St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  TERUGDRINGING  ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOLUME

 

 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1990-1991, 22 228

Wijziging van de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en enkele andere wetten in verband met maatregelen ter vermindering van het ziekteverzuim, beperking van langdurige arbeidsongeschiktheid en bevordering van de arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten, herschikking van bevoegdheden in de Ziektewet, alsmede enkele technische aanpassingen (terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume)

 

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Historisch overzicht van ontwikkelingen en beleidsvoornemens
1.1 Inleiding
1.2 Ontwikkeling van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
1.3 TWVA-voorstellen en kabinetsstandpunt
1.4 Najaarsoverleg
1.5 De adviezen van de Sociale Verzekeringsraad, het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds en het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
1.6 Het advies van de Sociaal-Economische Raad over de mogelijke doorwerking van een differentiatie van de Ziektewetpremie
1.7 Concretisering van maatregelen
2 Uitwerking concrete voorstellen
2.1 Het systeem van bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen (BMS)
2.2 Premiedifferentiatie ZW
2.3 Loonkostensubsidie
2.4 Verhoging ziekengeld
2.5 Verbeterde toepassing artikel 30 ZW
2.6 Invoering instrument analoog aan artikel 30 ZW in de WAO en AAW
2.7 Uitstel schatting bij scholing
2.8 Herziening naar een hoger dagloon of hogere grondslag (artikel 40 WAO/29a AAW)
2.9 Ruimere toepassing artikel 33 AAW en 44 WAO
2.10 Verplichte zesdemaandsmelding aan de GMD
2.11 Een verplichte zesdemaandsmelding en een verplichte keuring voor de overheidssector in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW
2.12 Wijziging Wagw
2.13 Internationale aspecten
2.14 Evaluatie en onderzoek
3 Het overdragen van bevoegdheden in de Ziektewet
3.1 Inleiding
3.2 Overwegingen en doelstelling
3.3 Advies Sociaal-Economische Raad
3.4 Hoofdlijnen bij de herschikking van bevoegdheden
4 Maatregelen in de overheidssfeer
5 Financiële en volume-effecten
5.1 Inleiding
5.2 Kwantitatieve doelstellingen ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid
5.3 Directe effecten van enkele maatregelen uit het pakket
6 Gevolgen voor vrouwen en deregulering
6.1 Gevolgen voor vrouwen
6.2 Dereguleringsaspecten
xArtikelsgewijs
xxxx Artikelen I t/m XVII
 

 

 

Algemeen

 

1. Historisch overzicht van ontwikkelingen en beleidsvoornemens


1.1. Inleiding


    
In het Regeerakkoord van november 1989 is als kabinetsdoelstelling vastgelegd zo spoedig mogelijk te komen tot een situatie waarbij het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen in ieder geval niet meer toeneemt. Onder meer met inzet van de in dit voorstel van wet opgenomen maatregelen moet deze situatie worden bereikt. Deze maatregelen richten zich vooral op het creëren van extra mogelijkheden voor arbeidsongeschikten om (weer) aan het arbeidsproces deel te nemen respectievelijk daaraan te blijven deelnemen. Dit voorstel van wet bevat wijzigingen in onder meer de Ziektewet (ZW), de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw). Deze wijzigingen vloeien voort uit de voorstellen van de Tripartiete Werkgroep Volumebeleid Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TWVA) van 20 oktober 1989 (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 8), het kabinetsstandpunt van 6 maart 1990 naar aanleiding van deze voorstellen (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 65) alsmede uit de gemeenschappelijke verklaring volumebeleid arbeidsongeschiktheid, overeengekomen tussen kabinet en de Stichting van de Arbeid tijdens het Najaarsoverleg van 2 oktober 1990 (Kamerstukken II 1989-1990, 21 800 XV, nr. 9).

     De maatregelen in dit voorstel van wet vormen een onderdeel van een meersporenbeleid gericht op preventie van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, (re)integratie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en verbetering van de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. rblz.|2| Uitgangspunten bij dit beleid zijn het terugdringen van (de groei van) het arbeidsongeschiktheidsvolume en het bieden van betere mogelijkheden aan een arbeidsongeschikte wat betreft de deelname aan het arbeidsproces.

     In de gemeenschappelijke verklaring volumebeleid arbeidsongeschiktheid van 2 oktober 1990 is aangegeven dat in het voorliggende voorstel van wet ook de wijzigingen in de ZW zouden worden meegenomen in verband met een herschikking van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners. Vergroting van verantwoordelijkheden in het kader van de ZW sluit immers aan bij de verantwoordelijkheid die sociale partners dragen bij terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, met name op het vlak van preventie. Als voorbeeld hiervan moge dienen de premiedifferentiatie ZW op ondernemingsniveau waaraan sociale partners, vertegenwoordigd in de besturen van de bedrijfsverenigingen, nadere invulling zullen moeten geven.

     In het najaarsoverleg werd afgesproken dat het kabinet een adviesaanvrage zou richten aan de Sociaal-Economische Raad (SER), waarin de AAW, de WAO en de Wagw in hun onderlinge relatie in discussie komen. De reden daarvoor was dat het kabinet, hoewel het het vertrouwen had dat het najaarsoverleg positieve effecten zou hebben, ernstig rekening hield met de mogelijkheid dat zijn doelstellingen daarmee niet geheel zouden kunnen worden gerealiseerd. Daarom was het naar het oordeel van het kabinet noodzakelijk om voorbereid te zijn op de noodzaak van het treffen van maatregelen.

     In de op 19 februari 1991 verzonden adviesaanvrage, waarbij naast de AAW/WAO en de Wagw ook de ZW en het Burgerlijk Wetboek [zie hierna telkens titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, red.] als het voorportaal van de arbeidsongeschiktheidsregelingen werden betrokken, werd het oordeel van de SER gevraagd over een groot aantal maatregelen.
     Op 12 juli 1991 heeft de SER zijn advies vastgesteld.

     Het kabinet heeft inmiddels, mede naar aanleiding van het SER-advies, besloten een aantal verdergaande maatregelen te treffen om het ziekteverzuim en het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. Het gaat bij deze maatregelen onder meer om een aanpassing van de uitkeringsstructuur in de WAO, het wijzigen van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het aanspreken van het tegoed aan vakantiedagen bij ziekte, het ten laste van de werkgever brengen van de kosten verbonden aan de eerste zes weken ziekte en een 70% loongarantie gedurende deze zes weken. De nog te treffen maatregelen moeten worden gezien als aanvullend op de in dit wetsvoorstel gepresenteerde maatregelen. De gevolgen voor het onderhavige voorstel van wet zullen gelet op het aanvullende karakter van de nieuwe voorstellen beperkt en voornamelijk wetstechnisch van aard zijn.

     Ondanks het diep ingrijpende karakter van voornoemde voorstellen moet worden vastgesteld dat deze ontoereikend zullen zijn om eind 1994 een terugkeer van het volume van de AAW/WAO op het niveau van 1989 te garanderen. Daarmee is de primaire doelstelling van het kabinet zoals neergelegd in het Regeerakkoord echter niet verlaten. Tegen de achterrond van de gewijzigde somberder verwachtingen ter zake van de toekomstige ontwikkelingen zal het ombuigen van de groeitrend in de aantallen arbeidsongeschikten naar een dalende tendens meer tijd vergen dan oorspronkelijk werd voorzien.

     De opbouw van deze memorie van toelichting is als volgt.
    
rblz.|3| Allereerst wordt kort ingegaan op de ontwikkeling van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen gedurende de laatste jaren (paragraaf 1.2). Daarna zullen de beleidsvoornemens, zoals die in de afgelopen anderhalf jaar zijn geformuleerd in de TWVA, het kabinetsstandpunt naar aanleiding daarvan (paragraaf 1.3) en het Najaarsoverleg van 2 oktober 1990 (paragraaf 1.4), kort worden besproken. In paragraaf 1.5 wordt in hoofdlijnen ingegaan op de adviezen van de Sociale Verzekeringsraad (SVr), het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP), het Spoorwegpensioenfonds (Spf) en het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA).
     In paragraaf 1.6 wordt ingegaan op het advies van de SER over de mogelijke doorwerking van een differentiatie van de ZW-premie op ondernemingsniveau naar het op het loon in te houden deel van de
ZW-premie. In paragraaf 1.7 wordt een beknopt overzicht gegeven van de in dit voorstel van wet opgenomen maatregelen.
     In hoofdstuk 2 zullen de in dit voorstel van wet uitgewerkte maatregelen nader worden toegelicht, waarna ingegaan zal worden op enkele internationale aspecten en evaluatie van de maatregelen.
     Hoofdstuk 3 behandelt de wijziging van de ZW in verband met een nieuwe verdeling van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners.
     Behalve in de marktsector dienen ook in de overheidssector maatregelen getroffen te worden, gericht op beheersing van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Hoofdstuk 4 geeft een korte weergave van wat in dat kader aan beleid en regelgeving wordt ontwikkeld.
     In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de effecten van de voorgestelde maatregelen op de volumeontwikkeling en de financiële gevolgen, één en ander voor zover redelijkerwijs thans te voorzien en te berekenen.
     De gevolgen van de voorgestelde wetgeving voor de positie van vrouwen en de dereguleringsaspecten komen in hoofdstuk 6 aan de orde. Daarna volgt tot slot de toelichting op de afzonderlijke artikelen van dit voorstel van wet.

 

1.2. Ontwikkeling van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen


1.2.1 Het arbeidsongeschiktheidsvolume in absolute en in relatieve zin bij ongewijzigd beleid

     Sinds de inwerkingtreding van de WAO (1967) en de AAW (1976) is het aantal uitkeringsgerechtigde arbeidsongeschikten aanzienlijk toegenomen. Bij ongewijzigd beleid wordt het aantal arbeidsongeschikten in Nederland rond het midden van de jaren negentig geraamd op 1 000 000 personen.
     Het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering bedroeg aan het einde van 1990 (exclusief de werknemers met een ZW-uitkering) 880 000. De verhouding beroepsbevolking en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten bedroeg in 1990 hiermee ongeveer 8 op 1.

rblz.|4| Tabel 1. Volumeontwikkeling in de arbeidsongeschiktheidsregelingen, 1975-1995 (x 1000 uitkeringsjaren) (ongewijzigd beleid):

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1975 1980 1985 1989 1990 1991 1995
WAO-verzekerden 310x 463x 510x 535x 548x 568x 652x
AAW-verzekerden 145x 188x 220x 230x 239x 255x
waarvan ABP-verzekerden 36x 67x 79x 83x 86x 95x
Zelfstandigen 38x 42x 50x 51x 51x 50x
Vroeggehandicapten 57x 69x 83x 89x 95x 107x
Overigen 14x 10x 8x 7x 7x 3x
Totaal 310x 608x 698x 755x 778x 807x 907x
Totaal (x 1000 personen) 349x 756x 762x 845x 882x 912x 1058x

Bron: SZW juli 1991.

     De totale uitkeringslasten van de arbeidsongeschiktheidsregelingen (ZW, AAW, WAO) zijn eind 1991 inmiddels gestegen tot ƒ38,2 miljard.

Tabel 2. Uitgaven ziekte- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, 1989-1995 (mld gld) (ongewijzigd beleid):

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995
AAW 13,6x 15,0x 15,9x 17,1x 18,6x 20,0x 21,7x
WAO 8,7x 8,7x 9,3x 9,9x 10,7x 11,4x 12,2x
ZW 10,5x 11,5x 13,0x 13,5x 14,2x 14,9x 15,9x
Totaal 32,8x 35,2x 38,2x 40,5x 43,5x 46,3x 49,8x
waarvan onderlinge betalingen 5,1x 2,7x 3,1x 3,2x 3,5x 3,7x 4,0x
waarvan administratiekosten 1,6x 1,7x 1,8x 2,0x 2,0x 2,0x 2,1x

Bron: SZW juli 1991.

     Zoals uit tabel 1 kan worden afgelezen, dreigt zonder nadere maatregelen het aantal arbeidsongeschikten in de periode 1990-1995 te groeien met ruim 20%. De uitgaven in het kader van de AAW/WAO worden bij ongewijzigd beleid verwacht toe te nemen van ƒ23,7 mld in 1990 tot ƒ33,9 mld in 1995, ofwel met meer dan 40%. Het verschil tussen deze groeipercentages wordt verklaard door de in de ramingen opgenomen indexering van de uitkeringen aan de loonontwikkeling, waardoor de gemiddelde uitkering in deze periode toeneemt.

     Het beroep op de ZW is in de periode 1980-1985 relatief gedaald. Sinds 1985 echter is het verzuim per verzekerde werknemer weer gestegen.

rblz.|5| Tabel 3. Volumeontwikkeling in de ZW, 1975-1995 (x 1000 uitkeringsjaren) (ongewijzigd beleid):

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1975 1980 1985 1989 1990 1991 1995
Omslagleden en vrijwillig verzekerden (verzekerde mensjaren (x 1000)) 2575x 2875x 2975x 3331x 3436x 3488x 3580x
Ziekterisico (percentage) 8,6x 8,5x 7,0x 7,9x 8,4x 8,4x 8,4x
Volume omslagleden 220x 244x 206x 262x 290x 283x 301x
Volume overige verzekerden 60x 62x 51x 58x 61x 63x 65x
Totaal uitkeringsvolume ZW 280x 306x 257x 320x 351x 356x 366x

Bron: SZW april 1991.

     Nederland heeft relatief de hoogste uitgaven van de Europese Gemeenschap wat betreft de ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregelingen.

Tabel 4. De uitgaven van de sociale zekerheid naar categorieën in 1988 (in procenten van het bruto binnenlands produkt):

xxxxxxxxxxxxxxxxxx Neder-
land
België Dene-
mar-
ken
Frank-
rijk
West-
Duits-
land
Verenigd
Konink-
rijk
Italië EG
Ziekte 7,4x 6,3x 6,0x 6,9x 7,8x 4,7xx 5,2x 6,1x
Arbeidsongevallen en beroepsziekten 6,0x 3,0x 2,7x 2,3x 3,4x 2,3xx 2,0x 2,7x
Totaal 13,4x 9,3x 8,7x 9,2x 11,2x 7,0xx 7,2x 8,9x

Bron: Nota Sociale Zekerheid 1991, blz. 102.


1.2.2. Oorzaken van het hoge arbeidsongeschiktheidsvolume

     Arbeidsongeschiktheid is een complex vraagstuk, zeker waar het gaat om het achterhalen van de precieze oorzaken van de grote toename sinds het midden van de jaren '70. Achter ziekteverzuim en langer durende arbeidsongeschiktheid zit een complex van verschillende persoons- en niet persoonsgebonden oorzaken.

     Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft in het Sociaal-Cultureel Rapport 1990 de volgende (combinatie van) oorzaken van de volumegroei arbeidsongeschiktheid nog eens op een rij gezet:
- de introductie van de AAW in 1976, waardoor de kring van verzekerden sterk werd uitgebreid;
- sociaal-demografische factoren, zoals de groei van de beroepsbevolking en de groeiende arbeidsparticipatie van vrouwen;
- een ruim medisch arbeidsongeschiktheidsbegrip, waardoor een bredere opvatting over ziekte in de samenleving zich kon vertalen in een toenemend beroep op uitkeringen;
- een toegenomen psychische belasting in het arbeidsproces;
- een slechtere concurrentiepositie van gehandicapten op de arbeidsmarkt, onder druk van de toenemende werkloosheid.

     De in 1967 ingevoerde WAO telt alleen werknemers tot zijn kring van verzekerden. Door de inwerkingtreding van de AAW op 1 oktober 1976 werd een op de WAO geënte volksverzekering geïntroduceerd. Het verzekerd zijn voor de AAW is gekoppeld aan het ingezetenschap. Door rblz.|6| het bestaan van de WAO en de Algemeen Burgerlijke Pensioenwet (ABPW) [lees: Algemene burgerlijke pensioenwet (Abp-wet), red.] is de AAW vooral van belang voor zelfstandigen en vroeggehandicapten. Hiermee kan een substantieel deel van de totale volumegroei worden verklaard.

     Naast deze uitbreiding van de kring van verzekerden is de groei van de beroepsbevolking van belang geweest: 4,8 miljoen personen in 1970, 6,2 miljoen personen in 1988.
     Demografische trends die hierbij een rol hebben gespeeld, zijn het toegenomen aantal jongeren dat tot de beroepsbevolking toetrad (dit aantal was groter dan het aantal ouderen dat uit de beroepsbevolking verdween), een migratieoverschot en de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen.

     De als derde genoemde oorzaak van de groei van het arbeidsongeschiktheidsbestand betreft de sociaal-medische ontwikkelingen. Er zijn geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking in de jaren '70 en '80 is verslechterd.
     Wél is het ziektebegrip in de loop der jaren verruimd. Medische en sociale ontwikkelingen hebben ertoe geleid dat klachten eerder onderkend en geaccepteerd worden als ziekte en eveneens worden geaccepteerd als toekenningsgrond voor een uitkering. In dit verband wordt veelvuldig de aanduiding medicalisering van de samenleving gehanteerd. Deze ontwikkeling is overigens niet gepaard gegaan met een wijziging van het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium in de AAW (artikel 5) en de WAO (artikel 18).

     De centrale begrippen ziekte en gebrek zijn formeel niet gewijzigd, maar wel hebben ze - analoog aan de veranderende maatschappelijke opvattingen - een andere inhoud c.q. invulling gekregen.
     Bij een analyse in de tijd van de toekenningen van AAW/WAO-uitkeringen valt met name de sterke groei op van het aantal psychische en psychosomatische klachten als basis voor de toewijzing.

     Sinds de invoering van de WAO (1967) heeft de afbakening van hetgeen al dan niet recht geeft op een arbeidongeschiktheidsuitkering zich verder ontwikkeld in de praktijk van verzekeringsartsen en in de jurisprudentie van de raden (en de Centrale Raad) van Beroep.
     De beroepsrechter heeft zich bij zijn uitspraken over de vraag of er sprake is van ziekte of gebrek vrijwel altijd laten leiden door het standpunt daarover van één of meer medici. Anders gezegd: het begrip ziekte wordt gevormd door datgene wat de leden van de medische professie als zodanig definiëren in hun dagelijkse werk.

     Als vierde oorzaak achter de volumeontwikkeling heeft het SCP (naast andere auteurs) aandacht geschonken aan een verslechtering in de arbeidsomstandigheden. Hierbij lijkt een verslechtering van de fysieke arbeidsomstandigheden niet zozeer aan de orde. Wel lijkt sprake te zijn geweest van toegenomen psychische belasting door de arbeid. Hierbij wordt gewezen op de introductie van nieuwe technologieën en meer flexibele vormen van arbeidsorganisatie, die hogere eisen stellen aan de technische en sociale vaardigheden van werknemers. Reorganisaties, saneringen en bezuinigingen in bedrijven gaan gepaard met onzekerheid voor werknemers over hun positie in het bedrijf. Daarnaast bestaat de indruk dat de tijdsdruk van werkenden is toegenomen met een grotere (psychische) belasting tot gevolg.

     Als laatste oorzaak van de volumegroei wordt gewezen op de verslechtering van de concurrentiepositie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte rblz.|7| werknemers op de arbeidsmarkt, onder druk van de toegenomen werkloosheid.
     Onder druk van de economische recessie in de jaren '70 en het weinig gunstig renderen van een groot deel van het bedrijfsleven eind jaren '70/begin jaren '80 heeft een groot aantal technische en organisatorische veranderingen plaatsgevonden in de bedrijven. Gevolg was een afname van de werkgelegenheid. Veelvuldig wordt erop gewezen dat werkgevers hun overtollige en/of door ouderdom of gebrek minder produktieve werknemers voor een deel hebben laten afvloeien via de WAO. Doordat de WAO een betere materiële bescherming bood dan de werkloosheidsregelingen en arbeidsongeschiktheid maatschappelijk meer werd geaccepteerd dan langdurige werkloosheid, werd afvloeiing door middel van de WAO vanuit sociaal oogpunt als netter ervaren.

     De zwakke arbeidsmarktpositie van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten blijkt ook uit onder meer de bescheiden resultaten die zijn geboekt bij de reïntegratie van AAW/WAO-ers in het arbeidsproces. De WAO heeft naast de doelstelling van inkomensbescherming tevens de doelstelling van revalidatie en sociale integratie. Deze tweede doelstelling is echter in de praktijk veel te weinig tot haar recht gekomen. De WAO heeft hierdoor in de praktijk in sterke mate als een fuik gewerkt: eens arbeidsongeschikt impliceerde in heel veel gevallen blijvend arbeidsongeschikt.

     In dit kader kunnen de oorzaken voor zover gelegen in het sociaal-medische circuit niet onvermeld blijven. Concreet moet hierbij onder meer gedacht worden aan de lange wachttijden in de gezondheidszorg en de problematiek van de onderlinge afstemming tussen de verschillende medische sectoren.


1.2.3. In het verleden getroffen maatregelen

     Het ontwikkelen van een beleid gericht op de beheersing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen kent zijn oorsprong in de tweede helft van de jaren '70.

     Onder volumebeleid met betrekking tot de AAW/WAO wordt sindsdien verstaan het beleid dat zich in hoofdzaak richt op het terugdringen van het vermijdbaar verzuim wegens ziekte en arbeidsongeschiktheid. Maatregelen in dit kader lagen in belangrijke mate in het verlengde van maatregelen op andere beleidsterreinen (arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorzieningsbeleid).
     De grenzen zijn dan ook niet altijd scherp te trekken. Getroffen maatregelen op belendende beleidsterreinen waren derhalve evenzeer van belang, zonder dat ze specifiek als volumebeleidsmaatregelen werden aangemerkt.
     Als voorbeelden hiervan kunnen worden genoemd:
- de invoering van de Arbeidsomstandighedenwet in 1980;
- het verlenen van arbeidsbemiddelingsbevoegdheid in 1986 aan de Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD), het ABP en het Spf met betrekking tot gehandicapte werknemers;
- de aanscherping van de ontslagrichtlijnen in 1986 met betrekking tot (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten.

     De in het verleden getroffen specifieke beleidsmaatregelen in het kader van het volumebeleid zijn vooral gericht geweest op twee centrale punten:
- een tijdige medische begeleiding, revalidatie en hulp bij de reïntegratie in het arbeidsproces door de GMD;
- de zogenaamde verdisconteringsproblematiek, dat wil zeggen de vroegere
rblz.|8| bepaling in de AAW en de WAO dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten recht hadden op een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering indien sprake was van door de handicap verminderde kansen tot het verkrijgen van passende arbeid.


Tijdige medische en arbeidskundige begeleiding

     In Bestek '81 (30 juni 1978) en in de Nota Volumebeleid van 28 juni 1979 (Kamerstukken II 1978-1979, 15 650, nrs. 1-2) heeft het toenmalige kabinet erop gewezen dat het potentieel langdurig verzuim ten dele kan worden beperkt door tijdige inschakeling van de GMD, die onder meer verantwoordelijk is voor de sociaal-medische en arbeidskundige begeleiding van arbeidsongeschikten. Dit heeft geleid tot nieuwe samenwerkingsafspraken tussen de bedrijfsverenigingen (BV-en) en de GMD, die met ingang van 1 januari 1981 van kracht werden. De BV-en en de GMD hebben daarbij een meldingssysteem afgesproken met drie duidelijke actiemomenten, te weten het begin van de vierde, zesde en negende maand van de ZW-periode. Op die momenten zou door de BV worden bezien in welke gevallen reïntegratieactiviteiten van de GMD nodig werden geacht.

     De samenwerkingsafspraken ter zake werden opnieuw gewijzigd met ingang van 1 oktober 1985, waarbij de zesdemaandsmelding centraal is komen te staan: de BV-en zouden voortaan iedere zieke, op een enkele uitzondering na, in de zesde maand van het ZW-jaar aan de GMD melden, waarbij de GMD verdere begeleidings- dan wel bemiddelingsactiviteiten op zich kan nemen.


Verdiscontering van werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsregelingen

     In de aanhef van deze paragraaf staat de werking van de vroegere verdisconteringsbepalingen in de AAW en WAO beschreven. Deze verdisconteringsbepalingen hebben tot gevolg gehad dat vrijwel alle arbeidsongeschikten (die niet tevens arbeid verrichtten) een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen. Een eerste maatregel ter beperking hiervan werd getroffen in 1976: aan de bedrijfsverenigingen werd de bevoegdheid gegeven de toepassing van de verdiscontering van de werkloosheidscomponent aan een termijn te binden. Deze maatregel was vooral gericht op de jongere uitkeringsgerechtigde met een aanmerkelijk resterend arbeidsvermogen. Vanaf 1982 volgde de GMD een procedure waarbij een reïntegratieplan werd opgesteld, vervolgens een termijn werd bepaald voor de werking van de verdiscontering (doorgaans één jaar), waarna moest worden beslist over de effectuering van de arbeidsongeschiktheidsschatting zonder verdiscontering.

     De verdisconteringsbepalingen zijn uiteindelijk, in het kader van de stelselherziening sociale zekerheid van 1 januari 1987, uit de AAW en WAO gehaald. Met de afschaffing van deze bepalingen heeft het toenmalige kabinet de uitkeringspositie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten en langdurig werklozen meer met elkaar in overeenstemming willen brengen. Na de stelselherziening ontvangt een gedeeltelijk arbeidsongeschikte slechts nog een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor zover daadwerkelijk sprake is van loonderving ten gevolge van ziekte of gebreken.

     Bij de arbeidsongeschiktheidsschatting door de GMD werd vóór de stelselherziening alleen gelet op functies binnen de eigen regio die betrokkene met zijn resterende arbeidscapaciteit zou kunnen vervullen. Na 1 januari 1987 wordt hierbij tevens gelet op nog te vervullen functies buiten de eigen regio.
    
rblz.|9| Dit betreft derhalve de tweede belangrijke wijziging in de AAW en de WAO in het kader van de stelselherziening sociale zekerheid.

     In dit verband wordt ten slotte nog gewezen op de verlaging per 1 januari 1985 van de uitkeringspercentages (van 80 naar 70) van de sociale verzekeringen. Hiermee werd het financiële beslag van onder meer de arbeidsongeschiktheidsregelingen teruggedrongen.


Wet arbeid gehandicapte werknemers (Wagw)

     Naast de maatregelen in de sfeer van de AAW en WAO betekende de invoering van de Wagw eveneens een belangrijke wijziging van het beleid. Met de Wagw, die op 1 juli 1986 in werking is getreden, wordt beoogd de arbeidsdeelname van gehandicapte mensen te bevorderen. De wet is gebaseerd op een tweetal grondslagen, namelijk het welzijn van de gehandicapte en terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
     De Wagw is gegrondvest op twee pijlers. Enerzijds de inspanningsverplichting van werkgevers, werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties om zoveel mogelijk in onderling overleg (her)plaatsingsbevorderende maatregelen te treffen (de zogeheten taakstelling).
     Anderzijds de mogelijkheid van de overheid om de verplichting op te leggen om een bepaald deel van het personeelsbestand van een onderneming uit gehandicapten te laten bestaan (de zogeheten quotumverplichting). Deze bedraagt minimaal 3 en maximaal 7%. Aan de quotumregeling is een geldelijke regeling verbonden. Indien een werkgever meer gehandicapten in dienst heeft dan waartoe hij ingevolge een opgelegd quotumpercentage verplicht is, kan hij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Indien hij minder gehandicapten in dienst heeft, kan hem een heffing worden opgelegd. Het kabinet heeft besloten de hoogte van deze bedragen vast te stellen op 15/38 van het brutominimumloon (circa ƒ10 000,- per jaar), afgeleid van de in de Wagw opgenomen ondergrens van 15 uur voor een dienstverband in de zin van die wet.
     De in de Wagw opgenomen artikelen inzake de mogelijkheid van quotumoplegging, geldelijke regeling en ontheffing van een eenmaal opgelegde quotumverplichting zijn sedert 1 juli 1989 van kracht.

     Met en in het voetspoor van de Wagw zijn maatregelen ingevoerd die de (re)integratie van gehandicapten dienen te bevorderen.
     Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de verplichting tot aanpassing van de werkomstandigheden voor in dienst zijnde gehandicapten.

 

1.3. TWVA-voorstellen en kabinetsstandpunt


     Ondanks de maatregelen die door verschillende kabinetten zijn getroffen, is de groei van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen tot dusverre onbeheersbaar gebleken.
     De stelselherziening sociale zekerheid heeft niet geleid tot de effecten die ervan werden verwacht. Uit het evaluatieonderzoek van de Wagw is inmiddels duidelijk geworden dat ook die wet nog lang niet het beoogde resultaat heeft opgeleverd.

     Het vorige kabinet heeft zich bij monde van toenmalig Staatssecretaris De Graaf, in verband met het aanhoudend groeiende beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, op 7 juli 1988 en 29 september 1988 gericht tot de Stichting van de Arbeid.
     Deze brieven hebben geleid tot een overleg tussen kabinet en Stichting van de Arbeid op 31 januari 1989. De conclusies van dit
rblz.|10| overleg zijn vastgelegd in een gezamenlijke verklaring, gepubliceerd op 20 februari 1989. Deze gezamenlijke verklaring vormde de basis voor de reeds gememoreerde Tripartiete Werkgroep Volumebeleid Arbeidsongeschiktheidsregelingen, ter uitwerking van concrete maatregelen gericht op volumebeheersing.

     De TWVA, waarin vertegenwoordigers van de Stichting van de Arbeid en van de overheid deelnamen, heeft zich over maatregelen gebogen, gericht op zowel de beperking van de toestroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen als op de heropneming van gedeeltelijk arbeidsongeschikten in het arbeidsproces. Zij heeft op 20 oktober 1989 aan het kabinet verslag uitgebracht (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 8).
     Het kabinetsstandpunt over de aanbevelingen van deze werkgroep is op 6 maart 1990 toegezonden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 65).

     Naar aanleiding van de voorstellen van de TWVA heeft het kabinet maatregelen voorgesteld om het aantal arbeidsongeschikten terug te dringen. Het kabinet heeft hierbij een aantal aanbevelingen van de tripartiete werkgroep overgenomen en nader ingevuld. Daar waar de werkgroep geen unanieme voorstellen naar voren bracht, heeft het kabinet een keuze gemaakt.

     Het kabinet kiest mede op basis van de TWVA-voorstellen voor de volgende maatregelen die de financiële betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen vergroten en die de (re)integratie van arbeidsongeschikten bevorderen:
- Introductie van
ZW-premiedifferentiatie op ondernemingsniveau.
- Een bonus/malussysteem in het vervolg van deze toelichting aangeduid met de afkorting: BMS.
- Een loonkostensubsidie en een inwerk-/begeleidingssubsidie voor een werkgever die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst neemt.
- Een budget dat ter beschikking wordt gesteld aan de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) om arbeidsongeschikten te scholen.
- Verhoging van de
ZW-uitkering voor heringetreden arbeidsongeschikten gedurende ziekteperioden gelegen in de eerste drie jaar na indiensttreding.

     In het kader van het preventieve beleid wordt een aantal voornemens geformuleerd. De werkzaamheden van de Arbeidsinspectie worden geïntensiveerd en de bedrijfstakgewijze benadering wordt benadrukt.
     De bedrijfsgezondheidszorg dient op basis van vrijwilligheid over meerdere groepen werknemers en arbeidsorganisaties te worden uitgebreid. Bedrijfstakorganisaties zouden verzuimbeheersingsprogramma's moeten opzetten ten behoeve van aangesloten bedrijven. Ook wordt een breed pakket aan maatregelen voorgesteld met een voorwaardenscheppend en stimulerend karakter.
     Te denken valt hierbij onder meer aan meerjarenprogramma's van onderzoek, scholing van leidinggevenden, voorlichting, verbetering van statistische informatie en het invoeren van een adequaat ziekmeldings- en verzuimregistratiesysteem.

 

1.4. Najaarsoverleg


     Het Najaarsoverleg van 2 oktober 1990 tussen sociale partners en kabinet heeft geresulteerd in een gemeenschappelijke verklaring ten aanzien van het volumebeleid arbeidsongeschiktheid.
     Tijdens het Najaarsoverleg is overeenstemming tussen de drie partijen
rblz.|11| bereikt, voortbouwend op de voorstellen van de tripartiete werkgroep en rekening houdend met het kabinetsstandpunt van 6 maart 1990.

     De afspraken uit de gemeenschappelijke verklaring zijn onder te verdelen in maatregelen met betrekking tot intensivering van de gevalsbehandeling en invoering en verbetering van wettelijke (re)integratie-instrumenten en met betrekking tot preventie van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Beklemtoond wordt dat het nodig is op alle niveaus vanaf dat van de afzonderlijke onderneming tot en met het nationale niveau te komen tot een meer geïntegreerde aanpak van verzuim- en arbeidsongeschiktheidproblemen door organen, diensten en instellingen op het terrein van arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid. De beleidsmatige inzet van sociale partners en overheid is dat de eerste gunstige effecten in 1991 zichtbaar worden, waarna het streven is zo spoedig mogelijk te komen tot een stabilisatie van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Het voornemen is om medio 1992 de effecten van de beleidsmaatregelen te evalueren. De maatregelen voortvloeiend uit het Najaarsoverleg worden hieronder beknopt weergegeven.


Intensivering gevalsbehandeling

     De begeleiding bij ziekteverzuim zal als volgt worden geïntensiveerd:
- gedurende de eerste zes weken ziekteverzuim heeft met name de bedrijfsgezondheidszorg - in samenwerking met de bedrijfsvereniging - een taak bij de begeleiding van de werknemer;
- bij zes weken ziekteverzuim is het wenselijk dat er contact is tussen de bedrijfsgezondheidsdienst, de bedrijfsvereniging, werkgever en werknemer over het stellen van een prognose en over hervatting van de werknemer in de eigen, dan wel een andere, passende functie;
- bij drie maanden verzuim stelt de bedrijfsvereniging een terugkeerplan op, waarbij artikel 30 ZW een belangrijke rol kan spelen
- bij zes maanden verzuim vindt er een verplichte melding van de bedrijfsvereniging aan de GMD plaats;
- kort vóór het einde van het
ZW-jaar wordt een arbeidsongeschiktheidsschatting verricht waarbij ook nadrukkelijk moet worden gekeken naar reïntegratiemogelijkheden
- na toekenning van een AAW/WAO-uitkering dient er periodiek contact te zijn tussen de uitkeringsgerechtigde en de uitvoeringsorganen. Kort vóór het einde van de periode van wettelijke ontslagbescherming dient in ieder geval sprake te zijn van een reïntegratiegesprek;
- ook voor werknemers die al gedurende langere tijd een beroep doen op de AAW/WAO geldt dat periodiek de mogelijkheden tot her-, om- of bijscholing en reïntegratie aandacht behoeven.

     In enkele bedrijfstakken en/of regio's dient een experiment met een geïntensiveerde begeleiding van zieke/arbeidsongeschikte werknemers te worden opgezet om zo te kunnen beoordelen of, en zo ja, in welke mate extra inzet van personeel leidt tot verhoging van het aantal reïntegraties.
     Primair in de Stichting van de Arbeid zal worden bezien welke invulling de begrippen ziekte en gebrek in de loop der jaren in de praktijk invulling hebben gekregen. Hierbij is onder meer de vraag aan de orde of die invulling c.q. uitvoering spoort met de beoogde doelstellingen van inkomensbescherming en (re)integratie.


Invoering en verbetering van reïntegratie-instrumenten

     Overheid en sociale partners zijn in het Najaarsoverleg tot de volgende aanvullende maatregelen ten aanzien van middelen ter bevordering van reïntegratie gekomen:
- Verbetering van de toepassingsmogelijkheden van artikel 30 ZW.
rblz.|12| - Uitbreiding van de mogelijkheden van de artikelen 33 AAW en 44 WAO. De toepassingstermijnen worden verlengd en de voorgeschreven SVr-procedure kan vervallen.
- Uitstel van een hernieuwde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling tot één jaar na afronding van scholing door een arbeidsongeschikte. De GMD moet in dit jaar intensief bemiddelingsactiviteiten ontplooien.
- Beperking van de maximale beslissingstermijn na aanvraag van een werkvoorziening tot drie maanden en bij de toekenning van voorzieningen aan werkgevers dient meer nadruk te liggen op het belang van de reïntegratie
- Introductie in de AAW/WAO van een regeling min of meer analoog aan artikel 30
ZW, vooralsnog voor het eerste jaar van de AAW/WAO.
- Aanpassing van de ontslagrichtlijn waardoor een arbeidsongeschikte werknemer niet meer zelf, zoals tot dusverre, een passende functie hoeft te duiden bij zijn bedrijf wanneer de werkgever voor hem of haar een ontslagvergunning heeft aangevraagd bij het arbeidsbureau. De werkgever dient aan te tonen dat er geen passend werk voor betrokkene beschikbaar is. De beoordeling hiervan wordt opgedragen aan de betrokken bedrijfsvereniging c.q de GMD die hierover advies moet uitbrengen aan de directeur van het arbeidsbureau, die beslist over de ontslagaanvraag.
- Bepleit wordt om op het niveau van de bedrijfsvereniging de mogelijkheden om als werkgever eigenrisicodrager te worden te verruimen.


Preventie

     Preventief beleid moet door sociale partners op sectorniveau en op ondernemingsniveau worden ingevuld door:
- preventie als onderwerp van aandacht te betrekken bij het arbeidsvoorwaardenoverleg;
- het invullen van een beleid gericht op oudere werknemers, met name in beroepen en functies met een grote en/of eenzijdige belasting;
- het opstarten van programma's ter voorkoming van psychische en lichamelijke klachten;
- voorlichting en onderzoek.
     Door een tripartiete werkgroep wordt een handleiding verzuimpreventie ontworpen. Deze handleiding dient ter ondersteuning van het maken van afspraken in het arbeidsvoorwaardenoverleg en dient tevens als hulpmiddel voor preventieve beleidsvoering die met het systeem van premiedifferentiatie ZW wordt beoogd.
     Verder zal er een inventarisatie plaatsvinden van de mate waarin en de wijze waarop met name uit openbare middelen en socialezekerheidsgelden financiering plaatsvindt van preventieactiviteiten van algemene aard die het CAO-niveau overstijgen met betrekking tot de kwaliteit van de arbeid.

     Op het niveau van de onderneming/instelling moet preventie ten aanzien van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid voorts worden bereikt door:
- uitbreiding van de bedrijfsgezondheidszorg tot meerdere ondernemingen/instellingen;
- een verzuimregistratie waardoor onder meer tijdige taakaanpassing of herplaatsing mogelijk wordt;
- het bespreekbaar maken van verzuim binnen een onderneming;
- kwaliteitsverbetering van arbeid en arbeidsomstandigheden;
- scholing en training van leidinggevenden.

rblz.|13| 

1.5. De adviezen van de Sociale Verzekeringsraad, het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds en het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening ¹


1.5.1. Advies van de Sociale Verzekeringsraad

     Op 20 december 1990 is aan de SVr uitvoeringstechnisch advies gevraagd over een voorontwerp van wet met een bijbehorende memorie van toelichting. In zijn vergadering van 18 april 1991 heeft de SVr zijn advies vastgesteld. Ik ben de SVr erkentelijk voor zijn snelle en uitvoerige advies. In zijn advies beperkt de SVr zich tot een beoordeling van de uitvoeringstechnische en wetstechnische aspecten van de voorgestelde maatregelen.
     De SVr spreekt in zijn advies de hoop uit dat de thans voorgestelde maatregelen zullen bijdragen aan een stabilisering en op termijn een daling van het aantal arbeidsongeschikten. Maar eerst na verloop van tijd zal blijken in welke mate de maatregelen bijdragen aan het terugdringen van het volurne arbeidsongeschikten. De volumedoelstelling van het kabinet wordt door de SVr als een bijzonder ambitieuze doelstelling beschouwd, vanwege onder meer optredende verdringingseffecten naar bijvoorbeeld de WW en de tijd die nodig zal zijn voordat de maatregelen volledig effectief worden.
     Het kabinet is zich steeds ten zeerste bewust geweest van het ambitieuze karakter van zijn doelstelling. De aard en omvang van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek rechtvaardigt een substantiële inzet naar zijn overtuiging echter ten volle. Dat - zoals in de inleiding van deze memorie van toelichting vermeld - onder invloed van sterk verslechterde vooruitzichten de beoogde stabilisatie van het volume in 1994 op het niveau van 1989 niet zal worden gerealiseerd, doet hieraan niet af.

     De SVr merkt op dat met de voorgestelde maatregelen een groot beroep wordt gedaan op de uitvoeringsorganen. De SVr is voornemens de ontwikkelingen in de uitvoering ter zake intensief te volgen. Ter zake van zijn advies over de diverse concrete voorstellen is het verheugend dat de SVr in het algemeen positief staat tegenover de diverse maatregelen.
     Teleurstellend is het dat op een aantal punten en met name ten aanzien van een aantal belangrijke maatregelen de SVr een verdeeld advies uitbrengt. Zo is de SVr verdeeld over de hoogte van de bonusuitkering en de geldelijke bijdrage, terwijl ook over de voorgestelde financiering via het AAf [Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] niet eensluidend wordt gedacht.
     Ook over de maximering van de geldelijke bijdrage, teneinde de kleine werkgevers te ontzien, alsmede over het volledig uitzonderen van de kleine werkgevers is het advies verdeeld.
     Ten aanzien van de voorgestelde premiedifferentiatie ZW is de SVr, hoewel hij positief staat tegenover de invoering van een dergelijk systeem, verdeeld.
     Met name is de SVr verdeeld over de vraag of een uitzondering mogelijk moet zijn inzake het toepassen van de premiedifferentiatie daar waar toepassing door de bedrijfsverenigingen niet zinvol wordt geacht in samenhang met uitvoeringskosten en financiële effecten.
     In zijn advies gaat de SVr zeer gedetailleerd in op de uitvoeringstechnische en wetstechnische aspecten van de voorgestelde maatregelen. In hoofdstuk 2, waarin de diverse concrete maatregelen nader worden uitgewerkt, zal hieraan verder aandacht worden besteed.

1. Ter inzage gelegd in de bibliotheek.

rblz.|14| 
1.5.2. De adviezen van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds en het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA)

     Bij brief van 21 januari 1991 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken advies gevraagd aan het ABP over de maatregelen opgenomen in het voorontwerp van Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet TAV) voor zover betrekking hebbende op de overheidssector.
     In zijn vergadering van 28 maart 1991 heeft het bestuur van het ABP zijn advies vastgesteld.
     Bij brief van 14 januari 1991 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat aan het Spf advies gevraagd over de maatregelen in het voorontwerp van Wet TAV. In zijn vergadering van 10 april 1991 heeft het bestuur van het Spf zijn advies vastgesteld.

     Ten aanzien van het BMS voor de overheid merkt het ABP in zijn advies op dat moet worden betwijfeld of introductie hiervan, in aanvulling op de bestaande financiële verantwoordelijkheden, de beoogde werking zal hebben zonder dat dat gekoppeld wordt aan een aanpassing van de bestaande budgetterings- en begrotingsmethodieken in een aantal deelsectoren van de overheid.
     Ook het Spf vraagt in zijn advies om nadere aandacht voor de introductie van het BMS in de voor hem relevante sector tegen de achtergrond van het systeem van herplaatsingswachtgeld.
     Ondanks de twijfels respectievelijk kanttekeningen van het ABP en het Spf blijft het kabinet van oordeel dat het BMS in alle sectoren, zowel de marktsector als de overheidssector alsmede in de G-en-G-sector [gepremieerde en gesubsidieerde sector, red.], ingevoerd moet worden. Eventuele bijzondere andere systemen of bijzondere financieringsstructuren rechtvaardigen voorshands geen uitzonderingspositie. Wel zijn er in een aantal gevallen bijzondere voorwaarden of voorzieningen vereist. Hierop zal in paragraaf 2.1, waar het BMS als concrete maatregel wordt besproken, nader worden ingegaan.
     Het ABP en het Spf maken in hun advies bij de diverse relevante maatregelen nog een aantal uitvoeringstechnische, wetstechnische alsmede redactionele opmerkingen. Bij het bespreken van de diverse maatregelen zal hieraan waar nodig aandacht worden besteed.
     Ten aanzien van een aantal maatregelen (verbeterde toepassing artikel 30
ZW; uitstel schatting bij scholing; ruimere toepassing artikelen 33 AAW en 44 WAO) geeft het ABP aan dat door een wijziging van de verschillende rechtspositieregelingen respectievelijk een aanpassing van de Abp-wet, ook voor de overheidssector, de beoogde maatregelen kunnen worden doorgevoerd.
     Gestreefd wordt naar de in het advies aangegeven wijzigingen op zo kort mogelijke termijn.
     Het ABP wijst er in het slot van zijn advies nog op dat de uitvoeringskosten van de diverse voorstellen in belangrijke mate bepaald worden door de wijze waarop aansluiting wordt gezocht bij de reeds bestaande Abp-administratie. Met deze opmerking zal bij doorvoering en uitwerking van de maatregelen zoveel als mogelijk is rekening worden gehouden.
     Op 11 januari 1991 is aan het CBA advies gevraagd over het voorontwerp van Wet TAV en met name over het onderdeel loonkostensubsidie. Op 3 mei jl. heeft het CBA een brief gestuurd aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin wordt meegedeeld dat het CBA zich op hoofdlijnen kan verenigen met de voorgestelde maatregelen. Naar aanleiding van de constatering dat met de invoering van dit wetsvoorstel ter ondersteuning van de arbeidsinpassing van gedeeltelijk arbeidsongeschikten een beroep kan worden gedaan op een drietal regelingen, beveelt het CBA aan na achttien maanden te bezien in hoeverre dat in de praktijk tot knelpunten leidt. Met betrekking
rblz.|15| tot de loonkostensubsidieregeling merkt het CBA op dat goede afstemming met het instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie van belang is. Dit kan door middel van jaarlijks te maken afspraken tussen GMD, ABP, Spf en CBA respectievelijk Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening over de inzet van het instrument. In de zomer zal het CBA zich nader fundamenteel beraden over de betekenis van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de arbeidsinpassing van arbeidsongeschikten.

 

1.6. Het advies van de Sociaal-Economische Raad over de mogelijke doorwerking van een differentiatie van de Ziektewetpremie


     Bij brief van 6 december 1990 is aan de SER advies gevraagd over een mogelijke doorwerking van een differentiatie van de ZW-premie op ondernemingsniveau naar het op het loon in te houden deel van de ZW-premie.
     In zijn vergadering van 15 maart 1991 heeft de SER zijn advies vastgesteld.
     Het is teleurstellend dat de SER verdeeld is over het al dan niet laten doorwerken van de gedifferentieerde premie. Bovendien kiest een deel van de SER voor beleidsalternatieven, die nog aan de orde komen bij de behandeling van de adviesaanvraag van 19 februari 1991, boven het systeem van premiedifferentiatie. Dit deel van de SER acht op zich een grotere financiële betrokkenheid voor individuele ondernemingen een belangrijk instrument voor het terugdringen van het ziekteverzuim, maar is van oordeel dat aan het systeem van premiedifferentiatie verschillende bezwaren van bestuurlijke en uitvoeringstechnische aard zijn verbonden.

     Het andere deel van de SER acht op zich het instrument van premiedifferentiatie nuttig in het kader van het terugdringen van het ziekteverzuim, maar is verdeeld over de vraag of het moet doorwerken in het loon van de werknemers. Een deel acht dit zeer gewenst en vindt zelfs dat bij een verplichting tot differentiatie ook een verplichting tot doorwerking past. Ook de wettelijke maximering van 1% van het werknemersdeel van de ZW-premie wordt door dit deel ter discussie gesteld. Een ander deel wijst de doorwerking van de premiedifferentiatie af, omdat verschillen in ziekteverzuim op ondernemingsniveau toch vooral zijn toe te schrijven aan de feitelijke arbeidsomstandigheden binnen de onderneming.
     Binnen de huidige wetgeving heeft de werkgever daarenboven in laatste instantie de doorslaggevende stem in beslissingen over de inrichting van de arbeidsorganisatie en de kwaliteit van de arbeid.
     In paragraaf 2.2 zal nader worden ingegaan op de doorwerking van de premiedifferentiatie op het loon van de werknemer.

 

1.7. Concretisering van maatregelen


     Het kabinet acht het huidige aantal arbeidsongeschikten en de toename daarvan sociaal-maatschappelijk en economisch onaanvaardbaar. Aangezien in het verleden genomen maatregelen niet voldoende resultaat hebben opgeleverd, behoeft het tot op heden gevoerde kabinetsbeleid ten aanzien van arbeidsongeschikten intensivering en uitbreiding. Met het meersporenbeleid, met als onderdeel hiervan dit voorstel van wet, meent het kabinet de meer algemene doelstellingen van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, namelijk het recht op zelfontplooiing en het recht op gelijke kansen voor de gehandicapte, verder te verwezenlijken en de groei van het arbeidsongeschiktheidsvolume en het omvangrijke financiële beslag van deze regelingen terug te dringen.
    
rblz.|16| Beperking van de WAO- en AAW-instroom via preventief beleid wordt voornamelijk vormgegeven door afspraken omtrent wederzijdse verplichtingen tussen sociale partners en samenwerking tussen overheid en sociale partners.
     De intensivering van de gevalsbehandeling zal door middel van richtlijnen voor de uitvoeringsorganen gebeuren, De SVr is bij brief van 4 december 1990 verzocht de implementatie van deze intensivering te bevorderen. De aanscherping van de ontslagbescherming van arbeidsongeschikte werknemers heeft inmiddels met ingang van 1 januari 1991 plaatsgevonden middels het delegatiebesluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 december 1990 (Stcrt. 1990, 252).

     In juli 1991 heeft de SVr een eerste rapportage uitgebracht over de voortgang bij de uitvoeringsorganen met betrekking tot de invoering van die maatregelen die geen wetgeving behoeven. Die rapportage was in hoge mate kwalitatief van aard. Eind 1991 zal een rapportage van de SVr volgen waarin ook kwantitatief is aangegeven wat er in de uitvoering is gebeurd.

     In het voorliggende voorstel van wet worden de volgende AAW/WAO-instroombeperkende en uitstroombevorderende maatregelen uitgewerkt:
- Een BMS (paragraaf 2.1).
- Differentiatie van het werkgeversdeel van de ZW-premie op basis van het ziekteverzuim op ondernemingsniveau en doorwerking naar het loon van de werknemer (paragraaf 2.2).
- Een loonkostensubsidie, eventueel in combinatie met een begeleidingssubsidie voor een werkgever die een arbeidsongeschikte in dienst neemt (paragraaf 2.3).
- De mogelijkheid om een arbeidsongeschikte wanneer deze ziek wordt na werkhervatting, gedurende drie jaar na indiensttreding bij een werkgever een aanvulling te bieden vanuit de ZW. De aanvulling komt zodoende niet ten laste van de werkgever (paragraaf 2.4).
- Een ruimere mogelijkheid om een aanvulling op de
ZW-uitkering te geven aan een zieke werknemer wanneer deze hervat (paragraaf 2.5).
- Een sanctie in de WAO en AAW voor een werkgever die weigert een arbeidsongeschikte werknemer passend werk te laten verrichten. Mogelijkheden om een sanctie toe te passen bij een werknemer die niet in passend werk wil hervatten, zijn reeds in de werkloosheidsregelingen gerealiseerd (paragraaf 2.6).
- Uitstel van herkeuring tot één jaar nadat een arbeidsongeschikte een scholing heeft afgerond (paragraaf 2.7).
- Herziening van het dagloon (WAO) of de grondslag (AAW) wanneer de arbeidsongeschiktheid van een persoon toeneemt nadat deze is hervat in een functie met een hoger dagloon dan het dagloon dat hij of zij had in een vorige functie (paragraaf 2.8).
- Verruiming van de mogelijkheid om de WAO- of AAW-uitkering tijdelijk lager vast te stellen zonder dat er een definitieve arbeidsongeschiktheidsschatting plaatsvindt (paragraaf 2.9).
- Een verplichte keuring in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW (paragraaf 2.11) en een verplichte zesdemaandsmelding voor de overheidssector.

 

rblz.|17| 

2. Uitwerking concrete voorstellen


2.1. Het systeem van bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen (BMS)


2.1.1. Achtergrond en doel

     Het BMS is een van de maatregelen die voortvloeien uit de interim-rapportage van de TWVA. Ter vergroting van de financiële betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen heeft de TWVA een aantal maatregelen voorgesteld. Zoals in het kabinetsstandpunt is verwoord, heeft het kabinet in dit kader gekozen voor een combinatie van het zogenaamde ziekteverzuimregistratiesysteem (dat wil zeggen premiedifferentiatie ZW op ondernemingsniveau) en het BMS. Uitgaande van de gedachte dat de financiële prikkel dient te worden gericht op de werkgever en uitgaande van het gegeven dat de grootste effectiviteit mag worden verwacht van een prikkel gericht op de individuele werkgever, is het kabinet van oordeel dat de gekozen systemen het best aan deze uitgangspunten voldoen. Beide systemen hebben een directe invloed op het handelen van de werkgever. Bovendien vullen beide systemen elkaar onderling aan, door aan te sluiten bij respectievelijk de ZW-periode en de AAW/WAO-periode. Het kabinet verwacht van de van beide systemen uitgaande financiële prikkel een gedragsreactie van de werkgever, tot uiting komende in het verzuim- en arbeidsomstandighedenbeleid van de onderneming.
     Zoals ook in het kabinetsstandpunt is aangegeven, is het kabinet van oordeel dat de besluitvorming over de feitelijke keuze voor het hanteren van het systeem niet kan worden overgelaten aan de bedrijfsverenigingen. Om een optimale werking te verkrijgen, is een uniforme aanpak in de vormgeving van het systeem geboden. Om deze reden is gekozen voor een wettelijk verplichte regeling, zowel voor het systeem van de premiedifferentiatie ZW als voor het BMS. In de concrete uitwerking zijn uiteindelijk per bedrijfstak wel degelijk verschillen denkbaar. Om een optimale werking te verkrijgen, zullen op bepaalde punten zelfs verschillen noodzakelijk zijn.

     Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan per bedrijfstak of sector verschillend te hanteren marges voor het premiedifferentiatiesysteem of aan per bedrijfstak qua hoogte verschillende geldelijke bijdragen.
     Ten aanzien van het BMS is gekozen voor een regeling die zo direct mogelijk, maar tevens zo eenvoudig mogelijk werkt. Hiermee wordt aangesloten bij de bedoelingen van de TWVA, terwijl van een regeling die direct werkt tevens het meeste effect wordt verwacht. De hier gekozen uitgangspunten, zo direct mogelijk en tevens zo eenvoudig mogelijk werkend, impliceren tevens een instrument dat breed, maar in zijn uitwerking ook grof werkt. Zo wordt niet gekeken naar de oorzaken van arbeidsongeschiktheid. Dit houdt dus in dat een werkgever een geldelijke bijdrage verschuldigd kan zijn voor zijn werknemer die een beroep gaat doen op de AAW/WAO, terwijl de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid geheel buiten het bedrijf ligt. Afgezien van het feit dat aansluiten bij de oorzaak van arbeidsongeschiktheid in strijd is met de huidige structuur van de AAW/WAO, verwacht het kabinet van dit breed werkende instrument de grootste financiële prikkel. De financiële bijdrage moet dus vooral worden gezien als een prikkel tot het voeren van een preventief beleid en tot herplaatsing van gedeeltelijk arbeidsongeschikten (zie ook paragraaf 2.1.2). Wel vraagt die brede werking extra aandacht voor de positie van de kleine werkgevers. In paragraaf 2.1.4 (niveau van het BMS) wordt hierop nader ingegaan.

     rblz.|18| Met genoegen heeft het kabinet kunnen vaststellen dat de SVr in zijn advies uitdrukkelijk aangegeven heeft zich te kunnen verenigen met de inhoud en strekking van het BMS. De SVr onderkent wel de spanning die zit in enerzijds de grove werking van het systeem en anderzijds de op de individuele werkgever gerichte prikkel die ervan uit moet gaan. Niettemin acht de SVr het een zwaarwegend argument dat op deze wijze van de maatregel een zo goed mogelijke uitvoerbaarheid mag worden verwacht.
     Omtrent de concrete uitwerking van het BMS is de SVr echter niet tot een unaniem advies kunnen komen. Over die concrete uitwerking gaat de volgende paragraaf.


2.1.2. Concrete uitwerking

     Wat betreft de concrete uitwerking is gekozen voor het opnemen van het BMS in de AAW. Hierdoor is het BMS direct toepasbaar op elke werkgever in Nederland, natuurlijk of rechtspersoon, werkgever in het bedrijfsleven en overheid. Het opnemen van het BMS in enige andere regeling is derhalve niet noodzakelijk.

     Zoals gezegd, is de SVr niet unaniem over de concrete uitwerking. De verdeeldheid betreft met name de hoogte van de geldelijke beloningen en geldelijke bijdragen, de wijze waarop rekening gehouden moet worden met de positie van kleine werkgevers en de aanwending van het verwachte overschot dat ontstaat doordat het totaal aan geldelijke bijdragen het totaal aan toegekende uitkeringen overtreft.

     Een deel van de SVr stemt in met het voorgestelde verschil in hoogte tussen de geldelijke bijdrage en de uitkering. Bij de bepaling daarvan op respectievelijk vier maanden gemiddeld en zes maanden meent dit deel van de SVr dat daarbij gerelateerd moet worden aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering in plaats van aan het brutosalaris van de betrokken werknemer. Een overschot dient volgens dit deel van de SVr naar de werkgevers terug te vloeien via verlaging van de AAW-premie en de daaraan gekoppelde overhevelingstoeslag. Een ander deel van de SVr opteert voor een constructie waarbij de regeling wordt opgebouwd uit een bodemregeling met aanvullend een regeling waarbij de bedrijfsvereniging zelf de geldelijke bijdragen of uitkeringen per bedrijfstak kan verhogen en zo de verhouding tussen de geldelijke bijdragen en uitkeringen kan beïnvloeden. Een eventueel overschot zou per bedrijfstak aangewend kunnen worden voor volumemaatregelen.

     Met betrekking tot de vraag op welke wijze met de positie van kleine werkgevers rekening gehouden moet worden, acht een deel van de SVr een maximering van het totaal in één jaar aan een werkgever op te leggen geldelijke bijdragen op 5% van de totale brutoloonkosten een reële optie. Een ander deel acht 5% te hoog en opteert voor een plafond van 2%. Een deel van dit deel van de SVr kiest bovendien voor een mogelijkheid om kleine werkgevers, gedacht wordt aan maximaal tien werknemers in dienst, uit te zonderen van het systeem.
     Het kabinet meent, mede gezien de verdeeldheid binnen de SVr, de ingezette lijn te moeten vasthouden.

     De regeling is zodanig opgezet dat de werkgever direct recht op een bonusuitkering krijgt indien hij een persoon in dienst neemt die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt.
     Deze arbeidsongeschiktheidsuitkering behoeft niet beperkt te zijn tot een uitkering gebaseerd op de arbeidsongeschiktheidsregelingen voor de marktsector, maar kan ook gebaseerd zijn op de overheidsregelingen.
rblz.|19| Een werkgever in het bedrijfsleven die een (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte ambtenaar in dienst neemt, heeft derhalve ook recht op een uitkering. Op deze wijze heeft de regeling een zo breed mogelijke werking.
     Uiteraard is het wel de bedoeling dat de arbeidsongeschikte geruime tijd in dienst blijft. Het kabinet heeft gekozen voor een minimale termijn van één jaar. Dit impliceert een terugvorderingsmogelijkheid van de uitkering als het dienstverband binnen deze termijn wordt verbroken.
     De werkgever dient een geldelijke bijdrage te betalen indien een persoon in zijn dienst recht krijgt op een (wat de overheid betreft fictieve) arbeidsongeschiktheidsuitkering AAW/WAO. Het is derhalve niet van belang of de dienstbetrekking met de werknemer wordt verbroken. Een werknemer gaat een beroep doen op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, dit veroorzaakt een volumetoename en dit vereist een geldelijke bijdrage. Uiteraard is het vervolgens wel van belang of de desbetreffende werknemer - voor zijn resterende verdiencapaciteit - aan het werk blijft bij zijn werkgever. In dat geval acht het kabinet oplegging van een geldelijke bijdrage niet in de rede liggen. Gekozen is, mede naar aanleiding van het SVr-advies, dan ook voor de werkwijze dat eerst na een jaar een geldelijke bijdrage wordt ingevorderd. Is de arbeidsongeschikte aan het werk gebleven, dan kan invordering na dat jaar achterwege blijven. Hiermee wordt een extra prikkel gecreëerd ten aanzien van het in dienst houden en vooral het feitelijk herplaatsen van de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte. Met betrekking tot het overheidspersoneel is bovendien een anticumulatieregeling opgenomen met het herplaatsingswachtgeld (zie ook paragraaf 2.1.7).
     Eén en ander zal nader uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.


2.1.3. Samenloop

     De laatste jaren zijn verschillende loonkostensubsidies geïntroduceerd (Wet Vermeend/Moor, Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau) teneinde de verschillende achterstandsgroepen op de arbeidsmarkt gelijke kansen te bieden. Het ontstaan van de verschillende loonkostensubsidies vergt wel een zorgvuldige afweging omtrent het al dan niet cumuleren. Immers voorkomen moet worden dat er een onoverzichtelijk geheel van subsidiestromen ontstaat, waarbij voor één werknemer uit meerdere subsidiebronnen kan worden geput. Cumulatie van verschillende subsidies voor één en dezelfde werknemer acht het kabinet in beginsel ongewenst.
     Ook moet voorkomen worden dat er een ongewenste concurrentieverhouding ontstaat tussen de verschillende achterstandsgroepen op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld tussen langdurig werklozen en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten. Bij elk nieuw te creëren instrument dient derhalve al dan niet cumulatie met reeds bestaande subsidie-instrumenten zorgvuldig te worden afgewogen.
     Wat betreft het BMS leidt dit tot de volgende afwegingen.
     Er kan geen sprake zijn van samenloop van de bonusuitkering en een loonkostensubsidie van de GMD. De combinatie van beide regelingen zou een te forse financiële injectie betekenen voor de werkgever. In het wetsvoorstel is samenloop van beide regelingen dan ook uitgesloten in die zin dat als een loonkostensubsidie is toegekend, geen bonusuitkering wordt gegeven. Naast deze samenloop heeft het kabinet nog mogelijke samenloop met andere subsidie-instrumenten bekeken.

     Allereerst de samenloop met de geldelijke bijdrage/tegemoetkoming op basis van artikel 5 van de Wagw. De Wagw-regeling, die overigens eerst effectief wordt indien rblz.|20| daadwerkelijk besloten zou worden tot quotumoplegging, gaat uit van een bestandsgegeven. Dat wil zeggen dat eerst een bijdrage verschuldigd is respectievelijk gegeven wordt indien het aantal gehandicapte werknemers minder respectievelijk meer is dan bij algemene maatregel van bestuur is vereist. Het BMS baseert zich op een stroomgegeven, dat wil zeggen, geeft een bonusuitkering of vordert een geldelijke bijdrage als een arbeidsongeschikte werknemer in dienst genomen wordt respectievelijk een werknemer arbeidsongeschikt wordt. Dit impliceert dat beide regelingen op verschillende niveaus werken en derhalve niet behoeven te cumuleren. Indien bijvoorbeeld een werkgever een bijdrage moet betalen in het kader van het BMS omdat zijn werknemer een AAW/WAO-uitkering gaat ontvangen, betekent dit nog niet dat hij ook een bijdrage in het kader van de Wagw moet gaan betalen. Zit hij namelijk ondanks de uitstoot nog steeds boven het quotum, dan wordt er, in het kader van de Wagw, een bedrag ontvangen, zij het dat het totaalbedrag aan tegemoetkomingen welke hij op grond van artikel 5 Wagw ontvangt, afneemt. Heeft deze uitstoot daarentegen tot gevolg dat hij (nog verder) daalt beneden het quotum, dan zal deze uitstoot ook gevolgen hebben voor zijn te betalen bijdrage in het kader van de Wagw. Het kabinet is van oordeel dat een maximering op jaarbasis van de heffingen dan wel tegemoetkomingen tot een bepaald deel van de brutoloonkosten van een bedrijf gewenst kan zijn. Indien te zijner tijd tot quotumoplegging zou worden besloten, dan zal het kabinet ook hieraan aandacht besteden.

     Voorts kan er sprake zijn van een samenloop van het BMS met een loondispensatieregeling, bijvoorbeeld die van artikel 8 Wagw. Het kabinet meent dat er geen reden is deze samenloop uit te sluiten. De loondispensatie kan niet gezien worden als een vorm van (loonkosten)subsidie. Bij loondispensatie gaat het immers om een gerechtvaardigde aanpassing van de geldelijke tegenprestatie van de werkgever voor verrichte arbeid. Deze aanpassing correspondeert met een verminderde arbeidsprestatie ten opzichte van de in een desbetreffende functie normaal te achten arbeidsprestatie.

     Vervolgens de mogelijke samenloop met de subsidieregelingen op basis van de Kaderregeling arbeidsinpassing (KRA), waaronder worden begrepen de subsidieregelingen voor de langdurig werklozen op basis van de Wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn (Wet Vermeend/Moor), de Subsidieregeling bevordering arbeidsinpassing (SBA) en de Uitvoeringsregeling bevordering arbeidsinpassing. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten kunnen immers ook langdurig werkloos zijn en in die zin vallen onder deze subsidieregelingen. Gelijktijdige subsidietoekenning op basis van arbeidsongeschiktheid en langdurige werkloosheid zou echter een te sterke financiële prikkel betekenen. Ook is het kabinet van oordeel dat er geen sprake mag zijn van een ongelijkwaardige verhouding tussen de instroombevorderende maatregelen ten behoeve van langdurig werklozen enerzijds en gedeeltelijk arbeidsongeschikten anderzijds. Een dubbele subsidie voor de langdurig werkloze arbeidsongeschikte zou een onjuiste concurrentieverhouding op de arbeidsmarkt opleveren ten opzichte van de langdurig werkloze. Cumulatie moet derhalve worden voorkomen.

     Vervolgens is gekeken naar de mogelijke cumulatie met de loonkostenreductieregeling op minimumloonniveau (Wlom). Deze generiek werkende subsidieregeling richt zich op personen die het minimumloon ontvangen. In feite verlaagt deze regeling de loonkosten op minimumloonniveau met circa 10% (de maximale subsidie bedraagt ƒ3200 per jaar). Om de financiële prikkel, voortvloeiende uit het BMS, voor de arbeidsongeschikte rblz.|21| op minimumloonniveau ten opzichte van de minimumloner, niet arbeidsongeschikt zijnde, op gelijke hoogte te houden, heeft het kabinet gekozen voor het in voorkornende gevallen toestaan van cumulatie van beide regelingen. Hierbij speelt ook de overweging een rol dat de totale loonkostenreductie bij cumulatie niet te hoog wordt geacht.

     Ten slotte is gekeken naar de cumulatie van het BMS met vergoedingen voor voorzieningen op basis van de artikelen 57 en 57a AAW. Laatstgenoemde bijdragen zijn echter vergoedingen voor gemaakte kosten, hetgeen betekent dat cumulatie met het BMS mogelijk moet zijn.


2.1.4. Het niveau van het BMS

     In het TWVA-rapport wordt geen standpunt ingenomen over het niveau van het BMS. Wel wordt aandacht gevraagd voor een te sterke financiële belasting voor bedrijven met een groot invalideringsrisico en voor de positie van kleine werkgevers. Het kabinetsstandpunt van 6 maart 1990 gaat wel in op de hoogte van het BMS. Bij wijze van voorbeeld worden verschillende varianten aangegeven. Voor de hoogte van de geldelijke bijdrage wordt aangegeven dat gedacht kan worden aan een gemiddelde van circa vier maanden brutosalaris. Voor de hoogte van de bonusuitkering aan zes maanden salaris.

     In het voorliggende wetsvoorstel is de exacte hoogte van het BMS niet nader geregeld. Dit dient te geschieden in een algemene maatregel van bestuur. Wel is in de wet een maximum aangegeven wat betreft de geldelijke bijdragen. Het kabinet is voornemens vooralsnog aan te sluiten bij het niveau waarvoor in het kabinetsstandpunt voorbeeldsgewijze werd geopteerd. Voor de bonusuitkering zou dit betekenen een uniform niveau van zes maanden brutosalaris van de betrokken werknemer.

     Wat betreft de hoogte van de geldelijke bijdrage wordt in het kabinetsstandpunt uitgegaan van twee varianten. De eerste variant gaat uit van een uniforme geldelijke bijdrage van bijvoorbeeld vier maanden. Het grote voordeel van deze variant is dat deze relatief eenvoudig en voor de bedrijfsverenigingen goed uitvoerbaar is. Een nadeel is dat geen rekening wordt gehouden met de arbeidsongeschiktheidsrisico's van een bedrijfstak. De tweede variant houdt juist wel rekening met de arbeidsongeschiktheidsrisico's. In deze variant wordt de geldelijke bijdrage gedifferentieerd naar bedrijfstak waarbij een lagere geldelijke bijdrage wordt bepaald naar mate het gerelateerde arbeidsongeschiktheidsrisico in de bedrijfstak op een hoger niveau ligt. Deze variant gaat ervan uit dat een dergelijke bedrijfstak relatief zware arbeidsomstandigheden heeft die slechts ten dele door bepaalde maatregelen kunnen worden gemitigeerd. In het kabinetsstandpunt wordt vervolgens bij wijze van voorbeeld een differentiatie aangegeven waarbij voor de Bouw de laagste geldelijke bijdrage geldt, zijnde twee maanden salaris en de Banken de hoogste geldelijke bijdrage, namelijk zes maanden salaris. Het kabinet heeft, mede na weging van het op dit punt verdeelde SVr-advies, een voorkeur voor de laatste variant. De belangrijkste overweging is daarbij het gegeven dat een deel van arbeidsongeschiktheidsrisico eigen is aan de aard van de werkzaamheden van de bedrijfstak. Dit impliceert dat los van maatregelen die werkgevers treffen ter voorkoming van arbeidsongeschiktheid in bepaalde sectoren sprake kan zijn van relatief onbeïnvloedbare arbeidsomstandigheden en in het verlengde daarvan een relatief hoog arbeidsongeschiktheidsrisico. Het gegeven dat de werkgevers in bepaalde bedrijfstakken het arbeidsongeschiktheidsrisico in (veel) mindere mate kunnen beïnvloeden via preventieve maatregelen dan werkgevers in andere bedrijfstakken, rechtvaardigt naar het oordeel van rblz.|22| het kabinet een zekere differentiatie van de geldelijke bijdrage, afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico. Daarnaast zijn er nog andere factoren die differentiatie gewenst maken. In de eerste plaats zijn er grenzen aan de lasten die in verband met ziekte en arbeidsongeschiktheid aan werkgevers kunnen worden opgelegd. Dit brengt met zich dat de cumulatie van kosten met betrekking tot het BMS en de naar bedrijfstakken gedifferentieerde ZW-premies in het oog moet worden gehouden. Gezien de niveaus van de ZW-premies zullen de grenzen in bijvoorbeeld de bedrijfstak Bouw eerder worden bereikt dan elders.
     In de tweede plaats is een gedifferentieerd systeem van geldelijke bijdragen noodzakelijk om het budgettair evenwicht in de G-en-G-sectoren te realiseren. Hierop wordt in paragraaf 2.1.6 teruggekomen.

     Het criterium van differentiatie, het arbeidsongeschiktheidsrisico, zal in de wet zelf zijn opgenomen. De definiëring, dat wil zeggen de formule of technische uitwerking van dat criterium, past echter niet in de wettekst zelf. Deze is te technisch van aard en zal niet voor alle groepen werkgevers hetzelfde kunnen zijn. Zo zal voor de marktsector het arbeidsongeschiktheidsrisico op een andere wijze gedefinieerd moeten worden dan voor de overheidssector. Bij de marktsector wordt daarbij gedacht aan definiëring op basis van toegekende WAO-uitkeringen, afgezet tegen het voor die wet verzekerde loon. Voor de overheidssector kan worden gedacht aan een criterium op basis van de AAW-claims in verband met de fictieve uitvoering van de AAW (ambtenaren zijn immers niet verzekerd voor de WAO en hebben dus ook in die zin geen verzekerd loon voor die wet). Eén en ander zal bij of krachtens de meergenoemde algemene maatregel van bestuur zijn uitwerking krijgen.

     Het standpunt van het deel van de Raad dat een algemene bodemregeling wil completeren met een door de bedrijfsverenigingen vast te stellen deel daar bovenop, verdient geen navolging. Enerzijds is deze gedachte - zeker gezien de koppeling met uitgaven in verband met volumebeleid - strijdig met de gestelde eis van een voor werkgevers macroneutrale vormgeving. Anderzijds gaat met deze gedachte een bedrijfstakgewijze financiering gepaard welke niet onze voorkeur heeft.

     In de nog te ontwerpen algemene maatregel van bestuur zal nog moeten worden bepaald welke boven- en ondergrens in de gedifferentieerde opzet zullen gelden. De bedoeling van het kabinet was dat gemiddeld genomen het bedrag van de geldelijke bijdrage lager zal uitkomen dan dat van de bonusuitkering. Inmiddels heeft het kabinet in principe besloten de geldelijke bijdrage stapsgewijze te verhogen naar maximaal twaalf maanden salaris. Dit als onderdeel van een aanvullend pakket volumemaatregelen ter beperking van de toestroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daardoor zal het saldo van geldelijke bijdragen en bonusuitkeringen sterk kunnen toenemen. Dit hoeft geen bezwaar te zijn, aangezien dit saldo via een daardoor mogelijk geworden verlaging van de AAW-premie weer wordt teruggegeven, waarbij goede werkgevers meer profiteren dan slechte werkgevers. In dit wetsvoorstel wordt door opneming in de wettekst van een verhoogd maximum van twaalf maanden salaris het technisch mogelijk de geldelijke bijdragen op een hoger niveau vast te stellen dan in eerste instantie wordt beoogd. Daadwerkelijke effectuering van de voorgenomen verhoging van de geldelijke bijdrage zal op een later moment bij algemene maatregel van bestuur geschieden.

     In de TWVA-werkgroep is reeds stilgestaan bij de problemen van een te grote financiële belasting voor de kleine bedrijven. Het kabinet is met rblz.|23| de TWVA van mening dat deze bedrijven wel onder het BMS moeten vallen om te voorkomen dat een te groot deel van het bedrijfsleven niet wordt bereikt met dit systeem. Het kabinet stelt voor het door een werkgever in een kalenderjaar te betalen totale bedrag aan geldelijke bijdragen te maximeren op 5% van het verloonde bedrag (brutoloonkosten) van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de geldelijke bijdragen verschuldigd zijn geworden. Blijkens het SVR-advies wordt dit voorstel door een meerderheid gezien als een reëel plafond. Het kabinet heeft in de opvatting van een minderheid van de SVr dat het plafond op 2% zou moeten liggen geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Hun standpunt dat een plafond van 5% de kleine werkgevers onevenredig zwaar belast omdat dit plafond door de grote werkgevers nooit gehaald zal worden, komt niet overtuigend over. Het plafond is immers uitdrukkelijk voor kleine werkgevers bedoeld. Indien het plafond zodanig zou moeten zijn dat ook grote werkgevers er snel mee geconfronteerd worden, zou men eerder kunnen overwegen om het niveau van de geldelijke bijdrage terug te brengen.


2.1.5 Uitvoering en financiering

     Aangezien zoals reeds in de inleiding is opgemerkt alle werkgevers in Nederland, zowel overheid als bedrijfsleven, onder het BMS vallen, is de uitvoering aan verschillende organen opgedragen. Afhankelijk van de soort werkgever is de uitvoering opgedragen aan de bedrijfsvereniging, het ABP of het Spf. In sommige gevallen zal de uitvoering door meerdere organen kunnen geschieden aangezien de werkgever ook bij meerdere organen zal zijn aangesloten, bijvoorbeeld bij de bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten en bij het ABP. Bij of krachtens de reeds genoemde algemene maatregel van bestuur zal de taakverdeling in deze situaties tussen de verschillende organen nog nader moeten worden geregeld.
     Zeker nu ook de overheidswerkgevers onder het BMS vallen, spreekt het voor zich dat de financiering via het AAf verloopt. De variant die een deel van de SVr bepleit en waarbij bedrijfstakfondsen worden gevormd waaruit zou kunnen worden geput ter financiering van volumemaatregelen, oogt weliswaar sympathiek, maar is bezwaarlijk. In de eerste plaats staat deze haaks op het uitgangspunt van kostenneutraliteit voor werkgevers op macroniveau. In plaats daarvan wordt de financiering van (niet nader omschreven) volumemaatregelen eenzijdig ten laste van werkgevers gebracht. In de tweede plaats veronderstelt deze variant een duurzaam saldo van geldelijke bijdragen boven bonusuitkeringen om de maatregelen blijvend te kunnen financieren. Naarmate de effecten op in- en uitstroom sterker zichtbaar worden, is het BMS een steeds onzekerder structurele financieringsbron.
     Dit neemt overigens niet weg dat zeker in de aanvangsjaren, maar ook nog enige tijd daarna, verwacht mag worden dat een saldo van geldelijke bijdragen zal resteren. Aangezien dit saldo door de totaliteit van de werkgevers is opgebracht, is het te rechtvaardigen dat het ook aan de werkgevers ten goede komt. Dit is mogelijk door een premieverlaging AAW met overeenkomstige doorvertaling in de overhevelingstoeslag. In hoofdstuk 5 zal op de financiële en volume-effecten van het BMS nog nader worden ingegaan.


2.1.6. Het BMS in de G-en-G-sector

     De SVr is met het kabinet van opvatting dat ook voor werkgevers in de G-en-G-sector het BMS van toepassing moet zijn.
     De positie van werkgevers (in de zin van de ZW, WW en WAO) in de G-en-G-sector is een bijzondere, aangezien de financiering van het niveau en de kwaliteit van de dienstverlening structureel en substantieel
rblz.|24| geschiedt op basis van collectieve middelen, die in de vorm van budgetten beschikbaar komen. De arbeidskosten vormen een belangrijke component in dit geheel. De omvang van de budgetten wordt vooraf door de betrokken ministers vastgesteld. Bij de vaststelling van de ruimte voor arbeidsvoorwaarden die mede ten grondslag ligt aan de budgetvaststelling wordt de beschikbare ruimte bepaald door de ontwikkeling in de marktsector, de omvang van de collectieve uitgaven en de arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de voorgaande periode.
     Bij de wetgeving ter zake van de WAGGS [Wet arbeidsvoorwaardenontwikkeling gepremieerde en gesubsidieerde sector, red.] is handhaving van het voorzieningenniveau één van de doelstellingen.

     Bij de toekenning van de ruimte voor arbeidsvoorwaarden krijgen de werkgevers de ontwikkeling van de werkgeverspremies wettelijke sociale zekerheid volledig in de ruimte verdisconteerd. Dit wordt als regel gehanteerd, omdat het hier gaat om door de wetgever vastgestelde premies met voor de werkgever niet te vermijden kosteneffecten.
     Worden niet te vermijden kosteneffecten van sociale premies niet of niet in volle omvang in de ruimteberekening meegenomen, dan gaat dit ten koste van het voorzieningenniveau of van de arbeidsvoorwaardenruimte. In het eerste geval worden de prikkels afgewenteld op de cliënt/patiënt en/of de belastingbetaler. In het tweede geval zijn het feitelijk de werknemers die betalen voor de kosten verbonden aan de arbeidsongeschiktheidsrisico's in hun sector en het uitblijven van een beleid gericht op terugdringing van het verzuim. Dit is in strijd met het doel van de in dit verband relevante maatregelen, namelijk het versterken van financiële prikkels bij werkgevers. Het kabinet gaat er bij premiedifferentiatie in de ZW en het BMS van uit dat de gemiddelde premie c.q. het gemiddelde saldo van de uitkeringen en geldelijke bijdragen voor een CAO-sector het niet te vermijden kosteneffekt voor elk van de instellingen in die sector weergeeft. Wanneer deze premie c.q. dit saldo van uitkeringen en geldelijke bijdragen in het budget wordt verdisconteerd, zal dit voor de betreffende CAO-sector in principe niet leiden tot aantasting van het voorzieningenniveau of de arbeidsvoorwaardenruimte of tot een extra beslag op collectieve middelen. Een voorwaarde daarbij is dat mee- en tegenvallers in dezelfde sfeer (of arbeidsvoorwaardenniveau of voorzieningenniveau) worden gecompenseerd. Tegenover meevallers waarvan niet op voorhand vaststaat dat ze blijvend zijn, moeten dan geen structurele kosten worden gemaakt.
     De individuele instellingen/werkgevers die boven het gemiddelde uitstijgen, dienen door middel van verzuimbeperkend beleid een aantasting van het niveau van dienstverlening of verhoging van de werkdruk weg te werken.

     Ondanks de hiervoor weergegeven bijzondere positie van de G-en-G-sector is bij het BMS uitgangspunt dat deze onverkort van toepassing is op de G-en-G-sector. Centrale vraag is op welke wijze dit inpasbaar is in de financieringsstructuur van deze sector.

     Zoals uiteengezet is, wordt één van de kostencomponenten voor de ruimteberekening gevormd door de mutatie in de werkgeverspremies/overhevelingstoeslag. In relatie tot het BMS is dan het volgende van belang.
     Gezien de in- en uitstroomcijfers van de WAO/AAW mag worden verwacht dat het bedrag aan geldelijke bijdragen voor het gehele bedrijfsleven beduidend groter zal zijn dan het bedrag aan bonusuitkeringen. Daarmee ontstaat een positief saldo dat toevloeit aan het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf) en uitmondt in een lagere AAW-premie en daaraan gekoppelde overhevelingstoeslag.

     rblz.|25| De verlaging van de AAW-premie voor het bedrijfsleven (waaronder de G-en-G-sector) beïnvloedt de ruimtevaststelling in neerwaartse richting. Er hoeft daardoor minder geld beschikbaar gesteld te worden ten behoeve van de arbeidsvoorwaarden voor de collectieve sector (overheid en G-en-G-sector).
     Hiermee ontstaat ruimte om de budgetten in deze sector te verhogen zonder in conflict te komen met de randvoorwaarde van de door het kabinet wenselijk geachte omvang van de collectieve uitgaven. Het is de bedoeling uit te gaan van een niveau van AAW-premie gecorrigeerd voor het effect van het BMS.
     Voor een dergelijke "verhoging" bestaat ook aanleiding. Immers de G-en-G-sector wordt gefinancierd uit collectieve middelen en eigen bijdragen die in veel gevallen beleidsmatig en extern worden vastgesteld (bijvoorbeeld bij de bejaardenoorden). Het is voor de G-en-G-sector dan ook nauwelijks mogelijk om hogere kosten als gevolg van het BMS door te berekenen aan de cliënt/patiënt. Zonder toevoeging van middelen zouden de kosten van het BMS dan ook moeten worden afgewenteld op de voorzieningen of de arbeidsvoorwaarden. Ook voor de G-en-G-sector moet er immers van worden uitgegaan dat gedurende de eerste jaren het bedrag aan geldelijke bijdragen dat van de bonusuitkeringen zal overtreffen. Door de verlaging van de AAW-premie niet in een verlaging van het budget te laten uitmonden, blijven dus middelen beschikbaar die kunnen voorkómen dat het voorzieningenniveau van de CAO-sectoren wordt aangetast of het risico ten laste van werknemers wordt gebracht.

     Een kostenneutrale uitgangspositie vereist dat in beginsel per CAO-sector het evenwicht wordt bepaald tussen verhoging van de budgetten en een lastentoename die per saldo van het BMS het gevolg is. De extra ruimte in de budgetten wordt, zoals uiteengezet, bepaald door de mate waarin de AAW-premie lager wordt vastgesteld en vormt ook voor de G-en-G-sector een gegeven. In het SVr-advies wordt door een deel van de Raad erkend dat met deze extra ruimte een voldoende financiële buffer wordt gecreëerd om kostenneutraliteit te kunnen waarborgen. Een ander deel van de Raad heeft de voorkeur voor een uitwerking van het BMS die, zoals eerder aangegeven, in het onderhavige wetsvoorstel niet is overgenomen, waarbij het saldo van bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen binnen de bedrijfstak wordt aangewend. In een dergelijke systematiek is per definitie sprake van een budgettair evenwicht.

     Het niveau van de bonusuitkering zal in de opvatting van het kabinet uniform zijn. Dit betekent dat bij het bepalen van de mate van differentiatie in het systeem van geldelijke bijdragen de voorwaarde van een evenwichtige uitgangspositie van de G-en-G-sector één van de in acht te nemen uitgangspunten vormt.

     Teneinde ondanks de toevoeging van middelen toch een financiële prikkel voor werkgevers te bewerkstellingen, dient de "ophoging" van de budgetten met het saldo van de bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen in principe per CAO-sector plaats te vinden. Voor zover CAO-sectoren klein van omvang zijn of slechts uit één onderneming of instelling bestaan, zal een groepering van gelijksoortige sectoren moeten plaatsvinden. Ook in dit geval blijft gelden dat individuele werkgevers een geldelijke bijdrage moeten betalen c.q. een bonusuitkering krijgen voor een slechter c.q. een beter WAO-volumebeleid dan de overige werkgevers in hun sector. Deze geldelijke bijdrage c.q. bonusuitkering wordt in eerste instantie gefinancierd uit c.q. komt ten goede aan het budget. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid tot aanpassingen zowel in positieve als in negatieve zin voor hetzij het arbeidsvoorwaardenniveau, hetzij het voorzieningenniveau. Daarmee bestaat derhalve een forse prikkel om de geldelijke bijdrage zo rblz.|26| laag mogelijk te houden c.q. de bonusuitkering zo groot mogelijk te doen zijn.

     Het systeem beoogt te stimuleren dat werkgevers met een relatief slecht verzuimbeleid zich optrekken aan de werkgevers met een relatief goed beleid, uitgaande van de beïnvloedbaarheid van verzuim door de individuele werkgever.

     Bij het hier uiteengezette probleem past de kanttekening dat de redenering op het mesoniveau betrekking heeft. Voor de verschillende CAO-sectoren wordt de mogelijkheid geboden om de introductie van het systeem neutraal te laten verlopen ten aanzien van het voorzieningenpeil onderscheidenlijk de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Dit laat echter onverlet dat in de praktijk de voordelen en nadelen niet volstrekt evenwichtig over de beide elementen verdeeld behoeven te zijn: het is bijvoorbeeld mogelijk dat de voordelen overwegend in het voorzieningenpeil en de nadelen in de arbeidsvoorwaarden worden verdisconteerd. Dit wetsvoorstel biedt derhalve wel mogelijkheden, maar geen garantie voor een strikt evenwichtige uitwerking.

     Hetzelfde geldt ten aanzien van de effecten voor verschillende (arbeidsmarkt)regio's. Het is zeer goed denkbaar dat bij neutraliteit voor een CAO-sector als geheel de voor- en nadelen van het systeem voor bijvoorbeeld de Randstad anders liggen dan voor andere regio's in het land. Dergelijke effecten zijn echter slechts te voorkomen door een zodanige detaillering van regels dat de uitvoering onmogelijk wordt. Gedacht wordt aan evaluatie na twee jaar om te bezien of en hoe aanpassingen nodig zijn.

     Het hier beschreven model geldt met name voor de eerste jaren. Indien het BMS werkt, neemt het saldo van de geldelijke bijdragen en bonusuitkeringen in de tijd af. Derhalve verdwijnt de ruimte in de vorm van een met dit saldo samenhangende lagere AAW-premie geleidelijk in de tijd. Anderzijds kan de "verhoging" van de budgetten bij een afnemend saldo in de G-en-G-sector eveneens geleidelijk worden afgebouwd. Dit laatste zou zodanig kunnen worden vormgegeven dat de afbouw synchroon verloopt met de verhoging van de AAW-premie die, geïsoleerd bezien, nodig is wanneer het saldo van geldelijke bijdragen en bonusuitkeringen terugloopt.


2.1.7. Het BMS bij de overheid

     De door de marktsector geleverde inspanning dient op vergelijkbare krachtige wijze in de overheidssector te worden gerealiseerd. Uitgangspunt is daarbij dat, met inachtneming van de specifieke positie van overheidsorganen, dezelfde maatregelen ook voor deze sector worden getroffen.

     Zoals ook aangegeven in het advies van het ABP over het onderhavige wetsvoorstel wordt de specifieke positie van overheidsorganen bepaald door een tweetal factoren. In de eerste plaats is het overheidspersoneel uitgezonderd van de werknemersverzekeringen. Dit betekent dat er voor dit personeel, behoudens de AAW, bij loonderving door (langdurig) ziekteverzuim van de marktsector afwijkende voorzieningen gelden. In de tweede plaats dient evenals bij de G-en-G-sector rekening te worden gehouden met de financieringsstructuur in de overheidssector.

     Bij loonderving door ziekte wordt in de overheidssector het salaris voor een periode van ten minste anderhalf jaar volledig doorbetaald door de rblz.|27| werkgever. Daarna wordt, indien nog geen ontslag heeft plaatsgevonden, 80% van het salaris doorbetaald. Na één jaar ziekte ontstaat in het algemeen geen daadwerkelijk recht op een AAW-uitkering, maar wordt het bedrag van deze uitkering geclaimd bij het AAf .
     Bij blijvende ongeschiktheid voor de eigen functie kan recht op een invaliditeitspensioen bestaan op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet of de Algemene militaire pensioenwet. Na keuring kan de gedeeltelijk arbeidsongeschikte burgerambtenaar echter ook, afhankelijk van de restcapaciteit, herplaatsbaar worden verklaard. Tenzij daadwerkelijk herplaatsing plaatsvindt bij het overheidsorgaan of bij een andere werkgever, betaalt dit orgaan gedurende maximaal vijf jaar een herplaatsingswachtgeld. Pas na deze periode van vijf jaar wordt een invaliditeitspensioen toegekend. Ruim 90% van de personen met restvaliditeit wordt herplaatsbaar verklaard. Meer dan 80% van de herplaatsbaarverklaarden wordt daadwerkelijk herplaatst. In 1990 betrof dit 2600 personen.

     In dit van de marktsector afwijkende regime blijft een deel van de arbeidsongeschiktheidslasten ook na één jaar ziekte voor rekening van de werkgever. In die zin is, zoals opgemerkt in het ABP-advies en in het advies van het Spf, ook in de huidige situatie al sprake van een belangrijke financiële verantwoordelijkheid.
     Dit regime is echter primair gericht op het voorkomen van toekenning van een invaliditeitspensioen en niet op het beperken van claims bij het AAf.

     Daarnaast wordt er in het ABP-advies op gewezen dat de financiële verantwoordelijkheid van de werkgever zich niet altijd vertaalt in een effectieve prikkel om de uitstroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen te beperken.
     In bepaalde sectoren van de overheid zijn de budgetterings- en begrotingsmethodieken zodanig ingericht dat de werkgever enerzijds zijn financiële verantwoordelijkheid kan afwentelen en anderzijds niet (volledig) kan profiteren van besparingen ten gevolge van de geleverde inspanningen ter beperking van het (langdurig) ziekteverzuim.

     Op basis van tabel 1 (zie paragraaf 1.2.1) kan worden geconstateerd dat de volumeontwikkeling van voormalig overheidspersoneel (Abp-verzekerden) in de AAW zich niet in gunstige zin onderscheidt van de algehele volumeontwikkeling. Op zichzelf genomen is dit naar het oordeel van het kabinet voldoende aanleiding om, naast de bestaande beleidsinstrumenten gericht op verzuimbeperking, het BMS in de overheidssector onverkort toe te passen. Wel dient rekening te worden gehouden met het feit dat de dreiging van het herplaatsingswachtgeld reeds een prikkel bevat om het arbeidsongeschiktheidsvolume terug te dringen. Het herplaatsingswachtgeld kan dus als een malus worden beschouwd. Hiermede zal in die zin rekening worden gehouden dat het bedrag aan herplaatsingswachtgeld in mindering zal worden gebracht op de door de werkgever voor de betreffende ambtenaar verschuldigde bijdrage. Deze anticumulatieregeling zal worden uitgewerkt in de algemene maatregel van bestuur op grond van het zevende lid van artikel 57b van de AAW.

     In de visie van het ABP is introductie van het BMS in de overheidssector echter alleen zinvol indien deze wordt gekoppeld aan een aanpassing van eerdergenoemde budgetterings- en begrotingsmethodieken. Daarbij wordt erop gewezen dat het beleid van de overheid overigens reeds is gericht op een versterking van de budgetverantwoordelijkheid van het management.

     rblz.|28| In dit verband wil het kabinet erop wijzen dat de positie van de overheid als werkgever zich in dit opzicht nauwelijks onderscheidt van die van grote concerns in de marktsector. Ook daar kan de effectiviteit van het BMS worden versterkt, indien de financiële prikkel wordt doorvertaald naar het middenmanagement.

     Voorts is het kabinet anders dan het ABP van mening dat het BMS, ook los van een versterking van de budgetverantwoordelijkheid, effectief kan zijn. Met name het verkrijgen van bonusuitkeringen betekent extra financiële armslag voor de werkgever en is in dit opzicht, niet alleen voor het middenmanagement, maar ook voor de organisatie als geheel aantrekkelijk. Het kabinet erkent echter dat, niet alleen in de overheidssector maar ook in de markt- en G-en-G-sector, het BMS in belangrijke mate aan effectiviteit kan winnen wanneer zowel de pijn van de geldelijke bijdrage als het voordeel van de bonusuitkering worden gelegd bij het verantwoordelijke middenmanagement. Voor de rijksoverheid kan een dergelijke versterking van de budgetverantwoordelijkheid gestalte krijgen via decentralisatie van de voor doorbetaling van het salaris bij langdurig ziekteverzuim beschikbare budgetten naar het middenmanagement. Thans is het in het algemeen gebruikelijk dat loondoorbetalingen bij ziekte slechts gedurende het eerste halfjaar voor rekening komen van de budgetten van de desbetreffende budgeteenheid. Na deze periode worden deze loondoorbetalingen via centrale budgetten gefinancierd. Versterking van de effectiviteit van het BMS kan worden bewerkstelligd door deze termijn tot ten minste één jaar te verlengen, zodat de uitkeringen respectievelijk geldelijke bijdragen en herplaatsingswachtgelden ten bate c.q. ten laste van de doorgemandateerde budgetten kunnen worden gebracht. Door andere overheden kunnen overeenkomstige maatregelen worden getroffen. Het is echter een eigen verantwoordelijkheid van werkgevers om deze effectiviteit te bevorderen en langs deze weg op optimale wijze van het BMS te kunnen profiteren.

     Het BMS zal niet gelden voor de krijgsmacht (het vrijwillig dienende en het verplicht dienende personeel). Deze uitsluiting zal worden geregeld in de algemene maatregel van bestuur op grond van het negende lid van artikel 57b van de AAW. Introductie van het BMS zou in de praktijk namelijk nagenoeg uitsluitend leiden tot geldelijke bijdragen ten laste van de Defensiebegroting. Dat terwijl de uitgaven ter zake van arbeidsongeschiktheid - afgezien van de claims op het AAf ter zake van de fictieve AAW - reeds volledig ten laste van die begroting komen.

     Naast introductie van het BMS voorziet het onderhavige wetsvoorstel in introductie van een verplichte AAW-keuring voor overheidspersoneel. Gezien deze voorgenomen keuringsverplichting ligt het naar het oordeel van het kabinet in de rede om ook voor het overheidspersoneel het verschuldigd zijn van een geldelijke bijdrage te koppelen aan (de fictieve uitvoering van) de AAW. De door het ABP gesignaleerde bezwaren tegen een koppeling aan de invaliditeitspensioenen in het kader van de overheidspensioenregelingen, waarbij niet in alle gevallen sprake zou zijn met een parallellie met de marktsector, wordt op deze wijze ondervangen. Met de verplichte AAW-keuring wordt tevens voorkomen dat in onnodig veel gevallen restitutie van de geldelijke bijdrage dient plaats te vinden. Dit is zeker het geval wanneer deze geldelijke bijdrage pas één jaar na toekenning van de AAW-claim behoeft te worden betaald.

     Naast het eigen regime bij ziekte en arbeidsongeschiktheid dient bij introductie van het BMS de financieringsstructuur van de overheidssector in acht te worden genomen. De dienstverlening van de overheid wordt volledig uit collectieve middelen gefinancierd die in de vorm van rblz.|29| budgetten beschikbaar komen. De omvang van de budgetten voor arbeidskosten wordt vooraf vastgesteld. In deze budgetten wordt de ontwikkeling van de relevante werkgeverspremies sociale verzekeringen "automatisch" verdisconteerd.

     Bij de rijksoverheid (departementen) werkt de mutatie in de relevante werkgeverspremies via de zogenaamde loon/prijsbijstelling in de budgetten door. Voor lagere overheden wordt bij vaststelling van de toevoegingen aan c.q. uitnamen uit het gemeente-/provinciefonds een nominale compensatie toegepast voor loon- en prijsmutaties. In deze nominale compensatie zijn mede begrepen de mutaties in de werkgeverspremies sociale zekerheid. De arbeidskosten van de lagere overheden - gemeenten en provincies worden [lees: lagere overheden - gemeenten en provincies - worden, red.] overigens in het algemeen voor 90% gefinancierd uit deze fondsen. De overige 10% komt direkt voor rekening van de instellingen. Voor instellingen die (volledig) via specifieke uitkeringen van het Rijk worden gefinancierd (onder andere gemeentepolitie), geldt de regel dat de vergoeding die een bepaald departement hiervoor op de begroting ontvangt integraal wordt doorgesluisd naar het betreffende overheidsorgaan.
     Op zichzelf genomen is dit naar het oordeel van het kabinet reeds een voldoende aanleiding om, naast de bestaande beleidsinstrumenten gericht op verzuimbeperking, het BMS in de overheidssector onverkort toe te passen.
     Eén en ander impliceert dat de verlaging van de AAW-premie bij introductie van het BMS de budgetten ook in de overheidssector in neerwaartse richting beïnvloedt. De gevolgen van introductie van het BMS voor de overheidssector zijn in dit opzicht vergelijkbaar met die voor de G-en-G-sector.

     Ook ten aanzien van de in het kader van het BMS door een overheidsorgaan te ontvangen bonusuitkering c.q. te betalen geldelijke bijdrage kan een dergelijke parallel worden getrokken. Evenals in de G-en-G-sector is het voorkómen van afwenteling een randvoorwaarde voor toepassing van het BMS. Evenmin is het aanvaardbaar dat introductie van het BMS in de overheidssector leidt tot een extra beslag op collectieve middelen. In beginsel is derhalve een verhoging van de budgetten noodzakelijk, welke is afgestemd op de lastentoename voor overheidsinstellingen ten gevolge van het BMS. Evenals in de G-en-G-sector kan de ruimte voor het opvangen van de kosten van het BMS worden gecreëerd door een verlaging van de budgetten, resulterend uit eerdergenoemde verlaging van de AAW-premie, achterwege te laten. Bij een dergelijke kostenneutrale oplossing moet echter wel een financiële prikkel voor het individuele overheidsorgaan blijven bestaan.
     Voor de G-en-G-sector wordt teneinde daadwerkelijk een financiële prikkel te bewerkstelligen, geopteerd voor een ophoging van budgetten per CAO-sector. Voor de overheidssector dient eveneens te worden bezien of een ophoging van budgetten gedifferentieerd naar sectoren wenselijk is of dat met een uniforme ophoging voor de gehele overheidssector kan worden volstaan. In het ABP-advies is aangegeven dat een beleidsmatig en uitvoeringstechnisch doelmatige sectorindeling moeilijk te realiseren is. Dit is met name het geval omdat de in de overheidssector te onderscheiden bestuurslagen (Rijk, provincies, gemeenten) en de functionele indeling (onderwijs, politie e.d.) elkaar overlappen.

     Voor differentiatie is overigens slechts aanleiding indien de vrijheidsgraden dermate gering en de randvoorwaarden dermate belemmerend zijn dat reallocatie van financiële middelen nauwelijks mogelijk is en zonder deze differentiatie de beoogde kostenneutraliteit niet kan worden gerealiseerd. Vervolgens is differentiatie alleen zinvol wanneer de rblz.|30| verschillen in de instroom en uitstroom van arbeidsongeschikten tussen verschillende sectoren van de overheid significant zijn. Uit het onderzoek Arbeidsongeschiktheid onder ambtenaren dat het ministerie van Binnenlandse Zaken in 1990 heeft uitgebracht, blijkt dat binnen de overheidssector sprake is van een zekere variatie in het arbeidsongeschiktheidsrisico. Deze is echter geringer dan in de markt- en G-en-G-sector.

     Van het relatief hoogste arbeidsongeschiktheidsrisico is sprake in de sector onderwijs. In beginsel zal het BMS derhalve ook in deze sector moeten worden toegepast. Het is echter onvermijdelijk dat een belangrijk deel van de sector onderwijs, namelijk het basis- en voortgezet onderwijs (declaratiesectoren), wordt uitgezonderd van het BMS. De personeelskosten, inclusief de kosten in verband met vervanging bij ziekte, worden in de declaratiesectoren volledig vergoed door de centrale overheid. In dit verband is artikel 23 van de Grondwet van belang, op grond waarvan de centrale overheid verplicht is tot vergoeding van alle niet-vermijdbare kosten aan genoemde onderwijsinstanties. Introductie van het BMS in deze sector zou betekenen dat voor elke geldelijke bijdrage dient te worden nagegaan of de achterliggende oorzaak al of niet vermijdbaar is. Dit acht het kabinet niet gewenst.
     Mede gezien het relatief hoge arbeidsongeschiktheidsrisico in het onderwijs is het kabinet echter van oordeel dat voor de declaratiesector met het BMS vergelijkbare alternatieve maatregelen dienen te worden getroffen.
     De voorkeur van het kabinet gaat daarbij uit naar de oprichting van een Vervangingsfonds bij ziekte. Bij brief van 8 maart 1991 verzocht de Minister van Onderwijs en Wetenschappen aan een commissie onder voorzitterschap van dr. A.J. Vermaat (voorzitter van de Verzekeringskamer) om hem van advies te dienen over de oprichting van een Vervangingsfonds voor het primair en voortgezet onderwijs, alsmede over de relatie van dit fonds tot de in te voeren bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs. De commissie heeft bij brief van 13 mei 1991 haar advies uitgebracht. De commissie stelde in haar advies dat zo'n fonds nuttig en uitvoerbaar is.
     De Minister van Onderwijs en Wetenschappen onderschrijft in grote lijnen het advies en heeft inmiddels voorgesteld een Vervangingsfonds in te stellen, waarbij alle onderwijsinstellingen in de declaratiesectoren zich verzekeren tegen de vervangingsuitgaven die moeten worden gedaan indien er personeelsleden ziek worden.
     In het kader van dit fonds worden financiële prikkels voor de instellingen vormgegeven door middel van premierestitutie (bonus) en premieopslag (malus).
     Een restitutie van circa 1% van de loonsom vindt plaats bij de circa 10% instellingen die de grootste relatieve daling van hun ziekteverzuim hebben gerealiseerd in het afgelopen jaar en de voorafgaande twee jaar geen stijging in het ziekteverzuim hebben doorgemaakt.
     Een premieopslag van circa 0,5% van de loonsom wordt opgelegd aan de circa 10% scholen die de grootste relatieve stijging in hun verzuim hebben doorgemaakt.
     Het kabinet is van mening met dit systeem voor de declaratiesectoren met ingang van het schooljaar 1992/1993 een volwaardig alternatief te creëren voor het BMS. Hierbij is van belang dat in het onderwijsveld betrekkelijk weinig kort verzuim optreedt (slechts een kwart van het totale volume wordt door verzuim van minder dan één week veroorzaakt), waardoor de voorgestelde maatregel vanzelf voornamelijk effect zal hebben op het langdurig verzuim.
     Langs deze lijnen kan ook voor de declaratiesectoren van het onderwijs een effectieve prikkel worden gecreëerd om het arbeidsongeschiktheidsvolume terug te dringen.

rblz.|31| 

2.2. Premiedifferentiatie ZW


2.2.1. Achtergrond en doel

     Naast maatregelen die direct gericht zijn op bevordering van de herintreding van arbeidsongeschikten in het arbeidsproces heeft de TWVA een aantal voorstellen gedaan ter vergroting van de financiële betrokkenheid van het bedrijfsleven bij terugdringing van ziekteverzuim en beperking van de toestroom naar de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Centraal in de voorstellen staat de gedachte dat individuele werkgevers gestimuleerd dienen te worden om maatregelen te treffen die ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid zoveel mogelijk voorkomen. De daarop gerichte maatregelen moeten zo ingevuld worden dat er een directe relatie gelegd wordt tussen het instroomvolume vanuit bedrijfstakken of bedrijven en de financiële bijdrage van die bedrijfstakken en bedrijven aan de kosten van de arbeidsongeschiktheidsregelingen, en wel zodanig dat er voldoende belang (in financieel opzicht) ontstaat om actief te werken aan instroombeperking. In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de TWVA-voorstellen is er de nadruk op gelegd dat maatregelen ter vergroting van de financiële betrokkenheid van het bedrijfsleven zodanig vorm moeten krijgen dat er een directe invloed is op het handelen van de werkgever. De meeste effectiviteit mag dan ook verwacht worden van op de individuele werkgever gerichte stimulansen. Het kabinet is van oordeel dat één van de belangrijke maatregelen in dit kader een systeem van premiedifferentiatie op ondernemingsniveau in de ZW is. Het kabinet is het dan ook niet eens met een deel van de SER die afwijzend staat tegenover een zodanig systeem.

     Ook is het kabinet het niet eens met dat deel van de SVr dat een bevoegdheid bepleit voor de bedrijfsverenigingen om in samenhang met uitvoeringskosten en financiële effecten te beslissen om het systeem voor alle of bepaalde categorieën werkgevers niet toe te passen. Het kabinet is van oordeel dat het systeem alleen een zo groot mogelijk effect sorteert als het integraal wordt toegepast en zo min mogelijk uitzonderingen worden toegestaan. Alleen voor de kleine werkgevers is het kabinet bereid een uitzonderingspositie te creëren. Zij kunnen immers geconfronteerd worden met onverwachte pieken in het verzuim, ontstaan onafhankelijk van het gevoerde verzuimbeleid. Het kabinet stelt een systeem van pooling voor voor kleine werkgevers ter vaststelling van het ziekteverzuimcijfer (zie hierna bij paragraaf 2.2.2, onder 2).

     Voor vergroting van de financiële betrokkenheid bij het ziekteverzuim wordt voorgesteld een regeling te treffen op basis waarvan werkgevers die een hoger dan gemiddeld ziekteverzuim kennen een hogere ZW-premie in rekening wordt gebracht en werkgevers die een lager dan gemiddeld ziekteverzuim te zien geven voor een lagere ZW-premie in aanmerking komen. Hierna zal ingegaan worden op de nadere uitwerking zoals het kabinet die op basis van de voorstellen van de TVWA heeft gegeven.


2.2.2. Concrete uitwerking

     De kern van een premiedifferentiatiesysteem ligt in het berekenen van een hogere dan wel lagere premie voor de werkgever, afhankelijk van het feit of de werkgever ten opzichte van een door de bedrijfsvereniging ter zake vast te stellen gemiddelde een hoger dan wel lager ziekteverzuim kent.

     rblz.|32| Het premiedifferentiatiesysteem zoals dat wettelijk is uitgewerkt, kan als volgt in stappen worden beschreven:


1. Vaststelling gemiddelde premie en een gemiddeld ziekteverzuim

     Bedrijfsverenigingen stellen het ZW-premiepercentage vast mede op basis van de ontwikkelingen in het gemiddelde ziekteverzuim. De situatie verschilt tussen bedrijfsverenigingen in die zin dat een aantal bedrijfsverenigingen voor het vaststellen van de premiepercentages de onder hun werkingssfeer vallende werkgevers hebben ingedeeld in risicogroepen (bijvoorbeeld de Bouw, de Havenbedrijven en de Detam). Per risicogroep wordt ook weer mede op basis van het gemiddelde ziekteverzuim in die groep het premiepercentage vastgesteld. Andere bedrijfsverenigingen (bijvoorbeeld die voor de grafische industrie, voor het agrarische bedrijf en voor de metaalnijverheid) stellen voor alle werkgevers die onder de bedrijfsvereniging vallen één premiepercentage vast, gebaseerd op het gemiddeld ziekteverzuim dat is gemeten over alle werkgevers. Het premiedifferentiatiesysteem dat is uitgewerkt in het voorstel van wet beoogt daarin geen verandering aan te brengen. Bedrijfsverenigingen kunnen wat betreft het vaststellen van de premies voor de ziekengeldverzekering blijven werken met risicogroepen. De tekst van het nieuwe eerste en tweede lid van artikel 60 ZW biedt die ruimte.

     De bedrijfsvereniging stelt dus allereerst een ziekteverzuimcijfer vast. Het tot uitdrukking brengen van ontwikkelingen in het ziekteverzuim kan op twee manieren gebeuren. Het ziekteverzuim kan in de eerste plaats worden uitgedrukt in een percentage dat verkregen wordt door het uitgekeerde bedrag aan ziekengeld af te zetten tegen iedere ƒ100,- loon. Dit kan gedefinieerd worden als ziekterisicocijfer.
     Vaststelling van het ziekterisicocijfer dient te geschieden aan de hand van de elk jaar door de werkgevers aan de bedrijfsverenigingen te verstrekken loonopgaven ten behoeve van de premieheffing. Deze loonopgaven worden in het begin van elk kalenderjaar ingestuurd en hebben betrekking op het voorafgaande jaar. Als alle loonopgaven over het afgelopen jaar van de werkgevers zijn ontvangen, kan een gemiddeld ziekterisicocijfer worden vastgesteld. Vaststelling van een risicocijfer op basis van de loonopgaven is daarmee dus gebonden aan het tijdvak dat geldt voor de premieheffing, te weten een kalenderjaar.
     Een andere mogelijkheid is om het ziekteverzuim uit te drukken in een percentage dat gebaseerd is op het aantal uitkeringsdagen afgezet tegen het aantal verzekerde dagen. Dit kan gedefinieerd worden als ziekteverzuimcijfer.
     Vaststelling van een verzuimcijfer is niet per definitie gebonden aan het tijdvak van een kalenderjaar, maar kan betrekking hebben op een ander tijdvak.

     Om de volgende redenen heeft vaststelling van het verzuim op basis van uitkeringsdagen voor de premiedifferentiatie de voorkeur.
     In de eerste plaats is een differentiatiesysteem dat gebaseerd is op ziekteverzuimcijfers flexibeler dan op basis van ziekterisicocijfers. Zoals reeds vermeld, is er ten aanzien van de bepaling van ziekteverzuimontwikkelingen geen sprake van gebondenheid aan vaste perioden en tijdstippen.
     Voorts speelt de tijdsfactor een belangrijke rol. Doordat het ziekterisicocijfer eerst met vertraging te bepalen is, ontstaat de situatie dat er gedifferentieerd wordt op basis van verzuimontwikkelingen van enkele jaren terug. Met andere woorden, eerst na verloop van twee jaar zou een werkgever financieel resultaat kunnen zien van zijn verzuimbeperkende inspanningen. Dit doet afbreuk aan de directe en daarmee optimaal
rblz.|33| prikkelende werking van een premiedifferentiatiesysteem.

     Het kabinet meent dan ook om redenen van flexibiliteit en effectiviteit de voorkeur te moeten geven aan het ziekteverzuimcijfer als indicator voor de toepassing van het premiedifferentiatiesysteem. Het kabinet heeft echter uitdrukkelijk in ogenschouw willen nemen dat bedrijfsverenigingen op dit moment in onvoldoende mate de beschikking hebben of kunnen krijgen over de noodzakelijke gegevens voor het vaststellen van het ziekteverzuimcijfer per werkgever.
     In samenwerking met werkgevers is men bij de uitvoeringsorganen druk doende verzuimregistratiesystemen op te zetten. De thans bestaande of in ontwikkeling zijnde registratiesystemen zijn echter nog verre van volledig en betrouwbaar. Niettemin acht het kabinet het van belang dat alles in het werk wordt gesteld dat op termijn, en hierbij wordt gedacht aan een periode van vijf jaar, de ontwikkeling van verzuimregistratiesystemen zover is gevorderd dat de daaruit verkregen gegevens de basis kunnen vormen van het premiedifferentiatiesysteem. Tot die tijd kan toepassing van premiedifferentiatie geschieden op basis van ziekterisicocijfers, waarvoor de bedrijfsverenigingen thans reeds over de benodigde gegevens beschikken. Eén en ander behoeft nadere uitwerking in de regels van de SVr op grond van het nieuwe twaalfde lid van artikel 60 ZW. Aangezien het zoals hiervoor is aangegeven een kwestie van definiëring is op basis waarvan het ziekteverzuimcijfer moet worden bepaald, dient de SVr in zijn regels deze definiëring nader in te vullen en na verloop van tijd aan te passen. Een overgangsbepaling waartoe de SVr adviseert, is derhalve niet noodzakelijk.
     Het kabinet heeft op 13 juli 1991 besloten om de werkgever gedurende de eerste zes weken zelf de financiële lasten van het ziekteverzuim te laten dragen. Bij invoering van deze maatregel zal ook het premiedifferentiatiesysteem hierop moeten worden aangepast. Aangezien de werkgever voor de eerste zes weken een eigen verantwoordelijkheid gaat dragen, betekent dit dat het gemiddeld ziekteverzuim per groep of groepen van werkgevers en het individuele verzuim gebaseerd zal moeten worden op het ziekteverzuim vanaf zes weken tot en met 52 weken. In tegenstelling tot het advies van de SER van 12 juli 1991 om af te zien van invoering van het premiedifferentiatiesysteem ziet het kabinet voldoende argumenten om de werkgever door middel van een dergelijk systeem te motiveren ten aanzien van het langdurig ziekteverzuim (zes weken tot en met 52 weken) actie te ondernemen. Het verschil in risico tussen werkgevers onderling als het gaat om de eerste zes weken eigen risico wordt niet zichtbaar. Bij premiedifferentiatie wordt duidelijk dat indeling in de groep die niet het laagste percentage heeft concurrentienadeel betekent. Het kabinet verwacht daarvan een sterke stimulans.


2. Vaststelling individueel ziekteverzuim per werkgever

     Na vaststelling van een gemiddeld ziekteverzuim (al dan niet per risicogroep) dient voor het premiedifferentiatiesysteem het ziekteverzuimpercentage per individuele werkgever te worden vastgesteld. Dit individueel per werkgever vastgestelde ziekteverzuim wordt vervolgens afgezet tegen het voor die werkgever geldende gemiddelde ziekteverzuim (van de sector, bedrijfstak of risicogroep). Dan zal blijken of een werkgever ten opzichte van het gemiddelde een gunstiger, dan wel ongunstiger beeld te zien geeft. Een ten opzichte van het gemiddelde gunstige afwijking levert een verlaging op van de voor deze werkgever geldende gemiddelde premie. Evenzo dient een ongunstige afwijking te leiden tot een verhoging van de voor de desbetreffende werkgever geldende gemiddelde premie. Zoals in paragraaf 2.2.1 reeds is opgemerkt, wordt voor rblz.|34| kleine werkgevers een systeem van pooling voor de vaststelling van het individuele ziekteverzuimcijfer voorgesteld. Bedrijfsverenigingen kunnen dan het ziekteverzuim van elke kleine werkgever, dat bepalend is voor de differentiatie van de premie, stellen op het voor kleine werkgevers vast te stellen gemiddelde ziekteverzuim. Door niet van het individuele ziekteverzuim van een klein werkgever uit te gaan, maar van het gemiddelde van de groep kleine werkgevers, worden de effecten van sterke fluctuaties in het ziekteverzuim gemitigeerd.

     In het TWVA-rapport is bij wijze van voorbeeld aangegeven dat afwijkingen van het gemiddelde ziekteverzuim vanaf 1 procentpunt zouden kunnen leiden tot verhoging of verlaging van de premie. In het voorstel van wet is afgezien van het aangeven van marges waarbinnen afwijkingen leiden tot verhoging of verlaging van de door een werkgever te betalen premie. Op dit punt dienen bedrijfsverenigingen, met inachtneming van regels door de SVr te stellen, het systeem nadere invulling te geven. Hoe de marges moeten worden vastgesteld, kan vooraf niet worden bepaald.
     Dit hangt immers in belangrijke mate af van de vraag hoe dicht werkgevers met hun individuele ziekteverzuim zitten bij het gemiddelde ziekteverzuim. Het beeld op dat punt zal niet voor alle bedrijfsverenigingen hetzelfde zijn.


3. Doorwerking in de premie

     In de wet is ook niet bepaald met welk percentage de gemiddelde premie bij positieve of negatieve afwijking moet worden verlaagd of verhoogd. In ieder geval zal de afwijking zodanig moeten zijn dat er een prikkelende en uiteindelijk verzuimbeperkende werking van uitgaat. Dit laatste moet naar de mening van het kabinet als criterium gelden voor de vaststelling van een verhoging of verlaging van de premie.
     Op bedrijfsverenigingen rust de taak het premiedifferentiatiesysteem op de genoemde punten zodanig in te vullen dat er een behoorlijk prikkelende werking van uitgaat.

     De doorwerking van ziekteverzuimontwikkelingen in de premie kan op verschillende manieren worden ingevuld. In de eerste plaats is het mogelijk dat een correctie van de betaalde premie achteraf plaatsvindt. Bedrijfsverenigingen heffen premie bij wijze van voorschot. Aan de hand van de jaaropgaven over het voorgaande jaar vindt vervolgens een definitieve afrekening plaats. Het is niet onmogelijk om daarbij een aftrek of toeslag op de nota toe te passen. In de tweede plaats kan doorwerking via de voorschotpremie plaatsvinden. Afhankelijk van het ziekteverzuim wordt dan de voorschotpremie voor het volgende premietijdvak verhoogd of verlaagd. Deze laatste methode heeft de voorkeur. Niet alleen vanwege het feit dat één en ander uitvoeringstechnisch minder problemen geeft, maar ook omdat werkgevers in deze variant vooraf weten met welke premie zij te maken gaan krijgen (het belang van handhaving van de zogenaamde calculatiepremie).

     Samenvattend kan worden gesteld dat ten aanzien van het premiedifferentiatiesysteem slechts de hoofdlijnen in de wet zijn neergelegd. Dit leidt er toe dat in de wet alleen wordt voorgeschreven dat:
1. een gemiddelde premie op basis van gemiddeld ziekteverzuim wordt vastgesteld (al dan niet gedifferentieerd naar risicogroepen);
2. het ziekteverzuim per individuele werkgever wordt bepaald, eventueel via het poolingsysteem;
3. op basis van afwijkingen binnen door bedrijfsverenigingen te bepalen marges gedifferentieerd moet worden. De nadere invulling geschiedt door bedrijfsverenigingen, mede aan de hand van door de SVr
rblz.|35| te stellen regels. Deze regels kunnen aansluiten bij de reeds door deze Raad op grond van artikel 11 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering gestelde regels ten aanzien van de premieheffing door bedrijfsverenigingen.

     Ter illustratie hoe een premiedifferentiatie in de praktijk kan worden uitgewerkt, kan het systeem zoals dat bij de BV Havenbedrijven thans wordt toegepast als voorbeeld dienen.
     Voor de risicogroep Scheepsonderhoudbedrijven is een gemiddeld ziekterisicocijfer vastgesteld, alsmede een gemiddelde premie voor de hele groep. Voorts zijn drie premiegroepen vastgesteld: een groep met een hoog, een groep met een laag en een groep met een gemiddeld risico. Werkgevers worden elk jaar op basis van de vaststelling van hun eigen, individuele risicocijfer ingedeeld in één van de premiegroepen. Het individuele risicocijfer wordt vastgesteld over het premiejaar minus twee. Dat wil zeggen dat voor de premieheffing over bijvoorbeeld 1989 het risicocijfer over 1987 (vast te stellen in 1988) bepalend is.
     De indeling in premiegroepen is als volgt: werkgevers die ten opzichte van het gemiddelde ziekterisico 15% of meer naar boven respectievelijk naar beneden afwijken, worden ingedeeld in de hoge respectievelijk lage premiegroep. Werkgevers met een risicocijfer van 85% tot 115% van het gemiddelde zitten in de middengroep.

     Voor de middengroep geldt de gemiddelde premie, voor de hoge respectievelijk lage premiegroep wordt die gemiddelde premie verhoogd respectievelijk verlaagd met 10% van de gemiddelde premie.

     Uit het jaarverslag van de BV Havenbedrijven voor het jaar 1989 blijkt dat bij de risicogroep Scheepsonderhoudsbedrijven in de periode 1980-1989 sprake is geweest van een in vergelijking met de andere risicogroepen van de BV Havenbedrijven sterke daling van het ziekteverzuimpercentage van circa 17% in 1980 naar circa 12% in 1989.
     Bij de risicogroep havenbedrijven, overig personeel, waarbij een vergelijkbare systematiek van premiedifferentiatie wordt toegepast, is eveneens sprake van een aanwijsbare daling van het ziekteverzuimpercentage van circa 8% in 1980 naar circa 6% in 1989. Bij de overige risicogroepen heeft het verzuim zich globaal bezien gestabiliseerd.
     Voor de risicogroep havenbedrijven, overig personeel, is in 1986 de systematiek van premiedifferentiatie geëvalueerd. Bij deze evaluatie is geconstateerd dat het ziekterisico van de risicogroep havenbedrijven, overig personeel, een aanzienlijk gunstiger ontwikkeling heeft doorgemaakt dan dat van de overige risicogroepen. Wel wordt daarbij de kanttekening geplaatst dat niet eenduidig is vast te stellen in welke mate deze ontwikkeling het gevolg is van de toegepaste systematiek van premiedifferentiatie. Ook de overgang van werkgevers naar een andere risicogroep wordt genoemd als een mogelijke oorzaak van de daling van het ziekteverzuim.
     De evaluatie van het systeem heeft informatie opgeleverd die van waarde kan zijn bij het vormgeven van premiedifferentiatiesystemen in andere bedrijfstakken. Nadeel van het bij de risicogroep overig personeel havenbedrijven gehanteerde systeem bleek te zijn de onzekerheid bij werkgevers over de uiteindelijk te betalen premies. Bij de voorschotnota werd uitgegaan van de gemiddelde premiegroep, terwijl eerst bij de definitieve premienota werd afgerekend op het gerealiseerde ziekteverzuim. Inmiddels is men overgegaan op een systeem waarbij vooraf indeling in premiegroepen plaatsvindt. Daardoor konden ook de administratiekosten van het systeem, met name verbonden aan de opmaak van definitieve nota's, aanzienlijk gedrukt worden.

     rblz.|36| Het doorvoeren van een premiedifferentiatiesysteem kost uiteraard de nodige voorbereidingstijd. Het kabinet is zich hiervan bewust. Ook de Federatie van Bedrijfsverenigingen wijst hierop. Met des te meer genoegen constateert het kabinet dat de SVr in zijn advies in dit kader opmerkt dat hij hecht aan een spoedige invoering en het derhalve van belang acht dat de bedrijfsverenigingen in een zo vroeg mogelijk stadium beginnen met de voorbereiding, zodat verantwoorde invoering per 1 januari 1992 realiseerbaar is.

     Aansluitend op de in paragraaf 1.4 vermelde Gemeenschappelijke verklaring van het Najaarsoverleg, in het bijzonder de door alle partijen bepleite meer geïntegreerde aanpak van verzuim- en arbeidsongeschiktheidsproblemen door organen, diensten en instellingen op het terrein van de arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid, is het kabinet van oordeel dat het handhavingsbeleid van de Arbeidsinspectie een belangrijke bijdrage kan leveren aan de met de premiedifferentiatie beoogde doeleinden.
     De door de Arbeidsinspectie in te stellen bedrijfsinspecties zullen daarom nadrukkelijk worden gericht op bedrijven met een hoog verzuim.
     Met het oog op het verwezenlijken van deze werkwijze zullen door de bedrijfsverenigingen gegevens omtrent de indeling van bedrijven naar premiehoogte aan de Arbeidsinspectie dienen te worden verstrekt.
     Nadere vaststelling van de door de bedrijfsverenigingen te verstrekken gegevens geschiedt aan de hand van door de SVr te stellen regels.


2.2.3. Doorwerking naar werknemersdeel in de premie

     In verband met premiedifferentiatie op ondernemingsniveau is de vraag aan de orde of deze ook zijn doorwerking moet/mag hebben in het deel van de ZW-premie dat voor rekening van de werknemers wordt gebracht via inhouding op het loon. Thans is die inhouding wettelijk gemaximeerd op 1%. Zowel in de werkgroep TWVA als in het Najaarsoverleg is geen inhoudelijke overeenstemming op dit punt bereikt. Aanvankelijk was het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het TWVA-rapport afwijzend omdat een dergelijke maatregel te zeer zou uitgaan van de veronderstelling dat een hoog ziekteverzuim te wijten zou zijn aan het individuele gedrag van werknemers. Het kabinet heeft sedertdien - mede in verband met de wederom sterk tegenvallende ontwikkelingen in het ziekteverzuim en de groei van het aantal arbeidsongeschikten - aanleiding gezien zijn standpunt en argumenten opnieuw te bezien. Daarbij is naar het oordeel van het kabinet van belang dat doorwerking van een premiedifferentiatie op ondernemingsniveau naar het in te houden deel van de premie niet leidt tot een per individuele werknemer verschillende inhouding. Integendeel, deze doorwerking zou gevolgen hebben voor de collectiviteit van de werknemers binnen de betrokken onderneming. Juist die collectiviteit is het ook die naar het oordeel van het kabinet met reden op haar verantwoordelijkheid kan worden aangesproken.

     Het opstellen en uitvoeren van plannen gericht op preventie en bekorting van verzuim is immers niet een zaak van de werkgever alleen. Ook de collectiviteit van de werknemers binnen de onderneming draagt daarvoor mede verantwoordelijkheid.
     Deze benadering sluit tevens aan bij het uitgangspunt van de Arbeidsomstandighedenwet dat de zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn in de arbeid een verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers samen. De collectiviteit van werknemers binnen een onderneming kan haar invloed op het ondernemingsbeleid op dit terrein doen gelden. Het nemen van die verantwoordelijkheid van werknemerszijde zou kunnen
rblz.|37| worden gestimuleerd als succes of falen ook voor werknemers bepaalde financiële gevolgen zou hebben. Daarnaast zal een (in zekere zin afgeleide) stimulans tot risicomijdend gedrag optreden in de richting van de individuele werknemer.
     Op dit moment staat de wettelijke maximering van het inhoudingspercentage (althans waar het de wettelijke verzekering betreft) in veel gevallen een doorwerking in de inhoudingen van de voor- en nadelen van de premiedifferentiatie bij werknemers in de weg.

     In het Najaarsoverleg is afgesproken dat ten aanzien van de mogelijkheid tot doorwerking van de premiedifferentiatie in het werknemersdeel advies wordt gevraagd aan de SER. Op 6 december 1990 is de bedoelde adviesaanvrage verstuurd.
     Op 15 maart 1991 heeft de SER zijn advies over de doorwerking van de premiedifferentiatie op het loon van de werknemers vastgesteld (zie paragraaf 1.6). Zoals reeds aangegeven, is de SER zeer verdeeld. Waarbij de standpunten uiteenlopen van geen systeem van premiedifferentiatie tot geen doorwerking respectievelijk een verplichte doorwerking. Zoals reeds aangegeven, is het kabinet van oordeel dat ook de collectiviteit van werknemers binnen een onderneming in zeker opzicht op het verzuimbeleid kan worden aangesproken. Om die reden is een blokkade voor doorwerking gelegen in de wettelijke maximering van het inhoudingspercentage tot 1% niet op zijn plaats. In het onderhavige wetsvoorstel is dan ook het voorstel opgenomen dat de bedrijfsverenigingen de bevoegdheid zullen krijgen in verband met de premiedifferentiatie af te wijken van het wettelijk maximum van 1%. Wel is het kabinet van oordeel dat daar waar besloten wordt tot doorwerking, in aansluiting op de huidige verdeling van de wettelijke ZW-premie van in principe fiftyfifty, ook de premiedifferentiatie tot maximaal de helft mag doorwerken.


2.2.4. Premiedifferentiatie ZW in de G-en-G-sector

     Zoals bij het BMS in de G-en-G-sector reeds is uiteengezet, is de positie van de G-en-G-sector een bijzondere. Toch is ook bij de premiedifferentiatie uitgangspunt dat deze onverkort van toepassing is op de G-en-G-sector. Centrale vraag is ook hier op welke wijze dit inpasbaar is in de financieringsstructuur van deze sector en de verantwoordelijkheid van de overheid voor het voorzieningenniveau.

     De kern van de premiedifferentiatie is - zoals eerder in deze memorie beschreven - dat werkgevers die in gunstige dan wel ongunstige zin afwijken van het gemiddelde ziekteverzuim een lagere onderscheidenlijk hogere ZW-premie zijn verschuldigd. Dit systeem is ook in de G-en-G-sector toepasbaar, waarbij het vertrekpunt is dat bij de berekening van de arbeidsvoorwaardenruimte wordt uitgegaan van de gemiddelde premie die voor een CAO-sector kan worden bepaald. In concreto betreft het hier de gemiddelde premie van de bedrijfsvereniging c.q. risicogroep waartoe de betreffende CAO-sector behoort.

     Indien het gezien de omvang van de sector voor de hand ligt de gemiddelde premie niet te berekenen per CAO-sector, maar per groep van CAO-sectoren, dan zal bij de ruimteberekeningen van die premie worden uitgegaan. Voor kleine individuele instellingen zou de bedrijfsvereniging in dit verband kunnen zoeken naar een clustering van instellingen die binnen een zelfde beleidssector actief zijn. Daarbij is tevens de mogelijkheid aanwezig tot een vorm van pooling te komen, om te voorkomen dat incidentele fluctuaties in het verzuim een al te groot effect zouden hebben. Het kabinet wil echter noch in de marktsector, noch in de collectieve sector kleine werkgevers uitsluiten van de financiële prikkels.

     rblz.|38| Overigens ligt het naar het oordeel van het kabinet voor de hand dat bij een dergelijke clustering zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de eventueel bestaande indeling van de bedrijfsvereniging in risicogroepen in het kader van de ZW. Een CAO-sector, c.q. groep van CAO-sectoren, behoeft echter niet per definitie een risicogroep binnen de bedrijfsvereniging te gaan vormen. Zoals de SVr in zijn advies opmerkt, is de instelling van risicogroepen een autonome bevoegdheid van het bestuur van de bedrijfsvereniging.

     Voor zover een instelling op grond van een hoger dan gemiddeld ziekteverzuim in een klasse wordt ingedeeld waarin een hogere dan de gemiddelde premie verschuldigd is, heeft dit consequenties. De hogere premies zullen moeten worden bekostigd binnen het toegewezen budget. Dit zal ten koste gaan van de beschikbare ruimte voor incidentele verbeteringen van het arbeidsvoorwaarden en/of voorzieningenniveau. Dit houdt dan in dat de instelling zijn positie ten opzichte van anderen als vrager op de arbeidsmarkt en aanbieder van voorzieningen verzwakt ziet. De instelling heeft als werkgever dan immers minder te bieden dan de collega in dezelfde CAO-sector c.q. als dienstverlener zijn gebruikers meer te bieden dan een collega-instelling. Dit moet de prikkel vormen om door grotere aandacht te besteden aan het ziekteverzuim zo snel mogelijk ten minste terecht te komen op het premiegemiddelde.

     Voor de instellingen met een gunstig verzuimcijfer geldt dat hun positie relatief gunstiger wordt. Doordat de feitelijk verschuldigde ZW-premie lager ligt dan die welke de basis vormde voor de ruimteberekening, vallen, zolang deze situatie voortduurt, extra gelden vrij die in aanvulling op de op CAO-niveau beschikbare ruimte kunnen worden aangewend voor preventief beleid, verbetering van het voorzieningenniveau en/of voor verbetering van de arbeidsvoorwaarden. Aangezien een gunstiger positie ten opzichte van het gemiddelde niet per definitie blijvend behoeft te zijn, zal aanwending in één van de drie sferen bij voorkeur tot niet-structurele verplichtingen moeten leiden.

     Belangrijk is dat voor de CAO-sector als geheel de voor- en nadelen van afzonderlijke instellingen tegen elkaar wegvallen. Anders wordt immers niet voldaan aan de eerder geformuleerde randvoorwaarde dat de regeling niet ten koste mag gaan van het budget van de CAO-sector.
     Daarbij heeft de werkgever, indien door de overheid geen nadrukkelijke outputmeting plaatsvindt, in principe de keuze of dit ten koste gaat van de arbeidsvoorwaardenruimte (het voor de individuele werkgever beïnvloedbare deel daarvan) of het voorzieningenniveau. Indien mogelijk zal een werkgever, omdat die zich verantwoordelijk voelt voor het voorzieningenniveau, eerst proberen compensatie te zoeken in de arbeidsvoorwaardenruimte. Voor zover deze post onvoldoende is om de hoger dan gemiddelde ZW-premie te bekostigen, zal de instelling echter gedwongen zijn het voorzieningenniveau omlaag te brengen. Een verkeerde investering in human capital heeft in dit opzicht dezelfde consequentie als een verkeerde investering in kapitaalgoederen.

     Dit hoeft voor de CAO-sector als zodanig niet problematisch te zijn, aangezien andere instellingen in een spiegelbeeldsituatie verkeren en hun voorzieningenniveau of ruimte voor arbeidsvoorwaarden evenredig kunnen verbeteren. Ook langs deze weg kunnen werkgevers worden geprikkeld om verzuimbeperkende maatregelen te treffen.

     rblz.|39| Of en in welke mate een aantasting van de kwaliteit van de voorzieningen op instellingsniveau aan de orde kan zijn, is mede afhankelijk van de mate waarin de kosten van een eventueel hogere ZW-premie kunnen worden opgevangen binnen de arbeidsvoorwaardenruimte. De mate van differentiatie in de ZW-premie is ter bepaling van de besturen van de bedrijfsverenigingen die zoals bekend uit werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers zijn samengesteld. Verondersteld mag worden dat zij zowel oog zullen hebben voor de noodzaak van effectieve financiële prikkels als voor de mogelijkheden die gezien de budgetten bestaan. Daardoor lijkt verzekerd dat ook het voorzieningenpeil van de afzonderlijke instellingen op een aanvaardbaar niveau kan blijven.

     Overigens kan bij de, evenals voor de marktsector, voorziene evaluatie worden bezien of deze veronderstelling juist is. Naar aanleiding daarvan kunnen nadere maatregelen worden overwogen.

     Naast de negatieve en positieve prikkels op instellingsniveau die in het voorgaande zijn beschreven, is het mogelijk op CAO-niveau een verdere positieve prikkel in te bouwen. Wanneer het beleid succesvol is, zal de gemiddelde premie van jaar op jaar een dalende tendens gaan vertonen. Zonder nadere maatregelen betekent dit een voordeel voor de schatkist; doordat de G-en-G-instellingen minder premie verschuldigd zijn, behoeft de overheid minder collectieve gelden beschikbaar te stellen. In dit kader is van belang dat onder meer voor de zorgsector in de tussenbalans een specifieke taakstelling is opgenomen voor de terugdringing van de kosten van het ziekteverzuim. Deze taakstelling betreft een reductie van het ziekteverzuim met 0,5 procentpunt per jaar gedurende de periode 1992-1994. Voor deze periode geldt als uitgangspunt dat in deze sectoren primair deze taakstelling moet worden gerealiseerd. Wordt in de G-en-G-sector een verzuimbeperking gerealiseerd welke deze taakstelling overtreft, dan acht het kabinet het echter redelijk dat ook G-en-G-werkgevers delen in de meeropbrengsten van verzuimbeleid. Dit wordt mogelijk gemaakt door bij een daling van de gemiddelde ZW-premie die uitstijgt boven de taakstelling het meerdere te verdisconteren in de ruimteberekening van de arbeidsvoorwaarden.
     Hiermee wordt het tevens aantrekkelijk gemaakt om op CAO-sectorniveau te investeren in een goed verzuimbeleid.

 

2.3. Loonkostensubsidie


2.3.1. Achtergrond en doel

     In het TWVA-rapport is veel nadruk gelegd op maatregelen die de terugkeer van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten in het arbeidsproces moeten bevorderen. Behalve financiële prikkels richting werkgevers om arbeidsongeschikten in dienst te nemen of te houden, dient veel aandacht te komen voor begeleiding van arbeidsongeschikten naar een baan. In dat kader is het voorstel gedaan om de GMD een versterkt reïntegratie-instrumentarium te bieden. Voorgesteld is om de GMD een zelfstandig te hanteren arbeidsvoorzieningsinstrument te geven. Dit instrument kent een loonkostensubsidiecomponent en een scholingscomponent. Het kabinet heeft deze voorstellen gevolgd, onder de aantekening dat er wel qua inhoud en toepassing van de maatregel afstemming dient te zijn met het beleid en het instrumentarium van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ook het CBA pleit sterk voor die afstemming. Daartoe is het, zo meent het kabinet met het CBA, gewenst dat jaarlijks op regionaal en centraal niveau overleg plaatsvindt over de inzet van het instrument en dat de GMD jaarlijks het CBA over de toepassing informeert.

rblz.|40| 
2.3.2. Concrete uitwerking

     Het voorstel van wet introduceert in de AAW een loonkostensubsidieregeling, toe te passen door de GMD, het ABP en het Spf. Gekozen is voor regeling in de AAW om mogelijk te maken dat de GMD ook arbeidsongeschikten bij overheidswerkgevers met toepassing van de regeling kan plaatsen. ABP en Spf hebben door deze regeling de mogelijkheid om arbeidsongeschikten met een loonkostensubsidie naar het bedrijfsleven te bemiddelen. Op grond van de voorgestelde regeling kan aan een werkgever een subsidie worden toegekend voor het in dienst nemen van een arbeidsongeschikte, voor wie de GMD, het ABP of het Spf bemiddelingsinspanningen verricht.

     De regeling sluit dan ook nauw aan bij de arbeidsbemiddelende taak die de drie genoemde uitvoeringsorganen reeds geruime tijd hebben op grond van de Wagw. De doelgroep is in die zin onbegrensd dat ten aanzien van de gehele doelgroep die door de GMD, het ABP of het Spf worden bemiddeld de regeling kan worden ingezet. De feitelijke beslissing tot toekenning van de subsidie is overgelaten aan deze uitvoeringsorganen. Subsidie kan alleen worden toegekend voor nieuw aangegane dienstbetrekkingen. Een werkgever kan derhalve geen loonkostensubsidie krijgen voor het in dienst houden en verschaffen van ander passend werk van respectievelijk aan een in zijn dienst arbeidsongeschikt geworden werknemer.


De loonkostensubsidieregeling

     De loonkostensubsidieregeling kent twee onderdelen: een subsidie in de directe loonkosten en een subsidie voor kosten in verband met training en begeleiding van de arbeidsongeschikte. De laatstbedoelde subsidie kan alleen worden toegekend in combinatie met de loonkostensubsidie. Qua opzet is de regeling daarmee vergelijkbaar met de Kaderregeling arbeidsinpassing (KRA). De KRA, die zich richt op langdurig werklozen, bestaat uit een gewijzigde Vermeend/Moor-regeling (loonkostensubsidie voor werkgevers via vrijstelling van werkgeverspremies), een subsidieregeling voor de instandhouding van werkervaringsplaatsen en een subsidieregeling voor kosten van training en begeleiding van in dienst genomen langdurig werklozen (de laatste twee regelingen zijn gebaseerd op de Vermeend/Moor-regeling).

     De wettelijke regeling geeft de bovengrenzen en de maximale duur van de toe te kennen subsidies aan. Voor de hoogte van de loonkostensubsidie is aangeknoopt bij het overeengekomen brutoloon ter zake van de dienstbetrekking waarvoor de subsidie wordt toegekend. Het maximum bedraagt per jaar 20% van dat loon. Door uit te gaan van het loon van de desbetreffende dienstbetrekking kan in alle gevallen een aanvaardbare verhouding tussen duur en omvang van de dienstbetrekking en de subsidie worden bereikt.
     Een loonkostensubsidie kan ten hoogste over vier jaar worden toegekend. Binnen de aldus door de wetgever aangegeven maxima kunnen de GMD, het ABP en het Spf naar eigen inzicht en afhankelijk van de concrete situatie variëren. Zo kan bijvoorbeeld een lagere subsidie worden toegekend of over een kortere periode dan vier jaar. Ook zou de subsidiehoogte gedurende de periode waarover die wordt toegekend geleidelijk kunnen worden verlaagd.
     Hiermee is aan de betreffende uitvoeringsorganen een zo flexibel mogelijk instrument gegeven waarin het onderhandelingsaspect prominent aanwezig is. Door de SVr wordt deze aan de uitvoeringsorganen toegedachte vrijheid van handelen ten volle onderschreven. Met de SVr is het kabinet wel van oordeel dat er zich in de loop der tijd een
rblz.|41| beleid moet gaan ontwikkelen met een zodanige consistentie dat de werkgever die met de onderhavige regeling te maken krijgt globaal weet welke tegemoetkoming hij redelijkerwijs tegemoet kan zien. De SVr zal als toezichthouder beoordelen of een dergelijk beleid ook daadwerkelijk van de grond komt.


Inwerk-/begeleidingssubsidie

     Om een werkgever tegemoet te komen in de kosten van eventuele extra inspanningen die het in dienst nemen van een arbeidsongeschikte met zich meebrengt (anders dan aanpassing van de werkplek of andere fysieke aanpassingen aan produktie- en werkmethoden, hulpmiddelen of bedrijfsgebouwen: voor kosten in verband met deze aanpassingen kan op grond van artikel 57a van de AAW reeds een vergoeding verkregen worden), kan een eenmalige inwerk-/begeleidingssubsidie worden toegekend. De hoogte bedraagt maximaal ƒ4000. Ook hier kan de hoogte van de toe te kennen subsidie worden afgestemd op de aard en omvang van de dienstbetrekking. Zo is voorstelbaar dat ten aanzien van parttimedienstverbanden niet de volledige ƒ4000,- wordt toegekend.
     De regeling voorziet tevens in mogelijkheden om betaalde subsidies terug te vorderen. Het gaat niet om een verplichting, doch een bevoegdheid van GMD, ABP en Spf om al dan niet terug te vorderen.


2.3.3. Samenloop

     Evenals bij het BMS dient ook bij het loonkostensubsidie-instrument gekeken te worden naar de cumulatie met andere loonkostensubsidie-instrumenten. Feitelijk kunnen in dit kader nog strengere eisen aan cumulatie worden gesteld aangezien het loonkostensubsidie-instrument een zuiver loonkosteninstrument is.
     Bij dit instrument heeft het kabinet nadrukkelijk gekeken of er met hantering van de verschillende (gecumuleerde) instrumenten geen oneerlijke concurrentieverhouding binnen de verschillende doelgroepen op de arbeidsmarkt ontstaat.
     Het kabinet is dan ook van oordeel dat er geen cumulatie mag zijn tussen dit instrument en het BMS, alsmede met de subsidieregelingen op basis van de KRA en de Wlom. Cumulatie van deze regelingen met het loonkostensubsidie-instrument zou de positie van de arbeidsongeschikte ten opzichte van die van de andere doelgroepen (langdurige werklozen en minimumloners) te zeer scheeftrekken.
     Wel acht het kabinet cumulatie van de loonkostensubsidie met de andere regelingen (artikel 5 Wagw, loondispensatie en artikel 57 en 57a AAW) mogelijk evenals dit bij het BMS mogelijk wordt geacht.
     Voor de nadere motivering moge verwezen worden naar de paragraaf waar het BMS wordt beschreven (paragraaf 2.1.3).


2.3.4. Uitvoering en financiering

     Ter financiering van de subsidieregelingen wordt aan GMD, ABP en Spf een budget toegekend. De gelden daarvoor komen uit het AAf. Het budget wordt elk jaar door het AAf onder goedkeuring van de SVr vastgesteld, op basis van onder meer de feitelijk gerealiseerde toepassing in het voorafgaande jaar en de te verwachten toepassing voor het volgende jaar. Verder zal, met name bij de vaststelling van het budget voor het eerste jaar, afgegaan moeten worden op het aantal door inspanning van GMD, ABP en Spf gereïntegreerde arbeidsongeschikte personen en voorts op het loon dat gemiddeld voor de functies waarin arbeidsongeschikten na reïntegratie terechtkomen, wordt betaald.

     Door sociale partners en het kabinet is groot belang gehecht aan het rblz.|42| zo snel mogelijk invoeren van een in ieder geval door de GMD te hanteren loonkostensubsidie-instrument. Aangezien een structurele regeling wetswijziging vereist, is inmiddels door het CBA besloten vooralsnog tot 1 januari 1992 een tijdelijke tussenvoorziening voor de GMD te creëren, zodat de GMD thans reeds over een dergelijk instrument kan beschikken. Het gaat daarbij om een aanpassing van de hiervoor genoemde KRA-regeling. Daartoe is bepaald dat een gedeeltelijk arbeidsongeschikte voor de toepassing van de regeling in aanmerking komt één jaar nadat de GMD met de bemiddelingsactiviteiten is gestart.

     Tot slot zij vermeld dat in verband met de hiervoor weergegeven subsidieregeling het kabinet van mening is dat het zogenaamde "opstapje" in de AAW (artikel 33a AAW en artikel 44a WAO) kan vervallen. De opstapjesregeling, die voorziet in het indelen van arbeidsongeschikten in een hogere klasse indien arbeid wordt aanvaard waarmee minder inkomen wordt verdiend dan evenredig is aan de nog bestaande arbeidsgeschiktheid, werkt in feite als een loonkostensubsidieregeling. Het opstapje heeft tot nu toe in de praktijk echter niet aan de doelstelling beantwoord en blijkt nauwelijks te worden toegepast. In de TWVA is nog gesproken over eventuele verruiming van het opstapje. Het kabinet is echter tot de slotsom gekomen dat met de introductie van een loonkostensubsidieregeling zoals thans wordt voorgesteld het opstapje zijn nut volledig heeft verloren. De loonkostensubsidieregeling is niet alleen effectiever, maar biedt ook een financiële prikkel die substantiëler is. Conform het SVr-advies voorziet het wetsvoorstel in een overgangsregeling voor diegene die op het moment dat het wetsvoorstel in werking treedt nog gebruik maakt van het opstapje.


2.3.5. Het scholingsinstrument

     De GMD beschikt in verband met de centrale reïntegratietaak tevens over middelen waarmee te herplaatsen arbeidsongeschikten een scholing kan worden aangeboden. Scholingsvoorzieningen kunnen door de GMD, behalve op grond van artikel 57 AAW, dat het treffen van voorzieningen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid mogelijk maakt, getroffen worden doordat de GMD de beschikking heeft over een deel van het scholingsbudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Tot 1991 moest jaarlijks op regionaal niveau worden onderhandeld tussen de gewestelijke arbeidsbureaus en de GMD-kantoren over de inzet voor gehandicapten van gelden uit de Kaderregeling scholing. Met ingang van 1 januari 1991 is aan de GMD een centraal scholingsbudget ter beschikking gesteld. Voor 1991 gaat het om ƒ14,8 mln. Op basis van een door de GMD in te dienen scholingsplan zal het CBA elk jaar een budget voor de GMD vaststellen.

 

2.4. Verhoging ziekengeld


     Van groot belang bij terugdringing van het grote aantal arbeidsongeschikten zijn maatregelen gericht op de bevordering van de instroom van arbeidsongeschikten in het arbeidsproces. In het TWVA-rapport wordt daartoe een aantal voorstellen gedaan. Eén daarvan betreft de verhoging van de ziekengelduitkering voor herintredende arbeidsongeschikten gedurende ziekteperioden gelegen in de eerste drie jaren na hervatting van de arbeid. Met deze regeling wordt beoogd de kansen van arbeidsongeschikten om terug te keren in het arbeidsproces te verbeteren. Eén van de belemmeringen die arbeidsongeschikten tegenkomen bij pogingen om terug te keren in het arbeidsproces is de mindere bereidheid van werkgevers arbeidsongeschikten in dienst te nemen. Dit rblz.|43| hangt samen met de vrees die bij een werkgever kan bestaan voor een verhoogd ziekteverzuim van ex- of gedeeltelijk arbeidsongeschikten mede in verband met kosten van uit CAO's voortvloeiende verplichtingen om gedurende perioden van ziekte het wettelijke ziekengeld (70% van het dagloon) aan te vullen. Ophoging van het wettelijke ziekengeld voor (her)ingetreden arbeidsongeschikten neemt voor de werkgever zodoende een financieel risico, zijnde de aanvulling op de uitkering en daarmee een belemmering om een arbeidsongeschikte in dienst te nemen weg.
     Het kabinet staat gereserveerd ten opzichte van het voorstel van de TWVA tot verhoging van de ZW-uitkering. Het kabinet meent dat het een vooroordeel is dat arbeidsongeschikte herintreders per definitie een hoger ziekterisico opleveren. Aangezien er echter in psychologische zin een instroombevorderende werking van het voorstel kan uitgaan, wil het kabinet toch wettelijke uitwerking aan het TWVA-voorstel geven. In het kabinetsstandpunt naar aanleiding van de voorstellen van de TWVA is aangegeven dat de voorgestelde maatregel in eerste instantie slechts voor drie jaar zou moeten gelden. In de wet is daarom bepaald dat de regeling na drie jaar vervalt. Op basis van onderzoek moet worden beoordeeld of de vooronderstelling omtrent het ziekteverzuim van arbeidsongeschikten toch terecht is geweest en of de regeling een zodanig instroombevorderend effect heeft dat deze na drie jaar kan worden voortgezet. Het spreekt vanzelf dat evaluatie van de maatregel op een zodanig tijdstip plaatsvindt dat op basis van de resultaten daarvan tijdig een beargumenteerd oordeel over eventuele voortzetting daarvan kan worden gegeven. Gegeven de hiervoor weergegeven reserve van het kabinet, geeft het geen gevolg aan de door de SVr in zijn advies op tal van punten zowel qua werkingssfeer als werkingsduur bepleite uitbreiding van de regeling. Indien na evaluatie van de regeling besloten zou worden tot voortzetting, dan kan op dat moment tevens, afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie, besloten worden tot uitbreiding dan wel aanpassing van de regeling.

     Om te voorkomen dat voor eventuele verlenging wetswijziging nodig is, is bepaald dat verlenging na drie jaar bij algemene maatregel van bestuur kan plaatsvinden.
     Er is niet voorzien in specifieke overgangsbepalingen. Dit betekent dat na ommekomst van drie jaar na inwerkingtreding van deze wet de toepassing van de regeling stopt. Op dat moment zullen onder meer reeds ingegane ophogingen, voor rekening van de bedrijfsverenigingen, vervallen. Deze keuze is gemaakt vanuit de overweging dat wanneer de regeling niet werkt en beter kan vervallen, eventuele nawerking na intrekking wordt voorkomen. Bovendien ondervinden uitkeringsgerechtigden geen nadeel. Zij ontvangen immers vanaf het moment dat de regeling ophoudt weer hun aanvulling op het ziekengeld van de werkgever.

     De regeling van ophoging van de uitkering is bedoeld om met name de langduriger arbeidsongeschikten betere herstartmogelijkheden te geven. De regeling richt zich dan ook op degenen die een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO/AAW hebben en derhalve reeds één jaar of langer arbeidsongeschikt zijn.

     Uitgaande van de bedoeling van de voorgestelde regeling, namelijk instroombevordering door het wegnemen van financiële risico's voor de werkgever, is bij de nadere invulling gekozen voor een regeling die aansluit bij het door een werkgever daadwerkelijk te lopen risico.
     Daarbij wordt aangesloten bij de arbeidsrechtelijke verplichting van werkgevers een aanvulling op het ziekengeld te betalen. Een dergelijke
rblz.|44| verplichting is in de meeste CAO's opgenomen en bestaat in de meeste gevallen uit een aanvulling tot 100% van het loon. Ophoging van het wettelijke ziekengeld vindt plaats tot 100% van het dagloon met als maximum de door de werkgever verschuldigde aanvulling. Daarmee wordt niet alleen het feitelijke risico van de werkgever weggenomen, maar wordt tevens bereikt dat er geen ongelijke behandeling van zieke werknemers ontstaat. Doordat gekozen is voor de ophoging van het ziekengeld, heeft de regeling ook alleen effect voor omslagleden en niet voor de eigenrisicodragers. Zij betalen immers bij ziekte het loon door, zodat er geen sprake is van een ZW-uitkering.

 

2.5. Verbeterde toepassing artikel 30 ZW


     Een werknemer kan tijdens ziekte geheel, gedeeltelijk of in aangepast tempo in passend werk hervatten. Dit kan plaatsvinden in de eigen of een andere functie bij de eigen werkgever of bij een andere werkgever. Op grond van het huidige artikel 30 ZW kan het met de hervatte arbeid verdiende loon met ziekengeld worden aangevuld tot 100% van het dagloon waarnaar de ziekengelduitkering is berekend. Door het huidige vierde lid van artikel 30 ZW te schrappen, stelt het kabinet voor de mogelijkheden om bij een andere werkgever in passende arbeid te laten hervatten te verruimen. Zowel werknemer als werkgever dienen mee te werken aan werkhervatting. Bij het zonder deugdelijke grond niet meewerken van de werknemer kan het ziekengeld worden gekort met het bedrag dat met de geweigerde arbeid had kunnen worden verdiend. Weigert de eigen werkgever zonder deugdelijke grond medewerking aan de hervatting, dan kan deze werkgever worden geconfronteerd met een vordering vanwege de bedrijfsvereniging ter grootte van het bedrag aan loon dat de werknemer bij hervatting had kunnen verdienen.

     In verband met het onderzoek naar de uitvoering van de Wagw is ook onderzoek gedaan naar de toepassing van artikel 30 ZW. Uit de resultaten van dat onderzoek komt duidelijk naar voren dat artikel 30 ZW veelvuldig wordt toegepast. Met name verzekeringsgeneeskundigen van de bedrijfsverenigingen en van de GMD achten de mogelijkheden die artikel 30 ZW biedt zeer zinvol en beschouwen het als één van de belangrijkste reïntegratie-instrumenten. Tevens blijkt uit de manier waarop het instrument in de praktijk wordt gehanteerd dat het therapeutisch karakter van de werkhervatting min of meer is verdrongen door een meer volwaardige toepassing in die zin dat toepassing gericht is op het voorkomen van langdurige arbeidsongeschiktheid en verbetering van de kans op volledige hervatting (mede omdat bij toepassing in een vroegtijdig stadium voorkomen wordt dat vervreemding van het arbeidsproces optreedt). Het kabinet meent dan ook dat de suggestie die van de huidige tekst van de regeling uitgaat dat het om werkhervatting bij wijze van therapie gaat door aanpassing van de wettekst wordt weggenomen, waardoor tevens meer de nadruk komt te liggen op de reïntegratiebevorderende werking van het instrument. Uit recent onderzoek door het Nederlands Instituut voor Preventieve Gezondheidszorg (NIPG) is ook gebleken dat degenen ten aanzien van wie artikel 30 ZW is toegepast minder kans lopen op toetreding tot de AAW/WAO. Dit pleit voor een ruime toepassing van het instrument. De voorgestelde wijziging van het eerste lid van artikel 30 houdt in dat daarin de mogelijkheid voor bedrijfsverenigingen wordt opgenomen om zieke werknemers op te dragen passend werk te gaan doen. Met toepassing van artikel 31 kan vervolgens tot aanpassing van het ziekengeld in verband met het met die passende arbeid verdiende loon plaatsvinden op dezelfde wijze als waarop dat met toepassing van het huidige eerste lid van artikel 30 geschiedt.

     rblz.|45| Voorts meent het kabinet nog om een andere reden tot aanpassing van het artikel over te moeten gaan. Uit het reeds vermelde onderzoek naar de toepassing van artikel 30 ZW is tevens gebleken dat de sanctiemogelijkheden zowel ten opzichte van de werknemer als ten opzichte van de werkgever vrijwel nooit worden toegepast. Het beleid van de bedrijfsverenigingen ter zake van de hantering van bevoegdheden in deze is zeer terughoudend. Met name vanuit de visie dat de relatie tussen werknemer en werkgever en tussen werkgever en uitvoeringsorgaan niet negatief mag worden belast. Nu er vanuit een oogpunt van noodzakelijke beperking van de instroom in de AAW/WAO voor wordt gekozen de reïntegratie-instrumenten te verstevigen, acht het kabinet ook een aanscherping van sanctietoepassing wenselijk. In dit kader kan ook worden verwezen naar de Nota Sociale Vernieuwing (Kamerstukken II 1989-1990, 21 455, nr. 4), waarin gesproken wordt van een nieuw evenwicht tussen rechten en plichten.

     De SVr wijst er in zijn advies op dat een werkgever naast een vordering door de bedrijfsvereniging op grond van artikel 30 ZW ook geconfronteerd kan worden met een civielrechtelijke loonvordering door de werknemer. Ten aanzien van die samenloop kan het volgende worden opgemerkt.
     Op basis van artikel 1638c Burgerlijk Wetboek is de werkgever verplicht om gedurende betrekkelijk korte tijd het volledige loon door te betalen wanneer de werknemer de arbeid niet kan verrichten wegens ziekte. De werkgever dient in ieder geval gedurende minimaal zes weken het voor de werknemer geldende minimumloon door te betalen. De uitkering waarop de werknemer recht heeft op basis van de ZW mag de werkgever hierop in mindering brengen.
     Op basis van artikel 1638ff en 1638z Burgerlijk Wetboek is de werkgever in het algemeen gehouden de werknemer loon te betalen indien de werknemer bereid is passende arbeid te verrichten, maar de werkgever daar geen gebruik van maakt. De hoogte van de loonbetaling is afhankelijk van de omstandigheden in een concrete situatie.

     Er kan derhalve sprake zijn van een samenloop van vorderingen, door verschillende actoren, indien de werkgever niet aan zijn verplichtingen op basis van het Burgerlijk Wetboek en de ZW, namelijk de werknemer in de gelegenheid te stellen passende arbeid te verrichten, voldoet.
     Op basis van het Burgerlijk Wetboek is de werkgever gehouden loon te betalen aan de werknemer en op basis van de ZW vordert de bedrijfsvereniging een bedrag ter grootte van het loon dat de werknemer bij hervatting had kunnen verdienen.
     Dit zijn twee geheel naast elkaar bestaande verschillende vorderingen die voortkomen uit het gedrag van de werkgever zelf, namelijk het niet verschaffen van passend werk, terwijl dit wel aanwezig is. Het gedrag van de werkgever zelf is derhalve de aanleiding tot het ontstaan van deze vorderingen en deze vorderingen zijn dan ook naar het oordeel van het kabinet, om die reden, acceptabel.

 

2.6. Invoering instrument analoog aan artikel 30 ZW in de WAO en AAW


     Toepassing van artikel 30 ZW kan alleen gedurende het ZW-jaar. Met sociale partners is het kabinet overeengekomen dat het wenselijk is om aan artikel 30 ZW analoge sanctiebepalingen in de WAO en AAW op te nemen. Is een arbeidsongeschikte in staat passende arbeid te verrichten en daartoe ook bereid, maar weigert de werkgever medewerking, dan kan thans deze medewerking tijdens de AAW/WAO-periode rblz.|46| niet worden afgedwongen. Daardoor wordt de arbeidsongeschikte in mogelijkheden tot reïntegratie belemmerd.

     Bovendien is uit het Wagw-onderzoek naar voren gekomen dat het vaak eerst op het einde van de ZW-periode duidelijk wordt dat de werkgever weigert mee te werken aan een herplaatsing. Zinvolle inzet van artikel 30 ZW op dat moment is dan niet meer mogelijk. Er bestaat derhalve ook bij de uitvoerders van de arbeidsongeschiktheidsregeling wel behoefte aan een regeling in de AAW en WAO die overeenkomt met artikel 30 ZW. Sancties voor werknemers die weigeren te hervatten in passend werk kunnen worden getroffen door bedrijfsverenigingen vanuit de werkloosheidsregelingen. Maakt een gedeeltelijk arbeidsongeschikte aanspraak op Rww [Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, red.] of Ioaw [Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, red.] en weigert deze passend werk te aanvaarden, dan zal de bedrijfsvereniging de Gemeentelijke Sociale Dienst (GSD) moeten verzoeken een sanctie op te leggen.

     Er is voor gekozen de regeling vooralsnog voor het eerste AAW/WAO-jaar te laten gelden. De totale periode waarbij sancties kunnen worden toegepast, namelijk twee jaar, sluit aan bij de duur van de ontslagbescherming van arbeidsongeschikte werknemers. Wel zal in de toekomst bekeken moeten worden of deze regeling niet moet worden uitgebreid in die zin dat deze regeling geldt zolang de dienstbetrekking blijft voortbestaan. Op deze wijze zou worden aangesloten bij de per 1 januari 1991 in werking getreden aanscherping van de ontslagbescherming voor arbeidsongeschikten, waarbij beëindiging van de dienstbetrekking ook na het tweede jaar slechts wordt toegestaan indien geen alternatieve plaatsingsmogelijkheden in het bedrijf aanwezig zijn. Bij het beoordelen van de mogelijkheid of deze plaatsingsmogelijkheden aanwezig zijn, dienen uitdrukkelijk ook de arbeidsplaatsen die nog beschikbaar gemaakt moeten worden, zo nodig met toepassing van artikel 6 Wagw, betrokken te worden.

     De SVr is in zijn advies verdeeld over de vraag of de werkgever die weigert mee te werken aan herplaatsing geconfronteerd moet worden met een dubbele vordering, namelijk de civiele vordering door de werknemer en de vordering op basis van de WAO/AAW door de bedrijfsvereniging. Een deel van de Raad accepteert deze dubbele vordering, maar een ander deel wijst deze van de hand en vindt deze in strijd met het najaarsoverleg. Deze problematiek is in feite dezelfde als besproken bij artikel 30 ZW. Ook hier acht het kabinet deze dubbele vorderingsmogelijkheid acceptabel, gegeven het feit dat deze voortkomt uit het handelen van de werkgever zelf, namelijk het niet verschaffen van (wel aanwezig) passend werk aan zijn arbeidsongeschikte werknemer.

 

2.7. Uitstel schatting bij scholing


     Indien een arbeidsongeschikte uitkeringsgerechtigde met het oog op de bevordering van de arbeidsgeschiktheid en verbetering van arbeidsmarktkansen met goed gevolg een opleiding of scholing heeft afgerond, kan dit ertoe leiden dat op grond daarvan herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage dient plaats te vinden. Met nieuw verworven bekwaamheden zullen immers vaak nieuwe en hoger beloonde passende functies kunnen worden aangewezen, waardoor de arbeidsongeschiktheid zal afnemen. Dit leidt tot afschatting en herziening van de uitkering, ook in de situatie dat betrokkene nog geen werk heeft gevonden waarop de scholing was gericht. Uitkeringsgerechtigden zullen zich dan ook terughoudend opstellen ten aanzien van activiteiten die in beginsel de kans op hervatting in arbeid vergroten, zoals scholing, doch die ertoe leiden dat uiteindelijk de uitkering wordt verlaagd, zonder dat rblz.|47| werk is gevonden. Met sociale partners is het kabinet van mening dat het redelijk is dat arbeidsongeschikten die een scholing met goed gevolg hebben voltooid, gedurende één jaar na die voltooiing de tijd krijgen om met behulp van intensieve begeleiding en bemiddeling van de GMD naar passende arbeid te zoeken. Met de SVr is het kabinet van oordeel dat de GMD voor deze situatie een adequate procedure dient te ontwikkelen.

     In dit voorstel van wet is voorzien in een bepaling in de WAO, de AAW, de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet op grond waarvan herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die verband houdt met voltooiing van een scholing of opleiding maximaal één jaar wordt uitgesteld. Mocht betrokkene binnen dat jaar reeds hervatten, dan wordt gedurende de rest van dat jaar de uitkeringshoogte aangepast aan de inkomsten uit arbeid zonder dat definitieve herschatting plaatsvindt.

 

2.8. Herziening naar een hoger dagloon of hogere grondslag (artikel 40 WAO/29a AAW)


     Indien een gedeeltelijk arbeidsongeschikte die weer aan het werk is gegaan in een baan waarin hij of zij een hoger dagloon verdient dan het dagloon waarnaar de gedeeltelijke uitkering is berekend, opnieuw uitvalt, kan op grond van de artikelen 29a AAW en 40 WAO het dagloon respectievelijk de grondslag behorende bij die uitkering worden herzien. Voorwaarde is thans wel dat vanwege die hernieuwde uitval de arbeidsongeschiktheid is toegenomen tot 80% of meer en dat herziening leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon waarop de gedeeltelijke uitkering was gebaseerd. De voornaamste reden om de toepassing van de artikelen 29a AAW en 40 WAO te beperken tot gevallen van toeneming van arbeidsongeschiktheid tot 80% of meer was dat toepassing bij toename van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 80% ertoe zou leiden dat het (totale) inkomen na de toeneming (WAO-uitkering op basis van het nieuwe hogere dagloon plus verdiensten uit benutting van de restcapaciteit) meer zou bedragen dan het (totale) inkomen dat de uitkeringsgerechtigde ontving vóór de toeneming van de arbeidsongeschiktheid. Essentieel daarbij is dat één en ander speelde in een tijd dat het uitkeringspercentage nog 80 was. Inmiddels is het uitkeringspercentage per 1 januari 1985 verlaagd naar 70. De voornaamste reden voor beperking van de toepassing van de artikelen 40 WAO en 29a AAW is daarmee komen te vervallen. De SVr heeft op 15 juni 1990 geadviseerd artikel 40 WAO aan te passen en de toepassing te verruimen. Daarbij adviseerde de SVr, uitgaande van de bestaande methodiek van berekening van het nieuwe verhoogde dagloon, dat toepassing bij toename van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 80% mogelijk moet worden onder de voorwaarde dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte als gevolg van de toename van de arbeidsongeschiktheid minimaal drie klassen hoger wordt ingedeeld.

     Naar de mening van het kabinet kan een verbeterde en verruimde toepassing van de artikelen 40 WAO en 29a AAW voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten een stimulans zijn om in (beter) betaalde arbeid te hervatten. Het is reëel dat een arbeidsongeschikte die gaat werken in een baan waarmee een hoger dagloon kan worden verdiend, bij hernieuwde uitval dit hogere loon tot uitdrukking ziet komen in de grondslag voor de berekening van de uitkering. De stimulans moet niet alleen ten goede komen aan degenen die na hernieuwde uitval volledig arbeidsongeschikt worden.

     Bovendien is met de stelselherziening de werkloosheidscomponent uit rblz.|48| de arbeidsongeschiktheidsschatting (verdiscontering) komen te vervallen, waardoor er minder mensen in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse terechtkomen. Weliswaar betekent deze verruimde toepassing een verzwaring van de uitvoeringspraktijk, zoals de SVr in zijn advies opmerkt, maar gezien het belang van de uitkeringsgerechtigde, zowel in financieel opzicht als vanuit reïntegratieoogpunt, meent het kabinet met de SVr dat dit moet worden geaccepteerd.

     Wat betreft de berekeningsmethodiek voor de vaststelling van het nieuwe dagloon is de SVr in zijn advies van 15 juni 1990 uitgegaan van de reeds bestaande berekeningswijze. Juist deze berekeningsmethode bracht mee dat de SVr meende te moeten adviseren tot toepassing in de gevallen van indeling van de arbeidsongeschikte in drie klassen hoger. Bovendien kan de methodiek ertoe leiden dat het herziene dagloon hoger uitvalt dan het dagloon waarop de restcapaciteit is gebaseerd.
     Het kabinet stelt daarom een andere berekeningswijze voor. In zijn advies van 18 april 1991 wordt die berekeningsmethode door de SVr onderschreven. Het nieuwe dagloon wordt bepaald aan de hand van een verdeelsleutel, waarbij het inkomen uit de restcapaciteit wordt aangevuld met een gedeelte van het dagloon dat ten grondslag lag aan de uitkering. Iemand is bijvoorbeeld 70% arbeidsgeschikt (arbeidsongeschiktheidsklasse 25-35%) en maakt deze restcapaciteit ten gelde in een functie met een hoger dagloon dan waarop de uitkering is gebaseerd. Wanneer deze persoon toegenomen arbeidsongeschikt wordt, dan wordt 70% van het dagloon behorende bij de desbetreffende functie als basis genomen, aangevuld met 30% van het oude dagloon om zodoende het herziene dagloon te verkrijgen. Een meer uitgewerkt voorbeeld moge één en ander verduidelijken.

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald op: 15-25%.
Dagloon voor de WAO-uitkering is vastgesteld op: ƒ100,- per dag.
Loon van de functie waarin betrokkene zijn restcapaciteit benut, is bij volledige arbeidsgeschiktheid: ƒ120,- per dag.

Betrokkene krijgt:
- WAO-uitkering: 14% van ƒ100,- = ƒ14,-.
- Loon uit benutting restcapaciteit (bij een arbeidsgeschiktheid van 80%) is 80% van ƒ120,-: ƒ96,-.
Totaal inkomen (WAO-uitkering + loon uit restcapaciteit): ƒ110,-.

Stel dat betrokkene toegenomen arbeidsongeschikt wordt tot: 65-80%.
Zonder toepassing van artikel 40 is zijn inkomen als volgt:
- WAO-uitkering : 50,75% van ƒ100,-: ƒ50,75
- Loon uit benutting restcapaciteit (bij een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65-80% hoort een arbeidsgeschiktheid van 27,5%) is 27,5% van ƒ120,-: ƒ33,-.
Totaalinkomen: ƒ83,75

Met toepassing van artikel 40 en volgens de door het kabinet voorgestelde berekening ter bepaling van het nieuwe dagloon bij toegenomen arbeidsongeschiktheid is het beeld als volgt:
Het aandeel van het oude dagloon in het nieuwe dagloon wordt bepaald op: 20% van ƒ100,-: ƒ20,-.
rblz.|49| Het aandeel van het loon uit zijn benutte restcapaciteit 80% van ƒ120,-: ƒ96,-.
De basis van de WAO-uitkering wegens verhoogde arbeidsongeschiktheid, het nieuwe dagloon, is dan: ƒ116,-.
Betrokkene ontvangt na toeneming van de arbeidsongeschiktheid derhalve:
- WAO-uitkering op basis van 50,75% van ƒ116,-: ƒ58,87.
- Loon uit benutting restcapaciteit is 27,5% van ƒ120,-: ƒ33,-.
Totaalinkomen wordt dan: ƒ91,87.

 

2.9. Ruimere toepassing artikel 33 AAW en 44 WAO


     De artikelen 33 en 34 AAW en 44 en 45 WAO regelen wat er moet gebeuren wanneer een arbeidsongeschikte inkomen verwerft. De artikelen 33 AAW en 44 WAO hebben betrekking op de situatie waarin betrokkene passende arbeid verricht. De artikelen 34 AAW en 45 WAO vinden toepassing indien sprake is van niet-passende arbeid.

     Hoewel de artikelen 33 AAW en 44 WAO in principe anticumulatiebepalingen zijn, hebben zij een belangrijke reïntegratiebevorderende werking. De artikelen 33 AAW en 44 WAO bieden namelijk de mogelijkheid dat wanneer een arbeidsongeschikte passend werk gaat verrichten, niet wordt afgeschat zolang niet vaststaat dat betrokkene deze arbeid kan volhouden en daarmee duurzaam inkomsten kan verwerven. Bij twijfel of betrokkene de werkhervatting duurzaam aankan, wordt voorlopig niet feitelijk herschat en vindt ook daarom geen herziening van de uitkering plaats, doch wordt het bedrag van de uitkering aangepast aan de hoogte van de inkomsten uit de arbeid. Bij die aanpassing van de uitkering wordt overigens een fictieve schatting van het arbeidsongeschiktheidspercentage gemaakt, waarbij uitgegaan wordt van het maatmaninkomen waartegen de inkomsten uit het verrichten van de arbeid worden afgezet alsof betrokkene deze inkomsten wel duurzaam zou kunnen verwerven. De artikelen 33 AAW en 44 WAO zijn een zinvol instrument tot bevordering van werkhervatting nu betrokkene immers min of meer een garantie wordt geboden op het niveau van de oude uitkering indien hij of zij het werk niet kan volhouden. De artikelen 33 AAW en 44 WAO blijken in de praktijk succesvol te kunnen worden ingezet zowel bij herplaatsing van arbeidsongeschikten bij de eigen werkgever als bij een nieuwe werkgever.

     Aanvankelijk gold een toepassingstermijn van zes maanden, met de mogelijkheid van verlenging door de SVr. In de praktijk bleek deze termijn te kort voor een definitieve beoordeling van de duurzaamheid van de werkhervatting. De wettelijke termijn wordt dan ook vrijwel standaard verlengd. Bij de Wet van 30 mei 1990 houdende technische wijzigingen mede in verband met de stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1990, 316) is de termijn van zes maanden reeds verlengd tot twaalf maanden.

     Ervan uitgaande dat de artikelen 33 AAW en 44 WAO een goed reïntegratie-instrument vormen, is in het Najaarsoverleg afgesproken de toepassing daarvan in die zin te verruimen dat toepassing over een langere periode kan plaatsvinden. Thans wordt voorgesteld deze periode vast te stellen op maximaal drie jaar en de verlengingsprocedure via de SVr te schrappen. De SVr geeft in zijn advies aan in te kunnen stemmen met het vervallen van de goedkeuring door de Raad met het oog op zijn toezichthoudende taak. Ook geeft de SVr aan in te kunnen stemmen met de verruiming tot drie jaar, aangezien er in het verleden gebleken is dat er rblz.|50| in bepaalde gevallen behoefte bestaat aan een langere maximumtoepassingstermijn dan twee jaar. Gezien de strekking van de onderhavige artikelen, tijdelijk uitstel van afschatting, acht de Raad een nog langere termijn dan drie jaar niet gewenst.

     Een ruime maximale toepassingstermijn doet de noodzaak van een (thans bestaande) verlengingsmogelijkheid vervallen, aangezien bedrijfsverenigingen en GMD binnen die termijn in individuele gevallen voldoende flexibel kunnen opereren. Bovendien wordt met het schrappen van de verlengingsprocedure (die thans via de SVr loopt) bereikt dat de uitvoeringsorganen over een zelfstandig te hanteren flexibel instrument kunnen beschikken.

 

2.10. Verplichte zesdemaandsmelding aan de GMD


     In het kader van het reïntegratiebeleid zijn tussen de bedrijfsverenigingen en de GMD afspraken gemaakt omtrent de melding van arbeidsongeschikten bij de GMD. Onderdeel van die afspraken betreft de zogenaamde zesdemaandsmelding en de "spontane melding" door de bedrijfsvereniging als deze inschakeling van de GMD al voor het verstrijken van de zes maanden wenselijk vindt. De kern van de huidige afspraken is de vuistregel dat de bedrijfsvereniging iedereen die gedurende 22 weken een ZW-uitkering heeft ontvangen en na twaalf maanden ziekte (einde wachttijd) jonger is dan 65 jaar bij de GMD meldt. Melding vindt plaats in de zesde maand op basis van een beoordeling bij 22 weken arbeidsongeschiktheid. Niet gemeld worden: gevallen waarin betrokkene vóór het einde van het ZW-jaar naar verwachting weer bij de eigen werkgever zal hervatten, gevallen waarin op medische gronden nooit meer deelname aan het arbeidsproces is te verwachten en gevallen waarin sprake is van langdurige verzorging/verpleging. Ten aanzien van deze categorieën vindt alleen een kennisgeving met gegevensuitwisseling aan de GMD plaats en wordt de gevalsbehandeling niet overgedragen van de bedrijfsvereniging aan de GMD. Het komt bij de zesdemaandsmelding dus aan op een beoordeling door de bedrijfsvereniging omtrent de vraag of vóór einde wachttijd nog volledige hervatting zal plaatsvinden.
     Is er sprake van een melding, dan neemt de GMD de gevalsbehandeling over, hetgeen betekent dat de GMD verder voor de sociaal-medische en arbeidskundige beoordeling/begeleiding, gericht op reïntegratie, zorg draagt.

     De zesdemaandsmelding staat in het teken van het benutten van herplaatsingsmogelijkheden met name bij een nieuwe werkgever.
     Het gaat er dan om in een vroeg stadium de arbeidsmogelijkheden van de arbeidsongeschikte in kaart te brengen en de mogelijkheden tot hervatting, eventueel met behulp van AAW-voorzieningen, in passende arbeid te bezien.

     Een belangrijk knelpunt blijkt in de praktijk evenwel te liggen in het toch nog grote en groeiende aantal gevallen dat aanvankelijk door de bedrijfsvereniging met een kennisgeving aan de GMD wordt afgedaan, doch later, na de zesde maand, toch uiteindelijk bij de GMD moet worden gemeld. Deze late meldingen betekenen vaak vertraging in de advisering op einde wachttijd en bovendien verlies aan tijd en mogelijkheden op het punt van de reïntegratie-inspanningen. Hiernaast is een gevolg van een niet-tijdig GMD-advies aan het einde van het ZW-jaar dat thans in de praktijk een voorlopige uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid wordt toegekend. Bij eventuele verlaging daarvan bij het uitbrengen van het definitieve advies kan het te veel uitgekeerde niet worden teruggevorderd.
     rblz.|51| De voorgestelde regeling moet aan dit probleem een eind maken.

     Er wordt voorgesteld in de WAO en de AAW te bepalen dat gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid voortduurt in ieder geval uiterlijk in de zesde maand na aanvang van de arbeidsongeschiktheid door de bedrijfsvereniging bij de GMD worden gemeld. De GMD beslist op basis van de door de bedrijfsvereniging ter beschikking gestelde informatie of de gevalsbehandeling wordt overgenomen. Dit betekent derhalve dat de verplichte zesdemaandsmelding niet impliceert dat in alle gevallen overdracht aan de GMD plaatsvindt. De beslissingsbevoegdheid ligt bij de GMD. Van groot belang is dat de GMD voldoende informatie krijgt van de bedrijfsverenigingen om een gefundeerd oordeel over de wenselijkheid van overdracht te kunnen vellen.

     Voorts wordt de bepaling gehandhaafd dat de bedrijfsvereniging aan de GMD zo spoedig mogelijk mededeling doet van gevallen waarin dat redelijkerwijs met het oog op de taak van de GMD ter zake van reïntegratie en begeleiding van belang is, ook en met name als nog geen halfjaar na het intreden van de arbeidsongeschiktheid is verstreken.

     Met de SVr verwacht het kabinet dat een verplichte zesdemaandsmelding zal kunnen leiden tot een groter aantal reïntegraties op een vroeg moment en een vermindering van het aantal gevallen waarin niet tijdig, dat wil zeggen op einde wachttijd, een advies van de GMD gereed is. Hierdoor zal ook de definitieve uitkering kunnen worden vastgesteld vanaf de eerste WAO-dag en zal het aantal voorlopige uitkeringen kunnen worden verminderd.

 

2.11. Een verplichte zesdemaandsmelding en een verplichte keuring voor de overheidssector in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW


     Het kabinet heeft besloten een aantal maatregelen uit te werken voor de overheidssector ter beperking van de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen en tot vergroting van de (re)integratie van gehandicapte ambtenaren in het arbeidsproces.

     Het wetsvoorstel bevat wijzigingen van artikel 8 AAW in het kader van een verplichte zesdemaandsmelding van de werkgever aan de overheidspensioenorganen en een verplichte keuring binnen twaalf maanden na aanvang van arbeidsongeschiktheid door de overheidspensioenorganen. Ingeval het overheidspersoneel reeds beschikt over de medische gegevens om de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW vast te stellen, zal een feitelijke nieuwe medische keuring achterwege kunnen blijven. Verder wordt de mogelijkheid gecreëerd voor overheidspensioenorganen om een AAW-claim in te houden bij een werkgever die te weinig reïntegratie-inspanningen verricht. Hierna wordt nader op de wijzigingen ingegaan.

     Het overheidspersoneel behoort tot de kring der verzekerden ingevolge de AAW. De AAW-premie is ook voor het overheidspersoneel verschuldigd. Overheidspersoneel heeft echter slechts recht op AAW-uitkering indien de ambtelijke uitkering lager is dan de AAW-uitkering. Voorts is het overheidspersoneel tevens uitgesloten van de AAW-voorzieningen. Aan de uitkerings- en voorzieningenkant prevaleren de ambtelijke regelingen. In verband hiermee is het AAf ingevolge het bepaalde in het derde lid voor artikel 8 van de AAW een uitkering rblz.|52| verschuldigd aan bij ministeriële regeling aan te wijzen lichamen.
     Bij Ministeriële Regeling van 15 oktober 1976, nr. 54674 (Stcrt. 1976, 208), zijn als zodanige instanties aangewezen: het ABP, het Spf en het ministerie van Defensie (de overheidspensioenorganen).

     De vorenbedoelde uitkering compenseert de besparing die bij het AAf ontstaat. Dit betekent dat deze uitkering de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en voorzieningen en de met de verstrekking hiervan gepaard gaande kosten omvat die op grond van de AAW ten laste zouden zijn gekomen van het AAf indien overheidspersoneel normaal aan deze wet [lees: die wet, red.] arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en voorzieningen zou kunnen ontlenen. Ter vaststelling van deze uitkering dienen de overheidspensioenorganen de AAW fictief uit te voeren. De AAf-uitkering wordt door de overheidspensioenorganen doorbetaald aan overheidswerkgevers voor het bij hen in dienst zijnde personeel dat langer dan 52 weken arbeidsongeschikt is.

     Er vindt thans in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW geen formele medische en arbeidskundige beoordeling plaats door de overheidspensioenorganen. Die formele beoordeling is gekoppeld aan de (in meer dan de helft van de gevallen) later plaatsvindende keuring voor het recht op invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet. De laatste jaren blijkt er een toename te zijn van het aantal personen voor wie wel een fictieve AAW-uitkering wordt geclaimd, maar die (nog) niet gekeurd zijn. Om duidelijkheid te verkrijgen of er inderdaad sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en in welke mate, is het gewenst dat de overheidspensioenorganen zowel een formele medische als een arbeidskundige beoordeling verrichten vóór het einde van de in het kader van de AAW (en dus ook vóór de fictieve uitvoering van die wet) geldende wachttijd van 52 weken.
     Dit vereist een aanpassing van artikel 8 van de AAW teneinde de overheidspensioenorganen de bevoegdheid te verlenen om het overheidspersoneel in het kader van de fictieve uitvoering van die wet te kunnen oproepen en te doen onderzoeken.

     Voor het geval dat de verzekerde weigert zijn volledige medewerking te verlenen, is in het wetsvoorstel voorzien in een sanctiemogelijkheid. Voor de inhoud daarvan is aangesloten bij de regeling ter zake in de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet.

     Het zal zich voor kunnen doen dat een overheidspensioenorgaan reeds beschikt over een dossier met volledige en actuele medische gegevens van betrokkene op grond waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW kan worden vastgesteld. Die gegevens kunnen bijvoorbeeld beschikbaar zijn gekomen in verband met de beoogde intensieve medische begeleiding van betrokkene of een keuring in verband met een aanvraag om invaliditeitspensioen ingevolge één van de overheidspensioenwetten. Alsdan zal een afzonderlijke medische keuring voor de fictieve uitvoering van de AAW achterwege kunnen blijven. Onnodige keuringen kunnen op deze wijze worden voorkomen.
     Volledigheidshalve zij er nog op gewezen dat het resultaat van de hiervoor bedoelde medische en arbeidskundige beoordeling ook het aangrijpingspunt is voor de toepassing van het BMS.

     Het is voorts gewenst dat aan de verplichte keuring een verplichte zesdemaandsmelding voorafgaat door de werkgevers bij de overheidspensioenorganen.
     rblz.|53| Tijdige betrokkenheid van deze instanties bij langdurende gevallen van ziekteverzuim heeft bovendien als positief effect dat zij eerder reïntegratiepogingen kunnen ondernemen dan wel ondersteunen. Daarbij dient de zesdemaandsmelding niet slechts formeel van aard te zijn, maar ook inhoudelijk. De werkgever dient aan te geven hoe de begeleiding tijdens het ziekteverzuim heeft plaatsgevonden en welke pogingen zijn ondernomen tot reïntegratie. Het kabinet is voornemens bij ministeriële regeling de overheidspensioenorganen de bevoegdheid te verlenen de AAW-claim geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend in te houden als de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen om het zieke personeelslid te begeleiden tijdens het ziekteverzuim of te reïntegreren in het arbeidsproces. Hierdoor wordt voor de overheidssector een instrument geïntroduceerd vergelijkbaar met de sancties in de marktsector (paragraaf 2.6).

     Er is thans geen beroepsrecht met betrekking tot beslissingen van overheidspensioenorganen inzake de fictieve uitvoering van de AAW. Thans wordt voorgesteld in deze leemte te voorzien door wijziging van de artikelen 79 en 80 van de AAW.

     Ten slotte zij nog opgemerkt dat het in het voornemen ligt tegelijk met de vorenbedoelde wijzigingen van de AAW in werking te doen treden een wijziging van voornoemde ministeriële regeling ingevolge het derde lid van artikel 8 van de AAW. Deze wijziging behelst met name het opnemen van een verplichting voor de overheidspensioenorganen om binnen twaalf maanden na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid betrokkenen te onderwerpen aan een keuring.

 

2.12. Wijziging Wagw


     Het kabinetsbeleid ter bevordering van de arbeidsdeelname van gehandicapten heeft in 1986 reeds concreet gestalte gekregen met de inwerkingtreding van de Wagw op 1 juli (Stb. 1986, 300).
     Over de werking van deze wet [lees: die wet, red.] is een evaluatieonderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn begin augustus 1990 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 119).
     Ook uit deze resultaten komt naar voren dat het (re)integratiebeleid voor gehandicapten verbetering behoeft. Zo blijkt dat de Wagw niet het beoogde resultaat heeft opgeleverd. Voor zover het tot op heden door werkgevers gevoerde (re)integratiebeleid succes heeft gehad, betreft dat met name de "eigen" werknemers die arbeidsongeschikt zijn geworden en niet nieuwe intreders. Teneinde een goed (re)integratiebeleid te kunnen voeren, is een instrumentarium waarmee slagvaardig kan worden opgetreden een eerste vereiste. Dit voorstel van wet dient ertoe om de Wagw in dit opzicht te verbeteren.

     Zoals de Wagw thans luidt, dient een werkgever per onderneming aan een opgelegde quotumverplichting te voldoen. De bedoeling hiervan is te voorkomen dat een werkgever alle bij hem in dienst zijnde werknemers concentreert in een bepaald deel van het concern. Echter, door deze keuze ontstaat een uitvoeringstechnisch knelpunt, zoals ook blijkt uit de resultaten van het evaluatieonderzoek. In de administratie van uitvoeringsorganen zijn namelijk de gegevens wel per werkgever, maar niet per onderneming bekend. Mede op grond hiervan is besloten het begrip onderneming uit de wet te halen.

     Een ander aspect betreft de registratie van werkzame gehandicapte werknemers. Dit voorstel van wet voorziet door middel van een wijziging rblz.|54| van artikel 10 Wagw in een wettelijke verplichting voor werkgevers om de bij hen werkzame gehandicapte werknemers te registreren. Deze verplichting bestaat voor een werkgever op grond van de huidige wetstekst eerst dan als voor hem een quotumverplichting geldt.

     Een adequate invulling van de taakstelling in individuele bedrijven en (overheids)instellingen veronderstelt inzicht in het aantal werkzame gehandicapte werknemers. Een registratieverplichting voor de werkgever is daarom een belangrijk instrument om het Wagw-beleid op dat niveau te stimuleren.
     Hoewel de voorgestelde wetstekst de mogelijkheid daartoe wel biedt, zullen werkgevers vooralsnog niet verplicht worden de registratiegegevens aan de uitvoeringsorganisatie ter beschikking te stellen. Het kabinet acht, gezien zijn wens om de administratieve belasting van het bedrijfsleven en de uitvoeringskosten te beperken, de noodzaak daartoe nu onvoldoende aanwezig nu de uitvoeringsorganisatie een indicatie van het aantal Wagw-werknemers per bedrijfstak kan leveren op basis van reeds beschikbare bestanden.
     In dit verband mag erop gewezen worden dat de voorgestelde plicht voor werkgevers om in het kader van de Wagw gehandicapte werknemers te registreren internationaal gezien niet uitzonderlijk is. Diverse EG-landen kennen een dergelijke verplichting. Uit een vergelijkend onderzoek naar quotumregelingen in een beperkt aantal landen is gebleken dat in Duitsland en Frankrijk deze registratieplicht wordt nageleefd.

 

2.13. Internationale aspecten


     De maatregelen in het kader van dit wetsvoorstel zijn niet specifiek gericht op bepaalde sectoren van het bedrijfsleven, noch hebben zij enige regionale specificiteit. Naar hun aard en strekking kunnen deze naar de mening van het kabinet dan ook niet worden opgevat als steunmaatregelen die onverenigbaar zijn met het EEG-verdrag.
     De internationale concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven zal naar het oordeel van het kabinet door deze maatregelen niet worden aangetast. De maatregelen zullen er integendeel toe leiden dat op termijn een verbetering van de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven ontstaat, als gevolg van een verlaging van de financiële lasten door de terugdringing van het hoge aantal zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Een meer verfijnde registratie binnen de onderneming, gericht op het opsporen van oorzaken van een hoog ziekteverzuim, en een daarop afgestemde bijstelling van het ondernemingsbeleid kunnen op korte termijn weliswaar extra administratieve lasten voor werkgevers meebrengen, maar zullen op iets langere termijn kunnen leiden tot een gunstige ZW-premie en, in voorkomend geval, het vermijden van een geldelijke bijdrage.

     Het voorliggende wetsvoorstel heeft onder meer gevolgen voor de in Nederland gevestigde werkgevers van personen die zijn verzekerd en aanspraak maken op een uitkering ingevolge de ZW en de AAW/WAO. Het kan echter voorkomen dat, hoewel de werknemer is verzekerd ingevolge de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, de werkgever in het buitenland is gevestigd. Deze situatie kan zich voordoen op grond van bijzondere bepalingen inzake de vaststelling van de toepasselijke wetgeving in Verordening (EEG) nr. 1408/71 en soortgelijke bepalingen in bilaterale en multilaterale verdragen met staten buiten de EG. Met het oog daarop worden hierna de voornaamste bepalingen nagelopen.

     De gedifferentieerde vaststelling van de premie ZW zal kunnen worden rblz.|55| gebaseerd op het ziekteverzuim van de in Nederland verzekerde werknemer(s). De SVr kan dit in de nadere regels over de vaststelling van het ziekteverzuimcijfer bepalen.

     Bij indienstneming van een arbeidsongeschikte werknemer is een verhoging voorzien van het bij ziekte te betalen ziekengeld van 70% naar 100%. Indien een Nederlands verzekerde herintredende werknemer in dienst treedt bij een in het buitenland gevestigde werkgever, moet aan de hand van de Nederlandse wetgeving worden beoordeeld of de verhoging wordt verleend.

     De verplichte aanvaarding van passend ander werk door de zieke of arbeidsongeschikte werknemer is afhankelijk van de mogelijkheid om de buitenlandse werkgever op grond van Nederlandse wetgeving een sanctie op te leggen bij weigering van een aanbod van passende (andere) arbeid aan de betrokken werknemer. Dit probleem is minder ernstig dan het lijkt, omdat werk in het buitenland voor een Nederlands verzekerde over het algemeen slechts zelden als passend zal worden beschouwd.

     Een uitkering of een loonkostensubsidie zal in voorkomend geval niet worden onthouden aan een in het buitenland gevestigde werkgever die een langdurig arbeidsongeschikte met een Nederlandse uitkering in dienst neemt.
     De mogelijkheid om een geldelijke bijdrage op te leggen aan een binnen de EG gevestigde werkgever vloeit naar de mening van het kabinet voort uit artikel 92 van Verordening (EEG) nr. 1408/71, waarin is bepaald dat premies en bijdragen die zijn verschuldigd aan het orgaan van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat kunnen worden geïnd. Of dit ook mogelijk zal zijn in de verdragsrelaties met andere staten zal per geval moeten worden beoordeeld. Die noodzaak zal zich echter slechts zelden voordoen. Voor de geldelijke bijdrage zal een maximum gelden van 5% van de loonsom van de voor de Nederlandse sociale verzekeringen verzekerde werknemers.

     De ontslagbescherming van de werknemer die in dienst is van een niet in Nederland gevestigde werkgever moet soms, ondanks de toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheidswetgeving, naar buitenlands recht worden beoordeeld. De vraag of dit in concreto het geval is, zal moeten worden beantwoord aan de hand van internationaal privaatrecht. Hierbij spelen de volgende elementen een rol. Indien de arbeid uitsluitend in Nederland wordt verricht, dan wel indien de werknemer zijn centrale standplaats in Nederland heeft, zal in het algemeen de Nederlandse ontslagwetgeving op de arbeidsverhouding van toepassing zijn. Indien dat niet het geval is en ook overigens geen bijzondere omstandigheden nopen tot de toepasselijkheid van de Nederlandse ontslagwetgeving, zal de wetgeving van het land van de werkgever van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst.

     Bij de beoordeling van de vraag of de preventieve ontslagtoets van artikel 6 BBA [Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, red.] moet worden verricht, is niet van belang of in de betrokken arbeidsverhouding over de gehele linie het recht van Nederland of dat van een ander land toepasselijk is. Die vraag wordt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad beoordeeld aan de hand van het criterium van de betrokkenheid van de belangen van de Nederlandse arbeidsmarkt bij een arbeidsverhouding.

     De verscherping van de Nederlandse ontslagbescherming per 1 januari 1991 (Besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van rblz.|56| 20 december 1990, Stcrt. 1990, 252) brengt in het bovenstaande geen verandering. Een minder scherpe ontslagbescherming beperkt uiteraard de mogelijkheden tot reïntegratie van de werknemer.

 

2.14. Evaluatie en onderzoek


     Een evaluatie van de maatregelen voorgesteld in dit voorstel van wet is van groot belang. Een eerste voorlopige evaluatie vindt plaats ongeveer anderhalf jaar na invoering van de maatregelen; dat wil zeggen gebaseerd op gegevens over de situatie één jaar na invoering.
     Bij een evaluatie van de in dit voorstel van wet voorgestelde maatregelen zal het gaan om het volgen van de ontwikkeling van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen in het algemeen en evaluatie van specifieke regelingen.

     In het algemeen wordt na invoering van de maatregelen in dit voorstel van wet nagegaan of er sprake is van een vermindering van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Hierbij wordt gekeken naar het aantal personen dat recht heeft op een uitkering krachtens deze regelingen, de hoogte van die uitkeringen en de duur van dat recht, alsook het volume in macrobedragen en uitkeringsjaren. Daarnaast wordt ook nagegaan hoeveel personen en organisaties recht hebben op een prestatie krachtens ieder van de andere relevante regelingen, zoals die voor vergoeding van kosten van voorzieningen en scholing, voor een loonkostensubsidie en voor een indienstneming van een arbeidsongeschikte. Ook hierbij wordt niet alleen gekeken naar het aantal, maar ook de omvang van de prestaties en de eventuele duur van het recht, alsook de macrobedragen die met het gebruik van deze maatregelen zijn gemoeid.

     Daarnaast komt een aantal van die maatregelen - na invoering - in aanmerking voor evaluatie van de wijze van toepassing en de bereikte resultaten.
     Van de volgende maatregelen zal een evaluatie in ieder geval plaatsvinden:
- ZW-premiedifferentiatie op bedrijfsniveau;
- het BMS in de AAW, eventueel gecombineerd met de reïntegratiemaatregel in de AAW/WAO (analoog aan arikel 30 ZW);
- de loonkostensubsidiemaatregel in de AAW, eventueel gecombineerd met de toepassing van de artikelen 33 AAW en 44 WAO;
- verhoging ZW-uitkering tot 100% van het dagloon voor heringetreden (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten;
- uitstel van afschatting bij scholing.

     Bij evaluatieonderzoek naar de effecten van deze maatregelen doet zich het probleem voor dat deze resultaten moeilijk kunnen worden toegeschreven aan de verschillende afzonderlijke maatregelen, die immers min of meer tegelijkertijd van kracht zullen worden en op elkaar kunnen inwerken. Daarnaast kunnen ook nog andere factoren een rol spelen. Hierdoor zal de vaststelling van de effekten van het pakket van maatregelen en nog meer van de verschillende maatregelen afzonderlijk bemoeilijkt worden.

     Bezien wordt of deze onderzoeken kunnen worden gecombineerd met ander reeds voorgenomen onderzoek, zoals het onderzoek naar het herziene stelsel van sociale zekerheid ter evaluatie van de maatregelen overeengekomen in het Najaarsoverleg 1990 die geen wettelijke maatregelen vereisten.
     Afhankelijk van de aard en invalshoek van een evaluatie van de maatregelen rblz.|57| en de functie die onderzoek daarbij kan vervullen, worden instanties, waaronder de SVr, uitgenodigd om een rol daarbij te vervullen.

 

3. Het overdragen van bevoegdheden in de Ziektewet


3.1. Inleiding


     Naar aanleiding van een discussienota van het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) "Vakbeweging en werknemersverzekeringen" van oktober 1985 is in de Stichting van de Arbeid nagegaan welke mogelijkheden er zijn om met betrekking tot de ZW te komen tot een andere verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners. In december 1987 is het "Protocol inzake een gewijzigde verantwoordelijkheidsverdeling in het kader van de Ziektewet" opgesteld als resultaat van een overleg tussen overheid en de in de Stichting vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en werknemers. Dit protocol is op 9 februari 1988 toegestuurd aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 508). Op 25 maart daaropvolgend is een brede nota inzake uitgangspunten voor een verdeling van bevoegdheden tussen overheid en sociale partners op het terrein van de sociale verzekeringen aan de Tweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 1987-1988, 20 508). Op 7 juni 1988 is in de Tweede Kamer over genoemde nota gediscussieerd (Handelingen II 1987-1988, blz. 85-4573 t/m 4597).

     Over de verdere uitwerking van het protocol is op 9 maart 1989 aan de SER advies gevraagd. In zijn vergadering van 16 juni 1989 heeft de SER zijn Advies verdeling verantwoordelijkheid in ZW vastgesteld. Dit advies wordt in paragraaf 3.3 nader beschouwd. In paragraaf 3.2 zal aandacht besteed worden aan de overwegingen die ten grondslag liggen aan het overdragen van bevoegdheden van overheid naar sociale partners. In paragraaf 3.4 zal de concrete uitwerking van de gewijzigde bevoegdhedenverdeling in de ZW aan de orde worden gesteld.

 

3.2. Overwegingen en doelstelling


     Aan de voorgestelde herschikking van bevoegdheden liggen de volgende argumenten ten grondslag:

     De herschikking biedt de sociale partners meer mogelijkheden om een actievere rol te spelen ten aanzien van de nadere invulling van de ziekengeldverzekering. Dit sluit goed aan bij de verantwoordelijkheden die werkgevers en werknemers hebben bij preventie en terugdringing van het ziekteverzuim.

     Door een grotere inbreng van sociale partners wordt de betrokkenheid bij het stelsel vergroot. Hiermee wordt aangesloten bij de (natuurlijke) taak van de werknemersorganisaties inzake informatie, voorlichting en rechtshulpverbetering aan hun leden.

     Het overdragen van bevoegdheden van overheid aan sociale partners past dan ook in het kader van de verantwoordelijkheden die de sociale partners op zich nemen als het gaat om de aanpak van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Als complement van de concretisering van maatregelen ter vermindering van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid op bedrijfstak- en/of ondernemingsniveau kunnen sociale partners thans op meer punten nader invulling gaan geven aan de inkomensverzekering bij ziekte. Het kabinet heeft, gelet op de relatie die er ligt met de maatregelen rblz.|58| inzake terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume, dan ook gemeend beide aanvankelijk afzonderlijke voorstellen van wet in één voorstel van wet te kunnen regelen.

     Voor een herverdeling van bevoegdheden in de ZW is gekozen omdat deze wet [lees: die wet, red.] dicht aanligt tegen de overige arbeidsvoorwaarden waarvoor werkgevers en werknemers verantwoordelijkheid dragen. Zo blijft immers tijdens ziekte in beginsel het dienstverband en dus de band met de onderneming nog geruime tijd bestaan. Bovendien worden in vrijwel het gehele bedrijfsleven bij ziekte aanvullingen op de wettelijke uitkering door werkgevers betaald.

 

3.3. Advies Sociaal-Economische Raad


     De SER beperkt zich in zijn advies van 16 juni 1989 tot een algemeen positief oordeel over doelstellingen en uitgangspunten van de voorstellen. Aparte vermelding verdient het advies van de SER over een aantal specifieke zaken:
- Invoering van de voorgestelde derde wachtdag lijkt de Raad niet zinvol zolang de steun van de meerderheid der sociale partners ontbreekt. Het kabinet heeft dit advies overgenomen.
- Opneming van het historisch dagloon in de wet alsmede het overlaten aan bedrijfsverenigingen van de nadere invulling daarvan acht de SER een goede zaak. Hierdoor, aldus stelt de SER, wordt voor de bedrijfsverenigingen een mogelijkheid geschapen voor een eigen, bedrijfstakspecifieke invulling van het dagloonbegrip alsmede voor een nauwere afstemming van dit begrip op het premieloon.
- De SER wijst opneming van een aanwijzingsbevoegdheid van de minister ten opzichte van de SVr af als zijnde onverenigbaar met de grondgedachte van overdracht van bevoegdheden. Voorts ware dit onderwerp bij de herziening van de uitvoeringsorganisatie aan de orde te stellen. Dit laatste zal geschieden.
- Wat betreft de minimumbescherming (nu opgenomen in artikel 1638e Burgerlijk Wetboek) acht de SER het aanbevelingswaardig deze weer in de ZW zelf op te nemen. Het kabinet meent echter dat de principiële bezwaren (met als voornaamste argument de scheiding tussen loondervings- en minimumbehoeftefunctie) daartegen zwaarder wegen dan de praktische voordelen.

 

3.4. Hoofdlijnen bij de herschikking van bevoegdheden


     Uitgangspunt is dat de overheid een taak heeft ten aanzien van het waarborgen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Daarom dienen in ieder geval de volgende elementen in de wet zelf geregeld te blijven: de kring van verzekerden, de aanspraak op uitkeringen, de hoogte en duur van de uitkeringen, de (hoofd)voorwaarde voor toekenning van uitkeringen, de wijze van financiering en het beroepsrecht.
     De hoofdlijnen bij herschikking van bevoegdheden zijn als volgt aan te geven:
a. volledige overdracht van het bovenwettelijk traject;
b. wijziging systematiek dagloonvaststelling en vervanging van een aantal ministeriële regels door regels van de SVr of bedrijfsverenigingen;
c. globalere wettelijke omschrijving van onderwerpen met nadere invulling door bedrijfsverenigingen.

rblz.|59| 
Ad a. Het bovenwettelijk traject

     Volgens de geschetste hoofdlijnen van de herschikking van bevoegdheden zou het bovenwettelijk traject volledig worden overgedragen aan sociale partners.
     Dit zou kunnen leiden tot aanpassing van de ZW en, wat het hierna eerstgenoemde punt betreft, het Burgerlijk Wetboek op de volgende punten:
1. Het doen herleven van de mogelijkheid om bij schriftelijk aangegane overeenkomst of bij reglement één of twee wachtdagen te realiseren; in aansluiting hierop worden de twee dagen meegeteld voor de bepaling van het maximaal aantal weken ziekengeld (52 weken).
2. Het vervallen van de ministeriële goedkeuring bij de herverzekering van wachtdagen.
3. Het vervallen van de ministeriële goedkeuring met betrekking tot door de bedrijfsvereniging vastgestelde bovenwettelijke uitkeringen.
4. Het vervallen van de aansprakelijkheid van het Rijk tegenover de verzekerden wat betreft de bovenwettelijke uitkeringen (artikel 51).
5. Het overdragen van de goedkeuringsbevoegdheid van de minister naar de bedrijfsvereniging inzake een ZW-premie-inhouding op het loon van de werknemer die meer bedraagt dan 1% in het geval sprake is van een bovenwettelijke uitkering (artikel 60, derde lid).
6. Het wijzigen van artikel 87, tweede lid, zodat de bedrijfsverenigingen ook zonder een daartoe strekkende algemene maatregel van bestuur de bevoegdheid krijgen te bepalen dat voor bepaalde groepen van verzekerden naast het ziekengeld bijdragen worden verstrekt voor één of meer sociale fondsen.

     Op 13 juli 1991 heeft het kabinet in het kader van aanvullende volumemaatregelen enkele besluiten genomen die betrekking hebben op de vergroting van de (financiële) verantwoordelijkheid van sociale partners ten aanzien van de uitkering bij ziekte. Het gaat daarbij om het voor rekening van de werkgever brengen van de eerste weken van ziekte en de blokkering van de (verplichte) herverzekering van bovenwettelijke uitkeringen. Behalve dat deze voorgenomen maatregelen inhoudelijk daarop van invloed zijn, is ook om wetstechnische redenen afgezien van het opnemen in dit voorstel van wet van de aanpassing aan de ZW op de hiervoor onder 2 tot en met 6 genoemde punten. Bij de uitwerking van de maatregelen die voortvloeien uit de besluitvorming van het kabinet van 13 juli 1991 zal de herschikking van bevoegdheden met betrekking tot het bovenwettelijk traject nader bezien worden.


Ad b. Wijziging dagloonsystematiek

     Zoals hiervoor is aangegeven, was in het protocol voorzien in invoering van het historisch dagloon in de ZW. De SER heeft hierover in zijn advies van 16 juni 1989 positief geadviseerd. In het voorontwerp van wet, zoals dit voor advies aan de SVr is voorgelegd, is dit uitgangspunt nader uitgewerkt. De SVr geeft in zijn advies van 18 april 1991 aan bezwaren te hebben tegen deze uitwerking en meent zelfs dat handhaving van de huidige systematiek is te prefereren boven ongewijzigde invoering van de voorgestelde systematiek. Deze opmerking is voor het kabinet aanleiding de voorgenomen dagloonherziening in de ZW nader te bezien. Het kabinet is nu voornemens deze mee te nemen bij de adviesaanvrage aan de SVr over de dagloonherziening in de WAO en WW. Het voordeel hiervan is tevens dat deze dagloonherzieningen vervolgens in hun onderlinge verband kunnen worden beschouwd.


Ad c. Globalere wettelijke omschrijving

     Bezien is op welke plaatsen de ZW minder strikt geformuleerd kan rblz.|60| worden, waarbij meer ruimte van de uitvoeringsorganen ontstaat om nadere invulling aan de wet te geven. Thans wordt voorzien in een globalere wettelijke regeling op het punt van de uitbetaling van ziekengeld aan derden: de SVr krijgt de bevoegdheid aan te geven in welke gevallen uitbetaling aan derden kan plaatsvinden. Voorts is voorzien in globalere regeling in artikel 31 ZW van de samenloop van ziekengeld met ouderdomspensioen, met nadere regelgeving door de SVr.

 

4. Maatregelen in de overheidssfeer


     In de gemeenschappelijke verklaring volumebeleid arbeidsongeschiktheid is aangegeven dat werkgevers, werknemers en overheid zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen voor het verontrustend grote aantal arbeidsongeschikten. Er is aangegeven dat het noodzakelijk is op alle niveaus vanaf dat van de afzonderlijke onderneming, CAO-niveau, tot en met het nationale niveau te komen tot een meer geïntegreerde aanpak van verzuim- en arbeidsongeschiktheidsproblemen door organen, diensten en instellingen op het terrein van arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid.
     In dit kader kan de overheid als werkgever uiteraard niet achterblijven. In de gemeenschappelijke verklaring is dan ook nog eens nadrukkelijk aangegeven dat de overheid als werkgever, in overleg met (vertegenwoordigers van) werknemers, de eerder in de TWVA overeengekomen maatregelen dient uit te werken en aan te vullen voor de overheidssector.

     In hoofdstuk 2 is reeds uitvoerig ingegaan op de maatregelen voor de overheid die in dit wetsvoorstel zijn vervat. Het betreft het BMS (paragraaf 2.1.7), de loonkostensubsidie (paragraaf 2.3), de verplichte zesdemaandsmelding, de verplichte AAW-keuring door overheidspensioenorganen en de mogelijkheid tot inhouding van AAW-claims bij geringe reïntegratie-inspanningen van de overheidswerkgever (paragraaf 2.11).
     Hierna wordt een aantal maatregelen in de overheidssfeer weergegeven dat buiten het kader van dit wetsvoorstel wordt getroffen.

     De Minister van Binnenlandse Zaken heeft het actieplan, dat op 4 oktober 1990 ter kennisneming gezonden is aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1990-1991, 21 837), verder uitgewerkt. Op 21 juni 1991 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de stand van zaken per 1 mei 1991 van dat actieplan aan de Tweede Kamer aangeboden.
     De beleidsvoornemens opgenomen in het Actieplan Maatregelen Arbeidsongeschiktheid Overheid kunnen worden onderverdeeld in:
- maatregelen gericht op preventie; het voorkomen van arbeidsongeschiktheid en met name het terugdringen van ziekteverzuim is hierbij van belang;
- maatregelen gericht op vermindering van het volume van arbeidsongeschiktheid, derhalve maatregelen gericht op de terugkeer in het arbeidsproces van mensen die arbeidsongeschikt zijn.

     Maatregelen gericht op terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zijn tot nu toe niet geconcretiseerd. Ter zake zijn van belang de consequenties van de politieke besluitvorming en de doorvertaling naar de overheidssector van het SER-advies zoals dat op 12 juli jl. is uitgebracht. In het Ambtelijk Werkgeversoverleg (AWO) en de Adviescommissie Overheidspersoneelsbeleid (AOP) is over dit onderwerp eveneens gesproken. Beide gremia hebben een voorkeur uitgesproken voor een aanpak op decentraal niveau. Met het oog op het arbeidsvoorwaardenoverleg 1992 willen de overheidswerkgevers gezamenlijk bezien welke maatregelen op centraal rblz.|61| niveau moeten worden getroffen en bij welke maatregelen een decentrale aanpak de voorkeur verdient. Daarnaast is in de Centrale arbeidsvoorwaardenovereenkomst overheidspersoneel 1 april 1991 - 1 april 1992 de aanbeveling opgenomen om in het decentrale arbeidsvoorwaardenoverleg 1991 te spreken over maatregelen tot beperking van het ziekteverzuim.

     Naast de mogelijkheden in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer worden reeds maatregelen genomen in de managementsfeer. Om het middenmanagement een grotere rol te geven bij de preventie van en begeleiding bij ziekte en arbeidsongeschiktheid heeft een interdepartementale werkgroep rapport uitgebracht. De hoofdconclusie van het rapport is dat ziekteverzuim en arbeidongeschiktheid door tal van oorzaken nog nauwelijks als een serieuze managementtaak in de rijksdienst is opgepakt. De middenmanagers worden niet aangesproken op het door hen gevoerde beleid, veelal is zelfs onduidelijk wat er van hen op dit punt verwacht wordt. Tegelijk is duidelijk dat middenmanagers een cruciale rol (moeten) spelen bij de terugdringing van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. De werkgroep beveelt dan ook aan de middenmanagers (afdelings- en diensthoofden) duidelijk te maken wat hun taken, bevoegdheden en mogelijkheden zijn en die taken op te nemen in de taakomschrijving, maar liever nog in de (zelfbeheer)kontrakten die tegenwoordig in toenemende mate binnen ministeries worden afgesloten. De Minister van Binnenlandse Zaken laat een managementcursus omgaan met ziekte en arbeidsongeschiktheid door de Rijksbedrijfsgezondheids en Bedrijfsveiligheidsdienst (RBB) ontwikkelen en zal deze aan de departementen aanbieden.

     Bij de aanpak voor 1991 worden Bedrijfsgezondheidsteams (BGZ-teams) ingesteld welke als scharnierpunt dienen voor de terugdringing van het ziekteverzuim. Naar de werknemer toe wordt via een vaste procedure gewerkt; ziek melden kan uitsluitend bij de chef of diens plaatsvervanger en een bezoek thuis door een lid van het team is standaard op de tweede ziektedag. Naar de manager toe wordt ook direct gewerkt door het team. Met de manager moet de ontwikkeling van het ziekteverzuim worden doorgenomen. Daar waar sprake is van verzuim door slechte arbeidsomstandigheden c.q. arbeidsrelaties wordt de doorstroom naar arbeidsongeschiktheid geblokkeerd. Met deze methode, gevoegd bij een eenduidige ziekteregistratie, wordt een methodiek ontwikkeld waarmee een norm voor ziekteverzuim kan worden vastgesteld.

     Deze aanpak zal alleen effect hebben als de maatregelen worden gedragen door het topmanagement. Gepleit wordt voor een top-downbenadering, waarbij het beleid wordt doorvertaald in concrete opdrachten, in meetbare taakstellingen, uit te voeren door het middenmanagement. Het project gaat van start bij de ministeries van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en van Financiën (belastingdienst). Vrij snel na implementatie vindt verdere uitbreiding naar andere ministeries plaats.

     Daarnaast is het noodzakelijk ten behoeve van het terugdringen van het ziekteverzuim dat de overheid beschikt over actuele, adequate en betrouwbare informatie over dat verzuim. In dit kader wordt gestreefd naar een systeem van gelijkwaardige en vergelijkbare ziekteverzuimgegevens binnen de overheid. Gestart wordt hiervoor bij de sector Rijksoverheid.
     Het is niet nodig dat alle ministeries hetzelfde systeem toepassen, wel is het essentieel dat alle onderdelen aan minimumeisen voldoen, namelijk:
rblz.|62| - het kunnen leveren van enige kerngegevens met de voorgeschreven frequentie en levertijd;
- het hanteren van dezelfde definities van enige basisbegrippen;
- het op dezelfde wijze berekenen van die kerngegevens.

     Voorts zijn voor de gehele overheidssector de volgende maatregelen in voorbereiding.
     Zo'n 45% van de afkeuringen is gebaseerd op psychische gronden. Factoren betreffende werkplek en persoonlijke omstandigheden zijn hier vooral oorzaak. De relatie werkgever, werknemer en het BGZ-team dient vooral in deze gevallen intensief te blijven. Immers, binnen deze categorie van afkeuringen stromen ambtenaren, onder meer vanwege slechte arbeidsrelaties, uit het arbeidsproces. De Minister van Binnenlandse Zaken zal in overleg met het ABP een maatregel voorbereiden die inhoudt dat als regel definitieve afkeuringen pas na bijvoorbeeld vijf jaar mogen worden gerealiseerd, dan wel dat er gedurende die periode een terugkeerrecht bestaat. Uiteraard zal een uitzondering moeten worden gemaakt voor gevallen waarbij op grond van de gestelde diagnose werkhervatting is uitgesloten.

     Daarnaast zal de uitstroom uit de arbeidsongeschiktheidsregelingen moeten toenemen door een grotere instroom naar de arbeidsmarkt. Aangezien de huidige werkwijze van herplaatsing al een intensieve begeleiding kent voor ambtenaren met restcapaciteit, zal de daling van het volume arbeidsongeschikten met name moeten komen uit de groep afgekeurde ambtenaren zonder restcapaciteit. Binnenlandse Zaken zal een experiment starten om een aantal ambtenaren zonder restcapaciteit met behulp van scholing en begeleiding weer aan een baan te helpen.

     De Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken (CGOA) heeft voorgesteld een ontslagverbod in te voeren voor ambtenaren die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn. Door een ontslagverbod bij restcapaciteit blijft de band met de werkgever in stand en is uittreden uit de arbeidsmarkt niet mogelijk op grond van arbeidsongeschiktheid.
     De uitspraak blijvend ongeschikt vormt in de rechtspositieregelingen een ontslaggrond. De Abp-wet bepaalt dat men pas recht heeft op (invaliditeits)pensioen na ontslag uit de betrekking. Hetzelfde geldt voor herplaatsingswachtgeld en -toelage.

     Een ontslagverbod bij restvaliditeit, gevolgd door een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering, vergt derhalve wijziging van de ambtelijke regelgeving, zowel ten aanzien van ontslag als ten aanzien van het recht op invaliditeitspensioen. Eén en ander geldt tevens voor de Algemene militaire pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet.
     De Minister van Binnenlandse Zaken zal er zorg voor dragen dat op zo kort mogelijke termijn de benodigde wijzigingen worden doorgevoerd. Dit voorstel zal in het verdere overleg met de centrales van overheidspersoneel aan de orde komen.

     Door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen zijn in een aparte notitie (Tweede Kamer, 1990-1991, 21 834) maatregelen voorgesteld voor de onderwijssector.
     De Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft ter realisering van de voorgenomen maatregelen een Projectgroep Terugdringing Ziekteverzuim en Arbeidsongeschiktheid ingesteld. Het kabinet zal de Tweede Kamer over de voortgang informeren.

     De Commissie voor Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken rblz.|63| heeft recentelijk een werkgroep Wagw ingesteld. De werkgroep zal concrete voorstellen ontwikkelen om te komen tot een Wagw-beleid voor de sector politie. Hierbij zal aandacht worden geschonken aan preventief beleid, dat de uitstroom van politiepersoneel naar een invaliditeitspensioen vermindert en de instroom van gehandicapten in een andere, passende functie vergroot. In het bijzonder zal ook aandacht worden besteed aan de belemmeringen die inherent zijn aan een executieve functie.

     Op basis van oriënterende onderzoeken door het Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek en het ABP wordt een fundamenteel onderzoek ingesteld naar de oorzaken van arbeidsongeschiktheid bij de overheid. Naar verwachting wordt het rapport van dit onderzoek in de loop van september 1991 uitgebracht. Daarnaast worden op dit moment bij enkele departementen preventieprojecten uitgevoerd.

 

5. Financiële en volume-effecten


5.1. Inleiding


     Het voorliggende wetsvoorstel bevat een reeks maatregelen die vooral gericht zijn op gedragsbeïnvloeding. Het BMS en de op individuele ondernemingen gerichte premiedifferentiatie van de ZW beogen financiële prikkels te vormen die werkgevers moeten aanzetten tot preventief beleid. Daarnaast is de verbeterde toepassing van artikel 30 ZW gericht op het vermijden van langdurige arbeidsongeschiktheid. De loonkostensubsidieregeling en de verhoging van het ziekengeld ten aanzien van arbeidsongeschikten moeten stimuleren tot een verhoging van de instroom van arbeidsongeschikten in het arbeidsproces. Ook het uitstel van herschatting bij scholing en de verplichte zesdemaandsmelding aan de GMD dienen dit doel.

     De omvang van de effecten op het volume en het lastentotaal van de arbeidsongeschiktheidsregelingen is afhankelijk van de mate waarin die beïnvloeding van het gedrag van de betrokken partijen (werkgevers, werknemers en uitvoeringsinstanties) daadwerkelijk plaatsvindt. Elke uitspraak hierover zou op een arbitraire redenering zijn gebaseerd. Ook de TWVA heeft deze overtuiging als zodanig uitgesproken. Daarom is in navolgende paragraaf 5.2 ten aanzien van de indirecte effecten gekozen voor een andere benadering. Paragraaf 5.3 gaat vervolgens in op enkele directe effecten die uit het pakket van maatregelen voortvloeien.

 

5.2. Kwantitatieve doelstellingen ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid


     Zoals eerder in deze memorie vermeld, is in het Regeerakkoord van november 1989 vastgelegd dat het kabinet wil trachten om zo spoedig mogelijk in ieder geval tot een stabilisatie van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen te komen. Dit is nadien als volgt nader geconcretiseerd.

     Als ijkpunt van de stabilisatiedoelstelling werd de feitelijke omvang van het uitkeringsgerechtigdenbestand op 31 december 1989 genomen. Daarbij werd uitgegaan van een doelstelling uitgedrukt in (herleide) uitkeringsjaren, teneinde die onderdelen van het beleid die volledige arbeidsongeschiktheid omvormen tot gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en gedeeltelijk werken ook kwantitatief op de juiste wijze te waarderen.

     rblz.|64| Het kabinet realiseerde zich dat het voorgaande een uiterst ambitieuze taakstelling betekende. Gezien de ontwikkelingen waar sprake is van een aanhoudende groei van het uitkeringsvolume, betekende het niet minder dan dat de stijgende trend moest worden omgebogen naar een dalende. Het niveau dat inmiddels in 1990 was gerealiseerd, bevond zich immers al ruim boven het ijkpunt. Bovendien werd voor de nabije toekomst een voortgaande groei van het aantal personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering voorzien. Alles bijeen was de verwachting medio april 1991 dat eind 1994 979 000 personen een AAW/WAO-uitkering zouden ontvangen, hetgeen overeenkwam met 828 000 uitkeringsjaren.

     Niettemin had het kabinet goede hoop dat op basis van maatregelen die in het Najaarsoverleg overeengekomen waren en die op korte termijn zouden worden geïmplementeerd, het groeitempo van het arbeidsongeschiktheidsvolume in 1991 zou kunnen worden gehalveerd. Gezien de tijd die gemoeid is met het wetgevingsproces en de implementatie van de daarin opgenomen overige maatregelen die ingevoerd moeten gaan worden in de bedrijven en de uitvoeringsorganisatie, leek dit voor 1991 het maximaal haalbare.

     De verdergaande groei die voor de periode 1992-1994 werd geraamd, was gebaseerd op een gemiddelde jaarlijkse instroom van 108 000 personen in de regelingen en een uitstroom van 84 000 uitkeringsgerechtigden. Wanneer in 1992 zou worden aangestuurd op stabilisatie van het eind 1991 bereikte niveau gedefinieerd in uitkeringsjaren, waarbij met name het in het arbeidsproces houden van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten wordt benadrukt, zou de instroom met grofweg 20% moeten worden beperkt. Anders gezegd zou dit inhouden dat het kabinet ernaar streeft om in 1992 de situatie te hebben bereikt waarbij van elke vijf arbeidsongeschikten die momenteel uit het arbeidsproces afvloeien er één aan het werk blijft.

     Daarmee werd nog niet aan de kabinetsdoelstelling voldaan. Stabilisatie van het eind 1991 bereikte niveau is immers niet voldoende, gezien de groei die tussen 1989 en 1991 is opgetreden. Dit betekent dat de ingezette doelstelling na 1992 een nog verdergaande inspanning vereiste in de zin dat niet één, maar twee van de vijf (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten hun baan zouden moeten behouden. Zou deze inspanning vanaf 1993 gerealiseerd worden, dan behoorde een terugkeer medio 1995 tot het niveau 1989 tot de mogelijkheden.

     Niet lang nadat het kabinet de hier geschetste weg tot zijn beleidsmatige inzet had verklaard, moest de onhaalbaarheid daarvan worden vastgesteld. Op grond van realisatiecijfers over het eerste kwartaal van 1991 moest worden vastgesteld dat het hoge groeitempo over de jaren 1989 en 1990 die tot dat moment als incidentele afwijking van een structurele groeitrend was aangemerkt, zich ook in het eerste kwartaal van 1991 voordeed. Dit noodzaakte tot een herziening van de ramingen, in die zin dat een structureel hoger groeipad als uitgangspunt moest worden genomen. Projecties van de fondsbesturen AAf en Aof [Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] ten behoeve van de premievaststelling AAW en WAO bevestigden dit beeld. De herziening van het groeipad heeft geleid tot een forse bijstelling van de ramingen inzake de volumeontwikkeling bij ongewijzigd beleid, zoals uit onderstaand overzicht blijkt. rblz.|65| 

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx Personen Uitkeringsjaren
Stand ultimo 1989 x 845 000xx x 758 000xx
Saldo instroom/uitstroom 1990 37 000xxx x 20 000xxx x
Stand ultimo 1990 x 882 000xx x 778 000xx
Saldo instroom/uitstroom 1991 30 000xxx x 29 000xxx x
Stand ultimo 1991 x 912 000xx x 807 000xx
Saldo instroom/uitstroom 1992 39 000xxx x 26 000xxx x
Stand ultimo 1992 x 951 000xx x 833 000xx
Saldo instroom/uitstroom 1993 39 000xxx x 26 000xxx x
Stand ultimo 1993 x 990.000xx x 859 000xx
Saldo instroom/uitstroom 1994 39 000xxx x 26 000xxx x
Stand ultimo 1994 x 1 029 000xx x 885 000xx
Totaal 184 000xxx x 127 000xxx x

 
     De geraamde ontwikkeling over 1991 wordt enigszins vertekend door extra beëindigingen die samenhangen met het beëindigen van uitkeringen op 1 juli 1991 in verband met de gelijke behandeling in de AAW. Om dezelfde reden zijn over het eerste halfjaar van 1991 nabetalingen verricht die op meerdere jaren betrekking hebben, maar volledig in 1991 worden verantwoord. Dit laatste leidt tot een incidentele mutatie van het volume in uitkeringsjaren.

     Uit bovenstaande tabel blijkt dat het oorspronkelijke voornemen van het kabinet te streven naar het volumeniveau van 1989 een daling met ruim 125 000 uitkeringsjaren zou vereisen. Om deze taakstelling te kunnen realiseren, zou de instroom in de regelingen ongeveer gehalveerd moeten worden. Gezien de korte termijn die het kabinet is gegeven tot 1994 moet dit onhaalbaar worden geacht. Zoals in de inleiding van deze memorie van toelichting is aangegeven, is het kabinet tot de conclusie moeten komen dat de doelstelling van terugkeer in 1994 naar het niveau van 1989 niet langer uitgangspunt kan zijn bij het ontwikkelen van volumebeleid.

     Naast de voorgaande gevolgtrekking hebben de realisatiecijfers over de eerste periode van 1991 geleid tot een voorzichtiger opstelling ten aanzien van de te verwachten effecten van de in dit wetsvoorstel vervatte maatregelen. In eerste instantie is ervan uitgegaan dat met het voorliggende pakket mogelijkerwijze zou kunnen worden volstaan, hetgeen impliciet betekende dat er een volumereductie van 65 000 à 70 000 uitkeringsjaren mee zou kunnen samenhangen.
     Rekening houdend met het nog te volgen wetgevings- en invoeringstraject en gezien het feit dat inmiddels geïmplementeerde maatregelen nog niet het effect sorteren dat het kabinet ervan had verwacht, is een bijstelling naar beneden aangewezen. Ingezet wordt op effect van een zodanige omvang dat een terugkeer op het demografisch bepaalde groeipad wordt gerealiseerd. Dit komt overeen met een volumeombuiging in 1994 van in totaal 25 000 uitkeringsjaren. Voor deze inzet is overigens noch een empirisch bewijs, noch een modelmatige onderbouwing aan te leveren. Er wordt slechts de andere benadering mee tot uitdrukking gebracht waarover in de inleiding van dit hoofdstuk is gesproken.

     Met betrekking tot de ZW gaat het kabinet bij het ongewijzigd beleid uit van een constant ziekterisicopercentage. Dit betekent dat een verhoging van de ZW-lasten uitsluitend het gevolg kan zijn van nominale verhogingen en/of een toename van het aantal verzekerden als resultaat van werkgelegenheidsgroei.
     Op grond van de laatste gegevens over 1990 moet echter rekening worden gehouden met een toename van het ziekterisicopercentage. Voor rblz.|66| de werkgevers die het risico hebben verzekerd bij de bedrijfsvereniging (de zogenaamde omslagleden) wordt uitgegaan van een toename van 8% in 1989 tot 8,4% in 1990. Ook ten aanzien van de ZW heeft het kabinet - geconfronteerd met nieuwe tegenvallende ontwikkelingen - besloten tot het treffen van aanvullende maatregelen, bovenop hetgeen in het voorliggende wetsvoorstel ligt besloten. Met de maatregelen van dit wetsvoorstel wordt een opbrengst beoogd van structureel ƒ600 mln, overeenkomend met een daling van het ziekterisicopercentage met 0,5 procentpunt.

 

5.3. Directe effecten van enkele maatregelen uit het pakket


     In voorgaande paragraaf is aandacht gegeven aan de indirecte effecten die via gedragsbeïnvloeding worden nagestreefd. In deze paragraaf wordt een aantal maatregelen nagegaan waarmee directe kosten en opbrengsten worden gegenereerd.

     Met betrekking tot het bonus/malussysteem kan voorshands voor wat betreft de marktsector worden aangesloten bij hetgeen hierover in het kabinetstandpunt van 6 maart 1990 is vermeld. Dit komt er in het kort op neer dat per saldo opbrengsten zullen resulteren omdat de instroom van arbeidsongeschikte werknemers waarvoor een geldelijke bijdrage is verschuldigd zeker op korte termijn het aantal (gedeeltelijke) beëindigingen zal overtreffen. Uit het jaarverslag van de GMD over 1989 blijkt dat ongeveer 60 000 personen van de reïntegratiepopulatie bij aanvang van de gevalsbehandeling geen werkkring hadden. Bij afsluiting van de gevalsbehandeling bleken circa 14 000 personen bij de (voormalige) eigen werkgever of een andere werkgever te zijn herplaatst. Dit leidt tot de conclusie dat de aanname die in het kabinetsstandpunt werd gehanteerd en waarbij voor de korte termijn een positief saldo van geldelijke bijdragen boven bonusuitkeringen van ƒ300 mln werd berekend, niet behoeft te worden aangepast.

     In het SVr-advies kiest de Raad voor een andere benadering ten behoeve van de berekening van het saldo van bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen door zich te baseren op de regulier beschikbare statistieken. De vraag is of deze statistieken een betere basis vormen voor de berekeningen dan die van de GMD. Immers, niet elke toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering impliceert een geldelijke bijdrage en niet alle beëindigingen wegens herstel vloeien voort uit werkhervatting. Dit brengt het kabinet tot de conclusie dat hij geen aanleiding ziet de berekeningen ter zake te herzien, met erkenning van het feit dat daaraan bepaalde onzekere veronderstellingen ten grondslag liggen. Dit geldt echter eveneens voor de SVr-berekeningen.
     De SVr constateert terecht dat de financiële effecten van het BMS voor het ABP/Spf niet worden geëxpliciteerd.
     Indien voor de overheidssector een gelijksoortige berekening wordt gemaakt als voor de marktsector, resulteert in de overheidssector slechts een beperkt saldo van circa ƒ10 mln.
     Hierbij wordt rekening gehouden met circa 14 000 geldelijke bijdragen en circa 6400 bonusuitkeringen. Het beperkte saldo wordt met name veroorzaakt doordat in de overheidssector relatief vaker de AAW-claim wordt beëindigd wegens herstel. Dit laatste kan mede samenhangen met de problematiek geschetst rond de verplichte ABP-keuring. Het zou derhalve kunnen zijn dat niet zozeer een bonus wordt verstrekt, maar veelal sprake zal zijn van restitutie van de malus ten gevolge van werkhervatting binnen het jaar. Bovendien is ook de anticumulatiebepaling met het herplaatsingswachtgeld van invloed op het genoemde bedrag.

     rblz.|67| De voorgestelde premiedifferentiatie in de ZW leidt macro gezien uiteraard niet tot saldi. Het systeem is immers gebaseerd op differentiatie ten opzichte van het gemiddelde niveau dat nodig is om de ZW-lasten te financieren. Het betreft derhalve een herverdeling van premiebijdragen en geen vergroting of verkleining ervan.

     De omvang van het budget voor de GMD ten behoeve van de loonkostensubsidie en inwerk-/begeleidingssubsidie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten zal door het AAf worden vastgesteld.

     In afwijking van het TWVA-rapport wordt mede op basis van GMD-gegevens over 1989 verondersteld dat een iets groter aantal (namelijk ruim 15 000 plaatsingen per jaar) met toepassing van de maatregel zullen worden gerealiseerd. Uitgaande van een loonsom van ƒ21 500,- per geplaatste arbeidsongeschikte (bekend is dat veelal wordt geplaatst in functies met een loon van ±ƒ33 000,- per jaar en dat het daarbij vooral om gedeeltelijk arbeidsongeschikten gaat met uiteindelijk een resterend uitkeringsdeel van 35%, zodat per dienstbetrekking een loonsom van 65% van ƒ33 000,-, derhalve ƒ21 500,- overblijft) en toekenning van de maximale 20% subsidie (20% van ƒ21 500,- is ƒ4300,-) zouden de kosten van de loonkostensubsidieregeling per jaar neerkomen op maximaal ±ƒ65 mln (11 500 x ƒ4300,-). Gezien de maximale looptijd van vier jaar zijn de kosten vanaf 1994 te berekenen op (maximaal) ƒ260 mln.
     Wat betreft de eenmalige subsidie is het TWVA-rapport uitgegaan van 10 000 toepassingen per jaar en ƒ4000,- per vergoeding, zodat maximaal per jaar ƒ40 mln aan kosten worden geraamd.

     Zoals opgemerkt in de adviezen van het ABP en het SPf dient ook voor deze instanties een afzonderlijke budget te worden vastgesteld. Ervan uitgaande dat voor de overheidssector een vergelijkbaar bemiddelingsresultaat kan worden bereikt als in de marktsector, zouden de kosten voor de overheidspensioenorganen uitkomen op circa ƒ15 mln bij circa 3400 plaatsingen per jaar. Vanaf 1994 bedragen deze kosten derhalve circa ƒ60 mln. Voorts is uitgaande van deze veronderstellingen met de eenmalige subsidie voor de overheidspensioenorganen een bedrag van circa ƒ10 mln gemoeid.

     Overigens staan tegenover deze kosten ook opbrengsten in de sfeer van Ioaw en WW, die na vier jaar circa ƒ200 mln bedragen en nadien geleidelijk verder oplopen. Vergelijkbare besparingen treden op bij de ambtelijke werkloosheidsregelingen (inclusief herplaatsingswachtgelden), welke tentatief kunnen worden becijferd op circa ƒ45 mln.

     De in zijn advies door de SVr berekende kosten van ƒ550 mln die zouden ontstaan als in alle gevallen een subsidie wordt verstrekt, moet als zuiver theoretisch worden beschouwd. In de doelstelling van het kabinet is opgenomen dat, gezien de huidige bemiddelingsresultaten, reïntegratie zonder toepassing van het subsidie-instrument ook in de toekomst tot de mogelijkheden moet behoren en dient te worden voorkomen dat in deze gevallen een subsidie wordt verstrekt. Het ligt overigens in het voornemen om het budget vooraf taakstellend ter beschikking te stellen aan de genoemde organisaties. Bij de hoogte van dit taakstellende budget dient naar de mening van het kabinet met de voorgaande overwegingen rekening te worden gehouden.

     In de beschrijving van het subsidie-instrument in het SVr-advies wordt opgemerkt dat afhankelijk van de bereikte resultaten in enig jaar aanpassing van het taakstellende budget tot de mogelijkheden dient te behoren.

     rblz.|68| Naar onze mening verdient deze optie niet de voorkeur. Bedoeling van de budgettering is immers op voorhand de financiële kaders vast te leggen waarbinnen moet worden geopereerd. Binnen die kaders heeft de GMD de nodige manoeuvreerruimte. Er bestaat bijvoorbeeld geen verplichting tot het toekennen van subsidies, noch is de GMD gehouden om bij toekenning uit te gaan van het maximale bedrag.

     Het voornemen tot verhoging van het ziekengeld voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die opnieuw in het arbeidsproces zijn ingetreden, heeft geen directe gevolgen gezien de praktijk van CAO-bepalingen waarin werkgevers verplicht zijn om een aanvulling op het ziekengeld te betalen. Waar deze verplichting afwezig is, wordt in dit wetsvoorstel een averechtse werking voorkomen door de verhoging van het ziekengeld te maximeren tot de door de werkgever verplichte aanvulling. Overigens komt vanwege dit voornemen wel een verschuiving tot stand van het bovenwettelijke naar het wettelijke gedeelte van de ziekengeldlasten.

     Eerder in deze memorie is aangegeven dat in de huidige praktijk van een (te) late aanmelding van gevallen bij de GMD een advies bij einde wachttijd ontbreekt, zodat een voorlopige uitkering op basis van volledige arbeidsongeschiktheid wordt toegekend. De schaarse ter beschikking staande informatie indiceert dat in circa 25% van de gevallen toekenning van een voorlopige uitkering aan de orde is en dat gemiddeld genomen circa drie maanden verlopen vooraleer een definitieve uitkering volgt. Op basis hiervan zou bij een tijdige GMD-advisering kunnen worden voorkomen dat voor een bedrag van structureel ƒ15 à ƒ20 mln te veel aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt verstrekt. Bedacht moet evenwel worden dat in het merendeel van de gevallen een werkloosheidsuitkering als alternatief zal moeten worden toegekend. Per saldo zal de besparing ƒ5 à ƒ10 mln kunnen bedragen.

     Met het voornemen tot introductie van een verplichte medische en arbeidskundige keuring voor het overheidspersoneel, ter bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de AAW, wordt beoogd te voorkomen dat gedurende de periode voorafgaande aan de blijvendongeschiktverklaring door het overheidspensioenorgaan te veel c.q. te hoge bedragen worden geclaimd bij het AAf, omdat nog geen formele keuring heeft plaatsgevonden. Bedoelde bedragen komen ten goede aan de overheidswerkgevers. Daarnaast wordt beoogd door de invoering van een verplichte zesdemaandsmelding en begeleiding in het voortraject het aantal AAW-claims te verminderen.

     Voor de bepaling van de omvang van het structurele besparingsbedrag is van belang dat in de huidige situatie het aantal blijvendongeschiktverklaringen jaarlijks circa 10 000 bedraagt. Het aantal blijvendongeschiktverklaringen ligt daarmee circa 10 000 lager dan het aantal van circa 20 000 gehonoreerde AAW-claims. Dit verschil is niet alleen te verklaren uit het ontbreken van een keuringsverplichting voor toekenning van een AAW-claim. Deze claim kan ook zijn beëindigd alvorens de blijvendongeschiktverklaring heeft kunnen plaatsvinden. Daarnaast is bij circa 3250 van genoemde 10 000 blijvendongeschiktverklaringen sprake van een herplaatsbaarheidsverklaring. Voor deze gevallen geldt dat op grond van de AAW alsdan sprake blijkt te zijn van (gedeeltelijke) arbeidsgeschiktheid en veelal aanleiding bestaat tot herziening van de AAW-claim. Deze twee factoren in overweging nemend lijkt de verwachting gerechtvaardigd dat met de voorgenomen maatregel het aantal AAW-claims kan worden beperkt met 2000 uitkeringsjaren. Hiermee correspondeert een structurele besparing van circa ƒ35 mln voor de AAW. Terzijde zij rblz.|69| opgemerkt dat hier tegenover staat dat de overheidswerkgever een deel van de lasten van doorbetaling bij ziekte niet langer kan claimen bij het AAf.

 

6. Gevolgen voor vrouwen en deregulering


6.1. Gevolgen voor vrouwen


     Op één onderdeel vindt een wijziging plaats die in het bijzonder van belang is voor de positie van vrouwen. De voorgestelde wijziging van artikel 44 ZW (artikel I, onderdeel M [I,M]) impliceert dat een bedrijfsvereniging niet langer meer een uitkering kan weigeren aan een vrouw die bij aanvang van de verzekering zwanger was. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel verlenging en flexibilisering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof is gesteld dat het niet goed te verdedigen is dat enerzijds de economische zelfstandigheid van vrouwen als uitgangspunt van beleid wordt genomen, terwijl anderzijds de vrouw die via arbeid in loondienst in haar eigen onderhoud wil voorzien, bij zwangerschap geen inkomen heeft. Derhalve wordt thans voorgesteld de huidige regeling op dat punt wijzigen.
     Uitgangspunt is nu dat zwangerschap bij aanvang van de verzekering voor de bedrijfsvereniging geen weigeringsgrond meer kan zijn. Bij de evaluatie van de diverse in dit voorstel van wet opgenomen maatregelen zal met name ook moeten worden gekeken naar de gebruikersruimte van het geheel laten vervallen van deze weigeringsgrond. Het is immers niet de bedoeling dat alleen met de intentie om zwangerschaps- en bevallingsuitkering te verkrijgen een dienstverband wordt aangegaan.
     Alle overige voorgestelde wijzigingen hebben niet specifiek gevolgen voor vrouwen.

 

6.2. Dereguleringsaspecten


6.2.1. Inleiding

     Een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van nieuwe wetgeving is de vraag of de nieuwe wetgeving past in een beleid dat gericht is op terughoudendheid met regelgeving. Zoals in de aanwijzingen inzake terughoudendheid met regelgeving (Besluit van de Minister-President van 5 november 1984, nr. 349931) wordt opgemerkt, betekent het streven naar vermindering en vereenvoudiging van regelgeving niet dat de wetgever pas op de plaats zou moeten maken. Maatschappelijke ontwikkelingen brengen mee dat de overheid wordt genoodzaakt te beoordelen of bestaand beleid en bestaande regelgeving nog in voldoende mate is toegesneden op de eisen die daaraan in steeds veranderende omstandigheden vanuit die samenleving worden gesteld. Dit geldt in versterkte mate voor het terrein van de sociale zekerheid. Het stelsel van sociale zekerheid is één van de pijlers van onze sociale rechtsstaat. Het gaat daarbij immers om het waarborgen van bestaanszekerheid en het bieden van gelijke ontplooiingskansen voor iedereen.
     In de afgelopen decennia is er sprake geweest van een snelle uitbreiding van het socialezekerheidsstelsel. Dat is samengegaan met een toenemend beroep op de socialezekerheidsregelingen. Op dit moment zien we ons geconfronteerd met een grote werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsproblematiek. Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek is reeds opgemerkt dat in het recente verleden het kabinet een aantal maatregelen heeft getroffen. Deze hebben tot nu toe onvoldoende geresulteerd in een stabilisering dan wel daling van het aantal mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en de kosten die dat met zich meebrengt. Het kabinet acht de huidige omvang van de rblz.|70| arbeidsongeschiktheidsproblematiek sociaal en economisch onaanvaardbaar en heeft dan ook gemeend nieuwe maatregelen te moeten treffen.

     Ingrijpen door de overheid via regelgeving acht het kabinet thans meer dan voldoende gerechtvaardigd, gelet op de in deze toelichting weergegeven ontwikkelingen en analyses van de arbeidsongeschiktheidproblematiek.

     Bij de voorbereiding van de voorliggende regelgeving is zorgvuldig nagegaan wat het karakter daarvan zou dienen te zijn, gelet op de problematiek die moet worden aangepakt en de op dat vlak reeds bestaande regelgeving. Het kabinet is uitgekomen op een zorgvuldig samengesteld pakket maatregelen. Dat pakket is enerzijds samengesteld uit nieuw gecreëerde instrumenten en, anderzijds, aanpassing c.q. verbetering van bestaande instrumenten. Nieuw is bijvoorbeeld het instrument van het BMS. Het systeem van premiedifferentiatie in de ZW is in zoverre nieuw dat hoewel het fenomeen premiedifferentiatie als zodanig niet onbekend is en ook reeds door een enkele bedrijfsvereniging wordt toegepast, er thans tot op een zekere, welbewust gekozen hoogte wettelijke uitwerking aan wordt gegeven. Wat het loonkostensubsidie-instrument betreft, kan worden opgemerkt dat dit instrument ook als zodanig niet onbekend of nieuw is voor werklozen. Wel nieuw is de introductie ervan in de AAW. Daarmee wordt echter bereikt dat thans aan de GMD, het ABP en het Spf een slagvaardig, doeltreffend en zelfstandig te hanteren reïntegratie-instrument wordt gegeven. Het betekent dan ook ten opzichte van de huidige situatie een verbetering, met name op het punt van de bestuurlijke verhoudingen. Immers, op dit moment kan de GMD weliswaar gebruikmaken van een loonkostensubsidie-instrument van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, doch hier botst het feitelijk gebruik door de GMD met de formele beslissingsbevoegdheid van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (in casu de directeur van het arbeidsbureau).
     De overige in hoofdstuk 2 besproken maatregelen betreffen de verbetering van in de arbeidsongeschiktheidsregelingen reeds bestaande instrumenten. Ook de wijziging van de Wagw is bedoeld om de inzet van het door die wet geboden instrumentarium slagvaardiger te maken.


6.2.2. Administratieve lastenverzwaring bedrijfsleven

     In het kader van deregulering dient ook aandacht besteed te worden aan de uit voorgestelde wetgeving voortvloeiende administratieve lasten voor het bedrijfsleven. In dat verband is in dit voorstel van wet met name van belang de wijziging van de Wagw. In artikel VII, onderdeel F [lees: artikel VI, onderdeel F, red.] [VI,F], wordt artikel 10 van de Wagw gewijzigd. Deze wijziging houdt in dat werkgevers, los van de vraag of een quotum van toepassing is, een registratie moeten bijhouden van de in dienst zijnde gehandicapte werknemers in de zin van de Wagw. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen nadere eisen aan die registratie gesteld worden. Het kabinet meent niet te kunnen afzien van een dergelijke registratieplicht. Deze is immers onontbeerlijk, niet alleen om eventueel tot inzet van het quotuminstrument te komen, maar ook om de naleving van de Wagw te kunnen beoordelen en om nader beleid te kunnen voeren.

     Om de administratieve lasten voor het bedrijfsleven zo gering mogelijk te laten zijn, zal aansluiting worden gezocht bij het streven via integratie van berichtenverkeer de informatiestromen van werkgevers naar de socialeverzekeringsorganen te vereenvoudigen.
     rblz.|71| Bij de uitvoering van de voorliggende maatregelen zal zoveel mogelijk worden uitgegaan van al bij de bedrijfsverenigingen aanwezige gegevens. De mogelijkheden daartoe verbeteren nu de bedrijfsverenigingen met de totstandkoming van de verzekerdenadministratie registraties met basisgegevens kunnen inrichten waaraan de gevalsadministraties zijn gekoppeld. Voorts richten de bedrijfsverenigingen hun administratie steeds meer zodanig in dat de werkgevers zoveel mogelijk via één informatiestroom gegevens kunnen aanleveren, waarna de bedrijfsvereniging zelf zorg draagt voor de interne routing van de verschillende onderdelen van die informatiestroom naar de verschillende deeladministraties.
     De bestanddelen van zo'n informatiestroom zijn de bekende berichtenstromen, zoals de melding bedrijfsvereniging, de jaaropgave, de ziekmelding en de daarbij behorende loonopgave. Voor zover voor de uitvoering van dit wetsvoorstel nog nadere informatie van werkgevers aan de bedrijfsverenigingen verstrekt moet worden, kan dat naar het oordeel van het kabinet via de melding bedrijfsvereniging en de ziekmelding.
     In zijn op 4 juli 1991 vastgestelde advies heeft de SVr aangegeven dat de opgave van gehandicapte werknemers, als bedoeld met de wijziging van artikel 10 van de Wagw, via de melding bedrijfsvereniging kan plaatsvinden en dat een afzonderlijke berichtenstroom veel meer lasten voor werkgevers met zich zal brengen. De SVr bevestigt het oordeel van het kabinet dat voor het zoveel mogelijk uitgaan van de al bij de bedrijfsverenigingen aanwezige gegevens de verzekerdenadministratie, zij het op termijn, een ingang biedt. Het kabinet meent dat de extra belasting die voor werkgevers voortvloeit uit het bepaalde bij of krachtens het voorgestelde artikel 10 van de Wagw niet opweegt tegen het belang van een adequate uitvoering van de Wagw, te meer omdat door een zoveel mogelijk geïntegreerde wijze van aanlevering van de benodigde gegevens deze extra belasting zoveel mogelijk beperkt kan worden.


6.2.3. Terugtreden van de overheid

     Een belangrijk aspect van deregulering is verder het streven naar vermindering van overheidsbemoeienis en het effectueren van een zo duidelijk mogelijke afbakening van taken en bevoegdheden. Ten aanzien hiervan kan opgemerkt worden dat de in dit voorstel van wet opgenomen wijziging van de ZW in verband met de tussen overheid en sociale partners overeengekomen herschikking van bevoegdheden goed past in dit streven. Zoals in hoofdstuk 3 is aangegeven, zijn de wijzigingen in de ZW op dit punt resultaat van een zorgvuldige afweging of op bepaalde punten overheidsoptreden via regelgeving, op welk niveau dan ook, nog noodzakelijk is en of de wel noodzakelijke regelgeving kan worden gedecentraliseerd.


6.2.4. Werkdruk bestuurlijk en justitieel apparaat

     Bij de uitwerking van de concrete maatregelen in dit voorstel van wet is ook aandacht besteed aan de consequenties voor de uitvoeringsorganen. Invoering van nieuwe maatregelen brengt echter onvermijdelijk uitbreiding van werkzaamheden met zich mee. Bestuurlijke c.q. uitvoeringslasten zullen dus toenemen. Met name zij gewezen op de maatregelen van premiedifferentiatie en het BMS. Deze vergen van de uitvoeringsorganen behoorlijke inspanningen. Wat de premiedifferentiatie betreft, is aan bedrijfsverenigingen tot op grote hoogte de vrijheid gegeven nadere invulling daaraan te geven. Zodoende kan het premiedifferentiatiesysteem door elke bedrijfsvereniging zoveel mogelijk rblz.|72| afgestemd worden op de eigen premieheffingssystematiek. Ten aanzien van het BMS is het zo dat een groot beroep wordt gedaan op de organen die belast zijn met de uitvoering. Niettemin moet vermeld worden dat van de nu gekozen systematiek ook volgens de SVr een zo goed mogelijke uitvoerbaarheid verwacht mag worden. Bij de afweging om tot invoering over te gaan, is nadrukkelijk acht geslagen op de uitvoeringslasten. Bij de vormgeving van nieuwe maatregelen is zoveel mogelijk getracht aan te sluiten bij bestaande werkprocessen. Procedureregels zoals goedkeuringen en adviesverplichtingen, welke de bestuurlijke lasten onnodig vergroten, zijn achterwege gelaten. Op een aantal punten worden bestaande advies- of goedkeuringsprocedures geschrapt (bijvoorbeeld ten aanzien van de verlenging van de toepassing van de artikelen 33 AAW en 44 WAO opgenomen in artikel III, onderdeel K [III,K], en artikel II, onderdeel J [II,J]) of wordt de goedkeuringsbevoegdheid voor zover die nog wel wenselijk is op een lager niveau, veelal de SVr, gelegd.

     Van de mogelijkheid nadere regelgeving op grond van delegatie mogelijk te maken, is een weloverwogen gebruik gemaakt. Met name is gebruikgemaakt van delegatie daar waar nadere regelgeving van dien aard is dat deze niet goed in de wet zelf is op te nemen zonder aan het uitgangspunt van een duidelijke en bestendige wet afbreuk te doen. Voor zover nadere regelgeving bij delegatie gewenst wordt geacht, is gekozen voor regelgeving bij algemene maatregel van bestuur waar het gaat om onderwerpen waarbij beleidsmatige vragen aan de orde zijn, bijvoorbeeld bij de nadere invulling van het BMS en de loonkostensubsidieregeling.
     Voor thans reeds bestaande delegatiebepalingen in de ZW geldt dat op een behoorlijk aantal punten de nadere regelgeving in het kader van de herschikking van bevoegdheden wordt opgedragen aan de SVr, daar waar deze nu nog door de minister geschiedt. Wat betreft de werkdruk van het justitieel apparaat kan het kabinet er niet omheen dat enkele van de in dit voorstel van wet opgenomen nieuwe maatregelen zouden kunnen leiden tot nieuwe conflicten die aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Aan rechtsbescherming voor belanghebbenden bij deze nieuwe maatregelen valt echter niet te ontkomen. In ieder geval is getracht onnodige conflicten te voorkomen door de regels zo duidelijk mogelijk te stellen.

     In dit kader is het ook goed erop te wijzen dat het wetsvoorstel voorziet in beroepsrecht met betrekking tot beslissingen inzake de fictieve uitvoering van de AAW. Ook dit kan leiden tot een verzwaring van de werkdruk van het justitieel apparaat.

     Voorts heeft normering van bevoegdheden van uitvoeringsorganen plaatsgevonden voor zover dat op het niveau van de wetgever in de desbetreffende aangelegenheid past. Op enkele punten is mogelijke conflictstof verminderd. Per saldo valt derhalve geen toename van de werkdruk te verwachten.

 

 

Artikelsgewijze  toelichting

 

Artikel I [I]


Onderdeel A [A]

     Zoals in paragraaf 3.4 van het algemeen deel van de toelichting reeds is gesteld, is naar aanleiding van het advies van de SVr, in artikel 15 van de ZW de huidige dagloonsystematiek gehandhaafd. Wel is, gelet op de nadruk waarmee de SVr één en ander heeft bepleit, in het voorgestelde rblz.|73| zesde lid geregeld dat de door de SVr vast te stellen algemene en bijzondere dagloonregels en de door de minister vast te stellen regels die zo nodig daarvoor in de plaats komen, alsmede de bijzondere door de bedrijfsvereniging vast te stellen dagloonbesluiten, bepalingen kunnen bevatten met betrekking tot de wijziging van het dagloon tijdens de uitkering. Hierdoor wordt het mogelijk om regels te stellen die in een tussentijdse dagloonherziening voorzien. In dit verband gaat het, naast een herziening van het dagloon in verband met wijzigingen in het loonpeil in het beroep van de werknemer, om een dagloonherziening bij beëindiging van de dienstbetrekking tijdens de uitkering, een herziening van het dagloon van zieke werklozen in verband met mutaties in de WW-uitkering en een dagloonherziening na afloop van een periode van ouderschapsverlof.
     Een soortgelijke wijziging is ook voorgesteld in artikel 45 van de WW en 34 van de IWS [Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, red.]. Zie hiervoor de nota van wijziging op het voorstel van wet houdende nadere wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering) (Kamerstukken II, 21 608, nr. 7).
     Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enige in artikel 15 ZW voorkomende procedurele regels met betrekking tot de openbaarmaking van de dagloonregels en besluiten over te brengen naar een nieuw artikel 86 (zie onderdeel X [X]), dat conform de aanbeveling van de SVr in zijn algemeenheid de publicatie van op grond van de ZW getroffen besluiten regelt.


Onderdelen B [B], C [C], H [-] en J [I]

     De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen houden verband met de herschikking van bevoegdheden.


Onderdeel D [D]

     Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in dit voorstel van wet conform het advies van de SVr van 15 januari 1987 (87/315) de maximeringsbepalingen ter zake van de ziekengelduitkering te laten vervallen. De algemene maximeringsbepaling, verwoord in de eerste volzin van het eerste lid van artikel 29, kan worden geschrapt, omdat deze bepaling sinds de inwerkingtreding op 1 mei 1985 van de Wet van 3 april 1985, Stb. 1985, 201 (verlaging uitkeringspercentage ZW en premieheffing over uitkeringen bij ziekte), geen betekenis meer heeft. Voor die tijd was het mogelijk dat door verschillen in inhoudingen op het loon en op de ZW-uitkering de netto-ZW-uitkering hoger uitkwam dan het nettoloon bij werken. De tot nu toe in de tweede volzin van artikel 29, eerste lid, opgenomen maximeringsbepaling ter zake van ziekengeld voor de zieke werkloze was bedoeld om een verschil in netto-uitkering van zieke en niet-zieke werklozen te voorkomen. Zodra de uitkeringspercentages in de ZW en de WW gelijk zouden zijn, zou ook deze maximeringsbepaling kunnen vervallen. Deze situatie is op 1 januari 1986 bereikt.
     Na de stelselherziening op 1 januari 1987 heeft de maximeringsbepaling ter zake van ziekengeld voor zieke werklozen in feite weer betekenis gekregen voor de werklozen die ziek geworden zijn tijdens het ontvangen van de vervolguitkering WW en voor nawerkingsgevallen. Inmiddels is deze situatie geregeld in artikel 12 van de Algemene dagloonregelen Ziektewet.

     In een enkel geval, namelijk ten aanzien van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering van vrijwillige verzekerden, kan maximering nog wel aan de orde zijn. De maximering van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering is opgenomen in het twaalfde lid van artikel 29 ZW. Het kabinet rblz.|74| is het eens met het gestelde in het advies van de SVr van 17 november 1988 betreffende de verlenging en flexibilisering in verband met de zwangerschaps- en bevallingsuitkering, dat het aanbeveling verdient voor die gevallen de maximering op te nemen in de regels van de SVr inzake de vrijwillige ziekengeldverzekering op grond van artikel 71, eerste lid, ZW. Het huidige twaalfde lid van artikel 29 ZW kan daarmee komen te vervallen.

     Via een wijziging van artikel 1638e, zevende lid, Burgerlijk Wetboek (opgenomen in artikel X, onderdeel A [X,A]) wordt de mogelijkheid om wachtdagen overeen te komen weer in volle omvang hersteld. De wijziging onder 2 bewerkstelligt dat de wachtdagen voor de bepaling van de maximale ZW-uitkeringstermijn van 52 weken worden meegeteld. Hierdoor zal zowel voor degene voor wie geen als degene voor wie wel wachtdagen gelden de maximale uitkeringstermijn op hetzelfde moment worden bereikt.

     Herstel van de mogelijkheid voor toepassing van wachtdagen heeft primair een beperkend effect op het niveau van de wettelijke lasten voor werkgevers in verband met kortdurend ziekteverzuim, aangezien deze bij effectieve toepassing van wachtdagen niet langer verplicht zijn op wachtdagen het wettelijk minimumloon door te betalen. Het uiteindelijke effect van de maatregel op de totale uitgaven (wettelijk en bovenwettelijk) in de sfeer van de ZW is afhankelijk van de invulling die sociale partners gaan geven aan het beleid ter beperking van het kortdurend ziekteverzuim.

     Indien door sociale partners zou worden overeengekomen dat één of meer wachtdagen voor rekening van werknemers worden gebracht, leidt dit tot een direct uitgavenbeperkend effect in de sfeer van de ZW, omdat op deze dagen geen ziekengeld wordt verstrekt. Voorts kan in dat geval een indirect verzuimbeperkend effect worden voorzien vanwege de gunstige invloed van effectuering van wachtdagen op het verzuimgedrag van werknemers. Bij handhaving van de huidige bovenwettelijke uitkeringsvoorwaarden zal echter waarschijnlijk materieel geen effect optreden op de totale uitgaven in de sfeer van de ZW.

     Voorgesteld wordt wachtdagen waarover geen ZW-uitkering wordt verstrekt voortaan mee te tellen voor de bepaling van de maximale uitkeringstermijn van 52 weken. In de wettelijke sfeer van de ZW zou dit een uitgavenbeperking van circa ƒ10 mln betekenen. Indien na afloop van de maximale uitkeringstermijn in de ZW een AAW/WAO-uitkering wordt toegekend, is hierbij overigens slechts sprake van een lastenverschuiving.

     De in dit onderdeel onder 3 en 4 opgenomen wijzigingen beogen de huidige bepalingen ter zake van het bepalen van de aan de bevalling voorafgaande zes- en vierweekse periode waarover ziekengeld wordt uitgekeerd te corrigeren. Thans is in het achtste lid van artikel 29 geregeld dat het ziekengeld in verband met de bevalling ingaat vanaf de eerste dag dat de bevalling binnen zes weken is te verwachten of later, maar niet later dan vanaf de eerste dag van de vierde week voorafgaand aan de vermoedelijke datum van de bevalling. Deze redactie betekent dat de zeswekenperiode wordt gerekend inclusief de vermoedelijke bevallingsdatum en de vierweekse periode exclusief deze datum. De bedoeling is echter dat beide perioden inclusief de vermoedelijke bevallingsdatum zijn. Ook de huidige redactie op dit punt in het negende lid leidt ertoe dat strikt genomen de in dat lid bedoelde periode zes weken plus één dag bestrijkt, hetgeen niet de bedoeling is. De voorgestelde redactionele wijzigingen beogen één en ander te corrigeren.
     Ten aanzien van het huidige negende lid is ook anderszins sprake van rblz.|75| een niet-bedoelde situatie. Uitgangspunt is een zwangerschaps- en bevallingsverlof van ten minste zestien weken. Op die zestien weken worden onder meer in mindering gebracht dagen waarop in de periode van zes weken onmiddellijk voorafgaande aan de vermoedelijke bevallingsdatum met toepassing van artikel 31 ziekengeld werd uitgekeerd. Letterlijk genomen houdt dat in dat dagen waarover als gevolg van toepassing van artikel 31 feitelijk geen ziekengeld werd uitbetaald, op genoemde periode niet in mindering mogen worden gebracht. Een dergelijke situatie kan zich voordoen als de vrouw in de periode van vier weken onmiddellijk voorafgaande aan de dag na de vermoedelijke bevallingsdatum blijft werken. Er is dan weliswaar sprake van samenloop van loon en ziekengeld, maar omdat het loon gelijk is aan het dagloon, wordt ingevolge artikel 31 geen ziekengeld uitgekeerd. De voorgestelde wijziging op dat punt strekt ertoe dat dagen waarover artikel 31 is toegepast, ongeacht of het ziekengeld gedeeltelijk of in het geheel niet tot uitbetaling komt, op de periode van zestien weken in mindering worden gebracht.


Onderdeel E [E]

     Met de in dit onderdeel opgenomen invoering van het voorgestelde nieuwe artikel 29a ZW wordt één van de in het kader van de TWVA voorgestelde reïntegratiebevorderende maatregelen concreet uitgewerkt. Dit nieuwe artikel voorziet in een ophoging van het wettelijke ziekengeld voor heringetreden arbeidsongeschikten die wegens ziekte uitvallen. Op de achtergrond van de regeling is in het algemeen deel van deze toelichting ingegaan.
     Recht op de verhoogde uitkering heeft een verzekerde die aan de volgende drie voorwaarden voldoet: a) in dienst treedt bij een werkgever; b) direct voorafgaande aan het dienstverband recht op een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en/of AAW had of daar op het moment van aangaan van de dienstbetrekking nog recht op heeft; c) ziek wordt gedurende perioden die liggen in de drie jaar na aangaan van de dienstbetrekking. Het recht op een verhoogde uitkering bij hernieuwde uitval wegens ziekte beoogt de mogelijkheden voor langduriger arbeidsongeschikten om terug te keren in het arbeidsproces via het verrichten van geschikte arbeid in een nieuwe dienstbetrekking te vergroten. De formulering van artikel 29a is zodanig dat verhogingen slechts kunnen worden toegepast voor na inwerkingtreding van deze bepaling aangegane dienstbetrekkingen.
     Zowel gedeeltelijk arbeidsongeschikten die recht hebben op een gedeeltelijke WAO/AAW-uitkering als volledig arbeidsongeschikten met een volledige WAO/AAW-uitkering die in een nieuwe dienstbetrekking hervatten, komen in aanmerking voor de regeling. Wat betreft de arbeidsongeschikten met een volledige WAO/AAW-uitkering zal het in de praktijk met name gaan om de personen van 35 jaar of ouder bij wie in de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid nog een deel werkloosheid is verdisconteerd. Het gaat daarbij om 35+-ers die bij invoering van de stelselherziening op 1 januari 1987 een WAO/AAW-uitkering hadden. Ten aanzien van hen is in de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1986, 94) bepaald dat zij onder de vóór 1 januari 1987 geldende bepalingen van de WAO/AAW blijven vallen.

     In paragraaf 2.4 van de algemene toelichting is reeds opgemerkt dat de regeling beoogt een door de werkgever eventueel te lopen financieel risico over te nemen. Het overgrote deel van de werkgevers (circa 97%) is op grond van CAO's of individuele arbeidsovereenkomst gehouden het ziekengeld tot 100% van het loon aan te vullen. Er is derhalve uitgegaan van een ophoging tot 100% van het dagloon van de verzekerde rblz.|76| aangezien dit de meest voorkomende situatie is. Om te voorkomen dat de verhoging van het ziekengeld meer bedraagt dan het bedrag dat een werkgever op grond van een CAO of de individuele arbeidsovereenkomst dient aan te vullen, is bepaald dat de verhoging niet meer kan bedragen dan het bedrag dat de werkgever zou moeten aanvullen. Heeft een werkgever geen aanvullingsplicht, dan vindt ook geen ophoging van het ziekengeld plaats.
     Het is niet de bedoeling dat ook tot boven het maximumdagloon dat gelet op het bepaalde bij of krachtens artikel 15 ZW en de Coördinatiewet Sociale Verzekering voor de ziekengelduitkering geldt, wordt opgehoogd. Vandaar dat de verhoging is bepaald op maximaal 100% van het dagloon van de verzekerde. In de gevallen dat het door de verzekerde genoten loon meer bedraagt dan het maximumdagloon wordt dus niet het gehele financiële risico van de werkgever dat voortvloeit uit de arbeidsrechtelijke verplichting tot aanvulling, door de ophoging van het ziekengeld overgenomen.

     Ten aanzien van de toepassing in de praktijk kan voorts nog het volgende opgemerkt worden. Aan toekenning van ziekengeld gaat altijd een ziekmelding vooraf. Het ligt voor de hand dat de werkgever bij de ziekmelding via het aangifteformulier aangeeft dat het een ziektegeval betreft waarop de voorgestelde regeling van toepassing is. Dit is me name van belang indien het gaat om een in dienst getreden gedeeltelijk arbeidsongeschikte die een gedeeltelijke WAO/AAW-uitkering krijgt van een andere bedrijfsvereniging dan waarbij de werkgever is aangesloten. De bedrijfsvereniging kan in die gevallen namelijk (nog) niet uit de eigen administratie afleiden dat het een persoon betreft die tot de doelgroep van de regeling behoort. Voorts zal bij de ziekmelding moeten worden aangegeven of de werkgever moet aanvullen tot 100% van het loon. Omdat dit in het overgrote deel van de gevallen zo zal zijn, heeft de nu gekozen uitwerking als voordeel dat de bedrijfsvereniging slechts in een klein aantal gevallen het exacte bedrag van de aanvulling zal behoeven vast te stellen. De regeling is op deze wijze goed uitvoerbaar.

     Er kunnen gevallen zijn waarin de verhoogde ZW-uitkering op grond van artikel 29a ZW samenloopt met een op grond van artikel 57 ZW uit te betalen hogere uitkering dan de 70%-uitkering (bovenwettelijke uitkeringen). In deze gevallen gaat de verhoogde uitkering op grond van artikel 29a voor. Artikel 57, eerste lid spreekt immers van "hogere uitkeringen (...) dan deze wet vaststelt".
     Dat ophoging van de ZW-uitkering vooralsnog mogelijk is voor ziekteperioden die gelegen zijn in de drie jaar na inwerkingtreding van deze wet volgt uit artikel XV [XVII], waarin conform het kabinetsstandpunt over de voorstellen van de TWVA is bepaald dat de maatregel in eerste instantie voor drie jaar zal gelden. Hiermee is tevens de maximale duur van toepassing in het individuele geval, namelijk drie jaar, geregeld. Op basis van onderzoek naar de effectiviteit van de maatregel zal besloten worden of de regeling na drie jaar, al dan niet gewijzigd, zal worden voortgezet.


Onderdeel F [F]

     Artikel 30 ZW is een zinvol en goed bruikbaar instrument gebleken om werknemers die langduriger ziek zijn weer geleidelijk aan terug te brengen in het arbeidsproces. Daarover is in het algemeen deel van deze toelichting reeds het één en ander opgemerkt. Artikel 30 ZW is reeds in de huidige praktijk een volwaardig reïntegratie-instrument geworden, dat in zijn toepassing allengs een ruimer bereik heeft gekregen dan alleen de gevallen waarin de zieke werknemer passende arbeid krijgt opgedragen bij wijze van arbeidstherapie. De voorgestelde tekstwijziging in het eerste rblz.|77| lid beoogt de oorspronkelijk meer therapeutische achtergrond van de bepaling weg te nemen. Het kabinet wil met vernieuwing van het artikel duidelijk laten uitkomen dat het erom gaat zieke werknemers zo spoedig mogelijk terug te brengen in het arbeidsproces en daarmee langdurige arbeidsongeschiktheid te voorkomen. De toepassing van artikel 30 ZW, zo blijkt ook uit de toepassingspraktijk, is in eerste instantie gericht op de terugkeer naar het werk dat de zieke werknemer verrichtte voordat hij ziek werd. Met toepassing van artikel 30 ZW kan een zieke werknemer bijvoorbeeld geleidelijk aan hervatten in het eigen werk, door te beginnen met een beperkt aantal uren en stapje voor stapje het aantal uren uit te breiden. Het kan ter bevordering van de hervatting in eigen werk ook aangewezen zijn dat in de tussentijd ander, passend werk wordt verricht. Het kan ook zijn dat de prognose is dat de werknemer niet meer het eigen werk zal kunnen hervatten. In dat geval zal het gaan verrichten van passend werk in het belang van terugkeer in het arbeidsproces kunnen zijn, zij het niet in het oude werk, maar in een andere functie en eventueel bij een andere werkgever. Toepassing van artikel 30 ZW bij werkhervatting bij een andere werkgever zal in de praktijk met name plaatsvinden in die gevallen waarin de prognose zal zijn dat betrokkene niet meer bij de eigen werkgever zal kunnen hervatten. Op grond van artikel 30 ZW kan de bedrijfsvereniging dus de betrokken werknemer, indien hij daartoe in staat is, opdragen passend werk te doen, bij de eigen werkgever of bij een andere werkgever. De vraag wat verstaan moet worden onder "passende arbeid" zal in elk concreet geval aan de hand van de omstandigheden moeten worden beantwoord. In het geval de zieke werknemer weer te zijner tijd in zijn eigen werk zal kunnen hervatten, zal de invulling van het begrip passende arbeid duidelijker in het teken staan van c.q. gericht zijn op de hervatting in het eigen werk. Indien geoordeeld moet worden dat terugkeer in het eigen werk niet meer tot de reële mogelijkheden behoort, zal bij de beoordeling van wat passende arbeid is een bredere oriëntatie nodig zijn. In zijn algemeenheid zal het daarbij wel moeten gaan om werk dat in redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, waarbij gelet wordt op arbeidsverleden, opleidingen, gezondheidstoestand.
     Versterking van de reïntegratiedoelstelling van artikel 30 ZW brengt een verruiming van de toepassingsmogelijkheden van het artikel bij werkhervatting in passende arbeid bij een andere dan de eigen werkgever met zich mee.
     Daartoe worden de beperkende bepalingen van het huidige vierde lid geschrapt.

     Naar aanleiding van het advies van de SVr is gekozen voor de constructie dat in het eerste lid van artikel 30 ZW de mogelijkheid tot het opdragen van passend werk is neergelegd.
     Indien met toepassing van het eerste lid van artikel 30 ZW de werknemer opgedragen wordt passende arbeid te verrichten, kan met toepassing van artikel 31 ZW, eerste en tweede lid, tot verrekening van het met die passende arbeid verdiende loon met ziekengelduitkering worden overgegaan.
     Hervatting bij een andere werkgever kan ertoe leiden dat een situatie ontstaat dat een werknemer twee dienstbetrekkingen heeft zolang de dienstbetrekking bij de oorspronkelijke werkgever niet is geëindigd. De ontslagbeschermingsbepalingen uit het Burgerlijk Wetboek bepalen immers dat een arbeidsovereenkomst bij ziekte niet kan worden opgezegd, tenzij twee jaar na intreden van ziekte/arbeidsongeschiktheid zijn verstreken. Het naast elkaar bestaan van twee arbeidsovereenkomsten kan tot arbeidsrechtelijke complicaties leiden, bijvoorbeeld indien de eigen werkgever alsnog passende arbeid beschikbaar kan stellen of de werknemer weer in staat is de eigen werkzaamheden bij de rblz.|78| eigen werkgever te hervatten, maar op grond van de arbeidsovereenkomst met de andere werkgever ook de plicht heeft om daar de bedongen arbeid te verrichten, of omdat de werknemer gebonden is aan een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst met de eigen werkgever. Mede in het licht van de voorgestelde verruimde toepassing van artikel 30 ZW is het van belang te komen tot een zeer zorgvuldige toepassing van dit artikel. Voorop dient te staan het reïntegratiebelang van de werknemer: het voorkomen van langdurige arbeidsongeschiktheid. Voorkomen moet worden dat de werknemer die met behoud van de "eigen" dienstbetrekking passende arbeid in dienstbetrekking bij een andere werkgever aanvaardt in de problemen raakt. Het is van groot belang dat er in die gevallen onder begeleiding van de bedrijfsvereniging en de GMD zorgvuldige afspraken tot stand komen tussen de eigen werkgever, de andere werkgever en de werknemer.
     In dit kader en met name met het oog op de arbeidsrechtelijke complicaties voortvloeiend uit het naast elkaar bestaan van arbeidsovereenkomsten heeft de SVr in zijn advies aangegeven dat de mogelijkheden voor invoering van een systeem van detachering onderzocht moet worden. Hiertoe kan worden opgemerkt dat hervatting bij een andere werkgever in de vorm van een proefplaatsing in de vorm van detachering of in de vorm van collegiale uitlening - dat wil zeggen zonder winstoogmerk - de genoemde bezwaren van arbeidsrechtelijke aard slechts gedeeltelijk kunnen ondervangen. Ook bij detachering blijven er twee arbeidsovereenkomsten naast elkaar bestaan en dienen er goede afspraken gemaakt te worden. Het reïntegratiebelang van de betrokken werknemer zal daarbij centraal moeten staan. Artikel 30 ZW is bedoeld als reïntegratie-instrument om werknemers die langdurig ziek zijn weer geleidelijk terug te brengen in het arbeidsproces. Het niet meewerken aan werkhervatting in passende arbeid heeft financiële consequenties. Dit dient gezien te worden als een stimulans voor de werknemer om weer aan het werk te gaan en voor de werkgever om de werknemer in de gelegenheid te stellen passende arbeid te verrichten. Uitgangspunt dient echter te zijn de reïntegratie van de werknemer. Voorkomen moet worden dat de werknemer hierbij in de arbeidsrechtelijke problemen raakt.

     Voor de werknemer en de werkgever moet het duidelijk zijn dat het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan werkhervatting in passende arbeid financiële consequenties heeft. Het tweede en derde lid, waarin de mogelijkheid is opgenomen om zonder deugdelijke grond niet meewerkende werknemers en werkgevers te confronteren met een sanctie, zijn in dat verband imperatief van karakter gemaakt. Het belang dat gehecht moet worden aan optimale benutting van mogelijkheden tot reïntegratie van zieke werknemers brengt mee dat wanneer er sprake is van reële mogelijkheden tot werkhervatting in passend werk, een weigering van de kant van de werknemer of de werkgever om mee te werken niet zonder consequenties kan blijven. Wanneer een werkgever of werknemer weet dat een weigerachtige houding kosten met zich meebrengt, zal dit de werkgever over de drempel trekken om de werknemer te laten hervatten respectievelijk voor de werknemer een stimulans zijn om weer aan het werk te gaan.
     De formulering "dan wel zou hebben verricht indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden" in het derde lid van artikel 30 ZW ziet op de situatie dat een werknemer arbeidsongeschikt is geworden voordat hij voor de werkgever arbeid heeft kunnen verrichten.

     In het zevende lid was tot nu toe bepaald dat de rechter de wijze waarop de bedrijfsvereniging gebruikmaakte van de bevoegdheid ten aanzien van weigerachtige werknemers en werkgevers sancties op te rblz.|79| leggen, kon toetsen op redelijkheid. Aangezien de bevoegdheid voor de bedrijfsvereniging is vervangen door een verplichting heeft het kabinet gemeend deze bepaling te kunnen laten vervallen, waardoor een beslissing van de bedrijfsvereniging op dit punt in een beroepsprocedure volledig aan de wettelijke bepalingen en algemene beginselen van behoorlijk bestuur getoetst kan worden.


Onderdeel G [G]

     Het vierde en vijfde lid van artikel 31 ZW regelen de anticumulatie van ziekengeld met ouderdomspensioen. De voorgestelde vereenvoudiging van deze leden vloeit voort uit het feit dat enerzijds de anticumulatieregeling van ziekengeld met ouderdomspensioen een zeer beperkte strekking heeft gekregen, omdat sedert 1 januari 1980 ziekengelduitkering aan personen van 65 jaar of ouder niet meer mogelijk is en op grond van het tweede lid van artikel 29 geen ziekengelduitkering wordt verstrekt op en na de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. Anderzijds vloeit dit voorstel voort uit het feit dat tot nu toe de minister van zijn regelgevende bevoegdheid op grond van het vijfde lid geen gebruik heeft gemaakt. Overigens blijft de mogelijkheid tot anticumulatie bestaan voor die gevallen waarin naast ziekengeld een pensioenuitkering wordt ontvangen. Mochten alsnog regels omtrent ouderdomspensioenen nodig zijn, dan kunnen deze op grond van het onder 1 voorgestelde nieuwe vierde lid eventueel door de SVr gesteld worden. De mogelijkheid tot het treffen van afwijkende regels, thans opgenomen in het zesde lid, wordt geschrapt. Er hebben zich in het verleden geen situaties voorgedaan die een afwijking van de wet rechtvaardigen. Thans worden die ook niet voorzien. Het ligt dan niet in de rede een afwijkingsmogelijkheid te handhaven.


Onderdelen I [J], O [N], R [Q] en W [V]

     In een aantal artikelen van de ZW, met name die artikelen die ook om andere redenen wijziging behoeven, is overeenkomstig het advies van de SVr consequent de term "bedrijfsvereniging" gebruikt in plaats van de termen "het bestuur van een bedrijfsvereniging" en "de afdelingskas". Dit is geschied op grond van de overweging dat het bestuur van een bedrijfsvereniging en een afdelingskas onderdeel uitmaken van de bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging is immers bevoegd het bestuur en een afdelingskas te machtigen namens haar bepaalde beslissingen te nemen. Op sommige plaatsen is het gebruik van de term "de afdelingskas" echter gehandhaafd.
     Zo kan in artikel 63 van de ZW dit begrip niet worden gemist, omdat de aldaar neergelegde verplichting tot het vormen van een reserve niet geldt voor middelen die zijn opgebracht door werkgevers aan wier onderneming een afdelingskas is verbonden. Ook in artikel 80 van de ZW is de term "afdelingskas" gehandhaafd. Schrappen van deze term in dat artikel zou namelijk tot gevolg hebben dat het zich ziek melden bij twee - onder dezelfde bedrijfsvereniging ressorterende - afdelingskassen met het oogmerk om meer ziekengeld te verkrijgen dan waarop in totaal op grond van de ZW recht bestaat, niet onder de delictsomschrijving van het in dat artikel genoemde misdrijf zou vallen.


Onderdelen K [J] en L [K]

     De in deze onderdelen opgenomen wijzigingen houden verband met de herschikking van bevoegdheden.
     In onderdeel K [J] wordt een nieuw artikel 40 ZW voorgesteld, waarbij de huidige artikelen 40 en 41 worden samengevoegd. Voorts is de regeling rblz.|80| van de uitbetaling van ziekengeld aan derden globaler van inhoud geworden. Het eerste lid draagt de SVr op regels te stellen op grond waarvan de bedrijfsverenigingen bevoegd zijn de ZW-uitkering zonder machtiging van de uitkeringsgerechtigden aan derden te betalen. De thans in de wet expliciet genoemde gevallen (geestelijke gestoordheid, opname in een inrichting voor geesteszieken en zwakzinnigen en verschuldigdheid van eigen bijdrage AWBZ) zullen in de SVr-regels worden opgenomen. Van zijn thans bestaande bevoegdheid om specifieke gevallen, andere dan de genoemde, aan te wijzen, heeft de minister tot op heden geen gebruik gemaakt. Het is in de toekomst aan de SVr te bepalen of er reden is meer en specifieke gevallen aan te wijzen waarin uitbetaling aan derden mogelijk wordt. Het voorgestelde tweede lid van artikel 40 is, afgezien van enkele redactionele aanpassingen, gelijk aan het huidige artikel 41 ZW.


Onderdeel M [L]

     Met de onder 1 voorgestelde vervanging van onderdeel a en b van het eerste lid van artikel 44 wordt bereikt dat ongeschiktheid tot werken wegens zwangerschap of bevalling die bestond op het moment dat de verzekering een aanvang nam of korte tijd daarna intrad, geen grond meer is om ziekengeld te weigeren. In zijn advies merkt de SVr op dat het schrappen van deze weigeringsbevoegdheid, die deze Raad overigens onderschrijft, ook gevolgen kan hebben voor de vrijwillige verzekering. De SVr onderzoekt thans in hoeverre ten aanzien van de vrijwillige verzekering eenzelfde handelwijze kan gelden als bij de verplichte verzekering, dan wel in hoeverre afwijkende bepalingen voor de vrijwillige verzekering nodig zijn. Voorts wordt via een nieuw voorgesteld onderdeel b het niet voldoen aan de spontane inlichtingenverplichting van artikel 49 thans ook een grond voor gehele of gedeeltelijke weigering van ziekengeld. Door de uitvoeringsorganen wordt het met het oog op een effectieve bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik als een gemis ervaren dat de huidige ZW een dergelijke mogelijkheid niet kent. Een overeenkomstige bepaling wordt in artikel 28 WAO en artikel 19 AAW opgenomen (zie artikel II, onderdeel D [II,D], en artikel III, onderdeel E [III,E], van dit wetsvoorstel). Daarmee wordt op dit punt een volledige harmonisatie met de overige socialeverzekeringswetten bereikt.

     De wijziging onder 2 voorziet in overdracht van de nadere regelgevende bevoegdheden van de minister aan de SVr.


Onderdeel O [N]

     Door het overdragen van de goedkeuringsbevoegdheid van het ziekengeldreglement van de minister aan de SVr wordt aangesloten bij de procedure rond het uitkeringsreglement werkloosheidsverzekering [zie ook Uitkeringsreglement WW 1997, red.], waarbij ook de goedkeuringsbevoegdheid is voorbehouden aan de SVr.
     Het voorgestelde tweede lid dient ook in het kader van gelijke terminologie en procedures beschouwd te worden. Verwezen wordt in dit kader naar artikel 101, derde lid, van de WW, waarin - in negatieve zin - is geregeld waaraan de bepalingen van het uitkeringsreglement dienen te voldoen.

     Reeds bestaande ziekengeldreglementen die conform de op dat moment bestaande wettelijke bepalingen zijn goedgekeurd, behoeven na inwerkingtreding van de wijziging van artikel 54 niet opnieuw, nu door de SVr, te worden goedgekeurd. Nieuwe ziekengeldreglementen of wijzigingen van bestaande reglementen na inwerkingtreding van de wijziging van artikel 54 dienen uiteraard wel door de SVr te worden goedgekeurd.

rblz.|81| 
Onderdeel P [O]

     In dit onderdeel wordt voorgesteld het aanwijzen van een tot beslissen bevoegde bedrijfsvereniging ten aanzien van werknemers die weliswaar werkloos zijn, maar op grond van enige bepaling uit de WW geen werkloosheidsuitkering wordt verstrekt, niet langer te laten geschieden door de minister, maar door de SVr. Vanuit praktische overwegingen en uit een oogpunt van coördinatie is op advies van de SVr ook in artikel 66, tweede lid, van de WAO de overeenkomstige bevoegdheid aan de SVr overgedragen. Verwezen zij naar artikel II, onderdeel N [II,N], van dit voorstel van wet.


Onderdeel Q [P]

     In dit onderdeel wordt de huidige regeling van artikel 60 ZW inzake de premievaststelling voor de ZW aangepast aan de invoering van het premiedifferentiatiesysteem. Het premiedifferentiatiesysteem is al in het algemeen deel van deze toelichting uitvoerig toegelicht.
     In het voorgestelde nieuwe eerste en tweede lid van artikel 60 ZW staat de verplichting voor bedrijfsverenigingen om een ziekteverzuimcijfer en een premie vast te stellen voor de gehele groep of de verschillende groepen van bij haar aangesloten werkgevers. Het ziekteverzuimcijfer en de premie kan voor verschillende groepen van werkgevers van een bedrijfsvereniging verschillend zijn, waardoor bedrijfsverenigingen net als in de huidige situatie kunnen werken met risicogroepen. Een groep van werkgevers zoals bedoeld in het voorgestelde eerste lid kan ook bestaan uit alle bij een bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers.
     De basis van de differentiatie in de premie is het voor elke werkgever vast te stellen ziekteverzuimcijfer, afgezet tegen het gemiddelde van de groep werkgevers waartoe hij voor de premieheffing behoort. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is opgemerkt, is ervoor gekozen in principe uit te gaan van ziekteverzuim gedefinieerd op basis van uitkeringsdagen, afgezet tegen de verzekerde dagen. Aangezien dit de nodige aanpassingen in de registraties van de bedrijfsverenigingen vergt, kan voor de aanvangsperiode uitgegaan worden van ziekteverzuim gedefinieerd op basis van verloonde bedragen, afgezet tegen uitgekeerd ziekengeld. Dit kan in de regelen van de SVr op grond van het voorgestelde nieuwe twaalfde lid van artikel 60 ZW worden opgenomen. Het voorgestelde derde lid van artikel 60 bepaalt dat de bedrijfsvereniging een afwijkende premie vaststelt voor die werkgevers die een hoger of lager ziekteverzuim kennen dan het voor de groep werkgevers waartoe zij behoren vastgestelde ziekteverzuim. Dit lid bevat dus de eigenlijke plicht tot differentiatie. Voorts biedt dit lid de mogelijkheid rekening te houden met de positie van kleine werkgevers. De bedrijfsvereniging kan kleine werkgevers voor de bepaling van hun individuele ziekteverzuim "poolen". Daartoe kan op basis van het individuele ziekteverzuim van alle tot die groep behorende werkgevers een voor die groep gemiddeld ziekteverzuim worden vastgesteld. In plaats van hun eigen individuele verzuimcijfer wordt voor de vraag of een hogere of lagere premie verschuldigd is, voor deze werkgevers dit groepsgemiddelde afgezet tegen het verzuimcijfer dat op basis van het eerste lid is vastgesteld voor de (risico)groep waartoe de werkgever voor de premievaststelling normaal behoort. Op deze wijze wordt voorkomen dat bij kleine werkgevers min of meer toevallige fluctuaties in het ziekteverzuim onevenredig zwaar doorwerken bij de premiedifferentiatie. Als kleine werkgever wordt in het derde lid aangemerkt de werkgever die in een kalenderjaar in totaal ten hoogste vijfmaal het gemiddelde loon per werknemer aan de in zijn dienst zijnde werknemers heeft betaald. De gemiddelde loonsom per rblz.|82| werknemer is de op grond van het nieuwe tiende lid door de bedrijfsvereniging vast te stellen gemiddelde loonsom per werknemer van de groep werkgevers waartoe de werkgever ter zake van de premieheffing behoort. Dit criterium is voor de bedrijfsverenigingen beter te hanteren dan het aanvankelijk voorziene criterium op basis van het aantal in dienst zijnde werknemers. Bovendien worden effecten van fluctuaties in het werknemersbestand van werkgevers door een criterium op basis van loonsom enigszins gecorrigeerd. Voorts wordt voorkomen dat een werkgever met vijf fulltimers in dienst wel, waar een werkgever met tien halftimers in dienst, doch die dezelfde loonsom heeft, geen kleine werkgever is.

     Zoals in het algemeen deel van de toelichting is opgemerkt, is niet in de wet bepaald bij welke afwijking van het gemiddelde ziekteverzuim een afwijkende premie gaat gelden. De bedrijfsverenigingen moeten dat verder inhoud geven. Daarbij zij wel uitdrukkelijk opgemerkt dat er wel een stimulans van het systeem moet kunnen uitgaan. Dit betekent bijvoorbeeld dat het niet voor de hand ligt dat de marges zo klein worden vastgesteld dat zeer minieme afwijkingen al tot verhoging of verlaging leiden.
     Omgekeerd geldt dat de marges ook weer niet zo groot moeten zijn dat slechts zeer weinig werkgevers een verhoogde of verlaagde premie moeten betalen en dus vrijwel alle werkgevers de gemiddelde premie betalen. De wet laat de ruimte om een voor alle bij de bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers geldende afwijkingsmarge te bepalen, maar ook om bijvoorbeeld voor verschillende risicogroepen verschillende marges te hanteren. Ook de hoogte van de verhoging of verlaging van de gemiddelde premie is niet in de wet geregeld. De regeling biedt de ruimte om bijvoorbeeld voor alle aangesloten werkgevers dezelfde verhoging of verlaging vast te stellen of om ook weer per risicogroep de verhogingen en verlagingen te bepalen. Denkbaar is ook om de verhoging of verlaging te variëren al naargelang een werkgever met zijn ziekteverzuimcijfer meer of minder afwijkt van het gemiddelde (hoe groter de afwijking, hoe meer korting of opslag op de premie).

     Over de doorwerking van de premiedifferentiatie in het werknemersdeel van de premie is op 4 december 1990 advies aan de SER gevraagd. Op 15 maart 1991 heeft de SER een sterk verdeeld advies vastgesteld. Het kabinet heeft thans gekozen om doorwerking van de premiedifferentiatie naar het werknemersdeel mogelijk te maken. Dit vanuit de ook in de SER-adviesaanvrage weergegeven overweging dat ook het collectief van werknemers in de ondernemingen medeverantwoordelijkheid draagt en medeaansprakelijk geacht mag worden voor de ontwikkeling van het verzuim. Er is in het voorgestelde nieuwe zevende lid van artikel 60 ZW voorzien in een bevoegdheid van de bedrijfsverenigingen om die doorwerking, zowel in positieve als negatieve zin, te realiseren. Werkgevers en werknemers in de bedrijfstakken kunnen daardoor zelf kiezen of zij doorwerking willen. Wel heeft het kabinet gemeend een grens te moeten stellen aan die doorwerking. Deze grens is bepaald op maximaal de helft van het verschil tussen de door de werkgever op basis van zijn verzuim vastgestelde hogere of lagere premie en de voor de (risico)groep waartoe die werkgever behoort vastgestelde premie. Stel dat voor de (risico)groep waartoe de werkgever behoort een premiepercentage van 2% wordt vastgesteld. Stel dat het verzuim van de werkgever ertoe leidt dat dat premiepercentage met 0,5% wordt verhoogd. Dan mag het deel dat op het loon van de werkgever wordt ingehouden, verhoogd worden met 0,25%. Op het loon mag dus 1,25% in plaats van de maximale 1% worden ingehouden.
     rblz.|83| Een verhoging van het werknemersdeel van de premie op grond van de premiedifferentiatie laat onverlet de reeds bestaande mogelijkheid om in verband met bovenwettelijke uitkeringen eveneens het deel dat op het loon kan worden ingehouden te verhogen met toepassing van het zesde lid van artikel 60 ZW.

     Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is in het nieuwe negende lid bepaald dat bij de vaststelling van de ziekteverzuimcijfers ziekteverzuim als gevolg van zwangerschap en bevalling in ieder geval buiten beschouwing blijven.
     Het nieuwe tiende lid bepaalt dat de bedrijfsvereniging van de groepen van bij haar aangesloten werkgevers de gemiddelde loonsom per werknemer vaststelt om uitvoering te kunnen geven aan de in de derde lid geregelde "pooling" van kleine werkgevers.

     Het nieuwe elfde lid bepaalt dat bedrijfsverenigingen aan de Arbeidsinspectie mededeling doet van alle werkgevers met een hoog ziekteverzuim en die op basis daarvan een hogere premie opgelegd krijgen. De Arbeidsinspectie wordt op deze wijze in staat gesteld gericht aandacht te besteden aan bedrijven met een hoog ziekteverzuim. Zoals in paragraaf 2.2.2 van het algemeen deel van de toelichting is vermeld, past dit binnen een meer geïntegreerde aanpak van verzuim- en arbeidsongeschiktheidsproblemen door organen, diensten en instellingen op het terrein van de arbeidsomstandigheden en sociale zekerheid. De gegevens die bedrijfsverenigingen dienen te verstrekken, kunnen beperkt blijven. Behalve naam en adres zullen daartoe ook gegevens omtrent de risicogroep waartoe de werkgever behoort, de premiehoogte of premieklasse en eventueel de hoogte van de verzekerde loonsom van de werkgever (als benadering van de bedrijfsgrootte) kunnen behoren. Eén en ander zal in door de SVr op grond van het nieuwe twaalfde lid te stellen regels opgenomen kunnen worden.

     Mede naar aanleiding van het advies van de SVr en de Raad van State is voorzien in een expliciete beroepsmogelijkheid voor de werkgever tegen een beslissing van de bedrijfsvereniging ter zake van premiedifferentiatie. In het nieuwe derde lid van artikel 60 is bepaald dat de bedrijfsvereniging de werkgever schriftelijk in kennis stelt van een beslissing op grond van het derde lid. Tegen de aldus schriftelijk meegedeelde beslissing kan de werkgever op grond van het gewijzigde artikel 73a (verwezen zij naar onderdeel V [U]) beroep instellen bij de raad van beroep en, in hoger beroep, de Centrale Raad van Beroep.


Onderdeel T [S]

     Artikel 70 komt te vervallen aangezien de maximeringsbepalingen van artikel 29 zijn komen te vervallen.
     Nu de maximering van het nettoziekengeld geheel uit de ZW verdwijnt, is een uitzondering op deze maximering voor de krachtens artikel 64, derde lid, vrijwillig verzekerden (bijvoorbeeld zelfstandigen) niet meer nodig. Voor de groep vrijwillig verzekerden met een zwangerschaps- of bevallingsuitkering dient wel een nettomaximering te worden geregeld. Zie hiervoor de toelichting op het nieuwe eerste lid van artikel 29 ZW (onderdeel D [D]).

rblz.|84| 
Onderdelen U [T] en V [U]

     Het voorgestelde in deze onderdelen houdt verband met de voorgestelde wijziging van het huidige artikel 40, tweede lid.
     Beslissingen op grond van het huidige tweede lid van artikel 40 (uitbetaling aan de Ziekenfondsraad van het deel van de ziekengelduitkering dat overeenkomt met de eigen bijdrage op grond van de AWBZ) zijn thans in de artikelen 73 en 73a uitdrukkelijk uitgezonderd van beroepsrecht. Door de wijziging van artikel 40 worden deze beslissingen niet langer expliciet genoemd, zodat ook de uitzondering in de genoemde artikelen moet komen te vervallen. Daarmee worden deze beslissingen wel voor beroep vatbaar. Daartegen hoeft geen bezwaar te bestaan, aangezien met de komende veranderingen in de beroepsregelingen in verband met de Algemene wet bestuursrecht toch voorzien zal worden in bezwaar en beroep tegen alle beslissingen op grond van de socialeverzekeringswetten.

     Voorts wordt in artikel 73a expliciet de schriftelijke kennisgeving van een beslissing op grond van artikel 60, derde lid (premiedifferentiatie), genoemd als beslissing waartegen voor de werkgever beroep openstaat.


Onderdeel X [W]

     Met de in dit onderdeel voorgestelde vervanging van artikel 86 komt de algemene bevoegdheid voor de minister om te regelen hetgeen nog ter uitvoering van de ZW nodig is te vervallen. Niet alleen is tot nu toe geen gebruik gemaakt van deze bevoegdheid, ook vanuit dereguleringsoogpunt is een dergelijke bepaling minder gewenst. Op grond van dereguleringsoverwegingen verdient het immers de voorkeur gedelegeerde regelgevende bevoegdheden op te nemen bij de wettelijke regeling van de onderwerpen zelf en in die gevallen waarin dat op goede gronden en zoveel mogelijk in nader aan te geven specifieke situaties aangewezen kan zijn.

     In het nieuw voorgestelde artikel 86 wordt een algemene publicatiebepaling ingevoerd op grond waarvan alle ministeriële regels en besluiten van de SVr en de bedrijfsverenigingen op grond van de ZW gepubliceerd moeten worden in de Staatscourant.

 

Artikel II [II]


Onderdelen A, onder 1 [A1], B [B] en E [E]

     De hier voorgestelde wijzigingen van de WAO houden verband met de in artikel I, onderdeel D [I,D], onder 2, voorgestelde wijziging van het zesde lid van artikel 29 ZW. De in de huidige tekst van de artikelen 19, derde lid, 20 en 37, eerste lid, van de WAO opgenomen bepalingen in samenhang met de op grond van artikel 20 WAO getroffen ministeriële regeling beoogden onder meer te voorkomen dat tijdens de laatste dagen van de uitkeringsperiode ingevolge de ZW toekenning of herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAO zou plaatsvinden. Nu door de wijziging van artikel 29, zesde lid (nieuw), van de ZW deze mogelijkheid van samenloop van aanspraken geminimaliseerd is, ontbreekt de noodzaak deze bepalingen in de WAO te handhaven dan wel in de huidige vorm te laten bestaan. Voor de gevallen waarin na de wetswijziging samenloop van ziekengeld en arbeidsongeschiktheidsuitkering tot een ongewenste situatie zou kunnen leiden, kan zulks voorkomen worden door een regeling te treffen op basis van artikel 32, vierde lid, ZW. Deze oplossing acht het kabinet meer in de rblz.|85| rede liggen dan het voorstel van de SVr om de mogelijkheid in de WAO op te nemen bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen. Het gaat om specifieke uitvoeringsproblemen die per bedrijfsvereniging kunnen verschillen en welke zich moeilijk algemeen laten regelen. Momenteel kan de minister op basis van dit artikellid regelen treffen inzake samenloop van ziekengeld met een AAW/WAO-uitkering. Dit is ook gebeurd bij Beschikking van 30 september 1976, Stcrt. 1976, 191, laatstelijk gewijzigd bij Beschikking van 23 december 1986, Stcrt. 1986, 250. In dit voorstel van wet wordt in artikel I, onderdeel H [-], voorgesteld deze regelen inzake samenloop te laten treffen door de SVr.
     Door de wijziging in artikel 37, eerste lid, van de WAO, voorgesteld in onderdeel E [E], is de verwijzing in het tweede lid van dat artikel naar artikel 19, zesde lid, van de WAO overbodig geworden.
     Hetgeen hier ten aanzien van de WAO is gesteld, geldt in gelijke mate voor de AAW (artikelen 6, vijfde lid, 7 en 27, eerste lid, AAW). De overeenkomstige wijzigingen in de AAW zijn opgenomen in artikel III, onderdeel A [III,A], onder 1, B [B] en F [F], van dit voorstel van wet.


Onderdeel A, onder 2 [A2]

     In artikel 19, zesde lid, wordt artikel 30 ZW toegevoegd, omdat ook in het geval op grond van artikel 30 ZW een ziekengelduitkering niet tot uitbetaling komt, deze periode wel mee moet tellen voor de wachttijd van 52 weken voor de WAO/AAW.
     De overeenkomstige wijziging van het met artikel 19, zesde lid, WAO corresponderende artikel 6, achtste lid, van de AAW is opgenomen in artikel III, onderdeel A [III,A], onder 2, van dit voorstel van wet.


Onderdeel C [C]

     De hier voorgestelde wijziging vloeit voort uit de voorgestelde wijziging van artikel 37, tweede lid, ZW. Artikel 26 WAO is, evenals artikel 17 AAW, identiek aan artikel 37, tweede lid, ZW. De beschikking inzake de vergoeding van reis- en verblijfkosten en tijdverlies van 16 september 1976, Stcrt. 1976, 192 , laatstelijk gewijzigd bij Besluit van 13 september 1989, Stcrt. 1989, 185, steunt op de drie genoemde artikelen. Met betrekking tot artikel 37, tweede lid, ZW wordt voorgesteld om in het kader van de herschikking van bevoegdheden de bevoegdheid tot regelgeving over te dragen aan de SVr. Vanuit praktische overwegingen alsmede uit een oogpunt van coördinatie wordt thans voorgesteld ook in de WAO en in de AAW de bevoegdheid tot nadere regelgeving ter zake aan de SVr te geven. De overeenkomstige wijziging van artikel 17 AAW is opgenomen in artikel III, onderdeel D [III,D], van dit voorstel van wet.


Onderdeel D [D]

     Artikel 28, onderdeel d, wordt uitgebreid met een verwijzing naar artikel 80 (de inlichtingenbepaling). Hierdoor wordt het voor de bedrijfsverenigingen mogelijk om een uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren indien een verzekerde of uitkeringsgerechtigde niet aan zijn plicht tot het verstrekken van inlichtingen voldoet, Met name uit het oogpunt van een effectieve fraudebestrijding bestaat hieraan behoefte. Verwezen zij naar de toelichting op onderdeel M van artikel I [I,L] van dit voorstel van wet. In artikel 19, onderdeel d, van de AAW is een aan artikel 28, onderdeel d, van de WAO identieke bepaling opgenomen (zie artikel III, onderdeel E [III,E]).

rblz.|86| 
Onderdelen F [F] en L [L]

     In de artikelen 39, derde lid, en 45, derde lid, van de WAO komt een verwijzing voor naar het "opstapje", bedoeld in artikel 44a van de WAO. Nu in onderdeel K [K] wordt voorgesteld artikel 44a te laten vervallen, is de verwijzing daarnaar in de artikelen 39 en 45 overbodig geworden. In artikel III, onderdeel G [III,G] en M [M], van dit voorstel zijn overeenkomstige wijzigingen in de artikelen 29 en 34 van de AAW opgenomen.


Onderdeel G [G]

     In het nieuwe eerste lid van artikel 40 wordt voorgesteld de beperking in de toepassing van dit artikel tot de categorie personen waarbij de arbeidsongeschiktheid tot meer dan 80% toeneemt te laten vervallen. De herziening van de uitkering naar een hoger dagloon kan nu bij iedere gedeeltelijk arbeidsgeschikte plaatsvinden wanneer deze toegenomen arbeidsongeschikt wordt in een functie met een hoger dagloon.
     Tevens wordt voorgesteld een andere berekeningssystematiek te hanteren dan die welke voorheen bij dit artikel werd gehanteerd. De SVr heeft in zijn advies aangegeven met deze nieuwe berekeningsmethode te kunnen instemmen. Hiervoor zal artikel 16 van de Dagloonregelen Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden aangepast. In het algemeen deel van deze memorie van toelichting is in paragraaf 2.8 aandacht besteed aan deze nieuwe berekeningssystematiek en is een voorbeeld ter zake uitgewerkt.

     In artikel III, onderdeel H [III,H], van dit voorstel van wet is een overeenkomstige wijziging van artikel 29a AAW opgenomen. Artikel 29a AAW gaat echter in plaats van dagloon uit van "grondslag". De wijziging in de AAW geldt met name voor parttimewerkers die een AAW-uitkering hebben op basis van de individuele grondslag. Zij hebben door artikel 29a AAW de garantie dat bij hernieuwde uitval en toegenomen arbeidsongeschiktheid de individuele grondslag waarover de uitkering wordt berekend naar boven kan worden bijgesteld.


Onderdelen H [H] en I [I]

     Aan artikel 42 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd op grond waarvan niet eerder dan één jaar na voltooiing van een scholing of opleiding door een gedeeltelijk arbeidsgeschikte tot eventuele herziening van het arbeidsongeschiktheidspercentage kan worden overgegaan. Deze hoeft zodoende minder bevreesd te zijn meteen na het volgen van een scholing of opleiding in een lagere klasse te worden ingedeeld en heeft één jaar de mogelijkheid passend werk te zoeken zonder dat het recht op uitkering wordt aangetast. Wanneer een persoon voordat dit jaar is verstreken, gaat werken en daarmee inkomen verwerft, wordt de anticumulatieregeling van artikel 44 WAO van kracht. De mate van arbeidsongeschiktheid en de bijbehorende uitkering worden tijdelijk afgestemd op de hoogte van het verdiende loon. Artikel 44, eerste lid, is in deze situatie van overeenkomstige toepassing omdat het niet zo hoeft te zijn dat er wordt getwijfeld aan de duurzaamheid van de werkhervatting. Wanneer één jaar na voltooiing van de scholing twijfel bestaat aan de duurzaamheid van het reeds eerder hervatte werk, kan de toepassing van artikel 44 worden voortgezet. Is dit niet het geval, dan zal een definitieve herschatting moeten plaatsvinden.
     Door toevoeging van een nieuw derde lid aan artikel 43 (onderdeel I [I]) is naast herziening ook intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering gedurende het jaar na voltooiing van de opleiding niet mogelijk.

     In artikel III, onderdeel I [III,I] en J [J], van dit voorstel van wet zijn overeenkomstige rblz.|87| wijzigingen in artikel 31 en artikel 32 van de AAW opgenomen. Genoemde artikelen van de AAW zijn gelijkluidend aan de artikelen 42, vierde lid, en 44, derde lid, WAO. De anticumulatie van loon en uitkering bij eventuele werkhervatting vóór het einde van het jaar na voltooiing van de opleiding vindt in het kader van de AAW dan plaats op basis van artikel 33, eerste lid, AAW. Voorts is in de artikelen XIII [XIII] en XIV [XIV] voorzien in een overeenkomstige regeling van uitstel van herziening van een uitkering bij arbeidsongeschiktheid in de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet.


Onderdeel J [J]

     In het nieuwe tweede lid van artikel 44 wordt voorgesteld de maximale toepassingstermijn van artikel 44 vast te stellen op drie jaar. De thans nog voorgeschreven verlengingsprocedure via de SVr komt te vervallen. De reden daarvan is in paragraaf 2.9 van het algemeen deel van deze toelichting reeds uiteengezet. Een langere toepassingstermijn acht het kabinet, met de SVr, niet gewenst. Deze zou zich immers niet goed verdragen met de strekking van het artikel, namelijk een tijdelijk uitstel van afschatting. Bij de nu opgenomen verlenging van de toepassingstermijn moet de kanttekening worden geplaatst dat door deze maximale termijn ook in uitzonderlijke gevallen nog na drie jaar terugval op het oude uitkeringsniveau mogelijk is wanneer bijvoorbeeld het werk alsnog te zwaar blijkt te zijn. Zodra echter duidelijk is dat er sprake is van duurzame werkhervatting dient definitief ook binnen de periode van drie jaar de mate van arbeidsongeschiktheid te worden vastgesteld.

     Bovenstaande toelichting geldt tevens voor het nieuwe tweede lid van artikel 33 AAW, opgenomen in artikel III, onderdeel K [III,K], van dit voorstel van wet.


Onderdeel K [K]

     De mogelijkheid van artikel 44a om een gedeeltelijk arbeidsongeschikte gedurende twee jaar in een naastliggende hogere arbeidsongeschiktheidsklasse in te delen als arbeid wordt aanvaard tegen een lager inkomen dan evenredig is aan de resterende verdiencapaciteit (het zogenaamde opstapje), komt in dit voorstel van wet te vervallen. Zoals in paragraaf 2.3 van het algemeen deel van deze toelichting is verwoord, zijn de redenen hiervoor het geringe gebruik van dit (re)integratie-instrument en de introductie van vervangende instrumenten zoals een loonkostensubsidie en de bonusuitkering van het BMS.
     In verband met het vervallen van het opstapje zal de SVr artikel 15 van de Dagloonregels Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid aanpassen. Voorts kan de Beschikking van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 december 1986, nr. 86/10296 (Stcrt. 1986, 250) (Besluit "opstapje"), worden ingetrokken.

     In artikel XVI [XVIII] van dit voorstel van wet is voorzien in een overgangsbepaling voor lopende gevallen waarin de artikelen 44a WAO en 33a AAW zijn toegepast. De overgangsbepaling houdt in dat ten aanzien van degenen op wie de artikelen 44a WAO en 33a AAW zijn toegepast de toepassing na het tijdstip waarop die artikelen komen te vervallen, wordt gecontinueerd zolang de termijn van twee jaar gedurende welke het opstapje kan worden toegepast nog niet is verstreken.
     Opneming van deze overgangsbepaling houdt verband met het feit dat met het vervallen van het opstapje ook andere rechten kunnen vervallen. In bepaalde gevallen is de mate van arbeidsongeschiktheid bepalend voor aanspraken op grond van andere wetten. Bijvoorbeeld de
rblz.|88| Ziekenfondswet, op grond waarvan verzekerd is degene met een AAW-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minimaal 45%. Ook kan gedacht worden aan het premievrij opbouwen van pensioenrechten.

     Bovenstaande toelichting geldt tevens voor het vervallen van het aan artikel 44a WAO identieke artikel 33a AAW, opgenomen in artikel III, onderdeel L [III,L].


Onderdeel M [M]

     In het nieuwe artikel 46 wordt een sanctie voor een werkgever ingevoerd wanneer deze zonder deugdelijke grond weigert een gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer tijdens het tweede jaar van arbeidsongeschiktheid passende arbeid te laten verrichten. Deze sanctie ligt in het verlengde van artikel 30, derde lid, ZW. Vandaar dat ook artikel 46 imperatief is geformuleerd. In de praktijk is er behoefte gebleken om de toepassing van artikel 30 ZW ook na het eerste jaar van ziekte voort te zetten. De huidige WAO en de AAW voorzien niet in een dergelijk instrument, zodat in een situatie waarin de werkgever wel passend werk heeft, maar de arbeidsongeschikte niet in de gelegenheid stelt deze arbeid te verrichten, na het eerste ziektejaar geen medewerking meer kan worden afgedwongen. De vordering van de bedrijfsvereniging op grond van artikel 46 WAO kan tot op zekere hoogte gezien worden als een compensatie voor de betaling van uitkering die niet of tot een lager bedrag zou zijn betaald als de betrokken arbeidsongeschikte wel de arbeid zou hebben kunnen verrichten. Bij gedeeltelijk arbeidsongeschikten zal het dan in veel gevallen gaan om gedeeltelijke werkloosheidsuitkeringen. In artikel IV [IV] van dit voorstel van wet is voorgesteld om de gevorderde loonbedragen toe te laten vloeien naar de wachtgeldfondsen van de bedrijfsverenigingen. Het ten goede komen van de wachtgeldfondsen betekent een prikkel voor de bedrijfsverenigingen om daadwerkelijk van het instrument gebruik te maken. Het principe van compensatie van uitkeringen staat echter niet voorop. De sanctie in de vorm van een vordering van het loon dat in passende arbeid verdiend had kunnen worden, heeft zelfstandige betekenis in het kader van de reïntegratie.

     Om te voorkomen dat twee keer een sanctie aan de werkgever zou kunnen worden opgelegd, is in het tweede lid van het voorgestelde artikel 46 WAO bepaald dat voor zover reeds op grond van de AAW een sanctie is opgelegd, geen sanctie op grond van de WAO kan worden opgelegd ten aanzien van dezelfde werknemer.

     In het bedrag aan loon dat gevorderd wordt, zijn ook de door de werkgever verschuldigde premies voor de socialeverzekeringswetten begrepen. Dit ligt voor de hand, omdat ook over de door de bedrijfsvereniging te betalen uitkeringen die premies betaald moeten worden.

     Bovenstaande toelichting geldt tevens voor het nieuwe artikel 35 AAW, opgenomen in artikel III, onderdeel N [III,N], van dit voorstel van wet.


Onderdeel N [N]

     In artikel I, onderdeel P [I,O], van dit voorstel van wet is in artikel 55 ZW de regelgevende bevoegdheid van de minister ten aanzien van de tot beslissen bevoegde bedrijfsvereniging overgedragen aan de SVr. Vanuit praktische overwegingen en uit een oogpunt van coördinatie wordt in dit onderdeel voorgesteld ook in de WAO deze bevoegdheid aan de SVr over te dragen.

rblz.|89| 
Onderdeel O [O]

     In artikel 71, eerste lid, wordt "46" ingevoegd omdat de bedrijfsvereniging de GMD advies moet vragen alvorens zij overgaat tot het opleggen van een sanctie bij een werkgever krachtens artikel 46. De GMD moet beoordelen of de werkgever al dan niet zonder deugdelijke grond weigert de werknemer passend werk te laten verrichten.
     Zoals bij onderdeel K [K] reeds is aangegeven, komt het opstapje te vervallen. Vandaar dat ook in artikel 71, eerste lid, "44a" komt te vervallen. In artikel III, onderdeel P [III,P], van dit voorstel van wet is een overeenkomstige wijziging in artikel 64 AAW opgenomen.


Onderdeel P [P]

     In dit onderdeel wordt de verplichting tot melding bij de GMD van alle gevallen waarin de zesde maand van ziekte wordt bereikt, geregeld. Deze verplichte zesdemaandsmelding moet gezien worden als een belangrijk onderdeel van de intensievere gevalsbehandeling van zieke werknemers waarvoor sociale partners en kabinet zich hebben uitgesproken. Deze melding hoort thuis in de begeleidingsprocedure zoals die er komt uit te zien na effectuering van de afspraken uit het Najaarsoverleg. Hier zij verwezen naar paragraaf 1.4 van het algemeen deel van deze toelichting, alwaar dit intensievere begeleidingstraject is beschreven.
     Op dit moment is de kennisgeving en overdracht van gevallen door bedrijfsverenigingen aan de GMD vormgegeven door middel van samenwerkingsafspraken tussen bedrijfsverenigingen en GMD. Hoewel thans op grond van de wet (artikel 71a, eerste lid, onderdeel b, WAO en artikel 65, eerste lid, onderdeel b, AAW) in principe al melding dient plaats te vinden van gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid voortduurt na dertien weken, is de verplichte toepassing daarvan met toestemming van de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Volksgezondheid lange tijd achterwege gelaten. Deze overwoog de dertiendeweeksmelding te laten vervallen in verband met het toen nog geringe nut van de melding. In 1975 overwoog dezelfde staatssecretaris de dertiendeweeksmelding weer te doen herleven in verband met het groeiende aantal arbeidsongeschikten. Daarbij stond het in een zo vroeg mogelijk stadium onderkennen van medische en arbeidskundige beperkingen/mogelijkheden tot hervatting in arbeid, eventueel met behulp van voorzieningen, voorop. In de praktijk werd echter met instemming van de staatssecretaris voorlopig nog volstaan met een opgave door bedrijfsverenigingen aan de SVr van het aantal gevallen dat de dertienwekengrens bereikte. Daarna werd de dertiendeweeksmelding achterhaald door het ontwerp Wagw, waarin aanvankelijk de verplichte zesdemaandsmelding zou worden opgenomen en met ingang van 1 oktober 1985 door de op de Wagw anticiperende samenwerkingsafspraken tussen bedrijfsverenigingen en GMD, waarin de zesdemaandsmelding een belangrijke plaats innam.
     Met betrekking tot de uitvoering van de meldingsafspraken zijn in de praktijk problemen gerezen. In het algemeen deel van deze toelichting is daar nader op ingegaan. Thans wordt voorgesteld ter oplossing van de problemen te bepalen dat alle gevallen waarin de arbeidsongeschiktheid de zes maanden bereikt (te rekenen vanaf de eerste ziektedag) bij de GMD worden gemeld. Er is niet voorzien in uitzonderingen op deze regel, zoals dat in de samenwerkingsafspraken wel het geval was. Onder de bestaande samenwerkingsafspraken betekent melding in principe dat de GMD de behandeling overneemt. Met de invoering van de verplichte melding bij zes maanden is niet beoogd te regelen dat in alle gevallen na
rblz.|90| zes maanden door de melding automatisch volledige overdracht aan de GMD moet plaatsvinden. De GMD zal, met het oog op zijn specifieke taken ten aanzien van reïntegratie van arbeidsongeschikten, in overleg met de bedrijfsvereniging en op basis van door de bedrijfsvereniging verstrekte informatie bezien of overneming van het geval aangewezen is. In veel gevallen bijvoorbeeld zal reeds door de bedrijfsvereniging voortgang geboekt kunnen zijn met de hervatting in het werk of in een nieuwe baan of zal op grond van herstel van betrokkene hervatting geen probleem zijn. In die gevallen kan het beter zijn dat de bedrijfsvereniging betrokkene onder zijn hoede houdt. Overdracht aan een andere instantie (in casu de GMD) kan in situaties waarin activiteiten van betrokkene gericht op werkhervatting onder begeleiding van de bedrijfsvereniging in een vergevorderd stadium verkeren, minder voor de hand liggen of zelfs averechts werken.

     Het derde lid van het voorgestelde artikel 71a geeft de SVr nadere regelgevende bevoegdheid. Gedacht kan worden aan nadere regels omtrent wijze en exacte tijdstip van melding, procedures voor melding bij de GMD, termijnen en registratie. Over de inhoud zal de SVr blijkens zijn advies overleg plegen met de Federatie van Bedrijfsverenigingen en de GMD.
     Voorts kan opgemerkt worden dat naar aanleiding van de resultaten van het Najaarsoverleg van oktober 1990 en mijn brief van 4 december 1990 aan de SVr de samenwerkingsafspraken tussen bedrijfsverenigingen en GMD reeds vooruitlopend op de wettelijke regeling inzake de zesdemaandsmelding in de geest van dit voorstel van wet zijn aangepast. Daarbij heeft de GMD een meer leidende rol gekregen bij de overdracht van ziektegevallen in de zesde maand. Voorts zijn hernieuwde afspraken gemaakt ten behoeve van het beter kunnen benutten van reïntegratiemogelijkheden voorzien in betere gegevensoverdracht. De SVr zal er nauwlettend op toezien dat de afspraken het beoogde resultaat opleveren.

     In onderdeel Q van artikel III [III,Q] van dit voorstel van wet wordt artikel 65 AAW op overeenkomstige wijze aangepast.

     Ten aanzien van de zesdemaandsmelding in de AAW kan nog het volgende worden opgemerkt. De categorie verzekerden voor de AAW die geen aanspraken op ziekengelduitkering hebben (zelfstandigen, vroeggehandicapten), dient zich op grond van artikel 59, eerste lid, [van de AAW, red.] en de daarop gebaseerde Ministeriële Regeling van 7 oktober 1976, nr. 54652 (Stcrt. 1976, 203), binnen acht maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid te melden bij de bedrijfsvereniging. Met de SVr is het kabinet van mening dat het ook voor deze categorie verzekerden van belang is dat zo snel mogelijk reïntegratiemogelijkheden onderzocht worden en dat op het einde van de wachttijd voor de AAW duidelijkheid bestaat omtrent de arbeidsongeschiktheid. Voor die categorie verzekerden is dus een zesdemaandsmelding evenzeer gewenst. Op advies van de SVr zal in genoemde ministeriële regeling de termijn van acht maanden gewijzigd worden in vier maanden.


Onderdeel Q [Q]

     Ten aanzien van het in de AAW op te nemen loonkostensubsidie-instrument wordt voorgesteld het benodigde budget daarvoor door het AAf te laten vaststellen onder goedkeuring van de SVr. Het kabinet heeft naar aanleiding daarvan overwogen dat het door de arbeidsongeschiktheidsfondsen verstrekken van subsidies aan instellingen en organisaties die actief zijn ter zake van het treffen van maatregelen of voorzieningen rblz.|91| tot behoud, herstel of bevordering van arbeidsgeschiktheid ook niet langer onder de goedkeuring van de minister behoeft te vallen. Voorgesteld wordt de SVr een preventieve toets te laten verrichten. In artikel III, onderdeel S [III,S], van dit voorstel van wet is een overeenkomstige wijziging in de AAW opgenomen.


Onderdeel R, onder 1 [R1]

     In het voorgestelde derde lid, onderdeel a, van artikel 87 wordt opgenomen dat indien de bedrijfsvereniging een sanctie oplegt krachtens artikel 46, zij hiervan de werkgever schriftelijk op de hoogte stelt. De werkgever heeft zodoende de mogelijkheid in beroep te gaan tegen deze beslissing.
     Hetzelfde geldt voor toepassing van het nieuw voorgestelde artikel 35 AAW, opgenomen in onderdeel N van artikel III [III,N] van dit voorstel van wet. In het in onderdeel T, onder 1, van artikel III [III,T] voorgestelde nieuwe onderdeel c van artikel 79, eerste lid, is één en ander voor de AAW geregeld.


Onderdelen R, onder 2 [R2], en S [S]

     Met de in deze onderdelen opgenomen wijzigingen wordt, op advies van de SVr, een discoördinatie weggenomen die op het punt van het beroepsrecht zou ontstaan doordat in verband met de wijziging van artikel 40 ZW wel beroep mogelijk wordt tegen uitbetaling van de eigen bijdrage AWBZ aan de Ziekenfondsraad.
     Een soortgelijke wijziging van de AAW is opgenomen in de onderdelen T [T], onder 2, en U, onder 1, onder a, van artikel III [III,U].


Artikel III [III]

     Een groot aantal wijzigingen in de AAW, opgenomen in artikel III [III] van dit voorstel van wet, zijn identiek aan wijzigingen in de WAO, opgenomen in artikel II [II] van dit voorstel van wet. Voor de toelichting op de wijzigingen in de AAW, opgenomen in artikel III, onderdelen A [A], onder 1 en 2, B [B], D [D], E [E], F [F], G [G], H [H], I [I], J [J], K [K], L [L], M [M], N [N], P [P], Q [Q], S [S], T [T], onder 2, en U [U], onder 1, onder a, zij verwezen naar de toelichting op de wijzigingen in de WAO, opgenomen in artikel II [II], onder de respectievelijke onderdelen A, onder 1 [A1] en 2 [A2], B [B], C [C], D [D], E [E], F [F], G [G], H [H], I [I], J [J], K [K], L [L], M [M], O [O], P [P], Q [Q], R, onder 2 [R2], en S [S].
     Hierna volgt de toelichting op de onderdelen die de overige voorgestelde wijzigingen in de AAW inhouden.


Onderdeel C [C]

     De in dit onderdeel opgenomen wijzigingen houden verband met de door het kabinet gewenste verplichte keuring van verzekerden voor de AAW die vanwege hun aanspraken op basis van de in artikel 8, eerste lid, genoemde wettelijke regelingen geen recht op toekenning van AAW-uitkering hebben.

     Voor de toelichting op de achtergrond van de in dit onderdeel opgenomen wijzigingen van artikel 8 van de AAW moge worden verwezen naar paragraaf 2.11 van het algemeen deel van de toelichting. Ten aanzien van het voorgestelde vijfde lid van dat artikel zij opgemerkt dat hier moet worden gedacht aan voorschriften over vorm en inhoud van door werkgevers te verstrekken gegevens.

 

Onderdeel O [O]

     rblz.|92| In dit onderdeel wordt in het voorgestelde nieuwe artikel 57b AAW de invoering van het BMS geregeld [tijdens de parlementaire behandeling van onderhavig voorstel van wet zijn de voorgestelde artikelen 57b en 57c AAW opgenomen in een nieuw hoofdstuk IIIb, red.]. Op de achtergrond en doelstelling van het BMS is in paragraaf 2.1 van het algemeen deel van deze toelichting uitvoerig ingegaan.
     Het BMS is van toepassing op werkgevers in de markt en overheidssector. Daartoe is in het eerste lid van artikel 57b bepaald dat een bonusuitkering kan worden toegekend voor het aangaan van een privaat- of publiekrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WAO. Daaronder vallen dus ook de ambtelijke dienstbetrekkingen. Voorts kan ook voor arbeidsverhoudingen die op grond van de artikel 4 en 5 van de WAO met een dienstbetrekking gelijkgesteld zijn een bonusuitkering ontvangen worden. Daarmee wordt het BMS een zo ruim mogelijke werking gegeven. Echter, bij die gelijkgestelde dienstbetrekkingen zitten een groot aantal bijzondere arbeidsverhoudingen, de zogenaamde "rariteiten", waarvan het de vraag is of daarop het BMS van toepassing kan zijn. Om bepaalde dienstbetrekkingen uit te kunnen zonderen, waarbij behalve de "rariteiten" ook gedacht moet worden aan WSW- en JWG-dienstbetrekkingen [JWG: Jeugdwerkgarantiewet, red.], is in het negende lid van artikel bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur groepen werkgevers of categorieën dienstbetrekkingen van het BMS kunnen worden uitgesloten.
     Een bonusuitkering kan worden toegekend voor elke persoon die in dienst wordt genomen en die onmiddellijk voorafgaande aan die dienstbetrekking een arbeidsongeschiktheidsuitkering of een uitkering op grond van een overheidsregeling heeft. Ten aanzien van degenen met een herplaatsingswachtgeld of invaliditeitspensioen is op advies van het ABP en het Spf bepaald dat de mate van arbeidsongeschiktheid ten minste 15% moet zijn. In de systematiek van de Abp-wet bijvoorbeeld kan ook recht op invaliditeitspensioen bestaan bij een lager arbeidsongeschiktheidspercentage. In die gevallen zou ook recht op een bonusuitkering kunnen ontstaan. Met de voorgestelde wettekst wordt echter op dit punt de toepassing van de regeling gelijkgetrokken met de marktsector. Immers, voor werknemers in de marktsector geldt dat bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 15% of meer recht op WAO-uitkering ontstaat.
     Op grond van het tweede lid, onderdeel b, van artikel 57b kan ook een bonusuitkering worden toegekend voor in dienst genomen personen die vanwege de toepassing van artikel 8, eerste lid, AAW geen recht op AAW-uitkering hebben, maar dat wel gehad zouden hebben als zij geen aanspraken op grond van overheidsregelingen zouden hebben.
     De bonusuitkering zal niet ambtshalve, doch eerst op verzoek worden toegekend. Het BMS wordt hierdoor goed uitvoerbaar. Immers, zeker in het geval waarin de arbeidsongeschikte gaat hervatten in een andere bedrijfstak zal het uitvoeringsorgaan dat de bonusuitkering moet toekennen niet automatisch op de hoogte zijn van het feit dat het gaat om een persoon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering waarvoor een bonusuitkering kan worden toegekend. Vindt hervatting wel in de eigen bedrijfstak plaats, dan zal toekenning van de bonusuitkering geschieden door het uitvoeringsorgaan dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt. In dat geval zal de controle eenvoudig zijn. Bij hervatting in een andere dan de eigen bedrijfstak geschiedt toekenning van de bonusuitkering door het uitvoeringsorgaan waarbij de werkgever die de arbeidsongeschikte in dienst neemt, is aangesloten. In dat geval kan de controle door middel van de verzekerdenadministratie plaatsvinden. In regels bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen, zal één en ander omtrent de toekenning van de uitbetaling en de daartoe bevoegde organen nader geregeld worden.
     Het moge duidelijk zijn dat toekenning van een bonusuitkering in principe alleen aan de orde is bij een geslaagde hervatting. Dit zou toekenning van een bonusuitkering achteraf met zich meebrengen. Naar
rblz.|93| de mening van het kabinet zou de bonusuitkering vooraf betaalbaar moeten worden gesteld. Daarmee is beoogd de prikkel om arbeidsongeschikten in dienst te nemen zo groot mogelijk te doen zijn. In verband met de betaling vooraf is in het zesde lid van het voorgestelde artikel 57b AAW de mogelijkheid tot terugvordering geregeld. Daarbij is in onderdeel A [A] gekozen voor het aangrijpingspunt van beëindiging van het dienstverband binnen één jaar. In principe is niet van belang hoe het dienstverband eindigt. Wel is de mogelijkheid geschapen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gevallen te noemen waarin eindiging van het dienstverband niet zou moeten leiden tot terugvordering. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld de situatie dat de werknemer overlijdt. De situatie zou zich kunnen voordoen dat de werkzaamheden door betrokkene weliswaar zijn beëindigd, maar dat het dienstverband nog niet is verbroken, wellicht mede met het oog op de terugvorderingsbepaling. Dit effect zou voorkomen kunnen worden door de terugvordering te koppelen aan het moment waarop de werkzaamheden feitelijk worden beëindigd. Om uitvoeringstechnische redenen is hiervan afgezien. Het beëindigen van de dienstbetrekking is een objectief en duidelijk en derhalve uitvoeringstechnisch eenvoudig vast te stellen criterium, hetgeen vereist is om de terugvorderingsbepaling inhoud te kunnen geven.
     Denkbaar is ook een situatie waarin achteraf blijkt dat ten onrechte een bonusuitkering is verstrekt, omdat de werkgever onjuiste inlichtingen heeft verstrekt, bijvoorbeeld omtrent het reeds ontvangen hebben van een andere subsidie. Voor dergelijke gevallen is voorzien in een aparte terugvorderingsmogelijkheid. Er is mede op basis van advies van het ABP voor een aparte terugvorderingsmogelijkheid naast artikel 48 AAW gekozen, om ook het ABP en Spf de mogelijkheid tot terugvordering te geven. Van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 48 is niet gekozen omdat dit artikel meer is toegesneden op terugvordering van uitkeringen.

     In het voorgestelde tweede lid is de samenloop met andere loonkostensubsidies geregeld. In het algemeen deel van de toelichting (paragraaf 2.1.3) is hierop reeds uitgebreid ingegaan. Uit deze bepaling volgt dat geen samenloop mogelijk is van de bonusuitkering op grond van het BMS met de loonkostensubsidie van het voorgestelde artikel 57c AAW en met de subsidieregelingen op basis van de KRA. Wel wordt samenloop geaccepteerd van de bonusuitkering op grond van het BMS met de geldelijke bijdrage/tegemoetkoming op basis van artikel 5 van de Wagw, de loondispensatieregeling op grond van artikel 8 van de Wagw, de loonkostenreductieregeling op basis van de Wlom en met de vergoedingen voor voorzieningen op basis van de artikelen 57 en 57a AAW. Voor de nadere motivering zij verwezen naar het algemeen deel van deze memorie.

     In het voorgestelde derde lid wordt de geldelijke bijdrage van het BMS geregeld. De geldelijke bijdrage is de werkgever verschuldigd indien een in zijn dienst zijnde persoon in de WAO/AAW of een andere invaliditeitsregeling terechtkomt. Ten aanzien van de bepaling van de reikwijdte van de regeling van de geldelijke bijdrage geldt hetzelfde als bij de bonusuitkering: zowel werkgevers in de markt- als in de overheidssector zijn een geldelijke bijdrage verschuldigd voor de tot hen in dienstbetrekking of daarmee gelijkgestelde arbeidsverhouding in de zin van artikel 3, 4 en 5 van de WAO staande personen die arbeidsongeschikt worden. Ten aanzien van verzekerden voor de AAW die geen recht hebben op toekenning van een AAW-uitkering omdat artikel 8, eerste lid, AAW van toepassing is, geldt dat de werkgever van deze verzekerden een bijdrage is verschuldigd op het moment dat betrokken werknemer recht op rblz.|94| toekenning van een AAW-uitkering gehad zou hebben, ware artikel 8, eerste lid, AAW niet van toepassing geweest. Er is dus aangeknoopt bij het beslissingsmoment in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW voor ABP- en Spf-verzekerden. Bij het verschuldigd zijn van de geldelijke bijdrage is het niet van belang of de dienstbetrekking wordt verbroken. Hiernaast wordt ook voorgesteld een geldelijke bijdrage te laten betalen bij een verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Immers, een persoon met een arbeidsongeschiktheidsuitkering die in dienst van de betreffende werkgever toegenomen arbeidsongeschikt wordt, is volledig vergelijkbaar met een persoon zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering die voor het eerst recht verkrijgt op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ook in het eerstbedoelde geval is er sprake van een volumetoename - gemeten in uitkeringsjaren - en derhalve aanleiding voor een geldelijke bijdrage. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op grond van het voorgestelde zevende lid, onderdeel c, kan bepaald worden in welke gevallen geen geldelijke bijdrage verschuldigd is. Daarbij kan gedacht worden aan het geval dat een werknemer recht heeft op verhoging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met indexering van het uitkeringsbedrag. Voorts zou daarbij aandacht besteed kunnen worden aan de vraag of ook slechts tijdelijke of zeer geringe verhogingen van de uitkering altijd tot een geldelijke bijdrage moeten leiden.
     Het kan zijn dat de betrokken arbeidsongeschikt geworden persoon voor zijn resterende verdiencapaciteit aan het werk blijft of weer bij de eigen werkgever aan het werk gaat.
     In dat geval gaat het natuurlijk uit reïntegratieoogpunt niet aan een geldelijke bijdrage op te leggen. Daarom stelt het kabinet zich een werkwijze voor waarbij de geldelijke bijdrage eerst na verloop van één jaar wordt ingevorderd als de betrokken arbeidsongeschikte werknemer op dat moment nog niet geheel of gedeeltelijk hervat heeft. Eén en ander zal in de op grond van het zevende lid bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur te stellen regels zijn uitwerking krijgen.

     Voor kleine bedrijven kan het BMS een te grote belasting vormen. Het kabinet is van oordeel dat de kleinere werkgevers niet integraal van het BMS moeten worden uitgezonderd, aangezien dan een te groot deel van de arbeidsorganisaties niet door dit systeem zou worden bereikt. De specifieke problematiek voor de kleine werkgevers dient naar het oordeel van het kabinet te worden opgelost door de door een werkgever te betalen geldelijke bijdragen in één jaar te maximeren op 5% van de brutoloonkosten.
     Het voorgestelde vierde lid regelt de maximering van de aan een werkgever in één jaar totaal op te leggen geldelijke bijdragen. Een geldelijke bijdrage wordt niet ingevorderd indien en voor zover daarmee het totaal aan in een kalenderjaar opgelegde geldelijke bijdragen een bedrag van 5% van de loonkosten wordt overschreden. Het kan dus zijn dat nog wel een gedeeltelijke geldelijke bijdrage betaald moet worden, totdat het "quotum" van 5% volgemaakt is. Deze maximering op 5% van de loonsom wordt gelegd in het jaar waarin de geldelijke bijdragen ingevorderd worden. Voorts blijft de werkgever in principe de geldelijke bijdrage die vanwege de maximering niet betaald hoeft te worden wel verschuldigd. Er wordt alleen van invordering afgezien. Daarmee wordt een onbedoeld effect vermeden dat het best geïllustreerd kan worden met een voorbeeld. Stel, een werkgever is voor werknemer X, Y en Z een geldelijke bijdrage verschuldigd. Met de geldelijke bijdrage voor Y bereikt hij het maximum van 5%, zodat voor werknemer Z in principe geen bijdrage meer verschuldigd is. Als één jaar later bij de invordering blijkt dat voor werknemer X en Y niet betaald behoeft te worden omdat zij in dienst zijn gebleven, dan zou ook voor werknemer Z niet betaald hoeven
rblz.|95| worden als bepaald zou zijn dat de geldelijke bijdrage niet verschuldigd is als de 5%-grens wordt overschreden. Door te bepalen dat niet wordt ingevorderd als daarmee de grens 5% aan te betalen geldelijke bijdragen in één jaar wordt overschreden, wordt bereikt dat in het voorbeeld voor werknemer Z alsnog betaald moet worden wanneer voor X en Y niet betaald behoeft te worden. Voor werknemer Z is de werkgever immers de geldelijke bijdrage verschuldigd gebleven.
     Bepalend voor de 5% grens is de loonsom van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de geldelijke bijdrage verschuldigd is geworden. Daarmee wordt bereikt dat een bedrijfsvereniging in alle gevallen op het moment van invorderen kan beschikken over loonsomgegevens. Loonsomgegevens over een jaar komen in de regel eerst halverwege het daaropvolgende jaar beschikbaar. Stel dat een geldelijke bijdrage per 1 januari verschuldigd is. Per 1 januari van het jaar daarop kan worden ingevorderd. Op dat moment zijn de loongegevens over het voorgaande jaar nog niet beschikbaar. Wel die over het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de geldelijke bijdrage verschuldigd is geworden.

     In het vierde lid van artikel 57b zijn de artikelen 11, vierde lid, en 13 tot en met 16 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering op de invordering van de geldelijke bijdrage van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarmee wordt voorzien in een effectieve invorderingsprocedure die gelijk is aan de procedure bij invordering van socialeverzekeringspremie. Voorts gaan voor de geldelijke bijdragen dezelfde regels ter zake van terugbetaling van te veel betaalde geldelijke bijdragen, verjaring en bevoorrechting in faillissement gelden als voor de socialeverzekeringspremie.

     Het voorgestelde vijfde lid biedt de basis om bij algemene maatregel van bestuur de hoogte van de bonusuitkeringen en geldelijke bijdragen vast te stellen, waarbij gedifferentieerd kan worden zoals is aangegeven in het algemeen deel van deze toelichting. Voorts is in dit lid het differentiatiecriterium en de maximale hoogte van een op te leggen geldelijke bijdrage nader bepaald.
     In het voorgestelde achtste lid wordt de uitvoering van het BMS geregeld. De uitvoering is opgedragen aan de bedrijfsvereniging, het ABP of het Spf. Hiermee krijgt met name het ABP een stukje feitelijke uitvoering van de AAW opgedragen in tegenstelling tot de tot nu toe volledige fictieve uitvoering van de AAW. Ook in het kader van het beroepsrecht heeft het opdragen van de uitvoering van het BMS voor meerdere uitvoeringsorganen consequenties. Immers, in het geval van beroep kan in tegenstelling tot de huidige situatie het ABP alsmede het Spf partij zijn in een geschil over de uitvoering van de AAW op dit punt. Uiteraard kan zich dit alleen voordoen voor de taken in de AAW die men specifiek opgedragen heeft gekregen, in casu het BMS en - dit vooruitlopend op de regeling onder het voorgestelde artikel 57c - de loonkostensubsidieregeling.

     In het voorgestelde zevende lid wordt voorzien in een algemeen maatregel van bestuur waarin een aantal in verband met de nadere invulling en uitvoering van het BMS nog te regelen zaken hun plaats moeten vinden.
     Daartoe behoort ook de in paragraaf 2.1.7 van het algemeen deel van de toelichting genoemde anticumulatieregeling voor het opleggen van een geldelijke bijdrage aan een overheidswerkgever en het door die werkgever te betalen herplaatsingswachtgeld.
     Ook de taakverdeling tussen de verschillende uitvoeringsorganen moet nog nader geregeld worden. Het voorgestelde achtste lid biedt de basis voor die nadere regeling. Met name geldt dit voor die situaties waarin de
rblz.|96| uitvoering door meerdere organen zal kunnen geschieden, namelijk wanneer de werkgever bij meerdere uitvoeringsorganisaties is aangesloten. Dit zal zich met name voordoen bij werkgevers in de overheidssector die voor bepaalde bij hen in dienst zijnde werknemers zijn aangesloten bij de BV Overheid en voor werknemers/ambtenaren bij het ABP.

     Het in dit onderdeel voorgestelde nieuwe artikel 57c AAW bevat de door de GMD, het ABP en het Spf te hanteren instrument van subsidiëring van loonkosten en kosten van training en begeleiding. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting (paragraaf 2.3) reeds is opgemerkt, is beoogd in een, binnen de door de wet te stellen maximale grenzen, zo flexibel mogelijk te hanteren instrument te voorzien. De regeling is vergelijkbaar met de KRA. Voorts dient het loonkostensubsidie-instrument in nauwe relatie met de arbeidsbemiddelende taak van de GMD, het ABP en het Spf ten aanzien van arbeidsongeschikten gezien te worden. Daarom is ervoor gekozen om de doelgroep van de regeling te bepalen op arbeidsongeschikten die via bemiddeling van genoemde instellingen naar het arbeidsproces worden teruggeleid. Het loonkostensubsidie-instrument is dan ook qua karakter een "actief" instrument dat bemiddelingsactiviteiten versterkt. Omtrent de hoogte en de reikwijdte van de subsidies is in het algemeen deel van deze toelichting reeds het nodige opgemerkt.

     Het vierde lid van het voorgestelde artikel 57c regelt de anticumulatie met de bonusuitkering van artikel 57b met een subsidie op grond van de Wet loonkostenreductie op minimumloonniveau en met de loonkostensubsidie op grond van de Wet ter bevordering van de werkgelegenheid van werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn (deze regeling is hiervoor reeds als onderdeel van de Kaderregeling arbeidsinpassing, KRA, gememoreerd). Wat betreft de twee laatstgenoemde regelingen zou zich cumulatie kunnen voordoen bij degenen die behalve gedeeltelijk arbeidsongeschikt ook gedeeltelijk werkloos zijn. De formulering van de anticumulatiebepaling ten aanzien van de KRA is afwijkend. Dit komt omdat de in de AAW te regelen anticumulatie het spiegelbeeld dient te vormen van de anticumulatiebepaling in de KRA. Daarin is namelijk bepaald dat een werkgever die subsidie krijgt op grond van de KRA, geen aanspraak heeft op subsidie ingevolge enig andere wettelijke regeling. De formulering in de KRA sluit echter niet uit dat ingeval eerst toekenning van subsidie op grond van artikel 57c heeft plaatsgevonden, daarna nog subsidie op grond van de KRA kan worden toegekend. Het vierde lid van het voorgestelde artikel 57c sluit deze cumulatie thans wel uit.
     Het vijfde lid bepaalt dat de subsidie geheel of gedeeltelijk kan worden teruggevorderd indien de dienstbetrekking voortijdig, dat wil zeggen vóór het einde van de periode waarvoor subsidie is toegekend, eindigt. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen aangewezen worden waarin terugvordering bij voortijdige beëindiging van de dienstbetrekking niet plaatsvindt. Bijvoorbeeld ingeval de werknemer komt te overlijden. Voorts is de mogelijkheid van terugvordering geregeld in dezelfde gevallen als waarin de bonusuitkering van artikel 57b kan worden teruggevorderd. Eén en ander geldt mutatis mutandis ook voor het voorgestelde zesde lid. Er is in beide gevallen sprake van een bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke terugvordering.
     Op de financiering van de loonkostensubsidieregeling, geregeld in het zevende lid van artikel 57c, is in het algemeen deel van deze toelichting reeds ingegaan (paragraaf 2.3.4).

     Het voorgestelde achtste lid biedt de basis voor het stellen van nadere regels voor de toepassing van artikel 57b. Bij de bepaling van de nadere rblz.|97| voorwaarden voor toekenning van de subsidies kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een nader te bepalen minimale duur van een aan te gane dienstbetrekking.


Onderdeel R [R]

     Met de in dit onderdeel voorgestelde wijziging van artikel 68 worden de uitgaven in verband met het toekennen van de bonusuitkeringen op grond van artikel 57c AAW onder de controle van het AAf gebracht, zoals die controle ook bestaat op uitgaven in verband met uitkeringen, voorzieningen en vergoedingen aan werkgevers op grond van artikel 57 en 57a AAW.


Onderdelen T [T], onder 1, en U [U], onder 1, onder b, en onder 2

     Beslissingen inzake de toepassing van artikel 57b en van artikel 57c dienen naar de mening van het kabinet vatbaar te zijn voor beroep. Hierover is in de toelichting op artikel 57b in verband met de taak die de GMD, het ABP en het Spf ter zake krijgen al het één en ander opgemerkt. De in onderdeel T [T] opgenomen wijziging van artikel 79, eerste lid, strekt ertoe de beslissingen ter zake van de toepassing van de artikelen 57b en 57c AAW onder het beroepsrecht te brengen, alsmede om enkele redactionele wijzigingen aan te brengen.

     Tot nu toe is er geen beroepsrecht met betrekking tot de beslissingen van de overheidspensioenorganen inzake de fictieve uitvoering van de AAW. In deze leemte wordt voorzien met de voorgestelde wijzigingen van artikel 79, onderdeel b, en 80 van de AAW. Overigens zal als gevolg van de verplichte keuring en de gecreëerde sanctiemogelijkheid in het kader van de fictieve uitvoering van de AAW de behoefte aan een recht van beroep toenemen.
     Uiteraard is in het kader van de fictieve AAW-uitvoering ook de werkgever een "belanghebbende" als bedoeld in de aanhef van artikel 79 van de AAW, omdat de fictieve AAW-uitkering aan hem wordt uitbetaald.
     Voorgesteld wordt over het beroep in eerste aanleg met betrekking tot beslissingen over de fictieve AAW-uitvoering van het ABP en de Minister van Defensie te laten oordelen door het Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage. Dat in lijn met het beroep in eerste aanleg over beslissingen inzake het recht op invaliditeitspensioen ingevolge de Algemeen burgerlijke pensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet.
     Naar aanleiding van een opmerking van het Spf wordt opgemerkt dat ten aanzien van het beroep tegen beslissingen van dit fonds in het kader van de uitvoering van de AAW-bepalingen niet de bezwaarschriftprocedure van artikel S 1 Spoorwegpensioenwet van toepassing is. Ten aanzien van beslissingen ter uitvoering van bepalingen van de AAW is de beroepsgang op basis van deze wet [lees: die wet, red.] bepalend.
     Ter voorkoming van mogelijke onduidelijkheid in de procesgang wat betreft de beslissingen, bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel b, is artikel II van de Ambtenarenwet [lees: titel II van de Ambtenarenwet 1929, red.], waarin regels staan over de wijze waarop in ambtenarenzaken moet worden geprocedeerd, van overeenkomstige toepassing verklaard. Dit is geregeld in de voorgestelde wijziging in onderdeel U [U], onder 1, onder b.

 

Artikel IV [IV]

     De in dit artikel opgenomen wijziging strekt ertoe de bedragen die met toepassing van de in dit voorstel van wet voorgestelde artikelen 35 AAW rblz.|98| en 46 WAO door de werkgever verschuldigd zijn toe te laten vloeien aan de wachtgeldfondsen van de bedrijfsverenigingen. In de toelichting op artikel II, onderdeel M [II,M], van dit voorstel van wet is hierop reeds ingegaan.

 

Artikel V [V]

     Behoudens het bepaalde in het besluit op grond van artikel 4, tweede lid, Toeslagenwet, bestaat gedurende de eerste zes weken van ziekte geen recht op toeslag. De minimumbescherming gedurende de eerste zes weken van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte is geregeld in artikel 1638e, eerste en zevende lid, van het Burgerlijk Wetboek. Op grond daarvan is de werkgever verplicht gedurende de eerste zes weken van ziekte minimaal het voor de zieke werknemer geldende minimumloon door te betalen. Ter zake van de samentelling van perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van korter dan één maand opvolgen, bevat de Toeslagenwet geen bepaling. Voorgesteld wordt in het kader van het onderhavige wetsvoorstel alsnog zowel in artikel 1638e Burgerlijk Wetboek (artikel X [X]) als in de Toeslagenwet een bepaling op te nemen die de samentelling van perioden van arbeidsongeschiktheid regelt. Een dergelijke samentellingsregeling sluit aan bij de methodiek ter zake in de ZW, WAO en AAW.

 

Artikel VI [VI]


Onderdelen A [A], B [B], C [C] en K [K]

     Het begrip onderneming is destijds in de Wagw opgenomen teneinde te voorkomen dat werkgevers alle bij hen in dienst zijnde gehandicapten in een afgescheiden gedeelte van het bedrijf tewerkstellen. Alsdan zou van een volwaardige (re)integratie van gehandicapten in het arbeidsproces geen sprake zijn. De mogelijkheid om vorenbedoelde concentratie van gehandicapten binnen het bedrijf te bewerkstelligen, staat uiteraard niet voor elke werkgever open. De facto zullen slechts grote concerns in staat zijn om binnen het bedrijf een afzonderlijk "bedrijfje" voor gehandicapten op te zetten. Opneming van het begrip "onderneming" met het oog op het voorkomen van dergelijk reacties heeft dan ook eigenlijk een zeer beperkte strekking.
     Uit de uitvoeringspraktijk, alsmede uit de resultaten van het evaluatieonderzoek naar de werking van de Wagw (Kamerstukken II 1989-1990, 21 300 XV, nr. 119), blijkt dat het hanteren van het begrip "onderneming" als een knelpunt wordt ervaren. Dit vloeit voort uit het feit dat in de administratie van de uitvoeringsorganen uitsluitend de gegevens per werkgever en niet per onderneming bekend zijn. Als gevolg daarvan is het ook niet mogelijk om met betrekking tot dit onderdeel op adequate wijze op een juiste uitvoering van de wet toe te zien. Eén en ander in aanmerking nemende heeft het kabinet besloten om het begrip "onderneming" in artikel 1 te doen vervallen en in het verlengde hiervan elders in de wet dit begrip te schrappen, respectievelijk te vervangen door het begrip "werkgever". Mocht laatstgenoemde begrip voor wat de verschillende onderdelen van de openbare dienst betreft in de praktijk tot problemen leiden, dan kunnen die in het kader van het voorgestelde eerste lid van artikel 10 opgelost worden. Overigens is het kabinet met de SVr van mening dat het doen vervallen van het begrip "onderneming" niets afdoet aan de doelstelling van de wet, namelijk het reïntegreren van gehandicapte werknemers in een functie die zoveel mogelijk aansluit bij hun krachten en bekwaamheden en bij de functie die zij voorheen hebben verricht.

rblz.|99| 
Onderdeel D [D]

     De in dit onderdeel opgenomen wijziging van artikel 8, eerste lid, vloeit voort uit het feit dat de regeling van ophoging van de arbeidsongeschiktheid met één klasse, het zogenaamde opstapje uit de WAO en de AAW, komt te vervallen. Verwezen zij naar de toelichting op onderdeel K van artikel II [II,K] en onderdeel L van artikel III [III,L] van dit voorstel van wet.


Onderdelen E [E], F [F] en G [G]

     Artikel 10 Wagw voorziet in een verplichting voor de werkgever om bij hem in dienst zijnde gehandicapte werknemers te registreren (registratieplicht) en deze gegevens vervolgens ter beschikking te stellen aan de uitvoeringsorganisatie (informatieplicht). Door de SVr is op 5 juli 1991 advies uitgebracht over onder andere dit aspect van de Wagw.

     In het huidige artikel 10 Wagw wordt de registratie- en informatieverplichting voor werkgevers gekoppeld aan de quotumverplichting. Het gevolg hiervan is dat er binnen bedrijven en (overheids)instellingen veelal niet bekend is hoeveel gehandicapte werknemers er werkzaam zijn. Dit bevordert niet een bewust en doelgericht Wagw-beleid op het niveau waar dat juist bij uitstek gewenst is, dicht bij de werkvloer. Een ander gevolg is dat op het moment dat een quotumverplichting wordt opgelegd er een zekere periode gemoeid zal zijn met het opzetten van registraties, waardoor de effectuering van een eventueel quotum wordt vertraagd.

     Het kabinet geeft er op grond van het bovenstaande, anders dan een deel van de SVr, de voorkeur aan de registratieverplichting te ontkoppelen van de quotumverplichting. Een werkgever is daardoor zonder meer verplicht het aantal Wagw-werknemers te registreren. Het kabinet acht het zeer goed denkbaar dat zodra de uitvoeringsorganisatie in staat is per werkgever bepaalde groepen Wagw-werknemers uit de bestaande bestanden te lichten, deze jaarlijks zullen worden doorgegeven aan de werkgever. De werkgever kan de registratie dan beperken tot die groepen die de uitvoeringsorganisatie niet beschikbaar heeft.
     Op basis van de registratie wordt inzichtelijk in welke mate bij de betreffende werkgever invulling wordt gegeven aan de taakstelling van artikel 2 Wagw die op werkgevers, organisaties van werkgevers en organisaties van werknemers de taak legt gelijke kansen te bevorderen voor gehandicapte en niet-gehandicapte werknemers, waaronder begrepen gehandicapte werkzoekenden, voor wat betreft de deelname aan het arbeidsproces.
     Het kabinet heeft voor die invulling steeds bepalend geacht het percentage gehandicapte werknemers.

     Met betrekking tot de informatieverplichting bleek uit het advies van de SVr dat de uitvoeringsorganisatie in staat wordt geacht op basis van beschikbare bestanden een oordeel te geven over de invulling van de taakstelling van artikel 2 Wagw in de betreffende bedrijfstak. Op grond daarvan achtte de Raad het niet noodzakelijk werkgevers eerder een informatieverplichting op te leggen dan dat er feitelijk een quotumverplichting geldt voor de betreffende werkgevers.
     Het kabinet deelt deze visie van de Raad in zoverre dat zij voorshands zal afzien van het effectueren van de informatieverplichting. Zoals ook in het algemeen deel van deze toelichting is vermeld, wordt van groot belang geacht dat de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de kosten van de uitvoeringsorganisatie zoveel mogelijk worden beperkt. Het kabinet acht het echter gewenst en gerechtvaardigd reeds op het
rblz.|100| moment dat ernstig moet worden betwijfeld of een bedrijfstak of onderdeel daarvan voldoende invulling heeft gegeven aan de taakstelling, tot het opleggen van de informatieverplichting over te gaan. Op grond hiervan is loskoppeling van de informatieverplichting van de quotumverplichting eveneens noodzakelijk. In samenhang met hetgeen hierboven over de registratieverplichting werd opgemerkt, gaat het kabinet ervan uit dat de werkgever die informatieplichtig wordt zo mogelijk slechts die werknemers aan de uitvoeringsorganisatie hoeft door te geven die aldaar nog niet als Wagw-werknemers zijn geregistreerd.

     Of voor de overheidssector eveneens voorshands kan worden afgezien van de informatieverplichting zal het kabinet nader overwegen nadat ter zake advies is ontvangen van het ABP.

     De ontkoppeling van de registratie- en informatieverplichting van de quotumverplichting impliceert een redactionele aanpassing van artikel 10. Deze aanpassing is in onderdeel F [F] vervat. De onderdelen E [E] en G [G] voorzien in de opname van het nieuwe artikel 10 in een afzonderlijke paragraaf.
     Hierbij is, gelet op de inhoud en strekking van de artikelen 11 en 12, tevens de gelegenheid benut om de titel van paragraaf 5a te wijzigen.


Onderdeel J [J]

     Ingevolge artikel 16, eerste lid, zijn met de uitvoering van de in deze wet [lees: de Wagw, red.] vervatte bepalingen belaste organen, de GMD, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie (bij de invoering van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402) is het orgaan der openbare arbeidsbemiddeling gewijzigd in Arbeidsvoorzieningsorganisatie) en de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren verplicht elkaar kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die zij in verband met de uitvoering van deze wet [lees: de Wagw, red.] of een goede arbeidsbemiddeling van gehandicapte werknemers nodig hebben.
     Zoals uit het gestelde bij de onderdelen E [E], F [F] en G [G] moge blijken, wordt het wenselijk geacht dat voornoemde minister op gestructureerde wijze gegevens verkrijgt die hij voor het door hem te voeren (re)integratiebeleid nodig heeft.
     Voorgesteld wordt dan ook om de in het eerste lid genoemde personen en organen, alsmede de SVr, die mede uit hoofde van zijn toezichthoudende taak doorgaans over zeer relevante informatie beschikt, te verplichten de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaalde, noodzakelijk geachte gegevens te verstrekken op een wijze die nader bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald. Uitgangspunt hierbij zal zijn dat de onderhavige informatieverstrekking zoveel mogelijk dient aan te sluiten op de bestaande informatiestromen, opdat de werkbelasting van deze personen en organen zo min mogelijk vergroot wordt. Mede gelet op deze uitvoeringstechnische aspecten bestaat het voornemen om de ter zake te ontwerpen algemene maatregel van bestuur in ieder geval voor advies voor te leggen aan de SVr, het ABP en de Raad van Toezicht van het Spf.

 

Artikel VIII [VIII]


Onderdeel A [A]

     De in dit artikel in onderdeel A [A] opgenomen wijzigingen in de Wet financiering volksverzekeringen houden verband met de invoering van het BMS en de loonkostensubsidieregeling in de AAW. De kosten van het BMS en het budget dat aan de GMD, het ABP en het Spf ten behoeve rblz.|101| van de loonkostensubsidieregeling wordt toegekend, dienen ten laste te komen van het AAf. Evenzo dient de opbrengst van de op grond van artikel 57b, derde lid, van de AAW aan een werkgever opgelegde geldelijke bijdrage en de op grond van artikel 57b, zesde lid, van de AAW teruggevorderde bonusuitkering terug te vloeien naar het AAf. De voorgestelde wijzigingen in artikel 35 van de Wet financiering volksverzekeringen regelen deze geldstromen.


Onderdeel B [B]

     Door invoering van de BMS en de loonkostensubsidieregeling ontstaat voor het ABP en het Spf een stuk reële uitvoering van de AAW. De daarmee verband houdende administratiekosten van die organen dienen vanuit het AAf vergoed te worden. De regels inzake de fictieve uitvoering van de AAW door genoemde organen zijn niet zonder meer van toepassing op de reële uitvoering van bepalingen van de AAW. Vandaar dat in artikel 37 van de Wet financiering volksverzekeringen is voorzien in een mogelijkheid voor de SVr om ter zake regels te stellen.

 

Artikel IX [IX]


Onderdelen A [A] en D [D]

     Nu in dit voorstel van wet wordt voorgesteld het zogenaamde opstapje, opgenomen in artikel 33a AAW en artikel 44a WAO, te laten vervallen, kan ook de vermelding van deze artikelen in artikel 19 respectievelijk artikel 41 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies komen te vervallen.


Onderdelen B [B] en E [E]

     In dit voorstel van wet wordt voorgesteld in de WAO en de AAW een sanctiebepaling analoog aan die van artikel 30 ZW te regelen die kan worden toegepast ten aanzien van een werkgever die zonder deugdelijke grond niet meewerkt bij hervatting in passende arbeid door een arbeidsongeschikte werknemer. Verwezen zij naar artikel II, onderdeel M [II,M] en artikel III, onderdeel N [III,N] van dit voorstel van wet. De bedoelde sanctie bestaat uit het verschuldigd zijn van een bedrag aan loon dat een arbeidsongeschikte werknemer met de passende arbeid had kunnen verdienen wanneer de werkgever wel de gelegenheid tot het verrichten van die arbeid zou hebben geboden. Bij verhindering om passende arbeid te verrichten, zal veelal een uitkering moeten worden voortgezet. Aangezien in die uitkering behalve de door de werkgever verschuldigde premies ook de overhevelingstoeslag is begrepen, ligt het voor de hand dat onder het verschuldigde bedrag aan loon eveneens de over dat loon te betalen overhevelingstoeslag wordt begrepen. Wetstechnisch is ervoor gekozen om dit te regelen in de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies in verband met de tijdelijkheid van de overhevelingstoeslag, zodat opneming in de WAO en AAW minder voor de hand ligt.


Onderdeel C [C]

     In artikel 31 van de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies is bepaald dat onder nettoziekengeld wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van het ziekengeld en de overhevelingstoeslag op dat ziekengeld, berekend op nettobasis. Nu in artikel I, onderdeel D [I,D], van dit voorstel van wet wordt voorgesteld de zogenaamde nettomaximeringsbepalingen in artikel 29 ZW te laten vervallen, kan genoemd artikel 31 komen te vervallen.

rblz.|102| 

Artikel X [X]


Onderdeel A [A]

     Met ingang van 1 januari 1987 is een wijziging van artikel 1638e van het Burgerlijk Wetboek in werking getreden. Deze wijziging is aangebracht in het kader van de stelselherziening sociale zekerheid (het laten vervallen van de minimumdagloonregeling in de ZW en invoering van de Toeslagenwet).
     De wijziging strekte ertoe te garanderen dat de werknemer in geval van ziekte uit hoofde van artikel 1638e ten minste voor een periode van zes weken aanspraak kreeg op het voor hem geldende wettelijk minimumloon.
     De wijziging had tot effect dat de mogelijkheid om wachtdagen overeen te komen, voor zover zulks ertoe zou leiden dat niet werd voldaan aan de hiervoor genoemde minimumaanspraak, is komen te vervallen. Met het onderhavige voorstel tot wijziging van het zevende lid van artikel 1638e wordt beoogd de mogelijkheid om wachtdagen overeen te komen weer in volle omvang te doen herleven.
     Voor de berekening van de periode waarover de minimumaanspraak bestaat, wordt als eerste wachtdag beschouwd de eerste dag waarop de werknemer wegens ziekte niet heeft gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt.
     Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek in de ZW ter zake.

     Het huidige artikel 1638e bevat geen zogenaamde samentellingsregeling voor het geval dat ziekteperioden elkaar met onderbreking van minder dan één maand opvolgen. Zoals reeds aangegeven bij de toelichting op artikel V [V] wordt in het kader van dit wetsvoorstel voorgesteld zowel in artikel 1638e als in de Toeslagenwet een bepaling op te nemen ter zake van de samentelling van perioden van arbeidsongeschiktheid. Hiermee wordt niet alleen aangesloten bij de reeds geldende methodiek in de sociale zekerheid, maar deze methodiek is eveneens gevolgd bij de herziening van artikel 1638d (opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte), tot stand gebracht bij Wet van 9 juni 1988, Stb. 1988, 281. Op grond van het nieuwe artikellid geldt de zogenaamde samentellingsregeling zowel met betrekking tot de aanspraak op het naar tijdruimte vastgestelde loon voor een betrekkelijk korte tijd als met betrekking tot de aanspraak op het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon voor zes weken.


Onderdeel B [B]

     Het tweede lid van artikel 1638d verwijst onder meer naar het zevende lid van artikel 1638e.
     Uiteraard dient het zevende lid van artikel 1638e - voor zover het de hierin geregelde minimumaanspraak betreft - niet te gelden voor artikel 1638d.
     Het onderhavige voorstel strekt ertoe dit duidelijk in de wet vast te leggen.

 

Artikelen XI [XI] en XII [XII]

     Voor de achtergrond van de in deze artikelen voorgestelde wijzigingen zij verwezen naar de toelichting op artikel II, onderdeel R, onder 2 [II,R2], en onderdeel S [S], van dit voorstel van wet.

rblz.|103| 

Artikel XIII [XIII] en XIV [XIV]

     In deze artikelen wordt naar analogie met de WAO en de AAW voorzien in een regeling in de Algemene burgerlijke pensioenwet op grond waarvan herziening van een uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid verband houdt [lees: verband houdende, red.] met voltooide scholing of opleiding kan worden uitgesteld. Verwezen moge worden naar de toelichting op artikel II, onderdeel H [-] en I [I], van dit wetsvoorstel.

 

Artikel XV [XVII]

     Zoals in paragraaf 2.4 van het algemeen deel van deze toelichting is opgemerkt, wil het kabinet aan de maatregel van ophoging van ziekengeld voor herintredende arbeidsongeschikten die opnieuw uitvallen, opgenomen in onderdeel E van artikel I [I,E], vooralsnog een beperkte werkingsduur van drie jaar geven. Artikel XV [VII] voorziet daarin. Tevens is de mogelijkheid geopend om bij algemene maatregel van bestuur de werkingsduur te verlengen.

 

Artikel XVI [XVIII]

     Dit artikel bevat de overgangsbepaling voor lopende gevallen in verband met het vervallen van het opstapje uit de WAO en de AAW. Verwezen zij naar de toelichting op artikel II, onderdeel K [II,K], van dit voorstel van wet.

 

Artikel XVII [XIX]

     Dit artikel bevat een overgangsbepaling voor werkgevers met betrekking tot hun personeelsleden die op de datum van invoering van de verplichte zesdemaandsmelding (neergelegd in het nieuwe vijfde lid van artikel 8 van de AAW) reeds langer dan zes maanden arbeidsongeschikt zijn. Deze gevallen dienen alsnog binnen twee maanden na de invoering van de zesdemaandsmelding bij de overheidspensioenorganen te worden gemeld.

 

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
E. ter Veld

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet TAV | voorstel van wet | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x