|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1987-1988, 20 625
Financiering
van de volksverzekeringen (Wet premieheffing
volksverzekeringen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Hoofdlijnen
van de voorstellen van de commissie-Oort met betrekking tot de
premieheffing volksverzekeringen |
| 2.1 |
Uniformering
van de grondslag van belasting- en premieheffing |
| 2.2 |
Gevolgen
van de uniformering van de grondslag voor het karakter van de
premieheffing |
| 2.3 |
Kabinetsstandpunt van 23 december 1986 |
| 3 |
Uitgebrachte
adviezen |
| 3.1 |
Het
SER-advies |
| 3.2 |
Het
advies van de Emancipatieraad (ER) |
| 3.3 |
Advies
van de Ziekenfondsraad |
| 4 |
Reactie
van het kabinet op de uitgebrachte adviezen |
| 4.1 |
Verzekeringsgedachte en solidariteit van de
volksverzekeringen |
| 4.2 |
Zeggenschap en financiering |
| 4.3 |
Gelijke
behandeling van mannen en vrouwen/Derde EG-richtlijn |
| 4.4 |
Vrijstelling AKW-premie |
| 4.5 |
Afzonderlijke voorstellen |
| 4.6 |
Advies
van de Ziekenfondsraad |
| 5 |
Nadere
uitwerking |
| 5.1 |
Het
wetsvoorstel in hoofdlijnen |
| 5.2 |
Schuldige nalatigheid |
| 5.3 |
Vrijwillige
premiebetaling |
| 5.4 |
Regeling gemoedsbezwaarden |
| 6 |
Dereguleringsaspecten |
| 7 |
Gevolgen
voor de positie van vrouwen |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
2 t/m 53 |
[Algemeen, red.]
1.
Inleiding
Het
belang van een eenvoudige en doorzichtige belasting- en
premieheffing wordt alom erkend.
Sinds een
reeks van jaren is er sprake van een toenemende
complexiteit van regelgeving met betrekking tot de
belastingheffing en de premieheffing. Tegelijkertijd is
de kritiek op de toegenomen ingewikkeldheid en
ondoorzichtigheid van de wetgeving toegenomen. Dit
heeft ertoe geleid dat in september 1985 de Commissie
tot vereenvoudiging van de loon- en inkomstenbelasting,
verder te noemen de commissie-Oort, werd ingesteld.
Deze had tot taak om vereenvoudigingsvoorstellen met
betrekking tot de loon- en inkomstenbelasting te doen;
daarbij diende zij mede de mogelijkheden te onderzoeken
van een integratie van de heffing van de premies voor de
volksverzekeringen en die van de loonbelasting en de
inkomstenbelasting. In mei 1986 heeft de commissie-Oort
haar rapport, getiteld Zicht op eenvoud, aangeboden.
Kernpunt in
het rapport van de commissie-Oort is het voorstel om te
komen tot een gecombineerde heffing van belastingen en
premies volksverzekeringen over een lang
inkomenstraject, gekoppeld aan een vereenvoudiging van
de horizontale tariefstructuur.
Als
uitvloeisel van het Regeerakkoord heeft het kabinet
onmiddellijk na zijn aantreden de nadere uitwerking van
de voorstellen met kracht ter hand genomen. Dit heeft
geresulteerd in de formulering van het kabinetsstandpunt dat op 23 december 1986 aan de Tweede
Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 1986-1987, 19 567,
nrs. 4-5). Tegelijkertijd is met betrekking tot een
aantal onderdelen van de voorstellen advies gevraagd aan
de Sociaal-Economische Raad (SER), de Stichting van de
Arbeid en de Emancipatieraad. Het kabinet stelde zich
daarbij op het standpunt dat het wenselijk is om de
voorstellen in hoofdlijnen uit te voeren.
Wat betreft
de premieheffing volksverzekeringen heeft het kabinet
daarbij geconstateerd dat in verband met deze
voorstellen de wetgeving in belangrijke mate moet worden
herzien. Daarbij is het voornemen kenbaar gemaakt om van
deze gelegenheid gebruik te maken om de nu over de
onderscheiden volksverzekeringswetten verdeelde
wetgeving vast te leggen in een nieuwe Wet premieheffing
volksverzekeringen. Aangekondigd is dat daarbij
gebruikgemaakt zal worden van het wetsontwerp Financieringswet
Sociale Zekerheid, dat destijds door de Staatscommissie rblz.|2|
vereenvoudiging
en codificatie van de socialezekerheidswetgeving
(commissie-Veldkamp)
is opgesteld.
De hierboven
genoemde adviesorganen hebben alle hun adviezen
vastgesteld. In dit wetsvoorstel worden de uitgebrachte
adviezen besproken voor zover zij betrekking hebben op
de premieheffing volksverzekeringen.
De opbouw
van deze memorie van toelichting is als volgt: in
hoofdstuk 2 worden de voorstellen van de commissie-Oort,
voor zover deze betrekking hebben op de premieheffing
volksverzekeringen, besproken.
Hoofdstuk 3
bevat een bespreking van de uitgebrachte adviezen.
In hoofdstuk
4 wordt de zienswijze van het kabinet op de uitgebrachte
adviezen besproken, voor zover deze betrekking hebben op
de premieheffing volksverzekeringen. In hoofdstuk 5
staat de technische uitwerking van dit wetsvoorstel in
hoofdlijnen.
In de
hoofdstukken 6 en 7 wordt ingegaan op de
dereguleringsaspecten respectievelijk op de specifieke
gevolgen voor vrouwen.
Op deze
plaats zou het kabinet nog op het volgende willen
wijzen. Het kabinet is voornemens met ingang van 1
januari 1989 de uitgaven op grond van de AKW
uit de
algemene middelen te financieren. Hiervoor is op 17 juni
1988 advies gevraagd aan de SER. Deze voorgenomen
wijziging zal de nodige aanpassingen tot gevolg hebben
in het onderhavige
wetsvoorstel. Bij het te zijner tijd
in te dienen wetsvoorstel zal dit wetsvoorstel in
verband daarmee worden aangepast.
Voorts zij
op deze plaats nog gewezen op het volgende. De
voorstellen van het kabinet met betrekking tot het
tarief behorend bij het wetsvoorstel vereenvoudiging
tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en
inkomstenbelasting zullen plaatsvinden in een apart
voorstel voor een Wet inwerkingtreding voorstellen
commissie-Oort. Het is de bedoeling om in dat
wetsvoorstel ook de financiële aspecten met betrekking
tot de invoeringsvoorstellen te behandelen. Dit
betekent dat pas op het moment van de indiening van
laatstgenoemd wetsvoorstel de financiële gevolgen op
basis van actuele gegevens zullen worden gepresenteerd.
Het is de bedoeling om op het moment dat het
wetsvoorstel Inwerkingtreding voorstellen commissie-Oort
wordt ingediend aan het parlement een financiële
paragraaf betreffende het onderhavige wetsvoorstel te
doen toekomen.
2.
Hoofdlijnen van de voorstellen van de commissie-Oort met
betrekking tot de premieheffing volksverzekeringen
Zoals in de
inleiding reeds is aangegeven, bestaat de kern van de
voorstellen van de commissie-Oort uit de heffing van
belasting en premies volksverzekeringen over een lang
inkomenstraject op grond van een gecombineerd tarief.
Tegelijkertijd worden de premies volksverzekeringen,
die nu nog voor rekening van de werkgevers komen, ten
laste van de werknemers gebracht. Ter compensatie wordt
aan de werknemers een tijdelijke overhevelingstoeslag
toegekend. De nadere uitwerking van deze
overhevelingstoeslag is geregeld in het wetsvoorstel
onderhevelingstoeslag opslagpremies. In het kader van
het onderhavige wetsvoorstel wordt op deze zogenaamde
overhevelingsoperatie niet nader ingegaan. Hieronder
worden de diverse aspecten van de voorstellen met
betrekking tot de premieheffing volksverzekeringen nader
uitgewerkt.
2.1.
Uniformering van de grondslag van belasting- en
premieheffing
Op dit
moment geschiedt de heffing van de AOW/AWW-premie met
het zogenaamde premie-inkomen als maatstaf. Dit inkomen
is, indien de rblz.|3|
premieheffing
bij wege van aanslag geschiedt, het belastbaar inkomen,
vermeerderd met de als persoonlijke verplichting in
aanmerking genomen premies AOW/AWW en verminderd met de
ontvangen AOW/AWW-uitkeringen.
Wat betreft
de premies voor de AAW, de
AKW en de AWBZ, de zogenaamde
opslagpremies, is de maatstaf voor de heffing op dit
moment de op aanslag of bij wijze van inhouding
verschuldigde premies AOW/AWW.
In de nieuwe
opzet worden volgens de voorstellen van de
commissie-Oort de belasting en alle premies
volksverzekeringen over dezelfde grondslag geheven.
Omdat de aftrekbaarheid van de premies
volksverzekeringen vervalt, wordt het belastbaar inkomen
gelijk aan het premie-inkomen. Tevens worden de
ontvangen AOW/AWW-uitkeringen in de heffing betrokken.
Zoals de
commissie in haar rapport aangeeft, is de uniformering
van de maatstaf als een niet onbelangrijke
vereenvoudiging te beschouwen. Daarnaast maakt de
uniformering van de maatstaf het mogelijk om te komen
tot combinering van de heffingen voor de belasting en de
premies volksverzekeringen over een zelfde grondslag
over een lang traject.
De commissie
stelt voor om de heffing van de premies
volksverzekeringen, gecombineerd met de heffing van de
loon- of inkomstenbelasting, in de eerste tariefschijf
van de door de commissie voorgestelde tarieflijn te doen
plaatsvinden. In de visie van de commissie zou in het
kader van de uniformering van de grondslag uitbreiding
van de premieheffing tot alle leeftijdscategorieën
moeten plaatsvinden. De lange eerste schijf leidt ertoe
dat voor het merendeel van de heffingsplichtigen (88%,
op basis van cijfers van 1985) een proportioneel tarief
bij de gecombineerde heffing van de belastingen en
premies volksverzekeringen resulteert.
In
vergelijking met de bestaande situatie is er sprake van
een aanzienlijke wijziging van de heffingsgrondslag.
Het voorstel
impliceert tevens dat de heffingvrije som aan de voet,
de basisaftrek, ook voor de premieheffing
volksverzekeringen van toepassing wordt.
Tegelijkertijd
heeft de commissie voorstellen gedaan om de horizontale
tariefstructuur te vereenvoudigen.
2.2.
Gevolgen van de uniformering van de grondslag voor het
karakter van de premieheffing
Ook bij de
gecombineerde heffing van premies volksverzekeringen en
belastingen blijven de premies in de voorstellen van de
commissie herkenbaar. Het aanslagbiljet vermeldt het
belasting- en premiedeel afzonderlijk.
De
premiebetaling blijft gekoppeld aan de
verzekeringsplicht.
Daarnaast
blijven in de voorstellen van de commissie de
bestuurlijke kaders met betrekking tot de taken en
bevoegdheden van de fondsbesturen, van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) intact. Het
premiedeel in de eerste schijf is de som van de premies
welke voor de vijf afzonderlijke volksverzekeringen
jaarlijks worden vastgesteld en zal van jaar tot jaar
kunnen verschillen.
Het
combineren van de heffing van de premies
volksverzekeringen en de loon- en de inkomstenbelasting
leidt er, zoals hiervoor reeds is aangegeven, in de
visie van de commissie toe dat ook personen jonger dan
15 jaar en van 65 jaar of ouder in beginsel in de
premieheffing worden betrokken. Voor personen van 65
jaar of ouder heeft de commissie een korting op de
premie voor de volksverzekeringen voorgesteld ter
grootte van de verschuldigde AOW/AWW-premie. Indien zij
volledig in de heffing zouden worden betrokken, zouden
sterk negatieve inkomenseffecten resulteren.
rblz.|4|
2.3.
Kabinetsstandpunt van 23 december 1986
In het
standpunt van het kabinet van 23 december 1986 is mede
uitvoerig aandacht besteed aan de consequenties van de
voorstellen van de commissie op het terrein van de
premieheffing volksverzekeringen. Ten aanzien van de
uniformering van het heffingsinkomen en de grondslag en
de invoering van een gecombineerd tarief over een lange
eerste schijf, welke als de kern van de
vereenvoudigingsoperatie is te beschouwen, heeft het
kabinet zich achter de voorstellen van de commissie
gesteld. Een belangrijke overweging van het kabinet
daarbij is geweest dat het karakter van de premieheffing
voor de volksverzekeringen ongewijzigd kan blijven.
Het kabinet,
constaterende dat de premieheffing tot alle
leeftijdscategorieën wordt uitgebreid, heeft zich op
het standpunt gesteld dat de consequentie van dit
voorstel dient te zijn dat ook de verzekeringsplicht
voor elk van de vijf volksverzekeringen in die zin dient
te worden geüniformeerd dat deze aanvangt bij de
geboorte en door blijft lopen tot na het bereiken van de
65-jarige leeftijd zonder dat daaraan een uitbreiding
van de in die verzekeringen geregelde prestaties
tegenoverstaat. Consequentie van deze keuze is dat ook
premie verschuldigd is indien het verzekerde risico is
ingetreden.
Het kabinet
heeft advies gevraagd over het voorstel van de
commissie, over het kabinetsstandpunt alsmede over een
aantal specifieke aspecten (bijvoorbeeld de
invorderingsvrijstellings- en reductieregeling, toets
van de voorstellen aan de Derde Europese richtlijn
[lees: Derde
EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, red.],
afschaffing premievrijstelling van ongehuwde vrouwen
van 45 jaar of ouder voor de AKW).
3.
Uitgebrachte adviezen
De
adviesorganen hebben in de loop van 1987 hun adviezen
uitgebracht. In deze memorie wordt hierop ingegaan voor
zover deze betrekking hebben op de premieheffing voor de
volksverzekeringen.
3.1. Het
SER-advies
De SER heeft
op 16 oktober 1987 zijn advies vastgesteld. In de
discussie heeft centraal gestaan de keus voor een
beleidsalternatief voor de bruteringsoperatie. De
belangrijkste alternatieven die daarbij een rol hebben
gespeeld, zijn het zogenaamde alternatief B en het
alternatief-Kombrink. In het alternatief B wordt de
uniformering van de heffingsgrondslag beperkt tot de
belasting- en de premieheffing AOW/AWW. De gecombineerde
heffing zou alleen gelden voor de AOW/AWW. Voor de
opslagpremies zou het bestaande inkomenstraject blijven
bestaan.
Het
alternatief-Kombrink houdt in dat in plaats van een
brutering van de lonen compensatie van de overheveling
plaats zal vinden door middel van een
overhevelingstoeslag; in dit alternatief blijft de door
de commissie-Oort voorgestelde uniformering van de
belasting- en premieheffing gehandhaafd.
In hoofdstuk
2 van het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur
en aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting worden
de alternatieven en de keuze van het kabinet voor het
alternatief-Kombrink nader besproken.
3.1.1.
Verzekeringsgedachte en solidariteit in de
volksverzekeringen
De SER brengt in herinnering dat bij de invulling van de
volksverzekeringen niet is aangesloten bij de klassieke
verzekeringsgedachte, welke uitgaat van causaliteit en
equivalentie tussen premiebetaling en uitkeringskans en
tussen premiebedrag en uitkeringsbedrag. Door de
procentuele premieheffing over het inkomen wordt op
grond van draagkrachtverschillen rblz.|5|
tot op
zekere hoogte uitdrukking gegeven aan de solidariteit
tussen hoger en lager betaalden. Door middel van de
premie-inkomensgrens wordt een grens gesteld aan de
solidariteit van hogere inkomens met lagere inkomens. De
voorstellen van de commissie leiden tot een wijziging
van de financieringsbasis van de volksverzekeringen.
De
uitbreiding van de kring van verzekerden en daaraan
gekoppeld de uitbreiding van de premieplicht acht de SER
verdedigbaar op basis van het in de volksverzekering
dominerende solidariteitsbeginsel. Deze elementen zijn
als een verbreding van de solidariteit te beschouwen.
Voorts acht de SER het acceptabel dat AOW- en
AWW-uitkeringen in de premieheffing worden betrokken.
De SER wijst
er in dat verband op dat ook in de
loondervingsverzekeringen voor werknemers sinds 1
januari 1987 premies geheven worden wanneer het
verzekerde risico is ingetreden.
In de visie
van de SER past ook het voorstel tot afschaffing van de
vrijstelling AKW-premie voor ongehuwde vrouwen van 45
jaar of ouder.
Ten aanzien
van het inkomenstraject waarover de premie verschuldigd
zal zijn, merkt de SER op dat er enerzijds sprake is van
een vergroting van de solidariteit (als gevolg van de
invoering van de premievrije som en van het vervallen
van de leeftijdsgrenzen voor de premieplicht), anderzijds
van een verkleining van de solidariteit (als gevolg van
de verlaging van de maximumgrens waarover de premies
verschuldigd zullen zijn).
De SER trekt
hieruit de conclusie dat de vraag of er op dit punt van
een vergroting of van een verkleining van de
solidariteit sprake is, niet eenduidig is te
beantwoorden.
Ten aanzien
van de keus van het kabinet om voor de aanpassingen van
de basisaftrek en de tariefschijven (en derhalve ook de
premie-inkomensgrens) te kiezen voor de
inflatiecorrectie stelt de SER dat hier sprake is van
een verkleining van de solidariteit in het geval de
inkomens meer stijgen dan de prijzen.
3.1.2.
Zeggenschap en financiering
In de
voorstellen van de commissie-Oort is er sprake van het
combineren van de heffing van belastingen en premies. De
vraag moet, aldus de SER,
beantwoord worden of de
introductie van een gecombineerd tarief leidt tot een
uitholling van de bevoegdheden van de besturen van de
sociale fondsen en zo tot een aantasting van het
verzekeringskarakter van de volksverzekeringen. De SER
maakt daarbij onderscheid tussen de premievaststelling
enerzijds en de vaststelling van het inkomenstraject
waarover de premie wordt geheven anderzijds.
Ten aanzien
van de premievaststelling merkt de SER op dat de
verantwoordelijkheid van de besturen van de sociale
fondsen in juridisch opzicht geen wijziging ondergaat.
De fondsbesturen blijven op dezelfde wijze de premies
vaststellen.
Van belang
is evenwel op welke wijze mutaties in het premiedeel
doorwerken in het inkomenstraject waarover de premies
voor de volksverzekeringen worden geheven, de eerste
tariefschijf. Indien mutaties in het premiedeel leiden
tot een wijziging van het tariefpercentage van de eerste
schijf, is een zelfstandige besluitvorming over de
premieheffing mogelijk. Indien mutaties in het
premiedeel geheel of gedeeltelijk hun doorwerking zouden
vinden naar het belastingdeel in de eerste schijf, dan
impliceert dit dat belastingen en premies als
uitwisselbare grootheden zouden worden beschouwd. Er
zou, aldus de SER, in dat geval van een volledige
integratie van belastingen en premies sprake zijn.
Wat betreft
de vaststelling van het inkomenstraject stelt de SER dat
als gevolg van het combineren van de heffingen niet aan
de volksverzekeringen ontleende overwegingen een grotere
rol zullen kunnen spelen. Aanpassingen van het traject
kunnen immers door andere (bijvoorbeeld budgettaire of
inkomenspolitieke) overwegingen zijn ingegeven. De Raad
is van mening rblz.|6|
dat
structurele wijzigingen van de premie-inkomensgrens wat
de uitvoeringstechnische aspecten betreft aan de
Sociale Verzekeringsraad (SVr) en wat de
sociaal-economische aspecten betreft aan de SER ter advisering dienen te
worden voorgelegd.
3.1.3.
Gelijke behandeling van mannen en vrouwen; Derde
EG-richtlijn
De SER buigt
zich voorts over de vraag van het kabinet of de
voorstellen van de commissie met betrekking tot de
overheveling van de basisaftrek op grond van de Derde
EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en
vrouwen in de sociale zekerheid tot indirecte
discriminatie leiden.
De SER stelt vast dat bij toetsing van de overheveling het begrip
indirecte discriminatie nog steeds moeilijk hanteerbaar
is. Dit geldt in het bijzonder voor de premieheffing. De
Raad is van oordeel dat de mate van profijt van de
overdracht van de basisaftrek een te beperkt criterium
is om een vermoeden van indirecte discriminatie uit te
kunnen spreken.
Bij de
beoordeling dient de overdracht te worden bezien binnen
het kader van de totale premieheffingstructuur. Daarbij
spelen solidariteitselementen een belangrijke rol. De
overheveling van de basisaftrek, waarmee wordt beoogd
rekening te houden met de relatief beperkte draagkracht
van (bijna-)alleenverdieners, past in de totale
premieheffingsstructuur. Gelet op de
premieheffingsstructuur levert de overheveling geen
vermoeden van indirecte discriminatie op.
Tegen deze
achtergrond worden de door het kabinet genoemde
objectieve rechtvaardigingsgronden, voor het geval er
toch sprake zou zijn van een vermoeden van indirecte
discriminatie, verder niet door de SER besproken.
3.1.4.
Afzonderlijke voorstellen
Op een
aantal specifieke onderdelen van de voorstellen worden
door de SER kanttekeningen gemaakt. In het kader van
dit
wetsvoorstel behoeven alleen de kanttekeningen van de
SER met betrekking tot de WIR-premie [WIR: Wet
investeringsregeling, red.] en de
invorderingsvrijstellings- en reductieregeling een
nadere bespreking.
De SER stelt
vast dat bij winstniveaus tussen globaal ƒ35 000,- en ƒ75
000,- per jaar minder WIR-premie verrekend kan worden als
gevolg van de voorstellen. Dit effect vindt in feite
zijn ontstaansbron in de per 1 mei 1986 afgeschafte
negatieve aanslag. Het bij de verrekening van de
WIR-premies betrekken van het premiedeel in de heffing
zou dit effect volgens de SER kunnen beperken. Voor wat
betreft de invorderingsvrijstellings- en
reductieregeling merkt de Raad op dat bij het zoeken
naar een definitieve oplossing meer recht moet worden
gedaan aan het uitgangspunt dat inkomenseffecten dienen
te worden gecompenseerd.
3.2. Het
advies van de Emancipatieraad (ER)
De ER heeft
in zijn advies van 2 juni 1987 zijn standpunt over de
hoofdlijnen van het rapport van de commissie-Oort en van
het kabinetsstandpunt gegeven. In het kader van de
bespreking van dit wetsvoorstel verdienen vooral de
aandacht de opvatting van de Raad met betrekking tot de
toepassing van de Derde EG-richtlijn inzake gelijke
behandeling van mannen en vrouwen in de sociale
zekerheid en in verband daarmee de suggestie die de Raad
doet met betrekking tot de overdracht van de
basisaftrek.
De
overdracht van de basisaftrek zal volgens de Raad ten
goede komen aan kostwinners. Kostwinners zijn voor het
overgrote deel mannen. Het kostwinnerscriterium roept
dan ook naar de mening van de Raad een vermoeden op van
indirecte discriminatie.
rblz.|7|
De door het
kabinet aangevoerde objectieve gronden om dit verschil
te rechtvaardigen, het positieve arbeidsmarkteffect voor
vrouwen en de vereenvoudigingsdoelstelling, voldoen
volgens de Raad niet. De genoemde objectieve
rechtvaardigingsgronden doen, aldus de Raad, niet af aan
het feit dat onderdelen van de voorstellen
discriminerend werken. Voorts stelt de ER vast dat de
door de Europese Commissie wel aanvaarde objectieve
rechtvaardigingsgrond, namelijk dat er sprake moet zijn
van een regeling ter bescherming van een minimuminkomen,
niet van toepassing is. De enige mogelijkheid die de
Raad ziet, is de verandering van de systematiek van de
overdracht van de basisaftrek.
Ten aanzien
van deze overdracht van de basisaftrek wordt opgemerkt
dat de nieuwe systematiek een verbetering is ten
opzichte van de bestaande overheveling van de
belastingvrije som (voetoverheveling).
Deze
zienswijze wordt ingegeven door het feit dat het
inkomenstraject waarover deze overdracht speelt, wordt
verkort.
Daarnaast
speelt het progressie-effect bij de overdracht voor een
veel kleinere groep belastingplichtigen vanwege de
verlenging van de eerste tariefschijf.
Teneinde de
negatieve werking van de overheveling van de basisaftrek
die optreedt indien het heffingsinkomen van de meest
verdienende partner boven de eerste tariefschijf
uitkomt, weg te nemen, wordt voorgesteld om niet de
basisaftrek over te hevelen, maar om het belasting- en
premievoordeel zelf, berekend tegen een tarief van 40%,
af te trekken van het belastingdeel van de verschuldigde
inkomensheffing van de meest verdienende partner. Door
de verrekening tot het belastingdeel te beperken, wordt
in de visie van de Raad strijdigheid met de Derde
EG-richtlijn voorkomen.
Met
betrekking tot de premievrijstelling voor de AKW
voor
ongehuwde vrouwen van 45 jaar of ouder merkt de Raad op
dat met name gezien het cumulatieve effect van de
voorgenomen afschaffing van de alleenstaandentoeslag
een overgangsregeling zeker nodig is.
3.3. Advies
van de Ziekenfondsraad
Nadat het
kabinet een voorlopig standpunt had bepaald met
betrekking tot de adviezen van de SER
en de Stichting
van de Arbeid, is op 27 november 1987 technisch advies
gevraagd inzake een voorontwerp van Wet premieheffing
volksverzekeringen aan de Ziekenfondsraad (Zfr). De Raad
heeft geconstateerd dat de in dit wetsvoorstel aan de
orde zijnde wijzigingen met betrekking tot de
premieheffing, de premievaststelling en het fondsbeheer
geen uitvoeringstechnische consequenties zullen hebben.
Wel signaleert de Raad dat er bij de herschikking van de
in de verschillende volksverzekeringen opgenomen
bepalingen wijzigingen zijn opgetreden ten opzichte van
de huidige wetgeving in die zin dat bepaalde
bevoegdheden verlegd zouden zijn naar de minister c.q.
ministeriële bevoegdheden uitgebreid zouden worden.
4.
Reactie van het kabinet op de uitgebrachte adviezen
Het kabinet
stelt met instemming vast dat de SER
van oordeel is dat
het voorstel van de commissie-Oort het karakter van de
volksverzekeringen niet aantast. Ten aanzien van de
Derde EG-richtlijn komen de SER en de ER tot
verschillende conclusies. Hieronder wordt de reactie van
het kabinet op deze standpunten voor zover nodig
besproken.
rblz.|8|
4.1.
Verzekeringsgedachte en solidariteit van de
volksverzekeringen
De conclusie
van de SER dat er elementen in de voorstellen zitten
die enerzijds tot vergroting en anderzijds tot
verkleining van de solidariteit leiden, wordt door het
kabinet onderschreven. In de adviesaanvrage aan de SER
heeft het kabinet daarom gesproken van een herschikking
van solidariteitselementen in de volksverzekeringen. Het
kabinet is van mening dat het geheel van de voorstellen,
bezien vanuit het solidariteitsaspect, tot een
aanvaardbaar resultaat leidt.
De
zienswijze van de SER dat de aanpassing van de
basisaftrek en de tariefschijven op grond van de
inflatiecorrectie leidt tot een verkleining van het
draagvlak en derhalve van de solidariteit, indien de
lonen sneller stijgen dan de prijzen, is op zich juist.
Het kabinet tekent daarbij aan dat indien zich de
omgekeerde situatie voordoet, zoals met name in het
begin van de jaren '80 het geval is geweest, een
vergroting van het draagvlak zal optreden. Naar de
mening van het kabinet kan daarom niet zonder meer
gesteld worden dat de keus voor een bepaalde
aanpassingssystematiek de solidariteit in een bepaalde
richting beïnvloedt. Indien zich gedurende een reeks
van jaren een ontwikkeling voordoet waarbij lonen
sneller stijgen dan de prijzen, dan wel indien zich de
omgekeerde situatie voordoet, zullen de
solidariteitsverhoudingen zich langs een andere lijn
ontwikkelen dan bij de huidige systematiek. Bij het
beoordelen van toekomstige wijzigingen in het tarief,
dat wil in dit verband zeggen de basisaftrek en de
lengte van de eerste tariefschijf, zullen derhalve ook
dergelijke elementen een rol gaan spelen. Bij die
besluitvorming zijn evenwel ook andere
sociaal-economische aspecten van betekenis.
4.2.
Zeggenschap en financiering
Het kabinet
heeft zowel in het standpunt als in de adviesaanvrage er
steeds met nadruk op gewezen dat het juridische kader
met betrekking tot de premievaststelling en het
fondsbeheer gehandhaafd blijft. Niettemin vreest de SER
dat de overheid, meer dan thans het geval is,
belastingen en premies als uitwisselbare grootheden gaat
beschouwen.
Het kabinet
heeft evenwel duidelijk aangegeven dat het geenszins
deze bedoeling heeft. Het percentage in de eerste
tariefschijf bestaat uit twee componenten, enerzijds uit
een belastingcomponent en anderzijds uit een
premiecomponent die de som is van de vijf afzonderlijk
vastgestelde premies voor de volksverzekeringen. Deze
som zal van jaar tot jaar kunnen verschillen. Voor het
kabinet is dit aspect essentieel. Het kabinet
onderschrijft volledig de zienswijze dat het karakter
van de premieheffing gehandhaafd moet blijven. Alleen op
deze wijze kan zeker gesteld worden dat de bestuurlijke
verhoudingen met betrekking tot de sociale zekerheid
onaangetast blijven.
Voor wat
betreft toekomstige aanpassingen van het inkomenstraject
onderschrijft het kabinet de stellingname van de SER
dat niet aan de volksverzekeringen ontleende
overwegingen een grotere rol kunnen spelen bij de
aanpassingen van het aan de premieheffing onderworpen
inkomenstraject.
In het
nieuwe systeem kunnen immers zowel overwegingen vanuit
de sociale verzekeringen als vanuit de belastingheffing
van belang zijn bij de vaststelling van het traject
waarover de gecombineerde heffing dient plaats te
vinden. De besluitvorming van dat inkomenstraject zal
dan ook een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de
Minister van Financiën en van de Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn. Het kabinet deelt de
zienswijze dat structurele aanpassingen van het
inkomenstraject waarover de premies worden geheven ter
advisering aan de SER moeten worden voorgelegd. Een
nadere technische advisering op dit punt door de SVr
acht het kabinet minder zinvol.
Het gaat bij
een structurele verandering van het inkomenstraject
immers om een sociaal-politieke zaak.
rblz.|9|
4.3. Gelijke
behandeling van mannen en vrouwen/Derde EG-richtlijn
De
stellingname van de ER dat de voorgestelde overheveling
van de basisaftrek leidt tot een heffingsstelsel dat als
indirect discriminerend is te beschouwen, wordt door het
kabinet niet onderschreven. Naar de mening van het
kabinet gaat de ER voorbij aan de stellingname van het
kabinet dat voor een beoordeling van de vraag of er
sprake is van indirecte discriminatie de effecten van de
overdracht ook in ruimer verband kunnen worden bezien.
Met name gaat het daarbij om de relatie tussen betaalde
premie en prestatie. Het kabinet is dan ook van mening
dat de visie van de SER in deze onderschreven kan
worden. De door het kabinet aangevoerde objectieve
rechtvaardigingsgronden voldoen niet naar de mening van
de ER, maar worden door de Raad niet nader besproken.
Wel constateert de ER dat de wel aanvaarde objectieve
rechtvaardigingsgrond, namelijk dat er sprake moet zijn
van een kostwinnersvoordeel op minimumniveau, niet van
toepassing is. Het kabinet is, zoals aangegeven in de
adviesaanvrage, evenwel van mening dat er indien een
vermoeden van indirecte discriminatie aanwezig wordt
geacht, ook andere objectieve rechtvaardigingsgronden
kunnen zijn.
Met name
heeft het kabinet er daarbij op gewezen dat
inkomenseffecten van wijzigingen in de belasting en
premieheffing volksverzekeringen ook in het verleden
steeds in samenhang zijn bekeken. Het maakt materieel
geen verschil uit of er sprake is van een verhoogde
belastingvrije som voor alleenverdieners zoals die op
dit moment geldt of van de voorgestelde dubbele
basisaftrek voor alleenverdieners bij een gecombineerde
heffing. Voorts vormt de gecombineerde heffing over een
lang inkomenstraject de kern van de
vereenvoudigingsvoorstellen. Teneinde daarbij de
inkomensachteruitgang voor de lagere inkomens te
beperken, is een basisaftrek de enige mogelijke
oplossing. Daarbij is gekozen voor een basisaftrek die
bij een (bijna-)alleenverdienerssituatie kan worden
overgedragen. Het kabinet deelt in deze de overwegingen
van de commissie-Oort en is van mening dat het rekening
houden met de alleenverdienerssituatie niet op een
andere manier kan worden gerealiseerd zonder afbreuk te
doen aan de vereenvoudigingsdoelstelling. Het met deze
voorstellen gehanteerde middel is, naar de mening van
het kabinet, geschikt en noodzakelijk te achten om het
vastgestelde doel, te weten vereenvoudiging, te bereiken.
Met
betrekking tot een aantal aspecten van socialeverzekeringsregelingen is inmiddels de vraag aan de
orde of er strijdigheid is met internationaalrechtelijke verplichtingen. In de
zienswijze van het kabinet gelden vorengenoemde
overwegingen eveneens bij een eventuele toetsing van dit
wetsvoorstel aan die verplichtingen.
Het voorstel
van de ER om de kostwinnersvoordelen, berekend op basis
van het belasting- en premievoordeel van de
niet-verdienende vrouw, af te trekken van het
belastingdeel van de verschuldigde inkomensheffing wordt
door het kabinet niet overgenomen. In het kader van het
wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en
aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting wordt in
een bijlage hierop in het bijzonder ingegaan. Op deze
plaats zij hiernaar verwezen.
4.4.
Vrijstelling AKW-premie
In de
inleiding van deze memorie is aangegeven dat er in de
toelichting van wordt uitgegaan dat de AKW-operatie per
1 januari 1989 zal zijn gerealiseerd. Uitgaande van deze
veronderstelling zullen bij de invoering van de
vereenvoudigingsvoorstellen de eerder voorziene
negatieve inkomenseffecten als gevolg van het vervallen
van de vrijstelling van de AKW-premie zich niet
voordoen; om deze reden is ervan afgezien om een
overgangsregeling voor te stellen.
rblz.|10|
4.5.
Afzonderlijke voorstellen
Het kabinet
heeft mede naar aanleiding van de opmerkingen van de SER
besloten om de WIR-premie, voor zover die nog wordt
toegekend, thans gaat het daarbij alleen nog om de
kleinschaligheidstoeslag, ook verzekerbaar te stellen
tot het beloop van het premiedeel van de heffing. Ook in
de nieuwe systematiek zal een invorderingsvrijstellings-
en reductieregeling worden opgenomen. Deze regeling zal
gelden voor de belasting- en premieheffing tezamen.
Daarbij is het bereik gekoppeld aan de van toepassing
zijnde basisaftrek. Dit heeft tot gevolg dat het
voorstel van de commissie om de alleenstaandentoeslag
te laten vervallen, voor deze categorie in negatieve zin
doorwerkt naar de invorderingsvrijstellings -en
reductieregeling. Zoals aangegeven in de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel vereenvoudiging
tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en
inkomstenbelasting is het niet mogelijk gebleken om de
daarmee gepaard gaande negatieve inkomenseffecten te
compenseren.
4.6. Advies
van de Ziekenfondsraad
In het
wetsvoorstel is met de opmerkingen van de Zfr zoveel
mogelijk rekening gehouden, behoudens de suggestie van
de Raad om tot restitutie van de AWBZ-premie over te
gaan in bepaalde specifieke gevallen van dubbele
verzekering in EG-verband. Naar de mening van
ondergetekenden dient de door de Raad gesignaleerde
situatie niet in het kader van dit wetsvoorstel te
worden bezien.
Opgemerkt
zij voorts dat voor zover er al sprake is van de door
de Raad gesignaleerde verschuiving van bevoegdheden,
daardoor geen wijzigingen worden aangebracht in het
karakter van de volksverzekeringen (artikelen 42
[42] en 44
[44]).
Het gaat in die gevallen om een formalisering van de
bestaande praktijk.
5.
Nadere uitwerking
5.1. Het
wetsvoorstel in hoofdlijnen
In dit
wetsvoorstel worden de bepalingen met betrekking tot de
op te brengen middelen, de premievaststelling en het
fondsbeheer die in de afzonderlijke wetten zijn
opgenomen, samengebracht. Zoals opgemerkt, zal de
methodiek ter vaststelling van de premiepercentages niet
wijzigen. De premiepercentages worden structureel op
lastendekkend niveau vastgesteld. Voorts kunnen
fluctuaties in de premiepercentages worden afgezwakt
door, zoals overigens ook nu al gebeurt, eventuele
vermogensoverschotten en -tekorten in een periode
langer dan één jaar te verminderen.
In het
wetsvoorstel aanpassing uitkeringsregelingen
overheveling opslagpremies zullen de in verband hiermee
noodzakelijke wijzigingen in de afzonderlijke wetten met
betrekking tot de volksverzekeringen worden aangebracht
(het schrappen van de artikelen met betrekking tot de op
te brengen middelen, aanpassing van de leeftijdsgrenzen,
etc.). In dat wetsvoorstel zijn tevens de overige
wijzigingen in de socialeverzekeringswetten die
voortvloeien uit de voorstellen van de commissie-Oort
opgenomen. Wat betreft de kring van verzekerden wordt in
dit wetsvoorstel verwezen naar de afzonderlijke volksverzekeringswetten. Dit betekent dat ook de
uitbreidingen en beperkingen op grond van het Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen [zie ook Besluit
uitbreiding en beperking kring verzekerden
volksverzekeringen 1999, red.] van toepassing zijn. In de nieuwe
opzet is elke ingezetene vanaf zijn geboorte en ook na
het 65ste jaar verplicht verzekerd.
Bij de
heffingsmaatstaf wordt uitgegaan van het premie-inkomen
van de premieplichtige. Het bestaande onderscheid tussen
heffing van premie rblz.|11|
bij wege van
aanslag en heffing van premie bij wijze van inhouding
blijft bestaan. De belastbare som voor de premieheffing
is het premie-inkomen verminderd met de van toepassing
zijnde basisaftrek.
Als
belastbare som voor de premieheffing geldt volgens de
hoofdregel respectievelijk het belastbare inkomen in de
zin van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en het
zuivere loon in de zin van de Wet
op de loonbelasting 1964. Voorts is bepaald dat de regelen voor de heffing
en de invordering van de inkomstenbelasting
respectievelijk de loonbelasting van overeenkomstige
toepassing zijn. Dit impliceert dat in dit wetsvoorstel
geen afzonderlijke bepalingen zijn opgenomen voor
bijvoorbeeld de invorderingsvrijstellings- en
reductieregeling, de aanslaggrens, de beroepsprocedure,
het opleggen van de aanslag, de regeling met betrekking
tot de invordering, etc. Voorts is geregeld dat in die
gevallen dat er wel premieplicht maar geen
belastingplicht is, de regelen van de heffing en de
invordering eveneens van overeenkomstige toepassing
zijn.
Ook bij de
gecombineerde heffing blijven, zoals hiervoor reeds is
aangegeven, de premies volksverzekeringen en belasting
herkenbaar. De inhoudingsplichtige houdt één bedrag
in. Op de loonstrook en de jaaropgave wordt, in geval
van een gecombineerde heffing, één bedrag vermeld; via
een bij ministeriële regeling te bepalen rekenregel
wordt op de jaaropgave aangegeven hoe uit dit bedrag het
afzonderlijke bedrag van de premies volksverzekeringen
kan worden afgeleid. Op het aanslagbiljet zullen het
verschuldigde belasting- en premiedeel afzonderlijk
worden vermeld. Verrekening voor beide bedragen kan met
het via de gecombineerde heffing ingehouden bedrag
plaatsvinden.
5.2.
Schuldige nalatigheid
De regeling
met betrekking tot schuldige nalatigheid is ongewijzigd
overgenomen uit de AOW. Deze regeling houdt in dat
personen die schuldig nalatig zijn gebleven bij de
betaling van de premies volksverzekeringen, een korting
op het AOW-pensioen krijgen, gebaseerd op het tijdvak
waarover sprake is geweest van schuldige nalatigheid.
5.3.
Vrijwillige premiebetaling
De regeling
met betrekking tot de vrijwillige premiebetaling blijft
gehandhaafd. Voor de vrijwillige betaling van AOW/AWW/AAW
[lees: AOW/AWW/AAW-premie, red.] blijft verschuldigd het bedrag dat ten
hoogste gedurende een kalenderjaar ingevolge de
AOW/AWW/AAW verschuldigd is. Voor personen van de
Nederlandse nationaliteit blijft de mogelijkheid bestaan
dat de verschuldigde premie wordt vastgesteld op het
bedrag dat zij verschuldigd zouden zijn op grond van
artikel 8 [8] of 9
[9] van dit wetsvoorstel met een minimum van
5% van de maximaal verschuldigde premie.
5.4.
Regeling gemoedsbezwaarden
Zoals eerder
in het kabinetsstandpunt is aangegeven, acht het kabinet
het van essentieel belang dat het verzekeringskarakter
van de volksverzekeringen gehandhaafd blijft. Eén van
de elementen hiervan is de herkenbaarheid van de
premies in de ingehouden respektievelijk de op aanslag
betaalde heffing. Deze herkenbaarheid maakt het ook
mogelijk om de regeling gemoedsbezwaarden te handhaven.
6.
Dereguleringsaspecten
Het
onderhavige wetsvoorstel is voorgelegd aan de Commissie
voor de toetsing van wetgevingsprojecten. Dat leidt
ertoe dat de normale dereguleringstoets geen toepassing
vindt. Het advies van die commissie rblz.|12|
heeft mede
betrekking op het wetsvoorstel vereenvoudiging
tariefstructuur en aftrekposten in de loon- en
inkomstenbelasting. Wij zijn er de Commissie erkentelijk
voor dat zij haar advies binnen een kort tijdsbestek
heeft willen uitbrengen.
Blijkens
haar advies heeft de Commissie met instemming kennisgenomen van de voorstellen. Op een enkel onderdeel stelt
zij een technische wijziging voor.
Met de van
de zijde van de Commissie naar voren gebrachte
wijzigingsvoorstellen is grotendeels rekening gehouden
bij de nadere vormgeving van de wetsvoorstellen. Uit
coördinatieoverwegingen met betrekking tot de andere
beleggingsvoorschriften voor sociale fondsen hebben wij
er evenwel van afgezien om artikel 45
[45] aan te passen in
die zin dat de beleggingsvoorschriften bij algemene
maatregel van bestuur worden vastgesteld.
7.
Gevolgen voor de positie van vrouwen
De
voorstellen zullen naar verwachting van het kabinet ten
opzichte van de huidige situatie in zijn algemeenheid
een positief effect hebben op de
arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. Ten aanzien van de
vraag of dit voorstel een vermoeden van indirecte
discriminatie oproept zoals bedoeld in de Derde
EG-richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en
vrouwen heeft het kabinet het standpunt ingenomen dat er
naar zijn mening geen sprake is van een dergelijk
vermoeden. Wat betreft dit aspect zij verwezen naar paragraaf
4.3 van deze memorie.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel 2
[2]
In het algemeen deel van deze memorie is reeds opgemerkt dat
bij de vormgeving van dit wetsvoorstel de ideeën van de
Staatscommissie vereenvoudiging en codificatie van de socialezekerheidswetgeving en met name het
voorontwerp-Financieringswet model hebben gestaan. In
navolging van dat voorontwerp wordt voorgesteld in het
onderhavige wetsvoorstel de bestaande
financieringsstelsels op het terrein van de
volksverzekeringen - de verplichte en vrijwillige
verzekering - tot uitdrukking te brengen.
Artikel 3
[3]
In het kader
van het geheel van de wetsvoorstellen waar dit voorstel
deel van uitmaakt, zullen de leeftijdsgrenzen voor alle
volksverzekeringen worden geüniformeerd in die zin dat
voor elk der verzekeringen de leeftijdsgrenzen
vervallen. De verplichte verzekering vangt derhalve aan
bij de geboorte en eindigt bij overlijden. Een
verwijzing naar één van de afzonderlijke
volksverzekeringen is derhalve niet noodzakelijk. In een
apart wetsvoorstel zal de vorenbedoelde uniformering
worden geregeld.
Artikel 4
[4]
Onder Onze
Minister wordt verstaan Onze
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voor zover nodig in verband met de
premieheffing voor de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten, wordt Onze Minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
telkens uitdrukkelijk
genoemd. Daar waar in deze wet bij ministeriële
regeling nadere regels worden gesteld, geschiedt zulks
door Onze Minister, tenzij anders is aangegeven.
rblz.|13|
Artikel 5
[5]
Dit artikel
bevat de algemene regel dat de lasten van de
volksverzekeringen met premies worden gefinancierd. Dit
sluit het verlenen van bijzondere rijksbijdragen evenwel
niet uit. Een dergelijke bijdrage is in dit wetsvoorstel
beperkt tot de AWBZ. Verwezen wordt in dit verband naar
artikel 39 [39], tweede lid. Teneinde duidelijk te laten
uitkomen dat het verlenen van rijksbijdragen slechts in
specifieke gevallen plaatsvindt, is ervan afgezien om de
rijksbijdragen als bron van financiering aan artikel 5
[5] toe te voegen.
Artikel 6
[6]
In dit
artikel is geregeld dat in beginsel elke verzekerde voor
elk van de volksverzekeringen premieplichtig is. In
artikel 10 [10], tweede lid, is een uitzondering gemaakt voor
personen van 65 jaar of ouder; zij zijn geen premie
verschuldigd voor de AOW en AWW. In
artikel 53 [53]
is een
tijdelijke uitzondering gemaakt voor werknemers die op
basis van de Wet van 29 september 1986 ter bevordering
van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer
langdurig werkloos zijn, in dienstbetrekking werkzaam
zijn. Zij zijn over het loon uit die dienstbetrekking
genoten geen premie verschuldigd voor de AAW, de
AKW en
de AWBZ.
Artikel 7
[7]
Dit artikel
bepaalt in het algemeen wat als maatstaf geldt voor de
premieheffing. Maatstaf is het premie-inkomen dat de
premieplichtige in het kalenderjaar heeft genoten. Ook
in het kader van de gecombineerde heffing blijft een
aparte definiëring van het begrip premie-inkomen
noodzakelijk. Met name is dit van belang indien er wel
premieplicht, maar geen belastingplicht bestaat.
Artikelen 8
[8] en 9 [9]
Algemeen
In deze
artikelen wordt gedefinieerd wat onder premie-inkomen
moet worden verstaan. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen het premie-inkomen in geval van heffing bij wege
van aanslag (artikel 8
[8]) en het premie-inkomen in geval
van heffing bij wijze van inhouding (artikel
9 [9]). Dit
onderscheid vloeit voort uit het feit dat voor beide
methoden verschillende, aan de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 onderscheidenlijk de Wet
op de loonbelasting 1964 ontleende aanknopingspunten worden
gebruikt.
Artikel 8
[8]
Dit artikel
regelt wat onder premie-inkomen moet worden verstaan in
geval van heffing bij wege van aanslag. De voorstellen
van de Commissie leiden ertoe dat de
heffingsgrondslagen voor de inkomstenbelasting en voor
de op aanslag verschuldigde premies volksverzekeringen
worden geüniformeerd. Onder het premie-inkomen wordt
verstaan het belastbare inkomen in de zin van de Wet op
de inkomstenbelasting 1964, zoals die wordt gewijzigd in
het wetsvoorstel vereenvoudiging tariefstructuur en
aftrekposten in de loon- en inkomstenbelasting; daarbij
vervalt onder andere de aftrekbaarheid van de premies
volksverzekeringen. De toevoeging in het huidige
artikel 37, tweede lid, van de AOW
dat het
premie-inkomen wordt vermeerderd met de als persoonlijke
verplichting in aanmerking genomen premies en
premievervangende belasting ingevolge de AOW
en de AWW
en verminderd met de uitkeringen ingevolge de AOW en de
AWW, komt derhalve te vervallen. Dit betekent ook dat de
rblz.|14|
uitkeringen
op grond van de AOW en de AWW aan de premieheffing
worden onderworpen.
Voorts
vervalt de aparte maatstaf voor de heffing van de
opslagpremies in het huidige artikel
21, eerste lid, van
de AWBZ. Voor de opslagpremies geldt nu eveneens het
premie-inkomen als maatstaf en niet meer de te heffen
AOW/AWW-premies.
Er is
derhalve niet alleen sprake van uniformering van de
heffingsmaatstaf van de volksverzekeringen ten opzichte
van die van de inkomstenbelasting, maar ook uniformering
ten aanzien van de heffingsmaatstaf van vijf
volksverzekeringen onderling. Tevens komt het huidige
artikel 25, vierde lid, onderdeel b, van de AWBZ,
waarbij bepaald is dat de inhoudingsplichtige de
opslagpremies geheel of gedeeltelijk mag verhalen, te
vervallen. De rosé tabellen zullen vervallen.
Artikel 9
[9]
Dit artikel
regelt wat onder premie-inkomen moet worden verstaan in
geval van heffing bij wijze van inhouding. De
voorgestelde uniformering leidt ertoe dat de
heffingsgrondslagen voor de loonbelasting en voor de via
inhouding verschuldigde premies volksverzekeringen
worden geüniformeerd. Onder het premie-inkomen wordt
verstaan het zuivere loon voor de loonbelasting, met
uitzondering van collectief spaarloon, bedoeld in
artikel 34a van de Wet
op de loonbelasting 1964,
waarvoor de lumpsumheffing (van 15%
loonbelastingheffing) ten laste van de
inhoudingsplichtige geldt. Overigens zijn de
opmerkingen welke hiervoor in de toelichting
op artikel
8 [8] met betrekking tot het premie-inkomen voor de bij
aanslag te heffen premies zijn gemaakt mutatis mutandis
eveneens van toepassing op de premieheffing bij wijze
van inhouding.
Artikel 10
[10]
Eerste lid
In dit lid
wordt bepaald dat de verschuldigde premie voor de
volksverzekeringen wordt uitgedrukt in een percentage
van de belastbare som voor de premieheffing. Dit
percentage is de som van de premiepercentages die voor
de afzonderlijke volksverzekeringen worden vastgesteld.
Dit totaalpercentage is derhalve afhankelijk van de
besluitvorming met betrekking tot het premiepercentage
voor elk van de afzonderlijke fondsen en zal van jaar
tot jaar kunnen verschillen.
Tweede lid
In de
toelichting op artikel 3 [3]
is uiteengezet dat de
verzekeringsplicht voor elke verzekering wordt
geüniformeerd in die zin dat deze aanvangt bij de
geboorte en voortduurt na het bereiken van de 65-jarige
leeftijd.
In beginsel
is iedere premieplichtige over de belastbare som de
getotaliseerde premiepercentages van alle vijf
afzonderlijke volksverzekeringen verschuldigd. Zoals in
het algemeen deel van deze memorie is uiteengezet,
zou dit voor personen van 65 jaar of ouder tot sterk
negatieve inkomenseffecten leiden. Daarom wordt in het
tweede lid voorgesteld dat voor deze groep de premie
wordt verlaagd met het percentage dat verschuldigd is
voor de algemene ouderdomsverzekering en de algemene
weduwen- en wezenverzekering. Deze verlaging gaat in op
de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd
wordt bereikt. Dit impliceert dat in dat jaar
onderscheid gemaakt moet worden in het
premiebetalingstijdvak van 1 januari tot de eerste dag
van de maand waarin de 65ste verjaardag valt en het
premiebetalingstijdvak over het resterende gedeelte van
het jaar.
Op grond van
artikel 17 [17] kunnen nadere en zo nodig afwijkende regels
worden gesteld met betrekking tot de wijze van
premieheffing in het kalenderjaar waarin de 65ste
verjaardag valt.
rblz.|15|
Derde en
vierde lid
In het
nieuwe systeem van de premieheffing wordt de
verschuldigde premie geheven over het premie-inkomen
verminderd met de belastingvrije som, de belastbare som.
Ten aanzien van de definiëring van de belastingvrije
som wordt aangesloten bij de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 en de Wet
op de loonbelasting 1964. Hierdoor kan de voor die heffing geldende
tariefgroepindeling die samenhangt met de belastingvrije
som, ook dienst doen voor de premieheffing. De
definiëring van de belastbare som is analoog aan de
definiëring in artikel 53 van de Wet op de
inkomstenbelasting onderscheidenlijk artikel 20 van de Wet
op de loonbelasting 1964. Voorgesteld wordt om in
dit wetsvoorstel de belastbare som nader te preciseren
met de term "de belastbare som voor de
premieheffing".
Vijfde lid
De premie is
ten hoogste verschuldigd over een bedrag ter grootte van
de eerste tariefschijf, genoemd in artikel 53, eerste
lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
In de nieuwe
systematiek is het begrip premie-inkomensgrens niet meer
bruikbaar, omdat de grens waarboven het inkomen niet
meer voor de premieheffing in aanmerking wordt genomen
afhankelijk is geworden van de tariefgroepindeling van
de premieplichtige. Er is derhalve sprake van
verschillende premie-inkomensgrenzen voor verschillende
groepen premieplichtigen.
Artikel 11
[11]
In dit
artikel is de procedure met betrekking tot de
vaststelling van de premiepercentages voor de vijf
volksverzekeringen vastgelegd.
Ten aanzien
van de premiepercentages voor de algemene
ouderdomsverzekering, de algemene weduwen- en
wezenverzekering, de algemene kinderbijslagverzekering
en de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering is de
procedure dat het bevoegde fondsbestuur (het bestuur van
de Sociale Verzekeringsbank
[SVB, red.] onderscheidenlijk het
bestuur van het AAf [Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]), gehoord de SVr, onder goedkeuring
van Onze Minister de premie vaststelt.
De procedure
met betrekking tot de vaststelling van het
premiepercentage van de algemene verzekering bijzondere
ziektekosten blijft eveneens ongewijzigd.
Artikel 12
[12]
In dit
artikel is geregeld dat bij wijzigingen van het
premiepercentage in de loop van het jaar een gemiddeld
premiepercentage wordt vastgesteld door Onze Minister in
overeenstemming met Onze Minister van Financiën en
Onze minister van
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor
door hem aan te wijzen gevallen en tijdvakken. De
vaststelling van een gemiddeld percentage is met name
van belang voor degenen die de premies op aanslag
verschuldigd zijn.
Artikel 13
[13]
De heffing
van de premie geschiedt evenals thans door de rijksbelastingdienst.
Artikel 14
[14]
In dit
artikel wordt de heffing van premies bij wijze van
aanslag geregeld. De heffing geschiedt overeenkomstig de
regelen die voor de heffing van rblz.|16|
de
inkomstenbelasting gelden. Daarmede is tevens geregeld
dat de artikelen 62 tot en met 65 van de Wet op de
inkomstenbelasting 1964 van toepassing zijn, zodat onder
meer de regeling met betrekking tot het al of niet
opleggen van een aanslag, de invorderingsvrijstellings-
en reductieregeling de procedures met betrekking tot
bezwaar en beroep ook voor de premieheffing
volksverzekeringen gelden.
Bij de
bepaling van de hoogte van de aanslag worden de bij
wijze van inhouding betaalde premies verrekend. Indien
naast premieplicht sprake is van belastingplicht,
geschiedt de heffing bij wege van één aanslag. De
bedragen welke verschuldigd zijn aan premies
volksverzekeringen respectievelijk aan
inkomstenbelasting zullen apart op het aanslagbiljet
vermeld worden.
De
uitzondering met betrekking tot artikel 66a van de Wet
op de inkomstenbelasting 1964 heeft betrekking op de
middelingsregeling.
Artikel 15
[15]
In dit
artikel wordt de heffing van premies bij wijze van
inhouding geregeld. De heffing geschiedt overeenkomstig
de regelen die voor de heffing van de loonbelasting
gelden. Dit brengt onder meer mee dat de verminderingen
welke ingevolge artikel 30, derde lid, van de Wet
op de loonbelasting 1964 voor de tabeltoepassing in aanmerking
worden genomen, doorwerken naar de premieheffing.
In het
tweede en derde lid is geregeld dat door middel van een
rekenregel aan de herkenbaarheid van het belasting- en
het premiedeel van de heffing op de loonstrook en de
jaaropgave vorm kan worden gegeven.
Artikel 16
[16]
Eerste lid
De
invordering van de premie geschiedt evenals thans door
de rijksbelastingdienst.
Tweede lid
In het
tweede lid is bepaald dat bij de invordering dezelfde
regelen moeten worden toegepast als die welke gelden
voor de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de
loonbelasting. Voor zover er sprake is van een
gezamenlijke heffing op één aanslag, worden de regels
toegepast op het gezamenlijke bedrag van de premie en de
inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting.
Artikel 17
[17]
Het
onderhavige artikel bevat de bevoegdheid nadere regelen
te stellen met betrekking tot de premieplicht en de
daarmee samenhangende maatstaf, het tarief, de heffing
en de invordering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden
gedacht aan situaties waarin in het kalenderjaar de
premieplichtige de 65-jarige leeftijd bereikt, de
verzekering wordt ontleend aan een verdrag inzake
sociale zekerheid of de betrokkene geen ingezetene is en
evenmin voor de in Nederland verrichte arbeid in
dienstbetrekking aan de loonbelasting is onderworpen. De
gevallen waarin nadere regelgeving noodzakelijk is,
zijn niet alle op voorhand aan te geven. Daarom wordt er
de voorkeur aan gegeven één en ander bij ministeriële
regelgeving uit te werken.
Artikel 18
[18]
In artikel 43, eerste lid, van de
AOW is geregeld dat
ten aanzien van de verzekerde die nalatig is gebleven
bij de betaling van premie door de SVB aantekening wordt
gemaakt indien zij beslist dat van een schuldig rblz.|17|
nalaten
sprake is. In dit voorstel van wet wordt de regeling van
de schuldige nalatigheid ongewijzigd overgenomen. Met
dien verstande dat de opslag die bij wijze van sanctie
in rekening wordt gebracht indien de verschuldigde
premie alsnog wordt betaald, in de wet wordt vastgelegd.
Artikelen 19
tot en met 24 [19-24]
Deze
artikelen regelen de ontheffing wegens gemoedsbezwaren
van verplichtingen die bij of krachtens deze wet
zijn
opgelegd, alsmede de heffing en invordering van
premievervangende belasting. De regeling komt overeen
met de huidige bepalingen ter zake in de afzonderlijke
volksverzekeringen.
Artikelen 25
tot en met 27 [25-27]
In deze
artikelen zijn de bepalingen uit de volksverzekeringswetten die betrekking hebben op de
financiering van de vrijwillige verzekering
bijeengebracht. De voorwaarden waaronder toelating tot
de vrijwillige verzekering plaatsvindt, blijven
opgenomen in de afzonderlijke wetten evenals de
formulering van de aanspraken welke aan de vrijwillige
verzekering kunnen worden ontleend.
Artikelen 28
tot en met 45 [28-45]
In deze
artikelen is geregeld op welke wijze het beheer van de
middelen ten behoeve van de financiering van de
volksverzekeringen plaatsvindt. Daarnaast is aangegeven
wat de middelen van de fondsen zijn en op welke wijze
zij worden aangewend. Tevens is de uniforme
liquiditeitsregeling voor de centrale
socialeverzekeringsfondsen in deze artikelen geregeld.
De onderhavige artikelen houden geen materiële
wijziging in ten opzichte van de bestaande bepalingen in
de volksverzekeringswetten.
Artikel 42
[42]
De
toevoeging "in hoeverre" is een formalisering van de
reeds bestaande praktijk om een jaarlijks vast te
stellen percentage van de totale kosten welke voor de
Ziekenfondsraad en zijn secretariaat uit de uitvoering
van de Ziekenfondswet en de
AWBZ
voortvloeien ten laste
te brengen van het Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten.
Artikel
44 [44],
eerste lid
Dit
onderdeel geeft de mogelijkheid dat de Ministers van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid, van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur en van Financiën regelen
stellen met betrekking tot de berekening van de kosten
gemaakt door de rijksbelastingdienst in verband met de
uitvoering van deze wet. Thans geschieden de berekening
en de verdeling van die kosten in periodiek overleg.
Daarbij gelden wel steeds dezelfde uitgangspunten. Het
vastleggen van die uitgangspunten in een ministeriële
regeling verdient aanbeveling vanuit een oogpunt van
rechtszekerheid.
Artikel 46
[46]
Dit artikel
bevat de informatieplicht voor degene die tot de
vrijwillige verzekering ingevolge de AOW, AWW en
AAW
is
toegelaten. De informatieplicht voor de overige
betrokkenen vloeit - vanwege het feit dat de fiscale
wetgeving van overeenkomstige toepassing is verklaard -
uit die wetgeving voort (hoofdstuk VIII, afdeling 2, van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen, inzake
verplichtingen ten dienste van de belastingheffing).
rblz.|18|
Artikel 47
[47]
Dit artikel
legt een informatieplicht op aan de instanties die over
relevante gegevens beschikken voor een goede uitvoering
van deze wet.
Deze
bepaling is aanvullend op de verplichting tot het geven
van inlichtingen welke in de toelichting op artikel 46
[46] is beschreven. Het gaat hierbij om gegevens die niet
herleidbaar zijn tot individuele natuurlijke personen,
bedrijven of instellingen.
Artikel 48
[48]
Evenals in
de bestaande wetgeving wordt met betrekking tot het
bezwaar en het beroep voor de premieheffing aangesloten
bij hetgeen daaromtrent in de belastingwetgeving is
geregeld. Op grond van artikel 48
[48] kan conform de
bestaande wetgeving een beroep worden ingesteld tegen de
beslissingen van de SVB over schuldige nalatigheid. Het
in het onderhavige artikel bedoelde beroep kan alleen
betreffen de vragen of de SVB terecht schuldige
nalatigheid heeft aangenomen en of de SVB ver genoeg is
gegaan met de doorhaling van ter zake gestelde
aantekeningen.
Artikel 49
[49]
Dit artikel
regelt de mogelijkheid om in beroep te gaan in verband
met een beslissing van de SVB
met betrekking tot de
ontheffing en de intrekking van de ontheffing wegens
gemoedsbezwaren.
Van deze
gelegenheid is gebruikgemaakt om de bestaande
beroepsprocedure voor gemoedsbezwaren, te weten het
indienen van een verzoek tot herziening bij de SVr, te
vervangen door de, in de sociale zekerheid
gebruikelijke, beroepsprocedure bij de raden van beroep
en de Centrale Raad van
Beroep.
Artikel 50
[50]
Dit artikel
regelt de mogelijkheid om in beroep te gaan in verband
met een beslissing van de SVB
of de bedrijfsvereniging
met betrekking tot de vrijwillige premiebetaling. In
afwijking van de bestaande wetgeving is opgenomen dat
desverlangd van de beslissing in voor beroep vatbare
vorm kennis wordt gegeven.
Artikel 52
[52]
Aansluitend
op artikel 46 [46]
regelt artikel 52
[52] de strafrechtelijke
gevolgen van het niet nakomen van de
informatieverplichtingen door degene die aan de
vrijwillige verzekering deelneemt. Voor wat betreft de
sancties in geval van een valse opgave van informatie en
bedrog alsmede de aanwijzing van opsporingsambtenaren,
hun bevoegdheden en geheimhoudingsplicht worden in deze wet
de bepalingen van de AOW van
overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel 53
[53]
Op grond van de Wet van 29 september 1986 ter
bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden
die zeer langdurig werkloos zijn en de Wet van 11
september 1987 tot wijziging van eerstgenoemde wet zijn
werkgevers die langdurig werklozen in dienst nemen in de
periode van 1 oktober 1986 tot en met 31 december 1988
vrijgesteld van de betaling van werkgeverspremies (voor
wat betreft de premies volksverzekeringen gaat het
daarbij om de opslagpremies AAW,
AKW en AWBZ). Deze
vrijstelling geldt voor maximaal vier jaar. Onze
Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan deze
periode, gehoord de Stichting van de Arbeid, met één
jaar verlengen.
rblz.|19|
In de nieuwe
heffingssystematiek komen de opslagpremies niet meer ten
laste van de werkgevers en komt dit gedeelte van de
vrijstelling te vervallen. Teneinde voor de betrokken
werkgevers en werknemers grosso modo gedurende de
resterende periode dat het wetsvoorstel effectief zou
kunnen zijn (tot uiterlijk 31 december 1993) een zelfde
resultaat te bereiken als in het huidige regime, stellen
wij voor om voor deze werknemers een apart
heffingsregime te creëren, inhoudende dat op de premie
verschuldigd over het bij de werkgever genoten loon een
korting wordt toegepast ter grootte van de premies voor
de AKW, de AWBZ
en de AAW. De korting op dit looninkomen
wordt ook toegepast bij heffing van de premie bij wege
van aanslag. Zonder nadere voorziening zou immers in de
aanslagsfeer een inhaaleffect optreden waarbij de in
mindering gebrachte premie alsnog verschuldigd zou
worden.
In het
tweede lid wordt daarom bepaald dat in de totaal
verschuldigde premie over een op basis van
inkomensevenredigheid bepaald gedeelte de premies voor
de AKW, de AWBZ en AAW niet in de heffing zijn begrepen.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
L. de Graaf
De
Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur,
D.J.D. Dees
De
Staatssecretaris van Financiën,
H.E. Koning
|