burgemeester en
wethouders indienen.
-3.
De in het eerste en tweede lid bedoelde
bevoegdheid komt de gewezen zelfstandige
en de echtgenoot toe.
Art.
42 [-]. [MvT]
De
beschikking op het bezwaarschrift wordt
schriftelijk en met redenen omkleed aan
de indiener medegedeeld. Daarbij wordt
mededeling gedaan van de mogelijkheid
tot het instellen van beroep.
Art.
43 [-]. [MvT]
De
gemeenteraad stelt voorschriften vast
betreffende de behandeling van
bezwaarschriften. Ten aanzien van die
voorschriften zijn de artikelen 198 tot
en met 205 van de Gemeentewet
van
toepassing.
Art.
44 [-]. [MvT]
Binnen één maand na de datum van verzending van
de mededeling, bedoeld in artikel
42 [-],
kan de betrokkene schriftelijk in beroep
komen bij gedeputeerde
staten. Indien binnen één maand na de
indiening van een bezwaarschrift
zodanige mededeling nog niet is
ontvangen, kan binnen de tweede maand
beroep worden ingesteld.
Art.
45 [-]. [MvT]
Binnen één maand na de verzending van de
uitspraak van gedeputeerde staten kunnen
burgemeester en wethouders en de in
artikel 44 [-] bedoelde persoon daartegen
schriftelijk bij Ons in beroep komen.
Het beroep heeft schorsende werking.
Art.
46 [-]. [MvT]
De
uitspraak van gedeputeerde staten kan,
indien zij met de wet of het algemeen
belang strijdt, bij koninklijk besluit
worden geschorst of vernietigd.
HOOFDSTUK
VII
Strafbepalingen
Art.
47 [61].
[MvT]
-1.
Degene die in strijd met de waarheid een
opgave doet of enig gegeven verzwijgt,
met het oogmerk om aldus voor zichzelf
of voor degene voor wie hij optreedt een
uitkering of een hogere uitkering op
grond van deze wet te verkrijgen dan wel
te behouden, wordt gestraft met een
gevangenisstraf van ten hoogste twee
jaren of geldboete van de vierde
categorie.
-2.
Het in het eerste lid omschreven feit is
een misdrijf.
Art.
48 [62].
[MvT]
-1.
Degene die de verplichting, bedoeld in
artikel 17 [13],
niet of niet behoorlijk
nakomt, waardoor ten onrechte een
uitkering of een te hoge uitkering is
verleend, wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste zes maanden of geldboete
van de derde categorie.
-2.
Het in het eerste lid omschreven feit is
een overtreding.
Art.
49 [63].
[MvT]
-1.
Degene die niet voldoet aan de
verplichting omschreven in artikel 19
[44+45],
eerste lid, of ter zake onjuiste
inlichtingen verstrekt, wordt gestraft
met hechtenis van ten hoogste één maand
of geldboete van de eerste categorie.
-2.
Het in het eerste lid omschreven feit is
een overtreding.
HOOFDSTUK
VIII
Overgangsbepalingen
Art.
50 [-]. [MvT]
-1.
De gewezen zelfstandige, bedoeld in
artikel 2 [2], die op de dag voorafgaande
aan die waarop deze wet in werking
treedt recht heeft op een uitkering op
grond van een
bedrijfsbeëindigingsregeling van de
door Onze Minister van Economische Zaken
opgerichte Stichting ontwikkeling en
sanering midden- en kleinbedrijf, heeft
na afloop van de uitkeringsduur van die
regeling desgevraagd aansluitend recht
op uitkering op grond van deze wet,
tenzij dat anders dan op grond van
artikel 4 [5], tweede of derde lid, wordt
verhinderd.
-2.
De gewezen zelfstandige, bedoeld in
artikel 2 [2],
die op de dag voorafgaande
aan die waarop deze wet in werking
treedt recht heeft op een maandelijkse
uitkering op grond van een
bedrijfsbeëindigingsregeling van de
door Onze Minister van Landbouw en
Visserij opgerichte Stichting
ontwikkelings- en saneringsfonds voor de
landbouw, heeft desgevraagd recht op
uitkering op grond van deze wet, tenzij
dat anders dan op grond van artikel
4 [5],
tweede of derde lid, wordt verhinderd.
Art.
51 [-]. [MvT]
Totdat
het bij koninklijke boodschap van 4 mei
1983 ingediende voorstel van wet
houdende de algemene regeling van beslag
op loon, sociale uitkeringen en andere
periodieke betalingen (Kamerstukken II
1982-1983, 17 897) tot wet is verheven en
in werking is getreden, luidt artikel
25 [24], eerste lid, van deze wet als volgt:
-1.
De uitkering is:
a.
onvervreemdbaar;
b.
niet vatbaar voor verpanding of
belening;
c.
behoudens voor zover dit dient tot
verhaal van levensonderhoud waartoe de
betrokkene volgens de wet is gehouden,
niet vatbaar voor executoriaal of
conservatoir beslag, noch voor
faillissementsbeslag.
HOOFDSTUK
IX
Slotbepalingen
Art.
52 [-].
De
commissie, bedoeld in de artikelen 17 en
18 van de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers (Stb. 1984, 626), wordt
aangemerkt als een commissie in de zin
van deze wet.
Art.
53 [-].
Ten
aanzien van het verstrekken van
statistische gegevens en het dienen van
bericht door de gemeentebesturen zijn de
bij en krachtens artikel 84a van de
Algemene Bijstandswet gestelde regels
van overeenkomstige toepassing.
Art.
54 [64].
[MvT]
-1.
In het belang van een goede uitvoering
van het bij en krachtens deze wet
bepaalde kunnen bij algemene maatregel
van bestuur nadere regels worden
gesteld.
-2. Onze
Minister kan, wanneer hij overweegt
een voordracht tot vaststelling,
wijziging of intrekking van een in het
eerste lid bedoelde algemene maatregel
van bestuur te doen en naar zijn oordeel
een gewichtige reden een onmiddellijke
voorziening eist, overeenkomstig de in
overweging zijnde maatregel regels
stellen.
-3.
De regeling, bedoeld in het tweede lid,
blijft, behoudens eerdere intrekking,
van kracht totdat de in het eerste lid
bedoelde algemene maatregel van bestuur
in werking treedt, doch uiterlijk tot
twaalf maanden na de dag van inwerkingtreding.
Art.
55 [-]. [MvT]
De
Rijksgroepsregeling vrijlating
oudedagsvoorziening bijzondere groepen (Stb.
1974, 825) wordt ingetrokken.
Art.
56 [65].
De Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb.
1964, 521)
wordt als volgt gewijzigd:
In artikel
11, eerste lid, onderdeel
f, onder 2º, wordt
voor "artikel 19a van de Wet
uitkeringen vervolgingsslachtoffers
1940-1945" ingevoegd: artikel 10
[10] van de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
Art.
57 [68].
Deze
wet treedt in werking met ingang van 1
juli 1987.
Art.
58 [69].
Deze
wet kan worden aangehaald als: Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen.
Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat alle
ministeries, autoriteiten, colleges en
ambtenaren wie zulks aangaat, aan de
nauwkeurige uitvoering de hand zullen
houden.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
|