St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  TERUGDRINGING  BEROEP  OP  DE
ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSREGELINGEN

 

  
 

MEMORIE VAN TOELICHTING

 
Kamerstukken II 1992-1993, 22 824

Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten strekkende tot herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen) ¹

1. Redactie: de wet is gepubliceerd in Stb. 1993, 412, en is in werking getreden met ingang van 1 augustus 1993 (Stb. 1993, 413).

 

 

Nr.r1 KONINKLIJKE  BOODSCHAP

 

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

 

     Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende ¹ tot wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten strekkende tot herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen).
     De toelichtende memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.
     En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

1. Volgens de redactie dient "houdende" te vervallen.

 

's-Gravenhage, 22 september 1992

 

BEATRIX

 

 

 

Nr.r2 VOORSTEL  VAN  WET

 

 

     WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

     Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
     Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume het arbeidsongeschiktheidscriterium in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de overheidspensioenwetten te herzien en het recht op uitkering ingevolge die wetten aan een termijn te binden, in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de overheidspensioenwetten de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband te brengen met de leeftijd waarop de uitkering wordt toegekend en een stimuleringsmaatregel te treffen voor arbeidsongeschikten die herintreden op de arbeidsmarkt;
     Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

 

 

HOOFDSTUK  I

Wetswijzigingen

 

Art. I [I].  [MvT]
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb. 1987, 89) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
Artikel 13 wordt gewijzigd als volgt:
Onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde en vierde lid wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-2. Minimumloon is het minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet, en vervolgens gedeeld door 21,75.
B [B].
[MvT]
Artikel 18 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
3. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
C [C].
[MvT]
Artikel 21 wordt gewijzigd als volgt:
1. Onder vernummering van het eerste en tweede lid tot tweede en derde lid wordt een nieuw eerste lid ingevoegd, luidende:
-1. De arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet bestaat achtereenvolgens uit een loondervingsuitkering waarvoor het dagloon als maatstaf geldt en een vervolguitkering waarvoor het vervolgdagloon als maatstaf geldt.
2. In het tot tweede lid vernummerde eerste lid wordt na "het dagloon" telkens ingevoegd: of het vervolgdagloon.
3. Aan het artikel wordt een vierde lid toegevoegd, luidende:
-4. Indien de verzekerde zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
D [D].
[MvT]
Na artikel 21 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:
Art. 21a.
[MvT]
De duur van de loondervingsuitkering is voor degene die op de datum met ingang waarvan hem arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend:
58 jaar of ouder is zeven jaar;
53 jaar of ouder is vier jaar;
48 jaar of ouder is drie jaar;
43 jaar of ouder is tweeënhalf jaar;
38 jaar of ouder is twee jaar;
33 jaar of ouder is anderhalf jaar; en
jonger is dan 33 jaar één jaar.
Art. 21b.
[MvT]
-1. Na afloop van de in artikel 21a bedoelde periode bestaat recht op vervolguitkering in aanmerking genomen ¹ met als maatstaf het vervolgdagloon.
-2. Het vervolgdagloon is gelijk aan het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon.
-3. Voor de berekening van het vervolgdagloon geldt een percentage van 2,5-maal het aantal verstreken jaren tussen het 18de jaar en de leeftijd van de betrokkene op de datum met ingang waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend.
-4. Indien het dagloon lager is dan het minimumloon, wordt het vervolgdagloon vastgesteld op het dagloon.
-5. Voor de toepassing van artikel 21a en het derde lid wordt voor degene ten aanzien van wie artikel 35, tweede lid, wordt toegepast als datum met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend in aanmerking genomen de datum waarop de arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn toegekend als dat lid niet was toegepast.
E [E].
[MvT]
In artikel 22, eerste lid, wordt na "zijn dagloon" ingevoegd: of zijn vervolgdagloon.
F [F].
[MvT]
Artikel 28 wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding "-1." geplaatst, waarna, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, onderdeel f wordt toegevoegd, luidende:
f. indien belanghebbende zich niet houdt aan de voorschriften, bedoeld in artikel 34, derde lid.
2. Aan het artikel wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:
-2. De Sociale Verzekeringsraad kan met betrekking tot de bij artikel 25 en het eerste lid aan de bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid nadere regelen stellen.
G [G].
[MvT]
Artikel 34 komt als volgt te luiden:
Art. 34.
-1. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over perioden van drie jaar.
-2. De bedrijfsvereniging is verplicht de belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis te stellen uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop:
a. de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet wegens het bereiken van de maximale duur, bedoeld in artikel 29 van die wet, eindigt;
b. de termijn, bedoeld in het eerste lid, verstrijkt.
-3. De belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel voortzetting van de uitkering dient zijn aanvraag te doen binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk uiterlijk drie maanden vóór de in het eerste lid bedoelde termijn verstrijkt.
-4. Indien de bedrijfsvereniging niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering voortgezet tot het moment van de beslissing op de aanvraag.
-5. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien de bedrijfsvereniging de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen één maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-6. Indien de uitkering wordt voortgezet, wordt als dagloon of vervolgdagloon in aanmerking genomen het dagloon of het vervolgdagloon dat zou hebben gegolden als de periode, bedoeld in het eerste lid, niet was geëindigd.
-7. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
H [H].
[MvT]
In artikel 35, tweede lid, vervalt de zinsnede "of waarop ambtshalve toekenning plaatsvond".
I [I].
[MvT]
In artikel 36 worden, onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, na het eerste lid twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:
-2. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde dient binnen één jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als bedoeld in artikel 34, derde lid, door de bedrijfsvereniging te worden bezien of er gronden aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijn.
J [J].
[MvT]
Artikel 40 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid wordt de zinsnede "mits dat leidt tot een hoger dagloon dan hetwelk laatstelijk aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering ten grondslag werd gelegd" gewijzigd in: mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen.
2. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:
-4. Onze Minister kan, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, regels stellen op grond waarvan in geval van herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het ontvangen van een vervolguitkering, opnieuw een loondervingsuitkering kan worden toegekend en het percentage, bedoeld in artikel 21b, derde lid, kan worden verhoogd, mits de betrokkene bij de toeneming van de arbeidsongeschiktheid ter zake van het verrichten van werkzaamheden op grond van deze wet verzekerd was.
K [K].
[MvT]
Artikel 44 komt als volgt te luiden:
Art. 44.
-1. Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:
a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
-2. De toepassing van het bepaalde in het eerste lid vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid, bedoeld in dat lid, worden genoten. Deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende perioden van korter dan één maand geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn wordt de in het eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid.
-3. Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet die bestaan uit loon ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de te harer uitvoering genomen besluiten, vindt het tweede lid geen toepassing.
-4. Na afloop van een kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald wegens het genieten van het loon, bedoeld in het derde lid, alsmede van de dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen aan 's Rijks kas afgedragen.
-5. Onze Minister kan, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, bepalen dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen personen.
-6. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere, en voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkende regels stellen.
L [L].
[MvT]
Artikel 45 vervalt.
M [M].
[MvT]
In artikel 46a, tweede lid, vervalt ", 45 (alsmede "34,).²
N [N].
[MvT]
Artikel 48, derde lid, wordt vervangen door:
-3. Voor de berekening van de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt als dagloon of vervolgdagloon beschouwd het dagloon of vervolgdagloon waarnaar de ingetrokken uitkering op de dag van ingang van de heropende uitkering zou zijn berekend indien de uitkering niet was ingetrokken, tenzij hernieuwde vaststelling van een dagloon overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14 en met inachtneming van artikel 15 tot een hoger dagloon of vervolgdagloon leidt, in welk geval de heropende uitkering aan de hand van dit dagloon of vervolgdagloon wordt berekend.
O [O].
[MvT]
In artikel 53, zesde lid, wordt na "100/108-maal het dagloon" ingevoegd: of het vervolgdagloon.
P [P].
[MvT]
In artikel 59b worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Indien artikel 44 is toegepast, wordt onder het bedrag aan arbeidsongeschiktheidsuitkering als bedoeld in het eerste lid verstaan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering nadat artikel 44 is toegepast.
2. In het vierde lid, eerste en derde volzin, vervalt telkens ", 45, eerste lid, en wordt "de artikelen 21, eerste lid" telkens gewijzigd in: de artikelen 21, tweede lid.
Q [Q].
[MvT]
In artikel 71 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid vervalt ", 45,).³
2. In het tweede lid wordt onderdeel e vervangen door:
e. ten aanzien van een beslissing tot toepassing van artikel 44, derde lid.
R [R].
[MvT]
In artikel 73, derde lid, wordt "haar verplichting als bedoeld in artikel 71a" vervangen door: haar verplichtingen als bedoeld in de artikelen 34 en 71a.
S [V].
[MvT]
In artikel 98b wordt na "19, tweede en derde lid," ingevoegd: 21a,.

1. Volgens de redactie dient "in aanmerking genomen" te vervallen.
2. Volgens de redactie dient "vervalt ", 45 (alsmede "34,)" te worden vervangen door: vervalt ", 45" alsmede "34,".
3. Volgens de redactie dient "vervalt ", 45,)" te worden vervangen door: vervalt ", 45,".

 

Art. II [II].  [MvT]
De Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (Stb. 1990, 127) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
2. Het tweede lid komt te luiden:
-2. Degene die op en sedert het tijdstip dat zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste lid, wordt voor wat de door hem aan deze wet te ontlenen aanspraken betreft als geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt aangemerkt indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen soortgelijke personen die in dezelfde mate arbeidsongeschikt zijn in de zin van het eerste lid, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.
3. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. In het eerste en tweede lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
B [B].
[MvT]
Aan artikel 12 wordt een nieuw derde lid toegevoegd, luidende:
-3. Indien de verzekerde zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond.
C [C].
[MvT]
Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:
1. Voor de tekst van het artikel wordt de aanduiding "-1." geplaatst, waarna, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel f wordt toegevoegd, luidende:
f. indien belanghebbende zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel 24, derde lid.
2. Aan het artikel wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:
-2. De Sociale Verzekeringsraad kan met betrekking tot de bij artikel 16 en het eerste lid aan de bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid nadere regelen stellen.
D [D].
[MvT]
Artikel 24 komt als volgt te luiden:
Art. 24.
-1. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering op aanvraag toegekend over perioden van drie jaar.
-2. De bedrijfsvereniging is verplicht de belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis te stellen uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop:
a. de uitkering van ziekengeld krachtens de Ziektewet wegens het bereiken van de maximale duur, bedoeld in artikel 29 van die wet, eindigt;
b. de termijn, bedoeld in het eerste lid, verstrijkt.
-3. De belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor toekenning dan wel voortzetting van de uitkering dient zijn aanvraag te doen binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk uiterlijk drie maanden vóór de in het eerste lid bedoelde termijn verstrijkt.
-4. Indien de bedrijfsvereniging niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, wordt de uitkering voortgezet tot het moment van de beslissing op de aanvraag.
-5. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien de bedrijfsvereniging de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen één maand nadat deze kennisgeving is ontvangen.
-6. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
E [E].
[MvT]
In artikel 25, tweede lid, vervalt de zinsnede "of waarop ambtshalve toekenning plaatsvond".
F [F].
[MvT]
In artikel 26 worden, onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:
-2. Onverminderd het in deze wet ter zake van herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bepaalde dient binnen één jaar na ingang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet zijnde een voortzetting als bedoeld in artikel 24, derde lid, door de bedrijfsvereniging te worden bezien of er gronden aanwezig zijn voor herziening of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3. De Sociale Verzekeringsraad kan, onder goedkeuring van Onze Minister, ten aanzien van bepaalde groepen arbeidsongeschikten bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het tweede lid genoemde termijn.
G [G].
[MvT]
Artikel 33 komt als volgt te luiden:
Art. 33.
-1. Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, wordt, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 5, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:
a. niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%; of
b. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze zou zijn vastgesteld indien die arbeid wel de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
-2. De toepassing van het bepaalde in het eerste lid vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit arbeid, bedoeld in dat lid, worden genoten. Deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende perioden van korter dan één maand geen inkomsten uit arbeid worden genoten. Na afloop van de in de eerste volzin genoemde termijn wordt de in het eerste lid bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel 5, vijfde lid.
-3. Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet die bestaan uit loon ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de te harer uitvoering genomen besluiten, vindt het tweede lid geen toepassing.
-4. Na afloop van een kalenderkwartaal wordt het gezamenlijke bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die op grond van het derde lid niet zijn uitbetaald wegens het genieten van dat loon alsmede van de dientengevolge niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen aan 's Rijks kas afgedragen.
-5. Onze Minister kan, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, bepalen dat het tweede lid geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen personen.
-6. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere, en voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkende regels stellen.
H [H].
[MvT]
Artikel 34 vervalt.
I [I].
[MvT]
In artikel 36a, vierde lid, vervalt "34," en ", 45".
J [J].
[MvT]
In artikel 53, tweede lid, vervalt ",34".
K [K].
[MvT]
Artikel 59 vervalt.
L [M].
[MvT]
In artikel 64 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1. In het eerste lid vervalt "34,".
2. In het tweede lid wordt onderdeel f vervangen door:
f. ten aanzien van een beslissing tot toepassing van artikel 33, derde lid.

 

Art. III [III].  [MvT]
De Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
In artikel 45, eerste lid, wordt "artikel 21, eerste lid" vervangen door: artikel 21, tweede lid.
Voorts wordt na "100/108-maal het dagloon" telkens toegevoegd: of het vervolgdagloon.
B [B].
[MvT]
In artikel 48, eerste lid, wordt na "Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering" ingevoegd: of een vervolgdagloon als bedoeld in artikel 21b van die wet.
C [C].
[MvT]
Aan artikel 52 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
-3. Vanaf de datum dat de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Stb. ...) in werking is getreden, vinden de voorgaande leden nog slechts toepassing met betrekking tot personen die op die datum de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt.

 

Art. IV [IV].  [MvT]
De Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Stb. 1989, 127) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
In artikel 19 wordt "de artikelen 33 en 34" vervangen door: artikel 33.
B [B].
[MvT]
In artikel 41 wordt "de artikelen 44 en 45; eerste lid" vervangen door: artikel 44.

 

Art. V [V].  [MvT]
De Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT + bis]
In artikel A 2, tweede lid, wordt de zinsnede "de verhoging van het pensioen, bedoeld in artikel F 7b" vervangen door: de verhogingen van het pensioen, bedoeld in de artikelen F 7b en F 9b.
B [B].
[MvT + bis]
Aan artikel C 6, tweede lid, wordt toegevoegd de volzin: Indien er sprake is van samenloop van wachtgeld met invaliditeitspensioen uit hoofde van dezelfde betrekking, wordt de overeenkomstig de tweede en derde volzin berekende bijdrage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een invaliditeitsgraad van:
65% tot 80%:
80%;
55% tot 65%:
60%;
45% tot 55%: 50%;

35% tot 45%: 40%;

25% tot 35%: 30%;

15% tot 25%: 20%;

minder dan 15%:
0%.
C
[C].
[MvT + bis]
Aan artikel D 4 wordt een nieuw zevende lid toegevoegd, luidende:
-7. Bij samenloop van invaliditeitspensioen en wachtgeld uit hoofde van hetzelfde ontslag wordt tijd als bedoeld in het eerste lid verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een invaliditeitsgraad van:
65% tot 80%:
80%;
55% tot 65%:
60%;
45% tot 55%: 50%;
35% tot 45%: 40%;
25% tot 35%: 30%;
15% tot 25%: 20%;
minder dan 15%:
0%.
D
[D].
[MvT + bis]
In artikel E 1, tweede lid, wordt na het woord "ontslagen" de komma vervangen door een punt en vervalt de zinsnede "maar niet eerder dan op het tijdstip waarop het recht op wachtgeld eindigt".
E [E].
[MvT + bis]
Artikel F 9 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687).
2. In het derde lid wordt in de eerste volzin de zinsnede "indien hij ten gevolge van die ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid die is berekend voor zijn bij de aanvang van zijn dienstverhouding nog aanwezige krachten en bekwaamheden en die hem met het oog daarop in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats te verdienen" vervangen door: indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid waartoe hij gelet op zijn bij aanvang van zijn dienstverhouding nog aanwezige krachten en bekwaamheden in staat is, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, te verdienen.
3. Het vierde lid wordt vervangen door:
-4. Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de ambtenaar de arbeid feitelijk kan verkrijgen. Indien de betrokkene zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond. Artikel F 10, elfde lid, is in dat geval niet van toepassing.
4. In het vijfde lid wordt "de middelsom" telkens vervangen door: de aanvullingsgrondslag.
5. Het zesde lid wordt vervangen door:
-6. De aanvullingsgrondslag wordt vastgesteld op de middelsom, bedoeld in de vierde en vijfde volzin, voor degene die op de datum met ingang waarvan hem een invaliditeitspensioen wordt toegekend:
58 jaar of ouder is gedurende zeven jaar;
53 jaar of ouder is gedurende vier jaar;
48 jaar of ouder is gedurende drie jaar;
43 jaar of ouder is gedurende tweeënhalf jaar;
38 jaar of ouder is gedurende twee jaar;
33 jaar of ouder is gedurende anderhalf jaar; en
jonger is dan 33 jaar gedurende één jaar.
Na de in de eerste volzin bedoelde periode wordt de aanvullingsgrondslag vastgesteld op het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de middelsom en het minimumloon, welk percentage het product is van 2,5-maal het aantal verstreken jaren tussen het 18de jaar en de leeftijd van betrokkene op de datum met ingang waarvan hem het invaliditeitspensioen werd toegekend. Indien de middelsom lager is dan het minimumloon, dan wordt de aanvullingsgrondslag vastgesteld op de middelsom. De middelsom, bedoeld in de eerste tot en met derde volzin, is de middelsom van berekeningsgrondslagen waarnaar het invaliditeitspensioen is berekend. Indien het pensioen over meer dan één dienstlijn is berekend, is de middelsom, bedoeld in de eerste volzin, de middelsom van de berekeningsgrondslagen voor de laatste dienstlijn. De toepassing van artikel F 11, tweede lid, laat de datum van ingang van de in de eerste volzin bedoelde periode onverlet.
6. In het achtste lid worden de woorden "de in het zesde of zevende lid bedoelde middelsom" vervangen door: de in het zesde lid bedoelde aanvullingsgrondslag.
F [F].
[MvT + bis]
Na artikel F 9a wordt, onder vermelding van het opschrift "Verhoging van het invaliditeitspensioen", een nieuw artikel F 9b toegevoegd, luidende:
Art. F 9b.
-1. Indien het invaliditeitspensioen vermeerderd met de daarvoor in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid en uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling, per maand minder bedraagt dan het minimumloon, wordt dat pensioen uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, verhoogd tot het bedrag van het minimumloon.
-2. De in het eerste lid genoemde verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen het invaliditeitspensioen en de middelsom waarnaar het is berekend en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
-3. Indien het invaliditeitspensioen is toegekend uit een deeltijdbetrekking of uit een samenstel van betrekkingen, wordt bij toepassing van het eerste lid het bedrag van de middelsom en het bedrag van het minimumloon vermenigvuldigd met de deeltijdfactor onderscheidenlijk met de som van de deeltijdfactoren.
-4. Het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen is het invaliditeitspensioen na toepassing van de artikelen F 9, F 9a en paragraaf 3 van hoofdstuk J.
-5. De voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid zijn de inkomsten, bedoeld in de artikelen J 19 en J 20.
-6. De voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking te nemen uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling is de ontslaguitkering ter zake van hetzelfde ontslag als dat waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend.
G [G].
[MvT + bis]
Artikel F 10 wordt gewijzigd als volgt:
1. Boven artikel F 10 komt als opschrift: Toekenning van de aanvulling.
2. Het eerste lid komt als volgt te luiden:
-1. Het bestuur kent de aanvulling voor de eerste maal ambtshalve en nadien op aanvraag toe voor termijnen van niet langer dan drie jaar en wijzigt deze overeenkomstig de wijziging van de invaliditeitsgraad van betrokkene. Het bestuur trekt de aanvulling in zodra daarop geen recht meer bestaat.
3. Onder vernummering van het tweede, derde, vierde en vijfde lid tot respectievelijk achtste, negende, tiende en elfde lid worden een nieuw tweede tot en met zevende lid ingevoegd, luidende:
-2. Het bestuur is verplicht de betrokkene van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis te stellen uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, verstrijkt.
-3. De belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor voortzetting van zijn aanvulling dient zijn aanvraag te doen uiterlijk drie maanden vóór de in het tweede lid bedoelde termijn verstrijkt.
-4. Indien het bestuur niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de aanvulling, wordt de aanvulling voortgezet tot het moment van de beslissing op de aanvraag.
-5. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien het bestuur de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen één maand nadat de kennisgeving is ontvangen.
-6. Indien de aanvulling na onderbreking wederom wordt toegekend of voortgezet, wordt als aanvullingsgrondslag in aanmerking genomen de grondslag die zou hebben gegolden als de termijn, bedoeld in het eerste lid, niet was geëindigd.
-7. Onze Minister, gehoord het bestuur, kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
4. Na het tot elfde lid vernummerde tweede lid wordt een nieuw twaalfde lid toegevoegd, dat als volgt komt te luiden:
-12. Onze Minister, gehoord het bestuur, kan regels stellen op grond waarvan in geval van herziening van de aanvulling in verband met toegenomen algemene invaliditeit na afloop van de in artikel F 9, zesde lid, eerste volzin, bedoelde periode, opnieuw een aanvulling kan worden toegekend en het percentage, bedoeld in artikel F 9, zesde lid, tweede volzin, kan worden verhoogd, mits de betrokkene bij de toeneming van de arbeidsongeschiktheid ter zake van het verrichten van werkzaamheden op grond van deze wet verzekerd was.
H [H].
[MvT + bis]
Na artikel F 10 wordt een nieuw artikel F 10a ingevoegd, luidende:
Art. F 10a.
-1. Onverminderd het in deze wet ter zake van wijziging of intrekking van de aanvulling bepaalde dient binnen één jaar nadat de aanvulling voor de eerste maal is toegekend, door het bestuur te worden bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor wijziging of intrekking van de aanvulling.
-2. Onze Minister kan, gehoord het bestuur, ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
I [I].
[MvT + bis]
In artikel F 14, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een nieuw onderdeel c toegevoegd luidende:
c. algemene invaliditeit in de zin van artikel F 9, tweede lid, indien betrokkene zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel F 10, derde lid.
J [J].
[MvT + bis]
Na artikel F 17 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:
Art. F 18.
In dit hoofdstuk wordt onder het minimumloon verstaan: het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
K [K].
[MvT + bis]
Artikel J 19 komt te luiden:
Art. J 19.
-1. Indien degene die recht heeft op een invaliditeitspensioen inkomsten uit arbeid geniet die bestaan uit loon ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de daarop gebaseerde besluiten of inkomsten geniet in verband met die arbeid en de som van dat pensioen en dat loon of die inkomsten omgerekend op jaarbasis 100% van de middelsom overschrijdt, wordt dat pensioen voor zoveel mogelijk verminderd met het bedrag van die overschrijding.
-2. De in het eerste lid bedoelde middelsom is de middelsom die heeft gegolden of zou hebben gegolden bij toepassing van artikel F 9, zesde lid, vijfde volzin, of zevende lid, zo nodig aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel A 8.
-3. Onder het in het eerste lid bedoelde pensioen wordt mede begrepen de eventuele aanvulling, bedoeld in artikel F 9, en de verhoging, bedoeld in artikel F 9b.
L [L].
[MvT + bis]
Artikel J 20 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:
-1. Indien degene die recht heeft op invaliditeitspensioen inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is het bestuur bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel F 9, tweede lid, tweede volzin, kan worden aangemerkt, dat pensioen, waaronder begrepen de eventuele aanvulling, bedoeld in artikel F 9, niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen. De toepassing van het bepaalde in de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid, bedoeld in de eerste volzin, worden genoten. De aanvulling wordt gedurende deze periode niet gewijzigd of ingetrokken. Deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende een periode korter dan één maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de in de tweede volzin genoemde termijn wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel F 9, tweede lid, tweede volzin. Onze Minister, gehoord het bestuur, kan bepalen dat de tweede volzin geen toepassing vindt ten aanzien van bepaalde groepen gepensioneerde ambtenaren.
Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere, en voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkend regels stellen.
2. In het derde lid wordt de zinsnede "artikel F 9, zesde of zevende lid" vervangen door: artikel F 9, zesde lid, vijfde volzin, of zevende lid.
3. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:
-4. Gedurende de periode dat degene die recht heeft op invaliditeitspensioen tevens aanspraak heeft op een uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling, is de eerste volzin van het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder dat pensioen mede wordt begrepen het bedrag dat resteert na de toepassing van de voorschriften van die ontslaguitkeringsregeling inzake verrekening.
M [M].
[MvT + bis]
Artikel K 2, tweede lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. Het woord "passende" vervalt.
2. De zinsnede "en de kans om te worden herplaatst in een betrekking als vorenbedoeld redelijkerwijs aanwezig wordt geacht" vervalt.
N [N].
[MvT + bis]
In artikel W 8 wordt de zinsnede "F 2, eerste lid, en P 3, derde lid" vervangen door: F 2, eerste lid, F 9, zesde lid, eerste volzin, en P 3, derde lid.

 

Art. VI [VI].  [MvT]
De Spoorwegpensioenwet (Stb. 1986, 541) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
In artikel A 2, tweede lid, wordt de zinsnede "de verhoging van het pensioen, bedoeld in artikel F 6b" vervangen door: de verhogingen van het pensioen, bedoeld in de artikelen F 6b en F 7b.
B [B].
[MvT]
Aan artikel C 6, tweede lid, wordt toegevoegd de volzin: Indien er sprake is van samenloop van wachtgeld met invaliditeitspensioen uit hoofde van dezelfde betrekking, wordt de overeenkomstig de tweede en derde volzin berekende bijdrage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een invaliditeitsgraad van:
65% tot 80%: 80%;
55% tot 65%: 60%;
45% tot 55%: 50%;
35% tot 45%: 40%;
25% tot 35%: 30%;
15% tot 25%: 20%;
minder dan 15%: 0%.
C [C].
[MvT + bis]
Aan artikel D 4 wordt een nieuw zesde lid toegevoegd, luidende:
-6. Bij samenloop van invaliditeitspensioen en wachtgeld uit hoofde van hetzelfde ontslag wordt tijd als bedoeld in het eerste lid verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een invaliditeitsgraad van:
65% tot 80%: 80%;
55% tot 65%: 60%;
45% tot 55%: 50%;
35% tot 45%: 40%;
25% tot 35%: 30%;
15% tot 25%: 20%;
minder dan 15%: 0%.
D [D].
[MvT]
In artikel E 1, derde lid, wordt na het woord "ontslagen" de komma vervangen door een punt en vervalt de zinsnede "maar niet eerder dan op het tijdstip waarop het recht op wachtgeld eindigt".
E [E].
[MvT]
Artikel F 7 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Algemeen invalide, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687).
2. In het derde lid wordt in de eerste volzin de zinsnede "indien hij ten gevolge van die ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid die is berekend voor zijn bij de aanvang van zijn dienstverhouding nog aanwezige krachten en bekwaamheden en die hem met het oog daarop in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst verricht heeft of op een naburige soortgelijke plaats te verdienen" vervangen door: indien hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid waartoe hij gelet op zijn bij aanvang van zijn dienstverhouding nog aanwezige krachten en bekwaamheden in staat is, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, te verdienen.
3. Het vierde lid wordt vervangen door:
-4. Bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit wordt buiten beschouwing gelaten of de ambtenaar de arbeid feitelijk kan verkrijgen. Indien de betrokkene zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond. Artikel F 8, elfde lid, is in dat geval niet van toepassing.
4. In het vijfde lid wordt "de middelsom" telkens vervangen door: de aanvullingsgrondslag.
5. Het zesde lid wordt vervangen door:
-6. De aanvullingsgrondslag wordt vastgesteld op de middelsom, bedoeld in de vierde en vijfde volzin, voor degene die op de datum met ingang waarvan hem een invaliditeitspensioen wordt toegekend:
58 jaar of ouder is gedurende zeven jaar;
53 jaar of ouder is gedurende vier jaar;
48 jaar of ouder is gedurende drie jaar;
43 jaar of ouder is gedurende tweeënhalf jaar;
38 jaar of ouder is gedurende twee jaar;
33 jaar of ouder is gedurende anderhalf jaar; en
jonger is dan 33 jaar gedurende één jaar.
Na de in de eerste volzin bedoelde periode wordt de aanvullingsgrondslag vastgesteld op het minimumloon verhoogd met een percentage van het verschil tussen de middelsom en het minimumloon, welk percentage het produkt is van 2,5-maal het aantal verstreken jaren tussen het 18de jaar en de leeftijd van betrokkene op de datum met ingang waarvan hem het invaliditeitpensioen werd toegekend. Indien de middelsom lager is dan het minimumloon, dan wordt de aanvullingsgrondslag vastgesteld op de middelsom. De middelsom, bedoeld in de eerste tot en met derde volzin, is de middelsom van berekeningsgrondslagen waarnaar het invaliditeitspensioen is berekend. Indien het pensioen over meer dan één dienstlijn is berekend, is de middelsom, bedoeld in de eerste volzin, de middelsom van de berekeningsgrondslagen voor de laatste dienstlijn. De toepassing van artikel F 9, tweede lid, laat de datum van ingang van de in de eerste volzin bedoelde periode onverlet.
6. In het achtste lid worden de woorden "de in het zesde of zevende lid bedoelde middelsom" vervangen door: de in het zesde lid bedoelde aanvullingsgrondslag.
F [F].
[MvT + bis]
Na artikel F 7a wordt, onder vermelding van het opschrift "Verhoging van het invaliditeitspensioen", een nieuw artikel F 7b toegevoegd, luidende:
Art. F 7b.
-1. Indien het invaliditeitspensioen vermeerderd met de daarvoor in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid en uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling, per maand minder bedraagt dan het minimumloon, wordt dat pensioen uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, verhoogd tot het bedrag van het minimumloon.
-2. De in het eerste lid genoemde verhoging bedraagt niet meer dan het verschil tussen het invaliditeitspensioen en de middelsom waarnaar het is berekend en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
-3. Indien het invaliditeitspensioen is toegekend uit een deeltijdbetrekking of uit een samenstel van betrekkingen, wordt bij toepassing van het eerste lid het bedrag van de middelsom en het bedrag van het minimumloon vermenigvuldigd met de deeltijdfactor onderscheidenlijk met de som van de deeltijdfactoren.
-4. Het in het eerste lid bedoelde invaliditeitspensioen is het invaliditeitspensioen na toepassing van de artikelen F 7, F 7a en paragraaf 3 van hoofdstuk J.
-5. De voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid zijn de inkomsten, bedoeld in de artikelen J 19 en J 20.
-6. De voor de toepassing van het eerste lid in aanmerking te nemen uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling is de ontslaguitkering ter zake van hetzelfde ontslag als dat waaraan het recht op invaliditeitspensioen wordt ontleend.
G [G].
[MvT]
Artikel F 8 wordt gewijzigd als volgt:
1. Boven artikel F 8 komt als opschrift: Toekenning van de aanvulling.
2. Het eerste lid komt te luiden:
-1. De directie kent de aanvulling voor de eerste maal ambtshalve en nadien op aanvraag toe voor termijnen van niet langer dan drie jaar en wijzigt deze overeenkomstig de wijziging van de invaliditeitsgraad van betrokkene. De directie trekt de aanvulling in zodra daarop geen recht meer bestaat.
3. Onder vernummering van het tweede, derde, vierde en vijfde lid tot respectievelijk achtste, negende, tiende en elfde lid worden een nieuw tweede tot en met zevende lid ingevoegd, luidende:
-2. De directie is verplicht de betrokkene van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis te stellen uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, verstrijkt.
-3. De belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor voortzetting van zijn aanvulling dient zijn aanvraag te doen uiterlijk drie maanden vóór de in het tweede lid bedoelde termijn verstrijkt.
-4. Indien de directie niet tijdig beslist op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de aanvulling, wordt de aanvulling voortgezet tot het moment van de beslissing op de aanvraag.
-5. Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien de directie de kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan bedoeld in het tweede lid de aanvraag wordt ingediend binnen één maand nadat de kennisgeving is ontvangen.
-6. Indien de aanvulling na onderbreking wederom wordt toegekend of voortgezet, wordt als aanvullingsgrondslag in aanmerking genomen de grondslag die zou hebben gegolden als de termijn, bedoeld in het eerste lid, niet was geëindigd.
-7. Onze Minister, gehoord de Raad van Toezicht, kan ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat in bepaalde situaties dan wel invaliden ¹ geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
4. Na het tot elfde lid vernummerde tweede lid wordt een nieuw twaalfde lid toegevoegd dat als volgt komt te luiden:
-12. Onze Minister, gehoord de Raad van Toezicht, kan regels stellen op grond waarvan in geval van herziening van de aanvulling in verband met toegenomen algemene invaliditeit na afloop van de in artikel F 7, zesde lid, eerste volzin, bedoelde periode, opnieuw een aanvulling kan worden toegekend en het percentage, bedoeld in artikel F 7, zesde lid, tweede volzin, kan worden verhoogd, mits de betrokkene bij de toeneming van de arbeidsongeschiktheid ter zake van het verrichten van werkzaamheden op grond van deze wet verzekerd was.
H [H].
[MvT]
Na artikel F 8 wordt een nieuw artikel F 8a ingevoegd, luidende:
Art. F 8a.
-1. Onverminderd het in deze wet ter zake van wijziging of intrekking van de aanvulling bepaalde dient binnen één jaar nadat de aanvulling voor de eerste maal is toegekend, door de directie te worden bezien of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de vaststelling van de mate van algemene invaliditeit redenen aanwezig zijn voor wijziging of intrekking van de aanvulling.
-2. Onze Minister kan, gehoorde de Raad van Toezicht, ten aanzien van bepaalde groepen algemeen invaliden bepalen dat geen termijn geldt dan wel een termijn zal gelden die afwijkt van de in het eerste lid genoemde termijn.
I [I].
[MvT]
In artikel F 12, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt ² door een puntkomma, een nieuw onderdeel c toegevoegd, luidende:
c. algemene invaliditeit in de zin van artikel F 7, tweede lid, indien betrokkene zich niet houdt aan het voorschrift, bedoeld in artikel F 8, derde lid.
J [J].
[MvT]
Na artikel F 15 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:
Art. F 16.
In dit hoofdstuk wordt onder het minimumloon verstaan: het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
K [K].
[MvT]
Artikel J 19 komt te luiden:
Art. J 19.
-1. Indien degene die recht heeft op een invaliditeitspensioen inkomsten uit arbeid geniet die bestaan uit loon ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de daarop gebaseerde besluiten of inkomsten geniet in verband met die arbeid en de som van dat pensioen en dat loon of die inkomsten omgerekend op jaarbasis 100% van de middelsom overschrijdt, wordt dat pensioen voor zoveel mogelijk verminderd met het bedrag van die overschrijding.
-2. De in het eerste lid bedoelde middelsom is de middelsom die heeft gegolden of zou hebben gegolden bij toepassing van artikel F 7, zesde lid, vijfde volzin, of zevende lid, zo nodig aangepast overeenkomstig de regelen vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel A 8.
-3. Onder het in het eerste lid bedoelde pensioen wordt mede begrepen de eventuele aanvulling, bedoeld in artikel F 7, en de verhoging, bedoeld in artikel F 7b.
L [L].
[MvT]
Artikel J 20 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het eerste lid komt te luiden:
-1. Indien degene die recht heeft op invaliditeitspensioen inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is de directie bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel F 7, tweede lid, tweede volzin, kan worden aangemerkt, dat pensioen, waaronder begrepen de eventuele aanvulling als bedoeld in artikel F 7, niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen. De toepassing van het bepaalde in de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid, bedoeld in de eerste volzin, worden genoten. De aanvulling wordt gedurende deze periode niet ingetrokken of herzien. Deze termijn wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende een periode korter dan één maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de bedoelde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel F 7, tweede lid, tweede volzin. Onze Minister kan met betrekking tot dit artikel nadere, en voor bijzondere gevallen, zo nodig afwijkend regels stellen.
2. In het derde lid wordt de zinsnede "artikel F 7, zesde of zevende lid" vervangen door: artikel F 7, zesde lid, vijfde volzin, of zevende lid.
3. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, luidende:
-4. Gedurende de periode dat degene die recht heeft op invaliditeitspensioen tevens aanspraak heeft op een uitkering ingevolge een ontslaguitkeringsregeling, is de eerste volzin van het derde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder dat pensioen mede wordt begrepen het bedrag dat resteert na de toepassing van de voorschriften van die ontslaguitkeringsregeling inzake verrekening.
M [M].
[MvT]
Artikel K 2, tweede lid, wordt gewijzigd als volgt:
1. Het woord "passende" vervalt.
2. De zinsnede "en de kans om te worden herplaatst in een betrekking als vorenbedoeld redelijkerwijs aanwezig wordt geacht" vervalt.
N [N].
[MvT]
In artikel W 3 wordt de zinsnede "F 2, eerste lid, en P 3, derde lid" vervangen door: F 2, eerste lid, F 7, zesde lid, eerste volzin, en P 3, derde lid.

1. Volgens de redactie dient "dan wel invaliden" te vervallen.
2. Volgens de redactie dient na "punt" te worden ingevoegd: aan het slot van onderdeel b.

 

Art. VII [VII].  [MvT]
De Algemene militaire pensioenwet (Stb. 1988, 284) wordt gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
Aan artikel B 5 wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: één en ander voor zover het tegendeel niet uit de desbetreffende bepaling blijkt.
B [B].
[MvT]
Artikel E 6 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het tweede lid wordt vervangen door:
-2. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, in de zin van deze wet is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde arbeid wordt verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (Stb. 1967, 687).
2. Het derde lid wordt vervangen door:
-3. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de militair de arbeid feitelijk kan verkrijgen. Indien de betrokkene zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een voor hem gewenste opleiding of scholing of onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan, wordt er bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die opleiding of scholing is afgerond. Artikel F 6, negentiende lid, is in dat geval niet van toepassing.
3. De volzin van het vijfde lid wordt vanaf onderdeel c als volgt gelezen:
c. de tropenverhoging, bedoeld in artikel E 10, waarop recht bestaat, lager is dan zoveel percent van de aanvullingsgrondslag, bedoeld in artikel F 6, tweede lid, als in verband met de mate van diens arbeidsongeschiktheid wordt aangegeven in de laatste kolom van de volgende tabel.
4. In het zesde lid worden de woorden "van de pensioengrondslag waarnaar zijn pensioen is berekend" vervangen door: van de aanvullingsgrondslag.
C [C].
[MvT]
Aan artikel F 1, tweede lid, onderdeel b, wordt, onder vervanging van de puntkomma door een komma, toegevoegd: één en ander voor zover die uitzondering er niet toe leidt dat de uit wachtgeld voortvloeiende voor pensioen geldige diensttijd, tezamen met de daarnaast in de wachtgeldperiode ingevolge artikel F 6, derde lid, eerste volzin, opgebouwde tijd, meer bedraagt dan ingevolge die volzin in die periode bij de hoogste graad van arbeidsongeschiktheid mogelijk zou zijn geweest;.
D [D].
[MvT]
Aan artikel F 3, vijfde lid, wordt een nieuwe slotzin toegevoegd, luidende: Waar die herberekening plaatsvindt na samenloop van pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken en wachtgeld ter zake van hetzelfde ontslag als militair wordt de voor de berekening tellende tijd die aan dat wachtgeld kan worden ontleend bij die herberekening betrokken.
E [E].
[MvT]
Artikel F 6 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het eerste lid worden de woorden "pensioengrondslag waarnaar het in genoemd lid bedoelde pensioen is berekend" vervangen door: de ingevolge het tweede lid van dit artikel vast te stellen aanvullingsgrondslag.
2. Het tweede tot en met zevende lid worden vernummerd tot derde tot en met achtste lid.
3. Een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende:
-2. De aanvullingsgrondslag wordt vastgesteld op de pensioengrondslag voor degene die op de datum met ingang waarvan hem een pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken wordt toegekend:
58 jaar of ouder is gedurende zeven jaar;
53 jaar of ouder is gedurende vier jaar;
48 jaar of ouder is gedurende drie jaar;
43 jaar of ouder is gedurende tweeënhalf jaar;
38 jaar of ouder is gedurende twee jaar;
33 jaar of ouder is gedurende anderhalf jaar; en
jonger is dan 33 jaar gedurende één jaar.
Na de in de eerste volzin bedoelde periode wordt de aanvullingsgrondslag vastgesteld op het minimumloon, verhoogd met een percentage van het verschil tussen de pensioengrondslag en het minimumloon, welk percentage het product is van 2,5-maal het aantal verstreken jaren tussen het 18de jaar en de leeftijd van betrokkene op de datum met ingang waarvan hem een pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken werd toegekend. Indien de pensioengrondslag lager is dan het minimumloon, wordt de aanvullingsgrondslag gesteld op de pensioengrondslag. Hetgeen in artikel U 3 is bepaald voor de datum van ingang van de aanvulling laat de datum van ingang van de in de eerste volzin bedoelde periode onverlet.
4. De eerste volzin van het tot zesde vernummerde vijfde lid wordt als volgt gelezen: De verhoging van de aanvulling, bedoeld in artikel E 6, zesde en zevende lid, is gelijk aan het bedrag van de aanvullingsgrondslag waarnaar de aanvulling overeenkomstig het eerste en tweede lid van dit artikel is berekend, verminderd met de som van het totaalbedrag aan pensioen en tropenverhoging, als voor de toepassing van artikel E 6, vijfde lid, in aanmerking is genomen, de invaliditeitsverhoging als bedoeld in artikel E 7 en die aanvulling.
5. Het tot achtste lid vernummerde zevende lid wordt gelezen:
-8. Onze Minister kent de aanvulling voor de eerste maal ambtshalve toe met ingang van de dag van ingang van het pensioen en nadien op aanvraag, telkens voor een termijn van drie jaar en wijzigt deze overeenkomstig de wijziging van de graad van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Onze Minister trekt de aanvulling in zodra daarop geen recht meer bestaat.
6. Het achtste tot en met twaalfde lid worden vernummerd tot veertiende tot en met achttiende lid.
7. Nieuwe leden negen tot en met dertien worden ingevoegd, luidende:
-9. Onze Minister stelt de betrokkene van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag in de zin van het vorige lid uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van de daar bedoelde termijn in kennis.
-10. De belanghebbende die in aanmerking wenst te komen voor voortzetting van zijn aanvulling dient de schriftelijke aanvraag daartoe te doen uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn.
-11. Indien Onze Minister niet tijdig kan beslissen op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de aanvulling, wordt de aanvulling voortgezet tot het moment van de beslissing op die aanvraag.
-12. Een aanvraag tot voortzetting van de aanvulling wordt geacht tijdig te zijn ingediend indien Onze Minister de kennisgeving, bedoeld in het negende lid, niet heeft gedaan dan wel indien bij een latere kennisgeving dan daar bedoeld de aanvraag wordt ingediend binnen één maand nadat die kennisgeving is ontvangen.
-13. Indien de belanghebbende de aanvraag tot voortzetting van de aanvulling later indient dan ingevolge het tiende lid is voorgeschreven, is Onze Minister bevoegd de voorgezette aanvulling voor een periode gelijk aan die waarover de belanghebbende in gebreke is gebleven niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen
8. In het tot vijftiende lid vernummerde negende lid worden de woorden "het vorige lid" vervangen door: de vorige leden.
9. In het tot zeventiende lid vernummerde elfde lid worden de woorden "het negende lid" vervangen door: het vijftiende lid.
10. Het dertiende tot en met vijftiende lid worden vernummerd tot eenentwintigste tot en met drieëntwintigste lid.
11. Een nieuw negentiende lid wordt opgenomen, luidende:
-19. Indien de mate van arbeidsongeschiktheid wordt gewijzigd in verband met een voltooide scholing of opleiding, gaat die wijziging niet eerder in dan één jaar na voltooiing van die scholing of opleiding. Indien de belanghebbende eerder inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is artikel V 4, vijfde lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van overeenkomstige toepassing.
12. Een nieuw twintigste lid wordt opgenomen, luidende:
-20. Een eventuele onderbreking van het recht op aanvulling of van de betaling daarvan schort de termijn, bedoeld in de eerste volzin van het tweede lid, niet op.
13. In het tot eenentwintigste lid vernummerde dertiende lid worden de woorden "zeven tot en met twaalf" vervangen door: acht tot en met achttien.
F [F].
[MvT]
Na artikel F 6 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:
Art. F 6a.
Onverminderd het in deze wet ter zake van wijziging of intrekking van de aanvulling bepaalde beziet Onze Minster binnen één jaar nadat de aanvulling voor de eerste maal is toegekend of er als gevolg van gronden die invloed hebben op de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid redenen aanwezig zijn voor wijziging of intrekking van de aanvulling. Artikel F 6, drieëntwintigste lid, is op dit artikel van overeenkomstige toepassing.
G [G].
[MvT]
Na artikel F 9 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:
Art. F 9a.
Indien het totale pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken van de beroepsmilitair, na toepassing van de artikelen F 7a en V 4, verhoogd met de voor de toepassing van laatstgenoemd artikel in aanmerking te nemen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf en het ter zake van hetzelfde ontslag als dat waaraan het recht op pensioen wordt ontleend uit te betalen en tot een jaarbedrag te herleiden wachtgeld, minder bedraagt dan het minimumloon, wordt dat pensioen, uiterlijk tot de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt, verhoogd tot het bedrag van dat minimumloon. De verhoging bedraagt niet meer dan het bedrag dat nodig is om de hiervoor bedoelde som aan te vullen tot het niveau van de pensioengrondslag en tevens niet meer dan 30% van het minimumloon.
H [H].
[MvT]
Na artikel F 12 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:
Art. F 13.
In dit hoofdstuk wordt onder minimumloon verstaan: het tot een jaarbedrag herleide minimumloon per maand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb. 1968, 657), of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het tot een jaarbedrag herleide voor zijn leeftijd geldende minimumloon per maand, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarover berekende vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.
I [I].
[MvT]
Aan artikel G 1, onderdeel g en h, wordt tweemaal,¹ onder vervanging van de puntkomma door een komma, toegevoegd: tenzij de militaire betrekking waarvan het in dit onderdeel bedoelde recht op pensioen het gevolg is tevens leidt tot een recht op pensioen ingevolge een ander onderdeel van dit artikel;.
J [J].
[MvT]
In artikel H 1, derde lid, wordt na de tweede volzin ingevoegd: Indien er op het moment van overlijden sprake was van samenloop van wachtgeld met pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken ter zake van hetzelfde ontslag als militair, is de laatste volzin van het volgende lid van overeenkomstige toepassing. Bij de vaststelling van het pensioen waarvan het weduwenpensioen moet worden afgeleid, wordt voorts rekening gehouden met het bepaalde aan het slot van artikel F 1, tweede lid, onderdeel b.
K [K].
[MvT]
In artikel K 3, zesde lid, wordt tussen "waarop de overledene," en "rekening houdende met" ingevoegd: na eventuele toepassing van de artikelen F 7a en F 9a en.
L [L].
[MvT]
In artikel M 3, onderdeel c, wordt in plaats van "artikel F 6, tweede lid, tweede volzin" gelezen: artikel F 6, derde lid, tweede volzin.
M [M].
[MvT]
In artikel R 4 wordt voor "de ontslagen beroepsmilitair die uit hoofde van een ontslag aanspraak heeft op wachtgeld, met dien verstande dat:" gelezen: de ontslagen beroepsmilitair die uit hoofde van zijn ontslag aanspraak heeft op wachtgeld, met dien verstande dat, voor zover Wij daar bij algemene maatregel van bestuur niet van hebben afgeweken:
N [N].
[MvT]
In artikel S 2 wordt in plaats van "artikel F 6, negende lid" gelezen: artikel F 6, vijftiende lid.
O [O].
[MvT]
In artikel U 1, tweede lid, wordt de komma achter "geacht te zijn ontstaan" vervangen door en punt en vervalt de zinsnede "doch niet eerder dan op het tijdstip waarop de aanspraak op het in genoemd artikel bedoelde wachtgeld eindigt".
P [P].
[MvT]
Artikel U 3 wordt gewijzigd als volgt:
1. In het derde lid wordt voor "F 6, achtste lid" gelezen: F 6, veertiende lid.
2. In het vijfde lid wordt voor "F 6, elfde lid" gelezen "F 6, zeventiende lid
" en wordt tussen "die wijziging" en "ingaat met ingang van" ingevoegd: , voor zover niet uitdrukkelijk anders is bepaald,.
Q [Q].
[MvT]
Artikel V 4 wordt gewijzigd als volgt:
1. Het vijfde lid komt te luiden:
-5. Indien een gepensioneerde militair, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1º, inkomsten uit of in verband met arbeid geniet, is Onze Minister bevoegd, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel E 6, tweede lid, tweede volzin, kan worden aangemerkt, het pensioen en de aanvulling niet of slechts gedeeltelijk uit te betalen. De toepassing van het bepaalde in de eerste volzin vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie jaren, aanvangende op de eerste dag waarover de inkomsten uit of in verband met arbeid, bedoeld in die volzin, worden genoten. De aanvulling wordt gedurende deze periode niet ingetrokken of gewijzigd. Deze periode wordt geacht niet te zijn onderbroken indien gedurende een periode korter dan één maand geen inkomsten uit of in verband met arbeid worden genoten. Na afloop van de bedoelde periode wordt de in de eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel E 6, tweede lid, tweede volzin.
2. In het zesde lid wordt tussen "de eventuele aanvulling" en "geen wijziging ondergaat" ingevoegd: , anders dan door toepassing van artikel F 6, tweede lid,.
3. Het zevende lid komt te luiden:
-7. Indien een gepensioneerde militair, als bedoeld in het eerste lid,
onderdeel a, onder 1º, inkomsten uit arbeid geniet die bestaan uit loon ingevolge de Wet Sociale Werkvoorziening en de te harer uitvoering genomen besluiten of inkomsten geniet in verband met die arbeid en de som van het pensioen, de aanvulling en die inkomsten, omgerekend op jaarbasis, de pensioengrondslag overschrijdt, wordt het bedrag van die overschrijding voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op de aanvulling en het pensioen.
4. Aan het achtste lid wordt toegevoegd: Een uit hoofde van hetzelfde ontslag naast het pensioen toegekend wachtgeld wordt voor de toepassing van dit lid niet tot de inkomsten uit of in verband met arbeid gerekend.
R [R].
[MvT]
In artikel Y 22, vijfde lid, wordt in plaats van "artikel F 6, derde lid" gelezen: artikel F 6, vierde lid.
S [S].
[MvT]
Aan artikel Z 9 wordt, onder vervanging van de punt door een komma, toegevoegd: en F 6, tweede lid, eerste volzin.

1. Volgens de redactie dient "tweemaal" te worden vervangen door: telkens.

 

 

HOOFDSTUK  II

De stimuleringsuitkering

 

Art. VIII [VIII].  [MvT]
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als arbeidsongeschikte aangemerkt de persoon:
a. die op 31 januari 1992 recht heeft op uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waaronder begrepen een uitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313), en op wie vóór genoemde dag artikel 52 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) van toepassing was;
b. die sinds 1 januari 1990 onafgebroken recht heeft op uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waaronder begrepen een uitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Stb. 1972, 313), en op de dag waarop deze wet in werking treedt de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt;
c. op wie de bepalingen van de artikelen XXI [XX] en XXV [XXIII] van deze wet van toepassing zijn en die op 31 januari 1992 en sinds 1 januari 1990 onafgebroken recht heeft op een aanvulling als bedoeld in deze artikelen.

 

Art. IX [IX].  [MvT + bis]
-1. Recht op een stimuleringsuitkering heeft de arbeidsongeschikte die in de periode van 1 februari 1992 tot 1 februari 1994 arbeid gaat verrichten in verband waarmee de uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, dan wel de aanvulling van het invaliditeitspensioen op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 9b van die wet, of de aanvulling van het invaliditeitspensioen op grond van de Spoorwegpensioenwet of de aanvulling van het pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken op grond van de Algemene militaire pensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 9a van die wet, wordt verlaagd of ingetrokken, dan wel niet of gedeeltelijk wordt uitbetaald onder toepassing van artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet of artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, dan wel onder toepassing van artikel J 20 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, artikel J 20 van de Spoorwegpensioenwet of artikel V 4 van de Algemene militaire pensioenwet.
-2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt niet onder arbeid verstaan arbeid in een dienstbetrekking krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening.

 

Art. X [X].  [MvT + bis]
-1. De stimuleringsuitkering bedraagt 60% van het totaal aan arbeidsongeschiktheidsuitkering en de daarmee verband houdende vakantie-uitkeringen, daaronder begrepen de aanvulling van invaliditeitspensioen op grond van artikel F 9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 9b van die wet, dan wel de aanvulling van het invaliditeitspensioen op grond van artikel F 7 van de Spoorwegpensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 7b van die wet, dan wel de aanvulling van het invaliditeitspensioen op grond van pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken op grond van artikel E 6 van de Algemene militaire pensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 6a van die wet en toeslag op grond van de Toeslagenwet (Stb. 1987, 91) dat wegens het verrichten van de arbeid vanaf de aanvang van die arbeid in een periode van drie jaar niet wordt uitbetaald.
-2. Voor de berekening van de niet-betaalde toeslag, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van dat lid in aanmerking genomen het naar een bedrag per jaar herleide bedrag aan toeslag:
a. waarop de betrokkene recht had onmiddellijk voorafgaande aan het verrichten van die werkzaamheden; of
b. waarop, indien het een volgende betalingstermijn betreft, de betrokkene recht zou hebben gehad op de eerste dag van die termijn indien hij die werkzaamheden niet was gaan verrichten.

 

Art. XI [XI].  [MvT + bis]
-1. Het orgaan dat ter zake van de stimuleringsuitkering bevoegd is, stelt zo spoedig mogelijk vast of een recht op uitkering bestaat nadat daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend.
-2. Van de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, stelt het orgaan de belanghebbende onverwijld schriftelijk in kennis.
-3. De stimuleringsuitkering wordt per jaar berekend en betaald in drie jaarlijkse termijnen.
-4. Uitbetaling van een termijn vindt plaats nadat daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend.
-5. Na het overlijden van degene aan wie een stimuleringsuitkering is toegekend, wordt, mits daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend, de uitkering, voor zover niet reeds uitbetaald, tot en met de dag van overlijden uitbetaald aan een persoon als bedoeld artikel 53, eerste lid, onderdeel a, b of c, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Artikel 53, tweede en derde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is met betrekking tot de eerste volzin van overeenkomstige toepassing.

 

Art. XII [XII].  [MvT + bis]
De stimuleringsuitkering is geen inkomen in de zin van de artikelen 6 en 10 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Stb. 1987, 92), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 1987, 281) en de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395), geen loon in de zin van de Ziekenfondswet (Stb. 1964, 392) en geen inkomen uit of in verband met arbeid in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet.

 

Art. XIII [XIII].  [MvT + bis]
-1. Indien het recht op stimuleringsuitkering wordt ontleend aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, wordt de stimuleringsuitkering betaald door de bedrijfsvereniging die de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend en komt zij in verhouding van de niet-betaalde uitkeringen en toeslagen, bedoeld in artikel X [X], ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Rijk, indien het een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen betreft, en het Toeslagenfonds.
-2. Indien het recht op stimuleringsuitkering wordt ontleend aan de aanvulling van het invaliditeitspensioen op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 9b van die wet, of aan de aanvulling van het invaliditeitspensioen op grond van de Spoorwegpensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 7b van die wet, dan wel van het pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken op grond van de Algemene militaire pensioenwet, alsmede de verhoging op grond van artikel F 9a van die wet, wordt de stimuleringsuitkering betaald en komt zij ten laste van onderscheidenlijk het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds of het Rijk.

 

Art. XIV [XIV].  [MvT + bis]
-1. De artikelen 50, tweede tot en met zevende lid, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 87 en 88 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 3a, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1987, 552) en de artikelen 41, tweede tot en met zesde lid, 41a, 45, 46, 47, 48, 50, 51, 79 en 80 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 6 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen zijn van overeenkomstige toepassing op de stimuleringsuitkering die is ontleend aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.
-2. De artikelen I 1, I 2, I 3, I 4, O 1, eerste lid, O 2, eerste lid, R 1, R 2, R 3, S 1, S 2, S 3, S 4 en S 5 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de artikelen I 1, I 2, I 3, I 4, O 1, eerste lid, R 1, R 2, R 3, S 1, S 2, S 3, S 4 en S 5 van de Spoorwegpensioenwet alsmede de artikelen I 1,14, eerste lid, I 5, eerste lid, onderdeel a, tweede lid, I 6, S 1, V 1, tweede lid, V 2, V 3, tweede lid, V 12 en W 1, W 4, W 5, W 6, eerste lid en W 7 van de Algemene militaire pensioenwet zijn van overeenkomstige toepassing op de stimuleringsuitkering die is ontleend aan een invaliditeitspensioen op grond van onderscheidenlijk de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet of een pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken op grond van de Algemene militaire pensioenwet.

 

Art. XV [XV].  [MvT + bis]
Bij ministeriële regeling kan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, voor zover het hen aangaat in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Defensie, met betrekking tot dit hoofdstuk nadere regels stellen. In deze regels kan onder meer worden bepaald dat perioden waarin geen arbeid is verricht, worden gelijkgesteld met perioden waarin arbeid is verricht.

 

 

HOOFDSTUK  III

Overgangs- en slotbepalingen

 

Art. XVI [XVI].  [MvT]
-1. De artikelen 5 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en 18 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, blijven van toepassing op een persoon die op die dag recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die op de dag van inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt.
-2. De artikelen 24 en 26 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de artikelen 34 en 36 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze luiden na de inwerkingtreding van deze wet, vinden geen toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen.
-3. De artikelen 5 en 24 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en 18 en 34 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, blijven tot een latere datum dan de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op een persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en die op de dag van inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt.
-4. De in het derde lid bedoelde latere datum wordt bij ministeriële regeling, gehoord de Sociale Verzekeringsraad, per groep van personen, rekening houdend met hun leeftijd, vastgesteld. Deze datum wordt in ieder geval niet later gesteld dan vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
-5. Voor de toepassing van artikel 24 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 34 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals deze artikelen luiden na de inwerkingtreding van deze wet, wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de persoon, bedoeld in het derde lid, geacht te zijn toegekend op de dag waarop de in dat lid genoemde artikelen op hem van toepassing worden.
-6. Artikel 24, tweede lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 34, tweede lid, van de Wet op arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, blijven tot zes maanden na de dag waarop deze wet in werking treedt van toepassing op een persoon wiens arbeidsongeschiktheid in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is aangevangen uiterlijk zes maanden vóór de inwerkingtreding van deze wet en ter zake van die arbeidsongeschiktheid recht op uitkering heeft op grond van de Ziektewet (Stb. 1987, 88).
-7. De wijzigingen van artikel 36 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en 26 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, zoals vervat in artikel I, onderdeel I [I,I], en artikel F, onderdeel E,¹ vinden geen toepassing ten aanzien van de persoon wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan op een dag gelegen vóór de inwerkingtreding van deze wet.

1. Volgens de redactie dient "artikel F, onderdeel E" te worden vervangen door: artikel II, onderdeel F [II,F].

 

Art. XVII [XVII].  [MvT]
-1. De artikelen 21, 22, 40, 48, 53 en 59, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop artikel I [I] van deze wet in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon die op de dag van inwerkingtreding van deze wet 50 jaar of ouder is. De artikelen 21a en 21b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn op deze persoon niet van toepassing.
-2. In afwijking van het eerste lid is artikel 21, vierde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals dat artikel luidt na inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de persoon die op de dag waarop artikel I [I] van deze wet in werking treedt 50 jaar of ouder is.

 

Art. XVIII [-].  [MvT]
Ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop artikel I [I] van deze wet in werking treedt recht had op uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, waaronder begrepen een uitkering op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, en op de dag van inwerkingtreding van deze wet jonger is dan 50 jaar, wordt bij de toepassing van de artikelen 21a en 21b van die wet het volgende in acht genomen:
a. als leeftijd op de datum met ingang waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend, wordt beschouwd: de leeftijd van betrokkene op de datum van inwerkingtreding van deze wet;
b. het vervolgdagloon wordt niet lager vastgesteld dan het dagloon waarnaar de loondervingsuitkering van betrokkene laatstelijk werd berekend.

 

Art. XIX [XVIII].  [MvT]
-1. De periode van toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in de artikel 34, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en artikel 24, eerste lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, wordt in afwijking van het in die artikelen bepaalde tot een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip gesteld op vijf jaar. Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip, tot nog een later tijdstip, een termijn van vier jaar in aanmerking wordt genomen.
-2. De wijziging van de termijn, bedoeld in het eerste lid, brengt geen wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen die zijn toegekend of voortgezet op een tijdstip gelegen vóór het tijdstip van wijziging van de termijn.

 

Art. XX [XIX].  [MvT]
-1. Indien vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegepast ten aanzien van een persoon op wie onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet artikel 34 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 45 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering werd toegepast, dient er voor de toepassing van het genoemde artikel 33, tweede lid, dan wel artikel 44, tweede lid, van worden uitgegaan dat de in die artikelen genoemde termijn van drie jaren is aangevangen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
-2. Indien vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt toegepast ten aanzien van de persoon:
a. als bedoeld in het eerste lid;
b. op wie onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering werd toegepast;
c. als bedoeld in artikel XVII [XVII], eerste lid;
wordt ten aanzien van deze persoon onder de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde arbeid en onder de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid in het eerste lid van respectievelijk genoemd artikel 33 en 44 verstaan de arbeid in genoemde artikelen 18 en 5, zoals deze artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, met dien verstande dat ten aanzien van de persoon, bedoeld in onderdeel a en b, laatstbedoelde arbeid in aanmerking wordt genomen tot aan de latere datum, bedoeld in artikel XVI [XVI], derde lid.

 

Art. XXI [XX].  [MvT]
-1. De artikelen A 2, C 6, E 1, F 9 en K 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de artikelen A 2, C 6, E 1, F 7 en K 2 van de Spoorwegpensioenwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, blijven van toepassing op een persoon die op die dag recht had op een aanvulling van zijn invaliditeitspensioen en op de dag van inwerkingtreding van deze wet de leeftijd van 50 jaar heeft bereikt.
-2. De artikelen F 9b en F 10 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de artikelen F 7b en F 8 van de Spoorwegpensioenwet, zoals deze artikelen luiden na de inwerkingtreding van deze wet, vinden geen toepassing ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen.
-3. De artikelen A 2, E 1, F 9, met uitzondering van het vierde lid, tweede volzin, F 9b en K 2 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de artikelen A 2, E 1, F 7, met uitzondering van het vierde lid, tweede volzin, F 7b en K 2 van de Spoorwegpensioenwet, zoals deze artikelen luiden na de inwerkingtreding van deze wet, worden met ingang van een latere datum dan de datum van inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt recht heeft op een aanvulling van zijn invaliditeitspensioen en op die datum de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt.
-4. De in het derde lid bedoelde latere datum wordt bij ministeriële regeling, gehoord het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds en de directie van het Spoorwegpensioenfonds, per groep van personen, rekening houdend met hun leeftijd, vastgesteld. De datum wordt in ieder geval niet later gesteld dan vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet
-5. Voor de toepassing van artikel F 10 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en artikel F 8 van de Spoorwegpensioenwet, zoals deze artikelen luiden na de inwerkingtreding van deze wet, geldt als datum waarop de aanvulling aan de belanghebbende, bedoeld in het derde lid van dit artikel, wordt toegekend de dag waarop de in dat lid genoemde artikelen op hem van toepassing worden.
-6. Artikel F 10a van de Algemene burgerlijke pensioenwet en artikel F 8a van de Spoorwegpensioenwet vinden geen toepassing ten aanzien van de persoon wiens invaliditeitspensioen is ingegaan op een dag gelegen vóór de inwerkingtreding van deze wet.

 

Art. XXII [XXI].  [MvT]
-1. De artikelen F 9, vierde, vijfde en achtste lid, en J 19 van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de artikelen F 7, vierde, vijfde en achtste lid, en J 19 van de Spoorwegpensioenwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop de artikelen V [V] en VI [VI] van deze wet in werking treden, blijven van toepassing op de persoon die op die dag 50 jaar of ouder is.
-2. In afwijking van het in het vorige lid ter zake gestelde is de bepaling in artikel F 9, vierde lid, tweede volzin, van de Algemene burgerlijke pensioenwet en artikel F 7, vierde lid, tweede volzin, van de Spoorwegpensioenwet, zoals deze volzinnen luiden na inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de artikelen V [V] en VI [VI] van deze wet in werking treden 50 jaar of ouder is.

 

Art. XXIII [-].  [MvT]
Ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop de artikelen V [V] en VI [VI] van deze wet in werking treden recht had op een aanvulling van zijn invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet en op de dag van inwerkingtreding van deze wet jonger is dan 50 jaar, wordt bij de toepassing van de artikelen F 9, zesde lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet en F 7, zesde lid, van de Spoorwegpensioenwet het volgende in acht genomen:
a. als leeftijd op de datum met ingang waarvan een invaliditeitspensioen wordt toegekend, wordt beschouwd: de leeftijd van betrokkene op de datum van inwerkingtreding van deze wet;
b. de aanvullingsgrondslag wordt niet lager vastgesteld dan de middelsom waarnaar het invaliditeitspensioen van betrokkene laatstelijk werd berekend.

 

Art. XXIV [XII].  [MvT]
-1. De periode van toekenning van een aanvulling, bedoeld in de artikelen F 10, eerste lid, van de Algemene burgerlijke pensioenwet en artikel F 8, eerste lid, van de Spoorwegpensioenwet, wordt in afwijking van het in die artikelen bepaalde tot een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip gesteld op vijf jaar. Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip, tot nog een later tijdstip, een termijn van vier jaar in aanmerking wordt genomen.
-2. De wijziging van de termijn, bedoeld in het eerste lid, brengt geen wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van aanvullingen die zijn toegekend of voortgezet op een tijdstip gelegen vóór het tijdstip van wijziging van de termijn.

 

Art. XXV [XXIII].  [MvT]
-1. Ten aanzien van de persoon bij wie op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze wet artikel J 20 van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel artikel J 20 van de Spoorwegpensioenwet werd toegepast, dient er voor de toepassing van het eerste lid van die artikelen van te worden uitgegaan dat de in die artikelen genoemde termijn van drie jaren is aangevangen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
-2. Indien vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet artikel J 20 van de Algemene burgerlijke pensioenwet dan wel artikel J 20 van de Spoorwegpensioenwet wordt toegepast ten aanzien van de persoon:
a. als bedoeld in het eerste lid;
b. als bedoeld in artikel XXI [XX], eerste lid;
wordt ten aanzien van deze persoon onder de in artikel F 9, tweede lid, tweede volzin, bedoelde arbeid en onder de in artikel F 7, tweede lid, tweede volzin, bedoelde arbeid in het eerste lid van genoemde artikelen J 20 verstaan de arbeid in genoemde artikelen F 9 en F 7, zoals deze artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, met dien verstande dat ten aanzien van de onder a bedoelde persoon laatstbedoelde arbeid in aanmerking wordt genomen tot aan de latere datum, bedoeld in artikel XXI [XX], derde lid.

 

Art. XXVI [XXIV].  [MvT]
-1. De artikelen E 6 en F 6 van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, blijven van toepassing op een persoon die op die dag recht had op een aanvulling van zijn pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken en op die dag 50 jaar of ouder is. In afwijking van de eerste volzin is het bepaalde in artikel F 6, negentiende lid, zoals dit lid luidt na de inwerkingtreding van deze wet, wel op deze personen van toepassing.
-2. Artikel F 9a vindt geen toepassing op de in het eerste lid bedoelde personen.
-3. De artikelen E 6, behoudens het bepaalde in het derde lid, tweede en derde volzin, F 6, behoudens het bepaalde in het negentiende lid, en F 9a van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die artikelen luiden na de inwerkingtreding van deze wet, worden met ingang van een latere datum dan de datum van de inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt recht heeft op een aanvulling van zijn pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken en op die datum de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt.
-4. De in het derde lid bedoelde latere datum wordt door Onze Minister, per groep van personen rekening houdend met hun leeftijd, vastgesteld. De datum, bedoeld in het derde lid, wordt in ieder geval niet later gesteld dan vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet.
-5. Voor de toepassing van artikel F 6b van de Algemene militaire pensioenwet geldt als datum waarop de aanvulling van de belanghebbende, bedoeld in het derde lid van dit artikel, wordt toegekend de dag waarop de in dat lid genoemde artikelen op hem van toepassing worden.
-6. Artikel F 6a van de Algemene militaire pensioenwet vindt geen toepassing ten aanzien van de persoon wiens pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken is ingegaan op een dag gelegen vóór de inwerkingtreding van deze wet.

 

Art. XXVII [-].  [MvT]
-1. De artikelen E 6, derde, vijfde en zesde lid, en V 4 van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande aan die waarop artikel VII [VII] van deze wet in werking treedt, blijven van toepassing op de persoon die op die dag 50 jaar of ouder is.
-2. In afwijking van het in het eerste lid ter zake gestelde is de bepaling in artikel E 6, derde lid, tweede en derde volzin, van de Algemene militaire pensioenwet, zoals deze volzinnen luiden na de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing op de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop artikel VII [VII] van deze wet in werking treedt 50 jaar of ouder is.

 

Art. XXVIII [XXV].  [MvT]
Ten aanzien van de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop artikel VII [VII] deze wet in werking treedt recht had op een aanvulling van zijn pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken ingevolge de Algemene militaire pensioenwet en op de dag van inwerkingtreding van deze wet jonger is dan 50 jaar, wordt bij de toepassing van artikel F 6, tweede lid, van de Algemene militaire pensioenwet het volgende in acht genomen:
a. als de leeftijd op de datum met ingang waarvan een pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken wordt toegekend, wordt beschouwd: de leeftijd van betrokkene op de datum van inwerkingtreding van deze wet;
b. de aanvullingsgrondslag wordt niet lager vastgesteld dan de pensioengrondslag waarnaar het pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken laatstelijk werd berekend.

 

Art. XXIX [XXVI].  [MvT]
-1. De periode van toekenning van een aanvulling, bedoeld in artikel F 6, achtste lid, van de Algemene militaire pensioenwet, wordt in afwijking van het in dit artikel bepaalde tot een nader bij algemene maatregel van bestuur te bepalen tijdstip gesteld op vijf jaar. Bij algemene maatregel van bestuur kan voorts worden bepaald dat na het in de eerste volzin bedoelde tijdstip, tot nog een later tijdstip, een termijn van vier jaar in aanmerking wordt genomen.
-2. De wijziging van de termijn, bedoeld in het eerste lid, brengt geen wijziging in de termijnen zoals die gelden ter zake van aanvullingen die zijn toegekend of voortgezet op een tijdstip gelegen vóór het tijdstip van wijziging van de termijn.

 

Art. XXX [XVII].  [MvT]
-1. Ten aanzien van de persoon bij wie op de dag voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze wet artikel V 4, vijfde lid, van de Algemene militaire pensioenwet werd toegepast, dient er voor de toepassing van dat lid van worden uitgegaan dat de in dat artikel genoemde termijn van drie jaren is aangevangen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
-2. Indien vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet artikel V 4, vijfde lid, van de Algemene militaire pensioenwet wordt toegepast ten aanzien van de persoon:
a. als bedoeld in het eerste lid;
b. als bedoeld in artikel XXVI [XXIV], eerste lid;
wordt ten aanzien van deze persoon onder de in artikel E 6, tweede lid, tweede volzin, bedoelde arbeid in het vijfde lid van genoemd artikel V 4 verstaan de arbeid in genoemd artikel E 6, zoals dit artikel luidde op de dag voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, met dien verstande dat ten aanzien van de onder a bedoelde persoon laatstbedoelde arbeid in aanmerking wordt genomen tot aan de latere datum, bedoeld in artikel XXVI [XXIV], derde lid.

 

Art. XXXI [XXVIII].
In artikel 52, derde lid, van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, zoals deze luidt op de dag waarop deze wet in werking treedt, wordt na "arbeidsongeschiktheidsregelingen" op de gebruikelijke wijze ingevoegd de jaargang en het nummer van het Staatsblad waarin deze wet is geplaatst.

 

Art. XXXII [XXIX].
-1. Deze wet treedt in werking op een en bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.
-2. Bij koninklijk besluit kan de datum van 1 februari 1994, genoemd in artikel IX [IX], eerste lid, later worden gesteld.

 

Art. XXXIII [XXX].
Deze wet wordt aangehaald als: Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.

 

 

     Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

 

Gegeven

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

De Minister van Binnenlandse Zaken,

De Minister van Defensie,

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | Wet TBA | MvT | geschiedenis | sz-wetten | overige wetten | zoeken

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x