St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  INKOMENSVOORZIENING  OUDERE  EN  GEDEELTELIJK  ARBEIDSONGESCHIKTE  GEWEZEN  ZELFSTANDIGEN

 

 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1986-1987, 19 778

Het treffen van een inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen van wie het inkomen duurzaam minder bedraagt dan het sociaal minimum en die als gevolg daarvan het bedrijf of beroep hebben beëindigd (Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 De positie van gewezen zelfstandigen in de sociale zekerheid
3 Voorstellen tot verbetering van de positie van gewezen zelfstandigen in de sociale zekerheid
4 Een specifieke inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
5 Kring der rechthebbenden
6 Bijzondere voorwaarden voor het recht op uitkering
7 De uitkering
8 Voorwaarden en sancties
8.1 Beschikbaarheid voor de arbeid
8.2 Ontheffingsmogelijkheden
8.3 Sancties
9 De uitvoering van de regeling
10 De financiering
11 Noodzaak van regelgeving en budgettaire gevolgen
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen
 

 

 

Algemeen

 

1. Inleiding


    
Op 7 mei 1986 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal een pakket wetsvoorstellen aanvaard met betrekking tot de stelselherziening sociale zekerheid. Tot dit pakket behoort het wetsvoorstel inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw, Kamerstukken II 1985-1986, 19 260, nr. 198).
     Aanvankelijk behoorden gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers niet tot de personenkring van het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel inkomensvoorziening oudere werkloze werknemers (Iow). Tijdens de mondelinge behandeling van het wetsvoorstel Iow is op aandrang van de Tweede Kamer de personenkring verruimd met gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
     De Ioaw is een inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
     Gewezen zelfstandigen behoren niet tot de personenkring van het wetsvoorstel
Ioaw.
     Bij de behandeling van het pakket wetsvoorstellen in de Tweede Kamer is in brede kring gepleit voor een gelijkwaardige bescherming in de sociale zekerheid voor gewezen zelfstandigen die noodgedwongen hun bedrijf of beroep moeten beëindigen. Het kabinet heeft zich daarop bereid verklaard aan de hand van een schets van hoofdlijnen (Handelingen II 1985-1986, 19 383, nr. 9, bijlage II) een daartoe strekkend wetsvoorstel in te dienen, specifiek gericht op gewezen zelfstandigen van wie de positie vergelijkbaar is met die van oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

 

2. De positie van gewezen zelfstandigen in de sociale zekerheid


     In het huidige socialezekerheidsstelsel is niet voorzien in een werkloosheidsregeling voor zelfstandigen.
     Zelfstandigen die hun bedrijf of beroep beëindigen, komen thans onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor een vergoeding of uitkering op grond van de bedrijfsbeëindigingsregelingen van de ministeries van Economische Zaken
rblz.|2| (Stcrt. 1985, 250) en van Landbouw en Visserij (Stcrt. 1972, 221).

     De bedrijfsbeëindigingsregelingen zijn met name van belang voor oudere zelfstandigen. Bepaalde categorieën zelfstandigen zijn van het recht op vergoeding bij bedrijfsbeëindiging uitgesloten.
     De beëindigingsregelingen bevatten geen specifieke criteria en voorwaarden gericht op herinschakeling in de arbeid, met uitzondering van de verplichting tot inschrijving als werkzoekende bij het arbeidsbureau. Bovendien verschillen de regelingen voor het midden- en kleinbedrijf en voor de landbouw onderling sterk, onder meer wat betreft opzet, personenkring, vergoedingen en voorwaarden.
     De gewezen zelfstandige die niet of niet langer rechten aan deze regelingen kan ontlenen, is thans aangewezen op bijstand en wordt geconfronteerd met een stringente middelentoets, inclusief die op vermogen. Voor oudere gewezen zelfstandigen die ten minste vijf jaar lang zelfstandige zijn geweest, geldt wel een beperkte vermogensvrijlating in verband met een bescheiden oudedagsvoorziening uit hoofde van de Rijksgroepsregeling vrijlating oudedagsvoorziening bijzondere groepen (Rvo, Stb. 1974, 825). Ten aanzien van deze categorie wordt de vermogenstoets van de bijstand in zekere mate gemitigeerd.

 

3. Voorstellen tot verbetering van de positie van gewezen zelfstandigen in de sociale zekerheid


     In het recente verleden is de sociale positie van zelfstandigen bij werkloosheid meermalen aan de orde geweest.
     In zijn advies van 15 oktober 1976 inzake een sociale voorziening ten behoeve van werkloze ex-zelfstandigen heeft de Sociaal-Economische Raad [SER, red.] bepleit ex-zelfstandigen ongeacht hun leeftijd onder een aantal bijzondere voorwaarden op te nemen in de personenkring van de toenmalige Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV), die werd gefinancierd uit de algemene middelen. Wat betreft het tijdstip van opneming van zelfstandigen in de WWV zou volgens de SER rekening gehouden dienen te worden met de budgettaire effecten en met de prioriteiten in het overheidsbeleid.
     In zijn adviesaanvraag over de herziening van het stelsel van sociale zekerheid van 25 mei 1 983 heeft het kabinet de SER gevraagd zich uit te spreken over de mogelijkheid en wenselijkheid van een verplichte werkloosheidsregeling op minimumniveau voor zelfstandigen met een overeenkomstige premiebetaling door deze categorie.

     De Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf heeft op 30 maart 1984 advies uitgebracht aan de SER. In zijn daarop aansluitend advies van 29 juni 1984 spreekt de SER zich uit tegen een verplichte werkloosheidsverzekering voor zelfstandigen. Wel bepleit de SER een inkomensvoorziening voor gewezen zelfstandigen op sociaalminimumniveau. Zelfstandigen zouden derhalve volgens de SER niet tot de personenkring van de nieuwe nieuwe Werkloosheidswet [nieuwe WW, red.] (Kamerstukken II 1985-1986, 19 261, nr. 199) dienen te behoren. De SER overweegt daarbij dat het werkloosheidsrisico van de zelfstandige zozeer samenhangt met beslissingen die door betrokkene zelf zijn genomen in het kader van de bedrijfsuitoefening dat dit geen voorwerp kan zijn van een verplichte verzekering. Een dergelijke verzekering zou bovendien uitvoeringsproblemen met zich meebrengen. De Raad voor het Midden- en Kleinbedrijf heeft dit oordeel uitvoerig onderbouwd.
     In de nieuwe WW is het advies van de SER gevolgd. Zelfstandigen maken derhalve geen deel uit van de kring van verzekerden.

     In zijn aanvullend advies van 23 augustus 1985 over de herziening van het socialezekerheidsstelsel beveelt de SER aan om ex-zelfstandigen rblz.|3| onder bijzondere voorwaarden en na een zekere wachttijd op te nemen in de personenkring van de Iow. Wat betreft de voorwaarden verwijst de Raad verder naar zijn advies van 15 oktober 1976, waarin een aantal bijzondere voorwaarden voor het recht op uitkering wordt genoemd
     De Raad overweegt in zijn advies dat de zelfstandige die als gevolg van een noodgedwongen beëindiging van het bedrijf of beroep werkloos wordt in het algemeen in sociaal opzicht in een minder gunstige positie verkeert dan de werkloze werknemer, terwijl de oorzaken van het ontstaan van de moeilijkheden in het algemeen niet principieel verschillen.
     Wij delen de visie van de SER waar het betreft de wenselijkheid oudere ex-zelfstandigen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking te doen komen voor een inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau buiten de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) te financieren uit de algemene middelen.
     Evenals oudere werkloze werknemers hebben oudere gewezen zelfstandigen in het algemeen immers een lang arbeidsverleden en ontmoeten zij mede door hun leeftijd bijzondere belemmeringen bij de (her)inschakeling in de arbeid. Het is gerechtvaardigd voor deze gewezen zelfstandigen een aan de Ioaw gelijkwaardige regeling op sociaalminimumniveau te treffen.
     Deze regeling dient ook te gelden voor gewezen zelfstandigen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering die voor de resterende arbeidscapaciteit werkloos raken.
     In tegenstelling tot de SER zijn wij echter van mening dat het niet gewenst is oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen te incorporeren in de
Ioaw.

 

4. Een specifieke inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen


     Een inkomensvoorziening voor deze gewezen zelfstandigen kan naar ons oordeel het beste worden gerealiseerd via een eigen regeling.
     De oorzaken van werkloosheid zijn voor zelfstandigen niet vergelijkbaar met die voor werknemers. Met name de vaststelling van het niet-verwijtbare karakter van de werkloosheid levert complicaties op.
     Hiervoor is een andersoortige beoordeling vereist. Van het wetsvoorstel Ioaw afwijkende bepalingen zijn noodzakelijk, onder meer wat betreft de personenkring, de toetredingscriteria en de uitvoering.

     Overwogen is een inkomensvoorziening voor genoemde gewezen zelfstandigen te realiseren door een ingrijpende wijziging van de huidige bedrijfsbeëindigingsregelingen. Het voornaamste bezwaar hiertegen houdt verband met de primair op structuurversterking gerichte doelstellingen van deze regelingen. Instrumenten tot herinschakeling in de arbeid ontbreken nagenoeg. De bedrijfsbeëindigingsregeling voor het midden- en kleinbedrijf heeft daarbij in de loop van de tijd een overwegend sociaal karakter gekregen, terwijl de regeling voor landbouw primair structuurversterkend van aard is.

     Wijziging van de bedrijfsbeëindingsregelingen op zodanige wijze dat voor de gewezen zelfstandigen vergelijkbare rechten als voor de werkloze werknemers ontstaan, zou leiden tot een ongewenste vermenging van sociale en stuctuurversterkende elementen in de beëindigingsregelingen. Een algemene inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau voor genoemde gewezen zelfstandigen, gelijkwaardig aan de regeling voor werkloze werknemers, past beter in het kader van de sociale zekerheid dan in het economische structuurbeleid.

     Zoals hiervoor reeds is aangegeven, stuit ook het pleidooi van onder meer de SER om gewezen zelfstandigen op te nemen in de Ioaw op rblz.|4| overwegende bezwaren. Afwijkende bepalingen, toegesneden op de positie van zelfstandigen, verdragen zich niet met het karakter van de Ioaw als verlengstuk van de nieuwe WW en zouden bovendien leiden tot een aanmerkelijk gecompliceerder wetsvoorstel Ioaw.

     Gelet op het uitgangspunt dat voor gewezen zelfstandigen vergelijkbare uitkeringsrechten moeten gelden als voor werkloze werknemers en gezien de stringentere middelentoets van de ABW is ook het geheel loslaten van de vermogenstoets in de ABW voor deze groep geen begaanbare weg. Een categoriale uitsluiting van de vermogenstoets is bovendien in strijd met het wettelijk uitgangspunt dat bijstand complementair is op de eigen middelen van betrokkene.

     Uit het voorgaande vloeit voort dat een apart wetsvoorstel inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (Ioaz) de voorkeur verdient. Dit wetsvoorstel kent dezelfde systematiek als de Ioaw. Het sluit daarbij ook aan wat betreft onder meer de uitkeringsbepalingen en de voorwaarden tot herinschakeling in de arbeid. Anderzijds bevat het voorstel, gezien de specifieke kenmerken van de doelgroep, geheel eigen bepalingen, onder meer wat betreft de personenkring, toelatingsvoorwaarden en uitvoeringsbepalingen.
     Gezien de ruimere bescherming die de Ioaz aan met name oudere gewezen zelfstandigen biedt, kan de bestaande bedrijfsbeëindigingsregeling voor het midden- en kleinbedrijf worden ingetrokken. Dit laat het bestaan van specifieke structuurversterkende maatregelen voor zowel de landbouw als voor het midden- en kleinbedrijf op grond van overwegingen van sector- en structuurbeleid onverlet. Ook de Rvo kan mede vanuit een oogpunt van deregulering vervallen, nu voor dezelfde doelgroep - oudere gewezen zelfstandigen met een lang arbeidsverleden - een eigen inkomensvoorziening zonder vermogenstoets wordt gerealiseerd.
     Door het ontbreken van een vermogenstoets wordt eenzelfde positie als voor loaw-gerechtigden bereikt. Wel is er aanleiding gezien de afwijkende vermogenspositie van zelfstandigen ten opzichte van werknemers in deze wet een beperkte toets op inkomsten uit vermogen op te nemen.

     Na beëindiging van het zelfstandig ondernemerschap verliest het eigen vermogen de functie van voor het bedrijf of beroep bestemd vermogen dat onder meer dient als basis voor het opvangen van de aan de bedrijfsuitoefening verbonden financiële risico's.
     De vrijkomende middelen kunnen aanzienlijk zijn. Gelet hierop is het verantwoord rekening te houden met het inkomen uit het vermogen voor zover het om aanzienlijke vermogens gaat. Voor de hoogte van het voor de inkomenstoets vrijgestelde vermogen is aansluiting gezocht bij het vermogen dat voor de vergelijkbare categorie oudere zelfstandigen met niet-levensvatbare bedrijven in het Bijstandsbesluit zelfstandigen wordt vrijgelaten.

 

5. Kring der rechthebbenden


     De personenkring van de regeling bestaat uit twee categorieën. Enerzijds gaat het om oudere zelfstandigen die als gevolg van een inkomen dat duurzaam onder het sociaal minimum ligt, gedwongen zijn hun bedrijf of beroep te beëindigen en die bij de aanvang van hun werkloosheid de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt. Een leeftijdsgrens van ten minste 55 jaar voor gewezen zelfstandigen komt globaal overeen met de leeftijd vanaf welke oudere werkloze werknemers aanspraak op de Ioaw kunnen maken.
     Werknemers die na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos zijn geworden, komen immers in het algemeen eerst voor een Ioaw-uitkering
rblz.|5| in aanmerking nadat zij gedurende vier of vijf jaar een uitkering op grond van de WW hebben genoten.
     Anderzijds betreft het gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die gedwongen zijn hun bedrijf of beroep te beëindigen en die een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet [AAW, red.] (Stb. 1980, 28) hebben, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Aldus wordt voorkomen dat deze gewezen zelfstandigen voor het werkloosheidsdeel op bijstand met de daaraan verbonden stringentere middelentoets aangewezen raken.
     De voorziening geldt voor gewezen zelfstandigen die hun bedrijf of beroep hebben uitgeoefend in de vorm van een eenpersoonsbedrijf of beroep, een maatschap, een vennootschap onder firma, een commanditaire vennootschap, een besloten vennootschap of een naamloze vennootschap.
     Tot de personenkring behoren ook de gewezen zelfstandigen die voor hun inkomen niet uitsluitend waren aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep, maar deels ook op andere inkomsten, zoals inkomsten uit dienstbetrekking of uit arbeidsongeschiktheid. De meewerkende echtgenoot kan met de gewezen zelfstandige worden gelijkgesteld.

     Het recht op uitkering op grond van deze inkomensvoorziening kan ontstaan zodra de betrokkene het bedrijf of beroep heeft beëindigd.
     De aanspraak op een uitkering kan doorlopen totdat de gewezen zelfstandige de leeftijd van 65 jaar bereikt.
     Degenen die niet voldoen aan de toetredingsvoorwaarden van het recht op uitkering kunnen als voorheen bij het ontstaan of voortduren van werkloosheid aanspraak maken op de verlening van bijstand met toepassing van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
     Tot de kring van rechthebbenden behoren in beginsel ook degenen die aan de toetredingsvoorwaarden voldoen, doch vanwege de inkomenssituatie niet direct na beëindiging van het bedrijf of beroep aanspraak kunnen doen gelden op een Ioaz-uitkering.
     Dit kan het geval zijn bij degene die aansluitend op de beëindiging van het bedrijf of beroep arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard. Ook kan dit het geval zijn doordat het inkomen van de echtgenoot bij de beëindiging van het bedrijf of beroep boven het sociaal minimum ligt. Bij intreding van werkloosheid van de betrokkene of de echtgenoot ontstaat dan op een later tijdstip aanspraak op een Ioaz-uitkering.

     Ingeval de aanspraak wordt onderbroken als gevolg van werkaanvaarding of het opnieuw uitoefenen van een bedrijf of beroep door de betrokkene of door de echtgenoot, zal na beëindiging van de werkzaamheden weer aanspraak op de voorziening mogelijk zijn. Ook kan sprake zijn van een kort dienstverband, waarna recht op een WW-uitkering ontstaat - voor een halfjaar - zonder dat recht op een WW-uitkering voor de maximale duur is verkregen. In dat geval kan, uiteraard na het verstrijken van het halve jaar waarin de WW-uitkering, eventueel aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet, wordt genoten, opnieuw een beroep op Ioaz-uitkering worden gedaan. Indien door bijvoorbeeld de aanvaarding van een dienstverband de inkomsten lager zijn dan het toepasselijke sociaalminimumniveau, blijft aanspraak op de Ioaz-uitkering bestaan onder verrekening van de daaruit verkregen inkomsten.
     Tot de kring van rechthebbenden zullen ingevolge een overgangsbepaling ook behoren de gewezen zelfstandigen die hun bedrijf of beroep hebben beëindigd en die vervolgens ofwel de duur van een tijdelijke uitkering ingevolge de bedrijfsbeëindigingsregeling hebben doorlopen, ofwel een beperkte maandelijkse uitkering krachtens een bedrijfsbeëindigingsregeling ontvangen.

rblz.|6| 

6. Bijzondere voorwaarden voor het recht op uitkering


     Hiervoor is reeds uiteengezet dat de oorzaken van werkloosheid voor zelfstandigen van een andere aard zijn dan die voor werknemers. In het algemeen vloeit het ontstaan van onvrijwillige werkloosheid bij zelfstandigen voort uit een bedrijfsinkomen dat duurzaam ontoereikend is om te voorzien in het levensonderhoud en om het bedrijf in stand te houden. Voor zover het gaat om werkloosheid die samenhangt met arbeidsongeschiktheid, wordt hierop aan het slot van dit hoofdstuk teruggekomen.

     Ten aanzien van gewezen zelfstandigen is het noodzakelijk een aantal bijzondere voorwaarden te stellen, die afwijken van de voorwaarden van de bestaande werkloosheidsregelingen. Deze voorwaarden sluiten in belangrijke mate aan bij de adviezen van de SER en hebben deels betrekking op vaststelling van het niet-verwijtbare karakter van het beëindigen van ondernemersactiviteiten, deels op de duur van het arbeidsverleden.
     Ten aanzien van oudere gewezen zelfstandigen gelden de volgende voorwaarden.
     Voor de vaststelling van het noodgedwongen karakter van de beëindiging is vereist dat het inkomen van de zelfstandige beneden het sociaalminimumniveau heeft gelegen. Aangezien een laag inkomen in één jaar eenmalig kan zijn en geen bedreiging behoeft te vormen voor de voortzetting van het bedrijf, dient deze inkomenstoets betrekking te hebben op een langere periode. Aangesloten is bij het SER-advies ter zake. De inkomenstoets vindt derhalve plaats aan de hand van het inkomen in de laatste drie jaar. Het is gewenst uit te gaan van een gemiddeld inkomen, gelet op het feit dat de bedrijfsresultaten in vele bedrijfstakken van jaar tot jaar sterk kunnen fluctueren. Het gaat bij deze inkomenstoets om het inkomen van de zelfstandige uit bedrijf of beroep alsmede om zijn inkomen uit of in verband met arbeid in dienstbetrekking.

     Naast de resultaten uit het recente verleden dient ook het toekomstperspectief van het bedrijf of beroep te worden beoordeeld. Vastgesteld dient te worden dat het inkomen van de zelfstandige naar verwachting duurzaam beneden het sociaal minimum blijft.

     Indien wordt voldaan aan deze beide voorwaarden, wordt ervan uitgegaan dat de zelfstandige uit bedrijf of beroep duurzaam een te gering inkomen behaalt. De beëindiging van het bedrijf of beroep kan alsdan als niet-verwijtbaar worden aangemerkt.
     Om de genoemde voorwaarden te beoordelen en een onterecht gebruik van de regeling te voorkomen, moet de aanvraag voor een Ioaz-uitkering worden ingediend vóór de beëindiging van de arbeid in het bedrijf of beroep. Uiterlijk binnen anderhalf jaar na het tijdstip van aanvraag dienen de ondernemersactiviteiten te worden gestaakt. Hierdoor wordt voorkomen dat bedrijven via een inkomensgarantie van overheidswege in stand blijven.
     Ten slotte wordt ten aanzien van de duur van het arbeidsverleden in beginsel de voorwaarde gesteld dat de gewezen zelfstandige voorafgaande aan de aanvraag om een Ioaz-uitkering ten minste tien jaar onafgebroken rechtmatig een bedrijf of beroep in Nederland heeft uitgeoefend. Deze voorwaarde werd ook in de bedrijfsbeëindigingsregeling voor het midden- en kleinbedrijf gesteld. Hierdoor wordt het karakter van de Ioaz als inkomensvoorziening voor oudere gewezen zelfstandigen bij een lang arbeidsverleden onderstreept. Voorts wordt hierdoor een onterecht gebruik van de regeling tegengegaan.
     Ten behoeve van de sociale bescherming van personen die na een lange periode in loondienst zelfstandige zijn geworden en niet aan deze
rblz.|7| voorwaarde kunnen voldoen, geldt een afwijkende voorwaarde. Zij dienen direct voorafgaande aan de aanvraag ten minste drie jaar als zelfstandige werkzaam te zijn geweest, dit in verband met de noodzakelijke beoordeling van het inkomen. In de zeven jaar daarvoor dienen zij als werknemer dan wel nog een periode als zelfstandige werkzaam te zijn geweest.

     In afwijking van het advies van de SER, dat gericht is op het opnemen van gewezen zelfstandigen in de Ioaw, wordt het recht op uitkering voor oudere gewezen zelfstandigen ingevolge deze regeling niet voorafgegaan door een zekere wachttijd.
     Door het opnemen van een wachttijdperiode in de regeling zouden gewezen zelfstandigen met een relatief laag vermogen worden benadeeld, aangezien zij dit vermogen na de beëindiging van het bedrijf in belangrijke mate zouden moeten aanwenden voor de voorziening in levensonderhoud.
     Bovendien is een dergelijke wachttijd uit een oogpunt van vergelijkbare rechten met oudere werklozen in de Ioaw niet noodzakelijk bij de keuze voor een leeftijdsgrens van 55 jaar. Ten slotte is met de beoordeling in het algemeen reeds enige tijd gemoeid; hetzelfde geldt voor de beëindiging van de ondernemersactiviteiten.

     Ten aanzien van gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gelden afzonderlijke voorwaarden voor het recht op uitkering. Wat betreft de leeftijdseis, de inkomenseis en de vereiste duur van het arbeidsverleden is er aanleiding af te wijken van de voorwaarden die voor oudere gewezen zelfstandigen gelden.
     Van een leeftijdscriterium wordt ten aanzien van gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen afgezien, aangezien de oorzaak van de problemen - de arbeidsongeschiktheid - niet leeftijdsgebonden is. Uiteraard dient betrokkene wel jonger te zijn dan 65 jaar. De inkomenseis ten aanzien van de laatste drie jaar geldt niet voor deze categorie gewezen zelfstandigen, gelet op de specifieke belemmeringen voor betrokkene om in het bestaan te voorzien in verband met arbeidsongeschiktheid.
     De voorwaarde dat het inkomen naar verwachting duurzaam ontoereikend is, blijft ook voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gelden. De zelfstandige wiens totale inkomen (AAW-uitkering plus bedrijfs- of beroepsinkomen) naar verwachting duurzaam uitgaat boven het sociaal minimum komt derhalve niet voor Ioaz-uitkering in aanmerking.
     Wat betreft de vereiste duur van het arbeidsverleden wordt niet aangesloten bij de periode van tien jaar die voor oudere gewezen zelfstandigen geldt, gelet op het verschil in aard van belemmeringen om in het bestaan te voorzien.
     Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen geldt daarom de voorwaarde dat ten minste in de laatste drie jaar als zelfstandige is gewerkt.
     De termijn van beëindiging van ondernemersactiviteiten is gesteld op ten hoogste anderhalf jaar vanaf de aanvraag, evenals voor oudere gewezen zelfstandigen.

 

7. De uitkering


     Wat betreft de uitkeringsbepalingen van dit wetsvoorstel wordt aangesloten bij de Ioaw.
     De inkomensvoorziening is een minimumbehoeftevoorziening ten behoeve van de gewezen zelfstandige en dienst echtgenoot tezamen. De gewezen zelfstandige en diens echtgenoot hebben gelijkelijk recht op de uitkering die voor hen gezamenlijk en de eventuele overige gezinsleden is bedoeld.
     Evenals bij de toekenning van Ioaw of bijstand zal, indien één van beiden of beiden dit wensen, aan elk de helft van de totale uitkering worden betaald.
    
rblz.|8| Ongehuwde partners worden gelijkgesteld met gehuwden op dezelfde wijze als in de Ioaw en in de bijstand. Het gaat daarbij om de partner van hetzelfde of het andere geslacht met wie duurzaam een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd, tenzij het een persoon betreft met wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
     De uitkeringsgrondslagen zijn evenals in de Ioaw op brutobasis gekoppeld aan het minimumloon. Daarmee zijn de netto-uitkeringsniveaus dezelfde als die op grond van de Algemene Bijstandswet. De uitkering voorziet in het inkomen tot aan het sociaalminimumniveau voor zover het inkomen uit of in verband met arbeid en het inkomen uit het (niet-vrijgesteld) vermogen van de gewezen zelfstandige en diens echtgenoot tezamen ontoereikend is. Er is derhalve sprake van een aanzienlijk lichtere middelentoets dan bij de verlening van bijstand, in het bijzonder ten aanzien van het niet aanspreken van het vermogen, waarop derhalve niet behoeft te worden ingeteerd. Behoudens de beperkte toets op inkomsten uit vermogen, sluit de inkomenstoets aan bij die welke in het kader van de Ioaw wordt gehanteerd. De inkomsten van kinderen blijven buiten beschouwing.
     De uitkering vult de eigen inkomsten aan tot het sociaal minimum. Bij een gedeeltelijke vrijlating zou een hoger inkomen dan dit minimum worden gewaarborgd, waarmee naar onze mening afbreuk zou worden gedaan aan het minimumbehoeftekarakter van deze regeling. Wel achten wij het gewenst en verantwoord dat een in omvang en duur beperkte vrijlating wordt toegepast op inkomsten uit arbeid. Dit als financiële stimulans voor uitkeringsgerechtigden die trachten (opnieuw) in hun levensonderhoud te voorzien.

 

8. Voorwaarden en sancties


8.1. Beschikbaarheid voor de arbeid


     Ten aanzien van de voorwaarden die aan het recht op uitkering worden verbonden en ten aanzien van de sancties wordt eveneens aangesloten bij de Ioaw. In deze regeling zijn ook voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voorwaarden opgenomen die zijn gericht op de herinschakeling in de arbeid.
     Hoewel voor ouderen die langdurig werkloos zijn de mogelijkheden tot herintreding veelal beperkt zijn, zou het onjuist zijn om van het stellen van deze voorwaarden af te zien. Uitgangspunt is evenwel - gezien de huidige arbeidsmarktsituatie - het thans gevoerde soepele beleid ten aanzien van 57,5-jarigen en ouderen voort te zetten.
     Het karakter van de inkomensvoorziening brengt met zich mee dat ook de mogelijkheden van de echtgenoot in beschouwing kunnen worden genomen. Aan de aanspraak op een zodanige voorziening dienen, indien mogelijk en redelijk, arbeidsvoorwaarden met betrekking tot de echtgenoot te worden verbonden. Het stellen van voorwaarden is in beginsel redelijk indien deze in het recente verleden beloonde arbeid heeft verricht. Daarvan wordt afgezien indien deze arbeid meer dan twee jaar geleden werd beëindigd.
     Wanneer aan de echtgenoot op grond van een andere uitkeringsregeling reeds voorwaarden tot (her)inschakeling in de arbeid zijn gesteld, kan zulks bij de toepassing van de Ioaz uiteraard achterwege blijven. Bij de beoordeling van de redelijkheid en de mogelijkheden van de echtgenoot waar het gaat om het stellen van de bedoelde voorwaarden en de mate van beschikbaarheid, spelen verder een rol factoren als leeftijd van de echtgenoot, medische en sociale omstandigheden, derhalve de persoonlijke omstandigheden.
     In alle gevallen vergt het stellen van voorwaarden aan zowel de gewezen zelfstandige als de echtgenoot een beoordeling van de individuele omstandigheden door het uitvoeringsorgaan.

     rblz.|9| Zowel voor de gewezen zelfstandige als voor diens echtgenoot aan wie voorwaarden zijn gesteld geldt dat er geen bezwaar bestaat tegen het volgen van dagopleidingen of het verrichten van aan werklozen toegestane onbeloonde werkzaamheden, zolang de betrokkene aan de gestelde voorwaarden blijft voldoen.

     In navolging van het voorstel voor de nieuwe Werkloosheidswet wordt ook in dit wetsvoorstel ruimte gereserveerd (artikel 29 [39]) om te zijner tijd mogelijk te maken dat uitkeringsgerechtigden in aanmerking komen voor voorzieningen gericht op behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid.
     Aangezien het recht op uitkering ontstaat wanneer het bedrijf of beroep door de zelfstandige wordt beëindigd, kunnen de voorwaarden gericht op de herinschakeling in de arbeid eerst dan worden gesteld.

 

8.2. Ontheffingsmogelijkheden


     Burgemeester en wethouders zijn bevoegd individueel een ontheffing van één of meer voorwaarden te verlenen indien redenen van medische of sociale aard of andere in de persoon gelegen redenen daartoe aanleiding geven. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door ziekte nakoming van de voorwaarden niet kan worden gevergd.
     De arbeidsmarktsituatie als zodanig is geen grond voor een ontheffing. Een individuele ontheffing van één of meer voorwaarden kan voorts worden verleend indien de betrokkene een noodzakelijke opleiding volgt of toegestane onbeloonde arbeid verricht. Waar het gaat om een opleiding die voor de herinschakeling in de arbeid noodzakelijk wordt geacht, kan voor de duur van die opleiding ontheffing worden gegeven van de verplichtingen passende arbeid te zoeken en aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Onder bepaalde voorwaarden zal aan degenen die aan werklozen toegestane onbeloonde arbeid verrichten tijdelijk ontheffing kunnen worden verleend van de verplichting passende arbeid te zoeken. Aangeboden passende arbeid dient evenwel te worden aanvaard.

     Burgemeester en wethouders kunnen de plaatselijke adviescommissie horen alvorens een besluit tot ontheffing te nemen.
     De bevoegdheid om categorieën van uitkeringsgerechtigden van de gebruikelijke verplichtingen te ontheffen, is voorbehouden aan de minister. Voor wat betreft de categorie 57,5-jarige en oudere gewezen zelfstandigen zal het gevoerde soepele beleid ten aanzien van werklozen, gelet op de situatie op de arbeidsmarkt, op dezelfde wijze binnen het kader van de Ioaz gestalte krijgen. Dit zal bij ministeriële regeling worden geformaliseerd.

 

8.3. Sancties


     Aan de uitkering zijn voorwaarden gericht op inschakeling in de arbeid verbonden alsmede de voorwaarde tot het verschaffen van alle inlichtingen die voor het recht op en de omvang en duur van de uitkering van belang zijn. Het is van belang dat een nodeloos beroep op de inkomensvoorziening wordt tegengegaan. Om deze reden is het noodzakelijk dat ten aanzien van degenen die in dit licht verwijtbare gedragingen vertonen maatregelen kunnen worden getroffen met betrekking tot de hoogte of de duur van de uitkering. De mate van verwijtbaarheid en de ernst van de gedragingen dienen in de maatregel tot uitdrukking te komen. Dit staat ter beoordeling van de uitvoerende instantie. Zo nodig zullen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de toepassing van maatregelen op het uitkeringsvlak bij bedoelde verwijtbare gedragingen.
     Naast de sanctiebepalingen die verband houden met het voldoen aan de voorwaarden tot inschakeling in de arbeid dan wel tot het verschaffen
rblz.|10| van alle relevante inlichtingen door de rechthebbende kan betrokkene ook een sanctie worden opgelegd indien voldoende aannemelijk is dat deze zich ten tijde van het zelfstandig ondernemerschap onvoldoende had ingezet voor de voorziening in het bestaan. Hierbij kan het advies van de plaatselijke of regionale commissie zelfstandigen van belang zijn.
     De mogelijkheid bij het niet voldoen aan de voorwaarde om de noodzakelijke en juiste inlichtingen te verschaffen tot een sanctie betreffende de uitkering over te gaan, laat onverlet dat in deze gevallen ook een strafmaatregel kan worden opgelegd. Dit op grond van de bepalingen in hoofdstuk VII, die overeenstemmen met de bepalingen die in de Algemene Bijstandswet zullen worden opgenomen.

 

9. De uitvoering van de regeling


     Evenals de Ioaw wordt de uitvoering van de Ioaz opgedragen aan burgemeester en wethouders.
     De uitkeringsrechten en de daaraan gekoppelde voorwaarden hebben betrekking op de werkloos geworden zelfstandige en diens echtgenoot. In verband daarmee lopen de hoofdlijnen van het uitkeringsbeleid en het voorwaarden- en sanctiebeleid parallel aan die van de Ioaw.
     Waar wenselijk en nodig zijn met het oog op de doelgroep andere, op die groep toegespitste regels gesteld. Waar dit het geval is, werd dit in het voorafgaande reeds toegelicht of zal dit in de artikelsgewijze toelichting nog nader worden aangegeven.
     Voor het overige is het mogelijk en vanwege eenheid van uitvoering ook gewenst zoveel mogelijk bij de in de Ioaw opgenomen procedures aan te sluiten.
     Dit betreft als hoofdpunten de procedure van aanvraag en toekenning van de uitkering, de wijze van uitbetaling, het (her)onderzoek van de omstandigheden van de cliënten, de beroepsmogelijkheden, de terugvorderings- en verrekeningsbepalingen, de plaatselijke adviescommissie, de vergoeding door het Rijk van de gemeentelijke uitgaven en het toezicht van het Rijk op de gemeentelijke uitvoering.
     In een aantal opzichten wijken de uitvoeringsbepalingen van dit wetsvoorstel echter af van de Ioaw. Dit houdt verband met de beoordeling van de voorwaarden voor het recht op uitkering.
     Ten behoeve van een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag kunnen burgemeester en wethouders bepaalde deskundige externe instanties inschakelen. De kosten van rapportage en onderzoek door deze instanties komen voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.
     Bij de beoordeling van de toetredingsvoorwaarden voor het recht op uitkering wordt het advies ingewonnen van de plaatselijke of regionale commissie zelfstandigen, gelet op de deskundigheid en ervaring van deze commissie op dit terrein.
     Bij de uitvoering kunnen de colleges van burgemeester en wethouders - evenals in de Ioaw - voor het overige worden bijgestaan door een plaatselijke of regionale adviescommissie met ervaring en deskundigheid op het terrein van werkloosheid.

 

10. De financiering


     In hoofdstuk V van de wet is geregeld dat de krachtens deze wet verleende uitkeringen ten laste komen van de gemeente die deze heeft verstrekt. De gemeenten ontvangen hiervoor een vergoeding van het Rijk; deze vergoeding bedraagt 90 procent van de netto ten laste van de gemeente gebleven uitkeringen. Voorwaarde voor deze vergoeding is dat de uitkeringen zijn verleend in overeenstemming met de bij of krachtens deze wet gestelde regels.
     Deze wijze van financiering van de uitgaven komt overeen met die van de Ioaw en de Algemene Bijstandswet. Voor wat betreft de uitvoering
rblz.|11| van deze wet en de daarbij geldende bevoegdheden is gekozen voor een opzet als bij de Algemene Bijstandswet. De verdeling van de lasten tussen Rijk en gemeenten sluit daarbij aan. In de Algemene Bijstandswet wordt 90 procent van de ten laste van de gemeente komende uitkeringen door het Rijk vergoed.
     Deze financiële verhouding vormt een afspiegeling van zowel de mate waarin het Rijk verantwoordelijkheid draagt voor deze inkomensvoorziening als onderdeel van het totale stelsel van sociale zekerheid als de mate waarin gemeenten verantwoordelijkheid dragen voor de correcte uitvoering van de wet. De onderhavige voorziening heeft immers niet het karakter van een rijksregeling die door gemeenten wordt uitgevoerd, maar van een in medebewind door de gemeenten uit te voeren regeling, waarbij sprake is van een eigen beleidsinvulling en een eigen wijze van uitvoering door de gemeenten.
     De vergoeding van kosten van onderzoek en rapportage door externe deskundige instanties vindt op dezelfde wijze plaats als in de op de Algemene Bijstandswet gebaseerde rijksgroepsregeling voor zelfstandigen.

 

11. Noodzaak van regelgeving en budgettaire gevolgen


     In het kader van terughoudendheid met regelgeving is het wetsvoorstel getoetst aan de aanwijzingen ter zake. Naar aanleiding daarvan wordt het volgende opgemerkt.
     De doelstelling van het wetsvoorstel is in de vorige onderdelen reeds aangegeven. Samenvattend kan worden gesteld dat de Ioaz beoogt een inkomensvoorziening op sociaalminimumniveau te bieden voor oudere gewezen zelfstandigen (en eventuele echtgenoten) die na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar de ondernemersactiviteiten hebben beëindigd en overigens aan een aantal toetredingsvoorwaarden voldoen. Evenzo kunnen gewezen zelfstandigen met een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor deze inkomensvoorziening.

     De Ioaz beoogt deze categorieën van gewezen zelfstandigen vergelijkbare rechten te verlenen als de werkloze werknemers op grond van de Ioaw.
     De Ioaz treedt voor de genoemde groepen van rechthebbenden in de plaats van de Algemene Bijstandswet (Rijksgroepsregeling werkloze werknemers [Rww, red.]).
     Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze wet wordt de bestaande algemene bedrijfsbeëindigingsregeling voor het midden- en kleinbedrijf ingetrokken. Ook vervalt de Rijksgroepsregeling vrijlating oudedagsvoorziening bijzondere groepen.
     Gezien de samenhang met bovenstaande regelingen zijn in de Ioaz zowel elementen uit de Ioaw en de Algemene Bijstandswet opgenomen, als elementen uit de bedrijfsbeëindigingsregelingen en de Rijksgroepsregeling (oudere) zelfstandigen. Het laatste vloeit met name voort uit de personenkring, de toetredingsvoorwaarden en een aantal specifieke uitvoeringsaspecten van deze wet.
     Inpassing in de Ioaw is niet gewenst vanwege de op de specifieke doelgroep toe te spitsen afwijkende bepalingen. Dit zou leiden tot een te gecompliceerde regelgeving en tot onduidelijkheid voor betrokkenen. Daarom is besloten tot een afzonderlijke wet.
     Voor de uitvoering en financiering van de wet worden geen nieuwe organen in het leven geroepen. Ook zal er in beginsel geen behoefte zijn aan nieuwe bestuursinstrumenten. Met betrekking tot de in het wetsvoorstel voorziene delegatie van de regelgeving wordt zover mogelijk aangesloten bij de Algemene Bijstandswet, ook voor zover de bevoegdheid tot
rblz.|12| normstelling is gedelegeerd. De richtlijnen en aanwijzingen van de centrale overheid in het kader van de Algemene Bijstandswet zullen in beginsel van overeenkomstige toepassing zijn. Nodig of wenselijk geachte afwijkingen van de uitvoeringspraktijk van de Algemene Bijstandswet worden in het artikelsgewijze deel van deze memorie aangegeven. Voor het toezicht op de uitvoering geldt hetzelfde.
     De bestuurlijke lasten voor de uitvoerders - de lokale overheid - zullen naar verwachting in kwantitatieve zin enigszins kunnen toenemen door het beroep op een Ioaz-uitkering van degenen die voorheen aangewezen waren op de bedrijfsbeëindigingsregelingen van de vakdepartementen.

     De invoering van de wet volgens dit voorstel zal geen verzwaring betekenen van de belasting van de beroepsrechter. Het wetsvoorstel heeft betrekking op personen die, zonder deze wet, in de regel direct of na enige tijd een beroep op de Algemene Bijstandswet (Rijksgroepsregeling werkloze werknemers) zouden moeten doen. Het aantal personen dat eventueel een beroep op de rechter zou doen, wordt derhalve niet groter, te meer niet daar de te volgen procedure in beide wetten gelijk is. De beroepsgevoelige aspecten van dit wetsvoorstel zijn, waar het gaat om genormeerde uitkeringen, in hoofdzaak dezelfde als in de Algemene Bijstandswet. Door de lichtere middelentoets mag, wat dit aspect betreft, minder aanleiding tot geschillen worden verondersteld.

     De totale uitkeringslasten op begrotingsbasis zullen op de lange termijn structureel ƒ150 miljoen per jaar gaan bedragen bij een bestand van 8750 uitkeringsgerechtigden.
     Hiertegenover staat een structurele vermindering van ƒ70 miljoen per jaar bij de Algemene Bijstandswet. Tevens vervalt op de begroting van het ministerie van Economische Zaken structureel op jaarbasis een bedrag van ƒ50 miljoen wegens verminderde uitkeringen op grond van de Regeling Bedrijfsbeëindigingshulp (BBH) voor de doelgroep die na de inwerkingtreding van de Ioaz geen beroep meer kan doen op de BBH.
     Op grond van de in deze wet vastgestelde wijze van financieren komt ƒ135 miljoen ten laste van het Rijk en ƒ15 miljoen ten laste van de gemeenten.
     Aangezien zich voor de gemeenten een gelijktijdige afname van Rww-uitkeringslasten voordoet als direct gevolg van de Ioaz, zal het budgettaire effect daardoor verminderen met circa ƒ7 miljoen structureel.

     De uitvoering van de wet heeft voor de gemeenten een toename van het aantal uitkeringsgerechtigden tot gevolg. Deze volumemutatie is het saldo van de instroom van de Ioaz en de gelijktijdige afname van het Rww-bestand. Op langere termijn betreft het ruim 6000 nieuwe uitkeringsgerechtigden.
     De uitvoeringskosten voor de gemeenten zullen dan circa ƒ6,4 miljoen per jaar meer bedragen.
     Het voornemen bestaat aan de gemeenten voor de gestegen uitkeringslasten en uitvoeringskosten een overeenkomstige vergoeding te verstrekken door toevoeging aan het gemeentefonds.
     Aan de Raad van de Gemeentefinanciën zal advies worden gevraagd omtrent de wijze van verdelen.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikelen 1 tot en met 3 [1-3+4]

     In deze artikelen wordt een aantal begrippen gedefinieerd die voor de toepassing van de wet van belang zijn.
     De personenkring van de regeling is omschreven in artikel 2 [2]. Allereerst betreft het oudere gewezen zelfstandigen beneden 65 jaar die na het bereiken van de leeftijd van 55 jaar de ondernemersactiviteiten hebben
rblz.|13| beëindigd. Daarnaast gaat het om gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen beneden 65 jaar die de ondernemersactiviteiten hebben gestaakt en die een AAW-uitkering ontvangen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
     Voor beide categorieën gewezen zelfstandigen geldt dat zij voor de inkomensvoorziening afhankelijk dienen te zijn geweest van arbeid in het eigen bedrijf of beroep. De persoon die feitelijk niet in het bedrijf of beroep werkzaam is geweest, maar alleen kapitaal heeft ingebracht, wordt derhalve niet als gewezen zelfstandige aangemerkt.
     Gelet op de gewenste gelijkberechtiging van mannen en vrouwen is er aanleiding de meewerkende echtgenoot die aangewezen is op arbeid in het bedrijf of beroep op te nemen in de personenkring. Het tweede lid voorziet hierin. Uiteraard moet aan dezelfde voorwaarden als voor overige gewezen zelfstandigen worden voldaan.
     Naast zelfstandigen die hun bedrijf of beroep hebben uitgeoefend in de vorm van een eenpersoonsbedrijf of -beroep worden ook zelfstandigen met een bedrijf of beroep in de vorm van een samenwerkingsverband gerekend tot de kring van rechthebbenden, mits zij alleen of met andere zelfstandigen de volledige zeggenschap hebben uitgeoefend en alleen of gezamenlijk het ondernemersrisico hebben gedragen. De verlies- en winstverdeling tussen vennoten of maten dient daarbij reëel te zijn in verhouding tot de ingebrachte arbeid.

     Directeuren van BV's of NV's worden veelal aangemerkt als werknemer in de zin van de WW. Zij kunnen bij niet-verwijtbare werkloosheid in aanmerking komen voor een WW- en loaw-uitkering. Directeuren van BV's of NV's die niet als werknemer worden aangemerkt, met name vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding met de BV of NV, en die voldoen aan de voorwaarden van deze wet, behoren ingevolge het vierde lid tot de personenkring van de Ioaz.
     Om als gewezen zelfstandige te worden aangemerkt, is vereist dat de aanvrager was aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of beroep. Daarbij is een zekere begrenzing noodzakelijk om te voorkomen dat personen die slechts in geringe mate bedrijfsactiviteiten verrichten een beroep op
de wet kunnen doen.
     Vereist is dat de bedrijfsuitoefening betekenisvol is geweest. Als nadere uitwerking van dit beginsel geldt ingevolge het vijfde lid ten aanzien van het aantal gewerkte uren in het bedrijf of beroep hetzelfde criterium dat bij de toepassing van de zelfstandigenaftrek wordt gehanteerd. Dit betekent thans dat gedurende het desbetreffende kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 1225 uren in beslag wordt genomen door het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming. Het urencriterium heeft betrekking op het jaar voorafgaande aan de aanvraag. Voor zover het de zelfstandige betreft die het bedrijf of beroep in verband met arbeidsongeschiktheid moet beëindigen, wordt het urencriterium toegepast met betrekking tot het jaar voorafgaande aan deze arbeidsongeschiktheid.

     De omschrijving van het begrip gewezen zelfstandige is door genoemd urencriterium scherper afgebakend dan de omschrijving van het begrip zelfstandige in het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Stb. 1986, ...). De Ioaz draagt een ander karakter dan deze bijstandsregeling, die een sluitstukfunctie in de sociale zekerheid vervult. Bovendien heeft het Bijstandsbesluit zelfstandigen betrekking op zelfstandigen die hun bedrijf of beroep voortzetten. De bijstand heeft wat de inkomenshulp betreft een aanvullende functie over een korte periode.

     Ten aanzien van het begrip echtgenoot, als omschreven in artikel 3 [3+4], is een bepaling opgenomen van dezelfde strekking als in de wetsvoorstellen voor de Ioaw en de wijziging van de Algemene Bijstandswet. Evenzo is rblz.|14| op overeenkomstige wijze de gelijkstelling van de niet-gehuwde partner met de echtgenoot geregeld. Voor de toepassing van deze gelijkstelling is het voeren van een gezamenlijke huishouding essentieel.

     Ten aanzien van dit begrip kunnen regels worden gesteld. Voor de vaststelling van het recht op een uitkering van een alleenstaande gewezen zelfstandige op het niveau van een eenoudergezin is in artikel 3 [3+4], zesde lid, omschreven wat voor de toepassing van deze wet onder een kind wordt verstaan. In aansluiting bij de Ioaw geldt dat het moet gaan om een kind dat tot het huishouden van de gewezen zelfstandige behoort. De in de Ioaw gehanteerde omschrijving is gelijkluidend.

 

Artikel 4 [5]

     Met het bepaalde in het eerste lid wordt het karakter van de wet tot uitdrukking gebracht. Het gaat om een minimumbehoeftevoorziening, derhalve op hetzelfde niveau als de Ioaw.
     Aanspraken kunnen worden ontleend indien en voor zover de (bruto)inkomsten van de gewezen zelfstandige en diens echtgenoot minder bedragen dan de van toepassing zijnde grondslag en overigens aan de overige toetredingsvoorwaarden wordt voldaan.
     De grondslag wordt bruto zodanig vastgesteld dat de uitkering van de gewezen zelfstandige en een eventuele echtgenoot netto gelijk is aan het voor hen geldende sociaal minimum per maand.
     Voor deze periode is gekozen omdat volgens artikel 20 [21] in beginsel de uitkering per maand wordt betaald.

     In het tweede en derde lid worden de specifieke voorwaarden voor het recht op uitkering opgesomd die voor rechthebbenden gelden. Gelet op de verschillende oorzaken van de inkomstenderving gelden daarbij deels uiteenlopende voorwaarden voor oudere gewezen zelfstandigen enerzijds en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen anderzijds.

     Ten aanzien van de oudere gewezen zelfstandigen gelden de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid.
     Wat betreft het arbeidsverleden is vereist dat betrokkene in de laatste tien jaar onafgebroken arbeid heeft verricht, waarvan in elk geval de laatste drie jaar als zelfstandige in een eigen bedrijf of beroep. In de zeven jaar daarvoor dient eveneens arbeid te zijn verricht, hetzij als zelfstandige, hetzij in dienstbetrekking.
     Personen die na een langdurig arbeidsverleden in dienstbetrekking ten minste drie jaar lang een bedrijf uitoefenen en dit noodgedwongen moeten beëindigen, kunnen derhalve aanspraak op een Ioaz-uitkering maken.
     De duur van het zelfstandig ondernemerschap kan worden aangetoond met behulp van gegevens van de Kamer van Koophandel (voor het midden- en kleinbedrijf) respectievelijk van de Stichting Uitvoering Landbouwmaatregelen (voor de landbouw).
     Voor de bepaling van het arbeidsverleden worden de perioden van ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid meegeteld, evenals, in geval van de meewerkende echtgenoot, bedoeld in artikel 2 [2], tweede lid, de jaren waarin in de zin van de fiscale wetgeving is meegewerkt in het bedrijf of beroep.
     Voorwaarde is voorts dat het inkomen van de gewezen zelfstandige uit of in verband met arbeid de laatste drie jaren gemiddeld beneden het (bruto) sociaal minimum berekend voor een zelfstandige heeft gelegen. Daarbij gaat het primair om de winst uit onderneming in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting [lees: Wet op de Inkomstenbelasting 1964, red.] (Stb. 1964, 519) dan wel van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (
Stb. 1969, 469), voor zover het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend in de vorm van een besloten of naamloze rblz.|15| vennootschap. Het gehanteerde inkomensbegrip omvat echter ook andere inkomensbestanddelen, zoals inkomen uit arbeid in dienstbetrekking.

     Het behaalde inkomen kan in het algemeen worden vastgesteld aan de hand van de boekhoudverslagen van de laatste drie jaren voorafgaande aan de aanvraag of, voor zover nodig, aan de hand van fiscale gegevens.
     Tevens dient vastgesteld te worden dat het inkomen van de zelfstandige bij voortzetting van de bedrijfsuitoefening naar verwachting duurzaam beneden het sociaal minimum blijft. In het algemeen kan dit worden beoordeeld aan de hand van een reële begroting voor het komende jaar, tenzij zich nadien bijzondere omstandigheden voordoen die op het toekomstperspectief van invloed zijn. Met name bij de beoordeling van het behaalde en het verwachte inkomen speelt de rapportage door een deskundige instantie, als bedoeld in artikel 18 [14], tweede lid, en het advies door de commissie zelfstandigen een wezenlijke rol.
     De aanvraag voor een Ioaz-uitkering moet worden ingediend vóór de beëindiging van de ondernemersactiviteiten in verband met de vereiste toetsing van het niet-verwijtbare karakter van de werkloosheid. Uiterlijk binnen anderhalf jaar na het indienen van de aanvraag dienen de ondernemersactiviteiten te worden gestaakt. Indien aan laatstgenoemde voorwaarde niet wordt voldaan, kan het recht op een Ioaz-uitkering slechts geldend worden gemaakt na de indiening van een nieuwe aanvraag.

     Ten aanzien van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen gelden de voorwaarden, genoemd in het derde lid. Wat betreft het arbeidsverleden is vereist dat betrokkene in de laatste drie jaar onafgebroken rechtmatig arbeid als zelfstandige heeft verricht.
     Voorts dient, evenals bij oudere gewezen zelfstandigen, vastgesteld te worden dat het inkomen, met name uit bedrijf of beroep, en uit een AAW-uitkering, duurzaam beneden het sociaal minimum blijft bij voortzetting van de arbeid in bedrijf of beroep.
     Ten slotte geldt de voorwaarde dat de aanvraag moet zijn ingediend vóór beëindiging en dat deze beëindiging uiterlijk binnen anderhalf jaar na het tijdstip van aanvraag plaatsvindt.

     De gelijke aanspraak van de gewezen zelfstandige en van de echtgenoot is in het vierde lid op dezelfde wijze geregeld als in het wetsvoorstel Ioaw.

 

Artikel 5 [6]

     Dit artikel bevat de uitsluitingsgronden voor het recht op uitkering. Gegeven het feit dat in de Ioaz de uitkering gelijkelijk toekomt aan de gewezen zelfstandige en diens echtgenoot, hebben de uitsluitingsgronden mede op de laatste betrekking.
     De uitsluitingen in het eerste en derde lid, onderdeel a, vloeien logisch voort uit de aanduiding en begripsomschrijving van gewezen zelfstandige.
     Wie het bedrijf of beroep niet heeft beëindigd, blijft zelfstandige en kan derhalve geen recht op uitkering doen gelden. Wie de arbeid in bedrijf of beroep hervat, is niet langer als gewezen zelfstandige aan te merken en verliest zolang dat het geval is derhalve het recht op uitkering.
     Deze inkomensvoorziening heeft alleen de sociale bescherming van gewezen zelfstandigen ten doel. Bovendien kan eerst nadat de ondernemersactiviteiten zijn beëindigd, worden voldaan aan de voorwaarden tot herinschakeling in de arbeid.
     Door beide uitsluitingen wordt tevens voorkomen dat een bedrijf of beroep kan worden voortgezet dankzij de garantie van een (aanvullende) Ioaz-uitkering van overheidswege. Dit zou in strijd zijn met het algemeen
rblz.|16| structuurbeleid, op grond waarvan een inkomensgarantie aan zelfstandigen wordt afgewezen.
     Uit de uitsluiting in het eerste lid vloeit voort dat het bedrijf of beroep feitelijk dient te worden beëindigd.
     De gewezen zelfstandige dient (het moment van) de beëindiging aan te tonen, bijvoorbeeld aan de hand van een verklaring van uitschrijving uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Vereist is dat het bedrijf of beroep wordt geliquideerd of wordt overgedragen aan derden dan wel, in geval van een samenwerkingsverband, dat betrokkene uittreedt uit de vennootschap of maatschap. De bedrijfsbeëindigingsregelingen kennen, gelet op hun structuurversterkend karakter, verdergaande voorwaarden, maar deze passen niet in een regeling die beoogt werkloos geworden zelfstandigen een voorziening op minimumniveau te bieden.
     De uitsluiting van gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen zolang geen recht op een AAW-uitkering bestaat, vloeit logisch voort uit de begripsomschrijving van artikel 2 [2], eerste lid, onderdeel b, en is ten behoeve van de duidelijkheid opgenomen.
     De uitsluiting van degenen die anders dan vanwege vakantie buiten Nederland verblijven, komt overeen met de andere werkloosheidsregelingen. Ten aanzien van hetgeen onder "tijdelijk verblijf" - bijvoorbeeld in verband met vakantie - wordt verstaan, waarbij het recht op uitkering blijft bestaan, kunnen in het kader van artikel 14 [-] regels worden gesteld.
     Uit de uitsluiting in het derde lid, onderdeel c, vloeit voort dat de wet van toepassing is op vreemdelingen aan wie het verblijf hier te lande is toegestaan krachtens de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40). Ter zake wordt aangesloten bij het bijstandsbeleid.

 

Artikel 6 [7]

     In het voorafgaande is reeds toegelicht dat deze wet is bedoeld als een voorziening waarvan de werking zich kan uitstrekken tot de 65-jarige leeftijd van de gewezen zelfstandige. Indien als gevolg van een tijdelijke onderbreking van de werkloosheid door werkaanvaarding, waartoe ook het hervatten van activiteiten als zelfstandige wordt gerekend, de uitkering eindigt, herleeft ingevolge dit artikel daarna het uitkeringsrecht. Voorafgaande hieraan kan uiteraard eerst een WW-uitkering zijn genoten.

 

Artikel 7 [8]

     Het recht op de uitkering en de omvang ervan moeten worden getoetst aan de inkomsten uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de gewezen zelfstandige en, in het geval van een echtgenoot, deze inkomsten van hen tezamen.
     Het tweede lid geeft aan dat tot het inkomen wordt gerekend 5% van het vermogen voor zover dit vermogen het bedrag van ƒ175 000,- overschrijdt. De motieven voor deze beperkte inkomenstoets zijn reeds in het algemene deel van de memorie van toelichting weergegeven. De gekozen forfaitaire benadering voorkomt verschillen in uitwerking van deze toets afhankelijk van de wijze van belegging van het vermogen en voorkomt een mogelijke wijze van beleggen waarmee men deze toets zou kunnen ontwijken.
     Bij de keuze van de hoogte van het rentepercentage is rekening gehouden met de vergoeding die banken in het algemeen geven indien gelden voor korte tijd worden vastgezet. Het vierde en vijfde lid regelen de herziening van het vermogensbedrag en het rentepercentage.
     Voor de waardering van het vermogen worden op grond van het zesde lid regels gesteld. Aansluiting zal zoveel mogelijk worden gezocht bij de wijze van waardering zoals deze geldt voor de vermogensbelasting.
     Op grond van het derde lid zullen regels worden gesteld met betrekking tot de in aanmerking te nemen inkomsten. Daarbij zal worden aangesloten
rblz.|17| bij de regels die krachtens de Ioaw zullen gelden. Voorts zullen regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de wijze van vaststelling van het inkomen en van de periode waarop die vaststelling betrekking heeft.
     Tevens zullen ingevolge het tweede lid regels worden gesteld met betrekking tot het in aanmerking te nemen inkomen in verband met de toetredingsvoorwaarde, genoemd in artikel 4 [5], tweede en derde lid.

 

Artikel 8 [-]

     Teneinde een financiële stimulans te bieden tot het verwerven of behouden van inkomsten uit arbeid wordt in dit artikel bepaald dat van die inkomsten een gedeelte wordt vrijgelaten. Gezien het minimumbehoeftekarakter van deze wet dient de vrijlating echter naar hoogte en duur te worden beperkt.
     Voor gehuwden en alleenstaanden met kinderen wordt aangesloten bij de vrijlatingsregels in de Ioaw, waarin gedurende twee jaar 30% van de inkomsten uit arbeid wordt vrijgelaten, met een maximum van 15% van de grondslag van een gehuwde. Rekening houdend met de systematiek van brutoverrekening wordt met deze omvang en duur aangesloten bij de systematiek van de Ioaw ter zake. De maximale vrijlating voor alleenstaanden zonder kinderen is gelijk aan 15% van diens grondslag.

 

Artikel 9 [9]

     De uitkeringsbedragen worden bepaald door de van toepassing zijnde grondslag te verminderen met het (bruto-)inkomen. Krachtens het tweede lid is in de uitkering een vakantie-uitkering begrepen.
     Deze vakantie-uitkering bedraagt 7,5% van het na aftrek van die vakantie-uitkering resterende gedeelte van die uitkering. Dit percentage stemt overeen met het wettelijke percentage van de minimumvakantiebijslag. Ingevolge artikel 20 [21], tweede lid, wordt deze vakantie-uitkering jaarlijks uitbetaald.

 

Artikel 10 [10]

     Dit artikel is inclusief de daarin vervatte delegatiemogelijkheden, overgenomen uit de Wet van 20 december 1979, Stb. 1979, 711 (herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum).

 

Artikelen 11 [15] en 12 [-]

     Het recht op uitkering wordt geldend gemaakt door middel van een schriftelijke aanvraag.
     Burgemeester en wethouders stellen vervolgens vast of een recht op uitkering bestaat. De beslissing wordt schriftelijk ter kennis van de aanvrager gebracht.

     Burgemeester en wethouders dienen in beginsel binnen zes maanden te beslissen op de aanvraag. Deze van de Ioaw afwijkende termijn is gekozen met het oog op het verwerven van de gegevens en inlichtingen die vereist zijn voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag. Met name kan gedacht worden aan door aanvrager te overleggen boekhoudverslagen en verdere gegevens over het bedrijf of beroep en over het arbeidsverleden. Voorts kan een nader onderzoek door een deskundige instantie noodzakelijk zijn en dient de plaatselijke of regionale commissie zelfstandigen om advies te worden gevraagd. Ingeval burgemeester en wethouders niet in staat zijn binnen zes maanden op de aanvraag te beslissen vanwege het ontbreken van de noodzakelijke gegevens of inlichtingen, stellen zij de aanvrager hiervan in kennis. Tevens geven zij aan op welke termijn de beslissing naar verwachting zal worden genomen.

     rblz.|18| De bevoegdheid tot het indienen van de aanvraag komt de zelfstandige en de eventuele echtgenoot toe.

 

Artikel 13 [11]

     Als uitkeringsorgaan wordt aangewezen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de gewezen zelfstandige vaste woonplaats heeft. Slechts in uitzonderingssituaties, wanneer het vaste woonplaatscriterium geen uitkomst biedt, zal het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de betrokkene werkelijk verblijft op de aanvraag dienen te beslissen.
     Eventuele geschillen over de toepassing van dit domicilieartikel worden zo nodig door de Kroon beslist.

 

Artikel 14 [-]

     Een tijdelijk verblijf buiten de vaste woonplaats - bijvoorbeeld voor de duur van een normale vakantie in Nederland of het buitenland - heeft geen directe gevolgen voor het uitkeringsrecht. De woongemeente blijft voor de duur ervan gehouden de uitkering te verlenen.

     Mede ter voorkoming van geschillen omtrent de woonplaats en ter bevordering van een rechtsgelijke behandeling van cliënten kunnen ministeriële regels worden gesteld met betrekking tot een tijdelijke afwezigheid uit de woongemeente. Deze delegatiebevoegdheid is gekozen met het doel ter zake snel en effectief te kunnen optreden.

 

Artikel 15 [20]

     Dit artikel bevat de algemene uitgangspunten voor de wijze waarop met gedragingen van de uitkeringsgerechtigden in strijd met de voorwaarden verbonden aan de uitkeringen of met artikel 17 [13] van de wet rekening dient te worden gehouden. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, heeft betrekking op de betoonde inzet van de gewezen zelfstandige en diens echtgenoot om te voorzien in het bestaan in de periode voorafgaand aan de toekenning van het recht op uitkering.
     Het niet-verwijtbare karakter van de werkloosheid van de gewezen zelfstandige en diens echtgenoot is hierbij in geding. Indien deze werkloosheid samenhangt met een aantoonbaar gebrek aan inzet van de betrokkenen om in het levensonderhoud te voorzien, bestaat er in het algemeen aanleiding tot sanctiemaatregelen. Ten aanzien van de echtgenoot blijft de eventuele beoordeling ter zake beperkt tot de laatste twee jaar vóór de aanvraag.
     Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, heeft dezelfde strekking als de desbetreffende bepaling in de nieuwe WW.
     Voor de wijze van toepassing van de sanctiemaatregelen is gezien de gemeentelijke uitvoering uit een oogpunt van een eenduidig beleid zoveel mogelijk aangesloten bij het ter zake bepaalde in de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers.
     Zoals ook uit de formulering van deze bepalingen blijkt, gaat het bij het treffen van sancties altijd om een individuele beoordeling. Een afwijking van de algemene richtlijnen, in voor de betrokkene zowel gunstige als ongunstige zin, is derhalve mogelijk en kan gelet op de omstandigheden voorts noodzakelijk zijn.

 

Artikel 16 [51]

     In dit artikel is geregeld de informatieplicht van het arbeidsbureau ten aanzien van de in het voorgaande artikel aangegeven omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het toepassen van sancties. De informatieplicht rblz.|19| van het arbeidsbureau heeft niet alleen betrekking op de uitkeringsduur van de Ioaz, maar ook op de periode vóór de aanvraag van een uitkering, uiteraard voor zover het arbeidsbureau hierover geïnformeerd is. Het arbeidsbureau kan wat het laatste betreft, zijn ingeschakeld bij werkloosheid uit een dienstverband van de echtgenoot of uit een gedeeltelijk dienstverband van de gewezen zelfstandige. Burgemeester en wethouders beslissen over het toepassen van sancties en kunnen daaraan voorafgaand advies vragen aan de commissie, bedoeld in artikel 33 [-] of 34 [-], behoudens in geval van toetsing aan artikel 15 [20], eerste lid, onderdeel a, in welk geval de commissie zelfstandigen, bedoeld in artikel 12 [-], derde lid, kan adviseren.
     Het initiatief tot het verstrekken van informatie ligt bij het arbeidsbureau. Op grond van het tweede lid moet het arbeidsbureau, indien het daarover beschikt, op verzoek ook de inlichtingen verstrekken welke burgemeester en wethouders voor de uitvoering van deze wet nodig achten.

 

Artikel 17 [13]

     Dit artikel regelt het verstrekken van inlichtingen door de gewezen zelfstandige en de echtgenoot. De betrokkene is in de eerste plaats verplicht al die inlichtingen te verstrekken die voor het recht op de uitkering relevant zijn.
     Gedacht kan worden aan het overleggen van de vereiste boekhoudverslagen, verklaringen van de Kamer van Koophandel e.d. Daarnaast legt dit artikel vast de verplichting voor de betrokkene om - gevraagd dan wel ongevraagd - gedurende de gehele uitkeringsperiode melding te maken van al datgene wat van invloed kan zijn op de feitelijke hoogte of de duur van de uitkering en het naar uitkeringscategorie te hanteren bedrag van de uitkering.

 

Artikel 18 [14]

     Voor een juiste toepassing van deze wet is het van belang dat de verstrekte inlichtingen op hun juistheid en hun volledigheid door burgemeester en wethouders worden onderzocht, zo nodig via een nader onderzoek. De verplichting daartoe is in dit artikel opgenomen. Veelal kunnen bij dit onderzoek deskundige externe instanties ingeschakeld worden, met name waar het betreft de toepassing van de artikelen 2 [2], 4 [5], tweede en derde lid, en 15 [20], eerste lid, onderdeel a. Gedacht kan worden aan het Regionaal Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf of de provinciale Directies voor Landbouw en Voedselvoorziening.
     Bovendien moet door burgemeester en wethouders ten aanzien van de hoogte en de duur van de uitkering worden onderzocht of ongewijzigde voortzetting hiervan verantwoord is.
     Daartoe dienen burgemeester en wethouders op geregelde tijden hercontrole te verrichten. Voor wat betreft dit (her)onderzoek zijn in het kader van de Algemene Bijstandswet nadere regels gegeven in de Administratieve regelen bijstand 1977. Er zal in worden voorzien dat voor de uitvoering van de wet deze administratieve voorschriften zoveel mogelijk overeenkomstige toepassing zullen vinden.

 

Artikel 19 [44+45]

     In dit artikel is een afzonderlijke verplichting opgenomen voor werkgevers om desgevraagd relevante informatie omtrent een uitkeringsgerechtigde te verschaffen. De betrokkene wordt daarvan tevoren op de hoogte gesteld.
     Eenzelfde informatieplicht geldt ten aanzien van de uitvoeringsorganen van de socialeverzekeringswetten.

rblz.|20| 

Artikel 20 [21]

     Ten aanzien van het betalingsritme wordt aangesloten bij de bepalingen van de nieuwe socialezekerheidswetten alsmede bij de uitvoeringspraktijk van de Algemene Bijstandswet die zich in toenemende mate richt op maandelijkse betaling. Een ander betalingsritme is echter niet uitgesloten.

 

Artikel 21 [25]

     De in het eerste lid van dit artikel opgenomen terugvorderingsbepalingen zijn de voor deze wet relevante gevallen, overeenkomstig de Ioaw. In de gevallen die in de onderdelen a tot en met c zijn genoemd, gaat het om situaties waarin de betrokkene (dit kan zowel de gewezen zelfstandige als de eventuele echtgenoot zijn) op de één of andere manier tekort is geschoten in hetgeen op grond van de voorschriften van de wet verwacht mag worden.
     In het in onderdeel d genoemde geval gaat het om inkomsten die tijdens de uitkeringsduur worden genoten en die, waren ze op het tijdstip van toekenning van de uitkering aanwezig geweest, geleid zouden hebben tot een lagere dan wel in het geheel geen uitkering. Dit kan onder meer het geval zijn indien de echtgenoot met terugwerkende kracht een uitkering op grond van een andere regeling krijgt toegekend over dezelfde periode waarin reeds een uitkering ingevolge deze wet werd ontvangen.
     Het tweede lid geeft de gemeenten de bevoegdheid ten behoeve van een andere gemeente die onverschuldigde betalingen in het kader van deze wet heeft verricht de ten onrechte betaalde bedragen op de uitkering in te houden en aan die andere gemeente te doen toekomen.
     In het derde lid zijn de ter zake in de Algemene Bijstandswet geldende procedureregels van overeenkomstige toepassing verklaard.
     Het betreft hier de regels inzake de wijze van terugvordering, de te voeren procedures, alsmede de regels ten aanzien van het aanwenden van rechtsmiddelen.

 

Artikel 22 [-]

     Dit artikel regelt de situatie waarin de betrokkene reeds een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet heeft ontvangen over een periode waarvoor naderhand een uitkering ingevolge deze wet wordt toegekend.
     De gemeente is in dat geval bevoegd deze uitkering met de reeds verstrekte bijstand te verrekenen. Als de bijstand door een andere gemeente werd verleend, kan aan die gemeente deze bijstand worden terugbetaald door de gemeente die naderhand in plaats daarvan over de betreffende periode een Ioaz-uitkering toekent.

 

Artikel 26 [37]

     Zoals in het algemeen gedeelte reeds is aangegeven, brengt de aard van deze voorziening in verband met werkloosheid met zich dat aan de uitkeringsgerechtigden voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de inschakeling in de arbeid. Dit tenzij zich redenen van medische, sociale of andere aard daartegen verzetten, hetgeen aansluit bij de overeenkomstige bepaling in de Algemene Bijstandswet. De formulering van de voorwaarden in het eerste lid is dezelfde als in de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, hetgeen de eenheid in uitvoering door de gemeenten bevordert.
     Bij het stellen van deze voorwaarden kan ingevolge het tweede lid ook de echtgenoot worden betrokken. Hierbij gelden echter een aantal beperkingen.
     Het recente arbeidsverleden van de betrokkene moet daartoe redelijkerwijs aanleiding kunnen geven en factoren als leeftijd en gezinssituatie
rblz.|21| mogen geen belemmering vormen. Indien de echtgenoot de arbeid langer dan twee jaar geleden heeft beëindigd, kunnen deze voorwaarden niet worden opgelegd.
     Overigens moet in het algemeen bij de beoordeling of arbeidsvoorwaarden kunnen worden gesteld, worden bedacht dat ziekte of arbeidsongeschiktheid van de gewezen zelfstandige niet kan leiden tot het vervallen van de aanspraken op uitkering. Deze wet is immers bedoeld als een voorziening die voor de betrokkenen de Algemene Bijstandswet vervangt. Het derde lid biedt de mogelijkheid om bij tijdelijke belemmeringen voor de duur dat deze zich voordoen ontheffing van één of meer van de in het eerste lid genoemde voorwaarden te verlenen.
     Als de belemmeringen duurzaam zijn, bijvoorbeeld blijvende arbeidsongeschiktheid, kan op grond van het eerste of tweede lid (verder) van het stellen van deze voorwaarden worden afgezien.
     In het vierde lid is het begrip passende arbeid omschreven op dezelfde wijze als in de andere werkloosheidsregelingen is gebeurd. Uit een oogpunt van eenheid in beleid, waarbij het arbeidsbureau een primaire rol vervult, is het gewenst dat dit begrip in het kader van de verschillende regelingen op gelijke wijze wordt gehanteerd.
     Het vijfde lid regelt, evenals dit het geval is in het corresponderende artikel 14 van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, de ministeriële bevoegdheid tot het verlenen van een categoriale ontheffing van één of meer van de voorwaarden. Op grond hiervan zullen 57,5-jarigen en ouderen van dezelfde verplichtingen worden vrijgesteld als in die regeling.

 

Artikelen 27 [-] en 28 [-]

     In deze artikelen is voorzien in de mogelijkheden om met behoud van uitkering een scholing of opleiding te volgen, dan wel deel te nemen aan onbetaalde werkzaamheden. Dit naar analogie van de bepalingen in de Ioaw. In dit kader worden geen beperkingen gesteld met betrekking tot de aard van het onderwijs of opleiding. Voor wat de deelname aan onbetaalde werkzaamheden betreft, wordt opgemerkt dat het hierbij gaat om de activiteiten die thans reeds aan werklozen zijn toegestaan en die ingevolge het wetsvoorstel onbeloonde arbeid door uitkeringsgerechtigden te zijner tijd mogen worden verricht.

 

Artikel 29 [39]

     Evenals het geval is in het wetsvoorstel Ioaw wordt een artikel gereserveerd voor een nadere regeling van voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid.

 

Artikelen 30 tot en met 35 [40--]

     In de uitvoering van deze wet wordt voorzien door burgemeester en wethouders van de gemeenten.
     De colleges worden in de uitvoering bijgestaan door een plaatselijke of regionale adviescommissie. De samenstelling van deze commissie is gelijk aan die van de Rww-commissie. Uit een oogpunt van doelmatigheid en eenheid in de uitvoering worden in een slotbepaling de bestaande Rww-commissies aangemerkt als commissies in de zin van deze wet. In de taakstelling onderscheidt de Ioaz-commissie zich enigszins van laatstbedoelde commissie: het accent ligt op de advisering ten aanzien van algemene vraagstukken, doch het horen van de commissie in bepaalde individuele gevallen wordt niet uitgesloten.

     In grotere gemeenten kan het nemen van beslissingen ingevolge deze wet door burgemeester en wethouders gezien het aantal uitkeringen op rblz.|22| praktische bezwaren stuiten. In verband daarmee kan het nemen van beslissingen bij wijze van mandaat aan gemeenteambtenaren worden opgedragen.
     Deze mandaatbevoegdheid strekt zich echter niet uit tot beslissingen inzake bezwaar en beroep.

 

Artikel 36 [52]

     Bij het toezicht op de uitvoering van de wet wordt de minister bijgestaan door de rijksconsulenten in de provincie. Het tweede lid voorziet in een gelijke taakstelling en bevoegdheden van de consulenten als bij de uitvoering van de Algemene Bijstandswet. De in dat kader gestelde regels met betrekking tot de administratie van de gemeenten zijn eveneens van toepassing.
     Ook in de mogelijkheid met betrekking tot het geven van aanwijzingen voor een juiste uitvoering van de wet is voorzien door het ter zake in de Algemene Bijstandswet bepaalde van overeenkomstige toepassing te verklaren.

 

Artikelen 37 tot en met 40 [56--]

     Deze artikelen regelen de financiële verhouding tussen Rijk en gemeenten ten aanzien van de gemeentelijke uitgaven en de rijksvergoeding daarvan in het kader van deze wet. De regeling hiervan is dezelfde als in de Algemene Bijstandswet. In het algemeen gedeelte is dit nader toegelicht. Geschillen omtrent de vergoeding worden door de Kroon beslist.
     Wat betreft de vergoeding van kosten van onderzoek, als bedoeld in artikel 18 [14], tweede lid, geldt dezelfde regeling als in de Rijksgroepsregeling zelfstandigen.

 

Artikelen 41 tot en met 46 [---]

     Ook voor wat betreft de verweermiddelen tegen de beschikking op een aanvraag om een uitkering ingevolge deze wet en de behandeling van bezwaarschriften is aangesloten bij de Algemene Bijstandswet.
     Dit betekent dat zowel tegen de beschikking in eerste aanleg als tegen het langer dan één maand uitblijven daarvan een bezwaarschrift kan worden ingediend bij burgemeester en wethouders.
     Vervolgens kan de betrokkene desgewenst in beroep gaan bij het college van gedeputeerde staten; daarna is hoger beroep mogelijk bij de Kroon.

     Zowel betrokkene zelf als burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot het instellen van Kroon beroep over te gaan.
     Voor de toepassing van deze wet wordt het niet nodig geacht aan een beroep tegen de beslissing van gedeputeerde staten schorsende werking te onthouden. Ook een spoedvoorziening als bedoeld in artikel 45 van de Algemene Bijstandswet is gezien het karakter van deze wet hier niet overgenomen. In beide gevallen speelt hierbij een rol dat de mogelijkheid van een beroep op de Algemene Bijstandswet als laatste voorziening openstaat.

 

Artikel 47 [61]

     In dit artikel wordt strafbaar gesteld degene die opzettelijk in strijd met de feiten een onjuiste opgave doet, dan wel enig gegeven verzwijgt, teneinde daardoor een uitkering of een hogere uitkering op grond van deze wet te verkrijgen of te behouden. Het artikel richt zich niet alleen tot de betrokkene (dit kan zowel de gewezen zelfstandige als de eventuele rblz.|23| echtgenoot zijn), maar ook tot degene die namens hem optreedt, zoals bijvoorbeeld een familielid.
     Evenals dat in de andere socialeverzekeringswetten het geval is, worden ook in deze wet strafbepalingen als in dit hoofdstuk opgenomen onmisbaar geacht. Het in dit artikel strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

 

Artikel 48 [62]

     Deze strafbepaling heeft betrekking op nalatigheid van de betrokkene om op verzoek dan wel uit eigen beweging de voor een juiste toepassing van deze wet vereiste informatie te verstrekken. Het in dit artikel strafbaar gestelde feit is een overtreding.

 

Artikel 49 [63]

     De strafsanctie in dit artikel betreft het niet voldoen van werkgevers aan de hen opgelegde verplichting tot het verschaffen van informatie. Dit is een overtreding.

 

Artikel 50 [-]

     Op grond van dit artikel wordt het recht op een Ioaz-uitkering desgevraagd toegekend aan de gewezen zelfstandigen die de arbeid in het bedrijf of beroep reeds hebben beëindigd en die een tijdelijke uitkering op sociaalminimumniveau hebben ontvangen krachtens een beëindigingsregeling van de Stichting ontwikkeling en sanering midden en kleinbedrijf dan wel die een periodieke uitkering van beperkte omvang ontvangen krachtens een beëindigingsregeling van de Stichting ontwikkelings- en saneringsfonds voor de landbouw.

 

Artikel 51 [-]

     Bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is in behandeling het wetsvoorstel houdende algemene regeling van beslag op loon, sociale uitkeringen en andere periodieke betalingen (Kamerstukken II 1982-1983, 17 897). Niet vaststaat dat dit wetsvoorstel [lees: dat wetsvoorstel, red.] vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet tot wet zal zijn verheven en in werking zal zijn getreden.

     In deze wet is een bepaling opgenomen (artikel 25 [24]) die overeenkomt met de in dat wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen. Het is evenwel niet gewenst dat deze bepaling in werking treedt voordat de overeenkomstige wijziging met betrekking tot het beslag in de andere socialezekerheidswetten in werking treedt. Dit artikel voorkomt dat. Zolang genoemd wetsvoorstel niet in werking is getreden, zal de regeling ingevolge dit artikel gelden.

 

Artikel 54 [64]

     Het is noodzakelijk snel effectief regels te kunnen stellen teneinde een niet-voorziene en onwenselijk geachte wijze van uitvoering te beëindigen.

     Tevens is hierbij van belang een zo groot mogelijke eenheid te kunnen bewerkstelligen indien de uitvoeringspraktijk op onderdelen te veel uiteen zou gaan lopen, en met het oog op de uitvoering van corresponderende onderdelen in de Algemene Bijstandswet. Met de gekozen constructie wordt het gebruik van deze bevoegdheid met een zo groot mogelijke zekerheid omgeven.

rblz.|24| 

Artikel 55 [-]

     De Rvo, die overigens een zeer beperkte betekenis had, kan thans worden ingetrokken nu voor dezelfde doelgroep een voorziening op sociaalminimumniveau is getroffen zonder vermogenstoets. Beslissingen die op grond van de Rvo zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven uiteraard van kracht.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Ioaz | voorstel van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x