St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  FINANCIERING  VOLKSVERZEKERINGEN

 

  
 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1987-1988, 20 625

Financiering van de volksverzekeringen (Wet premieheffing volksverzekeringen)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Inleiding
2 Hoofdlijnen van de voorstellen van de commissie-Oort met betrekking tot de premieheffing volksverzekeringen
2.1 Uniformering van de grondslag van belasting- en premieheffing
2.2 Gevolgen van de uniformering van de grondslag voor het karakter van de premieheffing
2.3 Kabinetsstandpunt van 23 december 1986
3 Uitgebrachte adviezen
3.1 Het SER-advies
3.2 Het advies van de Emancipatieraad (ER)
3.3 Advies van de Ziekenfondsraad
4 Reactie van het kabinet op de uitgebrachte adviezen
4.1 Verzekeringsgedachte en solidariteit van de volksverzekeringen
4.2 Zeggenschap en financiering
4.3 Gelijke behandeling van mannen en vrouwen/Derde EG-richtlijn
4.4 Vrijstelling AKW-premie
4.5 Afzonderlijke voorstellen
4.6 Advies van de Ziekenfondsraad
5 Nadere uitwerking
5.1 Het wetsvoorstel in hoofdlijnen
5.2 Schuldige nalatigheid
5.3 Vrijwillige premiebetaling
5.4 Regeling gemoedsbezwaarden
6 Dereguleringsaspecten
7 Gevolgen voor de positie van vrouwen
xArtikelsgewijs
xxx Artikelen 2 t/m 53
 

 

 

[Algemeen, red.]

 

1. Inleiding


    
Het belang van een eenvoudige en doorzichtige belasting- en premieheffing wordt alom erkend.
     Sinds een reeks van jaren is er sprake van een toenemende complexiteit van regelgeving met betrekking tot de belastingheffing en de premieheffing. Tegelijkertijd is de kritiek op de toegenomen ingewikkeldheid en ondoorzichtigheid van de wetgeving toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat in september 1985 de Commissie tot vereenvoudiging van de loon- en inkomstenbelasting, verder te noemen de commissie-Oort, werd ingesteld. Deze had tot taak om vereenvoudigingsvoorstellen met betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting te doen; daarbij diende zij mede de mogelijkheden te onderzoeken van een integratie van de heffing van de premies voor de volksverzekeringen en die van de loonbelasting en de inkomstenbelasting. In mei 1986 heeft de commissie-Oort haar rapport, getiteld Zicht op eenvoud, aangeboden.
     Kernpunt in het rapport van de commissie-Oort is het voorstel om te komen tot een gecombineerde heffing van belastingen en premies volksverzekeringen over een lang inkomenstraject, gekoppeld aan een vereenvoudiging van de horizontale tariefstructuur.
     Als uitvloeisel van het Regeerakkoord heeft het kabinet onmiddellijk na zijn aantreden de nadere uitwerking van de voorstellen met kracht ter hand genomen. Dit heeft geresulteerd in de formulering van het kabinetsstandpunt dat op 23 december 1986 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 1986-1987, 19 567, nrs. 4-5). Tegelijkertijd is met betrekking tot een aantal onderdelen van de voorstellen advies gevraagd aan de Sociaal-Economische Raad (SER), de Stichting van de Arbeid en de Emancipatieraad. Het kabinet stelde zich daarbij op het standpunt dat het wenselijk is om de voorstellen in hoofdlijnen uit te voeren.
     Wat betreft de premieheffing volksverzekeringen heeft het kabinet daarbij geconstateerd dat in verband met deze voorstellen de wetgeving in belangrijke mate moet worden herzien. Daarbij is het voornemen kenbaar gemaakt om van deze gelegenheid gebruik te maken om de nu over de onderscheiden volksverzekeringswetten verdeelde wetgeving vast te leggen in een nieuwe Wet premieheffing volksverzekeringen. Aangekondigd is dat daarbij gebruikgemaakt zal worden van het wetsontwerp Financieringswet Sociale Zekerheid, dat destijds door de Staatscommissie
rblz.|2| vereenvoudiging en codificatie van de socialezekerheidswetgeving (commissie-Veldkamp) is opgesteld.
     De hierboven genoemde adviesorganen hebben alle hun adviezen vastgesteld. In dit wetsvoorstel worden de uitgebrachte adviezen besproken voor zover zij betrekking hebben op de premieheffing volksverzekeringen.
     De opbouw van deze memorie van toelichting is als volgt: in hoofdstuk 2 worden de voorstellen van de commissie-Oort, voor zover deze betrekking hebben op de premieheffing volksverzekeringen, besproken.
     Hoofdstuk 3 bevat een bespreking van de uitgebrachte adviezen.
     In hoofdstuk 4 wordt de zienswijze van het kabinet op de uitgebrachte adviezen besproken, voor zover deze betrekking hebben op de premieheffing volksverzekeringen. In hoofdstuk 5 staat de technische uitwerking van dit wetsvoorstel in hoofdlijnen.
     In de hoofdstukken 6 en 7 wordt ingegaan op de dereguleringsaspecten respectievelijk op de specifieke gevolgen voor vrouwen.
     Op deze plaats zou het kabinet nog op het volgende willen wijzen. Het kabinet is voornemens met ingang van 1 januari 1989 de uitgaven op grond van de AKW uit de algemene middelen te financieren. Hiervoor is op 17 juni 1988 advies gevraagd aan de SER. Deze voorgenomen wijziging zal de nodige aanpassingen tot gevolg hebben in het onderhavige wetsvoorstel. Bij het te zijner tijd in te dienen wetsvoorstel zal dit wetsvoorstel in verband daarmee worden aangepast.
     Voorts zij op deze plaats nog gewezen op het volgende. De voorstellen van het kabinet met betrekking tot het tarief behorend bij het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting zullen plaatsvinden in een apart voorstel voor een Wet inwerkingtreding voorstellen commissie-Oort. Het is de bedoeling om in dat wetsvoorstel ook de financiële aspecten met betrekking tot de invoeringsvoorstellen te behandelen. Dit betekent dat pas op het moment van de indiening van laatstgenoemd wetsvoorstel de financiële gevolgen op basis van actuele gegevens zullen worden gepresenteerd. Het is de bedoeling om op het moment dat het wetsvoorstel Inwerkingtreding voorstellen commissie-Oort wordt ingediend aan het parlement een financiële paragraaf betreffende het onderhavige wetsvoorstel te doen toekomen.

 

2. Hoofdlijnen van de voorstellen van de commissie-Oort met betrekking tot de premieheffing volksverzekeringen


     Zoals in de inleiding reeds is aangegeven, bestaat de kern van de voorstellen van de commissie-Oort uit de heffing van belasting en premies volksverzekeringen over een lang inkomenstraject op grond van een gecombineerd tarief. Tegelijkertijd worden de premies volksverzekeringen, die nu nog voor rekening van de werkgevers komen, ten laste van de werknemers gebracht. Ter compensatie wordt aan de werknemers een tijdelijke overhevelingstoeslag toegekend. De nadere uitwerking van deze overhevelingstoeslag is geregeld in het wetsvoorstel onderhevelingstoeslag opslagpremies. In het kader van het onderhavige wetsvoorstel wordt op deze zogenaamde overhevelingsoperatie niet nader ingegaan. Hieronder worden de diverse aspecten van de voorstellen met betrekking tot de premieheffing volksverzekeringen nader uitgewerkt.

 

2.1. Uniformering van de grondslag van belasting- en premieheffing


     Op dit moment geschiedt de heffing van de AOW/AWW-premie met het zogenaamde premie-inkomen als maatstaf. Dit inkomen is, indien de rblz.|3| premieheffing bij wege van aanslag geschiedt, het belastbaar inkomen, vermeerderd met de als persoonlijke verplichting in aanmerking genomen premies AOW/AWW en verminderd met de ontvangen AOW/AWW-uitkeringen.
     Wat betreft de premies voor de AAW, de AKW en de AWBZ, de zogenaamde opslagpremies, is de maatstaf voor de heffing op dit moment de op aanslag of bij wijze van inhouding verschuldigde premies AOW/AWW.
     In de nieuwe opzet worden volgens de voorstellen van de commissie-Oort de belasting en alle premies volksverzekeringen over dezelfde grondslag geheven. Omdat de aftrekbaarheid van de premies volksverzekeringen vervalt, wordt het belastbaar inkomen gelijk aan het premie-inkomen. Tevens worden de ontvangen AOW/AWW-uitkeringen in de heffing betrokken.
     Zoals de commissie in haar rapport aangeeft, is de uniformering van de maatstaf als een niet onbelangrijke vereenvoudiging te beschouwen. Daarnaast maakt de uniformering van de maatstaf het mogelijk om te komen tot combinering van de heffingen voor de belasting en de premies volksverzekeringen over een zelfde grondslag over een lang traject.
     De commissie stelt voor om de heffing van de premies volksverzekeringen, gecombineerd met de heffing van de loon- of inkomstenbelasting, in de eerste tariefschijf van de door de commissie voorgestelde tarieflijn te doen plaatsvinden. In de visie van de commissie zou in het kader van de uniformering van de grondslag uitbreiding van de premieheffing tot alle leeftijdscategorieën moeten plaatsvinden. De lange eerste schijf leidt ertoe dat voor het merendeel van de heffingsplichtigen (88%, op basis van cijfers van 1985) een proportioneel tarief bij de gecombineerde heffing van de belastingen en premies volksverzekeringen resulteert.
     In vergelijking met de bestaande situatie is er sprake van een aanzienlijke wijziging van de heffingsgrondslag.
     Het voorstel impliceert tevens dat de heffingvrije som aan de voet, de basisaftrek, ook voor de premieheffing volksverzekeringen van toepassing wordt.
     Tegelijkertijd heeft de commissie voorstellen gedaan om de horizontale tariefstructuur te vereenvoudigen.

 

2.2. Gevolgen van de uniformering van de grondslag voor het karakter van  de premieheffing


     Ook bij de gecombineerde heffing van premies volksverzekeringen en belastingen blijven de premies in de voorstellen van de commissie herkenbaar. Het aanslagbiljet vermeldt het belasting- en premiedeel afzonderlijk.
     De premiebetaling blijft gekoppeld aan de verzekeringsplicht.
     Daarnaast blijven in de voorstellen van de commissie de bestuurlijke kaders met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de fondsbesturen, van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) intact. Het premiedeel in de eerste schijf is de som van de premies welke voor de vijf afzonderlijke volksverzekeringen jaarlijks worden vastgesteld en zal van jaar tot jaar kunnen verschillen.
     Het combineren van de heffing van de premies volksverzekeringen en de loon- en de inkomstenbelasting leidt er, zoals hiervoor reeds is aangegeven, in de visie van de commissie toe dat ook personen jonger dan 15 jaar en van 65 jaar of ouder in beginsel in de premieheffing worden betrokken. Voor personen van 65 jaar of ouder heeft de commissie een korting op de premie voor de volksverzekeringen voorgesteld ter grootte van de verschuldigde AOW/AWW-premie. Indien zij volledig in de heffing zouden worden betrokken, zouden sterk negatieve inkomenseffecten resulteren.

rblz.|4| 

2.3. Kabinetsstandpunt van 23 december 1986


     In het standpunt van het kabinet van 23 december 1986 is mede uitvoerig aandacht besteed aan de consequenties van de voorstellen van de commissie op het terrein van de premieheffing volksverzekeringen. Ten aanzien van de uniformering van het heffingsinkomen en de grondslag en de invoering van een gecombineerd tarief over een lange eerste schijf, welke als de kern van de vereenvoudigingsoperatie is te beschouwen, heeft het kabinet zich achter de voorstellen van de commissie gesteld. Een belangrijke overweging van het kabinet daarbij is geweest dat het karakter van de premieheffing voor de volksverzekeringen ongewijzigd kan blijven.
     Het kabinet, constaterende dat de premieheffing tot alle leeftijdscategorieën wordt uitgebreid, heeft zich op het standpunt gesteld dat de consequentie van dit voorstel dient te zijn dat ook de verzekeringsplicht voor elk van de vijf volksverzekeringen in die zin dient te worden geüniformeerd dat deze aanvangt bij de geboorte en door blijft lopen tot na het bereiken van de 65-jarige leeftijd zonder dat daaraan een uitbreiding van de in die verzekeringen geregelde prestaties tegenoverstaat. Consequentie van deze keuze is dat ook premie verschuldigd is indien het verzekerde risico is ingetreden.
     Het kabinet heeft advies gevraagd over het voorstel van de commissie, over het kabinetsstandpunt alsmede over een aantal specifieke aspecten (bijvoorbeeld de invorderingsvrijstellings- en reductieregeling, toets van de voorstellen aan de Derde Europese richtlijn [lees:
Derde EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen, red.], afschaffing premievrijstelling van ongehuwde vrouwen van 45 jaar of ouder voor de AKW).

 

3. Uitgebrachte adviezen


     De adviesorganen hebben in de loop van 1987 hun adviezen uitgebracht. In deze memorie wordt hierop ingegaan voor zover deze betrekking hebben op de premieheffing voor de volksverzekeringen.

 

3.1. Het SER-advies


     De SER heeft op 16 oktober 1987 zijn advies vastgesteld. In de discussie heeft centraal gestaan de keus voor een beleidsalternatief voor de bruteringsoperatie. De belangrijkste alternatieven die daarbij een rol hebben gespeeld, zijn het zogenaamde alternatief B en het alternatief-Kombrink. In het alternatief B wordt de uniformering van de heffingsgrondslag beperkt tot de belasting- en de premieheffing AOW/AWW. De gecombineerde heffing zou alleen gelden voor de AOW/AWW. Voor de opslagpremies zou het bestaande inkomenstraject blijven bestaan.
     Het alternatief-Kombrink houdt in dat in plaats van een brutering van de lonen compensatie van de overheveling plaats zal vinden door middel van een overhevelingstoeslag; in dit alternatief blijft de door de commissie-Oort voorgestelde uniformering van de belasting- en premieheffing gehandhaafd.
     In hoofdstuk 2 van het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting worden de alternatieven en de keuze van het kabinet voor het alternatief-Kombrink nader besproken.


3.1.1. Verzekeringsgedachte en solidariteit in de volksverzekeringen

     De SER brengt in herinnering dat bij de invulling van de volksverzekeringen niet is aangesloten bij de klassieke verzekeringsgedachte, welke uitgaat van causaliteit en equivalentie tussen premiebetaling en uitkeringskans en tussen premiebedrag en uitkeringsbedrag. Door de procentuele premieheffing over het inkomen wordt op grond van draagkrachtverschillen rblz.|5| tot op zekere hoogte uitdrukking gegeven aan de solidariteit tussen hoger en lager betaalden. Door middel van de premie-inkomensgrens wordt een grens gesteld aan de solidariteit van hogere inkomens met lagere inkomens. De voorstellen van de commissie leiden tot een wijziging van de financieringsbasis van de volksverzekeringen.
     De uitbreiding van de kring van verzekerden en daaraan gekoppeld de uitbreiding van de premieplicht acht de SER verdedigbaar op basis van het in de volksverzekering dominerende solidariteitsbeginsel. Deze elementen zijn als een verbreding van de solidariteit te beschouwen. Voorts acht de SER het acceptabel dat AOW- en AWW-uitkeringen in de premieheffing worden betrokken.
     De SER wijst er in dat verband op dat ook in de loondervingsverzekeringen voor werknemers sinds 1 januari 1987 premies geheven worden wanneer het verzekerde risico is ingetreden.
     In de visie van de SER past ook het voorstel tot afschaffing van de vrijstelling AKW-premie voor ongehuwde vrouwen van 45 jaar of ouder.
     Ten aanzien van het inkomenstraject waarover de premie verschuldigd zal zijn, merkt de SER op dat er enerzijds sprake is van een vergroting van de solidariteit (als gevolg van de invoering van de premievrije som en van het vervallen van de leeftijdsgrenzen voor de premieplicht), anderzijds van een verkleining van de solidariteit (als gevolg van de verlaging van de maximumgrens waarover de premies verschuldigd zullen zijn).
     De SER trekt hieruit de conclusie dat de vraag of er op dit punt van een vergroting of van een verkleining van de solidariteit sprake is, niet eenduidig is te beantwoorden.
     Ten aanzien van de keus van het kabinet om voor de aanpassingen van de basisaftrek en de tariefschijven (en derhalve ook de premie-inkomensgrens) te kiezen voor de inflatiecorrectie stelt de SER dat hier sprake is van een verkleining van de solidariteit in het geval de inkomens meer stijgen dan de prijzen.


3.1.2. Zeggenschap en financiering

     In de voorstellen van de commissie-Oort is er sprake van het combineren van de heffing van belastingen en premies. De vraag moet, aldus de SER, beantwoord worden of de introductie van een gecombineerd tarief leidt tot een uitholling van de bevoegdheden van de besturen van de sociale fondsen en zo tot een aantasting van het verzekeringskarakter van de volksverzekeringen. De SER maakt daarbij onderscheid tussen de premievaststelling enerzijds en de vaststelling van het inkomenstraject waarover de premie wordt geheven anderzijds.
     Ten aanzien van de premievaststelling merkt de SER op dat de verantwoordelijkheid van de besturen van de sociale fondsen in juridisch opzicht geen wijziging ondergaat. De fondsbesturen blijven op dezelfde wijze de premies vaststellen.
     Van belang is evenwel op welke wijze mutaties in het premiedeel doorwerken in het inkomenstraject waarover de premies voor de volksverzekeringen worden geheven, de eerste tariefschijf. Indien mutaties in het premiedeel leiden tot een wijziging van het tariefpercentage van de eerste schijf, is een zelfstandige besluitvorming over de premieheffing mogelijk. Indien mutaties in het premiedeel geheel of gedeeltelijk hun doorwerking zouden vinden naar het belastingdeel in de eerste schijf, dan impliceert dit dat belastingen en premies als uitwisselbare grootheden zouden worden beschouwd. Er zou, aldus de SER, in dat geval van een volledige integratie van belastingen en premies sprake zijn.
     Wat betreft de vaststelling van het inkomenstraject stelt de SER dat als gevolg van het combineren van de heffingen niet aan de volksverzekeringen ontleende overwegingen een grotere rol zullen kunnen spelen. Aanpassingen van het traject kunnen immers door andere (bijvoorbeeld budgettaire of inkomenspolitieke) overwegingen zijn ingegeven. De Raad is van mening
rblz.|6| dat structurele wijzigingen van de premie-inkomensgrens wat de uitvoeringstechnische aspecten betreft aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr) en wat de sociaal-economische aspecten betreft aan de SER ter advisering dienen te worden voorgelegd.


3.1.3. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Derde EG-richtlijn

     De SER buigt zich voorts over de vraag van het kabinet of de voorstellen van de commissie met betrekking tot de overheveling van de basisaftrek op grond van de Derde EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid tot indirecte discriminatie leiden.
     De SER stelt vast dat bij toetsing van de overheveling het begrip indirecte discriminatie nog steeds moeilijk hanteerbaar is. Dit geldt in het bijzonder voor de premieheffing. De Raad is van oordeel dat de mate van profijt van de overdracht van de basisaftrek een te beperkt criterium is om een vermoeden van indirecte discriminatie uit te kunnen spreken.
     Bij de beoordeling dient de overdracht te worden bezien binnen het kader van de totale premieheffingstructuur. Daarbij spelen solidariteitselementen een belangrijke rol. De overheveling van de basisaftrek, waarmee wordt beoogd rekening te houden met de relatief beperkte draagkracht van (bijna-)alleenverdieners, past in de totale premieheffingsstructuur. Gelet op de premieheffingsstructuur levert de overheveling geen vermoeden van indirecte discriminatie op.
     Tegen deze achtergrond worden de door het kabinet genoemde objectieve rechtvaardigingsgronden, voor het geval er toch sprake zou zijn van een vermoeden van indirecte discriminatie, verder niet door de SER besproken.


3.1.4. Afzonderlijke voorstellen

     Op een aantal specifieke onderdelen van de voorstellen worden door de SER kanttekeningen gemaakt. In het kader van dit wetsvoorstel behoeven alleen de kanttekeningen van de SER met betrekking tot de WIR-premie [WIR: Wet investeringsregeling, red.] en de invorderingsvrijstellings- en reductieregeling een nadere bespreking.
     De SER stelt vast dat bij winstniveaus tussen globaal ƒ35 000,- en ƒ75 000,- per jaar minder WIR-premie verrekend kan worden als gevolg van de voorstellen. Dit effect vindt in feite zijn ontstaansbron in de per 1 mei 1986 afgeschafte negatieve aanslag. Het bij de verrekening van de WIR-premies betrekken van het premiedeel in de heffing zou dit effect volgens de SER kunnen beperken. Voor wat betreft de invorderingsvrijstellings- en reductieregeling merkt de Raad op dat bij het zoeken naar een definitieve oplossing meer recht moet worden gedaan aan het uitgangspunt dat inkomenseffecten dienen te worden gecompenseerd.

 

3.2. Het advies van de Emancipatieraad (ER)


     De ER heeft in zijn advies van 2 juni 1987 zijn standpunt over de hoofdlijnen van het rapport van de commissie-Oort en van het kabinetsstandpunt gegeven. In het kader van de bespreking van dit wetsvoorstel verdienen vooral de aandacht de opvatting van de Raad met betrekking tot de toepassing van de Derde EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de sociale zekerheid en in verband daarmee de suggestie die de Raad doet met betrekking tot de overdracht van de basisaftrek.
     De overdracht van de basisaftrek zal volgens de Raad ten goede komen aan kostwinners. Kostwinners zijn voor het overgrote deel mannen. Het kostwinnerscriterium roept dan ook naar de mening van de Raad een vermoeden op van indirecte discriminatie.
    
rblz.|7| De door het kabinet aangevoerde objectieve gronden om dit verschil te rechtvaardigen, het positieve arbeidsmarkteffect voor vrouwen en de vereenvoudigingsdoelstelling, voldoen volgens de Raad niet. De genoemde objectieve rechtvaardigingsgronden doen, aldus de Raad, niet af aan het feit dat onderdelen van de voorstellen discriminerend werken. Voorts stelt de ER vast dat de door de Europese Commissie wel aanvaarde objectieve rechtvaardigingsgrond, namelijk dat er sprake moet zijn van een regeling ter bescherming van een minimuminkomen, niet van toepassing is. De enige mogelijkheid die de Raad ziet, is de verandering van de systematiek van de overdracht van de basisaftrek.
     Ten aanzien van deze overdracht van de basisaftrek wordt opgemerkt dat de nieuwe systematiek een verbetering is ten opzichte van de bestaande overheveling van de belastingvrije som (voetoverheveling).
     Deze zienswijze wordt ingegeven door het feit dat het inkomenstraject waarover deze overdracht speelt, wordt verkort.
     Daarnaast speelt het progressie-effect bij de overdracht voor een veel kleinere groep belastingplichtigen vanwege de verlenging van de eerste tariefschijf.
     Teneinde de negatieve werking van de overheveling van de basisaftrek die optreedt indien het heffingsinkomen van de meest verdienende partner boven de eerste tariefschijf uitkomt, weg te nemen, wordt voorgesteld om niet de basisaftrek over te hevelen, maar om het belasting- en premievoordeel zelf, berekend tegen een tarief van 40%, af te trekken van het belastingdeel van de verschuldigde inkomensheffing van de meest verdienende partner. Door de verrekening tot het belastingdeel te beperken, wordt in de visie van de Raad strijdigheid met de Derde EG-richtlijn voorkomen.
     Met betrekking tot de premievrijstelling voor de AKW voor ongehuwde vrouwen van 45 jaar of ouder merkt de Raad op dat met name gezien het cumulatieve effect van de voorgenomen afschaffing van de alleenstaandentoeslag een overgangsregeling zeker nodig is.

 

3.3. Advies van de Ziekenfondsraad


     Nadat het kabinet een voorlopig standpunt had bepaald met betrekking tot de adviezen van de SER en de Stichting van de Arbeid, is op 27 november 1987 technisch advies gevraagd inzake een voorontwerp van Wet premieheffing volksverzekeringen aan de Ziekenfondsraad (Zfr). De Raad heeft geconstateerd dat de in dit wetsvoorstel aan de orde zijnde wijzigingen met betrekking tot de premieheffing, de premievaststelling en het fondsbeheer geen uitvoeringstechnische consequenties zullen hebben. Wel signaleert de Raad dat er bij de herschikking van de in de verschillende volksverzekeringen opgenomen bepalingen wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van de huidige wetgeving in die zin dat bepaalde bevoegdheden verlegd zouden zijn naar de minister c.q. ministeriële bevoegdheden uitgebreid zouden worden.

 

4. Reactie van het kabinet op de uitgebrachte adviezen


     Het kabinet stelt met instemming vast dat de SER van oordeel is dat het voorstel van de commissie-Oort het karakter van de volksverzekeringen niet aantast. Ten aanzien van de Derde EG-richtlijn komen de SER en de ER tot verschillende conclusies. Hieronder wordt de reactie van het kabinet op deze standpunten voor zover nodig besproken.

rblz.|8| 

4.1. Verzekeringsgedachte en solidariteit van de volksverzekeringen


     De conclusie van de SER dat er elementen in de voorstellen zitten die enerzijds tot vergroting en anderzijds tot verkleining van de solidariteit leiden, wordt door het kabinet onderschreven. In de adviesaanvrage aan de SER heeft het kabinet daarom gesproken van een herschikking van solidariteitselementen in de volksverzekeringen. Het kabinet is van mening dat het geheel van de voorstellen, bezien vanuit het solidariteitsaspect, tot een aanvaardbaar resultaat leidt.
     De zienswijze van de SER dat de aanpassing van de basisaftrek en de tariefschijven op grond van de inflatiecorrectie leidt tot een verkleining van het draagvlak en derhalve van de solidariteit, indien de lonen sneller stijgen dan de prijzen, is op zich juist. Het kabinet tekent daarbij aan dat indien zich de omgekeerde situatie voordoet, zoals met name in het begin van de jaren '80 het geval is geweest, een vergroting van het draagvlak zal optreden. Naar de mening van het kabinet kan daarom niet zonder meer gesteld worden dat de keus voor een bepaalde aanpassingssystematiek de solidariteit in een bepaalde richting beïnvloedt. Indien zich gedurende een reeks van jaren een ontwikkeling voordoet waarbij lonen sneller stijgen dan de prijzen, dan wel indien zich de omgekeerde situatie voordoet, zullen de solidariteitsverhoudingen zich langs een andere lijn ontwikkelen dan bij de huidige systematiek. Bij het beoordelen van toekomstige wijzigingen in het tarief, dat wil in dit verband zeggen de basisaftrek en de lengte van de eerste tariefschijf, zullen derhalve ook dergelijke elementen een rol gaan spelen. Bij die besluitvorming zijn evenwel ook andere sociaal-economische aspecten van betekenis.

 

4.2. Zeggenschap en financiering


     Het kabinet heeft zowel in het standpunt als in de adviesaanvrage er steeds met nadruk op gewezen dat het juridische kader met betrekking tot de premievaststelling en het fondsbeheer gehandhaafd blijft. Niettemin vreest de SER dat de overheid, meer dan thans het geval is, belastingen en premies als uitwisselbare grootheden gaat beschouwen.
     Het kabinet heeft evenwel duidelijk aangegeven dat het geenszins deze bedoeling heeft. Het percentage in de eerste tariefschijf bestaat uit twee componenten, enerzijds uit een belastingcomponent en anderzijds uit een premiecomponent die de som is van de vijf afzonderlijk vastgestelde premies voor de volksverzekeringen. Deze som zal van jaar tot jaar kunnen verschillen. Voor het kabinet is dit aspect essentieel. Het kabinet onderschrijft volledig de zienswijze dat het karakter van de premieheffing gehandhaafd moet blijven. Alleen op deze wijze kan zeker gesteld worden dat de bestuurlijke verhoudingen met betrekking tot de sociale zekerheid onaangetast blijven.
     Voor wat betreft toekomstige aanpassingen van het inkomenstraject onderschrijft het kabinet de stellingname van de SER dat niet aan de volksverzekeringen ontleende overwegingen een grotere rol kunnen spelen bij de aanpassingen van het aan de premieheffing onderworpen inkomenstraject.
     In het nieuwe systeem kunnen immers zowel overwegingen vanuit de sociale verzekeringen als vanuit de belastingheffing van belang zijn bij de vaststelling van het traject waarover de gecombineerde heffing dient plaats te vinden. De besluitvorming van dat inkomenstraject zal dan ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën en van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn. Het kabinet deelt de zienswijze dat structurele aanpassingen van het inkomenstraject waarover de premies worden geheven ter advisering aan de SER moeten worden voorgelegd. Een nadere technische advisering op dit punt door de SVr acht het kabinet minder zinvol.
     Het gaat bij een structurele verandering van het inkomenstraject immers om een sociaal-politieke zaak.

rblz.|9| 

4.3. Gelijke behandeling van mannen en vrouwen/Derde EG-richtlijn


     De stellingname van de ER dat de voorgestelde overheveling van de basisaftrek leidt tot een heffingsstelsel dat als indirect discriminerend is te beschouwen, wordt door het kabinet niet onderschreven. Naar de mening van het kabinet gaat de ER voorbij aan de stellingname van het kabinet dat voor een beoordeling van de vraag of er sprake is van indirecte discriminatie de effecten van de overdracht ook in ruimer verband kunnen worden bezien. Met name gaat het daarbij om de relatie tussen betaalde premie en prestatie. Het kabinet is dan ook van mening dat de visie van de SER in deze onderschreven kan worden. De door het kabinet aangevoerde objectieve rechtvaardigingsgronden voldoen niet naar de mening van de ER, maar worden door de Raad niet nader besproken. Wel constateert de ER dat de wel aanvaarde objectieve rechtvaardigingsgrond, namelijk dat er sprake moet zijn van een kostwinnersvoordeel op minimumniveau, niet van toepassing is. Het kabinet is, zoals aangegeven in de adviesaanvrage, evenwel van mening dat er indien een vermoeden van indirecte discriminatie aanwezig wordt geacht, ook andere objectieve rechtvaardigingsgronden kunnen zijn.
     Met name heeft het kabinet er daarbij op gewezen dat inkomenseffecten van wijzigingen in de belasting en premieheffing volksverzekeringen ook in het verleden steeds in samenhang zijn bekeken. Het maakt materieel geen verschil uit of er sprake is van een verhoogde belastingvrije som voor alleenverdieners zoals die op dit moment geldt of van de voorgestelde dubbele basisaftrek voor alleenverdieners bij een gecombineerde heffing. Voorts vormt de gecombineerde heffing over een lang inkomenstraject de kern van de vereenvoudigingsvoorstellen. Teneinde daarbij de inkomensachteruitgang voor de lagere inkomens te beperken, is een basisaftrek de enige mogelijke oplossing. Daarbij is gekozen voor een basisaftrek die bij een (bijna-)alleenverdienerssituatie kan worden overgedragen. Het kabinet deelt in deze de overwegingen van de commissie-Oort en is van mening dat het rekening houden met de alleenverdienerssituatie niet op een andere manier kan worden gerealiseerd zonder afbreuk te doen aan de vereenvoudigingsdoelstelling. Het met deze voorstellen gehanteerde middel is, naar de mening van het kabinet, geschikt en noodzakelijk te achten om het vastgestelde doel, te weten vereenvoudiging, te bereiken.
     Met betrekking tot een aantal aspecten van socialeverzekeringsregelingen is inmiddels de vraag aan de orde of er strijdigheid is met internationaalrechtelijke verplichtingen. In de zienswijze van het kabinet gelden vorengenoemde overwegingen eveneens bij een eventuele toetsing van dit wetsvoorstel aan die verplichtingen.
     Het voorstel van de ER om de kostwinnersvoordelen, berekend op basis van het belasting- en premievoordeel van de niet-verdienende vrouw, af te trekken van het belastingdeel van de verschuldigde inkomensheffing wordt door het kabinet niet overgenomen. In het kader van het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting wordt in een bijlage hierop in het bijzonder ingegaan. Op deze plaats zij hiernaar verwezen.

 

4.4. Vrijstelling AKW-premie


     In de inleiding van deze memorie is aangegeven dat er in de toelichting van wordt uitgegaan dat de AKW-operatie per 1 januari 1989 zal zijn gerealiseerd. Uitgaande van deze veronderstelling zullen bij de invoering van de vereenvoudigingsvoorstellen de eerder voorziene negatieve inkomenseffecten als gevolg van het vervallen van de vrijstelling van de AKW-premie zich niet voordoen; om deze reden is ervan afgezien om een overgangsregeling voor te stellen.

rblz.|10| 

4.5. Afzonderlijke voorstellen


     Het kabinet heeft mede naar aanleiding van de opmerkingen van de SER besloten om de WIR-premie, voor zover die nog wordt toegekend, thans gaat het daarbij alleen nog om de kleinschaligheidstoeslag, ook verzekerbaar te stellen tot het beloop van het premiedeel van de heffing. Ook in de nieuwe systematiek zal een invorderingsvrijstellings- en reductieregeling worden opgenomen. Deze regeling zal gelden voor de belasting- en premieheffing tezamen. Daarbij is het bereik gekoppeld aan de van toepassing zijnde basisaftrek. Dit heeft tot gevolg dat het voorstel van de commissie om de alleenstaandentoeslag te laten vervallen, voor deze categorie in negatieve zin doorwerkt naar de invorderingsvrijstellings -en reductieregeling. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting is het niet mogelijk gebleken om de daarmee gepaard gaande negatieve inkomenseffecten te compenseren.

 

4.6. Advies van de Ziekenfondsraad


     In het wetsvoorstel is met de opmerkingen van de Zfr zoveel mogelijk rekening gehouden, behoudens de suggestie van de Raad om tot restitutie van de AWBZ-premie over te gaan in bepaalde specifieke gevallen van dubbele verzekering in EG-verband. Naar de mening van ondergetekenden dient de door de Raad gesignaleerde situatie niet in het kader van dit wetsvoorstel te worden bezien.
     Opgemerkt zij voorts dat voor zover er al sprake is van de door de Raad gesignaleerde verschuiving van bevoegdheden, daardoor geen wijzigingen worden aangebracht in het karakter van de volksverzekeringen (artikelen 42 [42] en 44 [44]). Het gaat in die gevallen om een formalisering van de bestaande praktijk.

 

5. Nadere uitwerking


5.1. Het wetsvoorstel in hoofdlijnen


     In dit wetsvoorstel worden de bepalingen met betrekking tot de op te brengen middelen, de premievaststelling en het fondsbeheer die in de afzonderlijke wetten zijn opgenomen, samengebracht. Zoals opgemerkt, zal de methodiek ter vaststelling van de premiepercentages niet wijzigen. De premiepercentages worden structureel op lastendekkend niveau vastgesteld. Voorts kunnen fluctuaties in de premiepercentages worden afgezwakt door, zoals overigens ook nu al gebeurt, eventuele vermogensoverschotten en -tekorten in een periode langer dan één jaar te verminderen.
     In het wetsvoorstel aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies zullen de in verband hiermee noodzakelijke wijzigingen in de afzonderlijke wetten met betrekking tot de volksverzekeringen worden aangebracht (het schrappen van de artikelen met betrekking tot de op te brengen middelen, aanpassing van de leeftijdsgrenzen, etc.). In dat wetsvoorstel zijn tevens de overige wijzigingen in de socialeverzekeringswetten die voortvloeien uit de voorstellen van de commissie-Oort opgenomen. Wat betreft de kring van verzekerden wordt in dit wetsvoorstel verwezen naar de afzonderlijke volksverzekeringswetten. Dit betekent dat ook de uitbreidingen en beperkingen op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen [zie ook Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999, red.] van toepassing zijn. In de nieuwe opzet is elke ingezetene vanaf zijn geboorte en ook na het 65ste jaar verplicht verzekerd.
     Bij de heffingsmaatstaf wordt uitgegaan van het premie-inkomen van de premieplichtige. Het bestaande onderscheid tussen heffing van premie
rblz.|11| bij wege van aanslag en heffing van premie bij wijze van inhouding blijft bestaan. De belastbare som voor de premieheffing is het premie-inkomen verminderd met de van toepassing zijnde basisaftrek.
     Als belastbare som voor de premieheffing geldt volgens de hoofdregel respectievelijk het belastbare inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en het zuivere loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964. Voorts is bepaald dat de regelen voor de heffing en de invordering van de inkomstenbelasting respectievelijk de loonbelasting van overeenkomstige toepassing zijn. Dit impliceert dat in dit wetsvoorstel geen afzonderlijke bepalingen zijn opgenomen voor bijvoorbeeld de invorderingsvrijstellings- en reductieregeling, de aanslaggrens, de beroepsprocedure, het opleggen van de aanslag, de regeling met betrekking tot de invordering, etc. Voorts is geregeld dat in die gevallen dat er wel premieplicht maar geen belastingplicht is, de regelen van de heffing en de invordering eveneens van overeenkomstige toepassing zijn.
     Ook bij de gecombineerde heffing blijven, zoals hiervoor reeds is aangegeven, de premies volksverzekeringen en belasting herkenbaar. De inhoudingsplichtige houdt één bedrag in. Op de loonstrook en de jaaropgave wordt, in geval van een gecombineerde heffing, één bedrag vermeld; via een bij ministeriële regeling te bepalen rekenregel wordt op de jaaropgave aangegeven hoe uit dit bedrag het afzonderlijke bedrag van de premies volksverzekeringen kan worden afgeleid. Op het aanslagbiljet zullen het verschuldigde belasting- en premiedeel afzonderlijk worden vermeld. Verrekening voor beide bedragen kan met het via de gecombineerde heffing ingehouden bedrag plaatsvinden.

 

5.2. Schuldige nalatigheid


     De regeling met betrekking tot schuldige nalatigheid is ongewijzigd overgenomen uit de AOW. Deze regeling houdt in dat personen die schuldig nalatig zijn gebleven bij de betaling van de premies volksverzekeringen, een korting op het AOW-pensioen krijgen, gebaseerd op het tijdvak waarover sprake is geweest van schuldige nalatigheid.

 

5.3. Vrijwillige premiebetaling


     De regeling met betrekking tot de vrijwillige premiebetaling blijft gehandhaafd. Voor de vrijwillige betaling van AOW/AWW/AAW [lees: AOW/AWW/AAW-premie, red.] blijft verschuldigd het bedrag dat ten hoogste gedurende een kalenderjaar ingevolge de AOW/AWW/AAW verschuldigd is. Voor personen van de Nederlandse nationaliteit blijft de mogelijkheid bestaan dat de verschuldigde premie wordt vastgesteld op het bedrag dat zij verschuldigd zouden zijn op grond van artikel 8 [8] of 9 [9] van dit wetsvoorstel met een minimum van 5% van de maximaal verschuldigde premie.

 

5.4. Regeling gemoedsbezwaarden


     Zoals eerder in het kabinetsstandpunt is aangegeven, acht het kabinet het van essentieel belang dat het verzekeringskarakter van de volksverzekeringen gehandhaafd blijft. Eén van de elementen hiervan is de herkenbaarheid van de premies in de ingehouden respektievelijk de op aanslag betaalde heffing. Deze herkenbaarheid maakt het ook mogelijk om de regeling gemoedsbezwaarden te handhaven.

 

6. Dereguleringsaspecten


     Het onderhavige wetsvoorstel is voorgelegd aan de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten. Dat leidt ertoe dat de normale dereguleringstoets geen toepassing vindt. Het advies van die commissie rblz.|12| heeft mede betrekking op het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting. Wij zijn er de Commissie erkentelijk voor dat zij haar advies binnen een kort tijdsbestek heeft willen uitbrengen.
     Blijkens haar advies heeft de Commissie met instemming kennisgenomen van de voorstellen. Op een enkel onderdeel stelt zij een technische wijziging voor.
     Met de van de zijde van de Commissie naar voren gebrachte wijzigingsvoorstellen is grotendeels rekening gehouden bij de nadere vormgeving van de wetsvoorstellen. Uit coördinatieoverwegingen met betrekking tot de andere beleggingsvoorschriften voor sociale fondsen hebben wij er evenwel van afgezien om artikel 45 [45] aan te passen in die zin dat de beleggingsvoorschriften bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld.

 

7. Gevolgen voor de positie van vrouwen


     De voorstellen zullen naar verwachting van het kabinet ten opzichte van de huidige situatie in zijn algemeenheid een positief effect hebben op de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Ten aanzien van de vraag of dit voorstel een vermoeden van indirecte discriminatie oproept zoals bedoeld in de Derde EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen heeft het kabinet het standpunt ingenomen dat er naar zijn mening geen sprake is van een dergelijk vermoeden. Wat betreft dit aspect zij verwezen naar paragraaf 4.3 van deze memorie.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel 2 [2]

     In het algemeen deel van deze memorie is reeds opgemerkt dat bij de vormgeving van dit wetsvoorstel de ideeën van de Staatscommissie vereenvoudiging en codificatie van de socialezekerheidswetgeving en met name het voorontwerp-Financieringswet model hebben gestaan. In navolging van dat voorontwerp wordt voorgesteld in het onderhavige wetsvoorstel de bestaande financieringsstelsels op het terrein van de volksverzekeringen - de verplichte en vrijwillige verzekering - tot uitdrukking te brengen.

 

Artikel 3 [3]

     In het kader van het geheel van de wetsvoorstellen waar dit voorstel deel van uitmaakt, zullen de leeftijdsgrenzen voor alle volksverzekeringen worden geüniformeerd in die zin dat voor elk der verzekeringen de leeftijdsgrenzen vervallen. De verplichte verzekering vangt derhalve aan bij de geboorte en eindigt bij overlijden. Een verwijzing naar één van de afzonderlijke volksverzekeringen is derhalve niet noodzakelijk. In een apart wetsvoorstel zal de vorenbedoelde uniformering worden geregeld.

 

Artikel 4 [4]

     Onder Onze Minister wordt verstaan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor zover nodig in verband met de premieheffing voor de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, wordt Onze Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur telkens uitdrukkelijk genoemd. Daar waar in deze wet bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld, geschiedt zulks door Onze Minister, tenzij anders is aangegeven.

rblz.|13| 

Artikel 5 [5]

     Dit artikel bevat de algemene regel dat de lasten van de volksverzekeringen met premies worden gefinancierd. Dit sluit het verlenen van bijzondere rijksbijdragen evenwel niet uit. Een dergelijke bijdrage is in dit wetsvoorstel beperkt tot de AWBZ. Verwezen wordt in dit verband naar artikel 39 [39], tweede lid. Teneinde duidelijk te laten uitkomen dat het verlenen van rijksbijdragen slechts in specifieke gevallen plaatsvindt, is ervan afgezien om de rijksbijdragen als bron van financiering aan artikel 5 [5] toe te voegen.

 

Artikel 6 [6]

     In dit artikel is geregeld dat in beginsel elke verzekerde voor elk van de volksverzekeringen premieplichtig is. In artikel 10 [10], tweede lid, is een uitzondering gemaakt voor personen van 65 jaar of ouder; zij zijn geen premie verschuldigd voor de AOW en AWW. In artikel 53 [53] is een tijdelijke uitzondering gemaakt voor werknemers die op basis van de Wet van 29 september 1986 ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn, in dienstbetrekking werkzaam zijn. Zij zijn over het loon uit die dienstbetrekking genoten geen premie verschuldigd voor de AAW, de AKW en de AWBZ.

 

Artikel 7 [7]

     Dit artikel bepaalt in het algemeen wat als maatstaf geldt voor de premieheffing. Maatstaf is het premie-inkomen dat de premieplichtige in het kalenderjaar heeft genoten. Ook in het kader van de gecombineerde heffing blijft een aparte definiëring van het begrip premie-inkomen noodzakelijk. Met name is dit van belang indien er wel premieplicht, maar geen belastingplicht bestaat.

 

Artikelen 8 [8] en 9 [9]


Algemeen

     In deze artikelen wordt gedefinieerd wat onder premie-inkomen moet worden verstaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het premie-inkomen in geval van heffing bij wege van aanslag (artikel 8 [8]) en het premie-inkomen in geval van heffing bij wijze van inhouding (artikel 9 [9]). Dit onderscheid vloeit voort uit het feit dat voor beide methoden verschillende, aan de Wet op de inkomstenbelasting 1964 onderscheidenlijk de Wet op de loonbelasting 1964 ontleende aanknopingspunten worden gebruikt.

 

Artikel 8 [8]

     Dit artikel regelt wat onder premie-inkomen moet worden verstaan in geval van heffing bij wege van aanslag. De voorstellen van de Commissie leiden ertoe dat de heffingsgrondslagen voor de inkomstenbelasting en voor de op aanslag verschuldigde premies volksverzekeringen worden geüniformeerd. Onder het premie-inkomen wordt verstaan het belastbare inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals die wordt gewijzigd in het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting; daarbij vervalt onder andere de aftrekbaarheid van de premies volksverzekeringen. De toevoeging in het huidige artikel 37, tweede lid, van de AOW dat het premie-inkomen wordt vermeerderd met de als persoonlijke verplichting in aanmerking genomen premies en premievervangende belasting ingevolge de AOW en de AWW en verminderd met de uitkeringen ingevolge de AOW en de AWW, komt derhalve te vervallen. Dit betekent ook dat de rblz.|14| uitkeringen op grond van de AOW en de AWW aan de premieheffing worden onderworpen.
     Voorts vervalt de aparte maatstaf voor de heffing van de opslagpremies in het huidige artikel 21, eerste lid, van de AWBZ. Voor de opslagpremies geldt nu eveneens het premie-inkomen als maatstaf en niet meer de te heffen AOW/AWW-premies.
     Er is derhalve niet alleen sprake van uniformering van de heffingsmaatstaf van de volksverzekeringen ten opzichte van die van de inkomstenbelasting, maar ook uniformering ten aanzien van de heffingsmaatstaf van vijf volksverzekeringen onderling. Tevens komt het huidige artikel 25, vierde lid, onderdeel b, van de AWBZ, waarbij bepaald is dat de inhoudingsplichtige de opslagpremies geheel of gedeeltelijk mag verhalen, te vervallen. De rosé tabellen zullen vervallen.

 

Artikel 9 [9]

     Dit artikel regelt wat onder premie-inkomen moet worden verstaan in geval van heffing bij wijze van inhouding. De voorgestelde uniformering leidt ertoe dat de heffingsgrondslagen voor de loonbelasting en voor de via inhouding verschuldigde premies volksverzekeringen worden geüniformeerd. Onder het premie-inkomen wordt verstaan het zuivere loon voor de loonbelasting, met uitzondering van collectief spaarloon, bedoeld in artikel 34a van de Wet op de loonbelasting 1964, waarvoor de lumpsumheffing (van 15% loonbelastingheffing) ten laste van de inhoudingsplichtige geldt. Overigens zijn de opmerkingen welke hiervoor in de toelichting op artikel 8 [8] met betrekking tot het premie-inkomen voor de bij aanslag te heffen premies zijn gemaakt mutatis mutandis eveneens van toepassing op de premieheffing bij wijze van inhouding.

 

Artikel 10 [10]


Eerste lid

     In dit lid wordt bepaald dat de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen wordt uitgedrukt in een percentage van de belastbare som voor de premieheffing. Dit percentage is de som van de premiepercentages die voor de afzonderlijke volksverzekeringen worden vastgesteld. Dit totaalpercentage is derhalve afhankelijk van de besluitvorming met betrekking tot het premiepercentage voor elk van de afzonderlijke fondsen en zal van jaar tot jaar kunnen verschillen.


Tweede lid

     In de toelichting op artikel 3 [3] is uiteengezet dat de verzekeringsplicht voor elke verzekering wordt geüniformeerd in die zin dat deze aanvangt bij de geboorte en voortduurt na het bereiken van de 65-jarige leeftijd.
     In beginsel is iedere premieplichtige over de belastbare som de getotaliseerde premiepercentages van alle vijf afzonderlijke volksverzekeringen verschuldigd. Zoals in het algemeen deel van deze memorie is uiteengezet, zou dit voor personen van 65 jaar of ouder tot sterk negatieve inkomenseffecten leiden. Daarom wordt in het tweede lid voorgesteld dat voor deze groep de premie wordt verlaagd met het percentage dat verschuldigd is voor de algemene ouderdomsverzekering en de algemene weduwen- en wezenverzekering. Deze verlaging gaat in op de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. Dit impliceert dat in dat jaar onderscheid gemaakt moet worden in het premiebetalingstijdvak van 1 januari tot de eerste dag van de maand waarin de 65ste verjaardag valt en het premiebetalingstijdvak over het resterende gedeelte van het jaar.
     Op grond van artikel 17 [17] kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van premieheffing in het kalenderjaar waarin de 65ste verjaardag valt.

rblz.|15| 
Derde en vierde lid

     In het nieuwe systeem van de premieheffing wordt de verschuldigde premie geheven over het premie-inkomen verminderd met de belastingvrije som, de belastbare som. Ten aanzien van de definiëring van de belastingvrije som wordt aangesloten bij de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en de Wet op de loonbelasting 1964. Hierdoor kan de voor die heffing geldende tariefgroepindeling die samenhangt met de belastingvrije som, ook dienst doen voor de premieheffing. De definiëring van de belastbare som is analoog aan de definiëring in artikel 53 van de Wet op de inkomstenbelasting onderscheidenlijk artikel 20 van de Wet op de loonbelasting 1964. Voorgesteld wordt om in dit wetsvoorstel de belastbare som nader te preciseren met de term "de belastbare som voor de premieheffing".


Vijfde lid

     De premie is ten hoogste verschuldigd over een bedrag ter grootte van de eerste tariefschijf, genoemd in artikel 53, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
     In de nieuwe systematiek is het begrip premie-inkomensgrens niet meer bruikbaar, omdat de grens waarboven het inkomen niet meer voor de premieheffing in aanmerking wordt genomen afhankelijk is geworden van de tariefgroepindeling van de premieplichtige. Er is derhalve sprake van verschillende premie-inkomensgrenzen voor verschillende groepen premieplichtigen.

 

Artikel 11 [11]

     In dit artikel is de procedure met betrekking tot de vaststelling van de premiepercentages voor de vijf volksverzekeringen vastgelegd.
     Ten aanzien van de premiepercentages voor de algemene ouderdomsverzekering, de algemene weduwen- en wezenverzekering, de algemene kinderbijslagverzekering en de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering is de procedure dat het bevoegde fondsbestuur (het bestuur van de Sociale Verzekeringsbank [SVB, red.] onderscheidenlijk het bestuur van het AAf [Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]), gehoord de SVr, onder goedkeuring van Onze Minister de premie vaststelt.
     De procedure met betrekking tot de vaststelling van het premiepercentage van de algemene verzekering bijzondere ziektekosten blijft eveneens ongewijzigd.

 

Artikel 12 [12]

     In dit artikel is geregeld dat bij wijzigingen van het premiepercentage in de loop van het jaar een gemiddeld premiepercentage wordt vastgesteld door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor door hem aan te wijzen gevallen en tijdvakken. De vaststelling van een gemiddeld percentage is met name van belang voor degenen die de premies op aanslag verschuldigd zijn.

 

Artikel 13 [13]

     De heffing van de premie geschiedt evenals thans door de rijksbelastingdienst.

 

Artikel 14 [14]

     In dit artikel wordt de heffing van premies bij wijze van aanslag geregeld. De heffing geschiedt overeenkomstig de regelen die voor de heffing van rblz.|16| de inkomstenbelasting gelden. Daarmede is tevens geregeld dat de artikelen 62 tot en met 65 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing zijn, zodat onder meer de regeling met betrekking tot het al of niet opleggen van een aanslag, de invorderingsvrijstellings- en reductieregeling de procedures met betrekking tot bezwaar en beroep ook voor de premieheffing volksverzekeringen gelden.
     Bij de bepaling van de hoogte van de aanslag worden de bij wijze van inhouding betaalde premies verrekend. Indien naast premieplicht sprake is van belastingplicht, geschiedt de heffing bij wege van één aanslag. De bedragen welke verschuldigd zijn aan premies volksverzekeringen respectievelijk aan inkomstenbelasting zullen apart op het aanslagbiljet vermeld worden.
     De uitzondering met betrekking tot artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 heeft betrekking op de middelingsregeling.

 

Artikel 15 [15]

     In dit artikel wordt de heffing van premies bij wijze van inhouding geregeld. De heffing geschiedt overeenkomstig de regelen die voor de heffing van de loonbelasting gelden. Dit brengt onder meer mee dat de verminderingen welke ingevolge artikel 30, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de tabeltoepassing in aanmerking worden genomen, doorwerken naar de premieheffing.
     In het tweede en derde lid is geregeld dat door middel van een rekenregel aan de herkenbaarheid van het belasting- en het premiedeel van de heffing op de loonstrook en de jaaropgave vorm kan worden gegeven.

 

Artikel 16 [16]


Eerste lid

     De invordering van de premie geschiedt evenals thans door de rijksbelastingdienst.


Tweede lid

     In het tweede lid is bepaald dat bij de invordering dezelfde regelen moeten worden toegepast als die welke gelden voor de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting. Voor zover er sprake is van een gezamenlijke heffing op één aanslag, worden de regels toegepast op het gezamenlijke bedrag van de premie en de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting.

 

Artikel 17 [17]

     Het onderhavige artikel bevat de bevoegdheid nadere regelen te stellen met betrekking tot de premieplicht en de daarmee samenhangende maatstaf, het tarief, de heffing en de invordering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties waarin in het kalenderjaar de premieplichtige de 65-jarige leeftijd bereikt, de verzekering wordt ontleend aan een verdrag inzake sociale zekerheid of de betrokkene geen ingezetene is en evenmin voor de in Nederland verrichte arbeid in dienstbetrekking aan de loonbelasting is onderworpen. De gevallen waarin nadere regelgeving noodzakelijk is, zijn niet alle op voorhand aan te geven. Daarom wordt er de voorkeur aan gegeven één en ander bij ministeriële regelgeving uit te werken.

 

Artikel 18 [18]

     In artikel 43, eerste lid, van de AOW is geregeld dat ten aanzien van de verzekerde die nalatig is gebleven bij de betaling van premie door de SVB aantekening wordt gemaakt indien zij beslist dat van een schuldig rblz.|17| nalaten sprake is. In dit voorstel van wet wordt de regeling van de schuldige nalatigheid ongewijzigd overgenomen. Met dien verstande dat de opslag die bij wijze van sanctie in rekening wordt gebracht indien de verschuldigde premie alsnog wordt betaald, in de wet wordt vastgelegd.

 

Artikelen 19 tot en met 24 [19-24]

     Deze artikelen regelen de ontheffing wegens gemoedsbezwaren van verplichtingen die bij of krachtens deze wet zijn opgelegd, alsmede de heffing en invordering van premievervangende belasting. De regeling komt overeen met de huidige bepalingen ter zake in de afzonderlijke volksverzekeringen.

 

Artikelen 25 tot en met 27 [25-27]

     In deze artikelen zijn de bepalingen uit de volksverzekeringswetten die betrekking hebben op de financiering van de vrijwillige verzekering bijeengebracht. De voorwaarden waaronder toelating tot de vrijwillige verzekering plaatsvindt, blijven opgenomen in de afzonderlijke wetten evenals de formulering van de aanspraken welke aan de vrijwillige verzekering kunnen worden ontleend.

 

Artikelen 28 tot en met 45 [28-45]

     In deze artikelen is geregeld op welke wijze het beheer van de middelen ten behoeve van de financiering van de volksverzekeringen plaatsvindt. Daarnaast is aangegeven wat de middelen van de fondsen zijn en op welke wijze zij worden aangewend. Tevens is de uniforme liquiditeitsregeling voor de centrale socialeverzekeringsfondsen in deze artikelen geregeld. De onderhavige artikelen houden geen materiële wijziging in ten opzichte van de bestaande bepalingen in de volksverzekeringswetten.

 

Artikel 42 [42]

     De toevoeging "in hoeverre" is een formalisering van de reeds bestaande praktijk om een jaarlijks vast te stellen percentage van de totale kosten welke voor de Ziekenfondsraad en zijn secretariaat uit de uitvoering van de Ziekenfondswet en de AWBZ voortvloeien ten laste te brengen van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

 

Artikel 44 [44], eerste lid

     Dit onderdeel geeft de mogelijkheid dat de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Financiën regelen stellen met betrekking tot de berekening van de kosten gemaakt door de rijksbelastingdienst in verband met de uitvoering van deze wet. Thans geschieden de berekening en de verdeling van die kosten in periodiek overleg. Daarbij gelden wel steeds dezelfde uitgangspunten. Het vastleggen van die uitgangspunten in een ministeriële regeling verdient aanbeveling vanuit een oogpunt van rechtszekerheid.

 

Artikel 46 [46]

     Dit artikel bevat de informatieplicht voor degene die tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW, AWW en AAW is toegelaten. De informatieplicht voor de overige betrokkenen vloeit - vanwege het feit dat de fiscale wetgeving van overeenkomstige toepassing is verklaard - uit die wetgeving voort (hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, inzake verplichtingen ten dienste van de belastingheffing).

rblz.|18| 

Artikel 47 [47]

     Dit artikel legt een informatieplicht op aan de instanties die over relevante gegevens beschikken voor een goede uitvoering van deze wet.
     Deze bepaling is aanvullend op de verplichting tot het geven van inlichtingen welke in de toelichting op artikel 46 [46] is beschreven. Het gaat hierbij om gegevens die niet herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen, bedrijven of instellingen.

 

Artikel 48 [48]

     Evenals in de bestaande wetgeving wordt met betrekking tot het bezwaar en het beroep voor de premieheffing aangesloten bij hetgeen daaromtrent in de belastingwetgeving is geregeld. Op grond van artikel 48 [48] kan conform de bestaande wetgeving een beroep worden ingesteld tegen de beslissingen van de SVB over schuldige nalatigheid. Het in het onderhavige artikel bedoelde beroep kan alleen betreffen de vragen of de SVB terecht schuldige nalatigheid heeft aangenomen en of de SVB ver genoeg is gegaan met de doorhaling van ter zake gestelde aantekeningen.

 

Artikel 49 [49]

     Dit artikel regelt de mogelijkheid om in beroep te gaan in verband met een beslissing van de SVB met betrekking tot de ontheffing en de intrekking van de ontheffing wegens gemoedsbezwaren.
     Van deze gelegenheid is gebruikgemaakt om de bestaande beroepsprocedure voor gemoedsbezwaren, te weten het indienen van een verzoek tot herziening bij de SVr, te vervangen door de, in de sociale zekerheid gebruikelijke, beroepsprocedure bij de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep.

 

Artikel 50 [50]

     Dit artikel regelt de mogelijkheid om in beroep te gaan in verband met een beslissing van de SVB of de bedrijfsvereniging met betrekking tot de vrijwillige premiebetaling. In afwijking van de bestaande wetgeving is opgenomen dat desverlangd van de beslissing in voor beroep vatbare vorm kennis wordt gegeven.

 

Artikel 52 [52]

     Aansluitend op artikel 46 [46] regelt artikel 52 [52] de strafrechtelijke gevolgen van het niet nakomen van de informatieverplichtingen door degene die aan de vrijwillige verzekering deelneemt. Voor wat betreft de sancties in geval van een valse opgave van informatie en bedrog alsmede de aanwijzing van opsporingsambtenaren, hun bevoegdheden en geheimhoudingsplicht worden in deze wet de bepalingen van de AOW van overeenkomstige toepassing verklaard.

 

Artikel 53 [53]

     Op grond van de Wet van 29 september 1986 ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn en de Wet van 11 september 1987 tot wijziging van eerstgenoemde wet zijn werkgevers die langdurig werklozen in dienst nemen in de periode van 1 oktober 1986 tot en met 31 december 1988 vrijgesteld van de betaling van werkgeverspremies (voor wat betreft de premies volksverzekeringen gaat het daarbij om de opslagpremies AAW, AKW en AWBZ). Deze vrijstelling geldt voor maximaal vier jaar. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan deze periode, gehoord de Stichting van de Arbeid, met één jaar verlengen.
    
rblz.|19| In de nieuwe heffingssystematiek komen de opslagpremies niet meer ten laste van de werkgevers en komt dit gedeelte van de vrijstelling te vervallen. Teneinde voor de betrokken werkgevers en werknemers grosso modo gedurende de resterende periode dat het wetsvoorstel effectief zou kunnen zijn (tot uiterlijk 31 december 1993) een zelfde resultaat te bereiken als in het huidige regime, stellen wij voor om voor deze werknemers een apart heffingsregime te creëren, inhoudende dat op de premie verschuldigd over het bij de werkgever genoten loon een korting wordt toegepast ter grootte van de premies voor de AKW, de AWBZ en de AAW. De korting op dit looninkomen wordt ook toegepast bij heffing van de premie bij wege van aanslag. Zonder nadere voorziening zou immers in de aanslagsfeer een inhaaleffect optreden waarbij de in mindering gebrachte premie alsnog verschuldigd zou worden.
     In het tweede lid wordt daarom bepaald dat in de totaal verschuldigde premie over een op basis van inkomensevenredigheid bepaald gedeelte de premies voor de AKW, de AWBZ en AAW niet in de heffing zijn begrepen.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf

De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
D.J.D. Dees

De Staatssecretaris van Financiën,
H.E. Koning

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wfv | voorstel van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x