|
Kamerstukken II 1987-1988,
20 625
Financiering
van de volksverzekeringen (Wet premieheffing
volksverzekeringen) ¹
1. Redactie:
Tijdens de parlementaire behandeling is de citeertitel van deze wet
vervangen door: Wet financiering
volksverzekeringen. De wet is gepubliceerd in Stb. 1989, 129, en is in werking
getreden met ingang van 1 januari 1990 (Stb. 1989, 123).
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel
van Wet betreffende de financiering van de
volksverzekeringen (Wet
premieheffing volksverzekeringen).
De toelichtende
memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de
gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
's-Gravenhage, 4 juli 1988
BEATRIX
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het
wenselijk is de bepalingen betreffende de premieheffing ingevolge de
volksverzekeringen te herzien naar aanleiding van het rapport van de
commissie tot vereenvoudiging van de loonbelasting en de
inkomstenbelasting en deze bepalingen in een afzonderlijke wet onder te
brengen;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Inleidende
bepalingen
Art.
1 [1].
Voor de toepassing van hetgeen bij of
krachtens deze wet is bepaald, wordt verstaan onder:
a.
volksverzekeringen: de verzekeringen, bedoeld in de
onderdelen b tot en met f;
b. algemene
ouderdomsverzekering: de verzekering, bedoeld in artikel
6 van de Algemene Ouderdomswet
(Stb. 1985, 181);
c. algemene
weduwen- en wezenverzekering: de verzekering, bedoeld in
artikel 7 van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (Stb.
1965, 429);
d. algemene
kinderbijslagverzekering: de verzekering, bedoeld in
artikel 6 van de Algemene Kinderbijslagwet
(Stb. 1980,
1);
e. algemene
verzekering bijzondere ziektekosten: de verzekering,
bedoeld in artikel 5 van de
Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten (Stb. 1967, 655);
f. algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering: de verzekering,
bedoeld in artikel 4 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1987, 90).
Art.
2 [2]. [MvT]
Voor de
toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald, wordt verstaan onder:
a.
vrijwillige verzekeringen: de verzekeringen, bedoeld in
de onderdelen b tot en met d;
b.
vrijwillige algemene ouderdomsverzekering: de
verzekering, bedoeld in artikel 45 van de
Algemene Ouderdomswet;
c.
vrijwillige algemene weduwen- en wezenverzekering: de
verzekering, bedoeld in artikel 47 van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet;
d.
vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering:
de verzekering, bedoeld in artikel 59a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
Art.
3 [3]. [MvT]
Voor de
toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald, wordt verstaan onder verzekerde degene die in
de zin van de volksverzekeringen verplicht verzekerd
is.
Art.
4 [4]. [MvT]
Voor de
toepassing van hetgeen bij of krachtens deze wet is
bepaald, wordt onder Onze Minister verstaan: Onze
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Art.
5 [5]. [MvT]
Overeenkomstig
hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, worden de
lasten van de volksverzekeringen en de vrijwillige
verzekeringen gefinancierd met premie.
HOOFDSTUK
II
De financiering van de verplichte
volksverzekeringen
§
1. Premieplicht
Art.
6 [6]. [MvT]
Premieplichtig
voor de volksverzekeringen is de verzekerde.
§ 2.
Maatstaf
Art.
7 [7]. [MvT]
De maatstaf
voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen
is het premie-inkomen van de premieplichtige.
Art.
8 [8]. [MvT
+ bis]
Voor de
heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij
wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het
belastbare inkomen in de zin van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 (Stb. 1964, 519).
Art.
9 [9]. [MvT
+ bis]
Voor de
heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij
wijze van inhouding wordt onder premie-inkomen verstaan
het zuivere loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964 (Stb. 1964, 521), met uitzondering van het
loon dat in geblokkeerde vorm wordt gespaard ingevolge
een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 34a van
die wet.
§ 3.
Tarief
Art.
10 [10]. [MvT]
-1. De premie
voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op een
percentage van de belastbare som voor de premieheffing.
Het in de vorige volzin bedoelde percentage is het
totaal van de percentages die op grond van artikel 11
[11] worden vastgesteld.
-2. In
afwijking van het eerste lid worden ten aanzien van de
verzekerde die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt,
met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij
die leeftijd bereikt, in het in het eerste lid bedoelde
percentage niet begrepen de premiepercentages voor de
algemene ouderdomsverzekering en de algemene weduwen- en
wezenverzekering.
-3. De
belastbare som voor de premieheffing in geval van
heffing bij wege van aanslag is het premie-inkomen
verminderd met de voor de premieplichtige als
belastingplichtige in aanmerking te nemen belastingvrije som als bedoeld in artikel 53 van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964.
-4. De
belastbare som voor de premieheffing in geval van
heffing bij wijze van inhouding is het premie-inkomen
verminderd met de voor de premieplichtige als werknemer
in aanmerking te nemen belastingvrije som als bedoeld in
artikel 20 van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-5. De
belastbare som voor de premieheffing wordt tot geen
hoger bedrag in aanmerking genomen dan het eerstvermelde
bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 53,
eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964
onderscheidenlijk artikel 20, eerste lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964.
-6. Ingeval
artikel 26b van de Wet
op de loonbelasting 1964 van
toepassing is, wordt de in dat artikel bedoelde
werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van
deze werknemer wordt het in het eerste lid bedoelde
percentage toegepast op het loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964.
Art.
11 [11]. [MvT]
-1. De
Sociale Verzekeringsbank stelt, onder goedkeuring van
Onze Minister, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, het
premiepercentage vast voor de algemene
ouderdomsverzekering, de algemene weduwen- en
wezenverzekering en de algemene
kinderbijslagverzekering.
-2. Bij
ministeriële regeling wordt door Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in overeenstemming
met Onze Minister, gehoord de Ziekenfondsraad, het
percentage voor de algemene verzekering bijzondere
ziektekosten vastgesteld.
-3. Het
bestuur van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds
stelt, onder goedkeuring van Onze Minister, gehoord de
Sociale Verzekeringsraad, het premiepercentage vast
voor de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-4. Indien
Onze Minister zijn goedkeuring als bedoeld in het eerste
en derde lid onthoudt aan een vastgesteld
premiepercentage of aan de periode waarvoor dat
premiepercentage is vastgesteld, stelt hij het
premiepercentage of de periode vast.
Art.
12 [12]. [MvT]
Indien een
wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander
tijdstip dan met ingang van 1 januari, wordt bij
ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze
Minister van Financiën en indien het de premie voor de
algemene verzekering bijzondere ziektekosten betreft
mede in overeenstemming met Onze Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur, een gemiddeld
premiepercentage vastgesteld voor door Onze Minister aan
te wijzen gevallen en tijdvakken.
§ 4.
Heffing
Art.
13 [13]. [MvT]
De
rijksbelastingdienst heft de premie voor de
volksverzekeringen.
Art.
14 [14]. [MvT]
De premie
voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het
bepaalde in artikel 15 [15]
en onder verrekening van
krachtens dat artikel geheven premie, bij wege van
aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de
voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende
regels, met uitzondering van artikel 66a van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964.
Art.
15 [15]. [MvT]
-1. Voor
zoveel de premieplichtige aan de loonbelasting is
onderworpen, wordt de premie voor de volksverzekeringen
bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige
toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting
geldende regels.
-2. Bij
ministeriële regeling kunnen voor daarbij aan te wijzen
gevallen berekeningsvoorschriften worden vastgesteld aan
de hand waarvan uit de in het tweede lid van artikel 25
van de Wet
op de loonbelasting 1964 bedoelde tabellen
het bedrag van de premie voor de volksverzekeringen
wordt afgeleid.
-3. In geval
waarin ¹ artikel 27, tweede lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 van toepassing is, wordt op bij
ministeriële regeling te bepalen wijze aangegeven hoe
uit het in de opgave, bedoeld in artikel 28, eerste lid,
onderdeel e, van die
wet, vermelde gezamenlijke bedrag
van de belasting en de premie voor de volksverzekeringen
het bedrag van de premie voor de volksverzekeringen kan
worden afgeleid.
1. Volgens
de redactie dient "In geval waarin" te
worden vervangen door: Ingeval.
§ 5.
Invordering
Art.
16 [16]. [MvT]
-1. De
rijksbelastingdienst vordert de premie voor de
volksverzekeringen in.
-2. Ten
aanzien van de invordering van de ingevolge deze wet
verschuldigde premie zijn, naargelang artikel 14 [14]
dan
wel artikel 15 [15]
van toepassing is, de regels geldende
voor de invordering van de inkomstenbelasting
onderscheidenlijk de loonbelasting van overeenkomstige
toepassing.
§ 6.
Aanvullende regeling
Art.
17 [17]. [MvT]
Bij
ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met
Onze Minister van Financiën en Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur nadere regels worden
gesteld met betrekking tot hetgeen in de paragrafen 1
tot en met 5 is bepaald.
§
7. Schuldige nalatigheid
Art.
18 [18]. [MvT]
-1. Indien
een premieplichtige nalatig is gebleven over een bepaald
jaar de op aanslag verschuldigde premie voor de
volksverzekeringen te betalen, houdt de
Sociale Verzekeringsbank daarvan aantekening indien zij beslist
dat van een schuldig nalaten sprake is.
-2. In het
geval, bedoeld in het eerste lid, wordt elke betaling
door de premieplichtige op die aanslag achtereenvolgens
toegerekend aan:
a. de premie verschuldigd voor de algemene
kinderbijslagverzekering, de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten en de algemene
weduwen- en wezenverzekering;
b. de premie verschuldigd voor de algemene
ouderdomsverzekering.
-3. Indien in
het geval waarin een aantekening is gesteld de
verzekerde binnen vijf jaren na de kennisgeving van die
aantekening de op de in het eerste lid bedoelde aanslag
verschuldigd gebleven premie voor de volksverzekeringen
geheel of gedeeltelijk betaalt, wordt die betaling
achtereenvolgens toegerekend aan:
a. de
verschuldigd gebleven inkomstenbelasting en de premie
verschuldigd gebleven voor de algemene
kinderbijslagverzekering, de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten en de algemene
weduwen- en wezenverzekering;
b. een
opslag van 5% op de premie verschuldigd gebleven voor
de algemene ouderdomsverzekering;
c. de premie verschuldigd gebleven voor de algemene
ouderdomsverzekering.
-4. In het
geval, bedoeld in het derde lid, wordt, voor zover de
voor de algemene ouderdomsverzekering verschuldigd
gebleven premie alsnog is betaald, de aantekening
doorgehaald. De premieplichtige wordt geacht over het
betrokken tijdvak in zoverre niet schuldig nalatig te
zijn geweest.
-5. Bij
ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het
bepaalde in dit artikel nadere regels worden gesteld.
§ 8.
Gemoedsbezwaren
Art.
19 [19]. [MvT]
-1. Van
verplichtingen welke bij of krachtens dit hoofdstuk zijn
opgelegd, wordt op zijn verzoek ontheven:
a. degene
die gemoedsbezwaren heeft tegen één of meer
volksverzekeringen;
b. de rechtspersoon waarbij natuurlijke personen zijn
betrokken die bezwaren hebben als bedoeld in onderdeel a.
-2. Een
ontheffing wordt verleend door de
Sociale Verzekeringsbank.
Art.
20 [20]. [MvT]
Indien een
ontheffing is verleend in het kader van één of meer
volksverzekeringen, wordt voor geen van de
volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor al
die verzekeringen heffing van premievervangende inkomstenbelasting
of premievervangende loonbelasting plaats, aldus dat:
a. van degene van wie anders premie voor de volksverzekeringen
zou worden geheven bij wege van aanslag,
inkomstenbelasting wordt geheven tot het bedrag van die
premies;
b. van degene van wie anders premie voor de volksverzekeringen
zou zijn geheven bij wijze van inhouding, loonbelasting
wordt ingehouden tot het bedrag van die premie.
Art.
21 [21]. [MvT]
De belasting
die ingevolge artikel 20 [20]
wordt geheven in plaats van
premie voor de volksverzekeringen wordt voor de
toepassing van het bepaalde bij of krachtens dit
hoofdstuk en voor de toepassing van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964, de Wet
op de loonbelasting 1964 en de Wet van 22 mei 1845, Stb. 1926,
334, op de
invordering van 's Rijks directe belastingen beschouwd
als premie voor die verzekeringen.
Art.
22 [22]. [MvT]
Wanneer de
Sociale Verzekeringsbank een ontheffing verleent of
intrekt, doet zij daarvan mededeling aan de inspecteur
der directe belastingen binnen wiens ambtsgebied de
betrokkene woont of is gevestigd.
Art.
23 [23]. [MvT]
Ten laste
van het Rijk komt de premie voor de volksverzekeringen,
voor zover die ingevolge een ontheffing als bedoeld in
artikel 19 [19] niet wordt geheven.
Art.
24 [24]. [MvT]
-1. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld
worden met betrekking tot het bepaalde in deze
paragraaf.
-2. Deze
regels betreffen:
a. de voorwaarden waaronder een ontheffing wordt verleend;
b. de
verdere gevolgen die voor de toepassing van deze wet
aan een ontheffing zijn verbonden;
c. de gevallen waarin een ontheffing wordt ingetrokken; en
d. de gevolgen die voor de toepassing van deze wet aan een
intrekking van een ontheffing zijn verbonden.
HOOFDSTUK
III
De financiering van de vrijwillige verzekeringen
Art.
25 [25]. [MvT]
Degene die
is toegelaten tot de vrijwillige algemene
ouderdomsverzekering, de vrijwillige algemene weduwen-
en wezenverzekering en de vrijwillige algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering is voor die
verzekeringen een premie verschuldigd volgens het door
Onze Minister bij ministeriële regeling te bepalen
tarief.
Art.
26 [26]. [MvT]
-1. De
verschuldigde premie voor:
a. de vrijwillige algemene
ouderdomsverzekering en de vrijwillige algemene weduwen-
en wezenverzekering wordt in rekening gebracht en geïnd
door de
Sociale Verzekeringsbank;
b. de
vrijwillige algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt in rekening gebracht en geïnd door de
bedrijfsvereniging.
-2. Bij
ministeriële regeling kunnen nadere regels worden
gesteld met betrekking tot de vaststelling van de in
rekening te brengen premie en de inning.
Art.
27 [27]. [MvT]
-1. De premie
wordt betaald aan het orgaan dat de in rekening te
brengen premie vaststelt, op de wijze en het tijdstip
door dat orgaan aangegeven.
-2. Een
schuld aan premie voor een vrijwillige verzekering valt
buiten de nalatenschap van degene die tot die
verzekering was toegelaten. De schuld moet worden
betaald door degene die krachtens de betrokken
vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.
-3. Bij
algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels
worden gesteld met betrekking tot de betaling van de
premie voor de vrijwillige algemene
ouderdomsverzekering, de vrijwillige algemene weduwen-
en wezenverzekering en de vrijwillige algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
HOOFDSTUK
IV
De fondsen
Art.
28 [28]. [MvT]
De
Sociale Verzekeringsbank beheert afzonderlijk een
Ouderdomsfonds, een Weduwen- en Wezenfonds en een
Algemeen Kinderbijslagfonds.
Art.
29 [29]. [MvT]
-1. Ten
gunste van het Ouderdomsfonds komen:
a. de
premies voor de algemene ouderdomsverzekering en voor de
vrijwillige ouderdomsverzekering;
b. de
opslag, bedoeld in artikel 18 [18], derde lid, onderdeel b.
-2. Uit het
Ouderdomsfonds worden betaald:
a. de lasten
van de algemene ouderdomsverzekering en van de
vrijwillige algemene ouderdomsverzekering;
b. de lasten
van de regeling vervat in hoofdstuk VIII van de
Algemene Ouderdomswet.
Art.
30 [30]. [MvT]
-1. Ten
gunste van het Weduwen- en Wezenfonds komen de premies
voor de algemene weduwen- en wezenverzekering en voor de
vrijwillige algemene weduwen- en wezenverzekering.
-2. Uit het
Weduwen- en Wezenfonds worden betaald:
a. de lasten
van de algemene weduwen- en wezenverzekering en van de
vrijwillige weduwen- en wezenverzekering;
b. de lasten
van de regeling vervat in hoofdstuk VIII van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet.
Art.
31 [31]. [MvT]
-1. Ten
gunste van het Algemeen Kinderbijslagfonds komt de
premie voor de algemene kinderbijslagverzekering.
-2. Uit
het Algemeen Kinderbijslagfonds worden betaald de lasten
van de algemene kinderbijslagverzekering.
Art.
32 [32]. [MvT]
-1. Wanneer
het Ouderdomsfonds, het Weduwen- en Wezenfonds dan wel
het Algemeen Kinderbijslagfonds tijdelijk niet voldoende
middelen heeft tot dekking van de uitgaven die ten laste
van het fonds komen, verstrekt het Rijk voorschotten
voor de duur van ten hoogste één jaar tegen een rente.
-2. Met
betrekking tot het eerste lid stellen Onze Minister en
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling
nadere regels die betrekking hebben op de ten hoogste
en gemiddeld per kalenderjaar toelaatbare voorschotten,
de termijnen en wijze van aflossing, de rentevoet en de
door het fonds te verstrekken inlichtingen.
-3. Het
eerste lid vindt geen toepassing zolang een fonds over
voldoende middelen kan beschikken door middel van
leningen bij één of meer van de overige centrale
socialeverzekeringsfondsen dan wel door middel van andere
leningen.
-4. Met
betrekking tot het derde lid stellen Onze Minister en
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling
nadere regels met betrekking tot de door het fonds te
verstrekken inlichtingen.
Art.
33 [33]. [MvT]
-1. De
administratiekosten van de
Sociale Verzekeringsbank worden verdeeld over de fondsen, genoemd in artikel
28 [28],
het Ouderdomsfonds B en het lnvaliditeits- en
Ouderdomsfonds, bedoeld in artikel 5 van de Wet op de
Sociale Verzekeringsbank (Stb. 1968, 158).
-2. Bij
ministeriële regeling worden regels gesteld met
betrekking tot de verdeling, bedoeld in het eerste lid.
Art.
34 [34]. [MvT]
Het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds beheert een gelijknamig
fonds.
Art.
35 [35]. [MvT]
-1. Ten
gunste van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds
komen:
a. de
premies voor de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering en voor de vrijwillige
algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de bedragen verhaald op grond van artikel 57, zesde lid,
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
c. de op
grond van artikel 41a van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet door de bedrijfsverenigingen
op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingehouden
bedragen;
d. de
geldelijke bijdrage, bedoeld in artikel 5, eerste lid,
van de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Stb. 1986,
300).
-2. Uit het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds worden betaald:
a. de lasten
van de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering en van
de vrijwillige algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de lasten
van de regeling vervat in hoofdstuk X van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
c. de
toelagen ingevolge artikel 69 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet;
d. de
uitkeringen aan lichamen, bedoeld in artikel 8, derde
lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
-3. Uit
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds worden middelen
gebruikt voor het vormen en in stand houden van een
reserve. Bij ministeriële regeling kunnen, gehoord de
Sociale Verzekeringsraad, met betrekking tot de vorige
volzin nadere regels worden gesteld.
Art.
36 [36]. [MvT]
-1. Wanneer
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds tijdelijk niet
voldoende middelen heeft tot dekking van de uitgaven
die op grond van artikel 35 [35], tweede lid, ten laste van
het fonds komen, verstrekt het Rijk voorschotten voor de
duur van ten hoogste een jaar tegen een rente.
-2. Met
betrekking tot het eerste lid stellen Onze Minister en
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling
nadere regels die betrekking hebben op de ten hoogste
en gemiddeld per kalenderjaar toelaatbare voorschotten,
de termijnen en wijze van aflossing, de rentevoet en de
door het fonds te verstrekken inlichtingen.
-3. Het
eerste lid vindt geen toepassing zolang het fonds over
voldoende middelen kan beschikken door middel van
leningen bij één of meer van de overige centrale
socialeverzekeringsfondsen dan wel door middel van andere
leningen.
-4. Met
betrekking tot het derde lid stellen Onze Minister en
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling
nadere regels met betrekking tot de door het fonds te
verstrekken inlichtingen.
Art.
37 [37]. [MvT]
De Sociale
Verzekeringsraad kan nadere regels stellen met
betrekking tot:
a. het door
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds aan de
bedrijfsverenigingen en de Gemeenschappelijke Medische
Dienst ter beschikking stellen van de gelden welke zij
nodig hebben voor de uitvoering van de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering;
b. de
berekening van de door de bedrijfsverenigingen ten laste
van het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en de
Gemeenschappelijke Medische Dienst te brengen
administratiekosten.
Art.
38 [38]. [MvT]
De
Ziekenfondsraad beheert afzonderlijk een Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten.
Art.
39 [39]. [MvT]
-1. Ten
gunste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten
komen:
a. de premie
voor de algemene verzekering bijzondere ziektekosten;
b. de inkomsten die in verband met de algemene verzekering
bijzondere ziektekosten voortvloeien uit internationale
overeenkomsten;
c. de
bijdragen in de kosten van verstrekkingen welke op grond
van artikel 6, tweede lid, van de
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, dan wel in voorkomend geval op grond van
artikel 6, vierde lid, in verbinding met het tweede lid,
van die wet worden betaald door of namens de verzekerde,
dan wel, in voorkomend geval, door het ingevolge een
wettelijke regeling tot betaling van zodanige bijdragen
bevoegde orgaan dat uitkeringen of pensioenen uit hoofde
van die regeling aan die verzekerde betaalbaar stelt.
-2. Bij
ministeriële regeling kan het Rijk een bijdrage leveren
aan het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten tot een
nader te bepalen bedrag.
-3. Uit het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten worden betaald:
a. de kosten
van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten;
b. de
uitgaven voor deze verzekering voortvloeiende uit
overeenkomsten, waaronder begrepen internationale
overeenkomsten;
c. de
uitgaven die in verband met die verzekering voortvloeien
uit enige andere wettelijke regeling dan de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
d. bijdragen
aan Onze Minister van Justitie in verband met diens
financiële verantwoordelijkheid bedoeld in artikel
6,
vierde lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten;
e. bijdragen
aan Onze Minister van Defensie indien artikel
7, tweede
lid, van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten toepassing heeft gevonden;
f. een
bijdrage aan het Praeventiefonds, bedoeld in artikel 2
van de Wet op het Praeventiefonds (Stb. K 259), zoals
door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur bij ministeriële regeling te bepalen;
g. uitgaven
ter bevordering van wetenschappelijke onderzoekingen en
publikaties welke naar het oordeel van de
Ziekenfondsraad voor de in de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten geregelde voorzieningen van belang zijn en
passen in het door Onze Minister van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur te voeren onderzoekbeleid,
met dien verstande dat de totale uitgaven voor dit doel
niet hoger mogen zijn dan een jaarlijks door de
Ziekenfondsraad te bepalen en in zijn begroting op te
nemen bedrag;
h. de
uitgaven voor andere door de Ziekenfondsraad aan te
geven doeleinden verband houdende met de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten of met de
volksgezondheid in het algemeen.
-4. Uitgaven
ingevolge het derde lid, onderdeel g en h, behoeven bij
ministeriële regeling de goedkeuring van Onze Minister
van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.
-5. Onze
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur kan
jaarlijks bepalen dat door hem aangewezen onderzoeken
worden verricht. De kosten van deze onderzoeken, mits
aan de door Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur daarvoor gestelde voorwaarden is voldaan,
komen ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten. Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur bepaalt jaarlijks, gehoord de
Ziekenfondsraad, het totale bedrag dat aan de kosten
verbonden aan de in dit lid bedoelde onderzoeken ten
hoogste mag worden besteed.
-6. Uit het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten kunnen middelen
worden gebruikt voor het vormen en in stand houden van
een reserve. Bij ministeriële regeling kunnen door Onze
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, in
overeenstemming met Onze Minister, met betrekking tot de
vorige volzin nadere regels worden gesteld.
Art.
40 [40]. [MvT]
-1. De
Ziekenfondsraad doet jaarlijks uitkeringen uit het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten ter dekking van
de voor de uitvoering van de in deze wet geregelde
verzekering gemaakte kosten, volgens bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur te stellen regelen.
-2. De
Ziekenfondsraad doet jaarlijks uit het Algemeen Fonds
Bijzondere Ziektekosten uitkeringen aan de instelling of
instellingen, bedoeld in artikel
16, eerste lid van de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten, ter dekking van de
door hem of hen gemaakte beheerskosten, volgens bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen
regelen.
-3. De
Ziekenfondsraad laat bij de vaststelling van de
uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, de uitgaven
welke de Raad niet verantwoord acht buiten beschouwing.
-4. Op de
uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, kunnen
voorschotten worden verleend overeenkomstig door de
Ziekenfondsraad te stellen regels.
-5. De in het
eerste lid bedoelde regelen zijn gelijk voor
ziekenfondsen, ziektekostenverzekeraars en uitvoerende
organen, zowel voor wat betreft de kosten van de
verstrekkingen ingevolge de Algemene Wet
Bijzondere Ziektekosten als voor wat betreft de beheerskosten.
Art.
41 [41]. [MvT]
-1. Wanneer
het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten tijdelijk
niet voldoende middelen heeft tot dekking van de
uitgaven die op grond van artikel 39 [39], derde lid, ten
laste van het fonds komen, verstrekt het Rijk
voorschotten voor de duur van ten hoogste één jaar tegen
een rente.
-2. Met
betrekking tot het eerste lid stellen Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onze Minister en
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling
nadere regels die betrekking hebben op de ten hoogste
en gemiddeld per kalenderjaar toelaatbare voorschotten,
de termijnen en wijze van aflossing, de rentevoet en de
door het fonds te verstrekken inlichtingen.
-3. Het
eerste lid vindt geen toepassing zolang het fonds over
voldoende middelen kan beschikken door middel van
leningen bij één of meer van de overige centrale
socialeverzekeringsfondsen dan wel door middel van andere
leningen.
-4. Met
betrekking tot het derde lid stellen Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Onze Minister en
Onze Minister van Financiën bij ministeriële regeling
nadere regels met betrekking tot de door het fonds te
verstrekken inlichtingen.
Art.
42 [42]. [MvT
+ bis]
Bij
ministeriële regeling wordt door Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur jaarlijks bepaald
op welke wijze en in hoeverre de administratiekosten van
de Ziekenfondsraad ten laste worden gebracht van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
Art.
43 [43]. [MvT]
De
invorderingsrente en de heffingsrente op grond van de
Wet van 22 mei 1845 ¹ op de invordering van 's Rijks
directe belastingen onderscheidenlijk op grond van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen (Stb. 1959, 301)
komen ten laste en ten gunste van de fondsen, waarin de
premie moet worden gestort.
1. Volgens
de redactie dient "Wet van 22 mei 1845"
te worden vervangen door: Wet van 22 mei 1845, Stb. 1926,
334.
Art.
44 [44]. [MvT
+ bis]
-1. Door Onze
Minister, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur en Onze Minister van Financiën kunnen bij
ministeriële regeling regels gesteld worden met
betrekking tot de berekening van de kosten door de
rijksbelastingdienst gemaakt in verband met de
uitvoering van deze wet en met betrekking tot de
verdeling van die kosten over de betrokken fondsen.
-2. Door Onze
Minister, Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur en Onze Minister van Financiën kunnen bij
ministeriële regeling regels gesteld worden met
betrekking tot de afdracht van de premie voor de
volksverzekeringen door de rijksbelastingdienst aan de
betrokken fondsen.
Art.
45 [45]. [MvT]
-1. Bij
ministeriële regeling worden, gehoord de Sociale
Verzekeringsraad, voorschriften vastgesteld met
betrekking tot de belegging van de gelden van het
Ouderdomsfonds, het Weduwen- en Wezenfonds, het Algemeen
Kinderbijslagfonds en het Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds.
-2. Door Onze
Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur worden
bij ministeriële regeling voorschriften vastgesteld met
betrekking tot de belegging van de gelden van het
Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.
HOOFDSTUK
V
Voorschriften
van procedurele aard, rechtsmiddelen en strafbepalingen
§
1. Voorschriften van procedurele aard
Art.
46 [46]. [MvT]
Degene die
is toegelaten tot de vrijwillige verzekering, bedoeld in
hoofdstuk III van deze wet, is verplicht aan de
Sociale Verzekeringsbank of de bedrijfsvereniging onverwijld uit
eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed zijn op de hoogte van de
verschuldigde premie.
Art.
47 [47]. [MvT]
De organen
die fondsen beheren, de organen betrokken bij de
uitvoering van de algemene verzekering bijzondere
ziektekosten, de belastingdienst, het Centraal
Planbureau en het Centraal bureau voor de
statistiek
zijn verplicht desgevraagd aan elkaar, aan de Sociale
Verzekeringsraad, aan de Ziekenfondsraad en aan Onze
Minister, Onze Minister van Financiën en
Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet.
§
2. Rechtsmiddelen
Art.
48 [48]. [MvT]
-1. Aan de
belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een
beslissing met betrekking tot het stellen van een
aantekening ingevolge artikel 18 [18], dan wel het doorhalen
van zodanige aantekening.
-2. Die
kennisgeving is gedagtekend en vermeldt:
- de mate
waarin de verschuldigde premie niet is betaald;
- de opslag,
bedoeld in artikel 18 [18], derde lid, onderdeel b;
- de gronden
waarop de beslissing berust;
- de naam en
het adres van het college waarbij beroep kan worden
ingesteld;
- de termijn
waarbinnen beroep kan worden ingesteld.
-3. Tegen een
beslissing als bedoeld in het eerste lid staat voor de
belanghebbende beroep open.
-4. Over het
beroep, bedoeld in het derde lid, wordt geoordeeld door
de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep,
bedoeld in de Beroepswet
(Stb. 1955, 47).
Art.
49 [49]. [MvT]
-1. Aan de
belanghebbende wordt schriftelijk kennis gegeven van een
beslissing met betrekking tot de ontheffing alsmede de
intrekking van een ontheffing ingevolge artikel 19
[19] onderscheidenlijk artikel 24
[24].
-2. Die
kennisgeving is gedagtekend en vermeldt:
- de gronden
waarop de beslissing berust;
- de naam en het adres van
het college waarbij beroep kan worden ingesteld;
- de termijn
waarbinnen beroep kan worden ingesteld.
-3. Tegen een
beslissing als bedoeld in het eerste lid staat voor de
belanghebbende beroep open.
-4. Over het beroep, bedoeld
in het derde lid, wordt geoordeeld door de raden van
beroep en de Centrale Raad van Beroep,
bedoeld in de Beroepswet.
Art.
50 [50]. [MvT]
-1. Aan de
belanghebbende wordt desverlangd schriftelijk kennis
gegeven van een beslissing ingevolge deze wet welke
betrekking heeft op de vaststelling van de premie te
betalen voor een vrijwillige verzekering.
-2. Die
kennisgeving is gedagtekend en vermeldt:
- de
verschuldigde premie;
- de gronden
waarop de beslissing berust;
- de naam en
het adres van het college waarbij beroep kan worden
ingesteld; en
- de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld.
-3. Tegen een
beslissing als bedoeld in het tweede lid staat voor de
belanghebbende beroep open.
-4. Over het
beroep, bedoeld in het derde lid, wordt geoordeeld door
de raden van beroep en de Centrale Raad van
Beroep,
bedoeld in de Beroepswet.
Art.
51 [51].
Van een
besluit van de Ziekenfondsraad ingevolge artikel 40
[40] staat voor het belanghebbende orgaan binnen
één maand na
de dagtekening van de schriftelijke kennisgeving van dat
besluit bij Ons beroep open.
§
3. Strafbepalingen
Art.
52 [52]. [MvT]
-1. Hij die
niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel
46 [46], wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes
maanden of een geldboete van de derde categorie.
-2. Het in
het eerste lid bedoelde strafbare feit wordt als een
overtreding beschouwd.
-3. De
artikelen 63, 64, 66,
67, 68 en
69 van de Algemene Ouderdomswet
zijn van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK
VI
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
53 [53]. [MvT]
-1. Indien en
zolang een werkgever ingevolge de Wet van 29 september
1986 ter bevordering van de werkgelegenheid voor
werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn (Stb.
1986, 483) ten aanzien van een verzekerde is vrijgesteld
van de verplichting tot het betalen van premies
ingevolge de Ziekenfondswet
(Stb. 1986, 347) en de
Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) voor wat betreft het
deel van de premie dat ten gunste komt van het Algemeen
Werkloosheidsfonds, wordt ten aanzien van die
verzekerde, met betrekking tot het van die werkgever
genoten loon, in het in het eerste lid van artikel 10
[10] bedoelde percentage niet begrepen de premiepercentages
voor de algemene kinderbijslagverzekering, de algemene
verzekering bijzondere ziektekosten en de algemene
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
-2. Voor de premie die bij wege van aanslag wordt
geheven, wordt het eerste lid toegepast door de aldaar
bedoelde premiepercentages niet in het in het eerste lid
van artikel 10 [10]
bedoelde percentage te begrijpen voor het
deel:
L
I
waarbij:
L voorstelt: het zuivere bedrag van het in het
premie-inkomen begrepen loon dat is genoten van de in
het eerste lid bedoelde werkgever gedurende de tijd dat
deze is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen
van werkgeverspremies tot ten hoogste het beloop van I;
en
I voorstelt: de belastbare som voor de premieheffing
vermeerderd met de in aanmerking te nemen belastingvrije
som.
Dit deel wordt voor de premiepercentages gezamenlijk
afgerond op honderdsten naar boven.
Art.
54 [55].
Deze wet
treedt in werking op dezelfde dag waarop het bij
koninklijke boodschap ingediende voorstel van Wet
vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en
inkomstenbelasting in werking treedt.
Art.
55 [56].
Deze wet kan
worden aangehaald onder de titel: Wet premieheffing
volksverzekeringen.
Lasten en
bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren
wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
De
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
De
Staatssecretaris van Financiën,
|