|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1990-1991,
22 228
Wijziging
van de Ziektewet, de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en enkele andere wetten
in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim,
beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de
arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van
bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen (terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Historisch overzicht van ontwikkelingen en beleidsvoornemens |
| 1.1 |
Inleiding |
| 1.2 |
Ontwikkeling van het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen |
| 1.3 |
TWVA-voorstellen en kabinetsstandpunt |
| 1.4 |
Najaarsoverleg |
| 1.5 |
De adviezen van de Sociale
Verzekeringsraad, het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds
en het Centraal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening |
| 1.6 |
Het advies van de Sociaal-Economische
Raad over de mogelijke
doorwerking van een differentiatie van
de Ziektewetpremie |
| 1.7 |
Concretisering van maatregelen |
| 2 |
Uitwerking concrete voorstellen |
| 2.1 |
Het systeem van bonusuitkeringen en
geldelijke bijdragen (BMS) |
| 2.2 |
Premiedifferentiatie ZW |
| 2.3 |
Loonkostensubsidie |
| 2.4 |
Verhoging ziekengeld |
| 2.5 |
Verbeterde toepassing artikel 30 ZW |
| 2.6 |
Invoering instrument analoog aan artikel
30 ZW in de WAO en AAW |
| 2.7 |
Uitstel schatting bij
scholing |
| 2.8 |
Herziening naar een hoger dagloon of
hogere grondslag (artikel 40 WAO/29a
AAW) |
| 2.9 |
Ruimere toepassing artikel 33 AAW en 44
WAO |
| 2.10 |
Verplichte
zesdemaandsmelding aan de GMD |
| 2.11 |
Een verplichte
zesdemaandsmelding en een verplichte keuring voor de
overheidssector in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW |
| 2.12 |
Wijziging
Wagw |
| 2.13 |
Internationale aspecten |
| 2.14 |
Evaluatie en onderzoek |
| 3 |
Het overdragen
van bevoegdheden in de Ziektewet |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
Overwegingen en
doelstelling |
| 3.3 |
Advies
Sociaal-Economische Raad |
| 3.4 |
Hoofdlijnen bij de
herschikking van bevoegdheden |
| 4 |
Maatregelen in de
overheidssfeer |
| 5 |
Financiële en
volume-effecten |
| 5.1 |
Inleiding |
| 5.2 |
Kwantitatieve
doelstellingen ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid |
| 5.3 |
Directe effecten van
enkele maatregelen uit het pakket |
| 6 |
Gevolgen voor
vrouwen en deregulering |
| 6.1 |
Gevolgen voor vrouwen |
| 6.2 |
Dereguleringsaspecten |
| xArtikelsgewijs |
| xxxx |
Artikelen
I t/m XVII |
Algemeen
1.
Historisch overzicht van ontwikkelingen en beleidsvoornemens
1.1.
Inleiding
In
het Regeerakkoord van november 1989 is
als kabinetsdoelstelling vastgelegd
zo spoedig mogelijk te komen tot een
situatie waarbij het beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
in ieder geval niet
meer toeneemt.
Onder meer met inzet van de in dit
voorstel van wet opgenomen
maatregelen moet deze situatie worden
bereikt. Deze maatregelen
richten zich vooral op het creëren van
extra mogelijkheden voor
arbeidsongeschikten om (weer) aan het
arbeidsproces deel te nemen
respectievelijk daaraan te blijven
deelnemen. Dit voorstel van wet bevat wijzigingen in onder meer de
Ziektewet
(ZW), de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en de Wet arbeid gehandicapte
werknemers (Wagw).
Deze wijzigingen vloeien voort uit de
voorstellen van de Tripartiete
Werkgroep Volumebeleid
Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TWVA)
van 20 oktober 1989 (Kamerstukken II 1989-1990, 21
300 XV, nr. 8), het kabinetsstandpunt
van 6 maart 1990 naar aanleiding van
deze voorstellen (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 65)
alsmede uit de gemeenschappelijke
verklaring volumebeleid
arbeidsongeschiktheid, overeengekomen
tussen kabinet en de Stichting van de
Arbeid tijdens het Najaarsoverleg
van 2 oktober 1990 (Kamerstukken II 1989-1990, 21
800 XV, nr. 9).
De
maatregelen in dit voorstel van wet
vormen een onderdeel van een meersporenbeleid
gericht op preventie van ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid,
(re)integratie van (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikten en verbetering
van de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. rblz.|2|
Uitgangspunten
bij dit beleid zijn het terugdringen van
(de groei van) het arbeidsongeschiktheidsvolume
en het bieden van betere mogelijkheden aan
een arbeidsongeschikte wat betreft de
deelname aan het arbeidsproces.
In
de gemeenschappelijke verklaring
volumebeleid arbeidsongeschiktheid
van 2 oktober 1990 is aangegeven dat in
het voorliggende voorstel
van wet ook de wijzigingen in de ZW zouden worden meegenomen
in verband met een herschikking van
bevoegdheden tussen overheid
en sociale partners. Vergroting van
verantwoordelijkheden in het
kader van de ZW sluit immers aan bij de
verantwoordelijkheid die sociale
partners dragen bij terugdringing van
ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid,
met name op het vlak van preventie. Als voorbeeld hiervan
moge
dienen de premiedifferentiatie ZW op
ondernemingsniveau waaraan
sociale partners, vertegenwoordigd in de
besturen van de bedrijfsverenigingen,
nadere invulling zullen moeten geven.
In
het najaarsoverleg werd afgesproken dat
het kabinet een adviesaanvrage
zou richten aan de Sociaal-Economische
Raad (SER), waarin de AAW,
de WAO en de Wagw in hun onderlinge
relatie in discussie komen.
De reden daarvoor was dat het kabinet,
hoewel het het vertrouwen
had dat het najaarsoverleg positieve
effecten zou hebben, ernstig
rekening hield met de mogelijkheid dat
zijn doelstellingen daarmee
niet geheel zouden kunnen worden
gerealiseerd. Daarom was het
naar het oordeel van het kabinet
noodzakelijk om voorbereid te zijn op
de noodzaak van het treffen van
maatregelen.
In
de op 19 februari 1991 verzonden
adviesaanvrage, waarbij naast de AAW/WAO
en de Wagw ook de ZW
en het Burgerlijk
Wetboek [zie hierna telkens titel 10
van Boek
7 van het Burgerlijk Wetboek, red.]
als het voorportaal
van de arbeidsongeschiktheidsregelingen
werden betrokken, werd
het oordeel van de SER gevraagd over een
groot aantal maatregelen.
Op 12 juli 1991 heeft de SER zijn advies
vastgesteld.
Het
kabinet heeft inmiddels, mede naar
aanleiding van het SER-advies, besloten
een aantal verdergaande maatregelen te
treffen om het ziekteverzuim
en het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
terug
te dringen.
Het gaat bij deze maatregelen onder meer
om een aanpassing van
de uitkeringsstructuur in de WAO, het
wijzigen van het arbeidsongeschiktheidscriterium,
het aanspreken van het tegoed aan
vakantiedagen bij
ziekte, het ten laste van de werkgever
brengen van de kosten verbonden
aan de eerste zes weken ziekte en een
70% loongarantie gedurende
deze zes weken. De nog te treffen
maatregelen moeten worden
gezien als aanvullend op de in dit
wetsvoorstel gepresenteerde maatregelen.
De gevolgen voor het onderhavige
voorstel van wet zullen gelet
op het aanvullende karakter van de
nieuwe voorstellen beperkt en voornamelijk
wetstechnisch van aard zijn.
Ondanks
het diep ingrijpende karakter van
voornoemde voorstellen moet
worden vastgesteld dat deze ontoereikend
zullen zijn om eind 1994 een
terugkeer van het volume van de AAW/WAO
op het niveau van 1989 te
garanderen. Daarmee is de primaire
doelstelling van het kabinet zoals neergelegd
in het Regeerakkoord echter niet
verlaten. Tegen de achterrond
van de gewijzigde somberder
verwachtingen ter zake van de toekomstige
ontwikkelingen zal het ombuigen van de
groeitrend in de aantallen
arbeidsongeschikten naar een dalende
tendens meer tijd vergen
dan oorspronkelijk werd voorzien.
De
opbouw van deze memorie van toelichting
is als volgt.
rblz.|3|
Allereerst
wordt kort ingegaan op de ontwikkeling
van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
gedurende de laatste jaren (paragraaf
1.2). Daarna
zullen de beleidsvoornemens, zoals die
in de afgelopen anderhalf jaar
zijn geformuleerd in de TWVA, het
kabinetsstandpunt naar aanleiding
daarvan (paragraaf 1.3) en het
Najaarsoverleg
van 2 oktober 1990 (paragraaf
1.4), kort worden besproken. In paragraaf
1.5
wordt in hoofdlijnen ingegaan op de
adviezen van de Sociale Verzekeringsraad
(SVr), het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds (ABP), het
Spoorwegpensioenfonds (Spf) en het
Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening (CBA).
In paragraaf
1.6 wordt ingegaan op het advies van
de SER over de mogelijke doorwerking
van een differentiatie van de ZW-premie op ondernemingsniveau
naar het op het loon in te houden deel
van de ZW-premie.
In paragraaf 1.7 wordt een beknopt overzicht
gegeven van de in dit voorstel
van wet opgenomen maatregelen.
In
hoofdstuk 2 zullen de in dit voorstel
van wet uitgewerkte maatregelen
nader worden toegelicht, waarna ingegaan
zal worden op enkele internationale
aspecten en evaluatie van de maatregelen.
Hoofdstuk
3 behandelt de wijziging van de ZW
in
verband met een nieuwe
verdeling van bevoegdheden tussen
overheid en sociale partners.
Behalve
in de marktsector dienen ook in de
overheidssector maatregelen
getroffen te worden, gericht op
beheersing van het arbeidsongeschiktheidsvolume.
Hoofdstuk 4 geeft een korte weergave van
wat in dat kader
aan beleid en regelgeving wordt
ontwikkeld.
In
hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de
effecten van de voorgestelde maatregelen
op de volumeontwikkeling en de
financiële gevolgen, één en
ander voor zover redelijkerwijs thans te voorzien en te
berekenen.
De
gevolgen van de voorgestelde wetgeving
voor de positie van vrouwen
en de dereguleringsaspecten komen in
hoofdstuk 6 aan de orde.
Daarna volgt tot slot de toelichting op
de afzonderlijke artikelen van dit
voorstel van wet.
1.2.
Ontwikkeling van het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen
1.2.1
Het arbeidsongeschiktheidsvolume in
absolute en in relatieve zin bij
ongewijzigd beleid
Sinds de
inwerkingtreding van de WAO
(1967) en de AAW
(1976) is het
aantal uitkeringsgerechtigde
arbeidsongeschikten aanzienlijk toegenomen.
Bij ongewijzigd beleid wordt het aantal
arbeidsongeschikten in Nederland
rond het midden van de jaren negentig
geraamd op 1 000 000 personen.
Het
aantal personen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering bedroeg aan
het einde van 1990 (exclusief de
werknemers met een ZW-uitkering) 880
000. De verhouding beroepsbevolking en
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten
bedroeg in 1990 hiermee ongeveer 8 op 1.
rblz.|4|
Tabel
1. Volumeontwikkeling in de arbeidsongeschiktheidsregelingen,
1975-1995 (x 1000
uitkeringsjaren) (ongewijzigd beleid):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1975 |
1980 |
1985 |
1989 |
1990 |
1991 |
1995 |
| WAO-verzekerden |
310x |
463x |
510x |
535x |
548x |
568x |
652x |
| AAW-verzekerden |
– |
145x |
188x |
220x |
230x |
239x |
255x |
| waarvan
ABP-verzekerden |
– |
36x |
67x |
79x |
83x |
86x |
95x |
|
Zelfstandigen |
– |
38x |
42x |
50x |
51x |
51x |
50x |
| Vroeggehandicapten |
– |
57x |
69x |
83x |
89x |
95x |
107x |
| Overigen |
– |
14x |
10x |
8x |
7x |
7x |
3x |
| Totaal |
310x |
608x |
698x |
755x |
778x |
807x |
907x |
| Totaal
(x 1000 personen) |
349x |
756x |
762x |
845x |
882x |
912x |
1058x |
Bron:
SZW juli 1991.
De
totale uitkeringslasten van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (ZW,
AAW,
WAO) zijn eind 1991 inmiddels
gestegen tot ƒ38,2 miljard.
Tabel
2. Uitgaven ziekte- en
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,
1989-1995 (mld gld) (ongewijzigd beleid):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1989 |
1990 |
1991 |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
| AAW |
13,6x |
15,0x |
15,9x |
17,1x |
18,6x |
20,0x |
21,7x |
| WAO |
8,7x |
8,7x |
9,3x |
9,9x |
10,7x |
11,4x |
12,2x |
| ZW |
10,5x |
11,5x |
13,0x |
13,5x |
14,2x |
14,9x |
15,9x |
| Totaal |
32,8x |
35,2x |
38,2x |
40,5x |
43,5x |
46,3x |
49,8x |
| waarvan
onderlinge betalingen |
5,1x |
2,7x |
3,1x |
3,2x |
3,5x |
3,7x |
4,0x |
| waarvan
administratiekosten |
1,6x |
1,7x |
1,8x |
2,0x |
2,0x |
2,0x |
2,1x |
Bron:
SZW juli 1991.
Zoals
uit tabel 1 kan worden afgelezen, dreigt
zonder nadere maatregelen
het aantal arbeidsongeschikten in de
periode 1990-1995 te groeien
met ruim 20%. De uitgaven in het kader van de
AAW/WAO
worden
bij ongewijzigd beleid verwacht toe te
nemen van ƒ23,7 mld in 1990
tot ƒ33,9 mld in 1995, ofwel met meer dan
40%. Het verschil tussen deze
groeipercentages wordt verklaard door de
in de ramingen opgenomen
indexering van de uitkeringen aan de
loonontwikkeling, waardoor
de gemiddelde uitkering in deze periode
toeneemt.
Het
beroep op de ZW
is in de periode
1980-1985 relatief gedaald. Sinds
1985 echter is het verzuim per
verzekerde werknemer weer gestegen.
rblz.|5|
Tabel
3. Volumeontwikkeling in de ZW,
1975-1995 (x 1000 uitkeringsjaren) (ongewijzigd
beleid):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1975 |
1980 |
1985 |
1989 |
1990 |
1991 |
1995 |
| Omslagleden
en
vrijwillig verzekerden (verzekerde mensjaren
(x 1000)) |
2575x |
2875x |
2975x |
3331x |
3436x |
3488x |
3580x |
| Ziekterisico
(percentage) |
8,6x |
8,5x |
7,0x |
7,9x |
8,4x |
8,4x |
8,4x |
| Volume
omslagleden |
220x |
244x |
206x |
262x |
290x |
283x |
301x |
| Volume
overige verzekerden |
60x |
62x |
51x |
58x |
61x |
63x |
65x |
| Totaal
uitkeringsvolume
ZW |
280x |
306x |
257x |
320x |
351x |
356x |
366x |
Bron:
SZW april 1991.
Nederland
heeft relatief de hoogste uitgaven van
de Europese Gemeenschap
wat betreft de ziekte- en
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Tabel
4. De uitgaven van de sociale zekerheid
naar categorieën in 1988 (in procenten
van het bruto binnenlands produkt):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Neder-
land |
België |
Dene-
mar-
ken |
Frank-
rijk |
West-
Duits-
land |
Verenigd
Konink-
rijk |
Italië |
EG |
| Ziekte |
7,4x |
6,3x |
6,0x |
6,9x |
7,8x |
4,7xx |
5,2x |
6,1x |
| Arbeidsongevallen
en beroepsziekten |
6,0x |
3,0x |
2,7x |
2,3x |
3,4x |
2,3xx |
2,0x |
2,7x |
| Totaal |
13,4x |
9,3x |
8,7x |
9,2x |
11,2x |
7,0xx |
7,2x |
8,9x |
Bron:
Nota Sociale Zekerheid 1991, blz. 102.
1.2.2.
Oorzaken van het hoge
arbeidsongeschiktheidsvolume
Arbeidsongeschiktheid
is een complex vraagstuk, zeker waar het
gaat om
het achterhalen van de precieze oorzaken
van de grote toename sinds
het midden van de jaren '70. Achter ziekteverzuim en
langer durende
arbeidsongeschiktheid zit een complex
van verschillende persoons-
en niet persoonsgebonden oorzaken.
Het
Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
heeft in het Sociaal-Cultureel
Rapport 1990 de volgende (combinatie
van) oorzaken van
de volumegroei arbeidsongeschiktheid nog
eens op een rij gezet:
-
de introductie van de AAW
in 1976,
waardoor de kring van verzekerden
sterk werd uitgebreid;
-
sociaal-demografische factoren, zoals de
groei van de beroepsbevolking
en de groeiende arbeidsparticipatie van
vrouwen;
-
een ruim medisch
arbeidsongeschiktheidsbegrip, waardoor
een bredere
opvatting over ziekte in de samenleving
zich kon vertalen in een toenemend
beroep op uitkeringen;
-
een toegenomen psychische belasting in
het arbeidsproces;
-
een slechtere concurrentiepositie van
gehandicapten op de arbeidsmarkt,
onder druk van de toenemende
werkloosheid.
De
in 1967 ingevoerde WAO
telt alleen
werknemers tot zijn kring van verzekerden.
Door de inwerkingtreding van de AAW
op 1
oktober 1976 werd
een op de WAO geënte volksverzekering
geïntroduceerd. Het verzekerd
zijn voor de AAW is gekoppeld aan het
ingezetenschap. Door rblz.|6|
het
bestaan van de WAO en de Algemeen
Burgerlijke Pensioenwet (ABPW) [lees:
Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet),
red.] is de AAW vooral van belang voor
zelfstandigen en vroeggehandicapten.
Hiermee kan een substantieel deel van de
totale volumegroei worden
verklaard.
Naast
deze uitbreiding van de kring van
verzekerden is de groei van de beroepsbevolking
van belang geweest: 4,8 miljoen personen
in 1970, 6,2 miljoen
personen in 1988.
Demografische
trends die hierbij een rol hebben
gespeeld, zijn het toegenomen
aantal jongeren dat tot de
beroepsbevolking toetrad (dit aantal
was groter dan het aantal ouderen dat
uit de beroepsbevolking verdween),
een migratieoverschot en de toenemende
arbeidsparticipatie van
vrouwen.
De
als derde genoemde oorzaak van de groei
van het arbeidsongeschiktheidsbestand
betreft de sociaal-medische
ontwikkelingen. Er zijn geen
aanwijzingen dat de gezondheidstoestand
van de Nederlandse bevolking
in de jaren '70 en '80 is verslechterd.
Wél
is het ziektebegrip in de loop der jaren
verruimd. Medische en sociale
ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat
klachten eerder onderkend
en geaccepteerd worden als ziekte en eveneens worden
geaccepteerd
als toekenningsgrond voor een uitkering.
In dit verband wordt
veelvuldig de aanduiding medicalisering
van de samenleving gehanteerd.
Deze ontwikkeling is overigens niet
gepaard gegaan met een wijziging
van het wettelijk
arbeidsongeschiktheidscriterium in de AAW
(artikel
5) en de WAO
(artikel 18).
De
centrale begrippen ziekte en gebrek zijn
formeel niet gewijzigd, maar
wel hebben ze - analoog aan de
veranderende maatschappelijke opvattingen
- een andere inhoud c.q. invulling gekregen.
Bij
een analyse in de tijd van de
toekenningen van AAW/WAO-uitkeringen
valt met name de sterke groei op van het
aantal psychische en psychosomatische
klachten als basis voor de toewijzing.
Sinds
de invoering van de WAO
(1967) heeft de
afbakening van hetgeen
al dan niet recht geeft op een
arbeidongeschiktheidsuitkering zich
verder ontwikkeld in de praktijk van verzekeringsartsen en in de
jurisprudentie
van de raden (en de Centrale Raad) van
Beroep.
De
beroepsrechter heeft zich bij zijn
uitspraken over de vraag of er sprake
is van ziekte of gebrek vrijwel altijd
laten leiden door het standpunt
daarover van één of meer medici. Anders gezegd: het begrip
ziekte
wordt gevormd door datgene wat de leden
van de medische professie
als zodanig definiëren in hun
dagelijkse werk.
Als
vierde oorzaak achter de
volumeontwikkeling heeft het SCP (naast
andere
auteurs) aandacht geschonken aan een
verslechtering in de arbeidsomstandigheden.
Hierbij lijkt een verslechtering van de
fysieke arbeidsomstandigheden
niet zozeer aan de orde. Wel lijkt
sprake te zijn geweest
van toegenomen psychische belasting door
de arbeid. Hierbij wordt gewezen op de introductie van nieuwe
technologieën en meer flexibele
vormen van arbeidsorganisatie, die
hogere eisen stellen aan de technische
en sociale vaardigheden van werknemers.
Reorganisaties, saneringen
en bezuinigingen in bedrijven gaan
gepaard met onzekerheid voor
werknemers over hun positie in het
bedrijf. Daarnaast bestaat de indruk
dat de tijdsdruk van werkenden is
toegenomen met een grotere (psychische)
belasting tot gevolg.
Als
laatste oorzaak van de volumegroei wordt
gewezen op de verslechtering
van de concurrentiepositie van
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikte rblz.|7|
werknemers
op de arbeidsmarkt, onder druk van de
toegenomen werkloosheid.
Onder
druk van de economische recessie in de
jaren '70 en het weinig gunstig
renderen van een groot deel van het
bedrijfsleven eind jaren '70/begin
jaren '80 heeft een groot aantal technische en organisatorische
veranderingen
plaatsgevonden in de bedrijven. Gevolg
was een afname van
de werkgelegenheid. Veelvuldig wordt
erop gewezen dat werkgevers hun overtollige en/of door ouderdom of
gebrek minder produktieve werknemers
voor een deel hebben laten afvloeien via
de WAO. Doordat de
WAO een betere materiële bescherming
bood dan de werkloosheidsregelingen
en arbeidsongeschiktheid maatschappelijk
meer werd geaccepteerd
dan langdurige werkloosheid, werd
afvloeiing door middel van
de WAO vanuit sociaal oogpunt als netter
ervaren.
De
zwakke arbeidsmarktpositie van
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten blijkt
ook uit onder meer de bescheiden
resultaten die zijn geboekt bij de reïntegratie
van AAW/WAO-ers in het arbeidsproces. De
WAO heeft naast
de doelstelling van inkomensbescherming
tevens de doelstelling van
revalidatie en sociale integratie. Deze
tweede doelstelling is echter in de praktijk veel te weinig tot haar recht
gekomen. De WAO heeft hierdoor
in de praktijk in sterke mate als een
fuik gewerkt: eens arbeidsongeschikt
impliceerde in heel veel gevallen blijvend arbeidsongeschikt.
In
dit kader kunnen de oorzaken voor zover
gelegen in het sociaal-medische
circuit niet onvermeld blijven. Concreet
moet hierbij onder
meer gedacht worden aan de lange
wachttijden in de gezondheidszorg
en de problematiek van de onderlinge
afstemming tussen de verschillende
medische sectoren.
1.2.3.
In het verleden getroffen maatregelen
Het
ontwikkelen van een beleid gericht op de
beheersing van het beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
kent zijn oorsprong in de tweede
helft van de jaren '70.
Onder
volumebeleid met betrekking tot de AAW/WAO wordt sindsdien
verstaan
het beleid dat zich in hoofdzaak richt
op het terugdringen van het
vermijdbaar verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Maatregelen
in dit kader lagen in belangrijke mate
in het verlengde van maatregelen
op andere beleidsterreinen
(arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorzieningsbeleid).
De
grenzen zijn dan ook niet altijd scherp
te trekken. Getroffen maatregelen
op belendende beleidsterreinen waren
derhalve evenzeer van belang,
zonder dat ze specifiek als volumebeleidsmaatregelen werden
aangemerkt.
Als
voorbeelden hiervan kunnen worden
genoemd:
-
de invoering van de
Arbeidsomstandighedenwet in 1980;
-
het verlenen van
arbeidsbemiddelingsbevoegdheid in 1986
aan de Gemeenschappelijk
Medische Dienst (GMD), het ABP en het
Spf met betrekking
tot gehandicapte werknemers;
-
de aanscherping van de
ontslagrichtlijnen in 1986 met
betrekking tot (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikten.
De
in het verleden getroffen specifieke
beleidsmaatregelen in het kader
van het volumebeleid zijn vooral gericht
geweest op twee centrale punten:
-
een tijdige medische begeleiding,
revalidatie en hulp bij de reïntegratie
in het arbeidsproces door de GMD;
-
de zogenaamde
verdisconteringsproblematiek, dat wil
zeggen de
vroegere rblz.|8|
bepaling
in de AAW
en de WAO dat gedeeltelijk
arbeidsongeschikten recht
hadden op een volledige
arbeidsongeschiktheidsuitkering indien
sprake
was van door de handicap verminderde
kansen tot het verkrijgen van
passende arbeid.
Tijdige
medische en arbeidskundige begeleiding
In
Bestek '81 (30 juni 1978) en in de Nota
Volumebeleid van 28 juni 1979 (Kamerstukken
II 1978-1979, 15
650, nrs. 1-2) heeft het toenmalige
kabinet erop gewezen dat het potentieel
langdurig verzuim ten
dele kan worden beperkt door tijdige
inschakeling van de GMD, die onder
meer verantwoordelijk is voor de
sociaal-medische en arbeidskundige begeleiding van arbeidsongeschikten. Dit
heeft geleid tot nieuwe samenwerkingsafspraken
tussen de bedrijfsverenigingen (BV-en)
en de GMD,
die met ingang van 1 januari 1981 van kracht werden. De
BV-en en
de
GMD hebben daarbij een meldingssysteem
afgesproken met drie duidelijke
actiemomenten, te weten het begin van de
vierde, zesde en negende
maand van de ZW-periode. Op die
momenten zou door de BV
worden bezien in welke gevallen
reïntegratieactiviteiten van de GMD nodig
werden geacht.
De
samenwerkingsafspraken ter zake werden
opnieuw gewijzigd met ingang
van 1 oktober 1985, waarbij de zesdemaandsmelding centraal is komen
te staan: de BV-en zouden voortaan iedere zieke, op een enkele
uitzondering
na, in de zesde maand van het ZW-jaar aan de GMD melden,
waarbij de GMD verdere begeleidings-
dan wel bemiddelingsactiviteiten
op zich kan nemen.
Verdiscontering
van werkloosheid in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen
In
de aanhef van deze paragraaf staat de
werking van de vroegere verdisconteringsbepalingen
in de AAW
en WAO beschreven. Deze verdisconteringsbepalingen
hebben tot gevolg gehad dat vrijwel alle
arbeidsongeschikten
(die niet tevens arbeid verrichtten) een
volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvingen. Een eerste maatregel ter beperking
hiervan werd getroffen in 1976: aan de
bedrijfsverenigingen werd
de bevoegdheid gegeven de toepassing van
de verdiscontering van de
werkloosheidscomponent aan een termijn
te binden. Deze maatregel was vooral gericht op de jongere
uitkeringsgerechtigde met een aanmerkelijk
resterend arbeidsvermogen. Vanaf 1982
volgde de GMD een procedure
waarbij een reïntegratieplan werd opgesteld, vervolgens een
termijn
werd bepaald voor de werking van de
verdiscontering (doorgaans één jaar), waarna moest worden beslist over
de effectuering van de arbeidsongeschiktheidsschatting
zonder verdiscontering.
De
verdisconteringsbepalingen zijn
uiteindelijk, in het kader van de stelselherziening
sociale zekerheid van 1 januari 1987,
uit de AAW
en WAO gehaald. Met de afschaffing van deze bepalingen heeft het
toenmalige
kabinet de uitkeringspositie van
gedeeltelijk arbeidsongeschikten
en langdurig werklozen meer met elkaar
in overeenstemming willen
brengen. Na de stelselherziening
ontvangt een gedeeltelijk arbeidsongeschikte
slechts nog een
arbeidsongeschiktheidsuitkering voor
zover daadwerkelijk sprake is van
loonderving ten gevolge van ziekte
of gebreken.
Bij
de arbeidsongeschiktheidsschatting door
de GMD werd vóór de stelselherziening
alleen gelet op functies binnen de eigen
regio die betrokkene
met zijn resterende arbeidscapaciteit zou kunnen vervullen.
Na
1 januari 1987 wordt hierbij tevens
gelet op nog te vervullen functies buiten
de eigen regio.
rblz.|9|
Dit
betreft derhalve de tweede belangrijke
wijziging in de AAW
en de WAO in het kader van de stelselherziening
sociale zekerheid.
In
dit verband wordt ten slotte nog gewezen
op de verlaging per 1 januari
1985 van de uitkeringspercentages (van
80 naar 70) van de sociale
verzekeringen. Hiermee werd het
financiële beslag van onder meer
de arbeidsongeschiktheidsregelingen
teruggedrongen.
Wet
arbeid gehandicapte werknemers (Wagw)
Naast
de maatregelen in de sfeer van de AAW
en WAO betekende de invoering
van de Wagw eveneens een belangrijke
wijziging van het beleid.
Met de Wagw, die op 1 juli 1986 in werking is getreden, wordt
beoogd
de arbeidsdeelname van gehandicapte
mensen te bevorderen. De
wet is gebaseerd op een tweetal grondslagen, namelijk het welzijn van
de gehandicapte en terugdringing van het
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
De Wagw is gegrondvest op twee pijlers.
Enerzijds de inspanningsverplichting
van werkgevers, werkgeversorganisaties
en werknemersorganisaties
om zoveel mogelijk in onderling overleg
(her)plaatsingsbevorderende maatregelen
te treffen (de zogeheten taakstelling).
Anderzijds
de mogelijkheid van de overheid om de
verplichting op te leggen
om een bepaald deel van het
personeelsbestand van een onderneming
uit gehandicapten te laten bestaan (de
zogeheten quotumverplichting).
Deze bedraagt minimaal 3 en maximaal 7%.
Aan de quotumregeling
is een geldelijke regeling verbonden.
Indien een werkgever meer gehandicapten
in dienst heeft dan waartoe hij
ingevolge een opgelegd quotumpercentage
verplicht is, kan hij in aanmerking
komen voor een tegemoetkoming.
Indien hij minder gehandicapten in
dienst heeft, kan hem
een heffing worden opgelegd. Het kabinet
heeft besloten de hoogte van
deze bedragen vast te stellen op 15/38
van het brutominimumloon (circa ƒ10 000,- per jaar), afgeleid van de in
de Wagw opgenomen ondergrens
van 15 uur voor een dienstverband in de
zin van die wet.
De
in de Wagw opgenomen artikelen inzake de
mogelijkheid van quotumoplegging,
geldelijke regeling en ontheffing van
een eenmaal opgelegde
quotumverplichting zijn sedert 1 juli 1989 van kracht.
Met
en in het voetspoor van de Wagw zijn
maatregelen ingevoerd die
de (re)integratie van gehandicapten
dienen te bevorderen.
Hierbij
kan onder meer worden gedacht aan de
verplichting tot aanpassing
van de werkomstandigheden voor in dienst
zijnde gehandicapten.
1.3.
TWVA-voorstellen en kabinetsstandpunt
Ondanks
de maatregelen die door verschillende
kabinetten zijn getroffen,
is de groei van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
tot dusverre onbeheersbaar gebleken.
De
stelselherziening sociale zekerheid
heeft niet geleid tot de effecten die
ervan werden verwacht. Uit het
evaluatieonderzoek van de Wagw is inmiddels
duidelijk geworden dat ook die wet nog
lang niet het beoogde
resultaat heeft opgeleverd.
Het
vorige kabinet heeft zich bij monde van
toenmalig Staatssecretaris De
Graaf, in verband met het aanhoudend
groeiende beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen,
op 7 juli 1988 en 29 september 1988 gericht
tot de Stichting van de Arbeid.
Deze
brieven hebben geleid tot een overleg
tussen kabinet en Stichting
van de Arbeid op 31 januari 1989. De
conclusies van dit rblz.|10|
overleg
zijn vastgelegd in een gezamenlijke
verklaring, gepubliceerd op 20
februari 1989. Deze gezamenlijke
verklaring vormde de basis voor de reeds
gememoreerde Tripartiete Werkgroep
Volumebeleid Arbeidsongeschiktheidsregelingen, ter uitwerking van concrete maatregelen
gericht op
volumebeheersing.
De TWVA,
waarin vertegenwoordigers van de
Stichting van de Arbeid en van de
overheid deelnamen, heeft zich over maatregelen gebogen, gericht op
zowel
de beperking van de toestroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen
als op de heropneming van gedeeltelijk
arbeidsongeschikten in het arbeidsproces. Zij heeft op 20 oktober
1989 aan het kabinet verslag uitgebracht
(Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 8).
Het
kabinetsstandpunt over de aanbevelingen
van deze werkgroep is op
6 maart 1990 toegezonden aan de Tweede
Kamer (Kamerstukken II 1989-1990, 21
300 XV, nr. 65).
Naar
aanleiding van de voorstellen van de
TWVA heeft het kabinet maatregelen
voorgesteld om het aantal
arbeidsongeschikten terug te dringen.
Het kabinet heeft hierbij een aantal aanbevelingen van de tripartiete
werkgroep overgenomen en nader ingevuld.
Daar waar de werkgroep
geen unanieme voorstellen naar voren
bracht, heeft het kabinet
een keuze gemaakt.
Het
kabinet kiest mede op basis van de
TWVA-voorstellen voor de volgende
maatregelen die de financiële
betrokkenheid van het bedrijfsleven
bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen
vergroten en die de
(re)integratie
van arbeidsongeschikten bevorderen:
-
Introductie van ZW-premiedifferentiatie
op ondernemingsniveau.
-
Een bonus/malussysteem in het vervolg
van deze toelichting aangeduid
met de afkorting: BMS.
-
Een loonkostensubsidie en een
inwerk-/begeleidingssubsidie voor een
werkgever die een gedeeltelijk
arbeidsgeschikte in dienst neemt.
-
Een budget dat ter beschikking wordt
gesteld aan de Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD) om
arbeidsongeschikten te scholen.
-
Verhoging van de ZW-uitkering voor
heringetreden arbeidsongeschikten
gedurende ziekteperioden gelegen in de
eerste drie jaar na indiensttreding.
In
het kader van het preventieve beleid
wordt een aantal voornemens geformuleerd.
De werkzaamheden van de Arbeidsinspectie
worden geïntensiveerd
en de bedrijfstakgewijze benadering
wordt benadrukt.
De
bedrijfsgezondheidszorg dient op basis
van vrijwilligheid over meerdere
groepen werknemers en
arbeidsorganisaties te worden uitgebreid.
Bedrijfstakorganisaties zouden verzuimbeheersingsprogramma's
moeten
opzetten ten behoeve van aangesloten
bedrijven. Ook wordt een breed
pakket aan maatregelen voorgesteld met
een voorwaardenscheppend en stimulerend karakter.
Te
denken valt hierbij onder meer aan
meerjarenprogramma's van onderzoek,
scholing van leidinggevenden,
voorlichting, verbetering van statistische
informatie en het invoeren van een adequaat
ziekmeldings-
en
verzuimregistratiesysteem.
1.4.
Najaarsoverleg
Het
Najaarsoverleg van 2 oktober 1990 tussen
sociale partners en kabinet
heeft geresulteerd in een
gemeenschappelijke verklaring ten aanzien
van het volumebeleid arbeidsongeschiktheid.
Tijdens
het Najaarsoverleg is overeenstemming
tussen de drie partijen rblz.|11|
bereikt,
voortbouwend op de voorstellen van de
tripartiete werkgroep en rekening
houdend met het kabinetsstandpunt van 6
maart 1990.
De
afspraken uit de gemeenschappelijke
verklaring zijn onder te verdelen
in maatregelen met betrekking tot
intensivering van de gevalsbehandeling
en invoering en verbetering van wettelijke
(re)integratie-instrumenten
en met betrekking tot preventie van
ziekte en arbeidsongeschiktheid.
Beklemtoond wordt dat het nodig is op
alle niveaus
vanaf dat van de afzonderlijke
onderneming tot en met het nationale
niveau te komen tot een meer
geïntegreerde aanpak van verzuim-
en arbeidsongeschiktheidproblemen door
organen, diensten en instellingen
op het terrein van arbeidsomstandigheden
en sociale zekerheid.
De beleidsmatige inzet van sociale
partners en overheid is dat de
eerste gunstige effecten in 1991
zichtbaar worden, waarna het streven
is zo spoedig mogelijk te komen tot een
stabilisatie van het beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Het voornemen is om medio 1992
de effecten van de beleidsmaatregelen te
evalueren. De maatregelen
voortvloeiend uit het Najaarsoverleg
worden hieronder beknopt weergegeven.
Intensivering
gevalsbehandeling
De begeleiding bij ziekteverzuim zal als
volgt worden geïntensiveerd:
-
gedurende de eerste zes weken
ziekteverzuim heeft met name de bedrijfsgezondheidszorg
- in samenwerking met de
bedrijfsvereniging - een
taak bij de begeleiding van de
werknemer;
-
bij zes weken ziekteverzuim is het
wenselijk dat er contact is tussen de bedrijfsgezondheidsdienst,
de bedrijfsvereniging, werkgever en werknemer
over het stellen van een prognose en over hervatting van de
werknemer
in de eigen, dan wel een andere,
passende functie;
-
bij drie maanden verzuim stelt de
bedrijfsvereniging een terugkeerplan op,
waarbij artikel 30
ZW een belangrijke
rol kan spelen
-
bij zes maanden verzuim vindt er een
verplichte melding van de bedrijfsvereniging
aan de GMD plaats;
-
kort vóór het einde van het ZW-jaar wordt een arbeidsongeschiktheidsschatting
verricht waarbij ook nadrukkelijk moet
worden gekeken
naar reïntegratiemogelijkheden
-
na toekenning van een AAW/WAO-uitkering
dient er periodiek contact te
zijn tussen de uitkeringsgerechtigde en
de uitvoeringsorganen. Kort vóór
het einde van de periode van wettelijke ontslagbescherming dient in
ieder
geval sprake te zijn van een
reïntegratiegesprek;
-
ook voor werknemers die al gedurende
langere tijd een beroep doen op
de AAW/WAO geldt dat periodiek de
mogelijkheden tot her-, om- of bijscholing
en reïntegratie aandacht behoeven.
In
enkele bedrijfstakken en/of regio's
dient een experiment met een geïntensiveerde
begeleiding van zieke/arbeidsongeschikte
werknemers te worden
opgezet om zo te kunnen beoordelen of, en
zo ja, in welke mate extra
inzet van personeel leidt tot verhoging
van het aantal reïntegraties.
Primair
in de Stichting van de Arbeid zal worden
bezien welke invulling
de begrippen ziekte en gebrek in de loop
der jaren in de praktijk invulling
hebben gekregen. Hierbij is onder meer de vraag aan de orde of
die
invulling c.q. uitvoering spoort met de
beoogde doelstellingen van inkomensbescherming
en (re)integratie.
Invoering
en verbetering van
reïntegratie-instrumenten
Overheid
en sociale partners zijn in het
Najaarsoverleg tot de volgende aanvullende
maatregelen ten aanzien van middelen ter
bevordering van reïntegratie
gekomen:
-
Verbetering van de
toepassingsmogelijkheden van artikel 30
ZW.
rblz.|12|
-
Uitbreiding van de mogelijkheden van de
artikelen 33 AAW
en 44 WAO.
De toepassingstermijnen worden verlengd
en de voorgeschreven SVr-procedure kan vervallen.
-
Uitstel van een hernieuwde
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling tot
één jaar
na afronding van scholing door een
arbeidsongeschikte. De GMD moet
in dit jaar intensief bemiddelingsactiviteiten ontplooien.
-
Beperking van de maximale
beslissingstermijn na aanvraag van een werkvoorziening
tot drie maanden en bij de toekenning van
voorzieningen aan
werkgevers dient meer nadruk te liggen op het belang van de reïntegratie
-
Introductie in de AAW/WAO van een
regeling min of meer analoog aan
artikel 30 ZW, vooralsnog voor het
eerste jaar van de AAW/WAO.
-
Aanpassing van de ontslagrichtlijn
waardoor een arbeidsongeschikte werknemer
niet meer zelf, zoals tot dusverre, een
passende functie hoeft te
duiden bij zijn bedrijf wanneer de werkgever voor hem of haar een
ontslagvergunning
heeft aangevraagd bij het arbeidsbureau.
De werkgever
dient aan te tonen dat er geen passend
werk voor betrokkene beschikbaar
is. De beoordeling hiervan wordt
opgedragen aan de betrokken
bedrijfsvereniging c.q de GMD die
hierover advies moet uitbrengen
aan de directeur van het arbeidsbureau,
die beslist over de ontslagaanvraag.
-
Bepleit wordt om op het niveau van de
bedrijfsvereniging de mogelijkheden
om als werkgever eigenrisicodrager te
worden te verruimen.
Preventie
Preventief
beleid moet door sociale partners op
sectorniveau en op ondernemingsniveau
worden ingevuld door:
-
preventie als onderwerp van aandacht te
betrekken bij het arbeidsvoorwaardenoverleg;
-
het invullen van een beleid gericht op
oudere werknemers, met name
in beroepen en functies met een grote
en/of eenzijdige belasting;
-
het opstarten van programma's ter
voorkoming van psychische en lichamelijke
klachten;
-
voorlichting en onderzoek.
Door
een tripartiete werkgroep wordt een
handleiding verzuimpreventie
ontworpen. Deze handleiding dient ter
ondersteuning van het maken
van afspraken in het
arbeidsvoorwaardenoverleg en dient
tevens als
hulpmiddel voor preventieve
beleidsvoering die met het systeem van premiedifferentiatie
ZW wordt beoogd.
Verder
zal er een inventarisatie plaatsvinden
van de mate waarin en de wijze
waarop met name uit openbare middelen en
socialezekerheidsgelden
financiering plaatsvindt van preventieactiviteiten van algemene
aard
die het CAO-niveau overstijgen met
betrekking tot de kwaliteit van de
arbeid.
Op
het niveau van de onderneming/instelling
moet preventie ten aanzien
van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid voorts worden bereikt
door:
-
uitbreiding van de
bedrijfsgezondheidszorg tot meerdere
ondernemingen/instellingen;
-
een verzuimregistratie waardoor onder
meer tijdige taakaanpassing of
herplaatsing mogelijk wordt;
-
het bespreekbaar maken van verzuim
binnen een onderneming;
-
kwaliteitsverbetering van arbeid en
arbeidsomstandigheden;
-
scholing en training van
leidinggevenden.
rblz.|13|
1.5.
De adviezen van de Sociale
Verzekeringsraad, het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds
en het Centraal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
¹
1.5.1.
Advies van de Sociale Verzekeringsraad
Op
20 december 1990 is aan de SVr
uitvoeringstechnisch advies gevraagd
over een voorontwerp van wet met een
bijbehorende memorie van
toelichting. In zijn vergadering van 18
april 1991 heeft de SVr zijn advies
vastgesteld. Ik ben de SVr erkentelijk
voor zijn snelle en uitvoerige advies.
In zijn advies beperkt de SVr zich tot
een beoordeling van de uitvoeringstechnische
en wetstechnische aspecten van de
voorgestelde maatregelen.
De
SVr spreekt in zijn advies de hoop uit
dat de thans voorgestelde maatregelen
zullen bijdragen aan een stabilisering
en op termijn een daling
van het aantal arbeidsongeschikten. Maar
eerst na verloop van tijd zal
blijken in welke mate de maatregelen
bijdragen aan het terugdringen van
het volurne arbeidsongeschikten. De
volumedoelstelling van het kabinet
wordt door de SVr als een bijzonder
ambitieuze doelstelling beschouwd,
vanwege onder meer optredende
verdringingseffecten naar bijvoorbeeld
de WW en de tijd die nodig zal zijn
voordat de maatregelen volledig
effectief worden.
Het
kabinet is zich steeds ten zeerste
bewust geweest van het ambitieuze
karakter van zijn doelstelling. De aard
en omvang van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek
rechtvaardigt een substantiële inzet naar
zijn overtuiging echter ten volle. Dat -
zoals in de inleiding van deze memorie
van toelichting vermeld - onder invloed
van sterk verslechterde vooruitzichten
de beoogde stabilisatie van het volume
in 1994 op het niveau
van 1989 niet zal worden gerealiseerd,
doet hieraan niet af.
De
SVr merkt op dat met de voorgestelde
maatregelen een groot beroep
wordt gedaan op de uitvoeringsorganen.
De SVr is voornemens de
ontwikkelingen in de uitvoering ter zake intensief te volgen.
Ter zake
van
zijn advies over de diverse concrete
voorstellen is het verheugend dat
de SVr in het algemeen positief staat
tegenover de diverse maatregelen.
Teleurstellend
is het dat op een aantal punten en met
name ten aanzien
van een aantal belangrijke maatregelen
de SVr een verdeeld advies
uitbrengt. Zo is de SVr verdeeld over de
hoogte van de bonusuitkering
en de geldelijke bijdrage, terwijl ook
over de voorgestelde financiering
via het AAf [Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]
niet eensluidend wordt
gedacht.
Ook
over de maximering van de geldelijke
bijdrage, teneinde de kleine werkgevers
te ontzien, alsmede over het volledig
uitzonderen van de kleine
werkgevers is het advies verdeeld.
Ten
aanzien van de voorgestelde
premiedifferentiatie ZW
is de SVr, hoewel
hij positief staat tegenover de
invoering van een dergelijk systeem,
verdeeld.
Met
name is de SVr verdeeld over de vraag of
een uitzondering mogelijk
moet zijn inzake het toepassen van de
premiedifferentiatie daar waar
toepassing door de bedrijfsverenigingen
niet zinvol wordt geacht in samenhang
met uitvoeringskosten en financiële
effecten.
In
zijn advies gaat de SVr zeer
gedetailleerd in op de uitvoeringstechnische
en wetstechnische aspecten van de
voorgestelde maatregelen. In hoofdstuk
2, waarin de diverse concrete maatregelen nader worden uitgewerkt,
zal hieraan verder aandacht worden
besteed.
1.
Ter
inzage gelegd in de bibliotheek.
rblz.|14|
1.5.2.
De adviezen van het Algemeen burgerlijk
pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds
en het Centraal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening (CBA)
Bij
brief van 21 januari 1991 heeft de
Minister van Binnenlandse Zaken advies
gevraagd aan het ABP over de maatregelen
opgenomen in het voorontwerp
van Wet terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet
TAV)
voor zover betrekking hebbende op de
overheidssector.
In
zijn vergadering van 28 maart 1991 heeft
het bestuur van het ABP zijn
advies vastgesteld.
Bij
brief van 14 januari 1991 heeft de
Minister van Verkeer en Waterstaat
aan het Spf advies gevraagd over de
maatregelen in het voorontwerp
van Wet TAV. In zijn vergadering van 10 april 1991 heeft
het
bestuur van het Spf zijn advies
vastgesteld.
Ten
aanzien van het BMS voor de overheid
merkt het ABP in zijn advies op
dat moet worden betwijfeld of
introductie hiervan, in aanvulling op de
bestaande
financiële verantwoordelijkheden, de
beoogde werking zal hebben
zonder dat dat gekoppeld wordt aan een
aanpassing van de bestaande
budgetterings- en
begrotingsmethodieken in een aantal deelsectoren
van de overheid.
Ook
het Spf vraagt in zijn advies om nadere
aandacht voor de introductie
van het BMS in de voor hem relevante
sector tegen de achtergrond
van het systeem van
herplaatsingswachtgeld.
Ondanks
de twijfels respectievelijk
kanttekeningen van het ABP en het Spf
blijft het kabinet van oordeel dat het
BMS in alle sectoren, zowel de marktsector
als de overheidssector alsmede in de
G-en-G-sector [gepremieerde en
gesubsidieerde sector, red.], ingevoerd moet
worden. Eventuele bijzondere andere
systemen of bijzondere financieringsstructuren
rechtvaardigen voorshands geen
uitzonderingspositie. Wel
zijn er in een aantal gevallen
bijzondere voorwaarden of voorzieningen
vereist. Hierop zal in paragraaf 2.1,
waar het BMS als concrete maatregel
wordt besproken, nader worden ingegaan.
Het
ABP en het Spf maken in hun advies bij
de diverse relevante maatregelen
nog een aantal uitvoeringstechnische,
wetstechnische alsmede
redactionele opmerkingen. Bij het bespreken van de diverse
maatregelen
zal hieraan waar nodig aandacht worden
besteed.
Ten
aanzien van een aantal maatregelen
(verbeterde toepassing artikel 30
ZW; uitstel schatting bij scholing;
ruimere toepassing artikelen 33 AAW
en 44
WAO) geeft het ABP aan dat door een wijziging van de
verschillende
rechtspositieregelingen respectievelijk
een aanpassing van de Abp-wet, ook voor de overheidssector, de
beoogde maatregelen kunnen
worden doorgevoerd.
Gestreefd
wordt naar de in het advies aangegeven
wijzigingen op zo kort
mogelijke termijn.
Het
ABP wijst er in het slot van zijn advies
nog op dat de uitvoeringskosten
van de diverse voorstellen in
belangrijke mate bepaald worden door
de wijze waarop aansluiting wordt gezocht bij de reeds bestaande
Abp-administratie.
Met deze opmerking zal bij doorvoering
en uitwerking van
de maatregelen zoveel als mogelijk is
rekening worden gehouden.
Op
11 januari 1991 is aan het CBA advies
gevraagd over het voorontwerp
van Wet TAV en met name over het
onderdeel loonkostensubsidie.
Op 3 mei jl. heeft het CBA een brief gestuurd aan de
Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
waarin wordt meegedeeld
dat het CBA zich op hoofdlijnen kan
verenigen met de voorgestelde maatregelen. Naar aanleiding van de
constatering dat met de invoering
van dit wetsvoorstel ter ondersteuning
van de arbeidsinpassing van
gedeeltelijk arbeidsongeschikten een
beroep kan worden gedaan op een
drietal regelingen, beveelt het CBA aan
na achttien maanden te bezien
in hoeverre dat in de praktijk tot
knelpunten leidt. Met betrekking rblz.|15|
tot
de loonkostensubsidieregeling merkt het
CBA op dat goede afstemming
met het instrumentarium van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie
van belang is. Dit kan door middel van
jaarlijks te maken afspraken tussen GMD, ABP, Spf en CBA respectievelijk
Regionale Besturen voor de
Arbeidsvoorziening over de inzet van het
instrument. In de zomer zal het
CBA zich nader fundamenteel beraden over
de betekenis van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
voor de arbeidsinpassing van arbeidsongeschikten.
1.6.
Het advies van de Sociaal-Economische
Raad over de mogelijke
doorwerking van een differentiatie van
de Ziektewetpremie
Bij
brief van 6 december 1990 is aan de SER
advies gevraagd over een mogelijke
doorwerking van een differentiatie van
de ZW-premie op ondernemingsniveau
naar het op het loon in te houden deel
van de ZW-premie.
In
zijn vergadering van 15 maart 1991 heeft
de SER zijn advies vastgesteld.
Het
is teleurstellend dat de SER verdeeld is
over het al dan niet laten doorwerken
van de gedifferentieerde premie.
Bovendien kiest een deel van
de SER voor beleidsalternatieven, die nog aan de orde komen bij de
behandeling
van de adviesaanvraag van 19 februari
1991, boven het systeem
van premiedifferentiatie. Dit deel van
de SER acht op zich een grotere financiële betrokkenheid voor
individuele ondernemingen een belangrijk
instrument voor het terugdringen van het
ziekteverzuim, maar is
van oordeel dat aan het systeem van premiedifferentiatie verschillende
bezwaren
van bestuurlijke en
uitvoeringstechnische aard zijn
verbonden.
Het
andere deel van de SER
acht op zich het
instrument van premiedifferentiatie
nuttig in het kader van het terugdringen
van het ziekteverzuim, maar
is verdeeld over de vraag of het moet
doorwerken in het loon van de
werknemers. Een deel acht dit zeer
gewenst en vindt zelfs dat bij een verplichting
tot differentiatie ook een verplichting
tot doorwerking past. Ook
de wettelijke maximering van 1% van het werknemersdeel van de ZW-premie wordt door dit deel ter
discussie gesteld. Een ander deel wijst
de doorwerking van de
premiedifferentiatie af, omdat
verschillen in ziekteverzuim
op ondernemingsniveau toch vooral zijn
toe te schrijven aan
de feitelijke arbeidsomstandigheden
binnen de onderneming.
Binnen
de huidige wetgeving heeft de werkgever
daarenboven in laatste
instantie de doorslaggevende stem in
beslissingen over de inrichting
van de arbeidsorganisatie en de
kwaliteit van de arbeid.
In paragraaf
2.2 zal nader worden ingegaan op de
doorwerking van de premiedifferentiatie
op het loon van de werknemer.
1.7.
Concretisering van maatregelen
Het
kabinet acht het huidige aantal
arbeidsongeschikten en de toename
daarvan sociaal-maatschappelijk en
economisch onaanvaardbaar.
Aangezien in het verleden genomen maatregelen niet
voldoende
resultaat hebben opgeleverd, behoeft het
tot op heden gevoerde
kabinetsbeleid ten aanzien van
arbeidsongeschikten intensivering
en uitbreiding. Met het meersporenbeleid, met als onderdeel
hiervan
dit voorstel van wet, meent het kabinet
de meer algemene doelstellingen
van de
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen,
namelijk het recht
op zelfontplooiing en het recht op
gelijke kansen voor de gehandicapte,
verder te verwezenlijken en de groei van
het arbeidsongeschiktheidsvolume
en het omvangrijke financiële beslag van deze
regelingen
terug
te dringen.
rblz.|16|
Beperking
van de WAO- en
AAW-instroom via
preventief beleid wordt voornamelijk
vormgegeven door afspraken omtrent
wederzijdse verplichtingen
tussen sociale partners en samenwerking
tussen overheid en sociale
partners.
De
intensivering van de gevalsbehandeling
zal door middel van richtlijnen
voor de uitvoeringsorganen gebeuren, De
SVr is bij brief van 4 december
1990 verzocht de implementatie van deze
intensivering te bevorderen.
De aanscherping van de
ontslagbescherming van arbeidsongeschikte
werknemers heeft inmiddels met ingang
van 1 januari 1991 plaatsgevonden middels het
delegatiebesluit van de
Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid van 20 december 1990
(Stcrt. 1990, 252).
In
juli 1991 heeft de SVr een eerste
rapportage uitgebracht over de voortgang
bij de uitvoeringsorganen met betrekking
tot de invoering van die
maatregelen die geen wetgeving behoeven.
Die rapportage was in hoge
mate kwalitatief van aard. Eind 1991 zal
een rapportage van de SVr volgen
waarin ook kwantitatief is aangegeven
wat er in de uitvoering is gebeurd.
In
het voorliggende voorstel van wet worden
de volgende AAW/WAO-instroombeperkende
en uitstroombevorderende maatregelen uitgewerkt:
-
Een BMS (paragraaf 2.1).
-
Differentiatie van het werkgeversdeel
van de ZW-premie op basis
van het ziekteverzuim op
ondernemingsniveau en doorwerking naar het
loon van de werknemer (paragraaf
2.2).
-
Een loonkostensubsidie, eventueel in
combinatie met een begeleidingssubsidie
voor een werkgever die een
arbeidsongeschikte in dienst neemt (paragraaf
2.3).
-
De mogelijkheid om een
arbeidsongeschikte wanneer deze ziek wordt
na werkhervatting, gedurende drie jaar na
indiensttreding bij een werkgever
een aanvulling te bieden vanuit de ZW. De aanvulling komt
zodoende
niet ten laste van de werkgever (paragraaf
2.4).
-
Een ruimere mogelijkheid om een
aanvulling op de ZW-uitkering
te geven aan een zieke werknemer wanneer
deze hervat (paragraaf
2.5).
-
Een sanctie in de WAO en AAW voor een
werkgever die weigert een arbeidsongeschikte
werknemer passend werk te laten
verrichten. Mogelijkheden
om een sanctie toe te passen bij een
werknemer die niet in
passend werk wil hervatten, zijn reeds in
de werkloosheidsregelingen gerealiseerd
(paragraaf 2.6).
-
Uitstel van herkeuring tot één jaar nadat
een arbeidsongeschikte een scholing
heeft afgerond (paragraaf
2.7).
-
Herziening van het dagloon (WAO) of de
grondslag (AAW) wanneer de
arbeidsongeschiktheid van een persoon
toeneemt nadat deze is hervat
in een functie met een hoger dagloon dan
het dagloon dat hij of zij
had in een vorige functie (paragraaf
2.8).
-
Verruiming van de mogelijkheid om de WAO-
of AAW-uitkering tijdelijk
lager vast te stellen zonder dat er een
definitieve arbeidsongeschiktheidsschatting
plaatsvindt (paragraaf
2.9).
-
Een verplichte keuring in het kader van
de fictieve uitvoering van de AAW (paragraaf
2.11) en een verplichte
zesdemaandsmelding voor de overheidssector.
rblz.|17|
2. Uitwerking concrete voorstellen
2.1.
Het systeem van bonusuitkeringen en
geldelijke bijdragen (BMS)
2.1.1.
Achtergrond en doel
Het BMS is een van de maatregelen die
voortvloeien uit de interim-rapportage
van de TWVA. Ter vergroting van de
financiële betrokkenheid van
het bedrijfsleven bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen
heeft
de TWVA
een aantal maatregelen voorgesteld.
Zoals in het kabinetsstandpunt
is verwoord, heeft het kabinet in dit
kader gekozen voor een combinatie
van het zogenaamde
ziekteverzuimregistratiesysteem (dat wil
zeggen premiedifferentiatie ZW
op ondernemingsniveau) en het BMS.
Uitgaande van de gedachte
dat de financiële prikkel dient te
worden gericht op de werkgever
en uitgaande van het gegeven dat de
grootste effectiviteit mag
worden verwacht van een prikkel gericht
op de individuele werkgever,
is het kabinet van oordeel dat de gekozen systemen het best
aan
deze uitgangspunten voldoen. Beide
systemen hebben een directe invloed
op het handelen van de werkgever. Bovendien
vullen beide
systemen elkaar onderling aan, door aan te
sluiten bij respectievelijk de ZW-periode
en de AAW/WAO-periode. Het kabinet
verwacht van de
van beide systemen uitgaande financiële
prikkel een gedragsreactie van
de werkgever, tot uiting komende in het
verzuim- en arbeidsomstandighedenbeleid
van de onderneming.
Zoals
ook in het kabinetsstandpunt is
aangegeven, is het kabinet van oordeel
dat de besluitvorming over de feitelijke
keuze voor het hanteren van het systeem niet kan worden overgelaten
aan de bedrijfsverenigingen.
Om een optimale werking te verkrijgen, is
een uniforme aanpak in de vormgeving van het systeem geboden. Om
deze reden is gekozen voor
een wettelijk verplichte regeling, zowel
voor het systeem van de premiedifferentiatie
ZW als voor het BMS. In de concrete
uitwerking zijn uiteindelijk
per bedrijfstak wel degelijk verschillen
denkbaar. Om een optimale
werking te verkrijgen, zullen op bepaalde
punten zelfs verschillen
noodzakelijk zijn.
Te
denken valt hierbij bijvoorbeeld aan per
bedrijfstak of sector verschillend
te hanteren marges voor het
premiedifferentiatiesysteem of aan
per bedrijfstak qua hoogte verschillende
geldelijke bijdragen.
Ten
aanzien van het BMS is gekozen voor een
regeling die zo direct mogelijk,
maar tevens zo eenvoudig mogelijk werkt.
Hiermee wordt aangesloten bij de bedoelingen van de
TWVA, terwijl
van een regeling die
direct werkt tevens het meeste effect
wordt verwacht. De hier gekozen uitgangspunten, zo direct mogelijk en
tevens zo eenvoudig mogelijk
werkend, impliceren tevens een
instrument dat breed, maar in zijn
uitwerking ook grof werkt. Zo wordt niet
gekeken naar de oorzaken van
arbeidsongeschiktheid. Dit houdt dus in
dat een werkgever een geldelijke
bijdrage verschuldigd kan zijn voor zijn
werknemer die een beroep
gaat doen op de AAW/WAO, terwijl de
oorzaak van de arbeidsongeschiktheid
geheel buiten het bedrijf ligt. Afgezien
van het feit dat aansluiten
bij de oorzaak van arbeidsongeschiktheid
in strijd is met de huidige
structuur van de AAW/WAO, verwacht het
kabinet van dit breed werkende
instrument de grootste financiële
prikkel. De financiële bijdrage
moet dus vooral worden gezien als een
prikkel tot het voeren van
een preventief beleid en tot
herplaatsing van gedeeltelijk arbeidsongeschikten
(zie ook paragraaf
2.1.2). Wel vraagt die
brede werking extra aandacht
voor de positie van de kleine
werkgevers. In paragraaf
2.1.4 (niveau van
het BMS) wordt hierop nader ingegaan.
rblz.|18|
Met
genoegen heeft het kabinet kunnen
vaststellen dat de SVr in zijn advies
uitdrukkelijk aangegeven heeft zich te
kunnen verenigen met de inhoud en strekking van het
BMS. De SVr
onderkent wel de spanning die zit
in enerzijds de grove werking van het
systeem en anderzijds de op de individuele
werkgever gerichte prikkel die ervan
uit moet gaan. Niettemin
acht de SVr het een zwaarwegend argument dat op deze wijze
van de maatregel een zo goed mogelijke
uitvoerbaarheid mag worden
verwacht.
Omtrent
de concrete uitwerking van het BMS is de
SVr echter niet tot een
unaniem advies kunnen komen. Over die
concrete uitwerking gaat de volgende
paragraaf.
2.1.2.
Concrete uitwerking
Wat
betreft de concrete uitwerking is
gekozen voor het opnemen van het BMS in de
AAW. Hierdoor is het
BMS direct toepasbaar op elke werkgever in Nederland, natuurlijk of
rechtspersoon, werkgever in het bedrijfsleven
en overheid. Het opnemen van het BMS in
enige andere regeling
is derhalve niet noodzakelijk.
Zoals
gezegd, is de SVr niet unaniem over de
concrete uitwerking. De verdeeldheid
betreft met name de hoogte van de
geldelijke beloningen en geldelijke bijdragen, de wijze waarop
rekening gehouden moet worden
met de positie van kleine werkgevers en
de aanwending van het verwachte overschot dat ontstaat doordat het
totaal aan geldelijke bijdragen
het totaal aan toegekende uitkeringen
overtreft.
Een
deel van de SVr stemt in met het
voorgestelde verschil in hoogte tussen
de geldelijke bijdrage en de uitkering.
Bij de bepaling daarvan op respectievelijk
vier maanden gemiddeld en zes maanden
meent dit deel van
de SVr dat daarbij gerelateerd moet
worden aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in plaats van aan het brutosalaris van
de betrokken werknemer.
Een overschot dient volgens dit deel van
de SVr naar de werkgevers
terug te vloeien via verlaging van de AAW-premie en de daaraan
gekoppelde overhevelingstoeslag. Een
ander deel van de SVr opteert voor een
constructie waarbij de
regeling wordt opgebouwd uit een
bodemregeling met aanvullend een
regeling waarbij de bedrijfsvereniging
zelf de geldelijke bijdragen of
uitkeringen per bedrijfstak kan verhogen
en zo de verhouding tussen de geldelijke
bijdragen en uitkeringen
kan beïnvloeden. Een eventueel
overschot zou per bedrijfstak aangewend
kunnen worden voor volumemaatregelen.
Met
betrekking tot de vraag op welke wijze
met de positie van kleine werkgevers
rekening gehouden moet worden, acht een
deel van de SVr een maximering van het totaal in
één jaar
aan een werkgever op te leggen
geldelijke bijdragen op 5% van de totale
brutoloonkosten een reële
optie. Een ander deel acht 5% te hoog en
opteert voor een plafond van
2%. Een deel van dit deel van de SVr
kiest bovendien voor een mogelijkheid
om kleine werkgevers, gedacht wordt aan
maximaal tien werknemers
in dienst, uit te zonderen van het
systeem.
Het
kabinet meent, mede gezien de
verdeeldheid binnen de SVr, de ingezette
lijn te moeten vasthouden.
De
regeling is zodanig opgezet dat de
werkgever direct recht op een bonusuitkering
krijgt indien hij een persoon in dienst
neemt die een arbeidsongeschiktheidsuitkering
ontvangt.
Deze
arbeidsongeschiktheidsuitkering behoeft
niet beperkt te zijn tot een
uitkering gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
voor de
marktsector,
maar kan ook gebaseerd zijn op de
overheidsregelingen. rblz.|19|
Een
werkgever in het bedrijfsleven die een
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikte
ambtenaar in dienst neemt, heeft derhalve
ook recht op een uitkering.
Op deze wijze heeft de regeling een zo
breed mogelijke werking.
Uiteraard
is het wel de bedoeling dat de
arbeidsongeschikte geruime tijd
in dienst blijft. Het kabinet heeft
gekozen voor een minimale termijn van één jaar. Dit impliceert een
terugvorderingsmogelijkheid van de uitkering
als het dienstverband binnen deze
termijn wordt verbroken.
De
werkgever dient een geldelijke bijdrage
te betalen indien een persoon
in zijn dienst recht krijgt op een (wat
de overheid betreft fictieve) arbeidsongeschiktheidsuitkering
AAW/WAO.
Het is derhalve niet
van belang of de dienstbetrekking met de
werknemer wordt verbroken.
Een werknemer gaat een beroep doen op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen,
dit veroorzaakt een volumetoename en dit
vereist een
geldelijke bijdrage. Uiteraard is het
vervolgens wel van belang of de desbetreffende
werknemer - voor zijn resterende
verdiencapaciteit - aan het
werk blijft bij zijn werkgever. In dat
geval acht het kabinet oplegging van
een geldelijke bijdrage niet in de rede
liggen. Gekozen is, mede naar aanleiding
van het SVr-advies, dan ook voor de
werkwijze dat eerst na een
jaar een geldelijke bijdrage wordt
ingevorderd. Is de arbeidsongeschikte
aan het werk gebleven, dan kan
invordering na dat jaar achterwege
blijven. Hiermee wordt een extra prikkel
gecreëerd ten aanzien
van het in dienst houden en vooral het
feitelijk herplaatsen van de
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikte. Met
betrekking tot het overheidspersoneel
is bovendien een anticumulatieregeling
opgenomen met het herplaatsingswachtgeld
(zie ook paragraaf
2.1.7).
Eén
en ander zal nader uitgewerkt worden in
een algemene maatregel van
bestuur.
2.1.3.
Samenloop
De
laatste jaren zijn verschillende
loonkostensubsidies geïntroduceerd (Wet
Vermeend/Moor, Wet
loonkostenreductie op minimumloonniveau)
teneinde de verschillende
achterstandsgroepen op de arbeidsmarkt
gelijke kansen te bieden. Het ontstaan
van de verschillende loonkostensubsidies
vergt wel een zorgvuldige afweging
omtrent het al dan
niet cumuleren. Immers voorkomen moet
worden dat er een onoverzichtelijk
geheel van subsidiestromen ontstaat,
waarbij voor één werknemer
uit meerdere subsidiebronnen kan worden
geput. Cumulatie van verschillende subsidies voor één en
dezelfde werknemer acht het kabinet
in beginsel ongewenst.
Ook
moet voorkomen worden dat er een
ongewenste concurrentieverhouding
ontstaat tussen de verschillende
achterstandsgroepen op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld tussen langdurig werklozen en
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten.
Bij elk nieuw te creëren instrument
dient derhalve al dan niet cumulatie
met reeds bestaande
subsidie-instrumenten zorgvuldig te worden
afgewogen.
Wat
betreft het BMS leidt dit tot de
volgende afwegingen.
Er
kan geen sprake zijn van samenloop van
de bonusuitkering en een loonkostensubsidie
van de GMD. De combinatie van beide
regelingen zou een te forse financiële injectie
betekenen voor de werkgever. In het wetsvoorstel
is samenloop van beide regelingen dan
ook uitgesloten in die
zin dat als een loonkostensubsidie is
toegekend, geen bonusuitkering wordt
gegeven. Naast deze samenloop heeft het
kabinet nog mogelijke samenloop
met andere subsidie-instrumenten
bekeken.
Allereerst
de samenloop met de geldelijke
bijdrage/tegemoetkoming op
basis van artikel 5 van de Wagw. De
Wagw-regeling, die overigens eerst
effectief wordt indien rblz.|20|
daadwerkelijk
besloten zou worden tot quotumoplegging,
gaat uit van een bestandsgegeven. Dat wil zeggen dat
eerst een bijdrage verschuldigd
is respectievelijk gegeven wordt indien
het aantal gehandicapte
werknemers minder respectievelijk meer
is dan bij algemene maatregel
van bestuur is vereist. Het BMS baseert
zich op een stroomgegeven,
dat wil zeggen, geeft een bonusuitkering
of vordert een geldelijke bijdrage
als een arbeidsongeschikte werknemer in
dienst genomen wordt respectievelijk
een werknemer arbeidsongeschikt wordt.
Dit impliceert dat
beide regelingen op verschillende
niveaus werken en derhalve niet behoeven
te cumuleren. Indien bijvoorbeeld een
werkgever een bijdrage moet
betalen in het kader van het BMS omdat
zijn werknemer een AAW/WAO-uitkering
gaat ontvangen, betekent dit nog niet
dat hij ook een
bijdrage in het kader van de Wagw moet
gaan betalen. Zit hij namelijk ondanks
de uitstoot nog steeds boven het quotum,
dan wordt er, in het kader
van de Wagw, een bedrag ontvangen, zij
het dat het totaalbedrag aan
tegemoetkomingen welke hij op grond van
artikel 5 Wagw ontvangt,
afneemt. Heeft deze uitstoot daarentegen
tot gevolg dat hij (nog
verder) daalt beneden het quotum, dan zal
deze uitstoot ook gevolgen
hebben voor zijn te betalen bijdrage in
het kader van de Wagw.
Het kabinet is van oordeel dat een
maximering op jaarbasis van de
heffingen dan wel tegemoetkomingen tot
een bepaald deel van de brutoloonkosten van een
bedrijf gewenst kan
zijn. Indien te zijner tijd tot quotumoplegging
zou worden besloten, dan zal het kabinet
ook hieraan aandacht
besteden.
Voorts
kan er sprake zijn van een samenloop van
het BMS met een loondispensatieregeling,
bijvoorbeeld die van artikel 8 Wagw. Het
kabinet meent dat er geen reden is deze
samenloop uit te sluiten. De loondispensatie
kan niet gezien worden als een vorm van (loonkosten)subsidie.
Bij loondispensatie gaat het immers om
een gerechtvaardigde
aanpassing van de geldelijke
tegenprestatie van de werkgever
voor verrichte arbeid. Deze aanpassing
correspondeert met een
verminderde arbeidsprestatie ten
opzichte van de in een desbetreffende
functie normaal te achten arbeidsprestatie.
Vervolgens
de mogelijke samenloop met de
subsidieregelingen op basis
van de Kaderregeling arbeidsinpassing (KRA),
waaronder worden begrepen
de subsidieregelingen voor de langdurig
werklozen op basis van
de Wet ter bevordering van de
werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn
(Wet
Vermeend/Moor), de Subsidieregeling
bevordering arbeidsinpassing (SBA) en de
Uitvoeringsregeling bevordering
arbeidsinpassing. Gedeeltelijk
arbeidsongeschikten kunnen immers
ook langdurig werkloos zijn en in die zin
vallen onder deze subsidieregelingen.
Gelijktijdige subsidietoekenning op
basis van arbeidsongeschiktheid
en langdurige werkloosheid zou echter
een te sterke financiële prikkel
betekenen. Ook is het kabinet van
oordeel dat er geen sprake mag
zijn van een ongelijkwaardige verhouding
tussen de instroombevorderende
maatregelen ten behoeve van langdurig
werklozen enerzijds en gedeeltelijk
arbeidsongeschikten anderzijds. Een
dubbele subsidie voor de
langdurig werkloze arbeidsongeschikte
zou een onjuiste concurrentieverhouding
op de arbeidsmarkt opleveren ten
opzichte van de langdurig werkloze.
Cumulatie moet derhalve worden
voorkomen.
Vervolgens
is gekeken naar de mogelijke cumulatie
met de loonkostenreductieregeling
op minimumloonniveau (Wlom). Deze
generiek werkende subsidieregeling richt zich op personen
die het minimumloon ontvangen.
In feite verlaagt deze regeling de
loonkosten op minimumloonniveau
met circa 10% (de maximale subsidie
bedraagt ƒ3200 per jaar). Om
de financiële prikkel, voortvloeiende
uit het BMS, voor de arbeidsongeschikte rblz.|21|
op minimumloonniveau ten opzichte van de
minimumloner, niet arbeidsongeschikt
zijnde, op gelijke hoogte te houden,
heeft het kabinet gekozen
voor het in voorkornende gevallen
toestaan van cumulatie van beide
regelingen. Hierbij speelt ook de
overweging een rol dat de totale loonkostenreductie
bij cumulatie niet te hoog wordt geacht.
Ten slotte
is gekeken naar de cumulatie van het BMS
met vergoedingen voor
voorzieningen op basis van de artikelen
57 en 57a AAW. Laatstgenoemde
bijdragen zijn echter vergoedingen voor
gemaakte kosten, hetgeen
betekent dat cumulatie met het BMS mogelijk moet zijn.
2.1.4.
Het niveau van het BMS
In
het TWVA-rapport wordt geen standpunt
ingenomen over het niveau
van het BMS. Wel wordt aandacht gevraagd
voor een te sterke financiële belasting voor bedrijven met een groot
invalideringsrisico en voor
de positie van kleine werkgevers. Het
kabinetsstandpunt van 6 maart
1990 gaat wel in op de hoogte van het
BMS. Bij wijze van voorbeeld
worden verschillende varianten
aangegeven. Voor de hoogte van
de geldelijke bijdrage wordt aangegeven
dat gedacht kan worden aan
een gemiddelde van circa vier maanden
brutosalaris. Voor de hoogte van
de bonusuitkering aan zes maanden salaris.
In
het voorliggende wetsvoorstel is de
exacte hoogte van het BMS niet nader
geregeld. Dit dient te geschieden in een
algemene maatregel van bestuur.
Wel is in de wet een maximum aangegeven
wat betreft de geldelijke
bijdragen. Het kabinet is voornemens
vooralsnog aan te sluiten bij
het niveau waarvoor in het
kabinetsstandpunt voorbeeldsgewijze werd geopteerd.
Voor de bonusuitkering zou dit betekenen
een uniform niveau van zes maanden brutosalaris van de betrokken
werknemer.
Wat
betreft de hoogte van de geldelijke
bijdrage wordt in het kabinetsstandpunt
uitgegaan van twee varianten. De eerste
variant gaat uit van een uniforme geldelijke bijdrage van
bijvoorbeeld vier maanden. Het grote voordeel
van deze variant is dat deze relatief
eenvoudig en voor de bedrijfsverenigingen
goed uitvoerbaar is. Een nadeel is dat
geen rekening wordt
gehouden met de
arbeidsongeschiktheidsrisico's van een bedrijfstak.
De tweede variant houdt juist wel
rekening met de
arbeidsongeschiktheidsrisico's. In deze variant wordt de geldelijke
bijdrage gedifferentieerd
naar bedrijfstak waarbij een lagere
geldelijke bijdrage wordt
bepaald naar mate het gerelateerde
arbeidsongeschiktheidsrisico in
de bedrijfstak op een hoger niveau ligt.
Deze variant gaat ervan uit dat een
dergelijke bedrijfstak relatief zware
arbeidsomstandigheden heeft die slechts
ten dele door bepaalde maatregelen
kunnen worden gemitigeerd. In
het kabinetsstandpunt wordt vervolgens
bij wijze van voorbeeld een differentiatie
aangegeven waarbij voor de Bouw de
laagste geldelijke bijdrage
geldt, zijnde twee maanden salaris en de
Banken de hoogste geldelijke
bijdrage, namelijk zes maanden salaris. Het
kabinet heeft, mede na weging
van het op dit punt verdeelde SVr-advies,
een voorkeur voor de laatste
variant. De belangrijkste overweging is
daarbij het gegeven dat een
deel van arbeidsongeschiktheidsrisico
eigen is aan de aard van de werkzaamheden
van de bedrijfstak. Dit impliceert dat
los van maatregelen
die werkgevers treffen ter voorkoming
van arbeidsongeschiktheid in bepaalde sectoren sprake kan zijn van
relatief onbeïnvloedbare arbeidsomstandigheden
en in het verlengde daarvan een relatief
hoog arbeidsongeschiktheidsrisico.
Het gegeven dat de werkgevers in bepaalde
bedrijfstakken het
arbeidsongeschiktheidsrisico in (veel) mindere
mate kunnen beïnvloeden via preventieve
maatregelen dan werkgevers
in andere bedrijfstakken, rechtvaardigt
naar het oordeel van rblz.|22|
het kabinet een zekere differentiatie van de
geldelijke bijdrage, afhankelijk
van het arbeidsongeschiktheidsrisico.
Daarnaast zijn er nog andere factoren
die differentiatie gewenst maken. In de
eerste plaats zijn er grenzen
aan de lasten die in verband met ziekte
en arbeidsongeschiktheid
aan werkgevers kunnen worden opgelegd.
Dit brengt met zich dat
de cumulatie van kosten met betrekking
tot het BMS en de naar bedrijfstakken
gedifferentieerde ZW-premies in
het oog moet worden
gehouden. Gezien de niveaus van de ZW-premies zullen de grenzen
in bijvoorbeeld de bedrijfstak Bouw
eerder worden bereikt dan elders.
In
de tweede plaats is een gedifferentieerd
systeem van geldelijke bijdragen
noodzakelijk om het budgettair evenwicht
in de G-en-G-sectoren te realiseren. Hierop wordt in
paragraaf 2.1.6 teruggekomen.
Het
criterium van differentiatie, het
arbeidsongeschiktheidsrisico, zal in de
wet zelf zijn opgenomen. De
definiëring, dat wil zeggen de formule
of technische
uitwerking van dat criterium, past echter
niet in de wettekst zelf. Deze is te technisch van aard en zal
niet voor alle groepen werkgevers hetzelfde kunnen zijn. Zo zal voor de
marktsector het arbeidsongeschiktheidsrisico
op een andere wijze gedefinieerd moeten worden
dan voor de overheidssector. Bij de
marktsector wordt daarbij gedacht
aan definiëring op basis van toegekende
WAO-uitkeringen, afgezet
tegen het voor die wet verzekerde loon.
Voor de overheidssector kan
worden gedacht aan een criterium op
basis van de AAW-claims in verband
met de fictieve uitvoering van de AAW
(ambtenaren zijn immers niet
verzekerd voor de WAO en hebben dus ook
in die zin geen verzekerd loon
voor die wet). Eén en ander zal bij of
krachtens de meergenoemde algemene
maatregel van bestuur zijn uitwerking
krijgen.
Het
standpunt van het deel van de Raad dat
een algemene bodemregeling
wil completeren met een door de
bedrijfsverenigingen vast te stellen deel daar
bovenop, verdient geen
navolging. Enerzijds is deze gedachte
- zeker gezien de koppeling met uitgaven
in verband met volumebeleid
- strijdig met de gestelde eis van een
voor werkgevers macroneutrale
vormgeving. Anderzijds gaat met deze
gedachte een bedrijfstakgewijze financiering gepaard welke niet onze
voorkeur heeft.
In
de nog te ontwerpen algemene maatregel
van bestuur zal nog moeten
worden bepaald welke boven- en
ondergrens in de gedifferentieerde opzet zullen gelden. De bedoeling van
het kabinet was dat gemiddeld
genomen het bedrag van de geldelijke
bijdrage lager zal uitkomen
dan dat van de bonusuitkering. Inmiddels
heeft het kabinet in principe
besloten de geldelijke bijdrage
stapsgewijze te verhogen naar maximaal
twaalf maanden salaris. Dit als
onderdeel van een aanvullend pakket
volumemaatregelen ter beperking van de
toestroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Daardoor zal het saldo van geldelijke bijdragen
en bonusuitkeringen sterk kunnen
toenemen. Dit hoeft geen bezwaar
te zijn, aangezien dit saldo via een
daardoor mogelijk geworden verlaging
van de AAW-premie weer wordt
teruggegeven, waarbij goede werkgevers
meer profiteren dan slechte werkgevers.
In dit wetsvoorstel wordt
door opneming in de wettekst van een
verhoogd maximum van twaalf maanden salaris het technisch mogelijk
de geldelijke bijdragen op een
hoger niveau vast te stellen dan in
eerste instantie wordt beoogd. Daadwerkelijke
effectuering van de voorgenomen
verhoging van de geldelijke
bijdrage zal op een later moment bij
algemene maatregel van bestuur geschieden.
In
de TWVA-werkgroep is reeds stilgestaan
bij de problemen van een te
grote financiële belasting voor de
kleine bedrijven. Het kabinet is met rblz.|23|
de TWVA van mening dat deze bedrijven wel
onder het BMS moeten vallen
om te voorkomen dat een te groot deel
van het bedrijfsleven niet wordt bereikt met dit systeem. Het kabinet
stelt voor het door een werkgever
in een kalenderjaar te betalen totale
bedrag aan geldelijke bijdragen
te maximeren op 5% van het verloonde
bedrag (brutoloonkosten)
van het jaar dat voorafgaat aan het jaar
waarin de geldelijke bijdragen
verschuldigd zijn geworden. Blijkens het
SVR-advies wordt dit voorstel
door een meerderheid gezien als een
reëel plafond. Het kabinet heeft
in de opvatting van een minderheid van
de SVr dat het plafond op 2% zou moeten liggen geen aanleiding
gezien zijn standpunt te wijzigen. Hun
standpunt dat een plafond van 5% de
kleine werkgevers onevenredig
zwaar belast omdat dit plafond door de
grote werkgevers nooit gehaald
zal worden, komt niet overtuigend over.
Het plafond is immers uitdrukkelijk
voor kleine werkgevers bedoeld. Indien
het plafond zodanig zou
moeten zijn dat ook grote werkgevers er
snel mee geconfronteerd worden,
zou men eerder kunnen overwegen om het
niveau van de geldelijke
bijdrage terug te brengen.
2.1.5
Uitvoering en financiering
Aangezien
zoals reeds in de inleiding is opgemerkt
alle werkgevers in Nederland,
zowel overheid als bedrijfsleven, onder
het BMS vallen, is de uitvoering
aan verschillende organen opgedragen.
Afhankelijk van de soort
werkgever is de uitvoering opgedragen
aan de bedrijfsvereniging, het
ABP of het Spf. In sommige gevallen zal
de uitvoering door meerdere organen
kunnen geschieden aangezien de werkgever
ook bij meerdere organen
zal zijn aangesloten, bijvoorbeeld bij
de bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten
en bij het ABP. Bij of krachtens de
reeds genoemde algemene maatregel van bestuur zal de
taakverdeling in deze situaties tussen
de verschillende organen nog nader
moeten worden geregeld.
Zeker
nu ook de overheidswerkgevers onder het
BMS vallen, spreekt het voor
zich dat de financiering via het AAf
verloopt. De variant die een deel van de SVr bepleit en waarbij
bedrijfstakfondsen worden gevormd waaruit
zou kunnen worden geput ter financiering
van volumemaatregelen,
oogt weliswaar sympathiek, maar is
bezwaarlijk. In de eerste plaats staat
deze haaks op het uitgangspunt van
kostenneutraliteit voor werkgevers
op macroniveau. In plaats daarvan wordt
de financiering van (niet
nader omschreven) volumemaatregelen
eenzijdig ten laste van werkgevers
gebracht. In de tweede plaats
veronderstelt deze variant een duurzaam
saldo van geldelijke bijdragen boven
bonusuitkeringen om de maatregelen
blijvend te kunnen financieren. Naarmate
de effecten op in- en
uitstroom sterker zichtbaar worden, is
het BMS een steeds onzekerder structurele
financieringsbron.
Dit
neemt overigens niet weg dat zeker in de
aanvangsjaren, maar ook nog
enige tijd daarna, verwacht mag worden
dat een saldo van geldelijke bijdragen
zal resteren. Aangezien dit saldo door
de totaliteit van de werkgevers
is opgebracht, is het te rechtvaardigen
dat het ook aan de werkgevers
ten goede komt. Dit is mogelijk door een
premieverlaging AAW
met overeenkomstige doorvertaling in de
overhevelingstoeslag. In hoofdstuk
5 zal op de financiële en
volume-effecten van het BMS nog nader
worden ingegaan.
2.1.6.
Het BMS in de G-en-G-sector
De
SVr is met het kabinet van opvatting
dat ook voor werkgevers in de G-en-G-sector het BMS van toepassing moet
zijn.
De
positie van werkgevers (in de zin van de
ZW, WW
en WAO) in de
G-en-G-sector is een bijzondere, aangezien
de financiering van het niveau en
de kwaliteit van de dienstverlening
structureel en substantieel rblz.|24|
geschiedt
op basis van collectieve middelen, die
in de vorm van budgetten
beschikbaar komen. De arbeidskosten
vormen een belangrijke component
in dit geheel. De omvang van de
budgetten wordt vooraf door
de betrokken ministers vastgesteld. Bij
de vaststelling van de ruimte voor
arbeidsvoorwaarden die mede ten
grondslag ligt aan de budgetvaststelling
wordt de beschikbare ruimte bepaald door
de ontwikkeling in de marktsector,
de omvang van de collectieve uitgaven en
de arbeidsvoorwaardenontwikkeling
in de voorgaande periode.
Bij
de wetgeving ter zake van de WAGGS [Wet
arbeidsvoorwaardenontwikkeling
gepremieerde en gesubsidieerde sector, red.]
is
handhaving van het voorzieningenniveau
één van de doelstellingen.
Bij
de toekenning van de ruimte voor
arbeidsvoorwaarden krijgen de werkgevers
de ontwikkeling van de werkgeverspremies
wettelijke sociale zekerheid
volledig in de ruimte verdisconteerd.
Dit wordt als regel gehanteerd,
omdat het hier gaat om door de wetgever
vastgestelde premies met voor de werkgever niet te vermijden
kosteneffecten.
Worden
niet te vermijden kosteneffecten van
sociale premies niet of niet
in volle omvang in de ruimteberekening
meegenomen, dan gaat dit ten koste van het voorzieningenniveau of van
de arbeidsvoorwaardenruimte.
In het eerste geval worden de prikkels
afgewenteld op de cliënt/patiënt en/of de belastingbetaler. In het tweede
geval zijn het feitelijk de werknemers
die betalen voor de kosten verbonden aan
de arbeidsongeschiktheidsrisico's
in hun sector en het uitblijven van een
beleid gericht op
terugdringing van het verzuim. Dit is in
strijd met het doel van de in dit verband relevante maatregelen, namelijk
het versterken van financiële prikkels
bij werkgevers. Het kabinet gaat er bij
premiedifferentiatie in de ZW
en het BMS van uit dat de gemiddelde
premie c.q. het gemiddelde saldo
van de uitkeringen en geldelijke
bijdragen voor een CAO-sector het niet
te vermijden kosteneffekt voor elk van
de instellingen in die sector weergeeft.
Wanneer deze premie c.q. dit saldo van
uitkeringen en geldelijke bijdragen in het budget wordt
verdisconteerd, zal dit voor de betreffende
CAO-sector in principe niet leiden tot
aantasting van het voorzieningenniveau
of de arbeidsvoorwaardenruimte of tot
een extra beslag op collectieve
middelen. Een voorwaarde daarbij is dat
mee- en tegenvallers in dezelfde sfeer (of
arbeidsvoorwaardenniveau of
voorzieningenniveau) worden
gecompenseerd. Tegenover meevallers
waarvan niet op voorhand vaststaat dat ze blijvend zijn, moeten
dan geen structurele kosten
worden gemaakt.
De
individuele instellingen/werkgevers die
boven het gemiddelde uitstijgen, dienen door middel van verzuimbeperkend
beleid een aantasting
van het niveau van dienstverlening of
verhoging van de werkdruk
weg te werken.
Ondanks
de hiervoor weergegeven bijzondere
positie van de G-en-G-sector is bij het BMS uitgangspunt
dat deze onverkort van toepassing
is op de G-en-G-sector. Centrale vraag is
op welke wijze dit inpasbaar
is in de financieringsstructuur van deze
sector.
Zoals
uiteengezet is, wordt één van de
kostencomponenten voor de ruimteberekening
gevormd door de mutatie in de
werkgeverspremies/overhevelingstoeslag.
In relatie tot het BMS is dan het
volgende van belang.
Gezien
de in- en uitstroomcijfers van de WAO/AAW mag worden verwacht
dat het bedrag aan geldelijke bijdragen
voor het gehele bedrijfsleven beduidend groter zal zijn dan het bedrag
aan bonusuitkeringen.
Daarmee ontstaat een positief saldo dat
toevloeit aan het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds
(AAf) en
uitmondt in een lagere AAW-premie
en daaraan gekoppelde overhevelingstoeslag.
rblz.|25|
De
verlaging van de AAW-premie voor het
bedrijfsleven (waaronder de G-en-G-sector) beïnvloedt de
ruimtevaststelling in neerwaartse
richting. Er hoeft daardoor minder geld beschikbaar gesteld
te worden ten behoeve van
de arbeidsvoorwaarden voor de
collectieve sector (overheid en G-en-G-sector).
Hiermee
ontstaat ruimte om de budgetten in deze
sector te verhogen zonder
in conflict te komen met de
randvoorwaarde van de door het kabinet wenselijk geachte omvang van de
collectieve uitgaven. Het is de bedoeling
uit te gaan van een niveau van
AAW-premie gecorrigeerd voor het
effect van het BMS.
Voor
een dergelijke "verhoging" bestaat
ook aanleiding. Immers de G-en-G-sector wordt gefinancierd uit
collectieve middelen en eigen bijdragen
die in veel gevallen beleidsmatig en
extern worden vastgesteld (bijvoorbeeld
bij de bejaardenoorden). Het is voor de
G-en-G-sector dan ook nauwelijks
mogelijk om hogere kosten als gevolg van
het BMS door te berekenen
aan de cliënt/patiënt. Zonder
toevoeging van middelen zouden de
kosten van het BMS dan ook moeten worden
afgewenteld op de voorzieningen
of de arbeidsvoorwaarden. Ook voor de
G-en-G-sector moet er
immers van worden uitgegaan dat
gedurende de eerste jaren het bedrag
aan geldelijke bijdragen dat van de
bonusuitkeringen zal overtreffen.
Door de verlaging van de AAW-premie niet
in een verlaging van
het budget te laten uitmonden, blijven
dus middelen beschikbaar die kunnen
voorkómen dat het voorzieningenniveau
van de CAO-sectoren wordt aangetast of het risico ten laste van
werknemers wordt gebracht.
Een
kostenneutrale uitgangspositie vereist
dat in beginsel per CAO-sector
het evenwicht wordt bepaald tussen
verhoging van de budgetten
en een lastentoename die per saldo van
het BMS het gevolg is. De
extra ruimte in de budgetten wordt,
zoals uiteengezet, bepaald door de
mate waarin de AAW-premie lager wordt
vastgesteld en vormt ook voor
de G-en-G-sector een gegeven. In het
SVr-advies wordt door een deel van
de Raad erkend dat met deze extra ruimte
een voldoende financiële buffer
wordt gecreëerd om kostenneutraliteit
te kunnen waarborgen. Een ander
deel van de Raad heeft de voorkeur voor
een uitwerking van het BMS die, zoals eerder aangegeven, in
het
onderhavige wetsvoorstel niet is
overgenomen, waarbij het saldo van
bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen
binnen de bedrijfstak wordt aangewend.
In een dergelijke systematiek
is per definitie sprake van een
budgettair evenwicht.
Het
niveau van de bonusuitkering zal in de
opvatting van het kabinet uniform
zijn. Dit betekent dat bij het bepalen
van de mate van differentiatie
in het systeem van geldelijke bijdragen
de voorwaarde van een evenwichtige
uitgangspositie van de G-en-G-sector
één van de in acht te nemen uitgangspunten vormt.
Teneinde
ondanks de toevoeging van middelen toch
een financiële prikkel
voor werkgevers te bewerkstellingen,
dient de "ophoging" van de budgetten
met het saldo van de bonusuitkeringen en
geldelijke bijdragen in
principe per CAO-sector plaats te
vinden. Voor zover CAO-sectoren klein van
omvang zijn of slechts uit één
onderneming of instelling bestaan, zal een
groepering van gelijksoortige sectoren
moeten plaatsvinden. Ook in dit geval blijft gelden dat individuele
werkgevers een geldelijke bijdrage moeten
betalen c.q. een bonusuitkering krijgen
voor een slechter c.q. een beter WAO-volumebeleid dan de overige
werkgevers in hun sector. Deze geldelijke
bijdrage c.q. bonusuitkering wordt in
eerste instantie gefinancierd
uit c.q. komt ten goede aan het budget.
Hierdoor ontstaat de mogelijkheid
tot aanpassingen zowel in positieve als
in negatieve zin voor hetzij
het arbeidsvoorwaardenniveau, hetzij het
voorzieningenniveau. Daarmee
bestaat derhalve een forse prikkel om de
geldelijke bijdrage zo rblz.|26|
laag
mogelijk te houden c.q. de bonusuitkering
zo groot mogelijk te doen zijn.
Het
systeem beoogt te stimuleren dat
werkgevers met een relatief slecht
verzuimbeleid zich optrekken aan de
werkgevers met een relatief goed beleid, uitgaande van de
beïnvloedbaarheid van verzuim door de individuele
werkgever.
Bij
het hier uiteengezette probleem past de
kanttekening dat de redenering
op het mesoniveau betrekking heeft.
Voor de verschillende CAO-sectoren
wordt de mogelijkheid geboden om de
introductie van het systeem
neutraal te laten verlopen ten aanzien
van het voorzieningenpeil onderscheidenlijk
de arbeidsvoorwaarden van werknemers.
Dit laat echter
onverlet dat in de praktijk de voordelen
en nadelen niet volstrekt evenwichtig
over de beide elementen verdeeld
behoeven te zijn: het is bijvoorbeeld
mogelijk dat de voordelen overwegend in
het voorzieningenpeil en de nadelen in de arbeidsvoorwaarden
worden verdisconteerd. Dit
wetsvoorstel biedt derhalve wel
mogelijkheden, maar geen garantie voor
een strikt evenwichtige uitwerking.
Hetzelfde
geldt ten aanzien van de effecten voor
verschillende (arbeidsmarkt)regio's.
Het is zeer goed denkbaar dat bij
neutraliteit voor een CAO-sector als geheel de voor- en
nadelen van het systeem voor bijvoorbeeld
de Randstad anders liggen dan voor
andere regio's in het land. Dergelijke effecten zijn echter slechts
te voorkomen door een zodanige
detaillering van regels dat de
uitvoering onmogelijk wordt. Gedacht
wordt aan evaluatie na twee jaar om te
bezien of en hoe aanpassingen
nodig zijn.
Het
hier beschreven model geldt met name
voor de eerste jaren. Indien
het BMS werkt, neemt het saldo van de
geldelijke bijdragen en bonusuitkeringen
in de tijd af. Derhalve verdwijnt de
ruimte in de vorm van
een met dit saldo samenhangende lagere AAW-premie geleidelijk in de tijd. Anderzijds kan de
"verhoging"
van de budgetten bij een afnemend
saldo in de G-en-G-sector eveneens
geleidelijk worden afgebouwd.
Dit laatste zou zodanig kunnen worden
vormgegeven dat de afbouw
synchroon verloopt met de verhoging van
de AAW-premie die, geïsoleerd
bezien, nodig is wanneer het saldo van
geldelijke bijdragen en bonusuitkeringen
terugloopt.
2.1.7.
Het BMS bij de overheid
De
door de marktsector geleverde inspanning
dient op vergelijkbare krachtige
wijze in de overheidssector te worden
gerealiseerd. Uitgangspunt
is daarbij dat, met inachtneming van de
specifieke positie van
overheidsorganen, dezelfde maatregelen
ook voor deze sector worden
getroffen.
Zoals
ook aangegeven in het advies van het ABP
over het onderhavige wetsvoorstel
wordt de specifieke positie van
overheidsorganen bepaald door een tweetal factoren. In de eerste
plaats is het overheidspersoneel uitgezonderd
van de werknemersverzekeringen. Dit
betekent dat er voor dit personeel, behoudens de
AAW, bij
loonderving door (langdurig) ziekteverzuim
van de marktsector afwijkende
voorzieningen gelden. In de tweede plaats dient evenals bij de
G-en-G-sector
rekening te worden gehouden
met de financieringsstructuur in de
overheidssector.
Bij
loonderving door ziekte wordt in de
overheidssector het salaris voor een
periode van ten minste anderhalf jaar volledig
doorbetaald door de rblz.|27|
werkgever. Daarna wordt, indien nog geen ontslag
heeft plaatsgevonden, 80%
van het salaris doorbetaald. Na één jaar
ziekte ontstaat in het algemeen
geen daadwerkelijk recht op een AAW-uitkering, maar wordt het
bedrag van deze uitkering geclaimd bij
het AAf .
Bij
blijvende ongeschiktheid voor de eigen
functie kan recht op een invaliditeitspensioen
bestaan op grond van de Algemene
burgerlijke pensioenwet,
de Spoorwegpensioenwet of de Algemene
militaire pensioenwet.
Na keuring kan de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte burgerambtenaar
echter ook, afhankelijk van de
restcapaciteit, herplaatsbaar worden
verklaard. Tenzij daadwerkelijk
herplaatsing plaatsvindt bij het overheidsorgaan
of bij een andere werkgever, betaalt dit
orgaan gedurende
maximaal vijf jaar een
herplaatsingswachtgeld. Pas na deze periode
van vijf jaar wordt een
invaliditeitspensioen toegekend. Ruim 90%
van de personen met restvaliditeit wordt
herplaatsbaar verklaard. Meer
dan 80% van de herplaatsbaarverklaarden
wordt daadwerkelijk herplaatst.
In 1990 betrof dit 2600 personen.
In
dit van de marktsector afwijkende regime
blijft een deel van de arbeidsongeschiktheidslasten
ook na één jaar ziekte voor rekening van
de werkgever.
In die zin is, zoals opgemerkt in het
ABP-advies en in het advies
van het Spf, ook in de huidige situatie
al sprake van een belangrijke financiële verantwoordelijkheid.
Dit
regime is echter primair gericht op het
voorkomen van toekenning van
een invaliditeitspensioen en niet op het
beperken van claims bij het AAf.
Daarnaast
wordt er in het ABP-advies op gewezen
dat de financiële verantwoordelijkheid
van de werkgever zich niet altijd
vertaalt in een effectieve prikkel om de uitstroom naar de
arbeidsongeschiktheidsregelingen
te beperken.
In
bepaalde sectoren van de overheid zijn
de budgetterings- en begrotingsmethodieken
zodanig ingericht dat de werkgever
enerzijds zijn financiële
verantwoordelijkheid kan afwentelen en
anderzijds niet (volledig)
kan profiteren van besparingen ten
gevolge van de geleverde inspanningen
ter beperking van het (langdurig)
ziekteverzuim.
Op
basis van tabel 1 (zie paragraaf
1.2.1) kan
worden geconstateerd dat de
volumeontwikkeling
van voormalig overheidspersoneel (Abp-verzekerden)
in de AAW
zich niet in gunstige zin
onderscheidt van de algehele
volumeontwikkeling.
Op zichzelf genomen is dit naar het
oordeel van het kabinet voldoende aanleiding om, naast de
bestaande beleidsinstrumenten
gericht op verzuimbeperking, het BMS in
de overheidssector onverkort
toe te passen. Wel dient rekening te
worden gehouden met het feit
dat de dreiging van het
herplaatsingswachtgeld reeds een prikkel
bevat
om het arbeidsongeschiktheidsvolume
terug te dringen. Het herplaatsingswachtgeld
kan dus als een malus worden beschouwd. Hiermede
zal in die zin rekening worden gehouden
dat het bedrag aan herplaatsingswachtgeld
in mindering zal worden gebracht op de
door de werkgever
voor de betreffende ambtenaar
verschuldigde bijdrage. Deze
anticumulatieregeling
zal worden uitgewerkt in de algemene
maatregel van
bestuur op grond van het zevende lid van
artikel 57b van de AAW.
In
de visie van het ABP is introductie van
het BMS in de overheidssector
echter alleen zinvol indien deze wordt
gekoppeld aan een aanpassing
van eerdergenoemde budgetterings- en
begrotingsmethodieken.
Daarbij wordt erop gewezen dat het
beleid van de overheid overigens
reeds is gericht op een versterking van
de budgetverantwoordelijkheid
van het management.
rblz.|28|
In
dit verband wil het kabinet erop wijzen
dat de positie van de overheid
als werkgever zich in dit opzicht
nauwelijks onderscheidt van die
van grote concerns in de marktsector.
Ook daar kan de effectiviteit van
het BMS worden versterkt, indien de
financiële prikkel wordt doorvertaald
naar het middenmanagement.
Voorts
is het kabinet anders dan het ABP van
mening dat het BMS, ook los
van een versterking van de
budgetverantwoordelijkheid, effectief
kan zijn.
Met name het verkrijgen van
bonusuitkeringen betekent extra financiële
armslag voor de werkgever en is in dit
opzicht, niet alleen voor het
middenmanagement,
maar ook voor de organisatie als geheel
aantrekkelijk.
Het kabinet erkent echter dat, niet
alleen in de overheidssector maar
ook in de markt- en G-en-G-sector, het
BMS in belangrijke mate aan effectiviteit
kan winnen wanneer zowel de pijn van de
geldelijke bijdrage als
het voordeel van de bonusuitkering
worden gelegd bij het verantwoordelijke
middenmanagement. Voor de rijksoverheid
kan een dergelijke versterking van de
budgetverantwoordelijkheid gestalte
krijgen via decentralisatie
van de voor doorbetaling van het salaris
bij langdurig ziekteverzuim beschikbare budgetten naar het
middenmanagement. Thans
is het in het algemeen gebruikelijk dat
loondoorbetalingen bij ziekte
slechts gedurende het eerste halfjaar
voor rekening komen van de budgetten
van de desbetreffende budgeteenheid. Na
deze periode worden
deze loondoorbetalingen via centrale
budgetten gefinancierd. Versterking
van de effectiviteit van het BMS kan
worden bewerkstelligd door
deze termijn tot ten minste één jaar te
verlengen, zodat de uitkeringen
respectievelijk geldelijke bijdragen en
herplaatsingswachtgelden ten
bate c.q. ten laste van de doorgemandateerde budgetten kunnen
worden
gebracht. Door andere overheden kunnen
overeenkomstige maatregelen
worden getroffen. Het is echter een
eigen verantwoordelijkheid
van werkgevers om deze effectiviteit te
bevorderen en langs deze weg
op optimale wijze van het BMS te kunnen
profiteren.
Het BMS zal niet gelden voor de krijgsmacht
(het vrijwillig dienende en het
verplicht dienende personeel). Deze
uitsluiting zal worden geregeld in de algemene maatregel van bestuur op grond
van het negende lid van artikel 57b van de
AAW. Introductie van het BMS zou in de praktijk namelijk nagenoeg uitsluitend leiden tot
geldelijke bijdragen ten laste van de
Defensiebegroting. Dat terwijl de
uitgaven ter zake van arbeidsongeschiktheid
- afgezien van de claims op het AAf ter
zake van de fictieve AAW
- reeds volledig ten laste van die
begroting komen.
Naast
introductie van het BMS voorziet het
onderhavige wetsvoorstel in introductie
van een verplichte AAW-keuring voor
overheidspersoneel. Gezien deze voorgenomen keuringsverplichting
ligt het naar het oordeel van
het kabinet in de rede om ook voor het
overheidspersoneel het verschuldigd zijn van een geldelijke bijdrage te
koppelen aan (de fictieve uitvoering
van) de AAW. De door het ABP
gesignaleerde bezwaren tegen een
koppeling aan de invaliditeitspensioenen
in het kader van de overheidspensioenregelingen,
waarbij niet in alle gevallen sprake zou
zijn met
een parallellie met de marktsector,
wordt op deze wijze ondervangen.
Met de verplichte AAW-keuring wordt
tevens voorkomen dat in onnodig
veel gevallen restitutie van de
geldelijke bijdrage dient plaats te vinden.
Dit is zeker het geval wanneer deze
geldelijke bijdrage pas één jaar
na toekenning van de AAW-claim behoeft
te worden betaald.
Naast
het eigen regime bij ziekte en
arbeidsongeschiktheid dient bij introductie
van het BMS de financieringsstructuur
van de overheidssector in acht te worden genomen. De
dienstverlening van de overheid wordt volledig
uit collectieve middelen gefinancierd
die in de vorm van rblz.|29|
budgetten beschikbaar komen. De omvang van de
budgetten voor arbeidskosten
wordt vooraf vastgesteld. In deze
budgetten wordt de ontwikkeling
van de relevante werkgeverspremies
sociale verzekeringen "automatisch"
verdisconteerd.
Bij
de rijksoverheid (departementen) werkt
de mutatie in de relevante werkgeverspremies
via de zogenaamde loon/prijsbijstelling
in de budgetten door. Voor lagere overheden wordt bij
vaststelling van de toevoegingen
aan c.q. uitnamen uit het gemeente-/provinciefonds een nominale compensatie toegepast voor
loon- en
prijsmutaties. In deze nominale
compensatie zijn mede begrepen de
mutaties in de werkgeverspremies sociale zekerheid. De arbeidskosten van
de lagere overheden
- gemeenten en
provincies worden
[lees: lagere overheden - gemeenten en
provincies - worden, red.] overigens in het algemeen voor
90% gefinancierd uit deze fondsen. De
overige 10% komt direkt voor
rekening van de instellingen. Voor
instellingen die (volledig) via specifieke
uitkeringen van het Rijk worden
gefinancierd (onder andere gemeentepolitie),
geldt de regel dat de vergoeding die een
bepaald departement hiervoor
op de begroting ontvangt integraal wordt
doorgesluisd naar het betreffende
overheidsorgaan.
Op
zichzelf genomen is dit naar het oordeel
van het kabinet reeds een voldoende
aanleiding om, naast de bestaande
beleidsinstrumenten gericht op verzuimbeperking, het
BMS in de
overheidssector onverkort toe
te passen.
Eén
en ander impliceert dat de verlaging van
de AAW-premie bij introductie
van het BMS de budgetten ook in de
overheidssector in neerwaartse richting beïnvloedt. De gevolgen van
introductie van het BMS voor de overheidssector zijn in dit
opzicht vergelijkbaar met die voor de
G-en-G-sector.
Ook
ten aanzien van de in het kader van het
BMS door een overheidsorgaan
te ontvangen bonusuitkering c.q. te
betalen geldelijke bijdrage kan een
dergelijke parallel worden getrokken.
Evenals in de G-en-G-sector is het voorkómen van afwenteling een
randvoorwaarde voor toepassing van het
BMS. Evenmin is het aanvaardbaar dat
introductie van het BMS in de overheidssector
leidt tot een extra beslag op
collectieve middelen. In beginsel is derhalve een verhoging van de
budgetten noodzakelijk, welke is
afgestemd op de lastentoename voor
overheidsinstellingen ten gevolge
van het BMS. Evenals in de G-en-G-sector
kan de ruimte voor het opvangen
van de kosten van het BMS worden
gecreëerd door een verlaging
van de budgetten, resulterend uit
eerdergenoemde verlaging van
de AAW-premie, achterwege te laten. Bij
een dergelijke kostenneutrale
oplossing moet echter wel een
financiële prikkel voor het individuele
overheidsorgaan
blijven bestaan.
Voor
de G-en-G-sector wordt teneinde
daadwerkelijk een financiële prikkel
te bewerkstelligen, geopteerd voor een
ophoging van budgetten per CAO-sector. Voor de overheidssector
dient eveneens te worden bezien
of een ophoging van budgetten
gedifferentieerd naar sectoren wenselijk
is of dat met een uniforme ophoging voor
de gehele overheidssector
kan worden volstaan. In het ABP-advies
is aangegeven dat een beleidsmatig
en uitvoeringstechnisch doelmatige
sectorindeling moeilijk te
realiseren is. Dit is met name het geval
omdat de in de overheidssector
te onderscheiden bestuurslagen (Rijk, provincies,
gemeenten) en de
functionele indeling (onderwijs, politie
e.d.) elkaar overlappen.
Voor
differentiatie is overigens slechts
aanleiding indien de vrijheidsgraden
dermate gering en de randvoorwaarden
dermate belemmerend zijn
dat reallocatie van financiële middelen
nauwelijks mogelijk is en zonder
deze differentiatie de beoogde
kostenneutraliteit niet kan worden gerealiseerd.
Vervolgens is differentiatie alleen
zinvol wanneer de rblz.|30|
verschillen
in de instroom en uitstroom van
arbeidsongeschikten tussen verschillende
sectoren van de overheid significant
zijn. Uit het onderzoek Arbeidsongeschiktheid
onder ambtenaren dat het ministerie van
Binnenlandse
Zaken in 1990 heeft uitgebracht, blijkt
dat binnen de overheidssector
sprake is van een zekere variatie in het
arbeidsongeschiktheidsrisico.
Deze is echter geringer dan in de markt-
en G-en-G-sector.
Van
het relatief hoogste
arbeidsongeschiktheidsrisico is sprake
in de sector
onderwijs. In beginsel zal het BMS derhalve ook in deze sector moeten worden toegepast. Het is echter
onvermijdelijk dat een belangrijk deel
van de sector onderwijs, namelijk het
basis- en voortgezet onderwijs (declaratiesectoren),
wordt uitgezonderd van het BMS. De
personeelskosten,
inclusief de kosten in verband met
vervanging bij ziekte, worden in de declaratiesectoren volledig vergoed
door de centrale overheid. In dit
verband is artikel 23 van de
Grondwet
van belang, op grond waarvan de centrale overheid verplicht is tot
vergoeding van alle niet-vermijdbare kosten
aan genoemde onderwijsinstanties.
Introductie van het BMS in deze sector zou betekenen dat voor elke
geldelijke bijdrage dient te worden
nagegaan of de achterliggende oorzaak al
of niet vermijdbaar is. Dit
acht het kabinet niet gewenst.
Mede
gezien het relatief hoge arbeidsongeschiktheidsrisico in het
onderwijs
is het kabinet echter van oordeel dat
voor de declaratiesector met
het BMS vergelijkbare alternatieve
maatregelen dienen te worden getroffen.
De
voorkeur van het kabinet gaat daarbij
uit naar de oprichting van een Vervangingsfonds
bij ziekte. Bij brief van 8 maart 1991
verzocht de Minister van Onderwijs en Wetenschappen aan een
commissie onder voorzitterschap
van dr. A.J. Vermaat (voorzitter van de
Verzekeringskamer)
om hem van advies te dienen over de
oprichting van een Vervangingsfonds
voor het primair en voortgezet
onderwijs, alsmede over de relatie
van dit fonds tot de in te voeren
bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs.
De commissie heeft bij brief van 13 mei
1991 haar advies uitgebracht.
De commissie stelde in haar advies dat
zo'n fonds nuttig en uitvoerbaar
is.
De
Minister van Onderwijs en Wetenschappen
onderschrijft in grote lijnen
het advies en heeft inmiddels
voorgesteld een Vervangingsfonds in te stellen, waarbij alle
onderwijsinstellingen in de
declaratiesectoren zich verzekeren
tegen de vervangingsuitgaven die moeten
worden gedaan indien er personeelsleden ziek worden.
In
het kader van dit fonds worden
financiële prikkels voor de instellingen
vormgegeven door middel van
premierestitutie (bonus) en premieopslag
(malus).
Een
restitutie van circa 1% van de loonsom
vindt plaats bij de circa 10%
instellingen
die de grootste relatieve daling van hun
ziekteverzuim hebben gerealiseerd in het afgelopen jaar en de
voorafgaande twee jaar geen
stijging in het ziekteverzuim hebben
doorgemaakt.
Een
premieopslag van circa 0,5% van de
loonsom wordt opgelegd aan de circa 10%
scholen die de grootste
relatieve stijging in hun verzuim hebben
doorgemaakt.
Het
kabinet is van mening met dit systeem
voor de declaratiesectoren met
ingang van het schooljaar 1992/1993 een
volwaardig alternatief te creëren
voor het BMS. Hierbij is van belang dat
in het onderwijsveld betrekkelijk
weinig kort verzuim optreedt (slechts
een kwart van het totale volume wordt door verzuim van minder dan
één week veroorzaakt), waardoor
de voorgestelde maatregel vanzelf
voornamelijk effect zal hebben
op het langdurig verzuim.
Langs
deze lijnen kan ook voor de
declaratiesectoren van het onderwijs een
effectieve prikkel worden gecreëerd om
het arbeidsongeschiktheidsvolume
terug te dringen.
rblz.|31|
2.2.
Premiedifferentiatie ZW
2.2.1.
Achtergrond en doel
Naast
maatregelen die direct gericht zijn op
bevordering van de herintreding
van arbeidsongeschikten in het
arbeidsproces heeft de TWVA een aantal voorstellen gedaan ter vergroting
van de financiële betrokkenheid
van het bedrijfsleven bij terugdringing
van ziekteverzuim en beperking
van de toestroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Centraal
in de voorstellen staat de gedachte dat
individuele werkgevers gestimuleerd dienen te worden om maatregelen te
treffen die ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk
voorkomen. De daarop gerichte maatregelen moeten zo ingevuld
worden
dat er een directe relatie
gelegd wordt tussen het instroomvolume
vanuit bedrijfstakken of bedrijven
en de financiële bijdrage van die
bedrijfstakken en bedrijven aan
de kosten van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen, en wel
zodanig dat
er voldoende belang (in financieel
opzicht) ontstaat om actief te werken
aan instroombeperking. In het
kabinetsstandpunt naar aanleiding van
de TWVA-voorstellen is er de nadruk op
gelegd dat maatregelen ter vergroting
van de financiële betrokkenheid van het
bedrijfsleven zodanig vorm moeten
krijgen dat er een directe
invloed is op het handelen van de
werkgever. De meeste effectiviteit mag
dan ook verwacht worden van op
de individuele werkgever gerichte
stimulansen. Het kabinet is van oordeel
dat één van de belangrijke maatregelen
in dit kader een systeem van premiedifferentiatie op
ondernemingsniveau in de ZW
is. Het
kabinet is
het dan ook niet eens met een deel van
de SER die afwijzend staat tegenover
een zodanig systeem.
Ook
is het kabinet het niet eens met dat
deel van de SVr dat een bevoegdheid
bepleit voor de bedrijfsverenigingen om
in samenhang met uitvoeringskosten
en financiële effecten te beslissen om
het systeem voor
alle of bepaalde categorieën werkgevers
niet toe te passen. Het kabinet is van oordeel dat het systeem alleen
een zo groot mogelijk effect
sorteert als het integraal wordt
toegepast en zo min mogelijk uitzonderingen
worden toegestaan. Alleen voor de kleine
werkgevers is het
kabinet bereid een uitzonderingspositie
te creëren. Zij kunnen immers geconfronteerd
worden met onverwachte pieken in het
verzuim, ontstaan onafhankelijk
van het gevoerde verzuimbeleid. Het
kabinet stelt een systeem
van pooling voor voor kleine werkgevers
ter vaststelling van het ziekteverzuimcijfer
(zie hierna bij paragraaf
2.2.2, onder 2).
Voor
vergroting van de financiële
betrokkenheid bij het ziekteverzuim wordt
voorgesteld een regeling te treffen op
basis waarvan werkgevers die
een hoger dan gemiddeld ziekteverzuim
kennen een hogere ZW-premie
in rekening wordt gebracht en
werkgevers die een lager dan gemiddeld ziekteverzuim te zien geven voor een
lagere ZW-premie in aanmerking
komen. Hierna zal ingegaan worden op de
nadere uitwerking zoals
het kabinet die op basis van de
voorstellen van de TVWA heeft gegeven.
2.2.2.
Concrete uitwerking
De
kern van een premiedifferentiatiesysteem
ligt in het berekenen van een
hogere dan wel lagere premie voor de
werkgever, afhankelijk van het feit of de werkgever ten opzichte van een
door de bedrijfsvereniging ter zake
vast te stellen gemiddelde een hoger
dan wel lager ziekteverzuim kent.
rblz.|32|
Het
premiedifferentiatiesysteem zoals dat
wettelijk is uitgewerkt, kan als
volgt in stappen worden beschreven:
1.
Vaststelling gemiddelde premie en een
gemiddeld ziekteverzuim
Bedrijfsverenigingen
stellen het ZW-premiepercentage
vast mede
op basis van de ontwikkelingen in het
gemiddelde ziekteverzuim. De situatie verschilt tussen
bedrijfsverenigingen in die zin dat een
aantal bedrijfsverenigingen
voor het vaststellen van de
premiepercentages de onder hun werkingssfeer vallende werkgevers
hebben ingedeeld in risicogroepen
(bijvoorbeeld de Bouw, de Havenbedrijven
en de Detam). Per risicogroep
wordt ook weer mede op basis van het
gemiddelde ziekteverzuim
in die groep het premiepercentage
vastgesteld. Andere bedrijfsverenigingen
(bijvoorbeeld die voor de grafische
industrie, voor het agrarische
bedrijf en voor de metaalnijverheid)
stellen voor alle werkgevers
die onder de bedrijfsvereniging vallen
één premiepercentage vast,
gebaseerd op het gemiddeld ziekteverzuim
dat is gemeten over alle werkgevers.
Het premiedifferentiatiesysteem dat is
uitgewerkt in het voorstel
van wet beoogt daarin geen verandering
aan te brengen. Bedrijfsverenigingen
kunnen wat betreft het vaststellen van
de premies voor
de ziekengeldverzekering blijven werken
met risicogroepen. De tekst van
het nieuwe eerste en tweede lid van
artikel 60 ZW
biedt die ruimte.
De
bedrijfsvereniging stelt dus allereerst
een ziekteverzuimcijfer vast. Het
tot uitdrukking brengen van
ontwikkelingen in het ziekteverzuim kan op
twee manieren gebeuren. Het
ziekteverzuim kan in de eerste plaats worden
uitgedrukt in een percentage dat
verkregen wordt door het uitgekeerde
bedrag aan ziekengeld af te zetten tegen
iedere ƒ100,- loon. Dit kan
gedefinieerd worden als
ziekterisicocijfer.
Vaststelling
van het ziekterisicocijfer dient te
geschieden aan de hand van
de elk jaar door de werkgevers aan de
bedrijfsverenigingen te verstrekken
loonopgaven ten behoeve van de
premieheffing. Deze loonopgaven
worden in het begin van elk kalenderjaar
ingestuurd en hebben betrekking op het voorafgaande jaar. Als
alle loonopgaven over het
afgelopen jaar van de werkgevers zijn
ontvangen, kan een gemiddeld ziekterisicocijfer
worden vastgesteld. Vaststelling van een
risicocijfer op basis
van de loonopgaven is daarmee dus
gebonden aan het tijdvak dat geldt
voor de premieheffing, te weten een
kalenderjaar.
Een
andere mogelijkheid is om het
ziekteverzuim uit te drukken in een
percentage
dat gebaseerd is op het aantal
uitkeringsdagen afgezet tegen het aantal verzekerde dagen. Dit kan
gedefinieerd worden als ziekteverzuimcijfer.
Vaststelling
van een verzuimcijfer is niet per
definitie gebonden aan het
tijdvak van een kalenderjaar, maar kan
betrekking hebben op een ander tijdvak.
Om
de volgende redenen heeft vaststelling
van het verzuim op basis van
uitkeringsdagen voor de
premiedifferentiatie de voorkeur.
In
de eerste plaats is een
differentiatiesysteem dat gebaseerd is
op ziekteverzuimcijfers
flexibeler dan op basis van
ziekterisicocijfers. Zoals reeds vermeld, is er ten aanzien van de
bepaling van ziekteverzuimontwikkelingen
geen sprake van gebondenheid aan vaste
perioden en tijdstippen.
Voorts
speelt de tijdsfactor een belangrijke
rol. Doordat het ziekterisicocijfer
eerst met vertraging te bepalen is,
ontstaat de situatie dat er gedifferentieerd
wordt op basis van verzuimontwikkelingen
van enkele jaren
terug. Met andere woorden, eerst na
verloop van twee jaar zou een werkgever
financieel resultaat kunnen zien van
zijn verzuimbeperkende inspanningen.
Dit doet afbreuk aan de directe en
daarmee optimaal rblz.|33|
prikkelende
werking van een
premiedifferentiatiesysteem.
Het
kabinet meent dan ook om redenen van
flexibiliteit en effectiviteit de
voorkeur te moeten geven aan het
ziekteverzuimcijfer als indicator voor
de toepassing van het premiedifferentiatiesysteem. Het kabinet heeft
echter uitdrukkelijk in ogenschouw
willen nemen dat bedrijfsverenigingen
op dit moment in onvoldoende mate de
beschikking hebben of kunnen
krijgen over de noodzakelijke gegevens
voor het vaststellen van het ziekteverzuimcijfer per werkgever.
In
samenwerking met werkgevers is men bij
de uitvoeringsorganen druk
doende verzuimregistratiesystemen op te
zetten. De thans bestaande
of in ontwikkeling zijnde
registratiesystemen zijn echter nog verre
van volledig en betrouwbaar. Niettemin
acht het kabinet het van belang
dat alles in het werk wordt gesteld dat
op termijn, en hierbij wordt
gedacht aan een periode van vijf jaar,
de ontwikkeling van verzuimregistratiesystemen
zover is gevorderd dat de daaruit
verkregen gegevens
de basis kunnen vormen van het
premiedifferentiatiesysteem. Tot
die tijd kan toepassing van premiedifferentiatie geschieden op basis
van ziekterisicocijfers, waarvoor de
bedrijfsverenigingen thans reeds over de
benodigde gegevens beschikken. Eén en
ander behoeft nadere uitwerking
in de regels van de SVr op grond van het
nieuwe twaalfde lid van
artikel 60 ZW. Aangezien het zoals
hiervoor is aangegeven een kwestie
van definiëring is op basis waarvan het
ziekteverzuimcijfer moet worden
bepaald, dient de SVr in zijn regels deze
definiëring nader in te vullen
en na verloop van tijd aan te passen.
Een overgangsbepaling waartoe
de SVr adviseert, is derhalve niet noodzakelijk.
Het
kabinet heeft op 13 juli 1991 besloten
om de werkgever gedurende
de eerste zes weken zelf de financiële
lasten van het ziekteverzuim
te laten dragen. Bij invoering van deze
maatregel zal ook het premiedifferentiatiesysteem
hierop moeten worden aangepast. Aangezien
de werkgever voor de eerste zes weken
een eigen verantwoordelijkheid
gaat dragen, betekent dit dat het
gemiddeld ziekteverzuim per
groep of groepen van werkgevers en het
individuele verzuim gebaseerd
zal moeten worden op het ziekteverzuim
vanaf zes weken tot en met
52 weken. In tegenstelling tot het
advies van de SER
van 12 juli 1991
om af te zien van invoering van het
premiedifferentiatiesysteem ziet het
kabinet voldoende argumenten om de werkgever door middel van
een
dergelijk systeem te motiveren ten
aanzien van het langdurig ziekteverzuim
(zes weken tot en met 52 weken) actie te
ondernemen. Het verschil
in risico tussen werkgevers onderling
als het gaat om de eerste zes weken eigen risico wordt niet zichtbaar.
Bij premiedifferentiatie wordt duidelijk
dat indeling in de groep die niet het
laagste percentage heeft concurrentienadeel
betekent. Het kabinet verwacht daarvan
een sterke stimulans.
2.
Vaststelling individueel ziekteverzuim
per werkgever
Na
vaststelling van een gemiddeld
ziekteverzuim (al dan niet per risicogroep)
dient voor het
premiedifferentiatiesysteem het
ziekteverzuimpercentage
per individuele werkgever te worden
vastgesteld. Dit individueel per
werkgever vastgestelde ziekteverzuim
wordt vervolgens afgezet tegen het voor die werkgever geldende
gemiddelde ziekteverzuim (van de
sector, bedrijfstak of risicogroep). Dan
zal blijken of een werkgever ten
opzichte van het gemiddelde een
gunstiger, dan wel ongunstiger beeld
te zien geeft. Een ten opzichte van het
gemiddelde gunstige afwijking
levert een verlaging op van de voor deze
werkgever geldende gemiddelde
premie. Evenzo dient een ongunstige
afwijking te leiden tot een
verhoging van de voor de desbetreffende
werkgever geldende gemiddelde
premie. Zoals in paragraaf
2.2.1 reeds is
opgemerkt, wordt voor rblz.|34|
kleine
werkgevers een systeem van pooling voor
de vaststelling van het individuele
ziekteverzuimcijfer voorgesteld.
Bedrijfsverenigingen kunnen dan
het ziekteverzuim van elke kleine
werkgever, dat bepalend is voor de
differentiatie
van de premie, stellen op het voor
kleine werkgevers vast te stellen
gemiddelde ziekteverzuim. Door niet van
het individuele ziekteverzuim
van een klein werkgever uit te gaan,
maar van het gemiddelde van
de groep kleine werkgevers, worden de effecten van sterke
fluctuaties
in het ziekteverzuim gemitigeerd.
In
het TWVA-rapport is bij wijze van
voorbeeld aangegeven dat afwijkingen
van het gemiddelde ziekteverzuim vanaf 1
procentpunt zouden kunnen leiden
tot verhoging of verlaging van de
premie. In het voorstel van wet is
afgezien van het aangeven van marges
waarbinnen afwijkingen leiden tot verhoging of verlaging van de door een
werkgever te betalen premie. Op
dit punt dienen bedrijfsverenigingen,
met inachtneming van regels door
de SVr te stellen, het systeem nadere
invulling te geven. Hoe de marges
moeten worden vastgesteld, kan vooraf
niet worden bepaald.
Dit
hangt immers in belangrijke mate af van
de vraag hoe dicht werkgevers
met hun individuele ziekteverzuim zitten
bij het gemiddelde ziekteverzuim.
Het beeld op dat punt zal niet voor alle
bedrijfsverenigingen
hetzelfde zijn.
3.
Doorwerking in de premie
In
de wet is ook niet bepaald met welk
percentage de gemiddelde premie
bij positieve of negatieve afwijking
moet worden verlaagd of verhoogd.
In ieder geval zal de afwijking zodanig
moeten zijn dat er een prikkelende
en uiteindelijk verzuimbeperkende
werking van uitgaat. Dit laatste
moet naar de mening van het kabinet als
criterium gelden voor de vaststelling
van een verhoging of verlaging van de
premie.
Op
bedrijfsverenigingen rust de taak het
premiedifferentiatiesysteem op
de genoemde punten zodanig in te vullen
dat er een behoorlijk prikkelende werking van uitgaat.
De
doorwerking van
ziekteverzuimontwikkelingen in de premie
kan op verschillende
manieren worden ingevuld. In de eerste
plaats is het mogelijk dat een correctie van de betaalde premie
achteraf plaatsvindt. Bedrijfsverenigingen
heffen premie bij wijze van voorschot.
Aan de hand van
de jaaropgaven over het voorgaande jaar
vindt vervolgens een definitieve
afrekening plaats. Het is niet
onmogelijk om daarbij een aftrek of toeslag
op de nota toe te passen. In de tweede
plaats kan doorwerking via
de voorschotpremie plaatsvinden.
Afhankelijk van het ziekteverzuim wordt
dan de voorschotpremie voor het volgende
premietijdvak verhoogd of
verlaagd. Deze laatste methode heeft de
voorkeur. Niet alleen vanwege
het feit dat één en ander
uitvoeringstechnisch minder problemen
geeft, maar ook omdat werkgevers in deze
variant vooraf weten
met welke premie zij te maken gaan
krijgen (het belang van handhaving
van de zogenaamde calculatiepremie).
Samenvattend
kan worden gesteld dat ten aanzien van
het premiedifferentiatiesysteem
slechts de hoofdlijnen in de wet zijn
neergelegd. Dit leidt er toe dat in de wet alleen wordt
voorgeschreven dat:
1.
een gemiddelde premie op basis van
gemiddeld ziekteverzuim wordt
vastgesteld (al dan niet
gedifferentieerd naar risicogroepen);
2.
het ziekteverzuim per individuele
werkgever wordt bepaald, eventueel
via het poolingsysteem;
3.
op basis van afwijkingen binnen door
bedrijfsverenigingen te bepalen
marges gedifferentieerd moet worden. De
nadere invulling geschiedt
door bedrijfsverenigingen, mede aan de
hand van door de SVr rblz.|35|
te
stellen regels. Deze regels kunnen
aansluiten bij de reeds door deze Raad
op grond van artikel 11 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering gestelde
regels ten aanzien van de premieheffing
door bedrijfsverenigingen.
Ter
illustratie hoe een premiedifferentiatie
in de praktijk kan worden uitgewerkt,
kan het systeem zoals dat bij de BV
Havenbedrijven thans wordt toegepast als voorbeeld
dienen.
Voor
de risicogroep Scheepsonderhoudbedrijven
is een gemiddeld ziekterisicocijfer
vastgesteld, alsmede een gemiddelde
premie voor de hele groep. Voorts zijn drie premiegroepen
vastgesteld: een groep met een
hoog, een groep met een laag en een
groep met een gemiddeld risico. Werkgevers worden elk jaar op basis van
de vaststelling van hun eigen,
individuele risicocijfer ingedeeld in
één van de premiegroepen. Het individuele
risicocijfer wordt vastgesteld over het
premiejaar minus twee. Dat
wil zeggen dat voor de premieheffing
over bijvoorbeeld 1989 het risicocijfer
over 1987 (vast te stellen in 1988)
bepalend is.
De
indeling in premiegroepen is als volgt:
werkgevers die ten opzichte van
het gemiddelde ziekterisico 15% of meer
naar boven respectievelijk naar beneden afwijken, worden ingedeeld in de
hoge respectievelijk lage premiegroep.
Werkgevers met een risicocijfer van 85%
tot 115% van het gemiddelde
zitten in de middengroep.
Voor
de middengroep geldt de gemiddelde
premie, voor de hoge respectievelijk
lage premiegroep wordt die gemiddelde
premie verhoogd respectievelijk
verlaagd met 10% van de gemiddelde
premie.
Uit
het jaarverslag van de BV Havenbedrijven
voor het jaar 1989 blijkt dat
bij de risicogroep
Scheepsonderhoudsbedrijven in de periode
1980-1989 sprake is geweest van een in
vergelijking met de andere risicogroepen
van de BV Havenbedrijven sterke daling
van het ziekteverzuimpercentage van circa
17% in 1980 naar circa 12% in
1989.
Bij
de risicogroep havenbedrijven, overig
personeel, waarbij een vergelijkbare
systematiek van premiedifferentiatie
wordt toegepast, is eveneens sprake van een aanwijsbare daling van
het ziekteverzuimpercentage
van circa 8% in 1980 naar circa 6% in 1989.
Bij de overige risicogroepen
heeft het verzuim zich globaal bezien
gestabiliseerd.
Voor
de risicogroep havenbedrijven, overig
personeel, is in 1986 de systematiek
van premiedifferentiatie geëvalueerd. Bij
deze evaluatie is geconstateerd
dat het ziekterisico van de risicogroep
havenbedrijven, overig
personeel, een aanzienlijk gunstiger
ontwikkeling heeft doorgemaakt dan dat van de overige
risicogroepen.
Wel wordt daarbij de kanttekening
geplaatst dat niet eenduidig is vast te
stellen in welke mate deze ontwikkeling het gevolg is van de
toegepaste systematiek van premiedifferentiatie.
Ook de overgang van werkgevers naar een
andere risicogroep wordt genoemd als een mogelijke oorzaak
van de daling van het
ziekteverzuim.
De
evaluatie van het systeem heeft
informatie opgeleverd die van waarde
kan zijn bij het vormgeven van
premiedifferentiatiesystemen in andere bedrijfstakken. Nadeel van het bij de
risicogroep overig personeel havenbedrijven
gehanteerde systeem bleek te zijn de
onzekerheid bij werkgevers over de uiteindelijk te betalen premies.
Bij de voorschotnota werd
uitgegaan van de gemiddelde premiegroep,
terwijl eerst bij de definitieve premienota werd afgerekend op het
gerealiseerde ziekteverzuim.
Inmiddels is men overgegaan op een
systeem waarbij vooraf indeling
in premiegroepen plaatsvindt. Daardoor
konden ook de administratiekosten
van het systeem, met name verbonden aan
de opmaak van definitieve nota's, aanzienlijk gedrukt
worden.
rblz.|36|
Het
doorvoeren van een
premiedifferentiatiesysteem kost
uiteraard de nodige
voorbereidingstijd. Het kabinet is zich
hiervan bewust. Ook de Federatie
van Bedrijfsverenigingen wijst hierop.
Met des te meer genoegen
constateert het kabinet dat de SVr in
zijn advies in dit kader opmerkt dat hij hecht aan een spoedige invoering
en het derhalve van belang
acht dat de bedrijfsverenigingen in een
zo vroeg mogelijk stadium beginnen
met de voorbereiding, zodat verantwoorde
invoering per 1 januari
1992 realiseerbaar is.
Aansluitend
op de in paragraaf 1.4 vermelde
Gemeenschappelijke verklaring
van het Najaarsoverleg, in het bijzonder
de door alle partijen bepleite meer geïntegreerde aanpak van verzuim-
en arbeidsongeschiktheidsproblemen
door organen, diensten en instellingen
op het terrein van de arbeidsomstandigheden en sociale
zekerheid, is het kabinet van oordeel
dat het handhavingsbeleid van de
Arbeidsinspectie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de met de
premiedifferentiatie beoogde doeleinden.
De
door de Arbeidsinspectie in te stellen
bedrijfsinspecties zullen daarom
nadrukkelijk worden gericht op bedrijven
met een hoog verzuim.
Met
het oog op het verwezenlijken van deze
werkwijze zullen door de bedrijfsverenigingen
gegevens omtrent de indeling van
bedrijven naar premiehoogte
aan de Arbeidsinspectie dienen te worden
verstrekt.
Nadere
vaststelling van de door de
bedrijfsverenigingen te verstrekken gegevens
geschiedt aan de hand van door de SVr te
stellen regels.
2.2.3.
Doorwerking naar werknemersdeel in de
premie
In
verband met premiedifferentiatie op
ondernemingsniveau is de vraag
aan de orde of deze ook zijn doorwerking
moet/mag hebben in het deel
van de ZW-premie dat voor
rekening van de werknemers wordt
gebracht via inhouding op het loon.
Thans is die inhouding wettelijk
gemaximeerd op 1%. Zowel in de werkgroep
TWVA als in het Najaarsoverleg
is geen inhoudelijke overeenstemming op
dit punt bereikt.
Aanvankelijk was het kabinetsstandpunt
naar aanleiding van het TWVA-rapport
afwijzend omdat een dergelijke maatregel
te zeer zou uitgaan
van de veronderstelling dat een hoog
ziekteverzuim te wijten zou zijn
aan het individuele gedrag van
werknemers. Het kabinet heeft sedertdien
- mede in verband met de wederom sterk
tegenvallende ontwikkelingen
in het ziekteverzuim en de groei van het
aantal arbeidsongeschikten
- aanleiding gezien zijn standpunt en
argumenten opnieuw te bezien.
Daarbij is naar het oordeel van het
kabinet van belang dat doorwerking
van een premiedifferentiatie op ondernemingsniveau naar
het
in te houden deel van de premie niet
leidt tot een per individuele werknemer
verschillende inhouding. Integendeel, deze doorwerking zou
gevolgen
hebben voor de collectiviteit van de
werknemers binnen de betrokken
onderneming. Juist die collectiviteit is
het ook die naar het oordeel
van het kabinet met reden op haar
verantwoordelijkheid kan worden
aangesproken.
Het
opstellen en uitvoeren van plannen
gericht op preventie en bekorting
van verzuim is immers niet een zaak van
de werkgever alleen. Ook
de collectiviteit van de werknemers
binnen de onderneming draagt daarvoor
mede verantwoordelijkheid.
Deze
benadering sluit tevens aan bij het
uitgangspunt van de
Arbeidsomstandighedenwet
dat de zorg voor veiligheid, gezondheid
en welzijn in
de arbeid een verantwoordelijkheid is
van werkgevers en werknemers samen.
De collectiviteit van werknemers binnen
een onderneming kan haar invloed op het ondernemingsbeleid op dit
terrein doen gelden. Het nemen
van die verantwoordelijkheid van
werknemerszijde zou kunnen rblz.|37|
worden gestimuleerd als succes of falen ook
voor werknemers bepaalde financiële
gevolgen zou hebben. Daarnaast zal een
(in zekere zin afgeleide) stimulans tot risicomijdend gedrag
optreden in de richting van de
individuele werknemer.
Op
dit moment staat de wettelijke
maximering van het inhoudingspercentage
(althans waar het de wettelijke
verzekering betreft) in veel gevallen een doorwerking in de inhoudingen van de
voor- en nadelen van de
premiedifferentiatie bij werknemers in
de weg.
In
het Najaarsoverleg is afgesproken dat
ten aanzien van de mogelijkheid
tot doorwerking van de
premiedifferentiatie in het werknemersdeel
advies wordt gevraagd aan de SER. Op 6
december 1990 is de bedoelde
adviesaanvrage verstuurd.
Op
15 maart 1991 heeft de SER zijn advies
over de doorwerking van de
premiedifferentiatie op het loon van de
werknemers vastgesteld (zie paragraaf
1.6). Zoals reeds aangegeven, is de SER
zeer verdeeld. Waarbij de
standpunten uiteenlopen van geen
systeem van premiedifferentiatie tot
geen doorwerking respectievelijk een
verplichte doorwerking. Zoals reeds
aangegeven, is het kabinet van oordeel
dat ook de collectiviteit van werknemers
binnen een onderneming in zeker opzicht
op het verzuimbeleid
kan worden aangesproken. Om die reden is
een blokkade voor doorwerking
gelegen in de wettelijke maximering van
het inhoudingspercentage
tot 1% niet op zijn plaats. In het
onderhavige wetsvoorstel is dan ook
het voorstel opgenomen dat de
bedrijfsverenigingen de bevoegdheid zullen
krijgen in verband met de
premiedifferentiatie af te wijken van
het wettelijk
maximum van 1%. Wel is het kabinet van
oordeel dat daar waar besloten
wordt tot doorwerking, in aansluiting op
de huidige verdeling van de wettelijke ZW-premie van in
principe fiftyfifty, ook de premiedifferentiatie
tot maximaal de helft mag doorwerken.
2.2.4.
Premiedifferentiatie ZW in de G-en-G-sector
Zoals
bij het BMS in de G-en-G-sector reeds is
uiteengezet, is de positie van
de G-en-G-sector een bijzondere. Toch is
ook bij de premiedifferentiatie uitgangspunt dat deze onverkort van
toepassing is op de G-en-G-sector. Centrale vraag is ook hier
op welke wijze dit inpasbaar is in de financieringsstructuur van deze sector
en de verantwoordelijkheid van de
overheid voor het voorzieningenniveau.
De
kern van de premiedifferentiatie is -
zoals eerder in deze memorie beschreven
- dat werkgevers die in gunstige dan wel
ongunstige zin afwijken van het gemiddelde
ziekteverzuim een
lagere onderscheidenlijk hogere ZW-premie zijn verschuldigd. Dit
systeem is ook in de G-en-G-sector toepasbaar, waarbij het
vertrekpunt is dat bij de berekening van
de arbeidsvoorwaardenruimte wordt
uitgegaan van de gemiddelde premie
die voor een CAO-sector kan worden
bepaald. In concreto betreft het
hier de gemiddelde premie van de
bedrijfsvereniging c.q. risicogroep waartoe
de betreffende CAO-sector behoort.
Indien
het gezien de omvang van de sector voor
de hand ligt de gemiddelde
premie niet te berekenen per CAO-sector,
maar per groep van CAO-sectoren,
dan zal bij de ruimteberekeningen van
die premie worden uitgegaan.
Voor kleine individuele instellingen zou
de bedrijfsvereniging in dit verband kunnen zoeken naar een
clustering van instellingen die binnen
een zelfde beleidssector actief zijn. Daarbij is tevens de mogelijkheid aanwezig tot een vorm van pooling te
komen, om te voorkomen
dat incidentele fluctuaties in het
verzuim een al te groot effect
zouden hebben. Het kabinet wil echter
noch in de marktsector, noch
in de collectieve sector kleine
werkgevers uitsluiten van de financiële
prikkels.
rblz.|38|
Overigens
ligt het naar het oordeel van het
kabinet voor de hand dat bij
een dergelijke clustering zoveel
mogelijk wordt aangesloten bij de eventueel
bestaande indeling van de
bedrijfsvereniging in risicogroepen in
het kader van de ZW. Een
CAO-sector,
c.q. groep van CAO-sectoren, behoeft
echter niet per definitie een
risicogroep binnen de bedrijfsvereniging
te gaan vormen. Zoals de SVr in zijn
advies opmerkt, is de instelling
van risicogroepen een autonome
bevoegdheid van het bestuur van
de bedrijfsvereniging.
Voor
zover een instelling op grond van een
hoger dan gemiddeld ziekteverzuim
in een klasse wordt ingedeeld waarin een
hogere dan de gemiddelde premie verschuldigd is, heeft dit
consequenties. De hogere premies
zullen moeten worden bekostigd binnen
het toegewezen budget. Dit
zal ten koste gaan van de beschikbare
ruimte voor incidentele verbeteringen
van het arbeidsvoorwaarden en/of
voorzieningenniveau. Dit houdt
dan in dat de instelling zijn positie
ten opzichte van anderen als vrager
op de arbeidsmarkt en aanbieder van
voorzieningen verzwakt ziet. De
instelling heeft als werkgever dan
immers minder te bieden dan de collega
in dezelfde CAO-sector c.q. als
dienstverlener zijn gebruikers meer te
bieden dan een collega-instelling. Dit
moet de prikkel vormen om door grotere
aandacht te besteden aan het
ziekteverzuim zo snel mogelijk ten
minste
terecht te komen op het
premiegemiddelde.
Voor
de instellingen met een gunstig
verzuimcijfer geldt dat hun positie
relatief gunstiger wordt. Doordat de
feitelijk verschuldigde ZW-premie lager ligt dan die welke de basis vormde
voor de ruimteberekening,
vallen, zolang deze situatie voortduurt,
extra gelden vrij die in aanvulling
op de op CAO-niveau beschikbare ruimte
kunnen worden aangewend
voor preventief beleid, verbetering van
het voorzieningenniveau
en/of voor verbetering van de
arbeidsvoorwaarden. Aangezien een
gunstiger positie ten opzichte van het
gemiddelde niet per definitie blijvend
behoeft te zijn, zal aanwending in één
van de drie sferen bij voorkeur
tot niet-structurele verplichtingen
moeten leiden.
Belangrijk
is dat voor de CAO-sector als geheel de
voor- en nadelen van afzonderlijke
instellingen tegen elkaar wegvallen.
Anders wordt immers niet voldaan aan de eerder geformuleerde
randvoorwaarde dat de regeling
niet ten koste mag gaan van het budget
van de CAO-sector.
Daarbij
heeft de werkgever, indien door de
overheid geen nadrukkelijke outputmeting
plaatsvindt, in principe de keuze of dit
ten koste gaat van de arbeidsvoorwaardenruimte (het voor de
individuele werkgever beïnvloedbare
deel daarvan) of het
voorzieningenniveau. Indien mogelijk zal
een werkgever, omdat die zich
verantwoordelijk voelt voor het voorzieningenniveau,
eerst proberen compensatie te zoeken in
de arbeidsvoorwaardenruimte.
Voor zover deze post onvoldoende is om
de hoger
dan gemiddelde ZW-premie te
bekostigen, zal de instelling echter
gedwongen zijn het voorzieningenniveau
omlaag te brengen. Een verkeerde
investering in human capital heeft in
dit opzicht dezelfde consequentie
als een verkeerde investering in
kapitaalgoederen.
Dit
hoeft voor de CAO-sector als zodanig
niet problematisch te zijn, aangezien
andere instellingen in een
spiegelbeeldsituatie verkeren en hun voorzieningenniveau
of ruimte voor arbeidsvoorwaarden
evenredig kunnen
verbeteren. Ook langs deze weg kunnen
werkgevers worden geprikkeld om verzuimbeperkende maatregelen te
treffen.
rblz.|39|
Of
en in welke mate een aantasting van de
kwaliteit van de voorzieningen
op instellingsniveau aan de orde kan
zijn, is mede afhankelijk van de
mate waarin de kosten van een eventueel
hogere ZW-premie kunnen
worden opgevangen binnen de
arbeidsvoorwaardenruimte. De mate
van differentiatie in de ZW-premie
is ter bepaling van de besturen
van de bedrijfsverenigingen die zoals
bekend uit werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers zijn
samengesteld. Verondersteld mag worden
dat zij zowel oog zullen hebben voor de
noodzaak van effectieve financiële
prikkels als voor de mogelijkheden die
gezien de budgetten bestaan.
Daardoor lijkt verzekerd dat ook het
voorzieningenpeil van de afzonderlijke
instellingen op een aanvaardbaar niveau
kan blijven.
Overigens
kan bij de, evenals voor de marktsector,
voorziene evaluatie worden
bezien of deze veronderstelling juist
is. Naar aanleiding daarvan kunnen
nadere maatregelen worden overwogen.
Naast
de negatieve en positieve prikkels op
instellingsniveau die in het voorgaande
zijn beschreven, is het mogelijk op
CAO-niveau een verdere positieve prikkel in te bouwen. Wanneer het beleid
succesvol is, zal de gemiddelde
premie van jaar op jaar een dalende
tendens gaan vertonen. Zonder
nadere maatregelen betekent dit een
voordeel voor de schatkist; doordat
de G-en-G-instellingen minder premie
verschuldigd zijn, behoeft de overheid
minder collectieve gelden beschikbaar te
stellen. In dit kader is van
belang dat onder meer voor de zorgsector
in de tussenbalans een specifieke
taakstelling is opgenomen voor de
terugdringing van de kosten
van het ziekteverzuim. Deze taakstelling
betreft een reductie van het ziekteverzuim met
0,5 procentpunt per jaar
gedurende de periode 1992-1994.
Voor deze periode geldt als uitgangspunt
dat in deze sectoren
primair deze taakstelling moet worden
gerealiseerd. Wordt in de G-en-G-sector een verzuimbeperking
gerealiseerd welke deze taakstelling
overtreft, dan acht het kabinet het
echter redelijk dat ook G-en-G-werkgevers delen in de
meeropbrengsten van verzuimbeleid. Dit wordt
mogelijk gemaakt door bij een daling van
de gemiddelde ZW-premie
die uitstijgt boven de taakstelling het
meerdere te verdisconteren
in de ruimteberekening van de arbeidsvoorwaarden.
Hiermee
wordt het tevens aantrekkelijk gemaakt
om op CAO-sectorniveau
te investeren in een goed verzuimbeleid.
2.3.
Loonkostensubsidie
2.3.1.
Achtergrond en doel
In
het TWVA-rapport is veel nadruk gelegd
op maatregelen die de terugkeer van
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten in
het arbeidsproces moeten bevorderen.
Behalve financiële prikkels richting
werkgevers om arbeidsongeschikten in
dienst te nemen of te houden, dient veel
aandacht te komen voor begeleiding van
arbeidsongeschikten naar een baan. In
dat kader is het voorstel gedaan om de
GMD een versterkt reïntegratie-instrumentarium te bieden. Voorgesteld
is om de GMD een zelfstandig te hanteren
arbeidsvoorzieningsinstrument te geven.
Dit instrument kent een
loonkostensubsidiecomponent en een
scholingscomponent. Het kabinet heeft
deze voorstellen gevolgd, onder de
aantekening dat er wel qua inhoud en
toepassing van de maatregel afstemming
dient te zijn met het beleid en het
instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ook het
CBA pleit sterk voor die afstemming.
Daartoe is het, zo meent het kabinet met
het CBA, gewenst dat jaarlijks op
regionaal en centraal niveau overleg
plaatsvindt over de inzet van het
instrument en dat de GMD jaarlijks het
CBA over de toepassing informeert.
rblz.|40|
2.3.2.
Concrete uitwerking
Het
voorstel van wet introduceert in de AAW
een loonkostensubsidieregeling, toe
te passen door de GMD, het ABP en het
Spf. Gekozen is voor regeling in de AAW
om mogelijk te maken dat de GMD ook
arbeidsongeschikten bij
overheidswerkgevers met toepassing van
de regeling kan plaatsen. ABP en Spf
hebben door deze regeling de
mogelijkheid om arbeidsongeschikten met
een loonkostensubsidie naar het
bedrijfsleven te bemiddelen. Op grond
van de voorgestelde regeling kan aan een
werkgever een subsidie worden toegekend
voor het in dienst nemen van een
arbeidsongeschikte, voor wie de GMD, het
ABP of het Spf bemiddelingsinspanningen verricht.
De
regeling sluit dan ook nauw aan bij de
arbeidsbemiddelende taak die de drie
genoemde uitvoeringsorganen reeds
geruime tijd hebben op grond van de Wagw.
De doelgroep is in die zin onbegrensd
dat ten aanzien van de gehele doelgroep
die door de GMD, het ABP of het Spf
worden bemiddeld de regeling kan worden
ingezet. De feitelijke beslissing tot
toekenning van de subsidie is
overgelaten aan deze uitvoeringsorganen. Subsidie kan alleen worden
toegekend voor nieuw aangegane
dienstbetrekkingen. Een werkgever kan
derhalve geen loonkostensubsidie krijgen
voor het in dienst houden en verschaffen
van ander passend werk van
respectievelijk aan een in zijn dienst
arbeidsongeschikt geworden
werknemer.
De
loonkostensubsidieregeling
De
loonkostensubsidieregeling kent twee
onderdelen: een subsidie in de directe
loonkosten en een subsidie voor kosten
in verband met training en begeleiding
van de arbeidsongeschikte. De
laatstbedoelde subsidie kan alleen
worden toegekend in combinatie met de
loonkostensubsidie. Qua opzet is de
regeling daarmee vergelijkbaar met de
Kaderregeling arbeidsinpassing (KRA).
De KRA, die zich richt op langdurig
werklozen, bestaat uit een gewijzigde
Vermeend/Moor-regeling (loonkostensubsidie voor werkgevers via
vrijstelling van werkgeverspremies), een
subsidieregeling voor de instandhouding
van werkervaringsplaatsen en een
subsidieregeling voor kosten van
training en begeleiding van in dienst
genomen langdurig werklozen (de laatste
twee regelingen zijn gebaseerd op de
Vermeend/Moor-regeling).
De
wettelijke regeling geeft de
bovengrenzen en de maximale duur van de
toe te kennen subsidies aan. Voor de
hoogte van de loonkostensubsidie is
aangeknoopt bij het overeengekomen
brutoloon ter zake van de
dienstbetrekking waarvoor de subsidie
wordt toegekend. Het maximum bedraagt
per jaar 20% van dat loon. Door uit te
gaan van het loon van de desbetreffende
dienstbetrekking kan in alle gevallen
een aanvaardbare verhouding tussen duur
en omvang van de dienstbetrekking en de
subsidie worden bereikt.
Een
loonkostensubsidie kan ten hoogste over
vier jaar worden toegekend. Binnen de
aldus door de wetgever aangegeven maxima
kunnen de GMD, het ABP en het Spf naar
eigen inzicht en afhankelijk van de
concrete situatie variëren. Zo kan
bijvoorbeeld een lagere subsidie worden
toegekend of over een kortere periode
dan vier jaar. Ook zou de subsidiehoogte
gedurende de periode waarover die wordt
toegekend geleidelijk kunnen worden
verlaagd.
Hiermee
is aan de betreffende uitvoeringsorganen
een zo flexibel mogelijk instrument
gegeven waarin het onderhandelingsaspect
prominent aanwezig is. Door de SVr wordt
deze aan de uitvoeringsorganen
toegedachte vrijheid van handelen ten
volle onderschreven. Met de SVr is het
kabinet wel van oordeel dat er zich in
de loop der tijd een rblz.|41|
beleid moet gaan
ontwikkelen met een zodanige
consistentie dat de werkgever die met de
onderhavige regeling te maken krijgt
globaal weet welke tegemoetkoming hij
redelijkerwijs tegemoet kan zien. De SVr
zal als toezichthouder beoordelen of een
dergelijk beleid ook daadwerkelijk van
de grond komt.
Inwerk-/begeleidingssubsidie
Om
een werkgever tegemoet te komen in de
kosten van eventuele extra inspanningen
die het in dienst nemen van een
arbeidsongeschikte met zich meebrengt
(anders dan aanpassing van de werkplek
of andere fysieke aanpassingen aan
produktie- en werkmethoden,
hulpmiddelen of bedrijfsgebouwen: voor
kosten in verband met deze aanpassingen
kan op grond van artikel 57a van de
AAW
reeds een vergoeding verkregen worden),
kan een eenmalige
inwerk-/begeleidingssubsidie worden
toegekend. De hoogte bedraagt maximaal ƒ4000. Ook hier kan de hoogte van de toe
te kennen subsidie worden afgestemd op
de aard en omvang van de
dienstbetrekking. Zo is voorstelbaar
dat ten aanzien van
parttimedienstverbanden niet de
volledige ƒ4000,- wordt toegekend.
De
regeling voorziet tevens in
mogelijkheden om betaalde subsidies
terug te vorderen. Het gaat niet om een
verplichting, doch een bevoegdheid van
GMD, ABP en Spf om al dan niet terug te
vorderen.
2.3.3.
Samenloop
Evenals
bij het BMS dient ook bij het
loonkostensubsidie-instrument gekeken te
worden naar de cumulatie met andere
loonkostensubsidie-instrumenten.
Feitelijk kunnen in dit kader nog
strengere eisen aan cumulatie worden
gesteld aangezien het
loonkostensubsidie-instrument een zuiver
loonkosteninstrument is.
Bij
dit instrument heeft het kabinet
nadrukkelijk gekeken of er met hantering
van de verschillende (gecumuleerde)
instrumenten geen oneerlijke
concurrentieverhouding binnen de
verschillende doelgroepen op de
arbeidsmarkt ontstaat.
Het
kabinet is dan ook van oordeel dat er
geen cumulatie mag zijn tussen dit
instrument en het BMS, alsmede met de
subsidieregelingen op basis van de KRA
en de Wlom. Cumulatie van deze
regelingen met het
loonkostensubsidie-instrument zou de
positie van de arbeidsongeschikte ten
opzichte van die van de andere
doelgroepen (langdurige werklozen en
minimumloners) te zeer scheeftrekken.
Wel
acht het kabinet cumulatie van de
loonkostensubsidie met de andere
regelingen (artikel 5 Wagw,
loondispensatie en artikel 57 en 57a
AAW) mogelijk evenals dit bij het BMS mogelijk wordt geacht.
Voor
de nadere motivering moge verwezen
worden naar de paragraaf waar het BMS wordt beschreven
(paragraaf 2.1.3).
2.3.4.
Uitvoering en financiering
Ter
financiering van de subsidieregelingen
wordt aan GMD, ABP en Spf een budget
toegekend. De gelden daarvoor komen uit
het AAf. Het budget wordt elk jaar door
het AAf onder goedkeuring van de SVr
vastgesteld, op basis van onder meer de
feitelijk gerealiseerde toepassing in
het voorafgaande jaar en de te
verwachten toepassing voor het volgende
jaar. Verder zal, met name bij de
vaststelling van het budget voor het
eerste jaar, afgegaan moeten worden op
het aantal door inspanning van GMD, ABP
en Spf gereïntegreerde
arbeidsongeschikte personen en voorts op
het loon dat gemiddeld voor de functies
waarin arbeidsongeschikten na
reïntegratie terechtkomen, wordt
betaald.
Door
sociale partners en het kabinet is groot
belang gehecht aan het rblz.|42|
zo snel mogelijk
invoeren van een in ieder geval door de
GMD te hanteren
loonkostensubsidie-instrument. Aangezien
een structurele regeling wetswijziging
vereist, is inmiddels door het CBA
besloten vooralsnog tot 1 januari 1992
een tijdelijke tussenvoorziening
voor de GMD te creëren, zodat de GMD
thans reeds over een dergelijk
instrument kan beschikken. Het gaat
daarbij om een aanpassing van de
hiervoor genoemde KRA-regeling. Daartoe
is bepaald dat een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte voor de toepassing
van de regeling in aanmerking komt één
jaar nadat de GMD met de bemiddelingsactiviteiten is gestart.
Tot
slot zij vermeld dat in verband met de
hiervoor weergegeven subsidieregeling
het kabinet van mening is dat het
zogenaamde "opstapje" in de AAW
(artikel 33a AAW
en artikel
44a WAO) kan
vervallen. De opstapjesregeling, die
voorziet in het indelen van arbeidsongeschikten in een hogere klasse indien
arbeid wordt aanvaard waarmee minder
inkomen wordt verdiend dan evenredig is
aan de nog bestaande
arbeidsgeschiktheid, werkt in feite als
een loonkostensubsidieregeling. Het
opstapje heeft tot nu toe in de praktijk
echter niet aan de doelstelling
beantwoord en blijkt nauwelijks te
worden toegepast. In de TWVA is nog
gesproken over eventuele verruiming van
het opstapje. Het kabinet is echter tot
de slotsom gekomen dat met de
introductie van een
loonkostensubsidieregeling zoals thans
wordt voorgesteld het opstapje zijn nut
volledig heeft verloren. De
loonkostensubsidieregeling is niet
alleen effectiever, maar biedt ook een
financiële prikkel die substantiëler
is. Conform het SVr-advies voorziet het
wetsvoorstel in een overgangsregeling
voor diegene die op het moment dat het
wetsvoorstel in werking treedt nog
gebruik maakt van het opstapje.
2.3.5.
Het scholingsinstrument
De
GMD beschikt in verband met de centrale
reïntegratietaak tevens over middelen
waarmee te herplaatsen
arbeidsongeschikten een scholing kan
worden aangeboden.
Scholingsvoorzieningen kunnen door de
GMD, behalve op grond van artikel 57 AAW, dat het treffen van voorzieningen
tot behoud, herstel of bevordering van
de arbeidsgeschiktheid mogelijk maakt,
getroffen worden doordat de GMD de
beschikking heeft over een deel van het
scholingsbudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Tot 1991
moest jaarlijks op regionaal niveau
worden onderhandeld tussen de
gewestelijke arbeidsbureaus en de GMD-kantoren over de inzet voor
gehandicapten van gelden uit de
Kaderregeling scholing. Met ingang van 1
januari 1991 is aan de GMD een centraal
scholingsbudget ter beschikking gesteld.
Voor 1991 gaat het om ƒ14,8 mln. Op
basis van een door de GMD in te dienen
scholingsplan zal het CBA elk jaar een
budget voor de GMD vaststellen.
2.4.
Verhoging ziekengeld
Van
groot belang bij terugdringing van het
grote aantal arbeidsongeschikten
zijn maatregelen gericht op de
bevordering van de instroom van
arbeidsongeschikten in het
arbeidsproces. In het TWVA-rapport wordt
daartoe een aantal voorstellen gedaan.
Eén daarvan betreft de verhoging van de
ziekengelduitkering voor herintredende
arbeidsongeschikten gedurende
ziekteperioden gelegen in de eerste drie
jaren na hervatting van de arbeid. Met
deze regeling wordt beoogd de kansen van
arbeidsongeschikten om terug te
keren in het arbeidsproces te
verbeteren. Eén van de belemmeringen die
arbeidsongeschikten tegenkomen bij
pogingen om terug te keren in het
arbeidsproces is de mindere bereidheid
van werkgevers arbeidsongeschikten in
dienst te nemen. Dit rblz.|43|
hangt samen met de
vrees die bij een werkgever kan bestaan
voor een verhoogd ziekteverzuim van ex-
of gedeeltelijk arbeidsongeschikten mede
in verband met kosten van uit CAO's voortvloeiende verplichtingen om
gedurende perioden van ziekte het
wettelijke ziekengeld (70% van het
dagloon) aan te vullen. Ophoging van het
wettelijke ziekengeld voor
(her)ingetreden arbeidsongeschikten
neemt voor de werkgever zodoende een
financieel risico, zijnde de aanvulling
op de uitkering en daarmee een
belemmering om een arbeidsongeschikte in
dienst te nemen weg.
Het
kabinet staat gereserveerd ten opzichte
van het voorstel van de TWVA tot
verhoging van de ZW-uitkering. Het
kabinet meent dat het een vooroordeel is dat arbeidsongeschikte herintreders
per definitie een hoger ziekterisico
opleveren. Aangezien er echter in
psychologische zin een
instroombevorderende werking van het
voorstel kan uitgaan, wil het kabinet
toch wettelijke uitwerking aan het
TWVA-voorstel geven. In het
kabinetsstandpunt naar aanleiding van de
voorstellen van de TWVA is aangegeven
dat de voorgestelde maatregel in eerste
instantie slechts voor drie jaar zou
moeten gelden. In de wet is daarom
bepaald dat de regeling na drie jaar
vervalt. Op basis van onderzoek moet
worden beoordeeld of de
vooronderstelling omtrent het
ziekteverzuim van arbeidsongeschikten
toch terecht is geweest en of de
regeling een zodanig instroombevorderend
effect heeft dat deze na drie jaar kan
worden voortgezet. Het spreekt vanzelf
dat evaluatie van de maatregel op een
zodanig tijdstip plaatsvindt dat op
basis van de resultaten daarvan tijdig
een beargumenteerd oordeel over
eventuele voortzetting daarvan kan
worden gegeven. Gegeven de hiervoor
weergegeven reserve van het kabinet,
geeft het geen gevolg aan de door de SVr
in zijn advies op tal van punten zowel
qua werkingssfeer als werkingsduur
bepleite uitbreiding van de regeling.
Indien na evaluatie van de regeling
besloten zou worden tot voortzetting, dan
kan op dat moment tevens, afhankelijk
van de uitkomsten van de evaluatie,
besloten worden tot uitbreiding dan wel
aanpassing van de regeling.
Om
te voorkomen dat voor eventuele
verlenging wetswijziging nodig is, is
bepaald dat verlenging na drie jaar bij
algemene maatregel van bestuur kan
plaatsvinden.
Er
is niet voorzien in specifieke
overgangsbepalingen. Dit betekent dat na
ommekomst van drie jaar na
inwerkingtreding van deze wet de
toepassing van de regeling stopt. Op dat
moment zullen onder meer reeds ingegane
ophogingen, voor rekening van de
bedrijfsverenigingen, vervallen. Deze
keuze is gemaakt vanuit de overweging
dat wanneer de regeling niet werkt en
beter kan vervallen, eventuele nawerking
na intrekking wordt voorkomen. Bovendien
ondervinden uitkeringsgerechtigden
geen nadeel. Zij ontvangen immers vanaf
het moment dat de regeling ophoudt weer
hun aanvulling op het ziekengeld van de
werkgever.
De
regeling van ophoging van de uitkering
is bedoeld om met name de langduriger
arbeidsongeschikten betere
herstartmogelijkheden te geven. De
regeling richt zich dan ook op degenen
die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de
WAO/AAW
hebben en derhalve reeds één jaar of
langer arbeidsongeschikt zijn.
Uitgaande
van de bedoeling van de voorgestelde
regeling, namelijk instroombevordering
door het wegnemen van financiële
risico's voor de werkgever, is bij de
nadere invulling gekozen voor een
regeling die aansluit bij het door een
werkgever daadwerkelijk te lopen risico.
Daarbij
wordt aangesloten bij de
arbeidsrechtelijke verplichting van
werkgevers een aanvulling op het
ziekengeld te betalen. Een dergelijke rblz.|44|
verplichting is in de meeste CAO's opgenomen en bestaat in de meeste
gevallen uit een aanvulling tot 100% van
het loon. Ophoging van het wettelijke
ziekengeld vindt plaats tot 100% van het
dagloon met als maximum de door de
werkgever verschuldigde aanvulling.
Daarmee wordt niet alleen het feitelijke
risico van de werkgever weggenomen, maar
wordt tevens bereikt dat er geen
ongelijke behandeling van zieke
werknemers ontstaat. Doordat gekozen is
voor de ophoging van het ziekengeld,
heeft de regeling ook alleen effect voor
omslagleden en niet voor de
eigenrisicodragers. Zij betalen immers
bij ziekte het loon door, zodat er geen
sprake is van een ZW-uitkering.
2.5.
Verbeterde toepassing artikel 30 ZW
Een
werknemer kan tijdens ziekte geheel,
gedeeltelijk of in aangepast tempo in
passend werk hervatten. Dit kan
plaatsvinden in de eigen of een andere
functie bij de eigen werkgever of bij
een andere werkgever. Op grond van het
huidige artikel 30
ZW kan het met de
hervatte arbeid verdiende loon met
ziekengeld worden aangevuld tot 100% van
het dagloon waarnaar de
ziekengelduitkering is berekend. Door
het huidige vierde lid van artikel 30
ZW te schrappen, stelt het kabinet voor de
mogelijkheden om bij een andere
werkgever in passende arbeid te laten
hervatten te verruimen. Zowel werknemer
als werkgever dienen mee te werken aan
werkhervatting. Bij het zonder
deugdelijke grond niet meewerken van de
werknemer kan het ziekengeld worden
gekort met het bedrag dat met de
geweigerde arbeid had kunnen worden
verdiend. Weigert de eigen werkgever
zonder deugdelijke grond medewerking aan
de hervatting, dan kan deze werkgever
worden geconfronteerd met een vordering
vanwege de bedrijfsvereniging ter
grootte van het bedrag aan loon dat de
werknemer bij hervatting had kunnen
verdienen.
In
verband met het onderzoek naar de
uitvoering van de Wagw is ook onderzoek
gedaan naar de toepassing van artikel 30
ZW. Uit de resultaten van dat
onderzoek komt duidelijk naar voren dat
artikel 30 ZW
veelvuldig wordt
toegepast. Met name
verzekeringsgeneeskundigen van de
bedrijfsverenigingen en van de GMD
achten de mogelijkheden die artikel 30
ZW
biedt zeer zinvol en beschouwen het
als één van de belangrijkste
reïntegratie-instrumenten. Tevens
blijkt uit de manier waarop het
instrument in de praktijk wordt
gehanteerd dat het therapeutisch
karakter van de werkhervatting min of
meer is verdrongen door een meer
volwaardige toepassing in die zin dat
toepassing gericht is op het voorkomen
van langdurige arbeidsongeschiktheid en
verbetering van de kans op volledige
hervatting (mede omdat bij toepassing in
een vroegtijdig stadium voorkomen
wordt dat vervreemding van het
arbeidsproces optreedt). Het kabinet
meent dan ook dat de suggestie die van
de huidige tekst van de regeling uitgaat
dat het om werkhervatting bij wijze van
therapie gaat door aanpassing van de
wettekst wordt weggenomen, waardoor
tevens meer de nadruk komt te liggen op
de reïntegratiebevorderende werking
van het instrument. Uit recent onderzoek
door het Nederlands Instituut voor
Preventieve Gezondheidszorg (NIPG) is
ook gebleken dat degenen ten aanzien van
wie artikel 30
ZW
is toegepast minder
kans lopen op toetreding tot de AAW/WAO.
Dit pleit voor een ruime toepassing van
het instrument. De voorgestelde
wijziging van het eerste lid van artikel
30 houdt in dat daarin de mogelijkheid
voor bedrijfsverenigingen wordt
opgenomen om zieke werknemers op te
dragen passend werk te gaan doen. Met
toepassing van artikel 31 kan vervolgens
tot aanpassing van het ziekengeld in
verband met het met die passende arbeid
verdiende loon plaatsvinden op dezelfde
wijze als waarop dat met toepassing van
het huidige eerste lid van artikel 30
geschiedt.
rblz.|45|
Voorts
meent het kabinet nog om een andere
reden tot aanpassing van het artikel
over te moeten gaan. Uit het reeds
vermelde onderzoek naar de toepassing
van artikel 30
ZW is tevens gebleken dat
de sanctiemogelijkheden zowel ten
opzichte van de werknemer als ten
opzichte van de werkgever vrijwel nooit
worden toegepast. Het beleid van de
bedrijfsverenigingen ter zake van de
hantering van bevoegdheden in deze is
zeer terughoudend. Met name vanuit de
visie dat de relatie tussen werknemer en
werkgever en tussen werkgever en
uitvoeringsorgaan niet negatief mag
worden belast. Nu er vanuit een oogpunt
van noodzakelijke beperking van de
instroom in de AAW/WAO voor wordt
gekozen de reïntegratie-instrumenten te
verstevigen, acht het kabinet ook een
aanscherping van sanctietoepassing
wenselijk. In dit kader kan ook worden
verwezen naar de Nota Sociale
Vernieuwing (Kamerstukken II 1989-1990, 21 455, nr.
4), waarin gesproken wordt van een nieuw
evenwicht tussen rechten en plichten.
De
SVr wijst er in zijn advies op dat een
werkgever naast een vordering door de
bedrijfsvereniging op grond van artikel
30 ZW ook geconfronteerd kan worden met
een civielrechtelijke loonvordering door
de werknemer. Ten aanzien van die
samenloop kan het volgende worden
opgemerkt.
Op
basis van artikel 1638c Burgerlijk
Wetboek is de
werkgever verplicht om gedurende
betrekkelijk korte tijd het volledige
loon door te betalen wanneer de
werknemer de arbeid niet kan verrichten
wegens ziekte. De werkgever dient in
ieder geval gedurende minimaal zes weken
het voor de werknemer geldende
minimumloon door te betalen. De
uitkering waarop de werknemer recht
heeft op basis van de ZW
mag de
werkgever hierop in mindering brengen.
Op
basis van artikel 1638ff en 1638z
Burgerlijk
Wetboek is
de werkgever in het algemeen gehouden de
werknemer loon te betalen indien de
werknemer bereid is passende arbeid te
verrichten, maar de werkgever daar geen
gebruik van maakt. De hoogte van de
loonbetaling is afhankelijk van de
omstandigheden in een concrete situatie.
Er
kan derhalve sprake zijn van een
samenloop van vorderingen, door
verschillende actoren, indien de
werkgever niet aan zijn verplichtingen
op basis van het Burgerlijk
Wetboek en de ZW,
namelijk de
werknemer in de gelegenheid te stellen
passende arbeid te verrichten, voldoet.
Op
basis van het Burgerlijk Wetboek is de werkgever
gehouden loon te betalen aan de
werknemer en op basis van de ZW vordert
de bedrijfsvereniging een bedrag ter
grootte van het loon dat de werknemer
bij hervatting had kunnen verdienen.
Dit
zijn twee geheel naast elkaar bestaande
verschillende vorderingen die voortkomen
uit het gedrag van de werkgever zelf, namelijk
het niet verschaffen van passend werk,
terwijl dit wel aanwezig is. Het gedrag
van de werkgever zelf is derhalve de
aanleiding tot het ontstaan van deze
vorderingen en deze vorderingen zijn dan
ook naar het oordeel van het kabinet, om
die reden, acceptabel.
2.6.
Invoering instrument analoog aan artikel
30 ZW in de WAO en AAW
Toepassing
van artikel 30
ZW kan alleen gedurende
het ZW-jaar. Met sociale partners
is het kabinet overeengekomen dat het
wenselijk is om aan artikel 30 ZW
analoge sanctiebepalingen in de WAO
en AAW
op te nemen. Is een
arbeidsongeschikte in staat passende
arbeid te verrichten en daartoe ook
bereid, maar weigert de werkgever medewerking, dan kan thans deze medewerking
tijdens de AAW/WAO-periode rblz.|46|
niet worden
afgedwongen. Daardoor wordt de
arbeidsongeschikte in mogelijkheden tot
reïntegratie belemmerd.
Bovendien
is uit het Wagw-onderzoek naar voren
gekomen dat het vaak eerst op het einde
van de ZW-periode duidelijk wordt
dat de werkgever weigert mee te werken
aan een herplaatsing. Zinvolle inzet van
artikel 30 ZW
op dat moment is dan niet
meer mogelijk. Er bestaat derhalve ook
bij de uitvoerders van de
arbeidsongeschiktheidsregeling wel
behoefte aan een regeling in de AAW
en WAO die overeenkomt met artikel 30
ZW.
Sancties voor werknemers die weigeren te
hervatten in passend werk kunnen worden
getroffen door bedrijfsverenigingen
vanuit de werkloosheidsregelingen. Maakt
een gedeeltelijk arbeidsongeschikte
aanspraak op Rww [Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers, red.] of Ioaw
[Wet
inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers, red.] en weigert deze
passend werk te aanvaarden, dan zal de
bedrijfsvereniging de Gemeentelijke
Sociale Dienst (GSD) moeten verzoeken
een sanctie op te leggen.
Er
is voor gekozen de regeling vooralsnog
voor het eerste AAW/WAO-jaar te laten
gelden. De totale periode waarbij
sancties kunnen worden toegepast, namelijk
twee jaar, sluit aan bij de duur van de
ontslagbescherming van
arbeidsongeschikte werknemers. Wel zal
in de toekomst bekeken moeten worden of
deze regeling niet moet worden
uitgebreid in die zin dat deze regeling
geldt zolang de dienstbetrekking blijft
voortbestaan. Op deze wijze zou worden
aangesloten bij de per 1 januari 1991 in
werking getreden aanscherping van de
ontslagbescherming voor
arbeidsongeschikten, waarbij
beëindiging van de dienstbetrekking
ook na het tweede jaar slechts wordt
toegestaan indien geen alternatieve
plaatsingsmogelijkheden in het bedrijf
aanwezig zijn. Bij het beoordelen van de
mogelijkheid of deze
plaatsingsmogelijkheden aanwezig zijn,
dienen uitdrukkelijk ook de
arbeidsplaatsen die nog beschikbaar
gemaakt moeten worden, zo nodig met
toepassing van artikel 6 Wagw, betrokken
te worden.
De
SVr is in zijn advies verdeeld over de
vraag of de werkgever die weigert mee te
werken aan herplaatsing geconfronteerd
moet worden met een dubbele vordering, namelijk
de civiele vordering door de
werknemer en de vordering op basis van
de WAO/AAW door de bedrijfsvereniging.
Een deel van de Raad accepteert deze
dubbele vordering, maar een ander deel
wijst deze van de hand en vindt deze in
strijd met het najaarsoverleg. Deze
problematiek is in feite dezelfde als
besproken bij artikel 30
ZW. Ook hier
acht het kabinet deze dubbele
vorderingsmogelijkheid acceptabel,
gegeven het feit dat deze voortkomt uit
het handelen van de werkgever zelf, namelijk
het niet verschaffen van (wel aanwezig)
passend werk aan zijn arbeidsongeschikte
werknemer.
2.7.
Uitstel schatting bij scholing
Indien
een arbeidsongeschikte
uitkeringsgerechtigde met het oog op de
bevordering van de arbeidsgeschiktheid
en verbetering van arbeidsmarktkansen met goed gevolg een
opleiding of scholing heeft afgerond,
kan dit ertoe leiden dat op grond
daarvan herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage dient plaats te
vinden. Met nieuw verworven bekwaamheden
zullen immers vaak nieuwe en hoger
beloonde passende functies kunnen worden
aangewezen, waardoor de arbeidsongeschiktheid zal afnemen. Dit leidt tot
afschatting en herziening van de
uitkering, ook in de situatie dat
betrokkene nog geen werk heeft gevonden
waarop de scholing was gericht.
Uitkeringsgerechtigden zullen zich dan
ook terughoudend opstellen ten aanzien
van activiteiten die in beginsel de kans
op hervatting in arbeid vergroten, zoals
scholing, doch die ertoe leiden dat
uiteindelijk de uitkering wordt
verlaagd, zonder dat rblz.|47|
werk is gevonden.
Met sociale partners is het kabinet van
mening dat het redelijk is dat
arbeidsongeschikten die een scholing met
goed gevolg hebben voltooid, gedurende
één jaar na die voltooiing de tijd
krijgen om met behulp van intensieve
begeleiding en bemiddeling van de GMD
naar passende arbeid te zoeken. Met de
SVr is het kabinet van oordeel dat de
GMD voor deze situatie een adequate
procedure dient te ontwikkelen.
In
dit voorstel van wet is voorzien in een
bepaling in de WAO, de AAW, de Algemene
burgerlijke pensioenwet en de
Spoorwegpensioenwet op grond
waarvan herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering die
verband houdt met voltooiing van een
scholing of opleiding maximaal één
jaar wordt uitgesteld. Mocht betrokkene
binnen dat jaar reeds hervatten, dan
wordt gedurende de rest van dat jaar de
uitkeringshoogte aangepast aan de
inkomsten uit arbeid zonder dat
definitieve herschatting plaatsvindt.
2.8.
Herziening naar een hoger dagloon of
hogere grondslag (artikel 40 WAO/29a
AAW)
Indien
een gedeeltelijk arbeidsongeschikte die
weer aan het werk is gegaan in een baan
waarin hij of zij een hoger dagloon
verdient dan het dagloon waarnaar de
gedeeltelijke uitkering is berekend,
opnieuw uitvalt, kan op grond van de
artikelen 29a AAW
en 40 WAO
het dagloon
respectievelijk de grondslag
behorende bij die uitkering worden
herzien. Voorwaarde is thans wel dat
vanwege die hernieuwde uitval de arbeidsongeschiktheid is toegenomen tot 80% of
meer en dat herziening leidt tot een
hoger dagloon dan het dagloon waarop de
gedeeltelijke uitkering was gebaseerd.
De voornaamste reden om de toepassing
van de artikelen 29a AAW
en 40
WAO te beperken
tot gevallen van toeneming van
arbeidsongeschiktheid tot 80% of
meer was dat toepassing bij toename van
arbeidsongeschiktheid tot minder dan
80% ertoe zou leiden dat het (totale)
inkomen na de toeneming (WAO-uitkering
op basis van het nieuwe hogere dagloon
plus verdiensten uit benutting van de
restcapaciteit) meer zou bedragen dan
het (totale) inkomen dat de
uitkeringsgerechtigde ontving vóór de
toeneming van de arbeidsongeschiktheid.
Essentieel daarbij is dat één en ander
speelde in een tijd dat het
uitkeringspercentage nog 80 was.
Inmiddels is het uitkeringspercentage
per 1 januari 1985 verlaagd naar 70. De
voornaamste reden voor beperking van de
toepassing van de artikelen 40
WAO en 29a
AAW
is daarmee komen te vervallen. De SVr
heeft op 15 juni 1990 geadviseerd
artikel 40 WAO
aan te passen en de
toepassing te verruimen. Daarbij
adviseerde de SVr, uitgaande van de
bestaande methodiek van berekening van
het nieuwe verhoogde dagloon, dat
toepassing bij toename van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 80% mogelijk
moet worden onder de voorwaarde dat de
gedeeltelijk arbeidsongeschikte als
gevolg van de toename van de
arbeidsongeschiktheid minimaal drie
klassen hoger wordt ingedeeld.
Naar
de mening van het kabinet kan een
verbeterde en verruimde toepassing van
de artikelen 40
WAO en 29a AAW
voor gedeeltelijk
arbeidsongeschikten een stimulans
zijn om in (beter) betaalde arbeid te
hervatten. Het is reëel dat een
arbeidsongeschikte die gaat werken in
een baan waarmee een hoger dagloon kan
worden verdiend, bij hernieuwde uitval
dit hogere loon tot uitdrukking ziet
komen in de grondslag voor de berekening
van de uitkering. De stimulans moet niet
alleen ten goede komen aan degenen die
na hernieuwde uitval volledig
arbeidsongeschikt worden.
Bovendien
is met de stelselherziening de
werkloosheidscomponent uit rblz.|48|
de
arbeidsongeschiktheidsschatting
(verdiscontering) komen te vervallen,
waardoor er minder mensen in de hoogste
arbeidsongeschiktheidsklasse terechtkomen. Weliswaar betekent deze verruimde
toepassing een verzwaring van de
uitvoeringspraktijk, zoals de SVr in
zijn advies opmerkt, maar gezien het
belang van de uitkeringsgerechtigde,
zowel in financieel opzicht als vanuit
reïntegratieoogpunt, meent het kabinet
met de SVr dat dit moet worden
geaccepteerd.
Wat
betreft de berekeningsmethodiek voor de
vaststelling van het nieuwe dagloon is
de SVr in zijn advies van 15 juni 1990
uitgegaan van de reeds bestaande
berekeningswijze. Juist deze
berekeningsmethode bracht mee dat de
SVr meende te moeten adviseren tot
toepassing in de gevallen van indeling
van de arbeidsongeschikte in drie
klassen hoger. Bovendien kan de
methodiek ertoe leiden dat het herziene
dagloon hoger uitvalt dan het dagloon
waarop de restcapaciteit is gebaseerd.
Het
kabinet stelt daarom een andere
berekeningswijze voor. In zijn advies
van 18 april 1991 wordt die
berekeningsmethode door de SVr
onderschreven. Het nieuwe dagloon wordt
bepaald aan de hand van een
verdeelsleutel, waarbij het inkomen uit
de restcapaciteit wordt aangevuld met
een gedeelte van het dagloon dat ten
grondslag lag aan de uitkering. Iemand
is bijvoorbeeld 70% arbeidsgeschikt
(arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35%) en maakt deze
restcapaciteit ten gelde in een functie
met een hoger dagloon dan waarop de
uitkering is gebaseerd. Wanneer deze
persoon toegenomen arbeidsongeschikt
wordt, dan wordt 70% van het dagloon
behorende bij de desbetreffende functie
als basis genomen, aangevuld met 30% van
het oude dagloon om zodoende het
herziene dagloon te verkrijgen. Een meer
uitgewerkt voorbeeld moge één en ander
verduidelijken.
De
mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald
op: 15-25%.
Dagloon
voor de WAO-uitkering is vastgesteld op:
ƒ100,- per dag.
Loon
van de functie waarin betrokkene zijn restcapaciteit
benut, is bij volledige arbeidsgeschiktheid:
ƒ120,- per dag.
Betrokkene
krijgt:
- WAO-uitkering: 14% van ƒ100,- = ƒ14,-.
-
Loon uit benutting restcapaciteit (bij
een arbeidsgeschiktheid
van 80%) is 80% van ƒ120,-: ƒ96,-.
Totaal
inkomen (WAO-uitkering + loon uit restcapaciteit):
ƒ110,-.
Stel
dat betrokkene toegenomen arbeidsongeschikt
wordt tot: 65-80%.
Zonder
toepassing van artikel 40 is zijn
inkomen als
volgt:
- WAO-uitkering : 50,75% van ƒ100,-: ƒ50,75
-
Loon uit benutting restcapaciteit (bij
een arbeidsongeschiktheidspercentage
van 65-80% hoort
een arbeidsgeschiktheid van 27,5%) is 27,5%
van ƒ120,-: ƒ33,-.
Totaalinkomen: ƒ83,75
Met
toepassing van artikel 40
en volgens de
door het
kabinet voorgestelde berekening ter
bepaling van
het nieuwe dagloon bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
is het beeld als volgt:
Het aandeel
van het oude dagloon in het nieuwe dagloon
wordt bepaald op: 20% van ƒ100,-: ƒ20,-.
rblz.|49|
Het
aandeel van het loon uit zijn benutte restcapaciteit
80% van ƒ120,-: ƒ96,-.
De
basis van de WAO-uitkering wegens verhoogde
arbeidsongeschiktheid, het nieuwe dagloon,
is dan: ƒ116,-.
Betrokkene
ontvangt na toeneming van de arbeidsongeschiktheid
derhalve:
-
WAO-uitkering op basis van 50,75% van ƒ116,-:
ƒ58,87.
-
Loon uit benutting restcapaciteit is
27,5% van ƒ120,-: ƒ33,-.
Totaalinkomen
wordt dan: ƒ91,87.
2.9.
Ruimere toepassing artikel 33 AAW en 44
WAO
De
artikelen 33 en 34 AAW
en 44 en
45 WAO
regelen wat er moet gebeuren wanneer een
arbeidsongeschikte inkomen verwerft. De
artikelen 33 AAW
en 44 WAO
hebben
betrekking op de situatie waarin
betrokkene passende arbeid verricht. De
artikelen 34 AAW
en 45 WAO
vinden
toepassing indien sprake is van
niet-passende arbeid.
Hoewel
de artikelen 33 AAW
en 44 WAO
in
principe anticumulatiebepalingen
zijn, hebben zij een belangrijke
reïntegratiebevorderende werking. De
artikelen 33 AAW
en 44 WAO
bieden
namelijk de mogelijkheid dat wanneer een
arbeidsongeschikte passend werk gaat
verrichten, niet wordt afgeschat zolang
niet vaststaat dat betrokkene deze
arbeid kan volhouden en daarmee duurzaam
inkomsten kan verwerven. Bij twijfel of
betrokkene de werkhervatting duurzaam
aankan, wordt voorlopig niet feitelijk
herschat en vindt ook daarom geen
herziening van de uitkering plaats, doch
wordt het bedrag van de uitkering
aangepast aan de hoogte van de inkomsten
uit de arbeid. Bij die aanpassing van de
uitkering wordt overigens een fictieve
schatting van het
arbeidsongeschiktheidspercentage
gemaakt, waarbij uitgegaan wordt van het
maatmaninkomen waartegen de inkomsten
uit het verrichten van de arbeid worden
afgezet alsof betrokkene deze inkomsten
wel duurzaam zou kunnen verwerven. De
artikelen 33 AAW
en 44 WAO
zijn een
zinvol instrument tot bevordering van
werkhervatting nu betrokkene immers min
of meer een garantie wordt geboden op
het niveau van de oude uitkering indien
hij of zij het werk niet kan volhouden.
De artikelen 33 AAW
en 44 WAO
blijken in
de praktijk succesvol te kunnen worden
ingezet zowel bij herplaatsing van
arbeidsongeschikten bij de eigen
werkgever als bij een nieuwe werkgever.
Aanvankelijk
gold een toepassingstermijn van zes maanden, met de mogelijkheid van
verlenging door de SVr. In de praktijk
bleek deze termijn te kort voor een
definitieve beoordeling van de
duurzaamheid van de werkhervatting. De
wettelijke termijn wordt dan ook vrijwel
standaard verlengd. Bij de Wet van 30
mei 1990 houdende technische wijzigingen
mede in verband met de stelselherziening
sociale zekerheid (Stb. 1990, 316) is de
termijn van zes maanden reeds verlengd tot
twaalf maanden.
Ervan uitgaande dat de artikelen 33 AAW
en
44 WAO een goed reïntegratie-instrument
vormen, is in het Najaarsoverleg
afgesproken de toepassing daarvan in die
zin te verruimen dat toepassing over
een langere periode kan plaatsvinden.
Thans wordt voorgesteld deze periode
vast te stellen op maximaal drie jaar en
de verlengingsprocedure via de SVr te
schrappen. De SVr geeft in zijn advies
aan in te kunnen stemmen met het
vervallen van de goedkeuring door de
Raad met het oog op zijn
toezichthoudende taak. Ook geeft de SVr
aan in te kunnen stemmen met de
verruiming tot drie jaar, aangezien er in
het verleden gebleken is dat er rblz.|50|
in
bepaalde gevallen behoefte bestaat aan
een langere maximumtoepassingstermijn dan twee jaar. Gezien de
strekking van de onderhavige artikelen,
tijdelijk uitstel van afschatting, acht
de Raad een nog langere termijn dan drie
jaar niet gewenst.
Een
ruime maximale toepassingstermijn doet
de noodzaak van een (thans bestaande)
verlengingsmogelijkheid vervallen,
aangezien bedrijfsverenigingen en
GMD binnen die termijn in individuele
gevallen voldoende flexibel kunnen
opereren. Bovendien wordt met het
schrappen van de verlengingsprocedure
(die thans via de SVr loopt) bereikt dat
de uitvoeringsorganen over een
zelfstandig te hanteren flexibel
instrument kunnen beschikken.
2.10. Verplichte
zesdemaandsmelding aan de GMD
In het kader van het
reïntegratiebeleid zijn tussen de bedrijfsverenigingen en de GMD afspraken
gemaakt omtrent de melding van arbeidsongeschikten bij de GMD.
Onderdeel van die afspraken betreft de zogenaamde zesdemaandsmelding
en de "spontane melding" door de bedrijfsvereniging als deze
inschakeling van de GMD al voor het verstrijken van de zes maanden
wenselijk vindt. De kern van de huidige afspraken is de vuistregel dat
de bedrijfsvereniging iedereen die gedurende 22 weken een ZW-uitkering heeft ontvangen en na
twaalf maanden ziekte (einde
wachttijd) jonger is dan 65 jaar bij de GMD meldt. Melding vindt plaats in de
zesde maand op basis van een beoordeling bij 22 weken arbeidsongeschiktheid.
Niet gemeld worden: gevallen waarin betrokkene vóór het einde van
het ZW-jaar naar verwachting weer bij de eigen werkgever zal
hervatten, gevallen waarin op medische gronden nooit meer deelname
aan het arbeidsproces is te verwachten en gevallen waarin sprake is van langdurige verzorging/verpleging. Ten
aanzien van deze categorieën
vindt alleen een kennisgeving met gegevensuitwisseling aan de
GMD plaats en wordt de gevalsbehandeling niet overgedragen van de
bedrijfsvereniging aan de GMD. Het komt bij de zesdemaandsmelding dus
aan op een beoordeling door de bedrijfsvereniging omtrent de vraag of vóór einde wachttijd nog volledige hervatting zal plaatsvinden.
Is er sprake van een melding,
dan neemt de GMD de gevalsbehandeling over, hetgeen betekent
dat de GMD verder voor de sociaal-medische en
arbeidskundige beoordeling/begeleiding, gericht op reïntegratie, zorg
draagt.
De
zesdemaandsmelding staat
in het teken van het benutten van herplaatsingsmogelijkheden met
name bij een nieuwe werkgever.
Het gaat er dan om in een
vroeg stadium de arbeidsmogelijkheden van de arbeidsongeschikte in kaart
te brengen en de mogelijkheden tot hervatting, eventueel met behulp van AAW-voorzieningen, in passende
arbeid te bezien.
Een belangrijk knelpunt blijkt
in de praktijk evenwel te liggen in het toch nog grote en groeiende
aantal gevallen dat aanvankelijk door de bedrijfsvereniging met een kennisgeving aan de GMD wordt afgedaan,
doch later, na de zesde maand,
toch uiteindelijk bij de GMD moet worden gemeld. Deze late meldingen
betekenen vaak vertraging in de advisering op einde wachttijd en
bovendien verlies aan tijd en mogelijkheden op het punt van de
reïntegratie-inspanningen. Hiernaast is een gevolg van een niet-tijdig GMD-advies aan het
einde van het ZW-jaar dat thans in de praktijk een voorlopige
uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid wordt toegekend. Bij eventuele verlaging daarvan bij
het uitbrengen van het definitieve
advies kan het te veel uitgekeerde niet worden teruggevorderd.
rblz.|51|
De voorgestelde regeling moet
aan dit probleem een eind maken.
Er wordt voorgesteld in de
WAO en de AAW
te bepalen dat gevallen waarin de
arbeidsongeschiktheid voortduurt in ieder geval uiterlijk in de zesde maand na aanvang
van de
arbeidsongeschiktheid door de bedrijfsvereniging bij de GMD worden
gemeld. De GMD beslist op basis van de door de bedrijfsvereniging ter
beschikking gestelde informatie of de gevalsbehandeling wordt
overgenomen. Dit betekent derhalve dat de verplichte zesdemaandsmelding
niet impliceert dat in alle gevallen overdracht aan de GMD
plaatsvindt. De beslissingsbevoegdheid ligt bij de GMD. Van groot belang is
dat de GMD voldoende informatie krijgt van de bedrijfsverenigingen om
een gefundeerd oordeel over de wenselijkheid van overdracht te
kunnen vellen.
Voorts wordt de bepaling
gehandhaafd dat de bedrijfsvereniging aan de GMD zo spoedig mogelijk
mededeling doet van gevallen waarin dat redelijkerwijs met het oog op de taak van de GMD
ter zake van reïntegratie en begeleiding van
belang is, ook en met name als nog geen halfjaar na het intreden van de
arbeidsongeschiktheid is verstreken.
Met de SVr verwacht het
kabinet dat een verplichte zesdemaandsmelding zal kunnen leiden tot
een groter aantal reïntegraties op een vroeg moment en een vermindering van het aantal gevallen waarin niet
tijdig, dat wil zeggen op
einde wachttijd, een advies van de GMD gereed is. Hierdoor zal ook de
definitieve uitkering kunnen worden vastgesteld vanaf de eerste WAO-dag en zal
het aantal voorlopige uitkeringen kunnen worden verminderd.
2.11. Een verplichte
zesdemaandsmelding en een verplichte keuring voor de
overheidssector in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW
Het kabinet heeft besloten een
aantal maatregelen uit te werken voor de overheidssector ter
beperking van de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
en tot vergroting van de (re)integratie van gehandicapte ambtenaren in het
arbeidsproces.
Het wetsvoorstel bevat
wijzigingen van artikel 8 AAW
in het kader van een verplichte
zesdemaandsmelding van de werkgever aan de overheidspensioenorganen en
een verplichte keuring binnen twaalf maanden na aanvang van
arbeidsongeschiktheid door de overheidspensioenorganen. Ingeval het
overheidspersoneel reeds beschikt over de medische gegevens om de mate van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW
vast te stellen, zal een
feitelijke nieuwe medische keuring achterwege kunnen blijven. Verder wordt de
mogelijkheid gecreëerd voor overheidspensioenorganen om een
AAW-claim in te houden bij een werkgever die te weinig
reïntegratie-inspanningen verricht. Hierna wordt nader op de wijzigingen ingegaan.
Het overheidspersoneel behoort
tot de kring der verzekerden ingevolge de AAW. De AAW-premie is ook
voor het overheidspersoneel verschuldigd. Overheidspersoneel heeft echter slechts recht op
AAW-uitkering indien de
ambtelijke uitkering lager is dan de AAW-uitkering. Voorts is het
overheidspersoneel tevens uitgesloten van de AAW-voorzieningen. Aan de
uitkerings- en voorzieningenkant prevaleren de ambtelijke
regelingen. In verband hiermee is het AAf ingevolge het bepaalde in het derde lid
voor artikel 8 van de AAW
een uitkering rblz.|52|
verschuldigd aan bij
ministeriële regeling aan te wijzen lichamen.
Bij Ministeriële Regeling van
15 oktober 1976, nr. 54674 (Stcrt. 1976, 208), zijn als zodanige
instanties aangewezen: het ABP, het Spf en het ministerie van Defensie (de
overheidspensioenorganen).
De vorenbedoelde uitkering
compenseert de besparing die bij het AAf ontstaat. Dit betekent dat
deze uitkering de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en voorzieningen en de
met de verstrekking hiervan gepaard gaande kosten omvat die op
grond van de AAW
ten laste zouden zijn gekomen van het AAf indien
overheidspersoneel normaal aan deze wet [lees: die
wet, red.] arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
en voorzieningen zou kunnen ontlenen. Ter vaststelling van
deze uitkering dienen de overheidspensioenorganen de AAW fictief
uit te voeren. De AAf-uitkering wordt door de overheidspensioenorganen
doorbetaald aan overheidswerkgevers voor het bij hen in dienst
zijnde personeel dat langer dan 52 weken arbeidsongeschikt is.
Er vindt thans in het kader
van de fictieve uitvoering van de AAW
geen formele medische en
arbeidskundige beoordeling plaats door de overheidspensioenorganen. Die formele beoordeling is gekoppeld aan de
(in meer dan de helft van de
gevallen) later plaatsvindende keuring voor het recht op
invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet, de
Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet. De laatste jaren
blijkt er een toename te zijn van het aantal personen voor wie wel een
fictieve AAW-uitkering wordt geclaimd, maar die (nog) niet gekeurd zijn.
Om duidelijkheid te verkrijgen of er inderdaad sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en in welke mate, is het gewenst dat de
overheidspensioenorganen zowel een formele medische als een
arbeidskundige beoordeling verrichten vóór het einde van de in het kader
van de AAW (en dus ook vóór de fictieve uitvoering van die
wet)
geldende wachttijd van 52 weken.
Dit vereist een aanpassing van
artikel 8 van de AAW
teneinde de overheidspensioenorganen de
bevoegdheid te verlenen om het overheidspersoneel in het
kader van de fictieve uitvoering van die wet te kunnen oproepen en te doen
onderzoeken.
Voor het geval dat de
verzekerde weigert zijn volledige medewerking te verlenen, is in het
wetsvoorstel voorzien in een sanctiemogelijkheid. Voor de inhoud daarvan is
aangesloten bij de regeling ter zake in de Algemene burgerlijke
pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire
pensioenwet.
Het zal zich voor kunnen
doen
dat een overheidspensioenorgaan reeds beschikt over een dossier met
volledige en actuele medische gegevens van betrokkene op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid in
de zin van de AAW
kan worden
vastgesteld. Die gegevens kunnen bijvoorbeeld beschikbaar zijn
gekomen in verband met de beoogde intensieve medische begeleiding van
betrokkene of een keuring in verband met een aanvraag om
invaliditeitspensioen ingevolge één van de overheidspensioenwetten.
Alsdan zal een afzonderlijke medische keuring voor de fictieve uitvoering
van de AAW achterwege kunnen blijven. Onnodige keuringen kunnen op
deze wijze worden voorkomen.
Volledigheidshalve zij er nog
op gewezen dat het resultaat van de hiervoor bedoelde medische en
arbeidskundige beoordeling ook het aangrijpingspunt is voor de toepassing van het
BMS.
Het is voorts gewenst dat aan
de verplichte keuring een verplichte zesdemaandsmelding voorafgaat
door de werkgevers bij de overheidspensioenorganen.
rblz.|53|
Tijdige betrokkenheid van deze
instanties bij langdurende gevallen van ziekteverzuim heeft bovendien
als positief effect dat zij eerder reïntegratiepogingen kunnen ondernemen
dan wel ondersteunen. Daarbij dient de zesdemaandsmelding niet
slechts formeel van aard te zijn, maar ook inhoudelijk. De werkgever
dient aan te geven hoe de begeleiding tijdens het ziekteverzuim heeft
plaatsgevonden en welke pogingen zijn ondernomen tot reïntegratie. Het
kabinet is voornemens bij ministeriële regeling de
overheidspensioenorganen de bevoegdheid te verlenen de AAW-claim geheel of
gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend in te houden als de werkgever zich onvoldoende
heeft ingespannen om het zieke personeelslid te begeleiden tijdens
het ziekteverzuim of te reïntegreren in het arbeidsproces. Hierdoor wordt
voor de overheidssector een instrument geïntroduceerd vergelijkbaar
met de sancties in de marktsector (paragraaf 2.6).
Er is thans geen beroepsrecht
met betrekking tot beslissingen van overheidspensioenorganen
inzake de fictieve uitvoering van de AAW.
Thans wordt voorgesteld in
deze leemte te voorzien door wijziging van de artikelen 79 en 80 van de AAW.
Ten
slotte zij nog opgemerkt
dat het in het voornemen ligt tegelijk met de vorenbedoelde wijzigingen
van de AAW
in werking te doen treden een wijziging van voornoemde ministeriële regeling ingevolge het derde lid
van artikel 8 van de AAW. Deze
wijziging behelst met name het opnemen van een verplichting
voor de overheidspensioenorganen om binnen twaalf maanden na de
aanvang van de arbeidsongeschiktheid betrokkenen te onderwerpen aan een
keuring.
2.12. Wijziging
Wagw
Het kabinetsbeleid ter
bevordering van de arbeidsdeelname van gehandicapten heeft in 1986 reeds
concreet gestalte gekregen met de inwerkingtreding van de Wagw op 1 juli (Stb. 1986, 300).
Over de werking van deze wet [lees: die wet, red.]
is een evaluatieonderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek
zijn begin augustus 1990 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 119).
Ook uit deze resultaten komt
naar voren dat het (re)integratiebeleid voor gehandicapten verbetering
behoeft. Zo blijkt dat de Wagw
niet het beoogde resultaat heeft opgeleverd. Voor zover het tot op heden door
werkgevers gevoerde
(re)integratiebeleid succes heeft gehad, betreft dat met name de "eigen"
werknemers die arbeidsongeschikt zijn geworden en niet nieuwe intreders.
Teneinde een goed (re)integratiebeleid te kunnen voeren, is een
instrumentarium waarmee slagvaardig kan worden opgetreden een eerste
vereiste. Dit voorstel van wet dient ertoe om de
Wagw
in dit opzicht te
verbeteren.
Zoals de
Wagw
thans luidt,
dient een werkgever per onderneming aan een opgelegde
quotumverplichting te voldoen. De bedoeling hiervan is te
voorkomen dat een werkgever alle bij hem in dienst zijnde werknemers
concentreert in een bepaald deel van het concern. Echter, door deze keuze ontstaat een uitvoeringstechnisch
knelpunt, zoals ook blijkt uit
de resultaten van het evaluatieonderzoek. In de administratie van
uitvoeringsorganen zijn namelijk de gegevens wel per werkgever, maar niet per
onderneming bekend. Mede op grond hiervan is besloten het begrip
onderneming uit de wet te halen.
Een ander aspect betreft de
registratie van werkzame gehandicapte werknemers. Dit voorstel van
wet voorziet door middel van een wijziging rblz.|54|
van artikel 10 Wagw
in een wettelijke verplichting voor werkgevers om
de bij hen werkzame
gehandicapte werknemers te registreren. Deze verplichting bestaat voor een
werkgever op grond van de huidige wetstekst eerst dan als voor
hem een quotumverplichting geldt.
Een adequate invulling van de
taakstelling in individuele bedrijven en (overheids)instellingen
veronderstelt inzicht in het aantal werkzame gehandicapte werknemers. Een registratieverplichting voor de werkgever
is daarom een belangrijk
instrument om het Wagw-beleid op dat niveau te stimuleren.
Hoewel de voorgestelde
wetstekst de mogelijkheid daartoe wel biedt, zullen werkgevers vooralsnog
niet verplicht worden de registratiegegevens aan de uitvoeringsorganisatie ter beschikking te stellen. Het
kabinet acht, gezien zijn wens
om de administratieve belasting van het bedrijfsleven en de
uitvoeringskosten te beperken, de noodzaak daartoe nu onvoldoende aanwezig nu de
uitvoeringsorganisatie een indicatie van het aantal Wagw-werknemers per
bedrijfstak kan leveren op basis van reeds beschikbare bestanden.
In dit verband mag erop
gewezen worden dat de voorgestelde plicht voor werkgevers om in het
kader van de Wagw
gehandicapte werknemers te registreren internationaal gezien niet uitzonderlijk is.
Diverse EG-landen kennen een
dergelijke verplichting. Uit een vergelijkend onderzoek naar
quotumregelingen in een beperkt aantal landen is gebleken dat in Duitsland en
Frankrijk deze registratieplicht wordt nageleefd.
2.13. Internationale aspecten
De maatregelen in het kader
van dit wetsvoorstel zijn niet specifiek gericht op bepaalde sectoren
van het bedrijfsleven, noch hebben zij enige regionale specificiteit.
Naar hun aard en strekking kunnen deze naar de mening van het kabinet
dan ook niet worden opgevat als steunmaatregelen die onverenigbaar
zijn met het EEG-verdrag.
De internationale
concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven zal naar het oordeel van
het kabinet door deze maatregelen niet worden aangetast. De maatregelen zullen er integendeel toe leiden dat
op termijn een verbetering van
de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ontstaat,
als gevolg van een verlaging van de financiële lasten door de
terugdringing van het hoge aantal zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Een
meer verfijnde registratie binnen de onderneming, gericht op het
opsporen van oorzaken van een hoog ziekteverzuim, en een daarop
afgestemde bijstelling van het ondernemingsbeleid kunnen op korte termijn
weliswaar extra administratieve lasten voor werkgevers meebrengen,
maar zullen op iets langere termijn kunnen leiden tot een gunstige ZW-premie en, in voorkomend geval, het vermijden van een geldelijke
bijdrage.
Het voorliggende wetsvoorstel
heeft onder meer gevolgen voor de in Nederland gevestigde
werkgevers van personen die zijn verzekerd en aanspraak maken op een uitkering ingevolge de
ZW en de AAW/WAO.
Het kan echter voorkomen dat,
hoewel de werknemer is verzekerd ingevolge de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, de werkgever in het buitenland is gevestigd.
Deze situatie kan zich voordoen op grond van bijzondere bepalingen
inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving in Verordening (EEG)
nr. 1408/71 en soortgelijke bepalingen in bilaterale en multilaterale
verdragen met staten buiten de EG. Met het oog daarop worden hierna de voornaamste bepalingen nagelopen.
De gedifferentieerde
vaststelling van de premie ZW zal kunnen worden
rblz.|55|
gebaseerd op het ziekteverzuim
van de in Nederland verzekerde werknemer(s). De SVr kan dit
in de nadere regels over de vaststelling van het ziekteverzuimcijfer
bepalen.
Bij indienstneming van een
arbeidsongeschikte werknemer is een verhoging voorzien van het bij
ziekte te betalen ziekengeld van 70% naar 100%. Indien een Nederlands verzekerde herintredende werknemer in
dienst treedt bij een in het
buitenland gevestigde werkgever, moet aan de hand van de Nederlandse
wetgeving worden beoordeeld of de verhoging wordt verleend.
De verplichte aanvaarding van
passend ander werk door de zieke of arbeidsongeschikte werknemer
is afhankelijk van de mogelijkheid om de buitenlandse werkgever op grond van Nederlandse wetgeving een
sanctie op te leggen bij
weigering van een aanbod van passende (andere) arbeid aan de
betrokken werknemer. Dit probleem is minder ernstig dan het lijkt, omdat
werk in het buitenland voor een Nederlands verzekerde over het algemeen
slechts zelden als passend zal worden beschouwd.
Een uitkering of een
loonkostensubsidie zal in voorkomend geval niet worden onthouden aan een in
het buitenland gevestigde werkgever die een langdurig arbeidsongeschikte met een Nederlandse uitkering in
dienst neemt.
De mogelijkheid om een
geldelijke bijdrage op te leggen aan een binnen de EG gevestigde
werkgever vloeit naar de mening van het kabinet voort uit artikel 92
van Verordening (EEG) nr. 1408/71, waarin is bepaald dat premies en
bijdragen die zijn verschuldigd aan het orgaan van een lidstaat op het
grondgebied van een andere lidstaat kunnen worden geïnd. Of dit ook
mogelijk zal zijn in de verdragsrelaties met andere staten zal per geval
moeten worden beoordeeld. Die noodzaak zal zich echter slechts zelden
voordoen. Voor de geldelijke bijdrage zal een maximum gelden van 5% van
de loonsom van de voor de Nederlandse sociale verzekeringen verzekerde werknemers.
De ontslagbescherming van de
werknemer die in dienst is van een niet in Nederland gevestigde
werkgever moet soms, ondanks de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, naar buitenlands recht worden beoordeeld.
De vraag of dit in concreto het geval is, zal moeten worden beantwoord
aan de hand van internationaal privaatrecht. Hierbij spelen de
volgende elementen een rol. Indien de arbeid uitsluitend in Nederland wordt
verricht, dan wel indien de werknemer zijn centrale standplaats in
Nederland heeft, zal in het algemeen de Nederlandse ontslagwetgeving op de
arbeidsverhouding van toepassing zijn. Indien dat niet het geval is en ook overigens geen bijzondere omstandigheden nopen tot de
toepasselijkheid van de Nederlandse ontslagwetgeving, zal de wetgeving van
het land van de werkgever van toepassing zijn op de
arbeidsovereenkomst.
Bij de beoordeling van de
vraag of de preventieve ontslagtoets van artikel 6 BBA
[Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen
1945, red.] moet worden
verricht, is niet van belang of in de betrokken arbeidsverhouding over de gehele linie het recht van Nederland of dat
van een ander land
toepasselijk is. Die vraag wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad
beoordeeld aan de hand van het criterium van de betrokkenheid van de
belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij een arbeidsverhouding.
De verscherping van de
Nederlandse ontslagbescherming per 1 januari 1991 (Besluit van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van rblz.|56|
20 december 1990, Stcrt. 1990,
252) brengt in het bovenstaande geen verandering. Een minder
scherpe ontslagbescherming beperkt uiteraard de mogelijkheden tot
reïntegratie van de werknemer.
2.14. Evaluatie en onderzoek
Een evaluatie van de
maatregelen voorgesteld in dit voorstel van wet is van groot belang. Een eerste
voorlopige evaluatie vindt plaats ongeveer anderhalf jaar na invoering van de maatregelen; dat wil zeggen
gebaseerd op gegevens over de
situatie één jaar na invoering.
Bij een evaluatie van de in
dit voorstel van wet voorgestelde maatregelen zal het gaan om het
volgen van de ontwikkeling van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
in het algemeen en evaluatie van
specifieke regelingen.
In het algemeen wordt na
invoering van de maatregelen in dit voorstel van wet nagegaan of er sprake
is van een vermindering van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Hierbij wordt gekeken naar het
aantal personen dat recht
heeft op een uitkering krachtens deze regelingen, de hoogte van die uitkeringen en de duur van dat recht,
alsook het volume in macrobedragen en uitkeringsjaren. Daarnaast wordt ook nagegaan hoeveel personen
en organisaties recht hebben op een prestatie krachtens ieder van
de andere relevante regelingen, zoals die voor vergoeding van kosten van
voorzieningen en scholing, voor een loonkostensubsidie en voor een indienstneming van een arbeidsongeschikte. Ook hierbij wordt
niet alleen gekeken naar het aantal, maar ook de omvang van de prestaties en
de eventuele duur van het recht, alsook de macrobedragen die met het
gebruik van deze maatregelen zijn gemoeid.
Daarnaast komt een aantal van
die maatregelen - na invoering - in aanmerking voor evaluatie van
de wijze van toepassing en de bereikte resultaten.
Van de volgende maatregelen
zal een evaluatie in ieder geval plaatsvinden:
- ZW-premiedifferentiatie
op bedrijfsniveau;
- het BMS in de AAW, eventueel
gecombineerd met de reïntegratiemaatregel in de AAW/WAO
(analoog aan arikel 30 ZW);
- de
loonkostensubsidiemaatregel in de AAW, eventueel gecombineerd met de toepassing van de
artikelen 33 AAW
en 44 WAO;
- verhoging ZW-uitkering tot
100% van het dagloon voor heringetreden (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten;
- uitstel van afschatting bij
scholing.
Bij
evaluatieonderzoek naar
de effecten van deze maatregelen doet zich het probleem voor dat
deze resultaten moeilijk kunnen worden toegeschreven aan de verschillende afzonderlijke maatregelen, die
immers min of meer
tegelijkertijd van kracht zullen worden en op elkaar kunnen inwerken. Daarnaast
kunnen ook nog andere factoren een rol spelen. Hierdoor zal de
vaststelling van de effekten van het pakket van maatregelen en nog meer van de
verschillende maatregelen afzonderlijk bemoeilijkt worden.
Bezien wordt of deze
onderzoeken kunnen worden gecombineerd met ander reeds voorgenomen
onderzoek, zoals het onderzoek naar het herziene stelsel van sociale zekerheid ter evaluatie van de maatregelen
overeengekomen in het
Najaarsoverleg 1990 die geen wettelijke maatregelen vereisten.
Afhankelijk van de aard en
invalshoek van een evaluatie van de maatregelen rblz.|57|
en de functie die
onderzoek daarbij kan vervullen, worden instanties, waaronder de SVr, uitgenodigd om een rol daarbij te
vervullen.
3. Het overdragen
van bevoegdheden in de Ziektewet
3.1. Inleiding
Naar aanleiding van een
discussienota van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) "Vakbeweging
en werknemersverzekeringen" van oktober 1985 is in de
Stichting van de Arbeid nagegaan welke mogelijkheden er zijn om met
betrekking tot de ZW te komen tot een andere verantwoordelijkheidsverdeling
tussen overheid en sociale partners. In december 1987 is het "Protocol inzake een gewijzigde verantwoordelijkheidsverdeling in het kader
van de Ziektewet" opgesteld als resultaat van een overleg tussen overheid en
de in de Stichting vertegenwoordigde centrale organisaties van
werkgevers en werknemers. Dit protocol is op 9 februari 1988 toegestuurd aan
de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 508). Op 25
maart daaropvolgend is een brede nota inzake uitgangspunten voor een
verdeling van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners
op het terrein van de sociale verzekeringen aan de Tweede Kamer gezonden
(Kamerstukken II 1987-1988, 20 508). Op 7 juni 1988 is in de Tweede
Kamer over genoemde nota gediscussieerd (Handelingen II 1987-1988, blz. 85-4573 t/m 4597).
Over de verdere uitwerking van
het protocol is op 9 maart 1989 aan de SER
advies gevraagd. In zijn vergadering van 16 juni 1989 heeft de SER
zijn Advies verdeling verantwoordelijkheid in ZW
vastgesteld. Dit
advies wordt in paragraaf 3.3 nader beschouwd. In paragraaf
3.2 zal aandacht besteed
worden aan de overwegingen die ten grondslag liggen aan het
overdragen van bevoegdheden van overheid naar sociale partners. In paragraaf
3.4 zal de concrete uitwerking van de gewijzigde bevoegdhedenverdeling in
de ZW aan de orde worden gesteld.
3.2. Overwegingen en
doelstelling
Aan de voorgestelde
herschikking van bevoegdheden liggen de volgende argumenten ten
grondslag:
De herschikking biedt de
sociale partners meer mogelijkheden om een actievere rol te spelen ten
aanzien van de nadere invulling van de ziekengeldverzekering. Dit sluit goed aan bij de verantwoordelijkheden die
werkgevers en werknemers
hebben bij preventie en terugdringing van het ziekteverzuim.
Door een grotere inbreng van
sociale partners wordt de betrokkenheid bij het stelsel vergroot.
Hiermee wordt aangesloten bij de (natuurlijke) taak van de werknemersorganisaties inzake informatie, voorlichting en
rechtshulpverbetering aan hun
leden.
Het overdragen van
bevoegdheden van overheid aan sociale partners past dan ook in het kader van
de verantwoordelijkheden die de sociale partners op zich nemen als het
gaat om de aanpak van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Als
complement van de concretisering van maatregelen ter vermindering van
ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid op bedrijfstak- en/of
ondernemingsniveau kunnen sociale partners thans op meer punten nader invulling
gaan geven aan de inkomensverzekering bij ziekte. Het kabinet heeft,
gelet op de relatie die er ligt met de maatregelen rblz.|58|
inzake terugdringing van
het arbeidsongeschiktheidsvolume, dan ook gemeend beide aanvankelijk
afzonderlijke voorstellen van wet in één voorstel van wet te kunnen
regelen.
Voor een herverdeling van
bevoegdheden in de ZW is gekozen omdat deze wet
[lees: die wet, red.] dicht aanligt tegen
de overige arbeidsvoorwaarden waarvoor werkgevers en werknemers verantwoordelijkheid dragen. Zo blijft immers
tijdens ziekte in beginsel het
dienstverband en dus de band met de onderneming nog geruime tijd
bestaan. Bovendien worden in vrijwel het gehele bedrijfsleven bij
ziekte aanvullingen op de wettelijke uitkering door werkgevers betaald.
3.3. Advies
Sociaal-Economische Raad
De SER
beperkt zich in zijn
advies van 16 juni 1989 tot een algemeen positief oordeel over
doelstellingen en uitgangspunten van de voorstellen. Aparte vermelding verdient het
advies van de SER over een aantal specifieke zaken:
- Invoering van de
voorgestelde derde wachtdag lijkt de Raad niet zinvol zolang de steun van de
meerderheid der sociale partners ontbreekt. Het kabinet heeft
dit advies overgenomen.
- Opneming van het historisch
dagloon in de wet alsmede het overlaten aan
bedrijfsverenigingen van de nadere invulling daarvan acht de SER een goede zaak.
Hierdoor, aldus stelt de SER, wordt voor de bedrijfsverenigingen een
mogelijkheid geschapen voor een eigen, bedrijfstakspecifieke
invulling van het dagloonbegrip alsmede voor een nauwere afstemming van dit
begrip op het premieloon.
- De SER wijst opneming van
een aanwijzingsbevoegdheid van de minister ten opzichte van de
SVr af als zijnde onverenigbaar met de grondgedachte van overdracht
van bevoegdheden. Voorts ware dit onderwerp bij de herziening
van de uitvoeringsorganisatie aan de orde te stellen. Dit laatste zal
geschieden.
- Wat betreft de
minimumbescherming (nu opgenomen in artikel 1638e Burgerlijk
Wetboek) acht
de SER het aanbevelingswaardig deze weer in de ZW
zelf op te
nemen. Het kabinet meent echter dat de principiële bezwaren (met als
voornaamste argument de scheiding tussen loondervings- en
minimumbehoeftefunctie) daartegen zwaarder wegen dan de praktische voordelen.
3.4. Hoofdlijnen bij de
herschikking van bevoegdheden
Uitgangspunt is dat de
overheid een taak heeft ten aanzien van het waarborgen van rechtszekerheid
en rechtsgelijkheid. Daarom dienen in ieder geval de volgende elementen in de wet zelf geregeld te blijven: de
kring van verzekerden, de
aanspraak op uitkeringen, de hoogte en duur van de uitkeringen, de
(hoofd)voorwaarde voor toekenning van uitkeringen, de wijze van
financiering en het beroepsrecht.
De hoofdlijnen bij
herschikking van bevoegdheden zijn als volgt aan te geven:
a. volledige overdracht van
het bovenwettelijk traject;
b. wijziging systematiek
dagloonvaststelling en vervanging van een aantal ministeriële regels
door regels van de SVr of bedrijfsverenigingen;
c. globalere wettelijke
omschrijving van onderwerpen met nadere invulling door
bedrijfsverenigingen.
rblz.|59|
Ad a. Het bovenwettelijk
traject
Volgens de geschetste
hoofdlijnen van de herschikking van bevoegdheden zou het bovenwettelijk
traject volledig worden overgedragen aan sociale partners.
Dit zou kunnen leiden tot
aanpassing van de ZW en, wat het hierna eerstgenoemde punt betreft,
het Burgerlijk
Wetboek op de volgende punten:
1. Het doen herleven van de
mogelijkheid om bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij
reglement één of twee wachtdagen te realiseren; in aansluiting
hierop worden de twee dagen meegeteld voor de bepaling van het maximaal
aantal weken ziekengeld (52 weken).
2. Het vervallen van de
ministeriële goedkeuring bij de herverzekering van wachtdagen.
3. Het vervallen van de
ministeriële goedkeuring met betrekking tot door de bedrijfsvereniging
vastgestelde bovenwettelijke uitkeringen.
4. Het vervallen van de
aansprakelijkheid van het Rijk tegenover de verzekerden wat betreft de
bovenwettelijke uitkeringen (artikel 51).
5. Het overdragen van de
goedkeuringsbevoegdheid van de minister naar de bedrijfsvereniging
inzake een ZW-premie-inhouding op het loon van de werknemer die meer bedraagt dan 1% in het geval sprake is van
een bovenwettelijke uitkering (artikel 60, derde lid).
6. Het wijzigen van artikel 87, tweede lid, zodat de bedrijfsverenigingen ook zonder een daartoe
strekkende algemene maatregel van bestuur de bevoegdheid krijgen
te bepalen dat voor bepaalde groepen van verzekerden naast het
ziekengeld bijdragen worden verstrekt voor één of meer sociale fondsen.
Op 13 juli 1991 heeft het
kabinet in het kader van aanvullende volumemaatregelen enkele
besluiten genomen die betrekking hebben op de vergroting van de
(financiële) verantwoordelijkheid van sociale partners ten aanzien van de
uitkering bij ziekte. Het gaat daarbij om het voor rekening van de werkgever
brengen van de eerste weken van ziekte en de blokkering van de
(verplichte) herverzekering van bovenwettelijke uitkeringen. Behalve dat deze
voorgenomen maatregelen inhoudelijk daarop van invloed zijn, is ook
om wetstechnische redenen afgezien van het opnemen in dit voorstel
van wet van de aanpassing aan de ZW op de hiervoor onder 2 tot en met 6
genoemde punten. Bij de uitwerking van de maatregelen die
voortvloeien uit de besluitvorming van het kabinet van 13 juli 1991 zal de
herschikking van bevoegdheden met betrekking tot het bovenwettelijk traject
nader bezien worden.
Ad b. Wijziging
dagloonsystematiek
Zoals hiervoor is aangegeven,
was in het protocol voorzien in invoering van het historisch dagloon in
de ZW. De SER heeft hierover in zijn advies van 16 juni 1989 positief geadviseerd. In het voorontwerp van wet, zoals
dit voor advies aan de SVr is
voorgelegd, is dit uitgangspunt nader uitgewerkt. De SVr geeft in zijn
advies van 18 april 1991 aan bezwaren te hebben tegen deze uitwerking
en meent zelfs dat handhaving van de huidige systematiek is te
prefereren boven ongewijzigde invoering van de voorgestelde systematiek. Deze
opmerking is voor het kabinet aanleiding de voorgenomen
dagloonherziening in de ZW nader te bezien. Het kabinet is nu voornemens deze
mee te nemen bij de adviesaanvrage aan de SVr over de
dagloonherziening in de WAO en WW. Het voordeel hiervan is tevens dat deze
dagloonherzieningen vervolgens in hun onderlinge verband kunnen worden
beschouwd.
Ad c. Globalere wettelijke
omschrijving
Bezien is op welke plaatsen de
ZW minder strikt geformuleerd kan rblz.|60|
worden, waarbij meer ruimte
van de uitvoeringsorganen ontstaat om nadere invulling aan de wet te geven. Thans wordt voorzien in een
globalere wettelijke regeling
op het punt van de uitbetaling van ziekengeld aan derden: de SVr
krijgt de bevoegdheid aan te geven in welke gevallen uitbetaling aan
derden kan plaatsvinden. Voorts is voorzien in globalere regeling
in artikel 31 ZW van de samenloop van ziekengeld met ouderdomspensioen, met nadere regelgeving door de
SVr.
4. Maatregelen in de
overheidssfeer
In de gemeenschappelijke
verklaring volumebeleid arbeidsongeschiktheid is aangegeven dat
werkgevers, werknemers en overheid zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen voor het verontrustend grote aantal
arbeidsongeschikten. Er is
aangegeven dat het noodzakelijk is op alle niveaus vanaf dat van de
afzonderlijke onderneming, CAO-niveau, tot en met het nationale niveau te
komen tot een meer geïntegreerde aanpak van verzuim- en
arbeidsongeschiktheidsproblemen door organen, diensten en instellingen op
het terrein van arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid.
In dit kader kan de overheid
als werkgever uiteraard niet achterblijven. In de gemeenschappelijke
verklaring is dan ook nog eens nadrukkelijk aangegeven dat de overheid als
werkgever, in overleg met (vertegenwoordigers van)
werknemers, de
eerder in de TWVA overeengekomen maatregelen dient uit te
werken en aan te vullen voor de overheidssector.
In hoofdstuk 2 is reeds
uitvoerig ingegaan op de maatregelen voor de overheid die in dit
wetsvoorstel zijn vervat. Het betreft het BMS (paragraaf
2.1.7), de loonkostensubsidie (paragraaf 2.3), de verplichte
zesdemaandsmelding, de verplichte AAW-keuring door
overheidspensioenorganen en de mogelijkheid tot inhouding van
AAW-claims bij geringe reïntegratie-inspanningen van de
overheidswerkgever (paragraaf 2.11).
Hierna wordt een aantal
maatregelen in de overheidssfeer weergegeven dat buiten het kader van
dit wetsvoorstel wordt getroffen.
De Minister van Binnenlandse
Zaken heeft het actieplan, dat op 4 oktober 1990 ter kennisneming
gezonden is aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1990-1991, 21 837), verder uitgewerkt. Op 21 juni 1991 heeft de
Minister van Binnenlandse
Zaken de stand van zaken per 1 mei 1991 van dat actieplan aan de Tweede
Kamer aangeboden.
De beleidsvoornemens opgenomen
in het Actieplan Maatregelen Arbeidsongeschiktheid Overheid
kunnen worden onderverdeeld in:
- maatregelen gericht op
preventie; het voorkomen van arbeidsongeschiktheid en met name het
terugdringen van ziekteverzuim is hierbij van belang;
- maatregelen gericht op
vermindering van het volume van arbeidsongeschiktheid, derhalve
maatregelen gericht op de terugkeer in het arbeidsproces van mensen die arbeidsongeschikt zijn.
Maatregelen gericht op
terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de
arbeidsvoorwaardelijke sfeer zijn tot nu toe niet geconcretiseerd. Ter zake zijn van
belang de consequenties van de politieke besluitvorming en de
doorvertaling naar de overheidssector van het SER-advies zoals dat op 12
juli jl. is uitgebracht. In het Ambtelijk Werkgeversoverleg (AWO) en de
Adviescommissie Overheidspersoneelsbeleid (AOP) is over dit
onderwerp eveneens gesproken. Beide gremia hebben een voorkeur
uitgesproken voor een aanpak op decentraal niveau. Met het oog op het
arbeidsvoorwaardenoverleg 1992 willen de overheidswerkgevers
gezamenlijk bezien welke maatregelen op centraal rblz.|61|
niveau moeten worden getroffen
en bij welke maatregelen een decentrale aanpak de voorkeur
verdient. Daarnaast is in de Centrale arbeidsvoorwaardenovereenkomst
overheidspersoneel 1 april 1991 - 1 april 1992 de aanbeveling opgenomen
om in het decentrale arbeidsvoorwaardenoverleg 1991 te spreken
over maatregelen tot beperking van het ziekteverzuim.
Naast de mogelijkheden in de
arbeidsvoorwaardelijke sfeer worden reeds maatregelen genomen in
de managementsfeer. Om het middenmanagement een grotere rol te geven bij de preventie van en begeleiding
bij ziekte en
arbeidsongeschiktheid heeft een interdepartementale werkgroep rapport uitgebracht.
De hoofdconclusie van het rapport is dat ziekteverzuim en
arbeidongeschiktheid door tal van oorzaken nog nauwelijks als een serieuze
managementtaak in de rijksdienst is opgepakt. De middenmanagers worden niet
aangesproken op het door hen gevoerde beleid, veelal is zelfs
onduidelijk wat er van hen op dit punt verwacht wordt. Tegelijk is duidelijk
dat middenmanagers een cruciale rol (moeten) spelen bij de terugdringing
van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De werkgroep beveelt dan ook
aan de middenmanagers (afdelings- en diensthoofden) duidelijk te
maken wat hun taken, bevoegdheden en mogelijkheden zijn en die
taken op te nemen in de taakomschrijving, maar liever nog in de
(zelfbeheer)kontrakten die tegenwoordig in toenemende mate binnen ministeries
worden afgesloten. De Minister van Binnenlandse Zaken laat een managementcursus omgaan met ziekte en
arbeidsongeschiktheid door de
Rijksbedrijfsgezondheids en Bedrijfsveiligheidsdienst (RBB)
ontwikkelen en zal deze aan de departementen aanbieden.
Bij de aanpak voor 1991 worden
Bedrijfsgezondheidsteams (BGZ-teams) ingesteld welke als
scharnierpunt dienen voor de terugdringing van het
ziekteverzuim. Naar de werknemer toe wordt via een vaste procedure gewerkt;
ziek melden kan uitsluitend bij de chef of diens plaatsvervanger en een bezoek
thuis door een lid van het team is standaard op de tweede
ziektedag. Naar de manager toe wordt ook direct gewerkt door het team.
Met de manager moet de ontwikkeling van het ziekteverzuim worden doorgenomen. Daar waar sprake is van
verzuim door slechte
arbeidsomstandigheden c.q. arbeidsrelaties wordt de doorstroom naar
arbeidsongeschiktheid geblokkeerd. Met deze methode, gevoegd bij een
eenduidige ziekteregistratie, wordt een methodiek ontwikkeld waarmee
een norm voor ziekteverzuim kan worden vastgesteld.
Deze aanpak zal alleen effect
hebben als de maatregelen worden gedragen door het
topmanagement. Gepleit wordt voor een top-downbenadering, waarbij het beleid
wordt doorvertaald in concrete opdrachten, in meetbare taakstellingen,
uit te voeren door het middenmanagement. Het project gaat van start bij
de ministeries van Algemene Zaken, van
Binnenlandse Zaken en van Financiën (belastingdienst). Vrij snel na implementatie vindt verdere
uitbreiding naar andere ministeries plaats.
Daarnaast is het noodzakelijk
ten behoeve van het terugdringen van het ziekteverzuim dat de
overheid beschikt over actuele, adequate en betrouwbare informatie over
dat verzuim. In dit kader wordt gestreefd naar een systeem van
gelijkwaardige en vergelijkbare ziekteverzuimgegevens binnen de overheid.
Gestart wordt hiervoor bij de sector Rijksoverheid.
Het is niet nodig dat alle
ministeries hetzelfde systeem toepassen, wel is het essentieel dat alle
onderdelen aan minimumeisen voldoen, namelijk:
rblz.|62|
- het kunnen leveren van enige
kerngegevens met de voorgeschreven frequentie en levertijd;
- het hanteren van dezelfde
definities van enige basisbegrippen;
- het op dezelfde wijze
berekenen van die kerngegevens.
Voorts zijn voor de gehele
overheidssector de volgende maatregelen in voorbereiding.
Zo'n 45% van de afkeuringen is
gebaseerd op psychische gronden. Factoren betreffende werkplek
en persoonlijke omstandigheden zijn hier vooral oorzaak. De relatie
werkgever, werknemer en het BGZ-team dient vooral in deze gevallen
intensief te blijven. Immers, binnen deze categorie van afkeuringen stromen
ambtenaren, onder meer vanwege slechte arbeidsrelaties, uit het
arbeidsproces. De Minister van Binnenlandse Zaken zal in overleg met het
ABP een maatregel voorbereiden die inhoudt dat als regel definitieve afkeuringen pas na bijvoorbeeld
vijf jaar mogen worden gerealiseerd, dan
wel dat er gedurende die periode een terugkeerrecht bestaat.
Uiteraard zal een uitzondering moeten worden gemaakt voor gevallen waarbij
op grond van de gestelde diagnose werkhervatting is uitgesloten.
Daarnaast zal de uitstroom uit
de arbeidsongeschiktheidsregelingen moeten toenemen door een
grotere instroom naar de arbeidsmarkt. Aangezien de huidige werkwijze van herplaatsing al een intensieve
begeleiding kent voor
ambtenaren met restcapaciteit, zal de daling van het volume arbeidsongeschikten
met name moeten komen uit de groep afgekeurde ambtenaren zonder
restcapaciteit. Binnenlandse Zaken zal een experiment starten om een
aantal ambtenaren zonder restcapaciteit met behulp van scholing en
begeleiding weer aan een baan te helpen.
De Centrale Commissie voor
Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken (CGOA) heeft voorgesteld
een ontslagverbod in te voeren voor ambtenaren die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Door een ontslagverbod bij restcapaciteit
blijft de band met de werkgever in stand en is uittreden uit de arbeidsmarkt
niet mogelijk op grond van arbeidsongeschiktheid.
De uitspraak blijvend
ongeschikt vormt in de rechtspositieregelingen een ontslaggrond. De Abp-wet
bepaalt dat men pas recht heeft op (invaliditeits)pensioen na
ontslag uit de betrekking. Hetzelfde geldt voor herplaatsingswachtgeld en
-toelage.
Een ontslagverbod bij
restvaliditeit, gevolgd door een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering,
vergt derhalve wijziging van de ambtelijke regelgeving, zowel ten aanzien van ontslag als ten aanzien van het
recht op
invaliditeitspensioen. Eén en ander geldt tevens voor de Algemene militaire
pensioenwet
en de Spoorwegpensioenwet.
De Minister van Binnenlandse
Zaken zal er zorg voor dragen dat op zo kort mogelijke termijn de
benodigde wijzigingen worden doorgevoerd. Dit voorstel zal in het
verdere overleg met de centrales van overheidspersoneel aan de orde komen.
Door het
ministerie van
Onderwijs en Wetenschappen zijn in een aparte notitie (Tweede Kamer,
1990-1991, 21 834) maatregelen voorgesteld voor de onderwijssector.
De Minister van Onderwijs en
Wetenschappen heeft ter realisering van de voorgenomen maatregelen een Projectgroep Terugdringing Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid ingesteld. Het kabinet zal de Tweede
Kamer over de voortgang
informeren.
De Commissie voor
Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken rblz.|63|
heeft recentelijk een
werkgroep Wagw
ingesteld. De werkgroep zal concrete voorstellen ontwikkelen om te komen tot een
Wagw-beleid
voor de sector politie.
Hierbij zal aandacht worden geschonken aan preventief beleid, dat de
uitstroom van politiepersoneel naar een invaliditeitspensioen vermindert en de
instroom van gehandicapten in een andere, passende functie
vergroot. In het bijzonder zal ook aandacht worden besteed aan de
belemmeringen die inherent zijn aan een executieve functie.
Op basis van oriënterende
onderzoeken door het Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk
Onderzoek en het ABP wordt een fundamenteel onderzoek ingesteld
naar de oorzaken van arbeidsongeschiktheid bij de overheid.
Naar verwachting wordt het rapport van dit onderzoek in de loop van
september 1991 uitgebracht. Daarnaast worden op dit moment bij
enkele departementen preventieprojecten uitgevoerd.
5. Financiële en
volume-effecten
5.1. Inleiding
Het voorliggende wetsvoorstel
bevat een reeks maatregelen die vooral gericht zijn op
gedragsbeïnvloeding. Het BMS en de op individuele ondernemingen gerichte premiedifferentiatie van de
ZW beogen financiële
prikkels te vormen die
werkgevers moeten aanzetten tot preventief beleid. Daarnaast is de
verbeterde toepassing van artikel 30 ZW
gericht op het vermijden van
langdurige arbeidsongeschiktheid. De loonkostensubsidieregeling en de
verhoging van het ziekengeld ten aanzien van arbeidsongeschikten moeten
stimuleren tot een verhoging van de instroom van
arbeidsongeschikten in het arbeidsproces. Ook het uitstel van herschatting bij scholing
en de verplichte zesdemaandsmelding aan de GMD dienen dit doel.
De omvang van de effecten op
het volume en het lastentotaal van de arbeidsongeschiktheidsregelingen
is afhankelijk van de mate waarin die beïnvloeding van het gedrag van de betrokken partijen (werkgevers,
werknemers en
uitvoeringsinstanties) daadwerkelijk plaatsvindt. Elke uitspraak hierover zou op een
arbitraire redenering zijn gebaseerd. Ook de TWVA heeft deze overtuiging
als zodanig uitgesproken. Daarom is in navolgende paragraaf 5.2 ten
aanzien van de indirecte effecten gekozen voor een andere benadering.
Paragraaf 5.3 gaat vervolgens in op enkele directe effecten die uit het
pakket van maatregelen voortvloeien.
5.2. Kwantitatieve
doelstellingen ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid
Zoals eerder in deze memorie
vermeld, is in het Regeerakkoord van november 1989 vastgelegd dat
het kabinet wil trachten om zo spoedig mogelijk in ieder geval tot
een stabilisatie van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
te
komen. Dit is nadien als volgt nader geconcretiseerd.
Als ijkpunt van de
stabilisatiedoelstelling werd de feitelijke omvang van het
uitkeringsgerechtigdenbestand op 31 december 1989 genomen. Daarbij werd uitgegaan van
een
doelstelling uitgedrukt in (herleide) uitkeringsjaren, teneinde die
onderdelen van het beleid die volledige arbeidsongeschiktheid omvormen
tot gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk werken ook
kwantitatief op de juiste wijze te waarderen.
rblz.|64|
Het kabinet realiseerde zich
dat het voorgaande een uiterst ambitieuze taakstelling betekende. Gezien
de ontwikkelingen waar sprake is van een aanhoudende groei van het
uitkeringsvolume, betekende het niet minder dan dat de stijgende trend
moest worden omgebogen naar een dalende. Het niveau dat inmiddels in
1990 was gerealiseerd, bevond zich immers al ruim boven het ijkpunt.
Bovendien werd voor de nabije toekomst een voortgaande groei van het
aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorzien. Alles
bijeen was de verwachting medio april 1991 dat eind 1994 979 000
personen een AAW/WAO-uitkering zouden ontvangen, hetgeen overeenkwam
met 828 000 uitkeringsjaren.
Niettemin had het kabinet
goede hoop dat op basis van maatregelen die in het Najaarsoverleg
overeengekomen waren en die op korte termijn zouden worden geïmplementeerd, het groeitempo van het
arbeidsongeschiktheidsvolume in 1991 zou
kunnen worden gehalveerd. Gezien de tijd die gemoeid is met het wetgevingsproces en de implementatie van
de daarin opgenomen overige
maatregelen die ingevoerd moeten gaan worden in de bedrijven en de
uitvoeringsorganisatie, leek dit voor 1991 het maximaal haalbare.
De verdergaande groei die voor
de periode 1992-1994 werd geraamd, was gebaseerd op een
gemiddelde jaarlijkse instroom van 108 000 personen in de regelingen en
een uitstroom van 84 000 uitkeringsgerechtigden. Wanneer in 1992
zou worden aangestuurd op stabilisatie van het eind 1991 bereikte niveau
gedefinieerd in uitkeringsjaren, waarbij met name het in het
arbeidsproces houden van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten wordt benadrukt,
zou de instroom met grofweg 20% moeten worden beperkt. Anders gezegd
zou dit inhouden dat het kabinet ernaar streeft om in 1992 de situatie
te hebben bereikt waarbij van elke vijf arbeidsongeschikten die
momenteel uit het arbeidsproces afvloeien er één aan het werk blijft.
Daarmee werd nog niet aan de
kabinetsdoelstelling voldaan. Stabilisatie van het eind 1991
bereikte niveau is immers niet voldoende, gezien de groei die tussen 1989 en
1991 is opgetreden. Dit betekent dat de ingezette doelstelling na 1992
een nog verdergaande inspanning vereiste in de zin dat niet één, maar
twee van de vijf (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten hun baan zouden
moeten behouden. Zou deze inspanning vanaf 1993 gerealiseerd worden, dan
behoorde een terugkeer medio 1995 tot het niveau 1989 tot de
mogelijkheden.
Niet lang nadat het kabinet de
hier geschetste weg tot zijn beleidsmatige inzet had verklaard,
moest de onhaalbaarheid daarvan worden vastgesteld. Op grond van realisatiecijfers over het eerste kwartaal van
1991 moest worden vastgesteld
dat het hoge groeitempo over de jaren 1989 en 1990 die tot dat
moment als incidentele afwijking van een structurele groeitrend was
aangemerkt, zich ook in het eerste kwartaal van 1991 voordeed. Dit
noodzaakte tot een herziening van de ramingen, in die zin dat een structureel
hoger groeipad als uitgangspunt moest worden genomen. Projecties van
de fondsbesturen AAf en Aof [Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] ten behoeve van de
premievaststelling AAW
en WAO bevestigden dit beeld. De herziening van het groeipad
heeft geleid tot een forse bijstelling van de ramingen inzake de
volumeontwikkeling bij ongewijzigd beleid, zoals uit onderstaand overzicht
blijkt. rblz.|65|
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Personen |
Uitkeringsjaren |
| Stand ultimo 1989 |
x |
845 000xx |
x |
758 000xx |
| Saldo instroom/uitstroom
1990 |
37 000xxx |
x |
20 000xxx |
x |
| Stand ultimo 1990 |
x |
882 000xx |
x |
778 000xx |
| Saldo instroom/uitstroom
1991 |
30 000xxx |
x |
29 000xxx |
x |
| Stand ultimo 1991 |
x |
912
000xx |
x |
807
000xx |
| Saldo instroom/uitstroom
1992 |
39 000xxx |
x |
26 000xxx |
x |
| Stand ultimo 1992 |
x |
951 000xx |
x |
833 000xx |
| Saldo
instroom/uitstroom 1993 |
39
000xxx |
x |
26
000xxx |
x |
| Stand ultimo 1993 |
x |
990.000xx |
x |
859 000xx |
| Saldo instroom/uitstroom
1994 |
39
000xxx |
x |
26
000xxx |
x |
| Stand ultimo 1994 |
x |
1
029 000xx |
x |
885
000xx |
| Totaal |
184
000xxx |
x |
127
000xxx |
x |
De geraamde ontwikkeling over
1991 wordt enigszins vertekend door extra beëindigingen die
samenhangen met het beëindigen van uitkeringen op 1 juli 1991 in
verband met de gelijke behandeling in de AAW. Om dezelfde reden zijn over
het eerste halfjaar van 1991 nabetalingen verricht die op meerdere jaren
betrekking hebben, maar volledig in 1991 worden verantwoord. Dit
laatste leidt tot een incidentele mutatie van het volume in
uitkeringsjaren.
Uit bovenstaande tabel blijkt
dat het oorspronkelijke voornemen van het kabinet te streven naar
het volumeniveau van 1989 een daling met ruim 125 000 uitkeringsjaren zou vereisen. Om deze taakstelling te
kunnen realiseren, zou de
instroom in de regelingen ongeveer gehalveerd moeten worden. Gezien de korte
termijn die het kabinet is gegeven tot 1994 moet dit onhaalbaar
worden geacht. Zoals in de inleiding van deze memorie van toelichting is
aangegeven, is het kabinet tot de conclusie moeten komen dat de
doelstelling van terugkeer in 1994 naar het niveau van 1989 niet langer
uitgangspunt kan zijn bij het ontwikkelen van volumebeleid.
Naast de voorgaande
gevolgtrekking hebben de realisatiecijfers over de eerste periode van 1991
geleid tot een voorzichtiger opstelling ten aanzien van de te verwachten effecten van de in
dit wetsvoorstel vervatte
maatregelen. In eerste
instantie is ervan uitgegaan dat met het voorliggende pakket mogelijkerwijze
zou kunnen worden volstaan, hetgeen impliciet betekende dat er een
volumereductie van 65 000 à 70 000 uitkeringsjaren mee zou kunnen
samenhangen.
Rekening houdend met het nog
te volgen wetgevings- en invoeringstraject en gezien het feit dat inmiddels geïmplementeerde maatregelen nog niet het effect sorteren dat het kabinet
ervan had verwacht, is een
bijstelling naar beneden
aangewezen. Ingezet wordt op effect van een zodanige omvang dat een
terugkeer op het demografisch bepaalde groeipad wordt gerealiseerd.
Dit komt overeen met een volumeombuiging in 1994 van in
totaal 25 000 uitkeringsjaren. Voor deze inzet is overigens noch een
empirisch bewijs, noch een modelmatige onderbouwing aan te leveren. Er
wordt slechts de andere benadering mee tot uitdrukking gebracht waarover in de
inleiding van dit hoofdstuk is
gesproken.
Met betrekking tot de
ZW gaat
het kabinet bij het ongewijzigd beleid uit van een constant
ziekterisicopercentage. Dit betekent dat een verhoging van de ZW-lasten uitsluitend het gevolg kan zijn van nominale verhogingen en/of een
toename van het aantal verzekerden als resultaat van
werkgelegenheidsgroei.
Op grond van de laatste
gegevens over 1990 moet echter rekening worden gehouden met een
toename van het ziekterisicopercentage. Voor rblz.|66|
de werkgevers die het risico hebben verzekerd bij de bedrijfsvereniging
(de zogenaamde omslagleden) wordt
uitgegaan van een toename van 8% in 1989 tot 8,4% in 1990. Ook ten
aanzien van de ZW
heeft het kabinet - geconfronteerd met nieuwe
tegenvallende ontwikkelingen - besloten tot het treffen van aanvullende
maatregelen, bovenop hetgeen in het voorliggende wetsvoorstel ligt
besloten. Met de maatregelen van dit wetsvoorstel wordt een
opbrengst beoogd van structureel ƒ600 mln, overeenkomend met een
daling van het ziekterisicopercentage met 0,5 procentpunt.
5.3. Directe effecten van
enkele maatregelen uit het pakket
In voorgaande paragraaf is
aandacht gegeven aan de indirecte effecten die via
gedragsbeïnvloeding worden nagestreefd. In deze paragraaf wordt een aantal
maatregelen nagegaan waarmee directe kosten en opbrengsten worden
gegenereerd.
Met betrekking tot het
bonus/malussysteem kan voorshands voor wat betreft de marktsector worden
aangesloten bij hetgeen hierover in het kabinetstandpunt van 6 maart
1990 is vermeld. Dit komt er in het kort op neer dat per saldo opbrengsten
zullen resulteren omdat de instroom van arbeidsongeschikte werknemers
waarvoor een geldelijke bijdrage is verschuldigd zeker op korte
termijn het aantal (gedeeltelijke) beëindigingen zal overtreffen. Uit
het jaarverslag van de GMD over 1989 blijkt dat ongeveer 60 000 personen
van de reïntegratiepopulatie bij aanvang van de gevalsbehandeling geen
werkkring hadden. Bij afsluiting van de gevalsbehandeling bleken circa 14
000 personen bij de (voormalige) eigen
werkgever of een andere
werkgever te zijn herplaatst. Dit leidt tot de conclusie dat de aanname die
in het kabinetsstandpunt werd gehanteerd en waarbij voor de korte
termijn een positief saldo van geldelijke bijdragen boven
bonusuitkeringen van ƒ300 mln werd berekend, niet behoeft te worden aangepast.
In het SVr-advies kiest de
Raad voor een andere benadering ten behoeve van de berekening van
het saldo van bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen door zich te baseren op de regulier beschikbare statistieken. De vraag is of deze
statistieken een betere basis vormen voor de berekeningen dan die van de
GMD. Immers, niet elke toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
impliceert een geldelijke bijdrage en niet alle beëindigingen wegens
herstel vloeien voort uit werkhervatting. Dit brengt het kabinet tot de
conclusie dat hij geen aanleiding ziet de berekeningen ter zake te
herzien, met erkenning van het feit dat daaraan bepaalde onzekere veronderstellingen ten grondslag liggen. Dit geldt
echter eveneens voor de SVr-berekeningen.
De SVr constateert terecht dat
de financiële effecten van het BMS voor het ABP/Spf niet worden
geëxpliciteerd.
Indien voor de overheidssector
een gelijksoortige berekening wordt gemaakt als voor de
marktsector, resulteert in de overheidssector slechts een beperkt saldo van
circa ƒ10 mln.
Hierbij wordt rekening
gehouden met circa 14 000 geldelijke bijdragen en circa 6400 bonusuitkeringen.
Het beperkte saldo wordt met name veroorzaakt doordat in de overheidssector relatief vaker de
AAW-claim
wordt beëindigd wegens
herstel. Dit laatste kan mede samenhangen met de problematiek geschetst rond
de verplichte ABP-keuring. Het zou derhalve kunnen zijn dat niet
zozeer een bonus wordt verstrekt, maar veelal sprake zal zijn van
restitutie van de malus ten gevolge van werkhervatting binnen het
jaar. Bovendien is ook de anticumulatiebepaling met het
herplaatsingswachtgeld van invloed op het genoemde bedrag.
rblz.|67|
De voorgestelde
premiedifferentiatie in de ZW leidt macro gezien uiteraard niet tot saldi. Het
systeem is immers gebaseerd op differentiatie ten opzichte van het gemiddelde niveau dat nodig is om de
ZW-lasten te financieren. Het
betreft derhalve een herverdeling van premiebijdragen en geen
vergroting of verkleining ervan.
De omvang van het budget voor
de GMD ten behoeve van de loonkostensubsidie en
inwerk-/begeleidingssubsidie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten zal door het AAf
worden vastgesteld.
In afwijking van het
TWVA-rapport wordt mede op basis van GMD-gegevens over 1989
verondersteld dat een iets groter aantal (namelijk ruim 15 000
plaatsingen per jaar) met toepassing van de maatregel zullen worden
gerealiseerd. Uitgaande van een loonsom van ƒ21 500,- per geplaatste
arbeidsongeschikte (bekend is dat veelal wordt geplaatst in functies met een
loon van ±ƒ33 000,- per jaar en dat het daarbij vooral om gedeeltelijk
arbeidsongeschikten gaat met uiteindelijk een resterend uitkeringsdeel van 35%, zodat per dienstbetrekking een
loonsom van 65% van ƒ33 000,-,
derhalve ƒ21 500,- overblijft) en toekenning van de maximale 20%
subsidie (20% van ƒ21 500,- is ƒ4300,-) zouden de kosten van de
loonkostensubsidieregeling per jaar neerkomen op maximaal ±ƒ65 mln (11
500 x ƒ4300,-). Gezien de maximale looptijd van vier jaar zijn de
kosten vanaf 1994 te berekenen op (maximaal) ƒ260 mln.
Wat betreft de eenmalige
subsidie is het TWVA-rapport uitgegaan van 10 000 toepassingen per jaar
en ƒ4000,- per vergoeding, zodat maximaal per jaar ƒ40 mln aan kosten
worden geraamd.
Zoals opgemerkt in de adviezen
van het ABP en het SPf dient ook voor deze instanties een
afzonderlijke budget te worden vastgesteld. Ervan uitgaande dat voor de overheidssector een vergelijkbaar bemiddelingsresultaat kan worden
bereikt als in de marktsector, zouden de kosten voor de
overheidspensioenorganen uitkomen op circa ƒ15 mln bij circa 3400 plaatsingen per jaar.
Vanaf 1994 bedragen deze kosten derhalve circa ƒ60 mln. Voorts is
uitgaande van deze veronderstellingen met de eenmalige subsidie voor de
overheidspensioenorganen een bedrag van circa ƒ10 mln gemoeid.
Overigens staan tegenover deze
kosten ook opbrengsten in de sfeer van Ioaw en
WW,
die na vier jaar circa ƒ200
mln bedragen en nadien geleidelijk verder oplopen. Vergelijkbare besparingen treden op bij de
ambtelijke werkloosheidsregelingen
(inclusief herplaatsingswachtgelden), welke tentatief kunnen worden
becijferd op circa ƒ45 mln.
De in zijn advies door de SVr
berekende kosten van ƒ550 mln die zouden ontstaan als in
alle gevallen een subsidie wordt verstrekt, moet als zuiver theoretisch worden beschouwd. In de doelstelling van
het kabinet is opgenomen dat,
gezien de huidige bemiddelingsresultaten, reïntegratie zonder
toepassing van het subsidie-instrument ook in de toekomst tot de mogelijkheden
moet behoren en dient te worden voorkomen dat in deze gevallen
een subsidie wordt verstrekt. Het ligt overigens in het voornemen om
het budget vooraf taakstellend ter beschikking te stellen aan de
genoemde organisaties. Bij de hoogte van dit taakstellende budget dient naar de mening van het kabinet met de
voorgaande overwegingen
rekening te worden gehouden.
In de beschrijving van het
subsidie-instrument in het SVr-advies wordt opgemerkt dat afhankelijk van
de bereikte resultaten in enig jaar aanpassing van het
taakstellende budget tot de mogelijkheden dient te behoren.
rblz.|68|
Naar onze mening verdient deze
optie niet de voorkeur. Bedoeling van de budgettering is immers op
voorhand de financiële kaders vast te leggen waarbinnen moet worden
geopereerd. Binnen die kaders heeft de GMD de nodige
manoeuvreerruimte. Er bestaat bijvoorbeeld geen verplichting tot het toekennen
van subsidies, noch is de GMD gehouden om bij toekenning uit te gaan
van het maximale bedrag.
Het voornemen tot verhoging
van het ziekengeld voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die
opnieuw in het arbeidsproces zijn ingetreden, heeft geen directe gevolgen gezien de praktijk van CAO-bepalingen
waarin werkgevers verplicht
zijn om een aanvulling op het ziekengeld te betalen. Waar deze
verplichting afwezig is, wordt in dit wetsvoorstel een averechtse werking voorkomen
door de verhoging van het ziekengeld te maximeren tot de door de
werkgever verplichte aanvulling. Overigens komt vanwege dit voornemen wel
een verschuiving tot stand van het bovenwettelijke naar het
wettelijke gedeelte van de ziekengeldlasten.
Eerder in deze memorie is
aangegeven dat in de huidige praktijk van een (te) late aanmelding van
gevallen bij de GMD een advies bij einde wachttijd ontbreekt, zodat een
voorlopige uitkering op basis van volledige
arbeidsongeschiktheid wordt toegekend. De schaarse ter beschikking staande informatie
indiceert dat in circa 25% van de gevallen toekenning van een voorlopige
uitkering aan de orde is en dat gemiddeld genomen circa drie maanden verlopen
vooraleer een definitieve uitkering volgt. Op basis hiervan zou
bij een tijdige GMD-advisering kunnen worden voorkomen dat voor een
bedrag van structureel ƒ15 à ƒ20 mln te veel aan
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt verstrekt. Bedacht moet evenwel worden dat in het
merendeel van de gevallen een werkloosheidsuitkering als
alternatief zal moeten worden toegekend. Per saldo zal de besparing ƒ5 à
ƒ10 mln kunnen bedragen.
Met het voornemen tot
introductie van een verplichte medische en arbeidskundige keuring voor
het overheidspersoneel, ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid
in het kader van de AAW, wordt beoogd te voorkomen dat gedurende de
periode voorafgaande aan de blijvendongeschiktverklaring door het overheidspensioenorgaan te veel c.q. te
hoge bedragen worden geclaimd
bij het AAf, omdat nog geen formele keuring heeft plaatsgevonden.
Bedoelde bedragen komen ten goede aan de overheidswerkgevers.
Daarnaast wordt beoogd door de invoering van een verplichte zesdemaandsmelding en begeleiding in het voortraject het aantal AAW-claims te
verminderen.
Voor de bepaling van de omvang
van het structurele besparingsbedrag is van belang dat in de
huidige situatie het aantal blijvendongeschiktverklaringen jaarlijks circa
10 000
bedraagt. Het aantal blijvendongeschiktverklaringen ligt daarmee circa 10 000 lager dan het aantal van
circa 20 000 gehonoreerde AAW-claims. Dit
verschil is niet alleen te verklaren uit het ontbreken van een
keuringsverplichting voor toekenning van een AAW-claim. Deze claim kan ook
zijn beëindigd alvorens de blijvendongeschiktverklaring heeft
kunnen plaatsvinden. Daarnaast is bij circa 3250 van genoemde 10 000
blijvendongeschiktverklaringen sprake van een herplaatsbaarheidsverklaring. Voor deze gevallen geldt dat op grond van de AAW alsdan sprake
blijkt te zijn van (gedeeltelijke) arbeidsgeschiktheid en veelal
aanleiding bestaat tot herziening van de AAW-claim. Deze twee factoren in
overweging nemend lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat met de
voorgenomen maatregel het aantal AAW-claims kan worden beperkt met 2000
uitkeringsjaren. Hiermee correspondeert een structurele besparing van circa
ƒ35 mln voor de AAW. Terzijde zij rblz.|69|
opgemerkt dat hier tegenover staat dat de overheidswerkgever een deel van de lasten van doorbetaling
bij ziekte niet langer kan claimen bij het AAf.
6. Gevolgen voor
vrouwen en deregulering
6.1. Gevolgen voor vrouwen
Op één onderdeel vindt een
wijziging plaats die in het bijzonder van belang is voor de positie van
vrouwen. De voorgestelde wijziging van artikel 44
ZW (artikel I,
onderdeel M [I,M]) impliceert dat een bedrijfsvereniging niet langer meer een
uitkering kan weigeren aan een vrouw die bij aanvang van de verzekering
zwanger was. Tijdens de behandeling in de Tweede
Kamer van het wetsvoorstel verlenging en
flexibilisering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof is gesteld dat het niet goed te verdedigen is dat enerzijds de
economische zelfstandigheid van vrouwen als uitgangspunt van beleid
wordt genomen, terwijl anderzijds de vrouw die via arbeid in loondienst
in haar eigen onderhoud wil voorzien, bij zwangerschap geen inkomen
heeft. Derhalve wordt thans voorgesteld de huidige regeling op dat punt
wijzigen.
Uitgangspunt is nu dat
zwangerschap bij aanvang van de verzekering voor de bedrijfsvereniging
geen weigeringsgrond meer kan zijn. Bij de evaluatie van de diverse in
dit voorstel van wet opgenomen maatregelen zal met name ook moeten worden
gekeken naar de gebruikersruimte van het geheel laten vervallen van
deze weigeringsgrond. Het is immers niet de bedoeling dat alleen met de
intentie om zwangerschaps- en bevallingsuitkering te verkrijgen
een dienstverband wordt aangegaan.
Alle overige voorgestelde
wijzigingen hebben niet specifiek gevolgen voor vrouwen.
6.2.
Dereguleringsaspecten
6.2.1. Inleiding
Een belangrijk aandachtspunt
bij het opstellen van nieuwe wetgeving is de vraag of de nieuwe
wetgeving past in een beleid dat gericht is op terughoudendheid met regelgeving. Zoals in de aanwijzingen inzake
terughoudendheid met
regelgeving (Besluit van de Minister-President van 5 november 1984, nr. 349931)
wordt opgemerkt, betekent het streven naar vermindering en
vereenvoudiging van regelgeving niet dat de wetgever pas op de plaats zou
moeten maken. Maatschappelijke ontwikkelingen brengen mee dat de
overheid wordt genoodzaakt te beoordelen of bestaand beleid en
bestaande regelgeving nog in voldoende mate is toegesneden op de eisen die
daaraan in steeds veranderende omstandigheden vanuit die samenleving
worden gesteld. Dit geldt in versterkte mate voor het terrein van de
sociale zekerheid. Het stelsel van sociale zekerheid is één van de
pijlers van onze sociale rechtsstaat. Het gaat daarbij immers om het
waarborgen van bestaanszekerheid en het bieden van gelijke ontplooiingskansen
voor iedereen.
In de afgelopen decennia is er
sprake geweest van een snelle uitbreiding van het socialezekerheidsstelsel. Dat is samengegaan met een toenemend beroep op de
socialezekerheidsregelingen. Op dit
moment zien we ons
geconfronteerd met een grote werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsproblematiek.
Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek is
reeds opgemerkt dat in het recente verleden het kabinet een aantal
maatregelen heeft getroffen. Deze hebben tot nu toe onvoldoende geresulteerd
in een stabilisering dan wel daling van het aantal mensen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en de kosten die dat met zich meebrengt. Het kabinet acht de huidige omvang van de
rblz.|70|
arbeidsongeschiktheidsproblematiek
sociaal en economisch onaanvaardbaar en heeft dan ook
gemeend nieuwe maatregelen te moeten treffen.
Ingrijpen door de overheid via
regelgeving acht het kabinet thans meer dan voldoende
gerechtvaardigd, gelet op de in deze toelichting weergegeven ontwikkelingen en
analyses van de arbeidsongeschiktheidproblematiek.
Bij de voorbereiding van de
voorliggende regelgeving is zorgvuldig nagegaan wat het karakter
daarvan zou dienen te zijn, gelet op de problematiek die moet worden aangepakt en de op dat vlak reeds
bestaande regelgeving. Het
kabinet is uitgekomen op een zorgvuldig samengesteld pakket
maatregelen. Dat pakket is enerzijds samengesteld uit nieuw gecreëerde
instrumenten en, anderzijds, aanpassing c.q. verbetering van bestaande
instrumenten. Nieuw is bijvoorbeeld het instrument van het BMS. Het systeem van
premiedifferentiatie in de ZW is in zoverre
nieuw dat hoewel het fenomeen
premiedifferentiatie als zodanig niet onbekend is en ook reeds door een enkele bedrijfsvereniging wordt
toegepast, er thans tot op een
zekere, welbewust gekozen hoogte wettelijke uitwerking aan wordt
gegeven. Wat het loonkostensubsidie-instrument betreft, kan worden
opgemerkt dat dit instrument ook als zodanig niet onbekend of nieuw
is voor werklozen. Wel nieuw is de introductie ervan in de AAW.
Daarmee wordt echter bereikt dat thans aan de GMD, het ABP en het Spf een
slagvaardig, doeltreffend en zelfstandig te hanteren reïntegratie-instrument wordt gegeven. Het betekent dan ook
ten opzichte van de huidige
situatie een verbetering, met name op het punt van de bestuurlijke verhoudingen. Immers, op dit moment kan de
GMD weliswaar gebruikmaken
van een loonkostensubsidie-instrument van de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie, doch hier botst het feitelijk gebruik door de GMD met de
formele beslissingsbevoegdheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie
(in casu de directeur van het arbeidsbureau).
De overige in hoofdstuk 2
besproken maatregelen betreffen de verbetering van in de arbeidsongeschiktheidsregelingen
reeds bestaande instrumenten. Ook de wijziging
van de Wagw
is bedoeld om de inzet van het door die wet geboden
instrumentarium slagvaardiger te maken.
6.2.2. Administratieve
lastenverzwaring bedrijfsleven
In het kader van deregulering
dient ook aandacht besteed te worden aan de uit voorgestelde
wetgeving voortvloeiende administratieve lasten voor het bedrijfsleven. In dat
verband is in dit voorstel van wet met name van belang de wijziging van de
Wagw. In artikel VII, onderdeel F [lees: artikel
VI, onderdeel F, red.] [VI,F], wordt artikel 10 van de
Wagw
gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat werkgevers, los van de vraag of
een quotum van toepassing is, een registratie moeten bijhouden
van de in dienst zijnde gehandicapte werknemers in de zin van de Wagw. Bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur zullen
nadere eisen aan die registratie gesteld worden. Het kabinet meent niet
te kunnen afzien van een dergelijke registratieplicht. Deze is
immers onontbeerlijk, niet alleen om eventueel tot inzet van het
quotuminstrument te komen, maar ook om de naleving van de Wagw
te kunnen
beoordelen en om nader beleid te kunnen voeren.
Om de administratieve lasten
voor het bedrijfsleven zo gering mogelijk te laten zijn, zal aansluiting
worden gezocht bij het streven via integratie van berichtenverkeer de informatiestromen van werkgevers naar de
socialeverzekeringsorganen te
vereenvoudigen.
rblz.|71|
Bij de uitvoering van de
voorliggende maatregelen zal zoveel mogelijk worden uitgegaan van al bij de
bedrijfsverenigingen aanwezige gegevens. De mogelijkheden
daartoe verbeteren nu de bedrijfsverenigingen met de totstandkoming
van de verzekerdenadministratie registraties met basisgegevens
kunnen inrichten waaraan de gevalsadministraties zijn gekoppeld.
Voorts richten de bedrijfsverenigingen hun administratie steeds meer
zodanig in dat de werkgevers zoveel mogelijk via één informatiestroom
gegevens kunnen aanleveren, waarna de bedrijfsvereniging zelf zorg
draagt voor de interne routing van de verschillende onderdelen van
die informatiestroom naar de verschillende deeladministraties.
De bestanddelen van zo'n
informatiestroom zijn de bekende berichtenstromen, zoals de melding
bedrijfsvereniging, de jaaropgave, de ziekmelding en de daarbij behorende loonopgave. Voor zover voor de
uitvoering van dit
wetsvoorstel nog nadere informatie van werkgevers aan de bedrijfsverenigingen
verstrekt moet worden, kan dat naar het oordeel van het kabinet via de
melding bedrijfsvereniging en de ziekmelding.
In zijn op 4 juli 1991
vastgestelde advies heeft de SVr aangegeven dat de opgave van gehandicapte
werknemers, als bedoeld met de wijziging van artikel 10 van
de Wagw, via de melding bedrijfsvereniging kan plaatsvinden en dat een
afzonderlijke berichtenstroom veel meer lasten voor werkgevers met
zich zal brengen. De SVr bevestigt het oordeel van het kabinet dat
voor het zoveel mogelijk uitgaan van de al bij de bedrijfsverenigingen
aanwezige gegevens de verzekerdenadministratie, zij het op termijn,
een ingang biedt. Het kabinet meent dat de extra belasting die voor
werkgevers voortvloeit uit het bepaalde bij of krachtens het voorgestelde
artikel 10 van de Wagw
niet opweegt tegen het belang van een adequate
uitvoering van de Wagw, te meer omdat door een zoveel mogelijk
geïntegreerde wijze van aanlevering van de benodigde gegevens deze extra
belasting zoveel mogelijk beperkt kan worden.
6.2.3. Terugtreden van de
overheid
Een belangrijk aspect van
deregulering is verder het streven naar vermindering van
overheidsbemoeienis en het effectueren van een zo duidelijk mogelijke afbakening
van taken en bevoegdheden. Ten aanzien hiervan kan opgemerkt worden
dat de in dit voorstel van wet opgenomen wijziging van de
ZW in verband
met de tussen overheid en sociale partners overeengekomen
herschikking van bevoegdheden goed past in dit streven. Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven, zijn de wijzigingen in de
ZW op dit punt
resultaat van een zorgvuldige afweging of op bepaalde punten
overheidsoptreden via regelgeving, op welk niveau dan ook, nog noodzakelijk is en of
de wel noodzakelijke regelgeving kan worden gedecentraliseerd.
6.2.4. Werkdruk bestuurlijk en
justitieel apparaat
Bij de uitwerking van de
concrete maatregelen in dit voorstel van wet is ook aandacht besteed aan de
consequenties voor de uitvoeringsorganen. Invoering van nieuwe maatregelen brengt echter
onvermijdelijk uitbreiding van werkzaamheden
met zich mee. Bestuurlijke c.q. uitvoeringslasten zullen dus
toenemen. Met name zij gewezen op de maatregelen van premiedifferentiatie
en het BMS. Deze vergen van de uitvoeringsorganen behoorlijke
inspanningen. Wat de premiedifferentiatie betreft, is aan bedrijfsverenigingen tot op grote hoogte de vrijheid
gegeven nadere invulling
daaraan te geven. Zodoende kan het premiedifferentiatiesysteem door elke
bedrijfsvereniging zoveel mogelijk rblz.|72|
afgestemd worden op de eigen premieheffingssystematiek. Ten aanzien van het BMS is het zo dat een
groot beroep wordt gedaan op de organen die belast zijn met de
uitvoering. Niettemin moet vermeld worden dat van de nu gekozen systematiek
ook volgens de SVr een zo goed mogelijke uitvoerbaarheid
verwacht mag worden. Bij de afweging om tot invoering over te gaan, is
nadrukkelijk acht geslagen op de uitvoeringslasten. Bij de vormgeving van
nieuwe maatregelen is zoveel mogelijk getracht aan te sluiten bij
bestaande werkprocessen. Procedureregels zoals goedkeuringen en
adviesverplichtingen, welke de bestuurlijke lasten onnodig vergroten, zijn
achterwege gelaten. Op een aantal punten worden bestaande advies- of
goedkeuringsprocedures geschrapt (bijvoorbeeld ten aanzien van
de verlenging van de toepassing van de artikelen 33 AAW
en 44 WAO opgenomen in
artikel III, onderdeel K [III,K], en artikel II, onderdeel
J [II,J]) of wordt de
goedkeuringsbevoegdheid voor zover die nog wel wenselijk is op een lager
niveau, veelal de SVr, gelegd.
Van de mogelijkheid nadere
regelgeving op grond van delegatie mogelijk te maken, is een
weloverwogen gebruik gemaakt. Met name is gebruikgemaakt van delegatie daar waar nadere regelgeving van dien
aard is dat deze niet goed in
de wet zelf is op te nemen zonder aan het uitgangspunt van een
duidelijke en bestendige wet afbreuk te doen. Voor zover nadere regelgeving bij
delegatie gewenst wordt geacht, is gekozen voor regelgeving bij algemene
maatregel van bestuur waar het gaat om onderwerpen waarbij
beleidsmatige vragen aan de orde zijn, bijvoorbeeld bij de nadere invulling van
het BMS en de loonkostensubsidieregeling.
Voor thans reeds bestaande
delegatiebepalingen in de ZW geldt dat op een behoorlijk aantal
punten de nadere regelgeving in het kader van de herschikking van bevoegdheden wordt opgedragen aan de
SVr, daar waar deze nu nog door de
minister geschiedt. Wat betreft de werkdruk van
het justitieel apparaat kan het kabinet er niet omheen dat enkele van de
in dit voorstel van wet opgenomen nieuwe maatregelen zouden
kunnen leiden tot nieuwe conflicten die aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Aan rechtsbescherming voor
belanghebbenden bij deze
nieuwe maatregelen valt echter niet te ontkomen. In ieder geval is
getracht onnodige conflicten te voorkomen door de regels zo duidelijk
mogelijk te stellen.
In dit kader is het ook goed
erop te wijzen dat het wetsvoorstel voorziet in beroepsrecht met
betrekking tot beslissingen inzake de fictieve uitvoering van de AAW. Ook dit kan leiden tot een verzwaring van de werkdruk van het
justitieel apparaat.
Voorts heeft normering van
bevoegdheden van uitvoeringsorganen plaatsgevonden voor zover dat
op het niveau van de wetgever in de desbetreffende aangelegenheid
past. Op enkele punten is mogelijke conflictstof verminderd. Per
saldo valt derhalve geen toename van de werkdruk te verwachten.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I
[I]
Onderdeel A
[A]
Zoals in
paragraaf 3.4 van het algemeen deel van de toelichting reeds is gesteld, is naar aanleiding
van het advies van de SVr, in artikel 15 van de
ZW de huidige dagloonsystematiek gehandhaafd. Wel is, gelet op de
nadruk waarmee de SVr één en
ander heeft bepleit, in het voorgestelde rblz.|73|
zesde lid geregeld dat de door
de SVr vast te stellen algemene en bijzondere dagloonregels en de
door de minister vast te stellen regels die zo nodig daarvoor in de plaats
komen, alsmede de bijzondere door de bedrijfsvereniging vast te
stellen dagloonbesluiten, bepalingen kunnen bevatten met betrekking tot de
wijziging van het dagloon tijdens de uitkering. Hierdoor wordt het mogelijk om regels te stellen die in een
tussentijdse dagloonherziening
voorzien. In dit verband gaat het, naast een herziening van het dagloon
in verband met wijzigingen in het loonpeil in het beroep van de
werknemer, om een dagloonherziening bij beëindiging van de
dienstbetrekking tijdens de uitkering, een herziening van het dagloon van zieke
werklozen in verband met mutaties in de WW-uitkering en een
dagloonherziening na afloop van een periode van ouderschapsverlof.
Een soortgelijke wijziging is
ook voorgesteld in artikel 45 van de WW
en 34 van de
IWS [Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid, red.]. Zie hiervoor
de nota van wijziging op het voorstel van wet houdende nadere wijziging van de Werkloosheidswet
(wijziging
enkele bepalingen inzake het
recht op uitkering) (Kamerstukken II, 21 608, nr. 7).
Voorts is van de gelegenheid
gebruik gemaakt om enige in artikel 15 ZW
voorkomende procedurele
regels met betrekking tot de openbaarmaking van de dagloonregels en
besluiten over te brengen naar een nieuw artikel 86 (zie
onderdeel X [X]), dat conform de aanbeveling van de SVr in zijn algemeenheid de
publicatie van op grond van de ZW getroffen besluiten regelt.
Onderdelen
B [B], C
[C], H
[-] en
J [I]
De in deze onderdelen
opgenomen wijzigingen houden verband met de herschikking van bevoegdheden.
Onderdeel D
[D]
Van de gelegenheid wordt
gebruik gemaakt om in dit voorstel van wet conform het advies van de SVr
van 15 januari 1987 (87/315) de maximeringsbepalingen ter zake
van de ziekengelduitkering te laten vervallen. De algemene
maximeringsbepaling, verwoord in de eerste volzin van het eerste lid van
artikel 29, kan worden geschrapt, omdat deze bepaling sinds de
inwerkingtreding op 1 mei 1985 van de Wet van 3 april 1985, Stb.
1985, 201 (verlaging
uitkeringspercentage ZW en premieheffing over uitkeringen bij ziekte), geen betekenis meer heeft. Voor die
tijd was het mogelijk dat door
verschillen in inhoudingen op het loon en op de ZW-uitkering de netto-ZW-uitkering hoger uitkwam dan het
nettoloon bij werken. De tot nu toe
in de tweede volzin van artikel 29, eerste lid, opgenomen
maximeringsbepaling ter zake van ziekengeld voor de zieke werkloze was bedoeld om
een verschil in netto-uitkering van zieke en niet-zieke werklozen te
voorkomen. Zodra de uitkeringspercentages in de ZW en de WW
gelijk zouden
zijn, zou ook deze maximeringsbepaling kunnen vervallen. Deze
situatie is op 1 januari 1986 bereikt.
Na de stelselherziening op 1
januari 1987 heeft de maximeringsbepaling ter zake van ziekengeld
voor zieke werklozen in feite weer betekenis gekregen voor de werklozen die ziek geworden zijn tijdens het
ontvangen van de
vervolguitkering WW en voor nawerkingsgevallen. Inmiddels is deze situatie
geregeld in artikel 12 van de Algemene
dagloonregelen Ziektewet.
In een enkel geval, namelijk
ten aanzien van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering van
vrijwillige verzekerden, kan maximering nog wel aan de orde zijn. De maximering van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering is opgenomen in het
twaalfde lid van artikel 29 ZW. Het kabinet
rblz.|74|
is het eens met het gestelde
in het advies van de SVr van 17 november 1988 betreffende de verlenging
en flexibilisering in verband met de zwangerschaps- en
bevallingsuitkering, dat het aanbeveling verdient voor die gevallen de maximering op
te nemen in de regels van de SVr inzake de vrijwillige
ziekengeldverzekering op grond van artikel 71, eerste lid,
ZW. Het huidige twaalfde lid
van artikel 29 ZW
kan daarmee komen te vervallen.
Via een wijziging van artikel
1638e, zevende lid, Burgerlijk
Wetboek (opgenomen in artikel X, onderdeel
A [X,A]) wordt
de mogelijkheid om wachtdagen overeen te komen weer in volle omvang hersteld. De wijziging onder
2 bewerkstelligt dat de wachtdagen
voor de bepaling van de maximale ZW-uitkeringstermijn van 52 weken
worden meegeteld. Hierdoor zal zowel voor degene voor wie geen als
degene voor wie wel wachtdagen gelden de maximale uitkeringstermijn op
hetzelfde moment worden bereikt.
Herstel van de mogelijkheid
voor toepassing van wachtdagen heeft primair een beperkend effect
op het niveau van de wettelijke lasten voor werkgevers in verband met kortdurend ziekteverzuim, aangezien deze bij
effectieve toepassing van
wachtdagen niet langer verplicht zijn op wachtdagen het wettelijk
minimumloon door te betalen. Het uiteindelijke effect van de maatregel op de
totale uitgaven (wettelijk en bovenwettelijk) in de sfeer van de ZW
is afhankelijk van de invulling die sociale partners gaan geven aan het
beleid ter beperking van het kortdurend ziekteverzuim.
Indien door sociale partners
zou worden overeengekomen dat één of meer wachtdagen voor rekening
van werknemers worden gebracht, leidt dit tot een direct uitgavenbeperkend effect in de sfeer van de
ZW, omdat
op deze dagen geen ziekengeld
wordt verstrekt. Voorts kan in dat geval een indirect verzuimbeperkend
effect worden voorzien vanwege de gunstige invloed van
effectuering van wachtdagen op het verzuimgedrag van werknemers. Bij handhaving
van de huidige bovenwettelijke uitkeringsvoorwaarden zal echter
waarschijnlijk materieel geen effect optreden op de totale uitgaven
in de sfeer van de ZW.
Voorgesteld wordt wachtdagen
waarover geen ZW-uitkering wordt verstrekt voortaan mee te
tellen voor de bepaling van de maximale uitkeringstermijn van 52 weken. In
de wettelijke sfeer van de ZW zou dit een uitgavenbeperking van circa ƒ10
mln betekenen. Indien na afloop van de maximale uitkeringstermijn in
de ZW een AAW/WAO-uitkering wordt toegekend, is hierbij overigens
slechts sprake van een lastenverschuiving.
De in dit onderdeel onder
3
en 4 opgenomen wijzigingen beogen de huidige bepalingen ter zake van
het bepalen van de aan de bevalling voorafgaande zes- en vierweekse
periode waarover ziekengeld wordt uitgekeerd te corrigeren.
Thans is in het achtste lid van artikel 29 geregeld dat het ziekengeld in
verband met de bevalling ingaat vanaf de eerste dag dat de bevalling
binnen zes weken is te verwachten of later, maar niet later dan vanaf de
eerste dag van de vierde week voorafgaand aan de vermoedelijke datum van
de bevalling. Deze redactie betekent dat de zeswekenperiode wordt
gerekend inclusief de vermoedelijke bevallingsdatum en de vierweekse periode exclusief deze datum. De
bedoeling is echter dat beide
perioden inclusief de vermoedelijke bevallingsdatum zijn. Ook de
huidige redactie op dit punt in het negende lid leidt ertoe dat strikt
genomen de in dat lid bedoelde periode zes weken plus één dag bestrijkt,
hetgeen niet de bedoeling is. De voorgestelde redactionele wijzigingen
beogen één en ander te corrigeren.
Ten aanzien van het huidige
negende lid is ook anderszins sprake van rblz.|75|
een niet-bedoelde situatie.
Uitgangspunt is een zwangerschaps- en bevallingsverlof van ten minste zestien weken. Op die zestien weken
worden onder meer in mindering
gebracht dagen waarop in de periode van zes weken onmiddellijk
voorafgaande aan de vermoedelijke bevallingsdatum met toepassing van
artikel 31 ziekengeld werd uitgekeerd. Letterlijk genomen houdt dat in dat dagen waarover als gevolg van toepassing van artikel 31
feitelijk geen ziekengeld werd uitbetaald, op genoemde periode niet in
mindering mogen worden gebracht. Een dergelijke situatie kan zich
voordoen als de vrouw in de periode van vier weken onmiddellijk
voorafgaande aan de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum blijft werken. Er
is dan weliswaar sprake van samenloop van loon en ziekengeld, maar omdat
het loon gelijk is aan het dagloon, wordt ingevolge artikel 31 geen
ziekengeld uitgekeerd. De voorgestelde wijziging op dat punt strekt ertoe dat dagen waarover artikel 31 is toegepast, ongeacht of het
ziekengeld gedeeltelijk of in het geheel niet tot uitbetaling komt, op de
periode van zestien weken in mindering worden gebracht.
Onderdeel E
[E]
Met de in dit onderdeel
opgenomen invoering van het voorgestelde nieuwe artikel
29a ZW wordt
één van de in het kader van de TWVA voorgestelde reïntegratiebevorderende maatregelen concreet uitgewerkt.
Dit nieuwe artikel voorziet in
een ophoging van het wettelijke ziekengeld voor heringetreden arbeidsongeschikten die wegens ziekte uitvallen. Op
de achtergrond van de regeling
is in het algemeen deel van deze toelichting ingegaan.
Recht op de verhoogde
uitkering heeft een verzekerde die aan de volgende drie voorwaarden
voldoet: a) in dienst treedt bij een werkgever; b) direct voorafgaande aan het
dienstverband recht op een gehele of gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO
en/of AAW
had of daar op het
moment van aangaan van de dienstbetrekking nog recht op heeft;
c) ziek wordt gedurende perioden die liggen in de drie jaar na aangaan van
de dienstbetrekking. Het recht op een verhoogde uitkering bij
hernieuwde uitval wegens ziekte beoogt de mogelijkheden voor langduriger
arbeidsongeschikten om terug te keren in het arbeidsproces via het
verrichten van geschikte arbeid in een nieuwe dienstbetrekking te
vergroten. De formulering van artikel 29a
is zodanig dat verhogingen
slechts kunnen worden toegepast voor na inwerkingtreding van deze
bepaling aangegane dienstbetrekkingen.
Zowel gedeeltelijk arbeidsongeschikten die recht hebben op een gedeeltelijke
WAO/AAW-uitkering
als volledig arbeidsongeschikten met een volledige WAO/AAW-uitkering
die in een nieuwe dienstbetrekking hervatten, komen in aanmerking
voor de regeling. Wat betreft de arbeidsongeschikten met een volledige
WAO/AAW-uitkering zal het in de praktijk met name gaan om de
personen van 35 jaar of ouder bij wie in de vastgestelde mate van
arbeidsongeschiktheid nog een deel werkloosheid is verdisconteerd. Het gaat
daarbij om 35+-ers die bij invoering van de stelselherziening op 1 januari
1987 een WAO/AAW-uitkering hadden. Ten aanzien van hen is in de
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1986, 94)
bepaald dat zij onder de vóór 1 januari 1987 geldende bepalingen van de
WAO/AAW blijven vallen.
In paragraaf 2.4 van de
algemene toelichting is reeds opgemerkt dat de regeling beoogt een door de
werkgever eventueel te lopen financieel risico over te nemen. Het overgrote deel van de werkgevers
(circa 97%) is
op grond van CAO's of
individuele arbeidsovereenkomst gehouden het ziekengeld tot 100% van het
loon aan te vullen. Er is derhalve uitgegaan van een ophoging tot 100% van
het dagloon van de verzekerde rblz.|76|
aangezien dit de meest
voorkomende situatie is. Om te voorkomen dat de verhoging van het
ziekengeld meer bedraagt dan het bedrag dat een werkgever op grond van een CAO
of de individuele arbeidsovereenkomst dient aan te vullen, is
bepaald dat de verhoging niet meer kan bedragen dan het bedrag dat de
werkgever zou moeten aanvullen. Heeft een werkgever geen
aanvullingsplicht, dan vindt ook geen ophoging van het ziekengeld plaats.
Het is niet de bedoeling dat
ook tot boven het maximumdagloon dat gelet op het bepaalde bij of
krachtens artikel 15 ZW
en de Coördinatiewet Sociale Verzekering
voor de ziekengelduitkering geldt, wordt opgehoogd. Vandaar dat de
verhoging is bepaald op maximaal 100% van het dagloon van de verzekerde.
In de gevallen dat het door de verzekerde genoten loon meer bedraagt dan
het maximumdagloon wordt dus niet het gehele financiële risico
van de werkgever dat voortvloeit uit de arbeidsrechtelijke
verplichting tot aanvulling, door de ophoging van het ziekengeld overgenomen.
Ten aanzien van de toepassing
in de praktijk kan voorts nog het volgende opgemerkt worden. Aan
toekenning van ziekengeld gaat altijd een ziekmelding vooraf. Het ligt voor de hand dat de werkgever bij de
ziekmelding via het
aangifteformulier aangeeft dat het een ziektegeval betreft waarop de voorgestelde
regeling van toepassing is. Dit is me name van belang indien het
gaat om een in dienst getreden gedeeltelijk arbeidsongeschikte die een
gedeeltelijke WAO/AAW-uitkering krijgt van een andere bedrijfsvereniging
dan waarbij de werkgever is aangesloten. De bedrijfsvereniging kan in
die gevallen namelijk (nog) niet uit de eigen administratie afleiden dat het
een persoon betreft die tot de doelgroep van de regeling behoort. Voorts
zal bij de ziekmelding moeten worden aangegeven of de werkgever
moet aanvullen tot 100% van het loon. Omdat dit in het overgrote
deel van de gevallen zo zal zijn, heeft de nu gekozen uitwerking als
voordeel dat de bedrijfsvereniging slechts in een klein aantal gevallen het
exacte bedrag van de aanvulling zal behoeven vast te stellen. De regeling
is op deze wijze goed uitvoerbaar.
Er kunnen gevallen zijn waarin
de verhoogde ZW-uitkering op grond van artikel
29a ZW samenloopt
met een op grond van artikel 57 ZW
uit te betalen hogere uitkering dan de 70%-uitkering (bovenwettelijke uitkeringen). In deze gevallen gaat
de verhoogde uitkering op grond van artikel 29a
voor. Artikel 57,
eerste lid spreekt immers van "hogere uitkeringen (...) dan deze wet
vaststelt".
Dat ophoging van de
ZW-uitkering vooralsnog mogelijk is voor ziekteperioden die gelegen zijn in
de drie jaar na inwerkingtreding van deze wet volgt uit artikel
XV [XVII],
waarin conform het kabinetsstandpunt over de voorstellen van de TWVA is
bepaald dat de maatregel in eerste instantie voor drie jaar zal gelden.
Hiermee is tevens de maximale duur van toepassing in het individuele
geval, namelijk drie jaar, geregeld. Op basis van onderzoek naar de
effectiviteit van de maatregel zal besloten worden of de regeling na drie jaar,
al dan niet gewijzigd, zal worden voortgezet.
Onderdeel F
[F]
Artikel 30
ZW is een zinvol en
goed bruikbaar instrument gebleken om werknemers die langduriger
ziek zijn weer geleidelijk aan terug te brengen in het arbeidsproces. Daarover is in het
algemeen deel van deze
toelichting reeds het één en
ander opgemerkt. Artikel 30 ZW
is reeds in de huidige praktijk een
volwaardig reïntegratie-instrument geworden, dat in zijn toepassing allengs een
ruimer bereik heeft gekregen dan alleen de gevallen waarin de zieke
werknemer passende arbeid krijgt opgedragen bij wijze van arbeidstherapie.
De voorgestelde tekstwijziging in het eerste rblz.|77|
lid beoogt de oorspronkelijk
meer therapeutische achtergrond van de bepaling weg te nemen. Het
kabinet wil met vernieuwing van het artikel duidelijk laten uitkomen dat
het erom gaat zieke werknemers zo spoedig mogelijk terug te brengen in
het arbeidsproces en daarmee langdurige arbeidsongeschiktheid te
voorkomen. De toepassing van artikel 30 ZW, zo blijkt ook uit de
toepassingspraktijk, is in eerste instantie gericht op de terugkeer naar het werk dat de
zieke werknemer verrichtte voordat hij ziek werd. Met toepassing van
artikel 30 ZW kan een zieke werknemer bijvoorbeeld geleidelijk aan
hervatten in het eigen werk, door te beginnen met een beperkt aantal uren en
stapje voor stapje het aantal uren uit te breiden. Het kan ter bevordering van de hervatting in eigen werk ook
aangewezen zijn dat in de
tussentijd ander, passend werk wordt verricht. Het kan ook zijn dat de
prognose is dat de werknemer niet meer het eigen werk zal kunnen
hervatten. In dat geval zal het gaan verrichten van passend werk in het belang van
terugkeer in het arbeidsproces kunnen zijn, zij het niet in het oude
werk, maar in een andere functie en eventueel bij een andere werkgever.
Toepassing van artikel 30 ZW
bij werkhervatting bij een andere werkgever zal in de praktijk met name plaatsvinden
in die gevallen waarin de
prognose zal zijn dat betrokkene niet meer bij de eigen werkgever zal kunnen
hervatten. Op grond van artikel 30 ZW
kan de bedrijfsvereniging dus
de betrokken werknemer, indien hij daartoe in staat is, opdragen passend
werk te doen, bij de eigen werkgever of bij een andere werkgever. De vraag
wat verstaan moet worden onder "passende arbeid" zal in elk
concreet geval aan de hand van de omstandigheden moeten worden beantwoord. In het geval de zieke werknemer
weer te zijner tijd in zijn
eigen werk zal kunnen hervatten, zal de invulling van het begrip passende arbeid
duidelijker in het teken staan van c.q. gericht zijn op de hervatting
in het eigen werk. Indien geoordeeld moet worden dat terugkeer in het
eigen werk niet meer tot de reële mogelijkheden behoort, zal bij de
beoordeling van wat passende arbeid is een bredere oriëntatie nodig
zijn. In zijn algemeenheid zal het daarbij wel moeten gaan om werk dat in redelijkheid aan de werknemer kan worden
opgedragen, waarbij gelet
wordt op arbeidsverleden, opleidingen, gezondheidstoestand.
Versterking van de
reïntegratiedoelstelling van artikel 30 ZW
brengt een verruiming van de
toepassingsmogelijkheden van het artikel bij werkhervatting in passende
arbeid bij een andere dan de eigen werkgever met zich mee.
Daartoe worden de beperkende
bepalingen van het huidige vierde lid geschrapt.
Naar aanleiding van het advies
van de SVr is gekozen voor de constructie dat in het eerste
lid van artikel 30 ZW
de mogelijkheid tot het opdragen van passend werk
is neergelegd.
Indien met toepassing van het
eerste lid van artikel 30 ZW
de werknemer opgedragen wordt
passende arbeid te verrichten, kan met toepassing van artikel 31
ZW,
eerste en tweede lid, tot verrekening van het met die passende arbeid
verdiende loon met ziekengelduitkering worden overgegaan.
Hervatting bij een andere
werkgever kan ertoe leiden dat een situatie ontstaat dat een werknemer
twee dienstbetrekkingen heeft zolang de dienstbetrekking bij de oorspronkelijke werkgever niet is geëindigd. De
ontslagbeschermingsbepalingen
uit het Burgerlijk
Wetboek bepalen immers dat een
arbeidsovereenkomst bij ziekte niet kan worden opgezegd, tenzij twee jaar na
intreden van ziekte/arbeidsongeschiktheid zijn verstreken. Het naast
elkaar bestaan van twee arbeidsovereenkomsten kan tot arbeidsrechtelijke complicaties leiden, bijvoorbeeld
indien de eigen werkgever
alsnog passende arbeid beschikbaar kan stellen of de werknemer weer
in staat is de eigen werkzaamheden bij de rblz.|78|
eigen werkgever te hervatten,
maar op grond van de arbeidsovereenkomst met de andere werkgever
ook de plicht heeft om daar de bedongen arbeid te verrichten,
of omdat de werknemer gebonden is aan een concurrentiebeding in de
arbeidsovereenkomst met de eigen werkgever. Mede in het licht
van de voorgestelde verruimde toepassing van artikel 30
ZW is het van
belang te komen tot een zeer zorgvuldige toepassing van dit artikel.
Voorop dient te staan het reïntegratiebelang van de werknemer: het
voorkomen van langdurige arbeidsongeschiktheid. Voorkomen moet
worden dat de werknemer die met behoud van de "eigen" dienstbetrekking passende arbeid in dienstbetrekking bij
een andere werkgever aanvaardt in de problemen raakt. Het is van groot belang dat er in die gevallen
onder begeleiding van de bedrijfsvereniging en de GMD zorgvuldige
afspraken tot stand komen tussen de eigen werkgever, de andere werkgever
en de werknemer.
In dit kader en met name met
het oog op de arbeidsrechtelijke complicaties voortvloeiend uit het
naast elkaar bestaan van arbeidsovereenkomsten heeft de SVr in zijn
advies aangegeven dat de mogelijkheden voor invoering van een systeem
van detachering onderzocht moet worden. Hiertoe kan worden
opgemerkt dat hervatting bij een andere werkgever in de vorm van een
proefplaatsing in de vorm van detachering of in de vorm van collegiale
uitlening - dat wil zeggen zonder winstoogmerk - de genoemde bezwaren
van arbeidsrechtelijke aard slechts gedeeltelijk kunnen
ondervangen. Ook bij detachering blijven er twee arbeidsovereenkomsten naast
elkaar bestaan en dienen er goede afspraken gemaakt te worden.
Het reïntegratiebelang van de betrokken werknemer zal daarbij centraal
moeten staan. Artikel 30 ZW
is bedoeld als reïntegratie-instrument
om werknemers die langdurig ziek zijn weer geleidelijk terug te brengen
in het arbeidsproces. Het niet meewerken aan werkhervatting in passende
arbeid heeft financiële consequenties. Dit dient gezien te worden als
een stimulans voor de werknemer om weer aan het werk te gaan en
voor de werkgever om de werknemer in de gelegenheid te stellen
passende arbeid te verrichten. Uitgangspunt dient echter te zijn de
reïntegratie van de werknemer. Voorkomen moet worden dat de werknemer
hierbij in de arbeidsrechtelijke problemen raakt.
Voor de werknemer en de
werkgever moet het duidelijk zijn dat het zonder deugdelijke grond niet
meewerken aan werkhervatting in passende arbeid financiële consequenties heeft.
Het tweede en derde lid, waarin
de mogelijkheid is opgenomen
om zonder deugdelijke grond niet meewerkende werknemers en
werkgevers te confronteren met een sanctie, zijn in dat verband
imperatief van karakter gemaakt. Het belang dat gehecht moet worden aan
optimale benutting van mogelijkheden tot reïntegratie van zieke
werknemers brengt mee dat wanneer er sprake is van reële mogelijkheden tot
werkhervatting in passend werk, een weigering van de kant van de
werknemer of de werkgever om mee te werken niet zonder consequenties kan blijven. Wanneer een werkgever of werknemer weet dat een
weigerachtige houding kosten met zich meebrengt, zal dit de
werkgever over de drempel trekken om de werknemer te laten hervatten
respectievelijk voor de werknemer een stimulans zijn om weer aan het
werk te gaan.
De formulering "dan wel zou
hebben verricht indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden"
in het derde lid van artikel 30 ZW
ziet op de situatie dat een werknemer arbeidsongeschikt is geworden voordat hij
voor de werkgever arbeid heeft
kunnen verrichten.
In het zevende lid was tot nu
toe bepaald dat de rechter de wijze waarop de bedrijfsvereniging gebruikmaakte van de bevoegdheid ten aanzien van weigerachtige werknemers en werkgevers sancties op te
rblz.|79|
leggen, kon toetsen op
redelijkheid. Aangezien de bevoegdheid voor de bedrijfsvereniging is
vervangen door een verplichting heeft het kabinet gemeend deze bepaling te
kunnen laten vervallen, waardoor een beslissing van de
bedrijfsvereniging op dit punt in een beroepsprocedure volledig aan de wettelijke
bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur getoetst
kan worden.
Onderdeel G
[G]
Het
vierde en vijfde lid van artikel 31 ZW
regelen de anticumulatie van ziekengeld met
ouderdomspensioen. De voorgestelde vereenvoudiging van deze leden vloeit voort
uit het feit dat enerzijds de anticumulatieregeling van ziekengeld met
ouderdomspensioen een zeer beperkte strekking heeft gekregen,
omdat sedert 1 januari 1980 ziekengelduitkering aan personen van 65
jaar of ouder niet meer mogelijk is en op grond van het tweede lid van
artikel 29 geen ziekengelduitkering wordt verstrekt op en na de eerste
dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt.
Anderzijds vloeit dit voorstel voort uit het feit dat tot nu toe de
minister van
zijn regelgevende bevoegdheid op grond van het vijfde lid geen gebruik
heeft gemaakt. Overigens blijft de mogelijkheid tot anticumulatie
bestaan voor die gevallen waarin naast ziekengeld een
pensioenuitkering wordt ontvangen. Mochten alsnog regels omtrent
ouderdomspensioenen nodig zijn, dan kunnen deze op grond van het onder 1
voorgestelde nieuwe vierde lid eventueel door de SVr gesteld worden. De
mogelijkheid tot het treffen van afwijkende regels, thans opgenomen in het
zesde lid, wordt geschrapt. Er hebben zich in het verleden geen
situaties voorgedaan die een afwijking van de wet rechtvaardigen. Thans
worden die ook niet voorzien. Het ligt dan niet in de rede een afwijkingsmogelijkheid te handhaven.
Onderdelen
I [J], O
[N], R
[Q] en
W [V]
In een aantal artikelen van de
ZW, met name die artikelen die ook om andere redenen wijziging
behoeven, is overeenkomstig het advies van de SVr consequent de term "bedrijfsvereniging" gebruikt in plaats van de
termen "het bestuur van een
bedrijfsvereniging" en "de afdelingskas". Dit is geschied op grond van
de overweging dat het bestuur van een bedrijfsvereniging en een
afdelingskas onderdeel uitmaken van de bedrijfsvereniging. De
bedrijfsvereniging is immers bevoegd het bestuur en een afdelingskas te
machtigen namens haar bepaalde beslissingen te nemen. Op sommige plaatsen is
het gebruik van de term "de afdelingskas" echter
gehandhaafd.
Zo kan in artikel 63 van de
ZW dit begrip niet worden gemist, omdat de aldaar neergelegde
verplichting tot het vormen van een reserve niet geldt voor middelen die zijn
opgebracht door werkgevers aan wier onderneming een afdelingskas is
verbonden. Ook in artikel 80 van de ZW
is de term "afdelingskas"
gehandhaafd. Schrappen van deze term in dat artikel zou namelijk tot
gevolg hebben dat het zich ziek melden bij twee - onder dezelfde
bedrijfsvereniging ressorterende - afdelingskassen met het oogmerk om meer ziekengeld
te verkrijgen dan waarop in totaal op grond van de ZW recht bestaat,
niet onder de delictsomschrijving van het in dat artikel genoemde misdrijf zou vallen.
Onderdelen K
[J] en
L [K]
De in deze onderdelen
opgenomen wijzigingen houden verband met de herschikking van bevoegdheden.
In onderdeel K
[J]
wordt een nieuw
artikel 40 ZW voorgesteld, waarbij de huidige
artikelen 40 en 41
worden samengevoegd. Voorts is de regeling rblz.|80|
van de uitbetaling van ziekengeld aan derden globaler van inhoud
geworden. Het eerste lid
draagt de SVr op regels te stellen op grond waarvan de
bedrijfsverenigingen bevoegd zijn de ZW-uitkering zonder machtiging van de
uitkeringsgerechtigden aan derden te betalen. De thans in de wet expliciet
genoemde gevallen (geestelijke gestoordheid, opname in een inrichting voor
geesteszieken en zwakzinnigen en verschuldigdheid van eigen
bijdrage AWBZ) zullen in de SVr-regels worden opgenomen. Van zijn
thans bestaande bevoegdheid om specifieke gevallen, andere dan de
genoemde, aan te wijzen, heeft de minister tot op heden geen gebruik
gemaakt. Het is in de toekomst aan de SVr te bepalen of er reden is meer en
specifieke gevallen aan te wijzen waarin uitbetaling aan derden
mogelijk wordt. Het voorgestelde tweede lid van artikel 40 is, afgezien van
enkele redactionele aanpassingen, gelijk aan het huidige artikel 41
ZW.
Onderdeel M
[L]
Met de onder
1 voorgestelde
vervanging van onderdeel a en b van het eerste lid van artikel 44
wordt bereikt dat ongeschiktheid tot werken wegens zwangerschap of
bevalling die bestond op het moment dat de
verzekering een aanvang nam of
korte tijd daarna intrad, geen grond meer is om ziekengeld te
weigeren. In zijn advies merkt de SVr op dat het schrappen van deze
weigeringsbevoegdheid, die deze Raad overigens onderschrijft, ook
gevolgen kan hebben voor de vrijwillige verzekering. De SVr onderzoekt
thans in hoeverre ten aanzien van de vrijwillige verzekering
eenzelfde handelwijze kan gelden als bij de verplichte verzekering, dan
wel in hoeverre afwijkende bepalingen voor de vrijwillige verzekering
nodig zijn. Voorts wordt via een nieuw voorgesteld onderdeel b het niet
voldoen aan de spontane inlichtingenverplichting van artikel 49 thans
ook een grond voor gehele of gedeeltelijke weigering van ziekengeld. Door
de uitvoeringsorganen wordt het met het oog op een effectieve
bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik als een gemis ervaren dat de
huidige ZW een dergelijke mogelijkheid niet kent. Een overeenkomstige
bepaling wordt in artikel 28 WAO en artikel 19
AAW
opgenomen (zie artikel
II, onderdeel D [II,D], en artikel III, onderdeel
E [III,E], van dit
wetsvoorstel). Daarmee
wordt op dit punt een volledige harmonisatie met de overige socialeverzekeringswetten bereikt.
De wijziging onder
2
voorziet in overdracht van de nadere regelgevende bevoegdheden van de minister aan de SVr.
Onderdeel O
[N]
Door het overdragen van de
goedkeuringsbevoegdheid van het ziekengeldreglement van de minister
aan de SVr wordt aangesloten bij de procedure rond het uitkeringsreglement
werkloosheidsverzekering [zie ook Uitkeringsreglement
WW 1997, red.],
waarbij ook de
goedkeuringsbevoegdheid is voorbehouden aan de SVr.
Het voorgestelde tweede lid
dient ook in het kader van gelijke terminologie en procedures beschouwd
te worden. Verwezen wordt in dit kader naar artikel
101, derde lid, van de WW, waarin - in negatieve zin - is
geregeld waaraan de bepalingen
van het uitkeringsreglement dienen te voldoen.
Reeds bestaande
ziekengeldreglementen die conform de op dat moment bestaande wettelijke
bepalingen zijn goedgekeurd, behoeven na inwerkingtreding van de wijziging van
artikel 54 niet opnieuw, nu door de
SVr, te worden goedgekeurd.
Nieuwe ziekengeldreglementen of wijzigingen van bestaande
reglementen na inwerkingtreding van de wijziging van artikel 54 dienen
uiteraard wel door de SVr te worden goedgekeurd.
rblz.|81|
Onderdeel P
[O]
In dit onderdeel wordt
voorgesteld het aanwijzen van een tot beslissen bevoegde bedrijfsvereniging
ten aanzien van werknemers die weliswaar werkloos zijn, maar op grond
van enige bepaling uit de WW geen werkloosheidsuitkering
wordt verstrekt, niet langer te laten geschieden door de minister,
maar door de SVr. Vanuit praktische overwegingen en uit een
oogpunt van coördinatie is op advies van de SVr ook in artikel
66, tweede
lid, van de WAO de overeenkomstige bevoegdheid aan de SVr
overgedragen. Verwezen zij naar artikel II, onderdeel
N [II,N], van dit voorstel
van wet.
Onderdeel Q
[P]
In dit
onderdeel wordt de
huidige regeling van artikel 60 ZW
inzake de premievaststelling voor de ZW aangepast aan de invoering van het premiedifferentiatiesysteem.
Het premiedifferentiatiesysteem is al in het algemeen deel van deze
toelichting uitvoerig toegelicht.
In het voorgestelde nieuwe
eerste en tweede lid van artikel 60 ZW
staat de verplichting voor
bedrijfsverenigingen om een ziekteverzuimcijfer en een premie vast te
stellen voor de gehele groep of de verschillende groepen van bij haar
aangesloten werkgevers. Het ziekteverzuimcijfer en de premie kan voor
verschillende groepen van werkgevers van een bedrijfsvereniging
verschillend zijn, waardoor bedrijfsverenigingen net als in de huidige situatie
kunnen werken met risicogroepen. Een groep van werkgevers zoals
bedoeld in het voorgestelde eerste lid kan ook bestaan uit alle bij een
bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers.
De basis van de differentiatie
in de premie is het voor elke werkgever vast te stellen
ziekteverzuimcijfer, afgezet tegen het gemiddelde van de groep werkgevers waartoe
hij
voor de premieheffing behoort. Zoals in het algemeen deel van de
toelichting is opgemerkt, is ervoor gekozen in principe uit te gaan van
ziekteverzuim gedefinieerd op basis van uitkeringsdagen, afgezet tegen de
verzekerde dagen. Aangezien dit de nodige aanpassingen in de
registraties van de bedrijfsverenigingen vergt, kan voor de aanvangsperiode
uitgegaan worden van ziekteverzuim gedefinieerd op basis van verloonde
bedragen, afgezet tegen uitgekeerd ziekengeld. Dit kan in de
regelen van de SVr op grond van het voorgestelde nieuwe twaalfde lid van
artikel 60 ZW worden opgenomen. Het voorgestelde derde lid van
artikel 60 bepaalt dat de bedrijfsvereniging een afwijkende premie
vaststelt voor die werkgevers die een hoger of lager ziekteverzuim kennen dan
het voor de groep werkgevers waartoe zij behoren vastgestelde ziekteverzuim. Dit lid bevat dus de eigenlijke plicht
tot differentiatie. Voorts
biedt dit lid de mogelijkheid rekening te houden met de positie van kleine
werkgevers. De bedrijfsvereniging kan kleine werkgevers voor de bepaling
van hun individuele ziekteverzuim "poolen". Daartoe kan op basis van het
individuele ziekteverzuim van alle tot die groep behorende werkgevers een
voor die groep gemiddeld ziekteverzuim worden vastgesteld. In
plaats van hun eigen individuele verzuimcijfer wordt voor de vraag of een hogere of lagere premie verschuldigd
is, voor deze werkgevers dit
groepsgemiddelde afgezet tegen het verzuimcijfer dat op basis van
het eerste lid is vastgesteld voor de (risico)groep waartoe de
werkgever voor de premievaststelling normaal behoort. Op deze wijze wordt
voorkomen dat bij kleine werkgevers min of meer toevallige fluctuaties
in het ziekteverzuim onevenredig zwaar doorwerken bij de
premiedifferentiatie. Als kleine werkgever wordt in het derde lid aangemerkt de
werkgever die in een kalenderjaar in totaal ten hoogste vijfmaal het
gemiddelde loon per werknemer aan de in zijn dienst zijnde werknemers heeft
betaald. De gemiddelde loonsom per rblz.|82|
werknemer is de op grond van
het nieuwe tiende lid door de bedrijfsvereniging vast te stellen
gemiddelde loonsom per werknemer van de groep werkgevers waartoe de werkgever ter zake van de premieheffing
behoort. Dit criterium is voor
de bedrijfsverenigingen beter te hanteren dan het aanvankelijk voorziene
criterium op basis van het aantal in dienst zijnde werknemers. Bovendien
worden effecten van fluctuaties in het werknemersbestand van
werkgevers door een criterium op basis van loonsom enigszins
gecorrigeerd. Voorts wordt voorkomen dat een werkgever met vijf fulltimers in
dienst wel, waar een werkgever met tien halftimers in dienst, doch
die dezelfde loonsom heeft, geen kleine werkgever is.
Zoals in het
algemeen deel van
de toelichting is opgemerkt, is niet in de wet bepaald bij welke
afwijking van het gemiddelde ziekteverzuim een afwijkende premie gaat gelden.
De bedrijfsverenigingen moeten dat verder inhoud geven. Daarbij
zij wel uitdrukkelijk opgemerkt dat er wel een stimulans van het systeem
moet kunnen uitgaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat het niet voor
de hand ligt dat de marges zo klein worden vastgesteld dat zeer minieme
afwijkingen al tot verhoging of verlaging leiden.
Omgekeerd geldt dat de marges
ook weer niet zo groot moeten zijn dat slechts zeer weinig
werkgevers een verhoogde of verlaagde premie moeten betalen en dus vrijwel
alle werkgevers de gemiddelde premie betalen. De wet laat de ruimte
om een voor alle bij de bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers
geldende afwijkingsmarge te bepalen, maar ook om bijvoorbeeld voor
verschillende risicogroepen verschillende marges te hanteren. Ook de hoogte van
de verhoging of verlaging van de gemiddelde premie is niet in de wet
geregeld. De regeling biedt de ruimte om bijvoorbeeld voor alle
aangesloten werkgevers dezelfde verhoging of verlaging vast te stellen of
om ook weer per risicogroep de verhogingen en verlagingen te bepalen.
Denkbaar is ook om de verhoging of verlaging te variëren al naargelang
een werkgever met zijn ziekteverzuimcijfer meer of minder afwijkt van het
gemiddelde (hoe groter de afwijking, hoe meer korting of opslag op de
premie).
Over de doorwerking van de
premiedifferentiatie in het werknemersdeel van de premie is op 4
december 1990 advies aan de SER gevraagd. Op 15 maart 1991
heeft de SER een sterk verdeeld advies vastgesteld. Het kabinet heeft
thans gekozen om doorwerking van de premiedifferentiatie naar het
werknemersdeel mogelijk te maken. Dit vanuit de ook in de
SER-adviesaanvrage weergegeven overweging dat ook het collectief van
werknemers in de ondernemingen medeverantwoordelijkheid draagt en
medeaansprakelijk geacht mag worden voor de
ontwikkeling van het verzuim.
Er is in het voorgestelde nieuwe zevende lid van artikel 60
ZW voorzien
in een bevoegdheid van de bedrijfsverenigingen om die doorwerking,
zowel in positieve als negatieve zin, te realiseren. Werkgevers en
werknemers in de bedrijfstakken kunnen daardoor zelf kiezen of zij doorwerking
willen. Wel heeft het kabinet gemeend een grens te moeten stellen aan
die doorwerking. Deze grens is bepaald op maximaal de helft van het verschil tussen de door de werkgever op basis
van zijn verzuim vastgestelde
hogere of lagere premie en de voor de (risico)groep waartoe die
werkgever behoort vastgestelde premie. Stel dat voor de (risico)groep
waartoe de werkgever behoort een premiepercentage van 2% wordt
vastgesteld. Stel dat het verzuim van de werkgever ertoe leidt dat
dat premiepercentage met 0,5% wordt verhoogd. Dan mag het deel dat
op het loon van de werkgever wordt ingehouden, verhoogd worden met
0,25%. Op het loon mag dus 1,25% in plaats van de maximale 1%
worden ingehouden.
rblz.|83|
Een verhoging van het
werknemersdeel van de premie op grond van de premiedifferentiatie laat
onverlet de reeds bestaande mogelijkheid om in verband met bovenwettelijke
uitkeringen eveneens het deel dat op het loon kan worden ingehouden te
verhogen met toepassing van het zesde lid van artikel 60
ZW.
Naar aanleiding van het advies
van de Raad van State is in het nieuwe negende lid bepaald dat bij de
vaststelling van de ziekteverzuimcijfers ziekteverzuim als gevolg van zwangerschap en bevalling in ieder geval
buiten beschouwing blijven.
Het nieuwe tiende lid bepaalt
dat de bedrijfsvereniging van de groepen van bij haar
aangesloten werkgevers de gemiddelde loonsom per werknemer vaststelt om uitvoering te kunnen geven aan de in de
derde lid geregelde "pooling" van kleine werkgevers.
Het nieuwe elfde lid bepaalt
dat bedrijfsverenigingen aan de Arbeidsinspectie mededeling doet van
alle werkgevers met een hoog ziekteverzuim en die op basis
daarvan een hogere premie opgelegd krijgen. De Arbeidsinspectie wordt op deze
wijze in staat gesteld gericht aandacht te besteden aan bedrijven met een
hoog ziekteverzuim. Zoals in paragraaf 2.2.2 van het algemeen deel van de
toelichting is vermeld, past dit binnen een meer geïntegreerde aanpak van
verzuim- en arbeidsongeschiktheidsproblemen door organen, diensten
en instellingen op het terrein van de arbeidsomstandigheden en
sociale zekerheid. De gegevens die bedrijfsverenigingen dienen te
verstrekken, kunnen beperkt blijven. Behalve naam en adres zullen daartoe ook
gegevens omtrent de risicogroep waartoe de werkgever behoort, de
premiehoogte of premieklasse en eventueel de hoogte van de verzekerde
loonsom van de werkgever (als benadering van de bedrijfsgrootte) kunnen
behoren. Eén en ander zal in door de SVr op grond van het nieuwe twaalfde
lid te stellen regels opgenomen kunnen worden.
Mede naar aanleiding van het
advies van de SVr en de Raad van State is voorzien in een expliciete
beroepsmogelijkheid voor de werkgever tegen een beslissing van de bedrijfsvereniging ter zake van premiedifferentiatie. In het nieuwe derde
lid van artikel 60 is bepaald dat de bedrijfsvereniging de werkgever
schriftelijk in kennis stelt van een beslissing op grond van het derde lid. Tegen
de aldus schriftelijk meegedeelde beslissing kan de werkgever op
grond van het gewijzigde artikel 73a
(verwezen zij naar onderdeel V [U]) beroep instellen bij de raad van beroep en, in hoger beroep, de
Centrale Raad van Beroep.
Onderdeel T
[S]
Artikel 70 komt te vervallen
aangezien de maximeringsbepalingen van artikel 29 zijn komen te
vervallen.
Nu de maximering van het nettoziekengeld geheel uit de
ZW verdwijnt, is een uitzondering
op deze maximering voor de krachtens artikel 64, derde lid, vrijwillig
verzekerden (bijvoorbeeld zelfstandigen) niet meer nodig. Voor de groep
vrijwillig verzekerden met een zwangerschaps- of
bevallingsuitkering dient wel een nettomaximering te worden geregeld. Zie hiervoor de
toelichting op het nieuwe eerste lid van artikel 29
ZW (onderdeel
D [D]).
rblz.|84|
Onderdelen U
[T] en
V [U]
Het voorgestelde in deze
onderdelen houdt verband met de voorgestelde wijziging van het
huidige artikel 40, tweede lid.
Beslissingen op grond van het
huidige tweede lid van artikel 40 (uitbetaling aan de
Ziekenfondsraad van het deel van de ziekengelduitkering dat overeenkomt met de
eigen bijdrage op grond van de AWBZ) zijn thans in de
artikelen 73
en 73a uitdrukkelijk uitgezonderd van beroepsrecht. Door de
wijziging van artikel 40 worden deze beslissingen niet langer expliciet genoemd,
zodat ook de uitzondering in de genoemde artikelen moet komen te
vervallen. Daarmee worden deze beslissingen wel voor beroep vatbaar.
Daartegen hoeft geen bezwaar te bestaan, aangezien met de komende
veranderingen in de beroepsregelingen in verband met de Algemene
wet bestuursrecht toch voorzien zal worden
in bezwaar en beroep tegen
alle beslissingen op grond van de socialeverzekeringswetten.
Voorts wordt in
artikel 73a expliciet de schriftelijke kennisgeving van een beslissing op grond van
artikel 60, derde lid (premiedifferentiatie), genoemd als beslissing waartegen voor de werkgever beroep openstaat.
Onderdeel
X [W]
Met de in dit onderdeel
voorgestelde vervanging van artikel 86 komt de algemene bevoegdheid voor
de minister om te regelen hetgeen nog ter uitvoering van de
ZW nodig is te vervallen. Niet alleen is tot nu toe
geen gebruik gemaakt van deze
bevoegdheid, ook vanuit dereguleringsoogpunt is een dergelijke
bepaling minder gewenst. Op grond van dereguleringsoverwegingen
verdient het immers de voorkeur gedelegeerde regelgevende
bevoegdheden op te nemen bij de wettelijke regeling van de onderwerpen
zelf en in die gevallen waarin dat op goede gronden en zoveel mogelijk in
nader aan te geven specifieke situaties aangewezen kan zijn.
In het nieuw voorgestelde
artikel 86 wordt een algemene publicatiebepaling ingevoerd op grond
waarvan alle ministeriële regels en besluiten van de SVr en de bedrijfsverenigingen op grond van de
ZW gepubliceerd
moeten worden in de Staatscourant.
Artikel II
[II]
Onderdelen
A, onder 1 [A1], B
[B] en
E [E]
De hier voorgestelde
wijzigingen van de WAO houden verband met de in
artikel I, onderdeel D
[I,D],
onder 2, voorgestelde wijziging van het zesde lid van artikel 29
ZW. De in
de huidige tekst van de artikelen 19, derde lid,
20 en 37, eerste lid, van
de WAO opgenomen bepalingen in samenhang met de op grond van
artikel 20 WAO getroffen ministeriële regeling beoogden onder meer
te voorkomen dat tijdens de laatste dagen van de uitkeringsperiode
ingevolge de ZW toekenning of herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO zou plaatsvinden. Nu door de
wijziging van artikel 29, zesde lid (nieuw), van de
ZW deze mogelijkheid
van samenloop van aanspraken geminimaliseerd is, ontbreekt de noodzaak
deze bepalingen in de WAO te handhaven dan wel in de
huidige vorm te laten bestaan. Voor de gevallen waarin na de
wetswijziging samenloop van ziekengeld en arbeidsongeschiktheidsuitkering
tot een ongewenste situatie zou kunnen leiden, kan zulks voorkomen
worden door een regeling te treffen op basis van artikel
32, vierde lid, ZW. Deze oplossing acht het kabinet meer in de
rblz.|85|
rede liggen dan het voorstel
van de SVr om de mogelijkheid in de WAO op te nemen bij algemene
maatregel van bestuur regels te stellen. Het gaat om specifieke
uitvoeringsproblemen die per bedrijfsvereniging kunnen verschillen en welke
zich moeilijk algemeen laten regelen. Momenteel kan de minister
op
basis van dit artikellid regelen treffen inzake samenloop van
ziekengeld met een AAW/WAO-uitkering. Dit is ook gebeurd bij Beschikking
van 30 september 1976, Stcrt. 1976, 191, laatstelijk gewijzigd bij
Beschikking van 23 december 1986, Stcrt. 1986, 250. In dit voorstel van
wet wordt in artikel I, onderdeel H
[-], voorgesteld deze regelen inzake
samenloop te laten treffen door de SVr.
Door de wijziging in artikel
37, eerste lid, van de WAO, voorgesteld in
onderdeel E [E], is de verwijzing
in het tweede lid van dat artikel naar artikel
19, zesde lid, van de WAO
overbodig geworden.
Hetgeen hier ten aanzien van
de WAO is gesteld, geldt in gelijke mate voor de AAW (artikelen 6,
vijfde lid, 7 en 27, eerste lid, AAW). De overeenkomstige wijzigingen in
de AAW zijn opgenomen in artikel III,
onderdeel
A [III,A], onder 1, B
[B]
en F [F], van dit voorstel van wet.
Onderdeel
A, onder 2 [A2]
In artikel
19, zesde lid,
wordt artikel 30 ZW
toegevoegd, omdat ook in het geval op grond van artikel
30 ZW een ziekengelduitkering niet tot uitbetaling komt, deze periode
wel mee moet tellen voor de wachttijd van 52 weken voor de WAO/AAW.
De overeenkomstige wijziging
van het met artikel 19, zesde lid, WAO
corresponderende artikel 6,
achtste lid, van de AAW
is opgenomen in artikel III, onderdeel A
[III,A], onder 2, van
dit voorstel van wet.
Onderdeel C
[C]
De hier
voorgestelde wijziging
vloeit voort uit de voorgestelde wijziging van artikel
37, tweede lid, ZW. Artikel 26
WAO is, evenals artikel 17
AAW, identiek aan
artikel 37,
tweede lid, ZW. De beschikking inzake de vergoeding van reis- en
verblijfkosten en tijdverlies van 16 september 1976, Stcrt. 1976, 192 ,
laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 13 september 1989, Stcrt. 1989,
185, steunt op de drie genoemde artikelen. Met betrekking tot
artikel 37, tweede lid, ZW wordt voorgesteld om in het kader van de
herschikking van bevoegdheden de bevoegdheid tot regelgeving over te dragen
aan de SVr. Vanuit praktische overwegingen alsmede uit een oogpunt van
coördinatie wordt thans voorgesteld ook in de WAO
en in de AAW
de
bevoegdheid tot nadere regelgeving ter zake aan de SVr te geven.
De overeenkomstige wijziging van artikel 17 AAW
is opgenomen in artikel
III, onderdeel D [III,D], van dit voorstel van wet.
Onderdeel D
[D]
Artikel
28, onderdeel
d, wordt
uitgebreid met een verwijzing naar artikel 80 (de
inlichtingenbepaling). Hierdoor wordt het voor de bedrijfsverenigingen
mogelijk om een uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren indien een verzekerde
of uitkeringsgerechtigde niet aan zijn plicht tot het verstrekken van
inlichtingen voldoet, Met name uit het oogpunt van een effectieve
fraudebestrijding bestaat hieraan behoefte. Verwezen zij naar de
toelichting op onderdeel M van artikel I [I,L]
van dit voorstel van
wet. In artikel
19, onderdeel d, van de AAW is een aan
artikel 28, onderdeel
d, van de WAO identieke bepaling opgenomen (zie
artikel III, onderdeel E [III,E]).
rblz.|86|
Onderdelen
F [F] en L
[L]
In de
artikelen 39, derde lid,
en 45, derde lid, van de WAO
komt een verwijzing voor naar het
"opstapje", bedoeld in artikel 44a
van de WAO. Nu in onderdeel K
[K]
wordt
voorgesteld artikel 44a te laten vervallen, is de verwijzing daarnaar in de
artikelen 39 en 45 overbodig geworden. In
artikel III, onderdeel G [III,G]
en M [M], van dit voorstel zijn overeenkomstige wijzigingen in de artikelen 29 en
34 van de AAW
opgenomen.
Onderdeel G
[G]
In het nieuwe eerste lid van
artikel 40 wordt voorgesteld de beperking in de toepassing van dit
artikel tot de categorie personen waarbij de arbeidsongeschiktheid tot meer
dan 80% toeneemt te laten vervallen. De herziening van de uitkering
naar een hoger dagloon kan nu bij iedere gedeeltelijk arbeidsgeschikte
plaatsvinden wanneer deze toegenomen arbeidsongeschikt wordt in een
functie met een hoger dagloon.
Tevens wordt voorgesteld een
andere berekeningssystematiek te hanteren dan die welke
voorheen bij dit artikel werd gehanteerd. De SVr heeft in zijn advies
aangegeven met deze nieuwe berekeningsmethode te kunnen instemmen. Hiervoor zal
artikel 16 van de Dagloonregelen Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering worden aangepast. In het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is in paragraaf
2.8 aandacht besteed aan deze nieuwe berekeningssystematiek en is een
voorbeeld ter zake uitgewerkt.
In artikel III, onderdeel
H [III,H],
van dit voorstel van wet is een overeenkomstige wijziging van artikel
29a AAW
opgenomen. Artikel 29a AAW
gaat echter in plaats van dagloon
uit van "grondslag". De wijziging in de AAW
geldt met name voor parttimewerkers die een AAW-uitkering hebben op basis van de individuele
grondslag. Zij hebben door artikel 29a AAW
de garantie dat bij hernieuwde
uitval en toegenomen arbeidsongeschiktheid de individuele grondslag
waarover de uitkering wordt berekend naar boven kan
worden bijgesteld.
Onderdelen H
[H] en
I [I]
Aan artikel 42 wordt een nieuw
vierde lid toegevoegd op grond waarvan niet eerder dan één
jaar na voltooiing van een scholing of opleiding door een
gedeeltelijk arbeidsgeschikte tot eventuele herziening van het
arbeidsongeschiktheidspercentage kan worden overgegaan. Deze hoeft zodoende minder
bevreesd te zijn meteen na het volgen van een scholing of opleiding in
een lagere klasse te worden ingedeeld en heeft één jaar de mogelijkheid
passend werk te zoeken zonder dat het recht op uitkering wordt
aangetast. Wanneer een persoon voordat dit jaar is verstreken, gaat werken
en daarmee inkomen verwerft, wordt de anticumulatieregeling van
artikel 44 WAO van kracht. De mate van arbeidsongeschiktheid en de
bijbehorende uitkering worden tijdelijk afgestemd op de hoogte van het
verdiende loon. Artikel 44, eerste lid, is in deze situatie van
overeenkomstige toepassing omdat het niet zo hoeft te zijn dat er wordt
getwijfeld aan de duurzaamheid van de werkhervatting. Wanneer één jaar
na voltooiing van de scholing twijfel bestaat aan de duurzaamheid van het
reeds eerder hervatte werk, kan de toepassing van artikel 44
worden voortgezet. Is dit niet het geval, dan zal een definitieve herschatting
moeten plaatsvinden.
Door toevoeging van een nieuw
derde lid aan artikel 43 (onderdeel
I [I]) is naast herziening ook
intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gedurende het jaar na
voltooiing van de opleiding niet mogelijk.
In artikel III,
onderdeel I [III,I]
en J
[J], van dit voorstel van wet zijn overeenkomstige
rblz.|87|
wijzigingen in artikel
31 en artikel 32 van de AAW
opgenomen. Genoemde artikelen van de AAW
zijn gelijkluidend aan de artikelen 42, vierde lid, en
44, derde lid, WAO. De anticumulatie van loon en uitkering bij eventuele werkhervatting
vóór het einde van het jaar na voltooiing van de opleiding vindt in het
kader van de AAW dan plaats op basis van artikel 33, eerste lid, AAW.
Voorts is in de artikelen XIII [XIII]
en XIV [XIV]
voorzien in een overeenkomstige
regeling van uitstel van herziening van een uitkering bij
arbeidsongeschiktheid in de Algemene burgerlijke pensioenwet en de
Spoorwegpensioenwet.
Onderdeel J
[J]
In het nieuwe tweede lid van
artikel 44 wordt voorgesteld de maximale toepassingstermijn van artikel
44 vast te stellen op drie jaar. De thans nog voorgeschreven
verlengingsprocedure via de SVr komt te vervallen. De reden daarvan is in paragraaf
2.9 van het algemeen deel van deze toelichting reeds
uiteengezet. Een langere toepassingstermijn acht het kabinet, met de SVr, niet
gewenst. Deze zou zich immers niet goed verdragen met de strekking van
het artikel, namelijk een tijdelijk uitstel van afschatting. Bij de nu
opgenomen verlenging van de toepassingstermijn moet de kanttekening worden
geplaatst dat door deze maximale termijn ook in uitzonderlijke
gevallen nog na drie jaar terugval op het oude uitkeringsniveau mogelijk
is wanneer bijvoorbeeld het werk alsnog te zwaar blijkt te zijn. Zodra
echter duidelijk is dat er sprake is van duurzame werkhervatting dient
definitief ook binnen de periode van drie jaar de mate van
arbeidsongeschiktheid te worden vastgesteld.
Bovenstaande toelichting geldt
tevens voor het nieuwe tweede lid van artikel 33 AAW, opgenomen in
artikel III, onderdeel K [III,K], van dit voorstel van
wet.
Onderdeel K
[K]
De mogelijkheid van
artikel 44a om een gedeeltelijk arbeidsongeschikte gedurende twee jaar in een
naastliggende hogere arbeidsongeschiktheidsklasse in te delen als arbeid
wordt aanvaard tegen een lager inkomen dan evenredig is aan
de resterende verdiencapaciteit (het zogenaamde opstapje), komt in
dit voorstel van wet te vervallen. Zoals in paragraaf 2.3
van het
algemeen deel van deze toelichting is verwoord, zijn de redenen
hiervoor het geringe gebruik van dit (re)integratie-instrument en
de introductie van vervangende instrumenten zoals een loonkostensubsidie
en de bonusuitkering van het BMS.
In verband met het vervallen
van het opstapje zal de SVr artikel 15 van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid aanpassen. Voorts kan de Beschikking van de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december
1986, nr. 86/10296 (Stcrt. 1986, 250) (Besluit "opstapje"), worden
ingetrokken.
In artikel XVI
[XVIII]
van
dit
voorstel van wet is voorzien in een overgangsbepaling voor lopende
gevallen waarin de artikelen 44a WAO
en 33a AAW
zijn toegepast. De
overgangsbepaling houdt in dat ten aanzien van degenen op wie de artikelen
44a WAO
en 33a AAW
zijn toegepast de toepassing na het tijdstip
waarop die artikelen komen te vervallen, wordt gecontinueerd zolang de
termijn van twee jaar gedurende welke het opstapje kan worden toegepast
nog niet is verstreken.
Opneming van deze
overgangsbepaling houdt verband met het feit dat met het vervallen van het
opstapje ook andere rechten kunnen vervallen. In bepaalde gevallen is de
mate van arbeidsongeschiktheid bepalend voor aanspraken op grond van
andere wetten. Bijvoorbeeld de
rblz.|88|
Ziekenfondswet, op grond waarvan verzekerd
is degene met een AAW-uitkering, berekend naar
een arbeidsongeschiktheid van minimaal 45%. Ook kan gedacht worden
aan het premievrij opbouwen van pensioenrechten.
Bovenstaande toelichting geldt
tevens voor het vervallen van het aan artikel
44a WAO identieke
artikel 33a AAW, opgenomen in
artikel III, onderdeel L [III,L].
Onderdeel M
[M]
In het nieuwe
artikel 46 wordt
een sanctie voor een werkgever ingevoerd wanneer deze zonder
deugdelijke grond weigert een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer
tijdens het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid passende arbeid te laten
verrichten. Deze sanctie ligt in het verlengde van artikel
30,
derde lid, ZW. Vandaar dat ook artikel 46 imperatief is geformuleerd. In
de praktijk is er behoefte gebleken om de toepassing van artikel 30
ZW ook na het eerste jaar van ziekte voort te zetten. De huidige
WAO en de
AAW
voorzien niet in een dergelijk instrument, zodat in een
situatie waarin de werkgever wel passend werk heeft, maar de
arbeidsongeschikte niet in de gelegenheid stelt deze arbeid te verrichten, na het
eerste ziektejaar geen medewerking meer kan worden afgedwongen. De
vordering van de bedrijfsvereniging op grond van artikel 46
WAO kan
tot op zekere hoogte gezien worden als een compensatie voor de
betaling van uitkering die niet of tot een lager bedrag zou zijn betaald als de
betrokken arbeidsongeschikte wel de arbeid zou hebben kunnen
verrichten. Bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten zal het dan in veel
gevallen gaan om gedeeltelijke werkloosheidsuitkeringen. In artikel IV
[IV]
van
dit voorstel van wet is voorgesteld om de gevorderde loonbedragen toe
te laten vloeien naar de wachtgeldfondsen van de bedrijfsverenigingen. Het
ten goede komen van de wachtgeldfondsen betekent een
prikkel voor de bedrijfsverenigingen om daadwerkelijk van het
instrument gebruik te maken. Het principe van compensatie van uitkeringen
staat echter niet voorop. De sanctie in de vorm van een vordering van het
loon dat in passende arbeid verdiend had kunnen worden, heeft
zelfstandige betekenis in het kader van de reïntegratie.
Om te voorkomen dat twee keer
een sanctie aan de werkgever zou kunnen worden opgelegd, is in
het tweede lid van het voorgestelde artikel 46
WAO bepaald dat voor zover
reeds op grond van de AAW
een sanctie is opgelegd, geen
sanctie op grond van de WAO kan worden opgelegd ten aanzien van
dezelfde werknemer.
In het bedrag aan loon dat
gevorderd wordt, zijn ook de door de werkgever verschuldigde
premies voor de socialeverzekeringswetten begrepen. Dit ligt voor de
hand, omdat ook over de door de bedrijfsvereniging te betalen uitkeringen
die premies betaald moeten worden.
Bovenstaande toelichting geldt
tevens voor het nieuwe artikel 35 AAW, opgenomen in
artikel III,
onderdeel N [III,N], van dit voorstel van wet.
Onderdeel N
[N]
In artikel I, onderdeel
P [I,O], van
dit voorstel van wet is in artikel 55 ZW
de regelgevende bevoegdheid van
de minister ten aanzien van de tot beslissen bevoegde
bedrijfsvereniging overgedragen aan de SVr. Vanuit praktische overwegingen en uit
een oogpunt van coördinatie wordt in dit onderdeel voorgesteld ook in
de WAO deze bevoegdheid aan de SVr over te dragen.
rblz.|89|
Onderdeel
O [O]
In artikel
71, eerste lid,
wordt "46" ingevoegd omdat de bedrijfsvereniging de GMD advies
moet vragen alvorens zij overgaat tot het opleggen van een sanctie bij
een werkgever krachtens artikel 46. De GMD moet beoordelen of de
werkgever al dan niet zonder deugdelijke grond weigert de werknemer
passend werk te laten verrichten.
Zoals bij onderdeel K
[K]
reeds is
aangegeven, komt het opstapje te vervallen. Vandaar dat ook in
artikel 71, eerste lid, "44a" komt te vervallen. In
artikel III,
onderdeel P [III,P], van dit voorstel van wet is een overeenkomstige wijziging in
artikel 64 AAW
opgenomen.
Onderdeel P
[P]
In dit onderdeel wordt de
verplichting tot melding bij de GMD van alle gevallen waarin de zesde maand
van ziekte wordt bereikt, geregeld. Deze verplichte zesdemaandsmelding
moet gezien worden als een belangrijk onderdeel van de intensievere
gevalsbehandeling van zieke werknemers waarvoor sociale partners en
kabinet zich hebben uitgesproken. Deze melding hoort thuis in de
begeleidingsprocedure zoals die er komt uit te zien na effectuering van de
afspraken uit het Najaarsoverleg. Hier zij verwezen naar paragraaf
1.4 van het algemeen deel van deze toelichting, alwaar
dit intensievere begeleidingstraject is beschreven.
Op dit moment is de
kennisgeving en overdracht van gevallen door bedrijfsverenigingen aan de
GMD vormgegeven door middel van samenwerkingsafspraken tussen
bedrijfsverenigingen en GMD. Hoewel thans op grond van de wet (artikel
71a, eerste lid, onderdeel b, WAO
en artikel 65, eerste lid, onderdeel b,
AAW) in
principe al melding dient plaats te vinden van gevallen waarin de
arbeidsongeschiktheid voortduurt na dertien weken, is de verplichte
toepassing daarvan met toestemming van de toenmalige Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Volksgezondheid lange tijd achterwege gelaten. Deze
overwoog de dertiendeweeksmelding te laten vervallen in verband met
het toen nog geringe nut van de melding. In 1975 overwoog dezelfde staatssecretaris de dertiendeweeksmelding weer te doen herleven in
verband met het groeiende aantal arbeidsongeschikten. Daarbij stond het in
een zo vroeg mogelijk stadium onderkennen van medische en
arbeidskundige beperkingen/mogelijkheden tot hervatting in arbeid,
eventueel met behulp van voorzieningen, voorop. In de praktijk werd echter met
instemming van de staatssecretaris voorlopig nog volstaan met een
opgave door bedrijfsverenigingen aan de SVr van het aantal gevallen
dat de dertienwekengrens bereikte. Daarna werd de dertiendeweeksmelding
achterhaald door het ontwerp Wagw, waarin aanvankelijk de verplichte
zesdemaandsmelding zou worden
opgenomen en met ingang van 1
oktober 1985 door de op de Wagw
anticiperende samenwerkingsafspraken tussen bedrijfsverenigingen en
GMD, waarin de zesdemaandsmelding een belangrijke plaats innam.
Met betrekking tot de
uitvoering van de meldingsafspraken zijn in de praktijk problemen gerezen. In
het algemeen deel van deze toelichting is daar nader op ingegaan. Thans
wordt voorgesteld ter oplossing van de problemen te bepalen dat alle
gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid de zes maanden bereikt (te
rekenen vanaf de eerste ziektedag) bij de GMD worden gemeld. Er is niet
voorzien in uitzonderingen op deze regel, zoals dat in de
samenwerkingsafspraken wel het geval was. Onder de bestaande
samenwerkingsafspraken betekent melding in principe dat de GMD de behandeling overneemt.
Met de invoering van de verplichte melding bij zes maanden is
niet beoogd te regelen dat in alle gevallen na rblz.|90|
zes maanden door de melding
automatisch volledige overdracht aan de GMD moet plaatsvinden. De GMD
zal, met het oog op zijn specifieke taken ten aanzien van
reïntegratie van arbeidsongeschikten, in overleg met de bedrijfsvereniging en
op basis van door de bedrijfsvereniging verstrekte informatie bezien
of overneming van het geval aangewezen is. In veel gevallen bijvoorbeeld
zal reeds door de bedrijfsvereniging voortgang geboekt kunnen zijn
met de hervatting in het werk of in een nieuwe baan of zal op grond
van herstel van betrokkene hervatting geen probleem zijn. In die gevallen
kan het beter zijn dat de bedrijfsvereniging betrokkene onder zijn hoede
houdt. Overdracht aan een andere instantie (in casu de GMD) kan in
situaties waarin activiteiten van betrokkene gericht op werkhervatting
onder begeleiding van de bedrijfsvereniging in een vergevorderd stadium
verkeren, minder voor de hand liggen of zelfs averechts werken.
Het derde lid van het
voorgestelde artikel 71a geeft de SVr nadere regelgevende bevoegdheid.
Gedacht kan worden aan nadere regels omtrent wijze en exacte
tijdstip van melding, procedures voor melding bij de GMD, termijnen en
registratie. Over de inhoud zal de SVr blijkens zijn advies overleg plegen met de
Federatie van Bedrijfsverenigingen en de GMD.
Voorts kan opgemerkt worden
dat naar aanleiding van de resultaten van het Najaarsoverleg van
oktober 1990 en mijn brief van 4 december 1990 aan de SVr de
samenwerkingsafspraken tussen bedrijfsverenigingen en GMD reeds
vooruitlopend op de wettelijke regeling inzake de zesdemaandsmelding in de
geest van dit voorstel van wet zijn aangepast. Daarbij heeft de
GMD een meer leidende rol gekregen bij de overdracht van ziektegevallen
in de zesde maand. Voorts zijn hernieuwde afspraken gemaakt ten behoeve
van het beter kunnen benutten van reïntegratiemogelijkheden
voorzien in betere gegevensoverdracht. De SVr zal er nauwlettend op
toezien dat de afspraken het beoogde resultaat opleveren.
In onderdeel Q van artikel III
[III,Q]
van dit voorstel van wet wordt artikel 65
AAW
op overeenkomstige wijze
aangepast.
Ten aanzien van de
zesdemaandsmelding in de AAW
kan nog het volgende worden opgemerkt. De
categorie verzekerden voor de AAW die geen aanspraken op
ziekengelduitkering hebben (zelfstandigen, vroeggehandicapten), dient zich
op grond van artikel 59, eerste lid, [van de AAW,
red.] en de daarop gebaseerde Ministeriële
Regeling van 7 oktober 1976, nr. 54652 (Stcrt. 1976, 203), binnen acht
maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid te melden bij de
bedrijfsvereniging. Met de SVr is het kabinet van mening dat het ook voor
deze categorie verzekerden van belang is dat zo snel mogelijk
reïntegratiemogelijkheden onderzocht worden en dat op het einde van de wachttijd
voor de AAW duidelijkheid bestaat omtrent de
arbeidsongeschiktheid. Voor die categorie verzekerden is dus een
zesdemaandsmelding
evenzeer gewenst. Op advies van de SVr zal in genoemde ministeriële
regeling de termijn van acht maanden gewijzigd worden in vier
maanden.
Onderdeel Q
[Q]
Ten aanzien van het in de
AAW
op te nemen loonkostensubsidie-instrument wordt voorgesteld het benodigde
budget daarvoor door het AAf te laten vaststellen onder
goedkeuring van de SVr. Het kabinet heeft naar aanleiding daarvan
overwogen dat het door de arbeidsongeschiktheidsfondsen verstrekken van
subsidies aan instellingen en organisaties die actief zijn ter zake van
het treffen van maatregelen of voorzieningen rblz.|91|
tot behoud, herstel of
bevordering van arbeidsgeschiktheid ook niet langer onder de goedkeuring
van de minister behoeft te vallen. Voorgesteld wordt de SVr een
preventieve toets te laten verrichten. In artikel III, onderdeel
S [III,S], van dit voorstel
van wet is een overeenkomstige wijziging in de AAW opgenomen.
Onderdeel
R, onder 1 [R1]
In het voorgestelde derde lid,
onderdeel a, van artikel 87 wordt opgenomen dat indien de
bedrijfsvereniging een sanctie oplegt krachtens artikel 46, zij hiervan de werkgever
schriftelijk op de hoogte stelt. De werkgever heeft zodoende de mogelijkheid
in beroep te gaan tegen deze beslissing.
Hetzelfde geldt voor
toepassing van het nieuw voorgestelde artikel 35 AAW, opgenomen in
onderdeel N
van artikel III [III,N]
van dit voorstel van wet. In het in onderdeel T, onder 1, van artikel III
[III,T]
voorgestelde nieuwe onderdeel
c van artikel 79,
eerste lid, is één en ander voor de AAW
geregeld.
Onderdelen
R, onder 2 [R2], en S
[S]
Met de in deze onderdelen
opgenomen wijzigingen wordt, op advies van de SVr, een
discoördinatie weggenomen die op het punt van het beroepsrecht zou ontstaan
doordat in verband met de wijziging van artikel 40
ZW wel beroep
mogelijk wordt tegen uitbetaling van de eigen bijdrage AWBZ aan de
Ziekenfondsraad.
Een soortgelijke wijziging van
de AAW
is opgenomen in de onderdelen T [T], onder 2, en
U, onder 1,
onder a, van artikel III [III,U].
Artikel III
[III]
Een groot aantal wijzigingen
in de AAW, opgenomen in
artikel III [III]
van dit voorstel van
wet, zijn
identiek aan wijzigingen in de WAO, opgenomen in
artikel II [II]
van
dit voorstel van wet. Voor de toelichting op de wijzigingen in de AAW,
opgenomen in artikel III, onderdelen A
[A], onder 1 en
2,
B [B], D
[D],
E [E], F
[F],
G [G], H
[H],
I [I], J
[J],
K [K], L
[L],
M [M], N
[N],
P [P], Q
[Q],
S [S], T
[T], onder 2, en
U [U], onder 1, onder
a, zij
verwezen naar de toelichting op de wijzigingen in de WAO, opgenomen in artikel
II [II], onder de respectievelijke
onderdelen
A, onder 1 [A1]
en 2 [A2],
B [B],
C [C],
D [D],
E [E],
F [F],
G [G],
H [H],
I [I],
J [J],
K [K],
L [L],
M [M],
O [O],
P [P],
Q [Q],
R, onder 2 [R2], en
S [S].
Hierna volgt de toelichting op
de onderdelen die de overige voorgestelde wijzigingen in de AAW inhouden.
Onderdeel C
[C]
De in dit onderdeel opgenomen
wijzigingen houden verband met de door het kabinet gewenste
verplichte keuring van verzekerden voor de AAW
die vanwege hun aanspraken
op basis van de in artikel 8, eerste lid, genoemde wettelijke regelingen
geen recht op toekenning van AAW-uitkering hebben.
Voor de toelichting op de
achtergrond van de in dit onderdeel opgenomen wijzigingen van
artikel 8 van de AAW
moge worden verwezen naar paragraaf 2.11 van het
algemeen deel van de toelichting. Ten aanzien van het voorgestelde
vijfde lid van dat artikel zij opgemerkt dat hier moet worden gedacht aan
voorschriften over vorm en inhoud van door werkgevers te verstrekken
gegevens.
Onderdeel O
[O]
rblz.|92|
In dit onderdeel wordt in het
voorgestelde nieuwe artikel 57b AAW
de invoering van het BMS geregeld [tijdens de parlementaire behandeling
van onderhavig voorstel van wet zijn de
voorgestelde artikelen 57b en 57c AAW
opgenomen in een nieuw hoofdstuk
IIIb, red.]. Op de achtergrond en doelstelling van het
BMS is in paragraaf 2.1
van het algemeen deel van deze toelichting uitvoerig ingegaan.
Het BMS is van toepassing op
werkgevers in de markt en overheidssector. Daartoe is in het eerste lid
van artikel 57b bepaald dat een bonusuitkering kan worden
toegekend voor het aangaan van een privaat- of publiekrechtelijke
dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WAO. Daaronder vallen dus ook de
ambtelijke dienstbetrekkingen. Voorts kan ook voor arbeidsverhoudingen
die op grond van de artikel 4 en 5 van de
WAO met een dienstbetrekking
gelijkgesteld zijn een bonusuitkering ontvangen worden. Daarmee
wordt het BMS een zo ruim mogelijke werking gegeven. Echter, bij
die gelijkgestelde dienstbetrekkingen zitten een groot aantal bijzondere
arbeidsverhoudingen, de zogenaamde "rariteiten", waarvan
het de vraag is of daarop het BMS van toepassing kan zijn. Om bepaalde
dienstbetrekkingen uit te kunnen zonderen, waarbij behalve de "rariteiten"
ook gedacht moet worden aan WSW- en JWG-dienstbetrekkingen [JWG:
Jeugdwerkgarantiewet, red.], is in
het negende lid van artikel bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur
groepen werkgevers of categorieën dienstbetrekkingen van het BMS kunnen worden uitgesloten.
Een bonusuitkering kan worden
toegekend voor elke persoon die in dienst wordt genomen en die
onmiddellijk voorafgaande aan die dienstbetrekking een
arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering op grond van een overheidsregeling
heeft. Ten aanzien van degenen met een herplaatsingswachtgeld of
invaliditeitspensioen is op advies van het ABP en het Spf bepaald dat de mate
van arbeidsongeschiktheid ten minste 15% moet zijn. In de
systematiek van de Abp-wet bijvoorbeeld kan ook recht op invaliditeitspensioen
bestaan bij een lager arbeidsongeschiktheidspercentage. In die gevallen
zou ook recht op een bonusuitkering kunnen ontstaan. Met de
voorgestelde wettekst wordt echter op dit punt de toepassing van de regeling
gelijkgetrokken met de marktsector. Immers, voor werknemers in de
marktsector geldt dat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 15%
of meer recht op WAO-uitkering ontstaat.
Op grond van het tweede lid,
onderdeel b, van artikel 57b kan ook een bonusuitkering worden
toegekend voor in dienst genomen personen die vanwege de toepassing van
artikel 8, eerste lid, AAW
geen recht op AAW-uitkering hebben, maar dat
wel gehad zouden hebben als zij geen aanspraken op grond van
overheidsregelingen zouden hebben.
De bonusuitkering zal niet
ambtshalve, doch eerst op verzoek worden toegekend. Het BMS wordt
hierdoor goed uitvoerbaar. Immers, zeker in het geval waarin de
arbeidsongeschikte gaat hervatten in een andere bedrijfstak zal het
uitvoeringsorgaan dat de bonusuitkering moet toekennen niet automatisch op
de hoogte zijn van het feit dat het gaat om een persoon met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvoor een bonusuitkering kan worden
toegekend. Vindt hervatting wel in de eigen bedrijfstak plaats, dan zal
toekenning van de bonusuitkering geschieden door het uitvoeringsorgaan dat
de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt. In dat geval zal de
controle eenvoudig zijn. Bij hervatting in een andere dan de eigen
bedrijfstak geschiedt toekenning van de bonusuitkering door het
uitvoeringsorgaan waarbij de werkgever die de arbeidsongeschikte in dienst
neemt, is aangesloten. In dat geval kan de controle door middel van de
verzekerdenadministratie plaatsvinden. In regels bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur te stellen, zal één en ander omtrent de toekenning van de
uitbetaling en de daartoe bevoegde organen nader geregeld worden.
Het moge duidelijk zijn dat
toekenning van een bonusuitkering in principe alleen aan de orde is
bij een geslaagde hervatting. Dit zou toekenning van een
bonusuitkering achteraf met zich meebrengen. Naar rblz.|93|
de mening van het kabinet zou
de bonusuitkering vooraf betaalbaar moeten worden gesteld. Daarmee
is beoogd de prikkel om arbeidsongeschikten in dienst te nemen zo groot
mogelijk te doen zijn. In verband met de betaling vooraf is in
het zesde lid van het voorgestelde artikel 57b AAW
de mogelijkheid tot
terugvordering geregeld. Daarbij is in onderdeel A
[A]
gekozen voor het
aangrijpingspunt van beëindiging van het dienstverband binnen één
jaar. In principe is niet van belang hoe het dienstverband eindigt. Wel is
de mogelijkheid geschapen om bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur gevallen te noemen waarin eindiging van het
dienstverband niet zou moeten leiden tot terugvordering. Gedacht kan
worden aan bijvoorbeeld de situatie dat de werknemer overlijdt. De
situatie zou zich kunnen voordoen dat de werkzaamheden door betrokkene
weliswaar zijn beëindigd, maar dat het dienstverband nog niet is
verbroken, wellicht mede met het oog op de terugvorderingsbepaling. Dit
effect zou voorkomen kunnen worden door de terugvordering te koppelen
aan het moment waarop de werkzaamheden feitelijk worden beëindigd. Om
uitvoeringstechnische redenen is hiervan afgezien. Het
beëindigen van de dienstbetrekking is een objectief en duidelijk en derhalve
uitvoeringstechnisch eenvoudig vast te stellen criterium, hetgeen vereist is
om de terugvorderingsbepaling inhoud te kunnen geven.
Denkbaar is ook een situatie
waarin achteraf blijkt dat ten onrechte een bonusuitkering is verstrekt, omdat de werkgever onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, bijvoorbeeld
omtrent het reeds ontvangen hebben van een andere subsidie. Voor
dergelijke gevallen is voorzien in een aparte terugvorderingsmogelijkheid.
Er is mede op basis van advies van het ABP voor een aparte
terugvorderingsmogelijkheid naast artikel 48 AAW
gekozen, om ook het ABP en Spf
de mogelijkheid tot terugvordering te geven. Van overeenkomstige
toepassing verklaren van artikel 48 is niet gekozen omdat dit artikel meer
is toegesneden op terugvordering van uitkeringen.
In het voorgestelde tweede lid
is de samenloop met andere loonkostensubsidies geregeld. In het algemeen
deel van de toelichting (paragraaf 2.1.3) is hierop reeds uitgebreid
ingegaan. Uit deze bepaling volgt dat geen samenloop mogelijk is van de
bonusuitkering op grond van het BMS met de loonkostensubsidie van het
voorgestelde artikel 57c AAW
en met de subsidieregelingen op basis
van de KRA. Wel wordt samenloop geaccepteerd van de bonusuitkering op
grond van het BMS met de geldelijke bijdrage/tegemoetkoming op
basis van artikel 5 van de Wagw, de loondispensatieregeling op
grond van artikel 8 van de Wagw, de loonkostenreductieregeling op
basis van de Wlom en met de vergoedingen voor voorzieningen op basis van
de artikelen 57 en 57a AAW. Voor de nadere motivering zij
verwezen naar het algemeen deel van deze memorie.
In het voorgestelde derde lid
wordt de geldelijke bijdrage van het BMS geregeld. De geldelijke
bijdrage is de werkgever verschuldigd indien een in zijn dienst zijnde persoon
in de WAO/AAW of een andere invaliditeitsregeling
terechtkomt. Ten
aanzien van de bepaling van de reikwijdte van de regeling van de geldelijke
bijdrage geldt hetzelfde als bij de bonusuitkering: zowel werkgevers in de
markt- als in de overheidssector zijn een geldelijke bijdrage
verschuldigd voor de tot hen in dienstbetrekking of daarmee gelijkgestelde
arbeidsverhouding in de zin van artikel 3, 4 en
5 van de WAO staande personen
die arbeidsongeschikt worden. Ten aanzien van verzekerden voor
de AAW die geen recht hebben op toekenning van een
AAW-uitkering omdat artikel 8, eerste lid, AAW
van toepassing is, geldt dat de
werkgever van deze verzekerden een bijdrage is verschuldigd op het moment
dat betrokken werknemer recht op rblz.|94|
toekenning van een
AAW-uitkering gehad zou hebben, ware artikel 8, eerste lid, AAW
niet van
toepassing geweest. Er is dus aangeknoopt bij het beslissingsmoment in het
kader van de fictieve uitvoering van de AAW voor ABP- en Spf-verzekerden. Bij het verschuldigd zijn van de geldelijke bijdrage is het
niet van belang of de dienstbetrekking wordt verbroken. Hiernaast wordt ook
voorgesteld een geldelijke bijdrage te laten betalen bij een
verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Immers, een persoon met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering die in dienst van de betreffende
werkgever toegenomen arbeidsongeschikt wordt, is volledig
vergelijkbaar met een persoon zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering die
voor het eerst recht verkrijgt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook
in het eerstbedoelde geval is er sprake van een volumetoename - gemeten in
uitkeringsjaren - en derhalve aanleiding voor een geldelijke
bijdrage. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond
van het voorgestelde zevende lid, onderdeel c, kan bepaald worden in welke
gevallen geen geldelijke bijdrage verschuldigd is. Daarbij kan
gedacht worden aan het geval dat een werknemer recht heeft op
verhoging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met
indexering van het uitkeringsbedrag. Voorts zou daarbij aandacht besteed
kunnen worden aan de vraag of ook slechts tijdelijke of zeer geringe
verhogingen van de uitkering altijd tot een geldelijke bijdrage moeten
leiden.
Het kan zijn dat de betrokken
arbeidsongeschikt geworden persoon voor zijn resterende
verdiencapaciteit aan het werk blijft of weer bij de eigen werkgever aan het werk
gaat.
In dat geval gaat het
natuurlijk uit reïntegratieoogpunt niet aan een geldelijke bijdrage op te
leggen. Daarom stelt het kabinet zich een werkwijze voor waarbij de
geldelijke bijdrage eerst na verloop van één jaar wordt ingevorderd als de
betrokken arbeidsongeschikte werknemer op dat moment nog niet geheel
of gedeeltelijk hervat heeft. Eén en ander zal in de op grond van het
zevende lid bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur te
stellen regels zijn uitwerking krijgen.
Voor kleine bedrijven kan het
BMS een te grote belasting vormen. Het kabinet is van oordeel dat de
kleinere werkgevers niet integraal van het BMS moeten worden
uitgezonderd, aangezien dan een te groot deel van de arbeidsorganisaties niet
door dit systeem zou worden bereikt. De specifieke problematiek voor
de kleine werkgevers dient naar het oordeel van het kabinet te worden
opgelost door de door een werkgever te betalen geldelijke bijdragen
in één jaar te maximeren op 5% van de brutoloonkosten.
Het voorgestelde vierde lid
regelt de maximering van de aan een werkgever in één jaar totaal
op te leggen geldelijke bijdragen. Een geldelijke bijdrage wordt niet
ingevorderd indien en voor zover daarmee het totaal aan in een kalenderjaar
opgelegde geldelijke bijdragen een bedrag van 5% van de loonkosten wordt
overschreden. Het kan dus zijn dat nog wel een gedeeltelijke
geldelijke bijdrage betaald moet worden, totdat het "quotum" van 5%
volgemaakt is. Deze maximering op 5% van de loonsom wordt gelegd in het
jaar waarin de geldelijke bijdragen ingevorderd worden. Voorts
blijft de werkgever in principe de geldelijke bijdrage die vanwege de
maximering niet betaald hoeft te worden wel verschuldigd. Er wordt alleen
van invordering afgezien. Daarmee wordt een onbedoeld effect vermeden
dat het best geïllustreerd kan worden met een voorbeeld. Stel, een
werkgever is voor werknemer X, Y en Z een geldelijke bijdrage
verschuldigd. Met de geldelijke bijdrage voor Y bereikt hij het maximum van 5%, zodat
voor werknemer Z in principe geen bijdrage meer verschuldigd is.
Als één jaar later bij de invordering blijkt dat voor werknemer X en Y niet
betaald behoeft te worden omdat zij in dienst zijn gebleven, dan zou
ook voor werknemer Z niet betaald hoeven rblz.|95|
worden als bepaald zou zijn
dat de geldelijke bijdrage niet verschuldigd is als de 5%-grens wordt
overschreden. Door te bepalen dat niet wordt ingevorderd als daarmee de
grens 5% aan te betalen geldelijke bijdragen in één jaar wordt
overschreden, wordt bereikt dat in het voorbeeld voor werknemer Z alsnog betaald
moet worden wanneer voor X en Y niet betaald behoeft te worden.
Voor werknemer Z is de werkgever immers de geldelijke bijdrage
verschuldigd gebleven.
Bepalend voor de 5% grens is
de loonsom van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de
geldelijke bijdrage verschuldigd is geworden. Daarmee wordt bereikt dat een
bedrijfsvereniging in alle gevallen op het moment van invorderen kan
beschikken over loonsomgegevens. Loonsomgegevens over een jaar
komen in de regel eerst halverwege het daaropvolgende jaar
beschikbaar. Stel dat een geldelijke bijdrage per 1 januari verschuldigd is. Per 1
januari van het jaar daarop kan worden ingevorderd. Op dat moment
zijn de loongegevens over het voorgaande jaar nog niet beschikbaar. Wel
die over het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de geldelijke
bijdrage verschuldigd is geworden.
In het vierde lid van artikel
57b zijn de artikelen 11, vierde lid, en 13 tot en met 16 van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering op de invordering van de geldelijke
bijdrage van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarmee wordt
voorzien in een effectieve invorderingsprocedure die gelijk is aan de
procedure bij invordering van socialeverzekeringspremie. Voorts gaan voor
de geldelijke bijdragen dezelfde regels ter zake van terugbetaling van te
veel betaalde geldelijke bijdragen, verjaring en bevoorrechting in
faillissement gelden als voor de socialeverzekeringspremie.
Het voorgestelde vijfde lid
biedt de basis om bij algemene maatregel van bestuur de hoogte van de
bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen vast te stellen, waarbij
gedifferentieerd kan worden zoals is aangegeven in het algemeen deel van deze
toelichting. Voorts is in dit lid het differentiatiecriterium en de
maximale hoogte van een op te leggen geldelijke bijdrage nader bepaald.
In het voorgestelde achtste
lid wordt de uitvoering van het BMS geregeld. De uitvoering is
opgedragen aan de bedrijfsvereniging, het ABP of het Spf. Hiermee krijgt
met name het ABP een stukje feitelijke uitvoering van de AAW
opgedragen in tegenstelling tot de tot nu toe volledige fictieve uitvoering
van de AAW. Ook in het kader van het beroepsrecht heeft het
opdragen van de uitvoering van het BMS voor meerdere uitvoeringsorganen
consequenties. Immers, in het geval van beroep kan in tegenstelling
tot de huidige situatie het ABP alsmede het Spf partij zijn in een geschil
over de uitvoering van de AAW op dit punt. Uiteraard kan zich dit alleen
voordoen voor de taken in de AAW die men specifiek opgedragen heeft
gekregen, in casu het BMS en - dit vooruitlopend op de regeling onder het
voorgestelde artikel 57c - de loonkostensubsidieregeling.
In het voorgestelde zevende
lid wordt voorzien in een algemeen maatregel van bestuur waarin
een aantal in verband met de nadere invulling en uitvoering van
het BMS nog te regelen zaken hun plaats moeten vinden.
Daartoe behoort ook de in paragraaf
2.1.7 van het algemeen deel van de toelichting genoemde
anticumulatieregeling voor het opleggen van een geldelijke bijdrage aan een
overheidswerkgever en het door die werkgever te betalen
herplaatsingswachtgeld.
Ook de taakverdeling tussen de
verschillende uitvoeringsorganen moet nog nader geregeld worden. Het
voorgestelde achtste lid biedt de basis voor die nadere regeling. Met
name geldt dit voor die situaties waarin de rblz.|96|
uitvoering door meerdere
organen zal kunnen geschieden, namelijk wanneer de werkgever bij meerdere
uitvoeringsorganisaties is aangesloten. Dit zal zich met name voordoen bij
werkgevers in de overheidssector die voor bepaalde bij hen in dienst
zijnde werknemers zijn aangesloten bij de BV Overheid en voor
werknemers/ambtenaren bij het ABP.
Het in dit onderdeel
voorgestelde nieuwe artikel 57c AAW
bevat de door de GMD, het ABP en het
Spf te hanteren instrument van subsidiëring van loonkosten en kosten van
training en begeleiding. Zoals in het algemeen deel van deze
toelichting (paragraaf 2.3) reeds is opgemerkt, is beoogd in een,
binnen de door de wet te stellen maximale grenzen, zo flexibel mogelijk
te hanteren instrument te voorzien. De regeling is vergelijkbaar met
de KRA. Voorts dient het
loonkostensubsidie-instrument in nauwe relatie met de arbeidsbemiddelende
taak van de GMD, het ABP en het Spf ten aanzien van arbeidsongeschikten gezien te
worden. Daarom is ervoor gekozen om de doelgroep van de regeling te
bepalen op arbeidsongeschikten die via bemiddeling van genoemde
instellingen naar het arbeidsproces worden teruggeleid. Het
loonkostensubsidie-instrument is dan ook qua karakter een "actief"
instrument dat bemiddelingsactiviteiten versterkt. Omtrent de hoogte en de reikwijdte van
de subsidies is in het algemeen deel van deze toelichting reeds het nodige opgemerkt.
Het vierde lid van het
voorgestelde artikel 57c regelt de anticumulatie met de bonusuitkering van
artikel 57b met een subsidie op grond van de Wet
loonkostenreductie op minimumloonniveau en met de loonkostensubsidie op grond
van de Wet ter bevordering van de werkgelegenheid van werkzoekenden die
zeer langdurig werkloos zijn (deze regeling is hiervoor reeds als
onderdeel van de Kaderregeling arbeidsinpassing, KRA, gememoreerd). Wat
betreft de twee laatstgenoemde regelingen zou zich cumulatie
kunnen voordoen bij degenen die behalve gedeeltelijk arbeidsongeschikt
ook gedeeltelijk werkloos zijn. De formulering van de
anticumulatiebepaling ten aanzien van de KRA is afwijkend. Dit komt omdat de
in de AAW
te regelen anticumulatie het spiegelbeeld dient te vormen
van de anticumulatiebepaling in de KRA. Daarin is namelijk bepaald
dat een werkgever die subsidie krijgt op grond van de KRA, geen
aanspraak heeft op subsidie ingevolge enig andere wettelijke regeling. De
formulering in de KRA sluit echter niet uit dat ingeval eerst toekenning
van subsidie op grond van artikel 57c heeft plaatsgevonden, daarna nog
subsidie op grond van de KRA kan worden toegekend. Het vierde lid van
het voorgestelde artikel 57c sluit deze cumulatie thans wel uit.
Het vijfde lid bepaalt dat de
subsidie geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd indien de
dienstbetrekking voortijdig, dat wil zeggen vóór het einde van de periode
waarvoor subsidie is toegekend, eindigt. Bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur kunnen gevallen aangewezen worden waarin terugvordering
bij voortijdige beëindiging van de dienstbetrekking niet plaatsvindt.
Bijvoorbeeld ingeval de werknemer komt te overlijden. Voorts is de
mogelijkheid van terugvordering geregeld in dezelfde gevallen als waarin
de bonusuitkering van artikel 57b kan worden teruggevorderd. Eén en
ander geldt mutatis mutandis ook voor het voorgestelde zesde lid. Er
is in beide gevallen sprake van een bevoegdheid tot gehele of
gedeeltelijke terugvordering.
Op de financiering van de
loonkostensubsidieregeling, geregeld in het zevende lid van artikel 57c,
is in het algemeen deel van deze toelichting reeds ingegaan (paragraaf
2.3.4).
Het voorgestelde achtste lid
biedt de basis voor het stellen van nadere regels voor de toepassing van
artikel 57b. Bij de bepaling van de nadere rblz.|97|
voorwaarden voor toekenning
van de subsidies kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nader te
bepalen minimale duur van een aan te gane dienstbetrekking.
Onderdeel R
[R]
Met de in dit onderdeel
voorgestelde wijziging van artikel 68 worden de uitgaven in verband met het
toekennen van de bonusuitkeringen op grond van artikel 57c AAW
onder de controle van het AAf gebracht, zoals die controle ook bestaat
op uitgaven in verband met uitkeringen, voorzieningen en vergoedingen
aan werkgevers op grond van artikel 57 en 57a AAW.
Onderdelen
T [T], onder 1, en U
[U],
onder 1, onder b, en onder 2
Beslissingen inzake de
toepassing van artikel 57b en van artikel 57c dienen naar de mening van het
kabinet vatbaar te zijn voor beroep. Hierover is in de toelichting
op artikel 57b in verband met de taak die de GMD, het ABP en het Spf ter
zake krijgen al het één en ander opgemerkt. De in onderdeel T
[T]
opgenomen
wijziging van artikel 79, eerste lid, strekt ertoe de beslissingen ter
zake van de toepassing van de artikelen 57b en 57c AAW
onder het beroepsrecht
te brengen, alsmede om enkele redactionele wijzigingen aan te brengen.
Tot nu toe is er geen
beroepsrecht met betrekking tot de beslissingen van de
overheidspensioenorganen inzake de fictieve uitvoering van de AAW. In deze leemte wordt
voorzien met de voorgestelde wijzigingen van artikel 79, onderdeel b,
en 80 van de AAW. Overigens zal als gevolg van de verplichte keuring en
de gecreëerde sanctiemogelijkheid in het kader van de fictieve
uitvoering van de AAW de behoefte aan een recht van beroep toenemen.
Uiteraard is in het kader van
de fictieve AAW-uitvoering ook de werkgever een "belanghebbende"
als bedoeld in de aanhef van artikel 79 van de AAW, omdat de fictieve
AAW-uitkering aan hem wordt uitbetaald.
Voorgesteld wordt over het
beroep in eerste aanleg met betrekking tot beslissingen over de fictieve
AAW-uitvoering van het ABP en de
Minister van Defensie te laten oordelen door het Ambtenarengerecht te
's-Gravenhage. Dat in lijn met het beroep in eerste aanleg over
beslissingen inzake het recht op invaliditeitspensioen ingevolge de
Algemeen burgerlijke pensioenwet en de Algemene militaire
pensioenwet.
Naar aanleiding van een
opmerking van het Spf wordt opgemerkt dat ten aanzien van het beroep
tegen beslissingen van dit fonds in het kader van de uitvoering van de
AAW-bepalingen niet de bezwaarschriftprocedure van artikel S 1
Spoorwegpensioenwet van toepassing is. Ten aanzien van beslissingen ter
uitvoering van bepalingen van de AAW is de beroepsgang op basis van deze
wet [lees: die
wet, red.] bepalend.
Ter voorkoming van mogelijke
onduidelijkheid in de procesgang wat betreft de beslissingen,
bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel b, is artikel II van de
Ambtenarenwet [lees: titel II van de Ambtenarenwet
1929, red.],
waarin regels staan over de wijze waarop in ambtenarenzaken moet worden
geprocedeerd, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit is
geregeld in de voorgestelde wijziging in onderdeel
U [U], onder 1, onder
b.
Artikel IV
[IV]
De in dit artikel opgenomen
wijziging strekt ertoe de bedragen die met toepassing van de in dit
voorstel van wet voorgestelde artikelen 35 AAW
rblz.|98|
en 46 WAO door de werkgever
verschuldigd zijn toe te laten vloeien aan de wachtgeldfondsen van de
bedrijfsverenigingen. In de toelichting op artikel II, onderdeel
M [II,M], van
dit voorstel van wet is hierop reeds ingegaan.
Artikel V
[V]
Behoudens het bepaalde in het
besluit op grond van artikel 4, tweede lid, Toeslagenwet, bestaat
gedurende de eerste zes weken van ziekte geen recht op toeslag. De
minimumbescherming gedurende de eerste zes weken van ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte is geregeld in artikel 1638e, eerste en
zevende lid, van het Burgerlijk
Wetboek. Op grond daarvan is de werkgever
verplicht gedurende de eerste zes weken van ziekte minimaal het voor
de zieke werknemer geldende minimumloon door te betalen. Ter zake van
de samentelling van perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een
onderbreking van korter dan één maand opvolgen, bevat de
Toeslagenwet geen bepaling. Voorgesteld wordt in het kader van het
onderhavige wetsvoorstel alsnog zowel in artikel 1638e Burgerlijk
Wetboek (artikel X [X])
als in de Toeslagenwet een bepaling op te nemen die de samentelling van
perioden van arbeidsongeschiktheid regelt. Een dergelijke
samentellingsregeling sluit aan bij de methodiek ter zake in de ZW,
WAO en
AAW.
Artikel VI
[VI]
Onderdelen
A [A], B
[B], C
[C] en
K [K]
Het begrip onderneming is
destijds in de Wagw
opgenomen teneinde te voorkomen dat werkgevers
alle bij hen in dienst zijnde gehandicapten in een afgescheiden gedeelte
van het bedrijf tewerkstellen. Alsdan zou van een volwaardige (re)integratie van gehandicapten in het arbeidsproces geen sprake zijn.
De mogelijkheid om vorenbedoelde concentratie van gehandicapten binnen het
bedrijf te bewerkstelligen, staat uiteraard niet voor elke werkgever open.
De facto zullen slechts grote concerns in staat zijn om binnen het
bedrijf een afzonderlijk "bedrijfje" voor gehandicapten op te
zetten. Opneming van het begrip "onderneming" met het oog op het voorkomen van
dergelijk reacties heeft dan ook eigenlijk een zeer beperkte strekking.
Uit de uitvoeringspraktijk,
alsmede uit de resultaten van het evaluatieonderzoek naar de
werking van de Wagw
(Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 119), blijkt dat
het hanteren van het begrip "onderneming" als een knelpunt wordt
ervaren. Dit vloeit voort uit het feit dat in de administratie van de
uitvoeringsorganen uitsluitend de gegevens per werkgever en niet per
onderneming bekend zijn. Als gevolg daarvan is het ook niet mogelijk om met
betrekking tot dit onderdeel op adequate wijze op een juiste uitvoering
van de wet toe te zien. Eén en ander in aanmerking nemende heeft het
kabinet besloten om het begrip "onderneming" in artikel 1 te
doen vervallen en in het verlengde hiervan elders in de wet dit begrip te
schrappen, respectievelijk te vervangen door het begrip "werkgever".
Mocht laatstgenoemde begrip voor wat de verschillende onderdelen van de
openbare dienst betreft in de praktijk tot problemen leiden, dan kunnen
die in het kader van het voorgestelde eerste lid van artikel 10
opgelost worden. Overigens is het kabinet met de SVr van mening dat het doen
vervallen van het begrip "onderneming" niets afdoet aan de
doelstelling van de wet, namelijk het reïntegreren van gehandicapte werknemers in een
functie die zoveel mogelijk aansluit bij hun krachten en bekwaamheden
en bij de functie die zij voorheen hebben verricht.
rblz.|99|
Onderdeel D
[D]
De in dit onderdeel opgenomen
wijziging van artikel 8, eerste lid, vloeit voort uit het feit dat de
regeling van ophoging van de arbeidsongeschiktheid met één klasse, het
zogenaamde opstapje uit de WAO en de AAW,
komt te vervallen.
Verwezen zij naar de toelichting op onderdeel K van artikel II
[II,K]
en onderdeel L
van artikel III [III,L]
van dit voorstel van wet.
Onderdelen
E [E], F
[F] en G
[G]
Artikel 10
Wagw
voorziet in
een verplichting voor de werkgever om bij hem in dienst zijnde
gehandicapte werknemers te registreren (registratieplicht) en deze
gegevens vervolgens ter beschikking te stellen aan de uitvoeringsorganisatie
(informatieplicht). Door de SVr is op 5 juli 1991 advies uitgebracht over
onder andere dit aspect van de Wagw.
In het huidige artikel 10
Wagw
wordt de registratie- en informatieverplichting voor werkgevers
gekoppeld aan de quotumverplichting. Het gevolg hiervan is dat er
binnen bedrijven en (overheids)instellingen veelal niet bekend is hoeveel
gehandicapte werknemers er werkzaam zijn. Dit bevordert niet een
bewust en doelgericht Wagw-beleid op het niveau waar dat juist bij
uitstek gewenst is, dicht bij de werkvloer. Een ander gevolg is dat op het
moment dat een quotumverplichting wordt opgelegd er een zekere periode
gemoeid zal zijn met het opzetten van registraties, waardoor de
effectuering van een eventueel quotum wordt vertraagd.
Het kabinet geeft er op grond
van het bovenstaande, anders dan een deel van de SVr, de voorkeur
aan de registratieverplichting te ontkoppelen van de quotumverplichting.
Een werkgever is daardoor zonder meer verplicht het aantal Wagw-werknemers te registreren. Het kabinet acht het zeer goed denkbaar
dat zodra de uitvoeringsorganisatie in staat is per werkgever bepaalde
groepen Wagw-werknemers uit de bestaande bestanden te
lichten, deze jaarlijks zullen worden doorgegeven aan de werkgever. De
werkgever kan de registratie dan beperken tot die groepen die de
uitvoeringsorganisatie niet beschikbaar heeft.
Op basis van de registratie
wordt inzichtelijk in welke mate bij de betreffende werkgever
invulling wordt gegeven aan de taakstelling van artikel 2 Wagw
die op
werkgevers, organisaties van werkgevers en organisaties van werknemers de
taak legt gelijke kansen te bevorderen voor gehandicapte en
niet-gehandicapte werknemers, waaronder begrepen gehandicapte
werkzoekenden, voor wat betreft de deelname aan het arbeidsproces.
Het kabinet heeft voor die
invulling steeds bepalend geacht het percentage gehandicapte
werknemers.
Met betrekking tot de
informatieverplichting bleek uit het advies van de SVr dat de
uitvoeringsorganisatie in staat wordt geacht op basis van beschikbare bestanden een
oordeel te geven over de invulling van de taakstelling van artikel 2 Wagw
in de betreffende bedrijfstak. Op grond daarvan achtte de Raad het
niet noodzakelijk werkgevers eerder een informatieverplichting op te
leggen dan dat er feitelijk een quotumverplichting geldt voor de
betreffende werkgevers.
Het kabinet deelt deze visie
van de Raad in zoverre dat zij voorshands zal afzien van het effectueren
van de informatieverplichting. Zoals ook in het algemeen deel van deze
toelichting is vermeld, wordt van groot belang geacht dat de
administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de kosten van de
uitvoeringsorganisatie zoveel mogelijk worden beperkt. Het kabinet acht het echter
gewenst en gerechtvaardigd reeds op het rblz.|100|
moment dat ernstig moet worden
betwijfeld of een bedrijfstak of onderdeel daarvan voldoende
invulling heeft gegeven aan de taakstelling, tot het opleggen van de
informatieverplichting over te gaan. Op grond hiervan is loskoppeling van de
informatieverplichting van de quotumverplichting eveneens noodzakelijk. In
samenhang met hetgeen hierboven over de
registratieverplichting werd opgemerkt, gaat het kabinet ervan uit dat de werkgever die
informatieplichtig wordt zo mogelijk slechts die werknemers aan de
uitvoeringsorganisatie hoeft door te geven die aldaar nog niet als Wagw-werknemers
zijn geregistreerd.
Of voor de overheidssector
eveneens voorshands kan worden afgezien van de informatieverplichting
zal het kabinet nader overwegen nadat ter zake advies is ontvangen van
het ABP.
De ontkoppeling van de
registratie- en informatieverplichting van de quotumverplichting impliceert
een redactionele aanpassing van artikel 10. Deze aanpassing is in
onderdeel F [F]
vervat. De onderdelen E [E]
en G [G]
voorzien in de opname van het
nieuwe artikel 10 in een afzonderlijke paragraaf.
Hierbij is, gelet op de inhoud
en strekking van de artikelen 11 en 12, tevens de gelegenheid benut om
de titel van paragraaf 5a te wijzigen.
Onderdeel J
[J]
Ingevolge artikel 16, eerste
lid, zijn met de uitvoering van de in deze wet [lees: de Wagw, red.]
vervatte bepalingen
belaste organen, de GMD, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (bij de
invoering van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) is het orgaan der
openbare arbeidsbemiddeling gewijzigd in Arbeidsvoorzieningsorganisatie)
en de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
aangewezen ambtenaren verplicht elkaar kosteloos de opgaven en
inlichtingen te verstrekken die zij in verband met de uitvoering van deze wet
[lees: de Wagw, red.] of een goede arbeidsbemiddeling van gehandicapte werknemers nodig
hebben.
Zoals uit het gestelde bij de
onderdelen E [E],
F [F]
en G [G]
moge blijken, wordt het wenselijk geacht dat
voornoemde minister op gestructureerde wijze gegevens verkrijgt die hij
voor het door hem te voeren (re)integratiebeleid nodig heeft.
Voorgesteld wordt dan ook om
de in het eerste lid genoemde personen en organen, alsmede
de SVr, die mede uit hoofde van zijn toezichthoudende taak
doorgaans over zeer relevante informatie beschikt, te verplichten de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalde, noodzakelijk
geachte gegevens te verstrekken op een wijze die nader bij algemene
maatregel van bestuur wordt bepaald. Uitgangspunt hierbij zal zijn
dat de onderhavige informatieverstrekking zoveel mogelijk dient aan te
sluiten op de bestaande informatiestromen, opdat de werkbelasting van
deze personen en organen zo min mogelijk vergroot wordt. Mede gelet op
deze uitvoeringstechnische aspecten bestaat het voornemen om de ter zake te ontwerpen algemene maatregel van bestuur in ieder geval
voor advies voor te leggen aan de SVr, het ABP en de Raad van Toezicht
van het Spf.
Artikel VIII
[VIII]
Onderdeel A
[A]
De in dit artikel in
onderdeel
A [A]
opgenomen wijzigingen in de Wet financiering
volksverzekeringen houden verband met de invoering van het BMS en de
loonkostensubsidieregeling in de AAW. De kosten van het BMS en het budget dat aan de
GMD, het ABP en het Spf ten behoeve rblz.|101|
van de loonkostensubsidieregeling wordt toegekend, dienen ten laste te
komen van het AAf. Evenzo
dient de opbrengst van de op grond van artikel 57b, derde lid, van de
AAW
aan een werkgever opgelegde geldelijke bijdrage en de op grond
van artikel 57b, zesde lid, van de AAW teruggevorderde bonusuitkering
terug te vloeien naar het AAf. De voorgestelde wijzigingen in
artikel 35 van de Wet financiering volksverzekeringen regelen deze
geldstromen.
Onderdeel B
[B]
Door invoering van de
BMS en
de loonkostensubsidieregeling ontstaat voor het ABP en het Spf een
stuk reële uitvoering van de AAW. De daarmee verband houdende
administratiekosten van die organen dienen vanuit het AAf vergoed te
worden. De regels inzake de fictieve uitvoering van de AAW door genoemde
organen zijn niet zonder meer van toepassing op de reële
uitvoering van bepalingen van de AAW. Vandaar dat in artikel 37 van de
Wet
financiering volksverzekeringen is voorzien in een mogelijkheid voor de SVr
om ter zake regels te stellen.
Artikel IX
[IX]
Onderdelen A
[A] en
D [D]
Nu in
dit voorstel van wet
wordt voorgesteld het zogenaamde opstapje, opgenomen in artikel 33a
AAW
en artikel 44a WAO, te laten vervallen, kan ook de
vermelding van deze artikelen in artikel 19 respectievelijk artikel 41
van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies
komen te vervallen.
Onderdelen B
[B] en
E [E]
In dit voorstel van wet wordt
voorgesteld in de WAO en de AAW
een sanctiebepaling analoog aan
die van artikel 30 ZW
te regelen die kan worden toegepast ten aanzien
van een werkgever die zonder deugdelijke grond niet meewerkt bij
hervatting in passende arbeid door een arbeidsongeschikte werknemer.
Verwezen zij naar artikel II, onderdeel M
[II,M]
en
artikel III, onderdeel N [III,N]
van
dit voorstel van wet. De bedoelde sanctie bestaat uit het verschuldigd
zijn van een bedrag aan loon dat een arbeidsongeschikte werknemer
met de passende arbeid had kunnen verdienen wanneer de werkgever
wel de gelegenheid tot het verrichten van die arbeid zou hebben
geboden. Bij verhindering om passende arbeid te verrichten, zal
veelal een uitkering moeten worden voortgezet. Aangezien in die uitkering
behalve de door de werkgever verschuldigde premies ook de
overhevelingstoeslag is begrepen, ligt het voor de hand dat onder het verschuldigde
bedrag aan loon eveneens de over dat loon te betalen
overhevelingstoeslag wordt begrepen. Wetstechnisch is ervoor gekozen om dit te regelen
in de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies in
verband met de tijdelijkheid van de overhevelingstoeslag, zodat
opneming in de WAO en AAW
minder voor de hand ligt.
Onderdeel C
[C]
In artikel 31 van de Wet
aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies is bepaald dat
onder nettoziekengeld wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van het
ziekengeld en de overhevelingstoeslag op dat ziekengeld, berekend op
nettobasis. Nu in artikel I, onderdeel D
[I,D], van dit voorstel van wet wordt
voorgesteld de zogenaamde nettomaximeringsbepalingen in artikel 29
ZW te
laten vervallen, kan genoemd artikel 31 komen te vervallen.
rblz.|102|
Artikel X
[X]
Onderdeel A
[A]
Met ingang van 1 januari 1987
is een wijziging van artikel 1638e van het Burgerlijk
Wetboek in
werking getreden. Deze wijziging is aangebracht in het kader van
de stelselherziening sociale zekerheid (het laten vervallen van de
minimumdagloonregeling in de ZW en invoering van de
Toeslagenwet).
De wijziging strekte ertoe te
garanderen dat de werknemer in geval van ziekte uit hoofde van artikel 1638e
ten minste voor een periode van zes weken aanspraak kreeg op het
voor hem geldende wettelijk minimumloon.
De wijziging had tot effect
dat de mogelijkheid om wachtdagen overeen te komen, voor zover
zulks ertoe zou leiden dat niet werd voldaan aan de hiervoor genoemde
minimumaanspraak, is komen te vervallen. Met het onderhavige voorstel
tot wijziging van het zevende lid van artikel 1638e wordt beoogd de
mogelijkheid om wachtdagen overeen te komen weer in volle omvang te doen
herleven.
Voor de berekening van de
periode waarover de minimumaanspraak bestaat, wordt als eerste
wachtdag beschouwd de eerste dag waarop de werknemer wegens ziekte niet
heeft gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
Hiermee wordt aangesloten bij
de systematiek in de ZW ter zake.
Het huidige artikel
1638e
bevat geen zogenaamde samentellingsregeling voor het geval dat
ziekteperioden elkaar met onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
Zoals reeds aangegeven bij de toelichting op artikel V
[V]
wordt
in het kader van dit wetsvoorstel voorgesteld zowel in artikel
1638e als
in de Toeslagenwet een bepaling op te nemen ter zake van de
samentelling van perioden van arbeidsongeschiktheid. Hiermee wordt niet
alleen aangesloten bij de reeds geldende methodiek in de sociale
zekerheid, maar deze methodiek is eveneens gevolgd bij de herziening van
artikel 1638d (opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte), tot stand
gebracht bij Wet van 9 juni 1988, Stb. 1988, 281. Op grond van het nieuwe
artikellid geldt de zogenaamde samentellingsregeling zowel met betrekking
tot de aanspraak op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor een
betrekkelijk korte tijd als met betrekking tot de aanspraak op het voor de
werknemer geldende wettelijk minimumloon voor zes weken.
Onderdeel B
[B]
Het tweede lid van artikel
1638d verwijst onder meer naar het zevende lid van artikel 1638e.
Uiteraard dient het zevende
lid van artikel 1638e - voor zover het de hierin geregelde
minimumaanspraak betreft - niet te gelden voor artikel 1638d.
Het onderhavige voorstel
strekt ertoe dit duidelijk in de wet vast te leggen.
Artikelen XI
[XI] en XII
[XII]
Voor de achtergrond van de in
deze artikelen voorgestelde wijzigingen zij verwezen naar de
toelichting op artikel II, onderdeel R, onder 2 [II,R2], en onderdeel S
[S], van dit voorstel
van wet.
rblz.|103|
Artikel XIII
[XIII] en XIV
[XIV]
In deze artikelen wordt naar
analogie met de WAO en de AAW
voorzien in een regeling in de
Algemene burgerlijke pensioenwet op grond waarvan herziening van
een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid verband houdt [lees:
verband houdende, red.] met
voltooide scholing of opleiding kan worden uitgesteld. Verwezen moge
worden naar de toelichting op artikel II, onderdeel H
[-] en
I [I], van dit
wetsvoorstel.
Artikel XV
[XVII]
Zoals in
paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze toelichting is opgemerkt,
wil het kabinet aan de maatregel van ophoging van ziekengeld voor
herintredende arbeidsongeschikten die opnieuw uitvallen, opgenomen
in onderdeel E van artikel I [I,E], vooralsnog een beperkte werkingsduur van
drie jaar geven. Artikel XV [VII]
voorziet daarin. Tevens is de
mogelijkheid geopend om bij algemene maatregel van bestuur de werkingsduur te
verlengen.
Artikel XVI
[XVIII]
Dit artikel bevat de
overgangsbepaling voor lopende gevallen in verband met het vervallen van
het opstapje uit de WAO en de AAW. Verwezen zij naar de
toelichting op artikel II, onderdeel K [II,K], van dit voorstel van
wet.
Artikel XVII
[XIX]
Dit artikel bevat een
overgangsbepaling voor werkgevers met betrekking tot hun
personeelsleden die op de datum van invoering van de verplichte
zesdemaandsmelding
(neergelegd in het nieuwe vijfde lid van artikel 8 van de AAW) reeds
langer dan zes maanden arbeidsongeschikt zijn. Deze gevallen dienen
alsnog binnen twee maanden na de invoering van de zesdemaandsmelding bij
de overheidspensioenorganen te worden gemeld.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
E. ter Veld
|