|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1986-1987, 19 778
Het
treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam
minder bedraagt dan het sociaal minimum
en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd (Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
De positie van gewezen zelfstandigen
in de sociale zekerheid |
| 3 |
Voorstellen tot verbetering van de
positie van gewezen zelfstandigen in de
sociale zekerheid |
| 4 |
Een specifieke inkomensvoorziening
voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen |
| 5 |
Kring der rechthebbenden |
| 6 |
Bijzondere voorwaarden voor het recht
op uitkering |
| 7 |
De uitkering |
| 8 |
Voorwaarden en sancties |
| 8.1 |
Beschikbaarheid voor de arbeid |
| 8.2 |
Ontheffingsmogelijkheden |
| 8.3 |
Sancties |
| 9 |
De
uitvoering van de regeling |
| 10 |
De financiering |
| 11 |
Noodzaak van regelgeving en
budgettaire gevolgen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen |
Algemeen
1.
Inleiding
Op
7 mei 1986 heeft de Tweede Kamer der
Staten-Generaal een pakket
wetsvoorstellen aanvaard met betrekking
tot de stelselherziening sociale
zekerheid. Tot dit pakket behoort het
wetsvoorstel inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (Ioaw, Kamerstukken
II 1985-1986, 19 260, nr. 198).
Aanvankelijk
behoorden gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
niet tot de personenkring van het bij de
Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel
inkomensvoorziening oudere werkloze
werknemers (Iow). Tijdens de mondelinge
behandeling van het wetsvoorstel Iow is
op aandrang van de Tweede Kamer de
personenkring verruimd met gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
De Ioaw
is een inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau voor oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers.
Gewezen
zelfstandigen behoren niet tot de
personenkring van het wetsvoorstel Ioaw.
Bij
de behandeling van het pakket
wetsvoorstellen in de Tweede Kamer is in
brede kring gepleit voor een
gelijkwaardige bescherming in de sociale
zekerheid voor gewezen zelfstandigen die
noodgedwongen hun bedrijf of beroep
moeten beëindigen. Het kabinet heeft
zich daarop bereid verklaard aan de hand
van een schets van hoofdlijnen
(Handelingen II 1985-1986, 19 383, nr. 9,
bijlage II) een daartoe strekkend
wetsvoorstel in te dienen, specifiek
gericht op gewezen zelfstandigen van
wie de positie vergelijkbaar is met die
van oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
2. De positie van gewezen zelfstandigen
in de sociale zekerheid
In
het huidige socialezekerheidsstelsel is
niet voorzien in een
werkloosheidsregeling voor
zelfstandigen.
Zelfstandigen
die hun bedrijf of beroep beëindigen,
komen thans onder bepaalde voorwaarden
in aanmerking voor een vergoeding of
uitkering op grond van de
bedrijfsbeëindigingsregelingen van de ministeries van Economische
Zaken rblz.|2|
(Stcrt. 1985, 250) en van Landbouw
en Visserij (Stcrt. 1972,
221).
De
bedrijfsbeëindigingsregelingen zijn met
name van belang voor oudere
zelfstandigen. Bepaalde categorieën
zelfstandigen zijn van het recht op
vergoeding bij bedrijfsbeëindiging
uitgesloten.
De
beëindigingsregelingen bevatten geen
specifieke criteria en voorwaarden
gericht op herinschakeling in de arbeid,
met uitzondering van de verplichting tot
inschrijving als werkzoekende bij het
arbeidsbureau. Bovendien verschillen de
regelingen voor het midden- en
kleinbedrijf en voor de landbouw
onderling sterk, onder meer wat betreft
opzet, personenkring, vergoedingen en
voorwaarden.
De
gewezen zelfstandige die niet of niet
langer rechten aan deze regelingen kan
ontlenen, is thans aangewezen op bijstand
en wordt geconfronteerd met een
stringente middelentoets, inclusief die
op vermogen. Voor oudere gewezen
zelfstandigen die ten minste vijf jaar
lang zelfstandige zijn geweest, geldt wel
een beperkte vermogensvrijlating in
verband met een bescheiden
oudedagsvoorziening uit hoofde van de
Rijksgroepsregeling vrijlating
oudedagsvoorziening bijzondere groepen
(Rvo, Stb. 1974, 825). Ten aanzien van
deze categorie wordt de vermogenstoets
van de bijstand in zekere mate
gemitigeerd.
3. Voorstellen tot verbetering van de
positie van gewezen zelfstandigen in de
sociale zekerheid
In
het recente verleden is de sociale
positie van zelfstandigen bij
werkloosheid meermalen aan de orde
geweest.
In
zijn advies van 15 oktober 1976 inzake
een sociale voorziening ten behoeve van
werkloze ex-zelfstandigen heeft de
Sociaal-Economische Raad [SER, red.]
bepleit
ex-zelfstandigen ongeacht hun leeftijd
onder een aantal bijzondere voorwaarden
op te nemen in de personenkring van de
toenmalige Wet
Werkloosheidsvoorziening (WWV), die werd gefinancierd uit de
algemene middelen. Wat betreft het
tijdstip van opneming van zelfstandigen
in de WWV zou volgens de SER rekening
gehouden dienen te worden met de
budgettaire effecten en met de
prioriteiten in het overheidsbeleid.
In
zijn adviesaanvraag over de herziening
van het stelsel van sociale zekerheid
van 25 mei 1 983 heeft het kabinet de
SER gevraagd zich uit te spreken over de
mogelijkheid en wenselijkheid van een
verplichte werkloosheidsregeling op
minimumniveau voor zelfstandigen met
een overeenkomstige premiebetaling door
deze categorie.
De
Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf
heeft op 30 maart 1984 advies
uitgebracht aan de SER. In zijn daarop
aansluitend advies van 29 juni 1984
spreekt de SER zich uit tegen een
verplichte werkloosheidsverzekering
voor zelfstandigen. Wel bepleit de SER
een inkomensvoorziening voor gewezen
zelfstandigen op sociaalminimumniveau.
Zelfstandigen zouden derhalve volgens de
SER niet tot de personenkring van de
nieuwe nieuwe Werkloosheidswet
[nieuwe WW, red.] (Kamerstukken II 1985-1986, 19 261, nr. 199) dienen te
behoren. De SER overweegt daarbij dat
het werkloosheidsrisico van de
zelfstandige zozeer samenhangt met
beslissingen die door betrokkene zelf
zijn genomen in het kader van de
bedrijfsuitoefening dat dit geen
voorwerp kan zijn van een verplichte
verzekering. Een dergelijke verzekering
zou bovendien uitvoeringsproblemen met
zich meebrengen. De Raad voor het
Midden- en Kleinbedrijf heeft dit
oordeel uitvoerig onderbouwd.
In
de nieuwe WW is het advies van de SER
gevolgd. Zelfstandigen maken derhalve
geen deel uit van de kring van
verzekerden.
In
zijn aanvullend advies van 23 augustus
1985 over de herziening van het socialezekerheidsstelsel beveelt de
SER
aan om
ex-zelfstandigen rblz.|3|
onder
bijzondere voorwaarden en na een zekere
wachttijd op te nemen in de
personenkring van de Iow. Wat betreft de
voorwaarden verwijst de Raad verder naar
zijn advies van 15 oktober 1976, waarin
een aantal bijzondere voorwaarden voor
het recht op uitkering wordt genoemd
De
Raad overweegt in zijn advies dat de
zelfstandige die als gevolg van een
noodgedwongen beëindiging van het
bedrijf of beroep werkloos wordt in het
algemeen in sociaal opzicht in een
minder gunstige positie verkeert dan de
werkloze werknemer, terwijl de oorzaken
van het ontstaan van de moeilijkheden in
het algemeen niet principieel
verschillen.
Wij
delen de visie van de SER waar het
betreft de wenselijkheid oudere
ex-zelfstandigen onder bepaalde
voorwaarden in aanmerking te doen komen
voor een inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau
buiten de Algemene
Bijstandswet (Stb. 1973, 395) te
financieren uit de algemene middelen.
Evenals
oudere werkloze werknemers hebben oudere
gewezen zelfstandigen in het algemeen
immers een lang arbeidsverleden en
ontmoeten zij mede door hun leeftijd
bijzondere belemmeringen bij de
(her)inschakeling in de arbeid. Het is
gerechtvaardigd voor deze gewezen
zelfstandigen een aan de Ioaw
gelijkwaardige regeling op sociaalminimumniveau te treffen.
Deze
regeling dient ook te gelden voor
gewezen zelfstandigen met een
gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering die voor
de resterende arbeidscapaciteit werkloos
raken.
In
tegenstelling tot de SER zijn wij echter
van mening dat het niet gewenst is
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen te incorporeren in de
Ioaw.
4. Een specifieke inkomensvoorziening
voor oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
Een
inkomensvoorziening voor deze gewezen
zelfstandigen kan naar ons oordeel het
beste worden gerealiseerd via een eigen
regeling.
De
oorzaken van werkloosheid zijn voor
zelfstandigen niet vergelijkbaar met die
voor werknemers. Met name de
vaststelling van het niet-verwijtbare
karakter van de werkloosheid levert
complicaties op.
Hiervoor
is een andersoortige beoordeling
vereist. Van het wetsvoorstel Ioaw afwijkende bepalingen zijn noodzakelijk,
onder meer wat betreft de personenkring,
de toetredingscriteria en de uitvoering.
Overwogen
is een inkomensvoorziening voor genoemde
gewezen zelfstandigen te realiseren door
een ingrijpende wijziging van de huidige
bedrijfsbeëindigingsregelingen. Het
voornaamste bezwaar hiertegen houdt
verband met de primair op
structuurversterking gerichte
doelstellingen van deze regelingen.
Instrumenten tot herinschakeling in de
arbeid ontbreken nagenoeg. De
bedrijfsbeëindigingsregeling voor het
midden- en kleinbedrijf heeft daarbij in
de loop van de tijd een overwegend
sociaal karakter gekregen, terwijl de
regeling voor landbouw primair
structuurversterkend van aard is.
Wijziging
van de bedrijfsbeëindingsregelingen op
zodanige wijze dat voor de gewezen
zelfstandigen vergelijkbare rechten als
voor de werkloze werknemers ontstaan, zou
leiden tot een ongewenste vermenging van
sociale en stuctuurversterkende
elementen in de beëindigingsregelingen.
Een algemene inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau
voor genoemde
gewezen zelfstandigen, gelijkwaardig aan
de regeling voor werkloze werknemers,
past beter in het kader van de sociale
zekerheid dan in het economische
structuurbeleid.
Zoals
hiervoor reeds is aangegeven, stuit ook
het pleidooi van onder meer de SER
om
gewezen zelfstandigen op te nemen in de Ioaw
op rblz.|4|
overwegende
bezwaren. Afwijkende bepalingen,
toegesneden op de positie van
zelfstandigen, verdragen zich niet met
het karakter van de Ioaw als verlengstuk
van de nieuwe WW
en zouden bovendien
leiden tot een aanmerkelijk
gecompliceerder wetsvoorstel
Ioaw.
Gelet
op het uitgangspunt dat voor gewezen
zelfstandigen vergelijkbare
uitkeringsrechten moeten gelden als voor
werkloze werknemers en gezien de
stringentere middelentoets van de ABW is
ook het geheel loslaten van de
vermogenstoets in de ABW voor deze groep
geen begaanbare weg. Een categoriale
uitsluiting van de vermogenstoets is
bovendien in strijd met het wettelijk
uitgangspunt dat bijstand complementair
is op de eigen middelen van betrokkene.
Uit
het voorgaande vloeit voort dat een
apart wetsvoorstel inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zelfstandigen (Ioaz)
de voorkeur verdient. Dit wetsvoorstel
kent dezelfde systematiek als de Ioaw.
Het sluit daarbij ook aan wat betreft
onder meer de uitkeringsbepalingen en
de voorwaarden tot herinschakeling in de
arbeid. Anderzijds bevat het voorstel,
gezien de specifieke kenmerken van de
doelgroep, geheel eigen bepalingen,
onder meer wat betreft de personenkring, toelatingsvoorwaarden en
uitvoeringsbepalingen.
Gezien
de ruimere bescherming die de Ioaz
aan
met name oudere gewezen zelfstandigen
biedt, kan de bestaande
bedrijfsbeëindigingsregeling voor het
midden- en kleinbedrijf worden
ingetrokken. Dit laat het bestaan van
specifieke structuurversterkende
maatregelen voor zowel de landbouw als
voor het midden- en kleinbedrijf op
grond van overwegingen van sector- en
structuurbeleid onverlet. Ook de Rvo kan
mede vanuit een oogpunt van deregulering
vervallen, nu voor dezelfde doelgroep -
oudere gewezen zelfstandigen met een
lang arbeidsverleden - een eigen
inkomensvoorziening zonder
vermogenstoets wordt gerealiseerd.
Door
het ontbreken van een vermogenstoets
wordt eenzelfde positie als voor loaw-gerechtigden bereikt. Wel is er
aanleiding gezien de afwijkende
vermogenspositie van zelfstandigen ten
opzichte van werknemers in deze wet
een
beperkte toets op inkomsten uit vermogen
op te nemen.
Na
beëindiging van het zelfstandig
ondernemerschap verliest het eigen
vermogen de functie van voor het bedrijf
of beroep bestemd vermogen dat onder
meer dient als basis voor het opvangen
van de aan de bedrijfsuitoefening
verbonden financiële risico's.
De
vrijkomende middelen kunnen aanzienlijk
zijn. Gelet hierop is het verantwoord
rekening te houden met het inkomen uit
het vermogen voor zover het om
aanzienlijke vermogens gaat. Voor de
hoogte van het voor de inkomenstoets
vrijgestelde vermogen is aansluiting
gezocht bij het vermogen dat voor de
vergelijkbare categorie oudere
zelfstandigen met niet-levensvatbare
bedrijven in het Bijstandsbesluit
zelfstandigen wordt vrijgelaten.
5. Kring der rechthebbenden
De
personenkring van de regeling bestaat
uit twee categorieën. Enerzijds gaat
het om oudere zelfstandigen die als
gevolg van een inkomen dat duurzaam
onder het sociaal
minimum ligt, gedwongen
zijn hun bedrijf of beroep te
beëindigen en die bij de aanvang van
hun werkloosheid de leeftijd van 55 jaar
hebben bereikt. Een leeftijdsgrens van
ten minste 55 jaar voor gewezen
zelfstandigen komt globaal overeen met
de leeftijd vanaf welke oudere werkloze
werknemers aanspraak op de Ioaw
kunnen
maken.
Werknemers
die na het bereiken van de leeftijd van
50 jaar werkloos zijn geworden, komen
immers in het algemeen eerst voor een Ioaw-uitkering
rblz.|5|
in aanmerking nadat zij gedurende vier of
vijf jaar een uitkering op grond van de WW
hebben genoten.
Anderzijds
betreft het gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zelfstandigen die
gedwongen zijn hun bedrijf of beroep te
beëindigen en die een uitkering op
grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet [AAW, red.] (Stb. 1980,
28) hebben, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van minder dan
80%. Aldus wordt voorkomen dat deze
gewezen zelfstandigen voor het
werkloosheidsdeel op bijstand met de
daaraan verbonden stringentere
middelentoets aangewezen raken.
De
voorziening geldt voor gewezen
zelfstandigen die hun bedrijf of beroep
hebben uitgeoefend in de vorm van een eenpersoonsbedrijf of beroep, een
maatschap, een vennootschap onder firma,
een commanditaire vennootschap, een
besloten vennootschap of een naamloze
vennootschap.
Tot
de personenkring behoren ook de gewezen
zelfstandigen die voor hun inkomen niet
uitsluitend waren aangewezen op arbeid
in het eigen bedrijf of beroep, maar
deels ook op andere inkomsten, zoals
inkomsten uit dienstbetrekking of uit
arbeidsongeschiktheid. De meewerkende
echtgenoot kan met de gewezen
zelfstandige worden gelijkgesteld.
Het
recht op uitkering op grond van deze
inkomensvoorziening kan ontstaan zodra
de betrokkene het bedrijf of beroep
heeft beëindigd.
De
aanspraak op een uitkering kan doorlopen totdat de gewezen
zelfstandige de leeftijd van 65 jaar
bereikt.
Degenen
die niet voldoen aan de
toetredingsvoorwaarden van het recht op
uitkering kunnen als voorheen bij het
ontstaan of voortduren van werkloosheid
aanspraak maken op de verlening van
bijstand met toepassing van de
Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
Tot
de kring van rechthebbenden behoren in
beginsel ook degenen die aan de
toetredingsvoorwaarden voldoen, doch
vanwege de inkomenssituatie niet direct
na beëindiging van het bedrijf of
beroep aanspraak kunnen doen gelden op
een Ioaz-uitkering.
Dit
kan het geval zijn bij degene die
aansluitend op de beëindiging van het
bedrijf of beroep arbeid in
dienstbetrekking heeft aanvaard. Ook kan
dit het geval zijn doordat het inkomen
van de echtgenoot bij de beëindiging
van het bedrijf of beroep boven het sociaal
minimum ligt. Bij intreding van
werkloosheid van de betrokkene of de
echtgenoot ontstaat dan op een later
tijdstip aanspraak op een Ioaz-uitkering.
Ingeval
de aanspraak wordt onderbroken als
gevolg van werkaanvaarding of het
opnieuw uitoefenen van een bedrijf of
beroep door de betrokkene of door de
echtgenoot, zal na beëindiging van de
werkzaamheden weer aanspraak op de
voorziening mogelijk zijn. Ook kan
sprake zijn van een kort dienstverband,
waarna recht op een WW-uitkering
ontstaat - voor een halfjaar - zonder
dat recht op een WW-uitkering voor de
maximale duur is verkregen. In dat geval
kan, uiteraard na het verstrijken van
het halve jaar waarin de WW-uitkering,
eventueel aangevuld met een toeslag op
grond van de Toeslagenwet, wordt genoten,
opnieuw een beroep op Ioaz-uitkering
worden
gedaan. Indien door bijvoorbeeld de
aanvaarding van een dienstverband de
inkomsten lager zijn dan het
toepasselijke sociaalminimumniveau,
blijft aanspraak op de Ioaz-uitkering
bestaan onder verrekening van de
daaruit verkregen inkomsten.
Tot
de kring van rechthebbenden zullen
ingevolge een overgangsbepaling ook
behoren de gewezen zelfstandigen die hun
bedrijf of beroep hebben beëindigd en
die vervolgens ofwel de duur van een
tijdelijke uitkering ingevolge de
bedrijfsbeëindigingsregeling hebben
doorlopen, ofwel een beperkte
maandelijkse uitkering krachtens een
bedrijfsbeëindigingsregeling
ontvangen.
rblz.|6|
6. Bijzondere voorwaarden voor het recht
op uitkering
Hiervoor
is reeds uiteengezet dat de oorzaken van
werkloosheid voor zelfstandigen van een
andere aard zijn dan die voor
werknemers. In het algemeen vloeit het
ontstaan van onvrijwillige werkloosheid
bij zelfstandigen voort uit een
bedrijfsinkomen dat duurzaam
ontoereikend is om te voorzien in het
levensonderhoud en om het bedrijf in
stand te houden. Voor zover het gaat om
werkloosheid die samenhangt met
arbeidsongeschiktheid, wordt hierop aan
het slot van dit hoofdstuk teruggekomen.
Ten
aanzien van gewezen zelfstandigen is het
noodzakelijk een aantal bijzondere
voorwaarden te stellen, die afwijken van
de voorwaarden van de bestaande werkloosheidsregelingen. Deze
voorwaarden sluiten in belangrijke mate
aan bij de adviezen van de SER
en hebben
deels betrekking op vaststelling van het
niet-verwijtbare karakter van het
beëindigen van ondernemersactiviteiten,
deels op de duur van het
arbeidsverleden.
Ten
aanzien van oudere gewezen zelfstandigen
gelden de volgende voorwaarden.
Voor
de vaststelling van het noodgedwongen
karakter van de beëindiging is vereist
dat het inkomen van de zelfstandige
beneden het sociaalminimumniveau
heeft
gelegen. Aangezien een laag inkomen in
één jaar eenmalig kan zijn en geen
bedreiging behoeft te vormen voor de
voortzetting van het bedrijf, dient
deze inkomenstoets betrekking te hebben
op een langere periode. Aangesloten is
bij het SER-advies ter zake. De
inkomenstoets vindt derhalve plaats aan
de hand van het inkomen in de laatste
drie jaar. Het is gewenst uit te gaan
van een gemiddeld inkomen, gelet op het
feit dat de bedrijfsresultaten in vele
bedrijfstakken van jaar tot jaar sterk
kunnen fluctueren. Het gaat bij deze
inkomenstoets om het inkomen van de
zelfstandige uit bedrijf of beroep
alsmede om zijn inkomen uit of in
verband met arbeid in dienstbetrekking.
Naast
de resultaten uit het recente verleden
dient ook het toekomstperspectief van
het bedrijf of beroep te worden
beoordeeld. Vastgesteld dient te worden
dat het inkomen van de zelfstandige naar
verwachting duurzaam beneden het sociaal
minimum blijft.
Indien
wordt voldaan aan deze beide
voorwaarden, wordt ervan uitgegaan dat
de zelfstandige uit bedrijf of beroep
duurzaam een te gering inkomen behaalt.
De beëindiging van het bedrijf of
beroep kan alsdan als niet-verwijtbaar
worden aangemerkt.
Om
de genoemde voorwaarden te beoordelen en
een onterecht gebruik van de regeling te
voorkomen, moet de aanvraag voor een Ioaz-uitkering worden ingediend vóór
de beëindiging van de arbeid in het
bedrijf of beroep. Uiterlijk binnen
anderhalf jaar na het tijdstip van
aanvraag dienen de
ondernemersactiviteiten te worden
gestaakt. Hierdoor wordt voorkomen dat
bedrijven via een inkomensgarantie van
overheidswege in stand blijven.
Ten slotte
wordt ten aanzien van de duur van het
arbeidsverleden in beginsel de
voorwaarde gesteld dat de gewezen
zelfstandige voorafgaande aan de
aanvraag om een Ioaz-uitkering ten
minste tien jaar onafgebroken rechtmatig een
bedrijf of beroep in Nederland heeft
uitgeoefend. Deze voorwaarde werd ook in
de bedrijfsbeëindigingsregeling voor
het midden- en kleinbedrijf gesteld.
Hierdoor wordt het karakter van de Ioaz
als inkomensvoorziening voor oudere
gewezen zelfstandigen bij een lang
arbeidsverleden onderstreept. Voorts
wordt hierdoor een onterecht gebruik van
de regeling tegengegaan.
Ten
behoeve van de sociale bescherming van
personen die na een lange periode in
loondienst zelfstandige zijn geworden en
niet aan deze rblz.|7|
voorwaarde
kunnen voldoen, geldt een afwijkende
voorwaarde. Zij dienen direct
voorafgaande aan de aanvraag ten minste
drie jaar als zelfstandige werkzaam te
zijn geweest, dit in verband met de
noodzakelijke beoordeling van het
inkomen. In de zeven jaar daarvoor dienen
zij als werknemer dan wel nog een
periode als zelfstandige werkzaam te
zijn geweest.
In
afwijking van het advies van de SER, dat
gericht is op het opnemen van gewezen
zelfstandigen in de Ioaw, wordt het
recht op uitkering voor oudere gewezen
zelfstandigen ingevolge deze regeling
niet voorafgegaan door een zekere
wachttijd.
Door
het opnemen van een wachttijdperiode in
de regeling zouden gewezen zelfstandigen
met een relatief laag vermogen worden
benadeeld, aangezien zij dit vermogen na
de beëindiging van het bedrijf in
belangrijke mate zouden moeten aanwenden
voor de voorziening in levensonderhoud.
Bovendien
is een dergelijke wachttijd uit een
oogpunt van vergelijkbare rechten met
oudere werklozen in de Ioaw niet
noodzakelijk bij de keuze voor een
leeftijdsgrens van 55 jaar. Ten slotte is
met de beoordeling in het algemeen reeds
enige tijd gemoeid; hetzelfde geldt voor
de beëindiging van de
ondernemersactiviteiten.
Ten
aanzien van gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
gelden afzonderlijke voorwaarden voor
het recht op uitkering. Wat betreft de
leeftijdseis, de inkomenseis en de
vereiste duur van het arbeidsverleden is
er aanleiding af te wijken van de
voorwaarden die voor oudere gewezen
zelfstandigen gelden.
Van
een leeftijdscriterium wordt ten aanzien
van gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen afgezien,
aangezien de oorzaak van de problemen -
de arbeidsongeschiktheid - niet
leeftijdsgebonden is. Uiteraard dient
betrokkene wel jonger te zijn dan 65
jaar. De inkomenseis ten aanzien van de
laatste drie jaar geldt niet voor deze
categorie gewezen zelfstandigen, gelet
op de specifieke belemmeringen voor
betrokkene om in het bestaan te voorzien
in verband met arbeidsongeschiktheid.
De
voorwaarde dat het inkomen naar
verwachting duurzaam ontoereikend is,
blijft ook voor de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
gelden. De zelfstandige wiens totale
inkomen (AAW-uitkering plus
bedrijfs- of
beroepsinkomen) naar verwachting
duurzaam uitgaat boven het sociaal
minimum komt derhalve niet voor Ioaz-uitkering
in
aanmerking.
Wat
betreft de vereiste duur van het
arbeidsverleden wordt niet aangesloten
bij de periode van tien jaar die voor
oudere gewezen zelfstandigen geldt,
gelet op het verschil in aard van
belemmeringen om in het bestaan te
voorzien.
Voor
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen geldt daarom de voorwaarde
dat ten minste in de laatste drie jaar
als zelfstandige is gewerkt.
De
termijn van beëindiging van
ondernemersactiviteiten is gesteld op
ten hoogste anderhalf jaar vanaf de
aanvraag, evenals voor oudere gewezen
zelfstandigen.
7. De uitkering
Wat
betreft de uitkeringsbepalingen van dit
wetsvoorstel wordt aangesloten bij de Ioaw.
De
inkomensvoorziening is een
minimumbehoeftevoorziening ten behoeve
van de gewezen zelfstandige en dienst
echtgenoot tezamen. De gewezen
zelfstandige en diens echtgenoot hebben
gelijkelijk recht op de uitkering die
voor hen gezamenlijk en de eventuele
overige gezinsleden is bedoeld.
Evenals
bij de toekenning van Ioaw of bijstand
zal, indien één van beiden of beiden
dit wensen, aan elk de helft van de
totale uitkering worden betaald.
rblz.|8|
Ongehuwde
partners worden gelijkgesteld met
gehuwden op dezelfde wijze als in de Ioaw
en in de bijstand. Het gaat daarbij
om de partner van hetzelfde of het
andere geslacht met wie duurzaam een
gezamenlijke huishouding wordt gevoerd,
tenzij het een persoon betreft met wie
bloedverwantschap in de eerste of tweede
graad bestaat.
De
uitkeringsgrondslagen zijn evenals in de
Ioaw op brutobasis gekoppeld aan het minimumloon. Daarmee zijn de
netto-uitkeringsniveaus dezelfde als die
op grond van de Algemene Bijstandswet.
De uitkering voorziet in het inkomen tot
aan het sociaalminimumniveau
voor zover
het inkomen uit of in verband met arbeid
en het inkomen uit het (niet-vrijgesteld) vermogen van de gewezen
zelfstandige en diens echtgenoot tezamen
ontoereikend is. Er is derhalve sprake
van een aanzienlijk lichtere
middelentoets dan bij de verlening van
bijstand, in het bijzonder ten aanzien
van het niet aanspreken van het
vermogen, waarop derhalve niet behoeft
te worden ingeteerd. Behoudens de
beperkte toets op inkomsten uit
vermogen, sluit de inkomenstoets aan bij
die welke in het kader van de Ioaw wordt gehanteerd. De inkomsten van
kinderen blijven buiten beschouwing.
De
uitkering vult de eigen inkomsten aan
tot het sociaal minimum. Bij een
gedeeltelijke vrijlating zou een hoger
inkomen dan dit minimum worden
gewaarborgd, waarmee naar onze mening
afbreuk zou worden gedaan aan het
minimumbehoeftekarakter van deze
regeling. Wel achten wij het gewenst en
verantwoord dat een in omvang en duur
beperkte vrijlating wordt toegepast op
inkomsten uit arbeid. Dit als
financiële stimulans voor
uitkeringsgerechtigden die trachten
(opnieuw) in hun levensonderhoud te
voorzien.
8. Voorwaarden en sancties
8.1.
Beschikbaarheid voor de arbeid
Ten
aanzien van de voorwaarden die aan het
recht op uitkering worden verbonden en
ten aanzien van de sancties wordt
eveneens aangesloten bij de Ioaw. In
deze regeling zijn ook voor oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen voorwaarden opgenomen die
zijn gericht op de herinschakeling in de
arbeid.
Hoewel
voor ouderen die langdurig werkloos zijn de mogelijkheden tot herintreding
veelal beperkt zijn, zou het onjuist
zijn om van het stellen van deze
voorwaarden af te zien. Uitgangspunt is
evenwel - gezien de huidige
arbeidsmarktsituatie - het thans
gevoerde soepele beleid ten aanzien van
57,5-jarigen en ouderen voort te zetten.
Het
karakter van de inkomensvoorziening
brengt met zich mee dat ook de
mogelijkheden van de echtgenoot in
beschouwing kunnen worden genomen. Aan
de aanspraak op een zodanige voorziening
dienen, indien mogelijk en redelijk,
arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de
echtgenoot te worden verbonden. Het
stellen van voorwaarden is in beginsel
redelijk indien deze in het recente
verleden beloonde arbeid heeft verricht.
Daarvan wordt afgezien indien deze
arbeid meer dan twee jaar geleden werd
beëindigd.
Wanneer
aan de echtgenoot op grond van een
andere uitkeringsregeling reeds
voorwaarden tot (her)inschakeling in de
arbeid zijn gesteld, kan zulks bij de
toepassing van de Ioaz
uiteraard
achterwege blijven. Bij de beoordeling
van de redelijkheid en de mogelijkheden
van de echtgenoot waar het gaat om het
stellen van de bedoelde voorwaarden en
de mate van beschikbaarheid, spelen
verder een rol factoren als leeftijd van
de echtgenoot, medische en sociale
omstandigheden, derhalve de persoonlijke omstandigheden.
In
alle gevallen vergt het stellen van
voorwaarden aan zowel de gewezen
zelfstandige als de echtgenoot een
beoordeling van de individuele
omstandigheden door het uitvoeringsorgaan.
rblz.|9|
Zowel
voor de gewezen zelfstandige als voor
diens echtgenoot aan wie voorwaarden
zijn gesteld geldt dat er geen bezwaar
bestaat tegen het volgen van
dagopleidingen of het verrichten van aan
werklozen toegestane onbeloonde
werkzaamheden, zolang de betrokkene aan
de gestelde voorwaarden blijft voldoen.
In
navolging van het voorstel voor de
nieuwe Werkloosheidswet wordt ook in
dit
wetsvoorstel ruimte gereserveerd (artikel
29 [39]) om te zijner tijd mogelijk
te maken dat uitkeringsgerechtigden in
aanmerking komen voor voorzieningen
gericht op behoud, herstel of
bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
Aangezien
het recht op uitkering ontstaat wanneer
het bedrijf of beroep door de
zelfstandige wordt beëindigd, kunnen de
voorwaarden gericht op de
herinschakeling in de arbeid eerst dan
worden gesteld.
8.2.
Ontheffingsmogelijkheden
Burgemeester
en wethouders zijn bevoegd individueel
een ontheffing van één of meer
voorwaarden te verlenen indien redenen
van medische of sociale aard of andere
in de persoon gelegen redenen daartoe
aanleiding geven. Dit kan bijvoorbeeld
het geval zijn wanneer door ziekte
nakoming van de voorwaarden niet kan
worden gevergd.
De
arbeidsmarktsituatie als zodanig is geen
grond voor een ontheffing. Een
individuele ontheffing van één of meer
voorwaarden kan voorts worden verleend
indien de betrokkene een noodzakelijke
opleiding volgt of toegestane onbeloonde
arbeid verricht. Waar het gaat om een
opleiding die voor de herinschakeling in
de arbeid noodzakelijk wordt geacht, kan
voor de duur van die opleiding
ontheffing worden gegeven van de
verplichtingen passende arbeid te zoeken
en aangeboden passende arbeid te
aanvaarden. Onder bepaalde voorwaarden
zal aan degenen die aan werklozen
toegestane onbeloonde arbeid verrichten
tijdelijk ontheffing kunnen worden
verleend van de verplichting passende
arbeid te zoeken. Aangeboden passende
arbeid dient evenwel te worden aanvaard.
Burgemeester
en wethouders kunnen de plaatselijke
adviescommissie horen alvorens een
besluit tot ontheffing te nemen.
De
bevoegdheid om categorieën van
uitkeringsgerechtigden van de
gebruikelijke verplichtingen te
ontheffen, is voorbehouden aan de minister. Voor wat betreft de categorie
57,5-jarige en oudere gewezen
zelfstandigen zal het gevoerde soepele
beleid ten aanzien van werklozen, gelet
op de situatie op de arbeidsmarkt, op
dezelfde wijze binnen het kader van de Ioaz
gestalte krijgen. Dit zal bij
ministeriële regeling worden
geformaliseerd.
8.3.
Sancties
Aan
de uitkering zijn voorwaarden gericht op
inschakeling in de arbeid verbonden
alsmede de voorwaarde tot het
verschaffen van alle inlichtingen die
voor het recht op en de omvang en duur
van de uitkering van belang zijn. Het is
van belang dat een nodeloos beroep op de
inkomensvoorziening wordt tegengegaan.
Om deze reden is het noodzakelijk dat
ten aanzien van degenen die in dit
licht verwijtbare gedragingen vertonen
maatregelen kunnen worden getroffen met
betrekking tot de hoogte of de duur van
de uitkering. De mate van
verwijtbaarheid en de ernst van de
gedragingen dienen in de maatregel tot
uitdrukking te komen. Dit staat ter
beoordeling van de uitvoerende
instantie. Zo nodig zullen nadere regels
worden gegeven met betrekking tot de
toepassing van maatregelen op het
uitkeringsvlak bij bedoelde verwijtbare
gedragingen.
Naast
de sanctiebepalingen die verband houden
met het voldoen aan de voorwaarden tot
inschakeling in de arbeid dan wel tot
het verschaffen rblz.|10|
van
alle relevante inlichtingen door de
rechthebbende kan betrokkene ook een
sanctie worden opgelegd indien voldoende
aannemelijk is dat deze zich ten tijde
van het zelfstandig ondernemerschap
onvoldoende had ingezet voor de
voorziening in het bestaan. Hierbij kan
het advies van de plaatselijke of
regionale commissie zelfstandigen van
belang zijn.
De
mogelijkheid bij het niet voldoen aan de
voorwaarde om de noodzakelijke en
juiste inlichtingen te verschaffen tot
een sanctie betreffende de uitkering
over te gaan, laat onverlet dat in deze
gevallen ook een strafmaatregel kan
worden opgelegd. Dit op grond van de
bepalingen in hoofdstuk
VII, die
overeenstemmen met de bepalingen die in
de Algemene Bijstandswet zullen worden
opgenomen.
9. De uitvoering van de regeling
Evenals
de Ioaw wordt de uitvoering van de
Ioaz opgedragen aan burgemeester en
wethouders.
De
uitkeringsrechten en de daaraan
gekoppelde voorwaarden hebben betrekking
op de werkloos geworden zelfstandige en
diens echtgenoot. In verband daarmee
lopen de hoofdlijnen van het
uitkeringsbeleid en het voorwaarden- en
sanctiebeleid parallel aan die van de Ioaw.
Waar
wenselijk en nodig zijn met het oog op
de doelgroep andere, op die groep
toegespitste regels gesteld. Waar dit
het geval is, werd dit in het
voorafgaande reeds toegelicht of zal dit
in de artikelsgewijze toelichting nog
nader worden aangegeven.
Voor
het overige is het mogelijk en vanwege
eenheid van uitvoering ook gewenst
zoveel mogelijk bij de in de Ioaw opgenomen procedures aan te sluiten.
Dit
betreft als hoofdpunten de procedure van
aanvraag en toekenning van de uitkering,
de wijze van uitbetaling, het
(her)onderzoek van de omstandigheden van
de cliënten, de beroepsmogelijkheden,
de terugvorderings- en
verrekeningsbepalingen, de plaatselijke
adviescommissie, de vergoeding door het
Rijk van de gemeentelijke uitgaven en
het toezicht van het Rijk op de
gemeentelijke uitvoering.
In
een aantal opzichten wijken de
uitvoeringsbepalingen van dit
wetsvoorstel echter af van de Ioaw. Dit
houdt verband met de beoordeling van de
voorwaarden voor het recht op uitkering.
Ten
behoeve van een zorgvuldige beoordeling
van de aanvraag kunnen burgemeester en
wethouders bepaalde deskundige externe
instanties inschakelen. De kosten van
rapportage en onderzoek door deze
instanties komen voor afzonderlijke
vergoeding in aanmerking.
Bij
de beoordeling van de
toetredingsvoorwaarden voor het recht op
uitkering wordt het advies ingewonnen
van de plaatselijke of regionale
commissie zelfstandigen, gelet op de
deskundigheid en ervaring van deze
commissie op dit terrein.
Bij
de uitvoering kunnen de colleges van
burgemeester en wethouders - evenals in
de Ioaw - voor het overige worden
bijgestaan door een plaatselijke of
regionale adviescommissie met ervaring
en deskundigheid op het terrein van
werkloosheid.
10. De financiering
In
hoofdstuk V van de wet is geregeld dat
de krachtens deze wet
verleende
uitkeringen ten laste komen van de
gemeente die deze heeft verstrekt. De
gemeenten ontvangen hiervoor een
vergoeding van het Rijk; deze vergoeding
bedraagt 90 procent van de netto
ten laste van de gemeente gebleven
uitkeringen. Voorwaarde voor deze
vergoeding is dat de uitkeringen zijn
verleend in overeenstemming met de bij
of krachtens deze wet gestelde regels.
Deze
wijze van financiering van de uitgaven
komt overeen met die van de Ioaw
en de
Algemene Bijstandswet. Voor wat betreft
de uitvoering rblz.|11|
van
deze wet en de daarbij geldende
bevoegdheden is gekozen voor een opzet
als bij de Algemene Bijstandswet. De
verdeling van de lasten tussen Rijk en
gemeenten sluit daarbij aan. In de
Algemene Bijstandswet wordt 90 procent van de ten laste van de gemeente
komende uitkeringen door het Rijk
vergoed.
Deze
financiële verhouding vormt een
afspiegeling van zowel de mate waarin
het Rijk verantwoordelijkheid draagt
voor deze inkomensvoorziening als
onderdeel van het totale stelsel van
sociale zekerheid als de mate waarin
gemeenten verantwoordelijkheid dragen
voor de correcte uitvoering van de
wet.
De onderhavige voorziening heeft immers
niet het karakter van een rijksregeling
die door gemeenten wordt uitgevoerd,
maar van een in medebewind door de
gemeenten uit te voeren regeling,
waarbij sprake is van een eigen
beleidsinvulling en een eigen wijze van
uitvoering door de gemeenten.
De
vergoeding van kosten van onderzoek en
rapportage door externe deskundige
instanties vindt op dezelfde wijze
plaats als in de op de Algemene
Bijstandswet gebaseerde
rijksgroepsregeling voor zelfstandigen.
11. Noodzaak van regelgeving en
budgettaire gevolgen
In
het kader van terughoudendheid met
regelgeving is het wetsvoorstel getoetst
aan de aanwijzingen ter zake. Naar
aanleiding daarvan wordt het volgende
opgemerkt.
De
doelstelling van het wetsvoorstel is in
de vorige onderdelen reeds aangegeven.
Samenvattend kan worden gesteld dat de
Ioaz beoogt een
inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau
te bieden voor oudere
gewezen zelfstandigen (en eventuele
echtgenoten) die na het bereiken van de
leeftijd van 55 jaar de
ondernemersactiviteiten hebben
beëindigd en overigens aan een aantal
toetredingsvoorwaarden voldoen. Evenzo
kunnen gewezen zelfstandigen met een
gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering onder
bepaalde voorwaarden in aanmerking
komen voor deze inkomensvoorziening.
De Ioaz beoogt deze categorieën van
gewezen zelfstandigen vergelijkbare
rechten te verlenen als de werkloze
werknemers op grond van de Ioaw.
De Ioaz treedt voor de genoemde groepen van
rechthebbenden in de plaats van de
Algemene Bijstandswet
(Rijksgroepsregeling werkloze werknemers
[Rww, red.]).
Tegelijkertijd
met de inwerkingtreding van deze wet
wordt de bestaande algemene
bedrijfsbeëindigingsregeling voor het
midden- en kleinbedrijf ingetrokken. Ook
vervalt de Rijksgroepsregeling
vrijlating oudedagsvoorziening
bijzondere groepen.
Gezien
de samenhang met bovenstaande regelingen
zijn in de Ioaz zowel elementen uit de Ioaw
en de Algemene Bijstandswet
opgenomen, als elementen uit de
bedrijfsbeëindigingsregelingen en de
Rijksgroepsregeling (oudere) zelfstandigen. Het laatste
vloeit met name voort uit de
personenkring, de toetredingsvoorwaarden
en een aantal specifieke
uitvoeringsaspecten van deze wet.
Inpassing
in de Ioaw is niet gewenst vanwege de op
de specifieke doelgroep toe te spitsen
afwijkende bepalingen. Dit zou leiden
tot een te gecompliceerde regelgeving en
tot onduidelijkheid voor betrokkenen.
Daarom is besloten tot een afzonderlijke
wet.
Voor
de uitvoering en financiering van de wet
worden geen nieuwe organen in het leven
geroepen. Ook zal er in beginsel geen
behoefte zijn aan nieuwe
bestuursinstrumenten. Met betrekking tot
de in het wetsvoorstel voorziene
delegatie van de regelgeving wordt zover
mogelijk aangesloten bij de Algemene
Bijstandswet, ook voor zover de
bevoegdheid tot rblz.|12|
normstelling
is gedelegeerd. De richtlijnen en
aanwijzingen van de centrale overheid in
het kader van de Algemene Bijstandswet
zullen in beginsel van overeenkomstige
toepassing zijn. Nodig of wenselijk
geachte afwijkingen van de
uitvoeringspraktijk van de Algemene
Bijstandswet worden in het
artikelsgewijze deel van deze memorie
aangegeven. Voor het toezicht op de
uitvoering geldt hetzelfde.
De
bestuurlijke lasten voor de uitvoerders
- de lokale overheid - zullen naar
verwachting in kwantitatieve zin
enigszins kunnen toenemen door het
beroep op een Ioaz-uitkering van degenen die voorheen aangewezen waren
op de bedrijfsbeëindigingsregelingen
van de vakdepartementen.
De
invoering van de wet volgens
dit
voorstel zal geen verzwaring betekenen
van de belasting van de beroepsrechter.
Het wetsvoorstel heeft betrekking op
personen die, zonder deze wet, in de
regel direct of na enige tijd een beroep
op de Algemene Bijstandswet
(Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers) zouden moeten doen.
Het aantal personen dat eventueel een
beroep op de rechter zou doen, wordt
derhalve niet groter, te meer niet daar
de te volgen procedure in beide wetten
gelijk is. De beroepsgevoelige aspecten
van dit wetsvoorstel zijn, waar het gaat
om genormeerde uitkeringen, in hoofdzaak
dezelfde als in de Algemene
Bijstandswet. Door de lichtere
middelentoets mag, wat dit aspect
betreft, minder aanleiding tot
geschillen worden verondersteld.
De
totale uitkeringslasten op
begrotingsbasis zullen op de lange
termijn structureel ƒ150 miljoen per
jaar gaan bedragen bij een bestand van
8750 uitkeringsgerechtigden.
Hiertegenover staat een structurele
vermindering van ƒ70 miljoen per jaar
bij de Algemene Bijstandswet. Tevens
vervalt op de begroting van het ministerie van Economische Zaken
structureel op jaarbasis een bedrag van ƒ50
miljoen wegens verminderde
uitkeringen op grond van de Regeling
Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) voor de
doelgroep die na de inwerkingtreding van
de Ioaz geen beroep meer kan doen op de
BBH.
Op
grond van de in deze wet
vastgestelde
wijze van financieren komt ƒ135 miljoen ten
laste van het Rijk en ƒ15 miljoen ten laste
van de gemeenten.
Aangezien
zich voor de gemeenten een gelijktijdige
afname van Rww-uitkeringslasten voordoet
als direct gevolg van de Ioaz, zal het
budgettaire effect daardoor verminderen
met circa ƒ7 miljoen structureel.
De
uitvoering van de
wet heeft voor de gemeenten een toename van het aantal
uitkeringsgerechtigden tot gevolg. Deze
volumemutatie is het saldo van de
instroom van de Ioaz
en de gelijktijdige
afname van het Rww-bestand. Op langere
termijn betreft het ruim 6000 nieuwe
uitkeringsgerechtigden.
De
uitvoeringskosten voor de gemeenten
zullen dan circa ƒ6,4 miljoen per jaar meer
bedragen.
Het
voornemen bestaat aan de gemeenten voor
de gestegen uitkeringslasten en
uitvoeringskosten een overeenkomstige
vergoeding te verstrekken door
toevoeging aan het gemeentefonds.
Aan
de Raad van de Gemeentefinanciën zal
advies worden gevraagd omtrent de wijze
van verdelen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikelen 1
tot en met 3 [1-3+4]
In
deze artikelen wordt een aantal
begrippen gedefinieerd die voor de
toepassing van de wet van belang zijn.
De
personenkring van de regeling is
omschreven in artikel
2 [2]. Allereerst
betreft het oudere gewezen zelfstandigen
beneden 65 jaar die na het bereiken van
de leeftijd van 55 jaar de
ondernemersactiviteiten hebben rblz.|13|
beëindigd.
Daarnaast gaat het om gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
beneden 65 jaar die de
ondernemersactiviteiten hebben gestaakt
en die een AAW-uitkering ontvangen,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van minder dan 80%.
Voor
beide categorieën gewezen zelfstandigen
geldt dat zij voor de
inkomensvoorziening afhankelijk dienen
te zijn geweest van arbeid in het eigen
bedrijf of beroep. De persoon die
feitelijk niet in het bedrijf of beroep
werkzaam is geweest, maar alleen
kapitaal heeft ingebracht, wordt
derhalve niet als gewezen zelfstandige
aangemerkt.
Gelet
op de gewenste gelijkberechtiging van
mannen en vrouwen is er aanleiding de
meewerkende echtgenoot die aangewezen is
op arbeid in het bedrijf of beroep op te
nemen in de personenkring. Het tweede
lid voorziet hierin. Uiteraard moet aan
dezelfde voorwaarden als voor overige
gewezen zelfstandigen worden voldaan.
Naast
zelfstandigen die hun bedrijf of beroep
hebben uitgeoefend in de vorm van een eenpersoonsbedrijf of -beroep worden
ook zelfstandigen met een bedrijf of
beroep in de vorm van een
samenwerkingsverband gerekend tot de
kring van rechthebbenden, mits zij
alleen of met andere zelfstandigen de
volledige zeggenschap hebben uitgeoefend
en alleen of gezamenlijk het
ondernemersrisico hebben gedragen. De
verlies- en winstverdeling tussen
vennoten of maten dient daarbij reëel
te zijn in verhouding tot de ingebrachte
arbeid.
Directeuren
van BV's of NV's worden veelal
aangemerkt als werknemer in de zin van
de WW. Zij kunnen bij
niet-verwijtbare werkloosheid in
aanmerking komen voor een WW- en
loaw-uitkering. Directeuren van BV's of
NV's die niet als werknemer worden
aangemerkt, met name vanwege het
ontbreken van een gezagsverhouding met
de BV of NV, en die voldoen aan de
voorwaarden van deze wet, behoren
ingevolge het vierde lid tot de
personenkring van de Ioaz.
Om
als gewezen zelfstandige te worden
aangemerkt, is vereist dat de aanvrager
was aangewezen op arbeid in het eigen
bedrijf of beroep. Daarbij is een zekere
begrenzing noodzakelijk om te voorkomen
dat personen die slechts in geringe mate
bedrijfsactiviteiten verrichten een
beroep op de wet
kunnen doen.
Vereist
is dat de bedrijfsuitoefening
betekenisvol is geweest. Als nadere
uitwerking van dit beginsel geldt
ingevolge het vijfde lid ten aanzien van
het aantal gewerkte uren in het bedrijf
of beroep hetzelfde criterium dat bij de
toepassing van de zelfstandigenaftrek
wordt gehanteerd. Dit betekent thans
dat gedurende het desbetreffende
kalenderjaar de voor werkzaamheden
beschikbare tijd voor ten minste 1225
uren in beslag wordt genomen door het
voor eigen rekening feitelijk drijven
van een onderneming. Het urencriterium
heeft betrekking op het jaar
voorafgaande aan de aanvraag. Voor
zover het de zelfstandige betreft die
het bedrijf of beroep in verband met
arbeidsongeschiktheid moet beëindigen,
wordt het urencriterium toegepast met
betrekking tot het jaar voorafgaande aan
deze arbeidsongeschiktheid.
De
omschrijving van het begrip gewezen
zelfstandige is door genoemd
urencriterium scherper afgebakend dan de
omschrijving van het begrip zelfstandige
in het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Stb.
1986, ...). De Ioaz
draagt een ander karakter dan deze
bijstandsregeling, die een
sluitstukfunctie in de sociale zekerheid
vervult. Bovendien heeft het
Bijstandsbesluit zelfstandigen betrekking op
zelfstandigen die hun bedrijf of beroep
voortzetten. De bijstand heeft wat de
inkomenshulp betreft een aanvullende
functie over een korte periode.
Ten
aanzien van het begrip echtgenoot, als
omschreven in artikel
3 [3+4], is een bepaling
opgenomen van dezelfde strekking als in
de wetsvoorstellen voor de
Ioaw
en de
wijziging van de Algemene Bijstandswet.
Evenzo is rblz.|14|
op
overeenkomstige wijze de gelijkstelling
van de niet-gehuwde partner met de
echtgenoot geregeld. Voor de toepassing
van deze gelijkstelling is het voeren
van een gezamenlijke huishouding
essentieel.
Ten
aanzien van dit begrip kunnen regels
worden gesteld. Voor de vaststelling van
het recht op een uitkering van een
alleenstaande gewezen zelfstandige op
het niveau van een eenoudergezin is
in artikel
3 [3+4], zesde lid, omschreven wat
voor de toepassing van deze wet
onder
een kind wordt verstaan. In aansluiting
bij de Ioaw
geldt dat het moet gaan om
een kind dat tot het huishouden van de
gewezen zelfstandige behoort. De in de Ioaw
gehanteerde omschrijving is
gelijkluidend.
Artikel
4 [5]
Met
het bepaalde in het eerste lid wordt het
karakter van de wet
tot uitdrukking
gebracht. Het gaat om een
minimumbehoeftevoorziening, derhalve op
hetzelfde niveau als de Ioaw.
Aanspraken
kunnen worden ontleend indien en voor
zover de (bruto)inkomsten van de
gewezen zelfstandige en diens echtgenoot
minder bedragen dan de van toepassing
zijnde grondslag en overigens aan de
overige toetredingsvoorwaarden wordt
voldaan.
De
grondslag wordt bruto zodanig
vastgesteld dat de uitkering van de
gewezen zelfstandige en een eventuele
echtgenoot netto gelijk is aan het voor
hen geldende sociaal
minimum per maand.
Voor
deze periode is gekozen omdat volgens
artikel 20 [21]
in beginsel de uitkering per
maand wordt betaald.
In
het tweede en derde lid worden de
specifieke voorwaarden voor het recht op
uitkering opgesomd die voor
rechthebbenden gelden. Gelet op de
verschillende oorzaken van de
inkomstenderving gelden daarbij deels
uiteenlopende voorwaarden voor oudere
gewezen zelfstandigen enerzijds en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen anderzijds.
Ten
aanzien van de oudere gewezen
zelfstandigen gelden de voorwaarden,
bedoeld in het tweede lid.
Wat
betreft het arbeidsverleden is vereist
dat betrokkene in de laatste tien jaar
onafgebroken arbeid heeft verricht,
waarvan in elk geval de laatste drie
jaar als zelfstandige in een eigen
bedrijf of beroep. In de zeven jaar
daarvoor dient eveneens arbeid te zijn
verricht, hetzij als zelfstandige,
hetzij in dienstbetrekking.
Personen
die na een langdurig arbeidsverleden in
dienstbetrekking ten minste drie jaar
lang een bedrijf uitoefenen en dit
noodgedwongen moeten beëindigen, kunnen
derhalve aanspraak op een Ioaz-uitkering
maken.
De
duur van het zelfstandig ondernemerschap
kan worden aangetoond met behulp van
gegevens van de Kamer van Koophandel
(voor het midden- en kleinbedrijf) respectievelijk
van de Stichting Uitvoering
Landbouwmaatregelen (voor de landbouw).
Voor
de bepaling van het arbeidsverleden
worden de perioden van ziekte of
tijdelijke arbeidsongeschiktheid
meegeteld, evenals, in geval van de
meewerkende echtgenoot, bedoeld in
artikel 2 [2], tweede lid, de
jaren waarin
in de zin van de fiscale wetgeving is
meegewerkt in het bedrijf of beroep.
Voorwaarde
is voorts dat het inkomen van de gewezen
zelfstandige uit of in verband met
arbeid de laatste drie jaren gemiddeld
beneden het (bruto) sociaal
minimum
berekend voor een zelfstandige heeft
gelegen. Daarbij gaat het primair om de
winst uit onderneming in de zin van de
Wet op de Inkomstenbelasting [lees:
Wet op de Inkomstenbelasting 1964, red.]
(Stb. 1964,
519) dan wel van de Wet
op de vennootschapsbelasting 1969 (Stb. 1969, 469),
voor zover het bedrijf of beroep wordt
uitgeoefend in de vorm van een besloten
of naamloze rblz.|15|
vennootschap.
Het gehanteerde inkomensbegrip omvat
echter ook andere inkomensbestanddelen,
zoals inkomen uit arbeid in
dienstbetrekking.
Het
behaalde inkomen kan in het algemeen
worden vastgesteld aan de hand van de
boekhoudverslagen van de laatste drie
jaren voorafgaande aan de aanvraag of,
voor zover nodig, aan de hand van
fiscale gegevens.
Tevens
dient vastgesteld te worden dat het
inkomen van de zelfstandige bij
voortzetting van de bedrijfsuitoefening
naar verwachting duurzaam beneden het sociaal
minimum blijft. In het algemeen
kan dit worden beoordeeld aan de hand
van een reële begroting voor het
komende jaar, tenzij zich nadien
bijzondere omstandigheden voordoen die
op het toekomstperspectief van invloed
zijn. Met name bij de beoordeling van
het behaalde en het verwachte inkomen
speelt de rapportage door een deskundige
instantie, als bedoeld in artikel
18 [14],
tweede lid, en het advies door de
commissie zelfstandigen een wezenlijke
rol.
De
aanvraag voor een Ioaz-uitkering moet
worden ingediend vóór de beëindiging
van de ondernemersactiviteiten in
verband met de vereiste toetsing van het
niet-verwijtbare karakter van de
werkloosheid. Uiterlijk binnen anderhalf
jaar na het indienen van de aanvraag
dienen de ondernemersactiviteiten te
worden gestaakt. Indien aan
laatstgenoemde voorwaarde niet wordt
voldaan, kan het recht op een Ioaz-uitkering slechts geldend worden
gemaakt na de indiening van een nieuwe
aanvraag.
Ten
aanzien van de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gelden de voorwaarden,
genoemd in het derde lid. Wat betreft
het arbeidsverleden is vereist dat
betrokkene in de laatste drie jaar
onafgebroken rechtmatig arbeid als
zelfstandige heeft verricht.
Voorts
dient, evenals bij oudere gewezen
zelfstandigen, vastgesteld te worden dat
het inkomen, met name uit bedrijf of
beroep, en uit een AAW-uitkering,
duurzaam beneden het sociaal
minimum blijft bij voortzetting van de arbeid
in bedrijf of beroep.
Ten slotte
geldt de voorwaarde dat de aanvraag moet
zijn ingediend vóór beëindiging en dat
deze beëindiging uiterlijk binnen
anderhalf jaar na het tijdstip van
aanvraag plaatsvindt.
De
gelijke aanspraak van de gewezen
zelfstandige en van de echtgenoot is in
het vierde lid op dezelfde wijze
geregeld als in het wetsvoorstel
Ioaw.
Artikel
5 [6]
Dit
artikel bevat de uitsluitingsgronden
voor het recht op uitkering. Gegeven het
feit dat in de Ioaz
de uitkering
gelijkelijk toekomt aan de gewezen
zelfstandige en diens echtgenoot, hebben
de uitsluitingsgronden mede op de
laatste betrekking.
De
uitsluitingen in het eerste en derde
lid, onderdeel a, vloeien logisch voort
uit de aanduiding en begripsomschrijving
van gewezen zelfstandige.
Wie
het bedrijf of beroep niet heeft
beëindigd, blijft zelfstandige en kan
derhalve geen recht op uitkering doen
gelden. Wie de arbeid in bedrijf of
beroep hervat, is niet langer als gewezen
zelfstandige aan te merken en verliest
zolang dat het geval is derhalve het
recht op uitkering.
Deze
inkomensvoorziening heeft alleen de
sociale bescherming van gewezen
zelfstandigen ten doel. Bovendien kan
eerst nadat de ondernemersactiviteiten
zijn beëindigd, worden voldaan aan de
voorwaarden tot herinschakeling in de
arbeid.
Door
beide uitsluitingen wordt tevens
voorkomen dat een bedrijf of beroep kan
worden voortgezet dankzij de garantie
van een (aanvullende) Ioaz-uitkering van
overheidswege. Dit zou in strijd zijn
met het algemeen rblz.|16|
structuurbeleid,
op grond waarvan een inkomensgarantie
aan zelfstandigen wordt afgewezen.
Uit
de uitsluiting in het eerste lid vloeit
voort dat het bedrijf of beroep
feitelijk dient te worden beëindigd.
De
gewezen zelfstandige dient (het moment
van) de beëindiging aan te tonen,
bijvoorbeeld aan de hand van een
verklaring van uitschrijving uit het
Handelsregister van de Kamer van
Koophandel. Vereist is dat het bedrijf
of beroep wordt geliquideerd of wordt
overgedragen aan derden dan wel, in
geval
van een samenwerkingsverband, dat
betrokkene uittreedt uit de vennootschap
of maatschap. De
bedrijfsbeëindigingsregelingen kennen,
gelet op hun structuurversterkend
karakter, verdergaande voorwaarden, maar
deze passen niet in een regeling die
beoogt werkloos geworden zelfstandigen
een voorziening op minimumniveau
te
bieden.
De
uitsluiting van gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
zolang geen recht op een AAW-uitkering
bestaat, vloeit logisch voort uit de
begripsomschrijving van artikel
2 [2],
eerste lid, onderdeel b, en is ten
behoeve van de duidelijkheid opgenomen.
De
uitsluiting van degenen die anders dan
vanwege vakantie buiten Nederland
verblijven, komt overeen met de andere werkloosheidsregelingen. Ten aanzien
van hetgeen onder "tijdelijk
verblijf"
- bijvoorbeeld in verband met vakantie - wordt
verstaan, waarbij het recht op uitkering
blijft bestaan, kunnen in het kader van
artikel 14 [-] regels worden gesteld.
Uit
de uitsluiting in het derde lid,
onderdeel c, vloeit voort dat de
wet van
toepassing is op vreemdelingen aan wie
het verblijf hier te lande is toegestaan
krachtens de Vreemdelingenwet (Stb.
1965, 40). Ter zake wordt aangesloten
bij het bijstandsbeleid.
Artikel
6 [7]
In
het voorafgaande is reeds toegelicht dat
deze wet is bedoeld als een voorziening
waarvan de werking zich kan uitstrekken
tot de 65-jarige leeftijd van de gewezen
zelfstandige. Indien als gevolg van een
tijdelijke onderbreking van de
werkloosheid door werkaanvaarding,
waartoe ook het hervatten van
activiteiten als zelfstandige wordt
gerekend, de uitkering eindigt, herleeft
ingevolge dit artikel daarna het
uitkeringsrecht. Voorafgaande hieraan
kan uiteraard eerst een WW-uitkering
zijn genoten.
Artikel
7 [8]
Het
recht op de uitkering en de omvang ervan
moeten worden getoetst aan de inkomsten
uit of in verband met arbeid in het
bedrijfs- of beroepsleven van de
gewezen zelfstandige en, in het geval
van een echtgenoot, deze inkomsten van
hen tezamen.
Het
tweede lid geeft aan dat tot het inkomen
wordt gerekend 5% van het vermogen voor
zover dit vermogen het bedrag van ƒ175 000,-
overschrijdt. De motieven voor
deze beperkte inkomenstoets zijn reeds
in het algemene deel van de memorie van
toelichting weergegeven. De gekozen
forfaitaire benadering voorkomt
verschillen in uitwerking van deze toets
afhankelijk van de wijze van belegging
van het vermogen en voorkomt een
mogelijke wijze van beleggen waarmee men
deze toets zou kunnen ontwijken.
Bij
de keuze van de hoogte van het
rentepercentage is rekening gehouden met
de vergoeding die banken in het algemeen
geven indien gelden voor korte tijd
worden vastgezet. Het vierde en vijfde
lid regelen de herziening van het
vermogensbedrag en het rentepercentage.
Voor
de waardering van het vermogen worden op
grond van het zesde lid regels gesteld.
Aansluiting zal zoveel mogelijk worden
gezocht bij de wijze van waardering
zoals deze geldt voor de
vermogensbelasting.
Op
grond van het derde lid zullen regels
worden gesteld met betrekking tot de in
aanmerking te nemen inkomsten. Daarbij
zal worden aangesloten rblz.|17|
bij
de regels die krachtens de Ioaw
zullen
gelden. Voorts zullen regels kunnen
worden gesteld ten aanzien van de wijze
van vaststelling van het inkomen en van
de periode waarop die vaststelling
betrekking heeft.
Tevens zullen
ingevolge het tweede lid regels worden
gesteld met betrekking tot het in
aanmerking te nemen inkomen in verband
met de toetredingsvoorwaarde, genoemd in
artikel 4 [5],
tweede en derde lid.
Artikel
8 [-]
Teneinde een financiële stimulans te
bieden tot het verwerven of behouden van
inkomsten uit arbeid wordt in dit
artikel bepaald dat van die inkomsten
een gedeelte wordt vrijgelaten. Gezien
het minimumbehoeftekarakter van deze wet
dient de vrijlating echter naar
hoogte en duur te worden beperkt.
Voor
gehuwden en alleenstaanden met kinderen
wordt aangesloten bij de
vrijlatingsregels in de Ioaw, waarin
gedurende twee jaar 30% van de inkomsten
uit arbeid wordt vrijgelaten, met een
maximum van 15% van de grondslag van een
gehuwde. Rekening houdend met de
systematiek van brutoverrekening wordt
met deze omvang en duur aangesloten bij
de systematiek van de Ioaw ter zake. De
maximale vrijlating voor alleenstaanden
zonder kinderen is gelijk aan 15% van
diens grondslag.
Artikel
9 [9]
De
uitkeringsbedragen worden bepaald door
de van toepassing zijnde grondslag te
verminderen met het (bruto-)inkomen.
Krachtens het tweede lid is in de
uitkering een vakantie-uitkering
begrepen.
Deze
vakantie-uitkering bedraagt 7,5% van het
na aftrek van die vakantie-uitkering
resterende gedeelte van die uitkering.
Dit percentage stemt overeen met het
wettelijke percentage van de minimumvakantiebijslag. Ingevolge artikel
20 [21],
tweede lid, wordt deze
vakantie-uitkering jaarlijks uitbetaald.
Artikel
10 [10]
Dit
artikel is inclusief de daarin vervatte
delegatiemogelijkheden, overgenomen uit
de Wet van 20 december 1979, Stb.
1979, 711
(herziening aanpassingsmechanismen en
vaststelling regelen hoogte sociaal
minimum).
Artikelen
11 [15]
en 12
[-]
Het
recht op uitkering wordt geldend gemaakt
door middel van een schriftelijke
aanvraag.
Burgemeester
en wethouders stellen vervolgens vast of
een recht op uitkering bestaat. De
beslissing wordt schriftelijk ter kennis
van de aanvrager gebracht.
Burgemeester
en wethouders dienen in beginsel binnen
zes maanden te beslissen op de aanvraag.
Deze van de Ioaw
afwijkende termijn is
gekozen met het oog op het verwerven van
de gegevens en inlichtingen die vereist
zijn voor een zorgvuldige beoordeling
van de aanvraag. Met name kan gedacht
worden aan door aanvrager te overleggen
boekhoudverslagen en verdere gegevens
over het bedrijf of beroep en over het
arbeidsverleden. Voorts kan een nader
onderzoek door een deskundige instantie
noodzakelijk zijn en dient de
plaatselijke of regionale commissie
zelfstandigen om advies te worden
gevraagd. Ingeval burgemeester en
wethouders niet in staat zijn binnen zes
maanden op de aanvraag te beslissen
vanwege het ontbreken van de
noodzakelijke gegevens of inlichtingen,
stellen zij de aanvrager hiervan in
kennis. Tevens geven zij aan op welke
termijn de beslissing naar verwachting
zal worden genomen.
rblz.|18|
De
bevoegdheid tot het indienen van de
aanvraag komt de zelfstandige en de
eventuele echtgenoot toe.
Artikel
13 [11]
Als
uitkeringsorgaan wordt aangewezen het
college van burgemeester en wethouders
van de gemeente
waar de gewezen
zelfstandige vaste woonplaats heeft.
Slechts in uitzonderingssituaties,
wanneer het vaste woonplaatscriterium
geen uitkomst biedt, zal het college van
burgemeester en wethouders van de
gemeente waar de betrokkene werkelijk
verblijft op de aanvraag dienen te
beslissen.
Eventuele
geschillen over de toepassing van dit
domicilieartikel worden zo nodig door
de Kroon beslist.
Artikel
14 [-]
Een
tijdelijk verblijf buiten de vaste
woonplaats - bijvoorbeeld voor de duur
van een normale vakantie in Nederland of
het buitenland - heeft geen directe
gevolgen voor het uitkeringsrecht. De
woongemeente blijft voor de duur ervan
gehouden de uitkering te verlenen.
Mede
ter voorkoming van geschillen omtrent de
woonplaats en ter bevordering van een
rechtsgelijke behandeling van cliënten
kunnen ministeriële regels worden
gesteld met betrekking tot een
tijdelijke afwezigheid uit de
woongemeente. Deze delegatiebevoegdheid
is gekozen met het doel ter zake snel en
effectief te kunnen optreden.
Artikel
15 [20]
Dit
artikel bevat de algemene uitgangspunten
voor de wijze waarop met gedragingen van
de uitkeringsgerechtigden in strijd met
de voorwaarden verbonden aan de
uitkeringen of met artikel 17
[13] van de
wet rekening dient te worden gehouden. Het
bepaalde in het eerste lid, onderdeel a,
heeft betrekking op de betoonde inzet
van de gewezen zelfstandige en diens
echtgenoot om te voorzien in het bestaan
in de periode voorafgaand aan de
toekenning van het recht op uitkering.
Het
niet-verwijtbare karakter van de
werkloosheid van de gewezen zelfstandige
en diens echtgenoot is hierbij in
geding. Indien deze werkloosheid
samenhangt met een aantoonbaar gebrek
aan inzet van de betrokkenen om in het
levensonderhoud te voorzien, bestaat er
in het algemeen aanleiding tot
sanctiemaatregelen. Ten aanzien van de
echtgenoot blijft de eventuele
beoordeling ter zake beperkt tot de
laatste twee jaar vóór de aanvraag.
Het
bepaalde in het eerste lid, onderdeel b,
heeft dezelfde strekking als de
desbetreffende bepaling in de nieuwe
WW.
Voor
de wijze van toepassing van de
sanctiemaatregelen is gezien de
gemeentelijke uitvoering uit een oogpunt
van een eenduidig beleid zoveel mogelijk
aangesloten bij het ter zake bepaalde in
de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers.
Zoals
ook uit de formulering van deze
bepalingen blijkt, gaat het bij het
treffen van sancties altijd om een
individuele beoordeling. Een afwijking
van de algemene richtlijnen, in voor de
betrokkene zowel gunstige als ongunstige
zin, is derhalve mogelijk en kan gelet
op de omstandigheden voorts noodzakelijk
zijn.
Artikel
16 [51]
In
dit artikel is geregeld de
informatieplicht van het arbeidsbureau
ten aanzien van de in het voorgaande
artikel aangegeven omstandigheden die
aanleiding kunnen geven tot het
toepassen van sancties. De informatieplicht
rblz.|19|
van het arbeidsbureau heeft niet alleen
betrekking op de uitkeringsduur van de Ioaz, maar ook op de periode vóór de
aanvraag van een uitkering, uiteraard
voor zover het arbeidsbureau hierover
geïnformeerd is. Het arbeidsbureau kan
wat het laatste betreft, zijn
ingeschakeld bij werkloosheid uit een
dienstverband van de echtgenoot of uit
een gedeeltelijk dienstverband van de
gewezen zelfstandige. Burgemeester en
wethouders beslissen over het toepassen
van sancties en kunnen daaraan
voorafgaand advies vragen aan de
commissie, bedoeld in artikel 33
[-] of
34 [-],
behoudens in geval van toetsing aan
artikel 15 [20], eerste lid, onderdeel a, in
welk geval de commissie zelfstandigen,
bedoeld in artikel
12 [-], derde lid, kan
adviseren.
Het
initiatief tot het verstrekken van
informatie ligt bij het arbeidsbureau.
Op grond van het tweede lid moet het
arbeidsbureau, indien het daarover
beschikt, op verzoek ook de inlichtingen
verstrekken welke burgemeester en
wethouders voor de uitvoering van deze wet
nodig achten.
Artikel
17 [13]
Dit
artikel regelt het verstrekken van
inlichtingen door de gewezen
zelfstandige en de echtgenoot. De
betrokkene is in de eerste plaats
verplicht al die inlichtingen te
verstrekken die voor het recht op de
uitkering relevant zijn.
Gedacht
kan worden aan het overleggen van de
vereiste boekhoudverslagen,
verklaringen van de Kamer van Koophandel
e.d. Daarnaast legt dit artikel vast de
verplichting voor de betrokkene om - gevraagd dan wel ongevraagd - gedurende
de gehele uitkeringsperiode melding te
maken van al datgene wat van invloed kan
zijn op de feitelijke hoogte of de duur
van de uitkering en het naar
uitkeringscategorie te hanteren bedrag
van de uitkering.
Artikel
18 [14]
Voor
een juiste toepassing van deze wet
is
het van belang dat de verstrekte
inlichtingen op hun juistheid en hun
volledigheid door burgemeester en
wethouders worden onderzocht, zo nodig
via een nader onderzoek. De verplichting
daartoe is in dit artikel opgenomen.
Veelal kunnen bij dit onderzoek
deskundige externe instanties
ingeschakeld worden, met name waar het
betreft de toepassing van de artikelen
2 [2], 4
[5], tweede en derde lid, en
15 [20], eerste
lid, onderdeel a. Gedacht kan worden aan
het Regionaal Instituut voor het Midden-
en Kleinbedrijf of de provinciale
Directies voor Landbouw en
Voedselvoorziening.
Bovendien
moet door burgemeester en wethouders ten
aanzien van de hoogte en de duur van de
uitkering worden onderzocht of
ongewijzigde voortzetting hiervan
verantwoord is.
Daartoe
dienen burgemeester en wethouders op
geregelde tijden hercontrole te
verrichten. Voor wat betreft dit
(her)onderzoek zijn in het kader van de
Algemene Bijstandswet nadere regels
gegeven in de Administratieve regelen
bijstand 1977. Er zal in worden voorzien
dat voor de uitvoering van de wet
deze
administratieve voorschriften zoveel
mogelijk overeenkomstige toepassing
zullen vinden.
Artikel
19 [44+45]
In
dit artikel is een afzonderlijke
verplichting opgenomen voor werkgevers
om desgevraagd relevante informatie
omtrent een uitkeringsgerechtigde te
verschaffen. De betrokkene wordt daarvan
tevoren op de hoogte gesteld.
Eenzelfde
informatieplicht geldt ten aanzien van
de uitvoeringsorganen van de socialeverzekeringswetten.
rblz.|20|
Artikel
20 [21]
Ten
aanzien van het betalingsritme wordt
aangesloten bij de bepalingen van de
nieuwe socialezekerheidswetten alsmede
bij de uitvoeringspraktijk van de
Algemene Bijstandswet die zich in
toenemende mate richt op maandelijkse
betaling. Een ander betalingsritme is
echter niet uitgesloten.
Artikel
21 [25]
De
in het eerste lid van dit artikel
opgenomen terugvorderingsbepalingen zijn
de voor deze wet
relevante gevallen,
overeenkomstig de Ioaw. In de gevallen
die in de onderdelen a tot en met
c zijn
genoemd, gaat het om situaties waarin de
betrokkene (dit kan zowel de gewezen
zelfstandige als de eventuele echtgenoot
zijn) op de één of andere manier tekort
is geschoten in hetgeen op grond van de
voorschriften van de wet
verwacht mag
worden.
In
het in onderdeel d genoemde geval gaat
het om inkomsten die tijdens de
uitkeringsduur worden genoten en die,
waren ze op het tijdstip van toekenning
van de uitkering aanwezig geweest,
geleid zouden hebben tot een lagere dan
wel in het geheel geen uitkering. Dit
kan onder meer het geval zijn indien de
echtgenoot met terugwerkende kracht een
uitkering op grond van een andere
regeling krijgt toegekend over dezelfde
periode waarin reeds een uitkering
ingevolge deze wet werd ontvangen.
Het
tweede lid geeft de gemeenten de
bevoegdheid ten behoeve van een andere
gemeente die onverschuldigde betalingen
in het kader van deze wet heeft verricht de ten onrechte betaalde
bedragen op de uitkering in te houden en
aan die andere gemeente te doen
toekomen.
In
het derde lid zijn de ter zake in de
Algemene Bijstandswet geldende
procedureregels van overeenkomstige
toepassing verklaard.
Het
betreft hier de regels inzake de wijze
van terugvordering, de te voeren
procedures, alsmede de regels ten
aanzien van het aanwenden van
rechtsmiddelen.
Artikel
22 [-]
Dit
artikel regelt de situatie waarin de
betrokkene reeds een uitkering ingevolge
de Algemene Bijstandswet heeft ontvangen
over een periode waarvoor naderhand een
uitkering ingevolge deze wet
wordt
toegekend.
De gemeente
is in dat geval bevoegd deze
uitkering met de reeds verstrekte
bijstand te verrekenen. Als de bijstand
door een andere gemeente werd verleend,
kan aan die gemeente deze bijstand
worden terugbetaald door de gemeente die
naderhand in plaats daarvan over de
betreffende periode een Ioaz-uitkering
toekent.
Artikel
26 [37]
Zoals
in het algemeen gedeelte reeds is
aangegeven, brengt de aard van deze
voorziening in verband met werkloosheid
met zich dat aan de
uitkeringsgerechtigden voorwaarden
worden gesteld met betrekking tot de
inschakeling in de arbeid. Dit tenzij
zich redenen van medische, sociale of
andere aard daartegen verzetten, hetgeen
aansluit bij de overeenkomstige bepaling
in de Algemene Bijstandswet. De
formulering van de voorwaarden in het
eerste lid is dezelfde als in de
Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers, hetgeen de eenheid in
uitvoering door de gemeenten bevordert.
Bij
het stellen van deze voorwaarden kan
ingevolge het tweede lid ook de
echtgenoot worden betrokken. Hierbij
gelden echter een aantal beperkingen.
Het
recente arbeidsverleden van de
betrokkene moet daartoe redelijkerwijs
aanleiding kunnen geven en factoren als
leeftijd en gezinssituatie rblz.|21|
mogen
geen belemmering vormen. Indien de
echtgenoot de arbeid langer dan twee
jaar geleden heeft beëindigd, kunnen
deze voorwaarden niet worden opgelegd.
Overigens
moet in het algemeen bij de beoordeling
of arbeidsvoorwaarden kunnen worden
gesteld, worden bedacht dat ziekte of
arbeidsongeschiktheid van de gewezen
zelfstandige niet kan leiden tot het
vervallen van de aanspraken op
uitkering. Deze wet
is immers bedoeld
als een voorziening die voor de
betrokkenen de Algemene Bijstandswet
vervangt. Het derde lid biedt de
mogelijkheid om bij tijdelijke
belemmeringen voor de duur dat deze
zich voordoen ontheffing van één of meer
van de in het eerste lid genoemde
voorwaarden te verlenen.
Als
de belemmeringen duurzaam zijn, bijvoorbeeld blijvende
arbeidsongeschiktheid, kan op grond van
het eerste of tweede lid (verder) van
het stellen van deze voorwaarden worden
afgezien.
In
het vierde lid is het begrip passende
arbeid omschreven op dezelfde wijze als
in de andere werkloosheidsregelingen is
gebeurd. Uit een oogpunt van eenheid in
beleid, waarbij het arbeidsbureau een
primaire rol vervult, is het gewenst dat
dit begrip in het kader van de
verschillende regelingen op gelijke
wijze wordt gehanteerd.
Het
vijfde lid regelt, evenals dit het geval
is in het corresponderende artikel 14
van de Rijksgroepsregeling werkloze
werknemers, de ministeriële bevoegdheid
tot het verlenen van een categoriale
ontheffing van één of meer van de
voorwaarden. Op grond hiervan zullen
57,5-jarigen en ouderen van dezelfde
verplichtingen worden vrijgesteld als in
die regeling.
Artikelen 27
[-] en 28
[-]
In
deze artikelen is voorzien in de
mogelijkheden om met behoud van
uitkering een scholing of opleiding te
volgen, dan wel deel te nemen aan
onbetaalde werkzaamheden. Dit naar
analogie van de bepalingen in de Ioaw.
In dit kader worden geen beperkingen
gesteld met betrekking tot de aard van
het onderwijs of opleiding. Voor wat de
deelname aan onbetaalde werkzaamheden
betreft, wordt opgemerkt dat het hierbij
gaat om de activiteiten die thans reeds
aan werklozen zijn toegestaan en die
ingevolge het wetsvoorstel onbeloonde
arbeid door uitkeringsgerechtigden te
zijner tijd mogen worden verricht.
Artikel
29 [39]
Evenals
het geval is in het wetsvoorstel
Ioaw
wordt een artikel gereserveerd voor een
nadere regeling van voorzieningen tot
behoud, herstel of ter bevordering van
de arbeidsgeschiktheid.
Artikelen
30 tot en met 35 [40--]
In
de uitvoering van deze wet
wordt
voorzien door burgemeester en wethouders
van de gemeenten.
De
colleges worden in de uitvoering
bijgestaan door een plaatselijke of
regionale adviescommissie. De
samenstelling van deze commissie is
gelijk aan die van de Rww-commissie. Uit
een oogpunt van doelmatigheid en eenheid
in de uitvoering worden in een
slotbepaling de bestaande Rww-commissies
aangemerkt als commissies in de zin van
deze wet. In de taakstelling
onderscheidt de Ioaz-commissie zich
enigszins van laatstbedoelde commissie:
het accent ligt op de advisering ten
aanzien van algemene vraagstukken, doch
het horen van de commissie in bepaalde
individuele gevallen wordt niet
uitgesloten.
In
grotere gemeenten kan het nemen van
beslissingen ingevolge deze wet
door
burgemeester en wethouders gezien het
aantal uitkeringen op rblz.|22|
praktische
bezwaren stuiten. In verband daarmee kan
het nemen van beslissingen bij wijze van
mandaat aan gemeenteambtenaren worden
opgedragen.
Deze mandaatbevoegdheid strekt zich echter
niet uit tot beslissingen inzake bezwaar
en beroep.
Artikel
36 [52]
Bij
het toezicht op de uitvoering van de wet
wordt de minister bijgestaan door de
rijksconsulenten in de provincie. Het
tweede lid voorziet in een gelijke
taakstelling en bevoegdheden van de
consulenten als bij de uitvoering van de
Algemene Bijstandswet. De in dat kader
gestelde regels met betrekking tot de
administratie van de gemeenten zijn
eveneens van toepassing.
Ook
in de mogelijkheid met betrekking tot
het geven van aanwijzingen voor een
juiste uitvoering van de wet is voorzien
door het ter zake in de Algemene
Bijstandswet bepaalde van
overeenkomstige toepassing te verklaren.
Artikelen
37 tot en met 40 [56--]
Deze
artikelen regelen de financiële
verhouding tussen Rijk en gemeenten ten
aanzien van de gemeentelijke uitgaven en
de rijksvergoeding daarvan in het kader
van deze wet. De regeling hiervan is
dezelfde als in de Algemene
Bijstandswet. In het algemeen gedeelte
is dit nader toegelicht. Geschillen
omtrent de vergoeding worden door de
Kroon beslist.
Wat
betreft de vergoeding van kosten van
onderzoek, als bedoeld in artikel
18 [14],
tweede lid, geldt dezelfde regeling als
in de Rijksgroepsregeling zelfstandigen.
Artikelen
41 tot en met 46 [---]
Ook
voor wat betreft de verweermiddelen
tegen de beschikking op een aanvraag om
een uitkering ingevolge deze wet
en de
behandeling van bezwaarschriften is
aangesloten bij de Algemene
Bijstandswet.
Dit
betekent dat zowel tegen de beschikking
in eerste aanleg als tegen het langer
dan één maand uitblijven daarvan een
bezwaarschrift kan worden ingediend bij
burgemeester en wethouders.
Vervolgens
kan de betrokkene desgewenst in beroep
gaan bij het college van gedeputeerde
staten; daarna is hoger beroep mogelijk
bij de Kroon.
Zowel
betrokkene zelf als burgemeester en
wethouders kunnen besluiten tot het
instellen van Kroon beroep over te gaan.
Voor
de toepassing van deze wet
wordt het
niet nodig geacht aan een beroep tegen
de beslissing van gedeputeerde staten
schorsende werking te onthouden. Ook een
spoedvoorziening als bedoeld in artikel
45 van de Algemene Bijstandswet is
gezien het karakter van deze wet hier
niet overgenomen. In beide gevallen
speelt hierbij een rol dat de
mogelijkheid van een beroep op de
Algemene Bijstandswet als laatste
voorziening openstaat.
Artikel
47 [61]
In
dit artikel wordt strafbaar gesteld
degene die opzettelijk in strijd met de
feiten een onjuiste opgave doet, dan wel
enig gegeven verzwijgt, teneinde daardoor een uitkering of een hogere
uitkering op grond van deze wet
te
verkrijgen of te behouden. Het artikel
richt zich niet alleen tot de betrokkene
(dit kan zowel de gewezen zelfstandige
als de eventuele rblz.|23|
echtgenoot
zijn), maar ook tot degene die namens
hem optreedt, zoals bijvoorbeeld een
familielid.
Evenals
dat in de andere socialeverzekeringswetten
het geval is, worden
ook in deze wet strafbepalingen als in
dit hoofdstuk opgenomen onmisbaar
geacht. Het in dit artikel strafbaar
gestelde feit is een misdrijf.
Artikel
48 [62]
Deze
strafbepaling heeft betrekking op
nalatigheid van de betrokkene om op
verzoek dan wel uit eigen beweging de
voor een juiste toepassing van deze wet
vereiste informatie te verstrekken. Het
in dit artikel strafbaar gestelde feit
is een overtreding.
Artikel
49 [63]
De
strafsanctie in dit artikel betreft het
niet voldoen van werkgevers aan de hen
opgelegde verplichting tot het
verschaffen van informatie. Dit is een
overtreding.
Artikel
50 [-]
Op
grond van dit artikel wordt het recht op
een Ioaz-uitkering
desgevraagd
toegekend aan de gewezen zelfstandigen
die de arbeid in het bedrijf of beroep
reeds hebben beëindigd en die een
tijdelijke uitkering op sociaalminimumniveau
hebben ontvangen krachtens
een beëindigingsregeling van de
Stichting ontwikkeling en sanering
midden en kleinbedrijf dan wel die een
periodieke uitkering van beperkte omvang
ontvangen krachtens een
beëindigingsregeling van de Stichting
ontwikkelings- en saneringsfonds voor de
landbouw.
Artikel
51 [-]
Bij
de Tweede Kamer der Staten-Generaal is
in behandeling het wetsvoorstel houdende
algemene regeling van beslag op loon,
sociale uitkeringen en andere periodieke
betalingen (Kamerstukken II 1982-1983,
17 897). Niet vaststaat dat dit wetsvoorstel
[lees: dat wetsvoorstel, red.] vóór de datum van
inwerkingtreding van deze wet tot wet
zal zijn verheven en in werking zal zijn
getreden.
In deze wet is een bepaling opgenomen (artikel
25 [24]) die overeenkomt met de in
dat wetsvoorstel voorgestelde
wijzigingen. Het is evenwel niet gewenst
dat deze bepaling in werking treedt
voordat de overeenkomstige wijziging met
betrekking tot het beslag in de andere socialezekerheidswetten in werking
treedt. Dit artikel voorkomt dat. Zolang
genoemd wetsvoorstel niet in werking is
getreden, zal de regeling ingevolge dit
artikel gelden.
Artikel
54 [64]
Het
is noodzakelijk snel effectief regels te
kunnen stellen teneinde een niet-voorziene en onwenselijk geachte wijze
van uitvoering te beëindigen.
Tevens
is hierbij van belang een zo groot
mogelijke eenheid te kunnen
bewerkstelligen indien de
uitvoeringspraktijk op onderdelen te
veel uiteen zou gaan lopen, en met het
oog op de uitvoering van
corresponderende onderdelen in de
Algemene Bijstandswet. Met de gekozen
constructie wordt het gebruik van deze
bevoegdheid met een zo groot mogelijke
zekerheid omgeven.
rblz.|24|
Artikel
55 [-]
De Rvo, die overigens een zeer beperkte betekenis had,
kan thans worden ingetrokken nu voor dezelfde doelgroep
een voorziening op sociaalminimumniveau
is getroffen
zonder vermogenstoets. Beslissingen die op grond van de
Rvo zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze wet,
blijven uiteraard van kracht.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
|