|
Kamerstukken II 1992-1993,
22 824
Wijziging
van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten
strekkende tot
herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het
uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van
een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen) ¹
1. Redactie:
de wet is gepubliceerd in Stb. 1993, 412, en is in werking
getreden met ingang van 1 augustus 1993 (Stb. 1993, 413).
| Nr.r1 |
KONINKLIJKE
BOODSCHAP |
Aan de Tweede Kamer der
Staten-Generaal
Wij
bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende ¹ tot
wijziging van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele
andere wetten strekkende tot
herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het
uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van
een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen).
De toelichtende
memorie (en bijlagen), die het Wetsvoorstel vergezelt, bevat de
gronden waarop het rust.
En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige
bescherming.
1. Volgens de redactie
dient "houdende" te vervallen.
's-Gravenhage, 22 september
1992
BEATRIX
WIJ
BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te
weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is met het oog op
terugdringing van het arbeidsongeschiktheidsvolume het
arbeidsongeschiktheidscriterium in de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de overheidspensioenwetten te herzien
en het recht op uitkering ingevolge die wetten aan een termijn te
binden, in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de
overheidspensioenwetten de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
in verband te brengen met de leeftijd waarop de uitkering wordt
toegekend en een stimuleringsmaatregel te treffen voor
arbeidsongeschikten die herintreden op de arbeidsmarkt;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
HOOFDSTUK
I
Wetswijzigingen
Art.
I [I].
[MvT]
De
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (Stb.
1987, 89) wordt
gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
Artikel
13 wordt gewijzigd als volgt:
Onder
vernummering van het tweede en derde lid
tot derde en vierde lid
wordt na het eerste lid een nieuw lid ingevoegd, luidende:
-2.
Minimumloon is het minimumloon per
maand, bedoeld in artikel 8, eerste
lid, onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
(Stb. 1968, 657), of, indien het een werknemer jonger dan 23 jaar
betreft,
het voor zijn leeftijd geldende
minimumloon per maand, bedoeld in
artikel 7, derde lid, en artikel 8,
derde lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd
met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel
15 van die
wet, en vervolgens gedeeld
door 21,75.
B [B]. [MvT]
Artikel
18 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het eerste lid komt te luiden:
-1.
Arbeidsongeschikt, geheel of
gedeeltelijk, is hij die als
rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg
van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen met soortgelijke opleiding en
ervaring ter plaatse waar
hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan,
met arbeid gewoonlijk verdienen.
2.
Het tweede lid komt te luiden:
-2.
Degene die op en sedert het tijdstip dat
zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste
lid, wordt voor wat de door hem aan deze
wet te ontlenen aanspraken
betreft als geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt aangemerkt
indien hij als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg
van ziekte of gebreken geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen
soortgelijke personen die in dezelfde mate
arbeidsongeschikt zijn in de zin van het
eerste lid, ter plaatse waar hij
arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met
arbeid gewoonlijk verdienen.
3.
Het vijfde lid komt te luiden:
-5.
In het eerste en tweede lid wordt onder
de eerstgenoemde arbeid verstaan
alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe de werknemer met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
C [C].
[MvT]
Artikel
21 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Onder vernummering van het eerste en
tweede lid tot tweede en derde
lid wordt een nieuw eerste lid ingevoegd,
luidende:
-1.
De arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van deze wet bestaat achtereenvolgens
uit een loondervingsuitkering waarvoor
het dagloon als
maatstaf geldt en een vervolguitkering
waarvoor het vervolgdagloon als
maatstaf geldt.
2.
In het tot tweede lid vernummerde eerste
lid wordt na "het dagloon"
telkens ingevoegd: of het
vervolgdagloon.
3.
Aan het artikel wordt een vierde lid
toegevoegd, luidende:
-4.
Indien de verzekerde zonder redelijke
gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig
resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond.
D [D]. [MvT]
Na
artikel 21 worden twee nieuwe artikelen
ingevoegd, luidende:
Art. 21a.
[MvT]
De
duur van de loondervingsuitkering is
voor degene die op de datum met
ingang waarvan hem
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend:
58
jaar of ouder is zeven jaar;
53
jaar of ouder is vier jaar;
48
jaar of ouder is drie jaar;
43
jaar of ouder is tweeënhalf jaar;
38
jaar of ouder is twee jaar;
33
jaar of ouder is anderhalf jaar; en
jonger
is dan 33 jaar één jaar.
Art. 21b.
[MvT]
-1.
Na afloop van de in artikel 21a
bedoelde periode bestaat recht op vervolguitkering
in aanmerking genomen ¹ met als maatstaf
het vervolgdagloon.
-2.
Het vervolgdagloon is gelijk aan het
minimumloon verhoogd met een
percentage van het verschil tussen het
dagloon en het minimumloon.
-3.
Voor de berekening van het
vervolgdagloon geldt een percentage van
2,5-maal het aantal verstreken jaren
tussen het 18de jaar en de leeftijd
van de betrokkene op de datum met ingang
waarvan hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend.
-4.
Indien het dagloon lager is dan het
minimumloon, wordt het vervolgdagloon
vastgesteld op het dagloon.
-5.
Voor de toepassing van artikel 21a
en
het derde lid wordt voor degene
ten aanzien van wie artikel
35, tweede
lid, wordt toegepast als datum
met ingang waarvan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend
in aanmerking genomen de datum waarop de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
zou zijn toegekend als dat lid niet was
toegepast.
E [E]. [MvT]
In
artikel 22, eerste lid, wordt na "zijn
dagloon" ingevoegd: of zijn vervolgdagloon.
F [F].
[MvT]
Artikel
28 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Voor de tekst van het artikel wordt de
aanduiding "-1." geplaatst, waarna, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e
door een puntkomma, onderdeel
f wordt toegevoegd, luidende:
f.
indien belanghebbende zich niet houdt
aan de voorschriften, bedoeld
in artikel
34, derde lid.
2.
Aan het artikel wordt een tweede lid
toegevoegd, luidende:
-2.
De Sociale Verzekeringsraad kan met
betrekking tot de bij artikel 25 en
het eerste lid aan de bedrijfsvereniging
gegeven bevoegdheid nadere regelen stellen.
G [G].
[MvT]
Artikel
34 komt als volgt te luiden:
Art.
34.
-1.
Onverminderd het in deze wet ter zake van
herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
bepaalde wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op aanvraag toegekend over perioden van
drie jaar.
-2.
De bedrijfsvereniging is verplicht de
belanghebbende van de mogelijkheid
van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis te stellen
uiterlijk vier maanden vóór de datum
waarop:
a.
de uitkering van ziekengeld krachtens de
Ziektewet wegens het bereiken
van de maximale duur, bedoeld in artikel
29 van die wet, eindigt;
b.
de termijn, bedoeld in het eerste lid,
verstrijkt.
-3.
De belanghebbende die in aanmerking
wenst te komen voor toekenning
dan wel voortzetting van de uitkering
dient zijn aanvraag te doen
binnen negen maanden na aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk
uiterlijk drie maanden vóór de in het
eerste lid bedoelde termijn
verstrijkt.
-4.
Indien de bedrijfsvereniging niet tijdig
beslist op een tijdig ingediende
aanvraag tot voortzetting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt de uitkering voortgezet tot het
moment van de beslissing op de
aanvraag.
-5.
Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn
ingediend indien de bedrijfsvereniging
de kennisgeving als bedoeld in het
tweede lid, niet heeft
gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving dan bedoeld in het
tweede lid de aanvraag wordt ingediend
binnen één maand nadat deze
kennisgeving is ontvangen.
-6.
Indien de uitkering wordt voortgezet,
wordt als dagloon of vervolgdagloon
in aanmerking genomen het dagloon of het
vervolgdagloon dat zou
hebben gegolden als de periode, bedoeld
in het eerste lid, niet was geëindigd.
-7.
De Sociale Verzekeringsraad kan, onder
goedkeuring van Onze
Minister,
ten aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten bepalen dat
geen termijn geldt dan wel een termijn
zal gelden die afwijkt van de in
het eerste lid genoemde termijn.
H [H]. [MvT]
In
artikel 35, tweede lid, vervalt de
zinsnede "of waarop ambtshalve toekenning
plaatsvond".
I [I]. [MvT]
In
artikel 36 worden, onder vernummering van
het tweede lid tot vierde lid,
na het eerste lid twee nieuwe leden ingevoegd,
luidende:
-2.
Onverminderd het in deze wet ter zake
van herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
bepaalde dient binnen één jaar na
ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet
zijnde een voortzetting
als bedoeld in artikel
34, derde lid,
door de bedrijfsvereniging te worden
bezien of er gronden aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3.
De Sociale Verzekeringsraad kan, onder
goedkeuring van Onze
Minister,
ten aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten bepalen dat
geen termijn geldt dan wel een termijn
zal gelden die afwijkt van de in
het tweede lid genoemde termijn.
J [J].
[MvT]
Artikel
40 wordt gewijzigd als volgt:
1.
In het eerste lid wordt de zinsnede
"mits dat leidt tot een hoger
dagloon
dan hetwelk laatstelijk aan de
arbeidsongeschiktheidsuitkering ten
grondslag werd gelegd" gewijzigd in:
mits dat leidt tot een hoger dagloon
dan het dagloon dat voor de berekening
van de laatstelijk ontvangen
loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd
genomen.
2.
Aan het artikel wordt een lid
toegevoegd, luidende:
-4. Onze Minister kan, gehoord de Sociale
Verzekeringsraad, regels stellen
op grond waarvan in geval van herziening
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen
arbeidsongeschiktheid tijdens
het ontvangen van een vervolguitkering,
opnieuw een loondervingsuitkering
kan worden toegekend en het percentage,
bedoeld in artikel
21b, derde lid, kan worden verhoogd,
mits de betrokkene bij de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid ter zake van
het verrichten van werkzaamheden
op grond van deze wet verzekerd was.
K [K]. [MvT]
Artikel
44 komt als volgt te luiden:
Art.
44.
-1.
Indien degene die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet, wordt,
zolang niet vaststaat of deze arbeid
als arbeid, bedoeld in artikel
18,
vijfde lid, kan worden aangemerkt,
de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
ingetrokken of herzien, doch
wordt die uitkering:
a.
niet uitbetaald indien de inkomsten uit
arbeid zodanig zijn dat als die
arbeid wel de in artikel
18, vijfde lid,
bedoelde arbeid zou zijn, niet langer
sprake zou zijn van een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%;
of
b.
indien het bepaalde onder a niet van
toepassing is, uitbetaald tot een
bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze
zou zijn vastgesteld indien die arbeid
wel de in artikel
18, vijfde lid, bedoelde
arbeid zou zijn.
-2.
De toepassing van het bepaalde in het
eerste lid vindt ten hoogste plaats
over een aaneengesloten termijn van drie
jaren, aanvangende op de
eerste dag waarover de inkomsten uit
arbeid, bedoeld in dat lid, worden
genoten. Deze
termijn wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien gedurende perioden
van korter dan één maand geen inkomsten
uit arbeid worden genoten.
Na afloop van de in de eerste volzin
genoemde termijn wordt de
in het eerste lid bedoelde arbeid
aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
18, vijfde lid.
-3.
Indien degene die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet die bestaan
uit loon ingevolge de Wet
Sociale Werkvoorziening en de te harer
uitvoering genomen besluiten,
vindt het tweede lid geen toepassing.
-4.
Na afloop van een kalenderkwartaal wordt
het gezamenlijke bedrag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die op grond van het derde lid niet
zijn uitbetaald wegens het genieten van
het loon, bedoeld in het derde
lid, alsmede van de dientengevolge niet
uitbetaalde vakantie-uitkeringen
aan 's Rijks kas afgedragen.
-5. Onze Minister kan, gehoord de Sociale
Verzekeringsraad, bepalen dat
het tweede lid geen toepassing vindt ten
aanzien van bepaalde groepen
personen.
-6.
Onze Minister kan met betrekking tot dit
artikel nadere, en voor bijzondere
gevallen, zo nodig afwijkende regels
stellen.
L [L].
[MvT]
Artikel
45 vervalt.
M [M]. [MvT]
In
artikel 46a, tweede lid, vervalt ",
45
(alsmede "34,).²
N [N]. [MvT]
Artikel 48, derde lid, wordt vervangen door:
-3.
Voor de berekening van de heropende
arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt als dagloon of vervolgdagloon
beschouwd het dagloon of vervolgdagloon
waarnaar de ingetrokken uitkering op de
dag van ingang van
de heropende uitkering zou zijn berekend indien de uitkering niet was
ingetrokken, tenzij hernieuwde
vaststelling van een dagloon overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens artikel 14
en met inachtneming
van artikel 15 tot een hoger dagloon of
vervolgdagloon leidt, in welk
geval de heropende uitkering aan de hand
van dit dagloon of vervolgdagloon
wordt berekend.
O [O].
[MvT]
In
artikel 53, zesde lid, wordt na "100/108-maal het dagloon" ingevoegd:
of het vervolgdagloon.
P [P].
[MvT]
In
artikel 59b worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1.
Het tweede lid wordt vervangen door:
-2.
Indien artikel 44 is toegepast, wordt
onder het bedrag aan
arbeidsongeschiktheidsuitkering
als bedoeld in het eerste lid verstaan
het bedrag
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
nadat artikel 44 is toegepast.
2.
In het vierde lid, eerste en derde
volzin, vervalt telkens ", 45, eerste
lid, en wordt "de artikelen
21, eerste lid"
telkens gewijzigd in: de artikelen
21, tweede lid.
Q [Q].
[MvT]
In
artikel 71 worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1.
In het eerste lid vervalt ", 45,).³
2.
In het tweede lid wordt onderdeel e
vervangen door:
e.
ten aanzien van een beslissing tot
toepassing van artikel
44, derde lid.
R [R].
[MvT]
In
artikel 73, derde lid, wordt "haar
verplichting als bedoeld in artikel 71a"
vervangen door: haar verplichtingen als
bedoeld in de artikelen 34 en
71a.
S [V].
[MvT]
In
artikel 98b wordt na "19, tweede en
derde lid," ingevoegd: 21a,.
1.
Volgens de redactie dient "in aanmerking genomen"
te vervallen.
2. Volgens de redactie dient
"vervalt ", 45
(alsmede "34,)"
te worden vervangen door: vervalt ",
45"
alsmede "34,".
3. Volgens de redactie dient
"vervalt ", 45,)"
te worden vervangen door: vervalt ",
45,".
Art.
II [II]. [MvT]
De Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (Stb.
1990, 127) wordt gewijzigd
als volgt:
A [A].
[MvT]
Artikel
5 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het eerste lid komt te luiden:
-1. Arbeidsongeschikt, geheel of
gedeeltelijk, is hij die als
rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen gevolg
van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen met soortgelijke opleiding en
ervaring, ter plaatse waar
hij arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan,
met arbeid gewoonlijk verdienen.
2.
Het tweede lid komt te luiden:
-2.
Degene die op en sedert het tijdstip dat
zijn verzekering een aanvang neemt reeds gedeeltelijk
arbeidsongeschikt is in de zin van het eerste
lid, wordt voor wat de door hem aan deze
wet te ontlenen aanspraken
betreft als geheel of gedeeltelijk
arbeidsongeschikt aangemerkt
indien hij als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg
van ziekte of gebreken geheel of
gedeeltelijk niet in staat is om met
arbeid te verdienen hetgeen
soortgelijke personen die in dezelfde mate
arbeidsongeschikt zijn in de zin van het
eerste lid, ter plaatse waar hij
arbeid verricht of het laatst heeft
verricht, of in de omgeving daarvan, met
arbeid gewoonlijk verdienen.
3.
Het vijfde lid komt te luiden:
-5.
In het eerste en tweede lid wordt onder
de eerstgenoemde arbeid verstaan
alle algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe de verzekerde met zijn
krachten en bekwaamheden in staat is.
B [B]. [MvT]
Aan
artikel 12 wordt een nieuw derde lid
toegevoegd, luidende:
-3.
Indien de verzekerde zonder redelijke
gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig
resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond.
C [C].
[MvT]
Artikel
19 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Voor de tekst van het artikel wordt de
aanduiding "-1." geplaatst, waarna, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e
door een puntkomma, een onderdeel
f wordt toegevoegd, luidende:
f.
indien belanghebbende zich niet houdt
aan het voorschrift, bedoeld in
artikel 24, derde lid.
2.
Aan het artikel wordt een tweede lid
toegevoegd, luidende:
-2.
De Sociale Verzekeringsraad kan met
betrekking tot de bij artikel 16 en
het eerste lid aan de bedrijfsvereniging
gegeven bevoegdheid nadere regelen stellen.
D [D]. [MvT]
Artikel
24 komt als volgt te luiden:
Art.
24.
-1.
Onverminderd het in deze wet ter zake van
herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
bepaalde wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
op aanvraag toegekend over perioden van
drie jaar.
-2.
De bedrijfsvereniging is verplicht de
belanghebbende van de mogelijkheid
van het doen van een aanvraag
schriftelijk in kennis te stellen
uiterlijk vier maanden vóór de datum
waarop:
a.
de uitkering van ziekengeld krachtens de
Ziektewet wegens het bereiken
van de maximale duur, bedoeld in artikel
29 van die wet, eindigt;
b.
de termijn, bedoeld in het eerste lid,
verstrijkt.
-3.
De belanghebbende die in aanmerking
wenst te komen voor toekenning
dan wel voortzetting van de uitkering
dient zijn aanvraag te doen
binnen negen maanden na aanvang van zijn
arbeidsongeschiktheid onderscheidenlijk
uiterlijk drie maanden vóór de in het
eerste lid bedoelde termijn
verstrijkt.
-4.
Indien de bedrijfsvereniging niet tijdig
beslist op een tijdig ingediende
aanvraag tot voortzetting van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
wordt de uitkering voortgezet tot het
moment van de beslissing op de
aanvraag.
-5.
Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn
ingediend indien de bedrijfsvereniging
de kennisgeving als bedoeld in het
tweede lid, niet heeft
gedaan dan wel indien bij een latere
kennisgeving dan bedoeld in het
tweede lid de aanvraag wordt ingediend
binnen één maand nadat deze
kennisgeving is ontvangen.
-6.
De Sociale Verzekeringsraad kan, onder
goedkeuring van Onze
Minister,
ten aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten bepalen dat
geen termijn geldt dan wel een termijn
zal gelden die afwijkt van de in
het eerste lid genoemde termijn.
E [E].
[MvT]
In
artikel 25, tweede lid, vervalt de
zinsnede "of waarop ambtshalve toekenning
plaatsvond".
F [F]. [MvT]
In
artikel 26 worden, onder vernummering van
het tweede lid tot vierde lid,
twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:
-2.
Onverminderd het in deze wet ter zake
van herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
bepaalde dient binnen één jaar na
ingang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, niet
zijnde een voortzetting
als bedoeld in artikel 24, derde lid,
door de bedrijfsvereniging te worden
bezien of er gronden aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
-3.
De Sociale Verzekeringsraad kan, onder
goedkeuring van Onze
Minister,
ten aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten bepalen dat
geen termijn geldt dan wel een termijn
zal gelden die afwijkt van de in
het tweede lid genoemde termijn.
G [G].
[MvT]
Artikel
33 komt als volgt te luiden:
Art.
33.
-1.
Indien degene die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet, wordt,
zolang niet vaststaat of deze arbeid
als arbeid, bedoeld in artikel 5, vijfde
lid, kan worden aangemerkt, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet
ingetrokken of herzien, doch wordt
die uitkering:
a.
niet uitbetaald indien de inkomsten uit
arbeid zodanig zijn dat als die
arbeid wel de in artikel 5, vijfde lid,
bedoelde arbeid zou zijn, niet langer
sprake zou zijn van een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%;
of
b.
indien het bepaalde onder a niet van
toepassing is, uitbetaald tot een
bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals deze
zou zijn vastgesteld indien die arbeid
wel de in artikel 5, vijfde lid, bedoelde
arbeid zou zijn.
-2.
De toepassing van het bepaalde in het
eerste lid vindt ten hoogste plaats
over een aaneengesloten termijn van drie
jaren, aanvangende op de
eerste dag waarover de inkomsten uit
arbeid, bedoeld in dat lid, worden
genoten. Deze
termijn wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien gedurende perioden
van korter dan één maand geen inkomsten
uit arbeid worden genoten.
Na afloop van de in de eerste volzin
genoemde termijn wordt de
in het eerste lid bedoelde arbeid
aangemerkt als arbeid, bedoeld in artikel
5, vijfde lid.
-3.
Indien degene die recht heeft op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
inkomsten uit arbeid geniet die bestaan
uit loon ingevolge de Wet
Sociale Werkvoorziening en de te harer
uitvoering genomen besluiten,
vindt het tweede lid geen toepassing.
-4.
Na afloop van een kalenderkwartaal wordt
het gezamenlijke bedrag van
de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die op grond van het derde lid niet
zijn uitbetaald wegens het genieten van
dat loon alsmede van de dientengevolge
niet uitbetaalde vakantie-uitkeringen
aan 's Rijks kas afgedragen.
-5. Onze Minister kan, gehoord de Sociale
Verzekeringsraad, bepalen dat
het tweede lid geen toepassing vindt ten
aanzien van bepaalde groepen
personen.
-6.
Onze Minister kan met betrekking tot dit
artikel nadere, en voor bijzondere
gevallen, zo nodig afwijkende regels
stellen.
H [H]. [MvT]
Artikel
34 vervalt.
I [I]. [MvT]
In
artikel 36a, vierde lid, vervalt "34,"
en ", 45".
J [J]. [MvT]
In
artikel 53, tweede lid, vervalt ",34".
K [K]. [MvT]
Artikel
59 vervalt.
L [M]. [MvT]
In
artikel 64 worden de volgende
wijzigingen aangebracht:
1.
In het eerste lid vervalt "34,".
2.
In het tweede lid wordt onderdeel f
vervangen door:
f.
ten aanzien van een beslissing tot
toepassing van artikel 33, derde lid.
Art.
III [III].
[MvT]
De Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid (Stb. 1987, 94) wordt
gewijzigd als volgt:
A [A].
[MvT]
In
artikel 45, eerste lid, wordt "artikel
21, eerste lid" vervangen door:
artikel 21, tweede lid.
Voorts
wordt na "100/108-maal het dagloon"
telkens toegevoegd: of het
vervolgdagloon.
B [B]. [MvT]
In
artikel 48, eerste lid, wordt na "Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering"
ingevoegd: of een vervolgdagloon als
bedoeld in artikel 21b
van
die wet.
C [C].
[MvT]
Aan
artikel 52 wordt een derde lid
toegevoegd, luidende:
-3.
Vanaf de datum dat de Wet terugdringing
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Stb. ...) in werking is getreden, vinden
de voorgaande
leden nog slechts toepassing met
betrekking tot personen die
op die datum de leeftijd van 50 jaar
hebben bereikt.
Art.
IV [IV]. [MvT]
De
Wet aanpassing uitkeringsregelingen
overheveling opslagpremies (Stb.
1989, 127) wordt gewijzigd als volgt:
A [A]. [MvT]
In
artikel 19 wordt "de artikelen 33 en
34" vervangen door: artikel 33.
B [B]. [MvT]
In
artikel 41 wordt "de artikelen 44 en
45; eerste lid" vervangen door: artikel
44.
Art.
V [V]. [MvT]
De
Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb.
1986, 540) wordt gewijzigd
als volgt:
A [A]. [MvT
+ bis]
In
artikel A 2, tweede lid, wordt de
zinsnede "de verhoging van het pensioen,
bedoeld in artikel F 7b" vervangen
door: de verhogingen van het
pensioen, bedoeld in de artikelen F 7b
en
F 9b.
B [B]. [MvT
+ bis]
Aan
artikel C 6, tweede lid, wordt toegevoegd
de volzin: Indien er sprake
is van samenloop van wachtgeld met
invaliditeitspensioen uit hoofde
van dezelfde betrekking, wordt de
overeenkomstig de tweede en derde
volzin berekende bijdrage verminderd.
Deze vermindering bedraagt
bij een invaliditeitsgraad van:
65%
tot 80%: 80%;
55%
tot 65%: 60%;
45%
tot 55%: 50%;
35%
tot 45%: 40%;
25%
tot 35%: 30%;
15% tot 25%: 20%;
minder
dan 15%: 0%.
C [C]. [MvT
+ bis]
Aan
artikel D 4 wordt een nieuw zevende lid
toegevoegd, luidende:
-7.
Bij samenloop van invaliditeitspensioen
en wachtgeld uit hoofde van
hetzelfde ontslag wordt tijd als bedoeld
in het eerste lid verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een
invaliditeitsgraad van:
65%
tot 80%: 80%;
55%
tot 65%:
60%;
45%
tot 55%:
50%;
35%
tot 45%:
40%;
25%
tot 35%:
30%;
15% tot 25%:
20%;
minder
dan 15%:
0%.
D [D]. [MvT
+ bis]
In
artikel E 1, tweede lid, wordt na het
woord "ontslagen" de komma vervangen
door een punt en vervalt de zinsnede
"maar niet eerder dan op
het tijdstip waarop het recht op
wachtgeld eindigt".
E [E].
[MvT
+ bis]
Artikel
F 9 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het tweede lid wordt vervangen door:
-2.
Algemeen invalide, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van deze wet is
hij
die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekten
of gebreken geheel of gedeeltelijk niet
in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen met
soortgelijke opleiding en ervaring
ter plaatse waar hij arbeid verricht of
het laatst heeft verricht, of
in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde
arbeid wordt verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid
waartoe de betrokkene met zijn krachten
en bekwaamheden in staat
is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen
arbeid in een dienstbetrekking
krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening
(Stb. 1967, 687).
2.
In het derde lid wordt in de eerste
volzin de zinsnede "indien hij ten
gevolge van die ziekten of gebreken
geheel of gedeeltelijk buiten staat
is om met arbeid die is berekend voor
zijn bij de aanvang van zijn dienstverhouding
nog aanwezige krachten en bekwaamheden
en die hem met
het oog daarop in billijkheid kan worden
opgedragen, ter plaatse waar
hij arbeid verricht of het laatst
verricht heeft of op een naburige soortgelijke
plaats te verdienen" vervangen door:
indien hij als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekten of gebreken
geheel of gedeeltelijk buiten staat is
om met arbeid waartoe hij gelet
op zijn bij aanvang van zijn
dienstverhouding nog aanwezige krachten
en bekwaamheden in staat is, ter plaatse
waar hij arbeid verricht
of het laatst heeft verricht, of in de
omgeving daarvan, te verdienen.
3.
Het vierde lid wordt vervangen door:
-4.
Bij de vaststelling van de mate van
algemene invaliditeit wordt buiten
beschouwing gelaten of de ambtenaar de
arbeid feitelijk kan verkrijgen.
Indien de betrokkene zonder redelijke
gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig
resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van algemene
invaliditeit van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond. Artikel
F 10, elfde lid, is in dat geval
niet
van toepassing.
4.
In het vijfde lid wordt "de
middelsom"
telkens vervangen door: de aanvullingsgrondslag.
5.
Het zesde lid wordt vervangen door:
-6.
De aanvullingsgrondslag wordt
vastgesteld op de middelsom, bedoeld
in de vierde en vijfde volzin, voor
degene die op de datum met ingang
waarvan hem een invaliditeitspensioen
wordt toegekend:
58
jaar of ouder is gedurende zeven jaar;
53
jaar of ouder is gedurende vier jaar;
48
jaar of ouder is gedurende drie jaar;
43
jaar of ouder is gedurende tweeënhalf jaar;
38
jaar of ouder is gedurende twee jaar;
33
jaar of ouder is gedurende anderhalf
jaar; en
jonger
is dan 33 jaar gedurende één jaar.
Na
de in de eerste volzin bedoelde periode
wordt de aanvullingsgrondslag
vastgesteld op het
minimumloon verhoogd
met een percentage
van het verschil tussen de middelsom en
het minimumloon, welk
percentage het product is van 2,5-maal
het aantal verstreken jaren tussen
het 18de jaar en de leeftijd van betrokkene op de datum met
ingang
waarvan hem het invaliditeitspensioen
werd toegekend. Indien de middelsom
lager is dan het minimumloon, dan wordt de aanvullingsgrondslag
vastgesteld op de middelsom. De
middelsom, bedoeld in de eerste tot en
met derde volzin, is de middelsom van berekeningsgrondslagen
waarnaar het invaliditeitspensioen is
berekend. Indien het pensioen
over meer dan één dienstlijn is berekend,
is de middelsom, bedoeld
in de eerste volzin, de middelsom van de
berekeningsgrondslagen
voor de laatste dienstlijn. De
toepassing van artikel F 11, tweede lid,
laat de datum van ingang van de in de
eerste volzin bedoelde periode onverlet.
6.
In het achtste lid worden de woorden
"de in het zesde of zevende lid
bedoelde middelsom" vervangen door: de
in het zesde lid bedoelde aanvullingsgrondslag.
F
[F]. [MvT
+ bis]
Na
artikel F 9a wordt, onder vermelding van
het opschrift "Verhoging van
het invaliditeitspensioen", een nieuw
artikel F 9b toegevoegd, luidende:
Art.
F 9b.
-1.
Indien het invaliditeitspensioen
vermeerderd met de daarvoor in aanmerking
te nemen inkomsten uit of in verband met
arbeid en uitkering ingevolge
een ontslaguitkeringsregeling, per maand
minder bedraagt dan het
minimumloon, wordt dat pensioen
uiterlijk tot de eerste dag van de maand
waarin de betrokkene de leeftijd van 65
jaar bereikt, verhoogd tot het
bedrag van het minimumloon.
-2.
De in het eerste lid genoemde verhoging
bedraagt niet meer dan het
verschil tussen het
invaliditeitspensioen en de middelsom
waarnaar het
is berekend en tevens niet meer dan 30%
van het minimumloon.
-3.
Indien het invaliditeitspensioen is
toegekend uit een deeltijdbetrekking
of uit een samenstel van betrekkingen,
wordt bij toepassing van het
eerste lid het bedrag van de middelsom
en het bedrag van het minimumloon
vermenigvuldigd met de deeltijdfactor
onderscheidenlijk met
de som van de deeltijdfactoren.
-4.
Het in het eerste lid bedoelde
invaliditeitspensioen is het invaliditeitspensioen
na toepassing van de artikelen F 9, F 9a
en paragraaf 3 van hoofdstuk
J.
-5.
De voor de toepassing van het eerste lid
in aanmerking te nemen inkomsten
uit of in verband met arbeid zijn de
inkomsten, bedoeld in de artikelen
J 19 en J 20.
-6.
De voor de toepassing van het eerste lid
in aanmerking te nemen uitkering
ingevolge een ontslaguitkeringsregeling
is de ontslaguitkering ter
zake van hetzelfde ontslag als dat
waaraan het recht op invaliditeitspensioen
wordt ontleend.
G
[G]. [MvT
+ bis]
Artikel
F 10 wordt gewijzigd als volgt:
1. Boven artikel F 10 komt als opschrift:
Toekenning
van de aanvulling.
2.
Het eerste lid komt als volgt te luiden:
-1.
Het bestuur kent de aanvulling voor de
eerste maal ambtshalve en nadien
op aanvraag toe voor termijnen van niet
langer dan drie jaar en wijzigt
deze overeenkomstig de wijziging van de
invaliditeitsgraad van betrokkene.
Het bestuur trekt de aanvulling in zodra
daarop geen recht meer
bestaat.
3.
Onder vernummering van het tweede,
derde, vierde en vijfde lid tot respectievelijk
achtste, negende, tiende en elfde lid
worden een nieuw tweede
tot en met zevende lid ingevoegd,
luidende:
-2.
Het bestuur is verplicht de betrokkene
van de mogelijkheid van het doen
van een aanvraag schriftelijk in kennis
te stellen uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de termijn, bedoeld
in het eerste lid, verstrijkt.
-3.
De belanghebbende die in aanmerking
wenst te komen voor voortzetting
van zijn aanvulling dient zijn aanvraag
te doen uiterlijk drie maanden vóór de in het tweede lid bedoelde
termijn verstrijkt.
-4.
Indien het bestuur niet tijdig beslist
op een tijdig ingediende aanvraag
tot voortzetting van de aanvulling, wordt
de aanvulling voortgezet
tot het moment van de beslissing op de
aanvraag.
-5.
Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn
ingediend indien het bestuur
de kennisgeving, bedoeld in het tweede
lid, niet heeft gedaan dan
wel indien bij een latere kennisgeving
dan bedoeld in het tweede lid de
aanvraag wordt ingediend binnen één
maand nadat de kennisgeving is ontvangen.
-6.
Indien de aanvulling na onderbreking
wederom wordt toegekend of voortgezet,
wordt als aanvullingsgrondslag in
aanmerking genomen de grondslag
die zou hebben gegolden als de termijn,
bedoeld in het eerste lid,
niet was geëindigd.
-7. Onze
Minister, gehoord het bestuur, kan
ten aanzien van bepaalde groepen
algemeen invaliden bepalen dat in
bepaalde situaties geen termijn
geldt dan wel een termijn zal gelden die
afwijkt van de in het eerste
lid genoemde termijn.
4.
Na het tot elfde lid vernummerde tweede
lid wordt een nieuw twaalfde
lid toegevoegd, dat als volgt komt te
luiden:
-12.
Onze Minister, gehoord het bestuur, kan
regels stellen op grond waarvan in geval van herziening van de aanvulling
in verband met toegenomen
algemene invaliditeit na afloop van de
in artikel F 9, zesde lid, eerste
volzin, bedoelde periode, opnieuw een
aanvulling kan worden toegekend
en het percentage, bedoeld in artikel F
9, zesde lid, tweede volzin,
kan worden verhoogd, mits de betrokkene
bij de toeneming van de
arbeidsongeschiktheid ter zake van het verrichten van werkzaamheden
op grond van deze wet verzekerd was.
H [H].
[MvT
+ bis]
Na
artikel F 10 wordt een nieuw artikel F
10a ingevoegd, luidende:
Art.
F 10a.
-1.
Onverminderd het in deze wet ter zake
van wijziging of intrekking van
de aanvulling bepaalde dient binnen één
jaar nadat de aanvulling voor
de eerste maal is toegekend, door het
bestuur te worden bezien of er
als gevolg van gronden die invloed
hebben op de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit redenen
aanwezig zijn voor wijziging of intrekking
van de aanvulling.
-2. Onze
Minister kan, gehoord het bestuur,
ten aanzien van bepaalde groepen
algemeen invaliden bepalen dat geen
termijn geldt dan wel een termijn
zal gelden die afwijkt van de in het
eerste lid genoemde termijn.
I [I].
[MvT
+ bis]
In
artikel F 14, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma, een
nieuw onderdeel c toegevoegd luidende:
c.
algemene invaliditeit in de zin van
artikel F 9, tweede lid, indien betrokkene
zich niet houdt aan het voorschrift,
bedoeld in artikel F 10, derde
lid.
J [J].
[MvT
+ bis]
Na
artikel F 17 wordt een nieuw artikel
ingevoegd, luidende:
Art.
F 18.
In
dit hoofdstuk wordt onder het
minimumloon verstaan: het tot een jaarbedrag
herleide minimumloon per maand, bedoeld
in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag (Stb.
1968, 657), of, indien het een betrokkene
jonger dan 23 jaar betreft,
het tot een jaarbedrag herleide voor
zijn leeftijd geldende minimumloon
per maand, bedoeld in artikel 7, derde
lid, en artikel 8, derde
lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd
met de daarvoor berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15
van die
wet.
K [K].
[MvT
+ bis]
Artikel
J 19 komt te luiden:
Art.
J 19.
-1.
Indien degene die recht heeft op een
invaliditeitspensioen inkomsten
uit arbeid geniet die bestaan uit loon
ingevolge de Wet Sociale
Werkvoorziening en de daarop gebaseerde
besluiten of inkomsten
geniet in verband met die arbeid en de
som van dat pensioen en
dat loon of die inkomsten omgerekend op jaarbasis 100% van de
middelsom
overschrijdt, wordt dat pensioen voor
zoveel mogelijk verminderd
met het bedrag van die overschrijding.
-2.
De in het eerste lid bedoelde middelsom
is de middelsom die heeft gegolden
of zou hebben gegolden bij toepassing
van artikel F 9, zesde lid,
vijfde volzin, of zevende lid, zo nodig
aangepast overeenkomstig de regelen
vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel
A 8.
-3.
Onder het in het eerste lid bedoelde
pensioen wordt mede begrepen
de eventuele aanvulling, bedoeld in
artikel F 9, en de verhoging,
bedoeld in artikel F 9b.
L
[L]. [MvT
+ bis]
Artikel
J 20 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het eerste lid komt als volgt te luiden:
-1.
Indien degene die recht heeft op
invaliditeitspensioen inkomsten uit of
in verband met arbeid geniet, is het
bestuur bevoegd, zolang niet vaststaat
of deze arbeid als arbeid, bedoeld in
artikel F 9, tweede lid, tweede
volzin, kan worden aangemerkt, dat
pensioen, waaronder begrepen
de eventuele aanvulling, bedoeld in
artikel F 9, niet of slechts gedeeltelijk
uit te betalen. De toepassing van het
bepaalde in de eerste volzin
vindt ten hoogste plaats over een aaneengesloten termijn van drie
jaren,
aanvangende op de eerste dag waarover de
inkomsten uit of in verband
met arbeid, bedoeld in de eerste volzin,
worden genoten. De aanvulling
wordt gedurende deze periode niet
gewijzigd of ingetrokken. Deze
termijn wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien gedurende een periode
korter dan één maand geen inkomsten uit
of in verband met arbeid
worden genoten. Na afloop van de in de
tweede volzin genoemde termijn wordt de in de eerste volzin bedoelde
arbeid aangemerkt als arbeid,
bedoeld in artikel F 9, tweede lid,
tweede volzin. Onze Minister, gehoord het bestuur, kan
bepalen dat de tweede volzin geen
toepassing vindt ten aanzien van
bepaalde groepen gepensioneerde ambtenaren.
Onze
Minister kan met betrekking tot dit
artikel nadere, en voor bijzondere
gevallen, zo nodig afwijkend regels
stellen.
2.
In het derde lid wordt de zinsnede
"artikel F 9, zesde of zevende lid"
vervangen door: artikel F 9, zesde lid,
vijfde volzin, of zevende lid.
3.
Onder vernummering van het vierde lid
tot vijfde lid wordt een nieuw
vierde lid ingevoegd, luidende:
-4.
Gedurende de periode dat degene die
recht heeft op invaliditeitspensioen
tevens aanspraak heeft op een uitkering
ingevolge een ontslaguitkeringsregeling,
is de eerste volzin van het derde lid
van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat onder
dat pensioen mede wordt begrepen
het bedrag dat resteert na de toepassing
van de voorschriften van
die ontslaguitkeringsregeling inzake
verrekening.
M [M].
[MvT
+ bis]
Artikel
K 2, tweede lid, wordt gewijzigd als
volgt:
1.
Het woord "passende" vervalt.
2.
De zinsnede "en de kans om te worden
herplaatst in een betrekking
als vorenbedoeld redelijkerwijs aanwezig
wordt geacht" vervalt.
N [N].
[MvT
+ bis]
In
artikel W 8 wordt de zinsnede "F 2,
eerste lid, en P 3, derde lid" vervangen
door: F 2, eerste lid, F 9, zesde lid,
eerste volzin, en P 3, derde lid.
Art.
VI [VI].
[MvT]
De
Spoorwegpensioenwet (Stb. 1986, 541)
wordt gewijzigd als volgt:
A
[A]. [MvT]
In
artikel A 2, tweede lid, wordt de
zinsnede "de verhoging van het pensioen,
bedoeld in artikel F 6b" vervangen
door: de verhogingen van het
pensioen, bedoeld in de artikelen F 6b en
F 7b.
B [B].
[MvT]
Aan
artikel C 6, tweede lid, wordt toegevoegd de volzin: Indien er sprake
is van samenloop van wachtgeld met
invaliditeitspensioen uit hoofde
van dezelfde betrekking, wordt de
overeenkomstig de tweede en derde
volzin berekende bijdrage verminderd.
Deze vermindering bedraagt
bij een invaliditeitsgraad van:
65%
tot 80%: 80%;
55%
tot 65%: 60%;
45%
tot 55%: 50%;
35%
tot 45%: 40%;
25%
tot 35%: 30%;
15% tot 25%: 20%;
minder dan
15%: 0%.
C [C].
[MvT
+ bis]
Aan
artikel D 4 wordt een nieuw zesde lid
toegevoegd, luidende:
-6.
Bij samenloop van invaliditeitspensioen
en wachtgeld uit hoofde van
hetzelfde ontslag wordt tijd als bedoeld
in het eerste lid verminderd. Deze
vermindering bedraagt bij een
invaliditeitsgraad van:
65%
tot 80%: 80%;
55%
tot 65%: 60%;
45%
tot 55%: 50%;
35%
tot 45%: 40%;
25%
tot 35%: 30%;
15% tot 25%:
20%;
minder dan
15%: 0%.
D [D].
[MvT]
In
artikel E 1, derde lid, wordt na het
woord "ontslagen" de komma vervangen
door een punt en vervalt de zinsnede
"maar niet eerder dan op
het tijdstip waarop het recht op
wachtgeld eindigt".
E
[E]. [MvT]
Artikel
F 7 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het tweede lid wordt vervangen door:
-2.
Algemeen invalide, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van deze wet is
hij
die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekten
of gebreken geheel of gedeeltelijk niet
in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen met
soortgelijke opleiding en ervaring
ter plaatse waar hij arbeid verricht of
het laatst heeft verricht, of
in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen. Onder de
eerstgenoemde
arbeid wordt verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid
waartoe de betrokkene met zijn krachten
en bekwaamheden in staat
is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking
krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening
(Stb. 1967, 687).
2.
In het derde lid wordt in de eerste
volzin de zinsnede "indien hij ten
gevolge van die ziekten of gebreken
geheel of gedeeltelijk buiten staat
is om met arbeid die is berekend voor
zijn bij de aanvang van zijn dienstverhouding
nog aanwezige krachten en bekwaamheden
en die hem met
het oog daarop in billijkheid kan worden
opgedragen, ter plaatse waar
hij arbeid verricht of het laatst
verricht heeft of op een naburige soortgelijke
plaats te verdienen" vervangen door:
indien hij als rechtstreeks
en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekten of gebreken
geheel of gedeeltelijk buiten staat is
om met arbeid waartoe hij gelet
op zijn bij aanvang van zijn
dienstverhouding nog aanwezige krachten
en bekwaamheden in staat is, ter plaatse
waar hij arbeid verricht
of het laatst heeft verricht, of in de
omgeving daarvan, te verdienen.
3.
Het vierde lid wordt vervangen door:
-4.
Bij de vaststelling van de mate van
algemene invaliditeit wordt buiten
beschouwing gelaten of de ambtenaar de
arbeid feitelijk kan verkrijgen.
Indien de betrokkene zonder redelijke
gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig
resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van algemene
invaliditeit van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond. Artikel F 8, elfde lid, is in dat geval
niet
van toepassing.
4.
In het vijfde lid wordt "de
middelsom"
telkens vervangen door: de aanvullingsgrondslag.
5.
Het zesde lid wordt vervangen door:
-6.
De aanvullingsgrondslag wordt
vastgesteld op de middelsom, bedoeld
in de vierde en vijfde volzin, voor
degene die op de datum met ingang
waarvan hem een invaliditeitspensioen
wordt toegekend:
58
jaar of ouder is gedurende zeven jaar;
53
jaar of ouder is gedurende vier jaar;
48
jaar of ouder is gedurende drie jaar;
43
jaar of ouder is gedurende tweeënhalf jaar;
38
jaar of ouder is gedurende twee jaar;
33
jaar of ouder is gedurende anderhalf
jaar; en
jonger is dan 33 jaar gedurende
één jaar.
Na
de in de eerste volzin bedoelde periode
wordt de aanvullingsgrondslag
vastgesteld op het
minimumloon verhoogd
met een percentage
van het verschil tussen de middelsom en
het minimumloon, welk
percentage het produkt is van 2,5-maal
het aantal verstreken jaren tussen
het 18de jaar en de leeftijd van betrokkene op de datum met
ingang
waarvan hem het invaliditeitpensioen
werd toegekend. Indien de middelsom
lager is dan het minimumloon, dan wordt
de aanvullingsgrondslag
vastgesteld op de middelsom. De
middelsom, bedoeld in de eerste tot en
met derde volzin, is de middelsom van berekeningsgrondslagen
waarnaar het invaliditeitspensioen is
berekend. Indien het pensioen
over meer dan één dienstlijn is berekend,
is de middelsom, bedoeld
in de eerste volzin, de middelsom van de
berekeningsgrondslagen
voor de laatste dienstlijn. De
toepassing van artikel F 9, tweede lid,
laat de datum van ingang van de in de
eerste volzin bedoelde periode onverlet.
6.
In het achtste lid worden de woorden
"de in het zesde of zevende lid
bedoelde middelsom" vervangen door: de
in het zesde lid bedoelde aanvullingsgrondslag.
F
[F]. [MvT
+ bis]
Na
artikel F 7a wordt, onder vermelding van
het opschrift "Verhoging van
het invaliditeitspensioen", een nieuw
artikel F 7b toegevoegd, luidende:
Art.
F 7b.
-1.
Indien het invaliditeitspensioen
vermeerderd met de daarvoor in aanmerking
te nemen inkomsten uit of in verband met
arbeid en uitkering ingevolge
een ontslaguitkeringsregeling, per maand
minder bedraagt dan het
minimumloon, wordt dat pensioen
uiterlijk tot de eerste dag van de maand
waarin de betrokkene de leeftijd van 65
jaar bereikt, verhoogd tot het
bedrag van het minimumloon.
-2.
De in het eerste lid genoemde verhoging
bedraagt niet meer dan het
verschil tussen het
invaliditeitspensioen en de middelsom
waarnaar het
is berekend en tevens niet meer dan 30%
van het minimumloon.
-3.
Indien het invaliditeitspensioen is
toegekend uit een deeltijdbetrekking
of uit een samenstel van betrekkingen,
wordt bij toepassing van het
eerste lid het bedrag van de middelsom
en het bedrag van het minimumloon
vermenigvuldigd met de deeltijdfactor
onderscheidenlijk met
de som van de deeltijdfactoren.
-4.
Het in het eerste lid bedoelde
invaliditeitspensioen is het invaliditeitspensioen
na toepassing van de artikelen F 7, F 7a
en paragraaf 3 van hoofdstuk
J.
-5.
De voor de toepassing van het eerste lid
in aanmerking te nemen inkomsten
uit of in verband met arbeid zijn de
inkomsten, bedoeld in de artikelen
J 19 en J 20.
-6.
De voor de toepassing van het eerste lid
in aanmerking te nemen uitkering
ingevolge een ontslaguitkeringsregeling
is de ontslaguitkering ter
zake van hetzelfde ontslag als dat
waaraan het recht op invaliditeitspensioen
wordt ontleend.
G
[G]. [MvT]
Artikel
F 8 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Boven artikel F 8 komt als opschrift: Toekenning
van de aanvulling.
2.
Het eerste lid komt te luiden:
-1.
De directie kent de aanvulling voor de
eerste maal ambtshalve en nadien
op aanvraag toe voor termijnen van niet
langer dan drie jaar en wijzigt
deze overeenkomstig de wijziging van de
invaliditeitsgraad van betrokkene.
De directie trekt de aanvulling in zodra
daarop geen recht meer
bestaat.
3.
Onder vernummering van het tweede,
derde, vierde en vijfde lid tot respectievelijk
achtste, negende, tiende en elfde lid
worden een nieuw tweede
tot en met zevende lid ingevoegd,
luidende:
-2.
De directie is verplicht de betrokkene
van de mogelijkheid van het doen
van een aanvraag schriftelijk in kennis
te stellen uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de termijn, bedoeld
in het eerste lid, verstrijkt.
-3.
De belanghebbende die in aanmerking
wenst te komen voor voortzetting
van zijn aanvulling dient zijn aanvraag
te doen uiterlijk drie maanden vóór de in het tweede lid bedoelde
termijn verstrijkt.
-4.
Indien de directie niet tijdig beslist
op een tijdig ingediende aanvraag
tot voortzetting van de aanvulling, wordt
de aanvulling voortgezet
tot het moment van de beslissing op de
aanvraag.
-5.
Een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn
ingediend indien de directie
de kennisgeving, bedoeld in het tweede
lid, niet heeft gedaan dan
wel indien bij een latere kennisgeving
dan bedoeld in het tweede lid de
aanvraag wordt ingediend binnen één
maand nadat de kennisgeving is ontvangen.
-6.
Indien de aanvulling na onderbreking
wederom wordt toegekend of voortgezet,
wordt als aanvullingsgrondslag in
aanmerking genomen de grondslag
die zou hebben gegolden als de termijn,
bedoeld in het eerste lid,
niet was geëindigd.
-7. Onze
Minister, gehoord de Raad van
Toezicht, kan ten aanzien van bepaalde
groepen algemeen invaliden bepalen dat
in bepaalde situaties dan
wel invaliden ¹ geen termijn geldt dan wel
een termijn zal gelden die afwijkt
van de in het eerste lid genoemde
termijn.
4.
Na het tot elfde lid vernummerde tweede
lid wordt een nieuw twaalfde
lid toegevoegd dat als volgt komt te
luiden:
-12.
Onze Minister, gehoord de Raad van
Toezicht, kan regels stellen op
grond waarvan in geval van herziening van
de aanvulling in verband met
toegenomen algemene invaliditeit na
afloop van de in artikel F 7, zesde
lid, eerste volzin, bedoelde periode,
opnieuw een aanvulling kan worden
toegekend en het percentage, bedoeld in
artikel F 7, zesde lid, tweede
volzin, kan worden verhoogd, mits de
betrokkene bij de toeneming
van de arbeidsongeschiktheid ter zake
van het verrichten van werkzaamheden
op grond van deze wet verzekerd was.
H [H].
[MvT]
Na
artikel F 8 wordt een nieuw artikel F 8a
ingevoegd, luidende:
Art.
F 8a.
-1.
Onverminderd het in deze wet ter zake
van wijziging of intrekking van
de aanvulling bepaalde dient binnen één
jaar nadat de aanvulling voor
de eerste maal is toegekend, door de
directie te worden bezien of er als
gevolg van gronden die invloed hebben op
de vaststelling van de mate
van algemene invaliditeit redenen
aanwezig zijn voor wijziging of intrekking
van de aanvulling.
-2. Onze
Minister kan, gehoorde de Raad van
Toezicht, ten aanzien van bepaalde
groepen algemeen invaliden bepalen dat
geen termijn geldt dan
wel een termijn zal gelden die afwijkt
van de in het eerste lid genoemde
termijn.
I [I].
[MvT]
In
artikel F 12, eerste lid, wordt, onder
vervanging van de punt ² door een puntkomma,
een nieuw onderdeel c toegevoegd,
luidende:
c.
algemene invaliditeit in de zin van
artikel F 7, tweede lid, indien betrokkene
zich niet houdt aan het voorschrift,
bedoeld in artikel F 8, derde
lid.
J
[J]. [MvT]
Na
artikel F 15 wordt een nieuw artikel
toegevoegd, luidende:
Art.
F 16.
In
dit hoofdstuk wordt onder het
minimumloon verstaan: het tot een jaarbedrag
herleide minimumloon per maand, bedoeld
in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
(Stb.
1968, 657), of, indien het een betrokkene
jonger dan 23 jaar betreft,
het tot een jaarbedrag herleide voor
zijn leeftijd geldende minimumloon
per maand, bedoeld in artikel 7, derde
lid, en artikel 8, derde
lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd
met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15
van die
wet.
K [K].
[MvT]
Artikel
J 19 komt te luiden:
Art.
J 19.
-1.
Indien degene die recht heeft op een
invaliditeitspensioen inkomsten
uit arbeid geniet die bestaan uit loon
ingevolge de Wet Sociale
Werkvoorziening en de daarop gebaseerde
besluiten of inkomsten
geniet in verband met die arbeid en de
som van dat pensioen en
dat loon of die inkomsten omgerekend op jaarbasis 100% van de
middelsom
overschrijdt, wordt dat pensioen voor
zoveel mogelijk verminderd
met het bedrag van die overschrijding.
-2.
De in het eerste lid bedoelde middelsom
is de middelsom die heeft gegolden
of zou hebben gegolden bij toepassing
van artikel F 7, zesde lid,
vijfde volzin, of zevende lid, zo nodig
aangepast overeenkomstig de regelen
vastgesteld bij algemene maatregel van
bestuur, bedoeld in artikel
A 8.
-3.
Onder het in het eerste lid bedoelde
pensioen wordt mede begrepen
de eventuele aanvulling, bedoeld in
artikel F 7, en de verhoging,
bedoeld in artikel F 7b.
L
[L]. [MvT]
Artikel
J 20 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het eerste lid komt te luiden:
-1.
Indien degene die recht heeft op
invaliditeitspensioen inkomsten uit of
in verband met arbeid geniet, is de
directie bevoegd, zolang niet vaststaat
of deze arbeid als arbeid, bedoeld in
artikel F 7, tweede lid, tweede
volzin, kan worden aangemerkt, dat
pensioen, waaronder begrepen
de eventuele aanvulling als bedoeld in
artikel F 7, niet of slechts
gedeeltelijk uit te betalen. De toepassing
van het bepaalde in de eerste
volzin vindt ten hoogste plaats over een
aaneengesloten termijn van
drie jaren, aanvangende op de eerste dag
waarover de inkomsten uit of
in verband met arbeid, bedoeld in de
eerste volzin, worden genoten. De aanvulling
wordt gedurende deze periode niet
ingetrokken of herzien. Deze
termijn wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien gedurende een periode
korter dan één maand geen inkomsten uit
of in verband met arbeid
worden genoten. Na afloop van de
bedoelde periode wordt de in de
eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt
als arbeid, bedoeld in artikel
F 7, tweede lid, tweede volzin. Onze
Minister kan met betrekking tot
dit artikel nadere, en voor bijzondere
gevallen, zo nodig afwijkend regels
stellen.
2.
In het derde lid wordt de zinsnede
"artikel F 7, zesde of zevende lid"
vervangen door: artikel F 7, zesde lid,
vijfde volzin, of zevende lid.
3.
Onder vernummering van het vierde lid
tot vijfde lid wordt een nieuw
vierde lid ingevoegd, luidende:
-4.
Gedurende de periode dat degene die
recht heeft op invaliditeitspensioen
tevens aanspraak heeft op een uitkering
ingevolge een ontslaguitkeringsregeling,
is de eerste volzin van het derde lid
van overeenkomstige
toepassing, met dien verstande dat onder
dat pensioen mede wordt begrepen
het bedrag dat resteert na de toepassing
van de voorschriften van
die ontslaguitkeringsregeling inzake
verrekening.
M [M].
[MvT]
Artikel
K 2, tweede lid, wordt gewijzigd als
volgt:
1.
Het woord "passende" vervalt.
2.
De zinsnede "en de kans om te worden
herplaatst in een betrekking
als vorenbedoeld redelijkerwijs aanwezig
wordt geacht" vervalt.
N [N].
[MvT]
In
artikel W 3 wordt de zinsnede "F 2,
eerste lid, en P 3, derde lid" vervangen
door: F 2, eerste lid, F 7, zesde lid,
eerste volzin, en P 3, derde lid.
1.
Volgens de redactie dient "dan
wel invaliden" te vervallen.
2. Volgens de redactie dient na
"punt" te worden ingevoegd:
aan het slot van onderdeel b.
Art.
VII [VII].
[MvT]
De
Algemene militaire pensioenwet (Stb.
1988, 284) wordt gewijzigd als
volgt:
A [A].
[MvT]
Aan
artikel B 5 wordt, onder vervanging van de
punt door een komma, toegevoegd: één
en ander voor zover het tegendeel niet
uit de desbetreffende bepaling blijkt.
B [B].
[MvT]
Artikel
E 6 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het tweede lid wordt vervangen door:
-2.
Arbeidsongeschikt, geheel of
gedeeltelijk, in de zin van deze wet is
hij
die als rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg van ziekten
of gebreken geheel of gedeeltelijk niet
in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde
personen met
soortgelijke opleiding en ervaring
ter plaatse waar hij arbeid verricht of
het laatst heeft verricht, of
in de omgeving daarvan, met arbeid
gewoonlijk verdienen. Onder de eerstgenoemde
arbeid wordt verstaan alle algemeen
geaccepteerde arbeid
waartoe de betrokkene met zijn krachten
en bekwaamheden in staat
is. Onder deze arbeid wordt niet begrepen arbeid in een dienstbetrekking
krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening
(Stb. 1967, 687).
2.
Het derde lid wordt vervangen door:
-3.
Bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt buiten
beschouwing gelaten of de militair de
arbeid feitelijk kan verkrijgen.
Indien de betrokkene zonder redelijke
gronden weigert deel te nemen
aan een voor hem gewenste opleiding of
scholing of onvoldoende meewerkt
aan het bereiken van een gunstig
resultaat ervan, wordt er bij de
vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van uitgegaan dat die
opleiding of scholing is afgerond. Artikel
F 6, negentiende lid, is in dat geval
niet van toepassing.
3.
De volzin van het vijfde lid wordt vanaf
onderdeel c als volgt gelezen:
c.
de tropenverhoging, bedoeld in artikel E
10, waarop recht bestaat, lager
is dan zoveel percent van de
aanvullingsgrondslag, bedoeld in artikel
F 6, tweede lid, als in verband met de
mate van diens arbeidsongeschiktheid
wordt aangegeven in de laatste kolom van
de volgende tabel.
4.
In het zesde lid worden de woorden
"van
de pensioengrondslag waarnaar
zijn pensioen is berekend" vervangen
door: van de aanvullingsgrondslag.
C
[C]. [MvT]
Aan
artikel F 1, tweede lid, onderdeel b,
wordt, onder vervanging van de puntkomma
door een komma, toegevoegd: één en ander
voor zover die uitzondering
er niet toe leidt dat de uit wachtgeld
voortvloeiende voor pensioen
geldige diensttijd, tezamen met de
daarnaast in de wachtgeldperiode
ingevolge artikel F 6, derde lid, eerste
volzin, opgebouwde tijd, meer
bedraagt dan ingevolge die volzin in die
periode bij de hoogste graad
van arbeidsongeschiktheid mogelijk zou zijn
geweest;.
D
[D]. [MvT]
Aan
artikel F 3, vijfde lid, wordt een
nieuwe slotzin toegevoegd, luidende: Waar
die herberekening plaatsvindt na
samenloop van pensioen uit hoofde
van ziekten of gebreken en wachtgeld ter
zake van hetzelfde ontslag
als militair wordt de voor de
berekening tellende tijd die aan dat wachtgeld
kan worden ontleend bij die
herberekening betrokken.
E
[E]. [MvT]
Artikel
F 6 wordt gewijzigd als volgt:
1.
In het eerste lid worden de woorden
"pensioengrondslag waarnaar
het in genoemd lid bedoelde pensioen is
berekend" vervangen door:
de ingevolge het tweede lid van dit
artikel vast te stellen aanvullingsgrondslag.
2.
Het tweede tot en met zevende lid worden
vernummerd tot derde tot
en met achtste lid.
3.
Een nieuw tweede lid wordt ingevoegd,
luidende:
-2.
De aanvullingsgrondslag wordt
vastgesteld op de pensioengrondslag
voor degene die op de datum met ingang
waarvan hem een pensioen
uit hoofde van ziekten of gebreken wordt
toegekend:
58
jaar of ouder is gedurende zeven jaar;
53
jaar of ouder is gedurende vier jaar;
48
jaar of ouder is gedurende drie jaar;
43
jaar of ouder is gedurende tweeënhalf jaar;
38
jaar of ouder is gedurende twee jaar;
33
jaar of ouder is gedurende anderhalf
jaar; en
jonger
is dan 33 jaar gedurende één jaar.
Na
de in de eerste volzin bedoelde periode
wordt de aanvullingsgrondslag
vastgesteld op het
minimumloon, verhoogd
met een percentage
van het verschil tussen de
pensioengrondslag en het minimumloon,
welk percentage het product is van 2,5-maal het aantal verstreken
jaren tussen het 18de jaar en de leeftijd
van betrokkene op de datum
met ingang waarvan hem een pensioen uit
hoofde van ziekten of gebreken
werd toegekend. Indien de pensioengrondslag lager is dan het
minimumloon,
wordt de aanvullingsgrondslag gesteld op
de pensioengrondslag.
Hetgeen in artikel U 3 is bepaald voor
de datum van ingang van
de aanvulling laat de datum van ingang
van de in de eerste volzin bedoelde
periode onverlet.
4.
De eerste volzin van het tot zesde
vernummerde vijfde lid wordt als
volgt gelezen: De
verhoging van de aanvulling, bedoeld in
artikel E 6, zesde en zevende
lid, is gelijk aan het bedrag van de
aanvullingsgrondslag waarnaar
de aanvulling overeenkomstig het eerste
en tweede lid van dit artikel
is berekend, verminderd met de som van
het totaalbedrag aan pensioen
en tropenverhoging, als voor de
toepassing van artikel E 6, vijfde
lid, in aanmerking is genomen, de
invaliditeitsverhoging als bedoeld
in artikel E 7 en die aanvulling.
5.
Het tot achtste lid vernummerde zevende
lid wordt gelezen:
-8. Onze
Minister kent de aanvulling voor de
eerste maal ambtshalve toe
met ingang van de dag van ingang van het
pensioen en nadien op aanvraag,
telkens voor een termijn van drie jaar
en wijzigt deze overeenkomstig
de wijziging van de graad van
arbeidsongeschiktheid van betrokkene.
Onze Minister trekt de aanvulling in
zodra daarop geen recht meer
bestaat.
6.
Het achtste tot en met twaalfde lid
worden vernummerd tot veertiende
tot en met achttiende lid.
7.
Nieuwe leden negen tot en met dertien
worden ingevoegd, luidende:
-9.
Onze Minister stelt de betrokkene van de
mogelijkheid van het doen van
een aanvraag in de zin van het vorige
lid uiterlijk vier maanden vóór het
verstrijken van de daar bedoelde termijn
in kennis.
-10.
De belanghebbende die in aanmerking
wenst te komen voor voortzetting
van zijn aanvulling dient de
schriftelijke aanvraag daartoe te doen uiterlijk
drie maanden vóór het verstrijken van de
in het achtste lid bedoelde
termijn.
-11.
Indien Onze Minister niet tijdig kan
beslissen op een tijdig ingediende
aanvraag tot voortzetting van de aanvulling, wordt de
aanvulling
voortgezet tot het moment van de
beslissing op die aanvraag.
-12.
Een aanvraag tot voortzetting van de
aanvulling wordt geacht tijdig te
zijn ingediend indien Onze Minister de
kennisgeving, bedoeld in het negende
lid, niet heeft gedaan dan wel indien
bij een latere kennisgeving
dan daar bedoeld de aanvraag wordt
ingediend binnen één maand
nadat die kennisgeving is ontvangen.
-13.
Indien de belanghebbende de aanvraag tot
voortzetting van de aanvulling
later indient dan ingevolge het tiende
lid is voorgeschreven, is Onze
Minister bevoegd de voorgezette
aanvulling voor een periode gelijk aan
die waarover de belanghebbende in
gebreke is gebleven niet of slechts
gedeeltelijk uit te betalen
8.
In het tot vijftiende lid vernummerde
negende lid worden de woorden
"het vorige lid" vervangen door: de
vorige leden.
9.
In het tot zeventiende lid vernummerde
elfde lid worden de woorden
"het negende lid" vervangen door: het
vijftiende lid.
10.
Het dertiende tot en met vijftiende lid
worden vernummerd tot eenentwintigste
tot en met drieëntwintigste lid.
11.
Een nieuw negentiende lid wordt
opgenomen, luidende:
-19.
Indien de mate van arbeidsongeschiktheid
wordt gewijzigd in verband
met een voltooide scholing of opleiding,
gaat die wijziging niet eerder
in dan één jaar na voltooiing van die
scholing of opleiding. Indien de
belanghebbende eerder inkomsten uit of in
verband met arbeid geniet,
is artikel V 4, vijfde lid, tot uiterlijk het einde van dat jaar van
overeenkomstige
toepassing.
12.
Een nieuw twintigste lid wordt
opgenomen, luidende:
-20.
Een eventuele onderbreking van het recht
op aanvulling of van de betaling
daarvan schort de termijn, bedoeld in de
eerste volzin van het tweede
lid, niet op.
13.
In het tot eenentwintigste lid
vernummerde dertiende lid worden de
woorden "zeven tot en met twaalf"
vervangen door: acht tot en met achttien.
F
[F]. [MvT]
Na
artikel F 6 wordt een nieuw artikel
toegevoegd, luidende:
Art.
F 6a.
Onverminderd
het in deze wet ter zake van wijziging
of intrekking van de
aanvulling bepaalde beziet Onze Minster
binnen één jaar nadat de aanvulling
voor de eerste maal is toegekend of er
als gevolg van gronden die
invloed hebben op de vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid
redenen aanwezig zijn voor wijziging of
intrekking van de aanvulling. Artikel F 6, drieëntwintigste lid, is
op dit artikel van overeenkomstige
toepassing.
G
[G]. [MvT]
Na
artikel F 9 wordt een nieuw artikel
toegevoegd, luidende:
Art.
F 9a.
Indien
het totale pensioen uit hoofde van
ziekten of gebreken van de beroepsmilitair,
na toepassing van de artikelen F 7a en V
4, verhoogd met
de voor de toepassing van laatstgenoemd
artikel in aanmerking te nemen
inkomsten uit of in verband met arbeid
of bedrijf en het ter zake van
hetzelfde ontslag als dat waaraan het
recht op pensioen wordt ontleend
uit te betalen en tot een jaarbedrag te
herleiden wachtgeld, minder
bedraagt dan het
minimumloon, wordt dat pensioen, uiterlijk tot
de
eerste dag van de maand waarin de
betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt,
verhoogd tot het bedrag van dat
minimumloon. De verhoging bedraagt
niet meer dan het bedrag dat nodig is om
de hiervoor bedoelde som
aan te vullen tot het niveau van de
pensioengrondslag en tevens niet meer
dan 30% van het minimumloon.
H [H].
[MvT]
Na
artikel F 12 wordt een nieuw artikel
toegevoegd, luidende:
Art.
F 13.
In
dit hoofdstuk wordt onder
minimumloon verstaan: het tot een jaarbedrag
herleide minimumloon per maand, bedoeld
in artikel 8, eerste lid,
onderdeel a, van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag
(Stb.
1968, 657), of, indien het een
betrokkene jonger dan 23 jaar betreft,
het tot een jaarbedrag herleide voor
zijn leeftijd geldende minimumloon
per maand, bedoeld in artikel 7, derde
lid, en artikel 8, derde
lid, van genoemde
wet, beide vermeerderd
met de daarover berekende
vakantietoeslag, bedoeld in artikel 15
van die
wet.
I [I].
[MvT]
Aan
artikel G 1, onderdeel g en h, wordt
tweemaal,¹ onder vervanging van
de puntkomma door een komma, toegevoegd:
tenzij de militaire betrekking waarvan het in dit onderdeel bedoelde
recht op pensioen het gevolg is tevens leidt tot een recht op
pensioen ingevolge een ander onderdeel
van dit artikel;.
J
[J]. [MvT]
In
artikel H 1, derde lid, wordt na de
tweede volzin ingevoegd: Indien
er op het moment van overlijden sprake
was van samenloop van wachtgeld
met pensioen uit hoofde van ziekten of
gebreken ter zake van hetzelfde ontslag als militair, is de laatste
volzin van het volgende lid van overeenkomstige
toepassing. Bij de vaststelling van het
pensioen waarvan
het weduwenpensioen moet worden
afgeleid, wordt voorts rekening
gehouden met het bepaalde aan het slot
van artikel F 1, tweede lid,
onderdeel b.
K
[K]. [MvT]
In
artikel K 3, zesde lid, wordt tussen
"waarop de overledene," en "rekening
houdende met" ingevoegd: na eventuele
toepassing van de artikelen
F 7a en F 9a en.
L
[L]. [MvT]
In
artikel M 3, onderdeel c, wordt in
plaats van "artikel F 6, tweede lid,
tweede
volzin" gelezen: artikel F 6, derde
lid, tweede volzin.
M [M].
[MvT]
In
artikel R 4 wordt voor "de ontslagen
beroepsmilitair die uit hoofde van
een ontslag aanspraak heeft op
wachtgeld, met dien verstande dat:"
gelezen:
de ontslagen beroepsmilitair die uit
hoofde van zijn ontslag aanspraak
heeft op wachtgeld, met dien verstande
dat, voor zover Wij daar
bij algemene maatregel van bestuur niet
van hebben afgeweken:
N [N].
[MvT]
In
artikel S 2 wordt in plaats van "artikel F 6, negende
lid" gelezen: artikel
F 6, vijftiende lid.
O [O].
[MvT]
In
artikel U 1, tweede lid, wordt de komma
achter "geacht te zijn ontstaan"
vervangen door en punt en vervalt de
zinsnede "doch niet eerder
dan op het tijdstip waarop de aanspraak
op het in genoemd artikel
bedoelde wachtgeld eindigt".
P
[P]. [MvT]
Artikel
U 3 wordt gewijzigd als volgt:
1.
In het derde lid wordt voor "F 6,
achtste lid" gelezen: F 6, veertiende
lid.
2.
In het vijfde lid wordt voor "F 6,
elfde lid" gelezen "F 6, zeventiende
lid" en wordt tussen
"die
wijziging"
en "ingaat met ingang
van"
ingevoegd: ,
voor zover niet uitdrukkelijk anders is
bepaald,.
Q
[Q]. [MvT]
Artikel
V 4 wordt gewijzigd als volgt:
1.
Het vijfde lid komt te luiden:
-5.
Indien een gepensioneerde militair,
bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
onder 1º, inkomsten uit of in verband met
arbeid geniet, is Onze
Minister bevoegd,
zolang niet vaststaat of deze arbeid als
arbeid, bedoeld in artikel
E 6, tweede lid, tweede volzin, kan
worden aangemerkt, het pensioen
en de aanvulling niet of slechts
gedeeltelijk uit te betalen. De toepassing
van het bepaalde in de eerste volzin
vindt ten hoogste plaats over
een aaneengesloten termijn van drie
jaren, aanvangende op de eerste
dag waarover de inkomsten uit of in
verband met arbeid, bedoeld in
die volzin, worden genoten. De aanvulling
wordt gedurende deze periode
niet ingetrokken of gewijzigd. Deze
periode wordt geacht niet te zijn
onderbroken indien gedurende een periode
korter dan één maand geen
inkomsten uit of in verband met arbeid
worden genoten. Na afloop van
de bedoelde periode wordt de in de
eerste volzin bedoelde arbeid aangemerkt
als arbeid, bedoeld in artikel E 6,
tweede lid, tweede volzin.
2.
In het zesde lid wordt tussen "de
eventuele aanvulling" en "geen
wijziging
ondergaat" ingevoegd: , anders dan door
toepassing van artikel F
6, tweede lid,.
3.
Het zevende lid komt te luiden:
-7.
Indien een gepensioneerde militair, als
bedoeld in het eerste lid, onderdeel
a, onder 1º, inkomsten uit arbeid geniet die
bestaan uit loon ingevolge de
Wet Sociale Werkvoorziening en de te
harer uitvoering genomen besluiten
of inkomsten geniet in verband met die
arbeid en de som van het
pensioen, de aanvulling en die
inkomsten, omgerekend op jaarbasis, de
pensioengrondslag overschrijdt, wordt
het bedrag van die overschrijding
voor zoveel mogelijk in mindering gebracht op de
aanvulling
en het pensioen.
4.
Aan het achtste lid wordt toegevoegd:
Een uit hoofde van hetzelfde
ontslag naast het pensioen toegekend
wachtgeld wordt voor de toepassing
van dit lid niet tot de inkomsten uit of
in verband met arbeid gerekend.
R
[R]. [MvT]
In
artikel Y 22, vijfde lid, wordt in
plaats van "artikel F 6, derde lid"
gelezen: artikel F 6, vierde lid.
S [S].
[MvT]
Aan
artikel Z 9 wordt, onder vervanging van de
punt door een komma, toegevoegd:
en F 6, tweede lid, eerste volzin.
1.
Volgens de redactie dient
"tweemaal" te worden vervangen
door: telkens.
HOOFDSTUK
II
De
stimuleringsuitkering
Art.
VIII [VIII].
[MvT]
Voor
de toepassing van dit hoofdstuk wordt
als arbeidsongeschikte aangemerkt
de persoon:
a.
die op 31 januari 1992 recht heeft op
uitkering op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waaronder begrepen een uitkering op
grond van
hoofdstuk III van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen
(Stb. 1972, 313), en op wie vóór
genoemde dag artikel 52 van de
Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid (Stb. 1987, 94) van toepassing
was;
b.
die sinds 1 januari 1990 onafgebroken
recht heeft op uitkering op grond
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waaronder begrepen een uitkering
op grond van hoofdstuk III van de
Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen (Stb. 1972, 313), en op de
dag waarop deze wet in werking
treedt de leeftijd van 50 jaar heeft
bereikt;
c.
op wie de bepalingen van de artikelen
XXI [XX]
en XXV [XXIII]
van deze wet van toepassing
zijn en die op 31 januari 1992 en sinds
1 januari 1990 onafgebroken
recht heeft op een aanvulling als
bedoeld in deze artikelen.
Art.
IX [IX].
[MvT
+ bis]
-1.
Recht op een stimuleringsuitkering heeft
de arbeidsongeschikte die in
de periode van 1 februari 1992 tot 1
februari 1994 arbeid gaat verrichten
in verband waarmee de uitkering op grond
van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, dan wel de
aanvulling van het invaliditeitspensioen
op grond van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, alsmede de verhoging op
grond van artikel F 9b van
die wet, of de aanvulling van het
invaliditeitspensioen op grond van de
Spoorwegpensioenwet of de aanvulling van
het pensioen uit hoofde van
ziekten of gebreken op grond van de
Algemene militaire pensioenwet,
alsmede de verhoging op grond van
artikel F 9a van die wet,
wordt verlaagd of ingetrokken, dan wel
niet of gedeeltelijk wordt uitbetaald
onder toepassing van artikel 33 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet of artikel 44 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
dan wel onder toepassing van artikel J
20 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, artikel J 20
van de Spoorwegpensioenwet
of artikel V 4 van de Algemene militaire
pensioenwet.
-2.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk
wordt niet onder arbeid verstaan
arbeid in een dienstbetrekking krachtens
de Wet Sociale Werkvoorziening.
Art.
X [X].
[MvT
+ bis]
-1.
De stimuleringsuitkering bedraagt 60%
van het totaal aan arbeidsongeschiktheidsuitkering
en de daarmee verband houdende vakantie-uitkeringen,
daaronder begrepen de aanvulling van
invaliditeitspensioen
op grond van artikel F 9 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet,
alsmede de verhoging op grond van
artikel F 9b van die wet,
dan wel de aanvulling van het
invaliditeitspensioen op grond van artikel
F 7 van de Spoorwegpensioenwet, alsmede
de verhoging op grond
van artikel F 7b van die wet, dan wel de
aanvulling van het invaliditeitspensioen
op grond van pensioen uit hoofde van
ziekten of gebreken op
grond van artikel E 6 van de Algemene
militaire pensioenwet, alsmede de
verhoging op grond van artikel F 6a van
die wet en toeslag op grond van
de Toeslagenwet
(Stb. 1987, 91) dat
wegens het verrichten van de arbeid
vanaf de aanvang van die arbeid in een
periode van drie jaar niet wordt
uitbetaald.
-2.
Voor de berekening van de niet-betaalde
toeslag, bedoeld in het eerste
lid, wordt in afwijking van dat lid in
aanmerking genomen het naar een
bedrag per jaar herleide bedrag aan
toeslag:
a.
waarop de betrokkene recht had
onmiddellijk voorafgaande aan het verrichten
van die werkzaamheden; of
b.
waarop, indien het een volgende
betalingstermijn betreft, de betrokkene
recht zou hebben gehad op de eerste dag
van die termijn indien
hij die werkzaamheden niet was gaan
verrichten.
Art.
XI [XI].
[MvT
+ bis]
-1.
Het orgaan dat ter zake van de
stimuleringsuitkering bevoegd is, stelt
zo spoedig mogelijk vast of een recht op
uitkering bestaat nadat daartoe
een schriftelijke aanvraag is ingediend.
-2.
Van de vaststelling, bedoeld in het
eerste lid, stelt het orgaan de
belanghebbende
onverwijld schriftelijk in kennis.
-3.
De stimuleringsuitkering wordt per jaar
berekend en betaald in drie jaarlijkse
termijnen.
-4.
Uitbetaling van een termijn vindt plaats nadat daartoe een schriftelijke
aanvraag is ingediend.
-5.
Na het overlijden van degene aan wie
een stimuleringsuitkering is toegekend,
wordt, mits daartoe een schriftelijke
aanvraag is ingediend, de uitkering, voor zover niet reeds uitbetaald, tot en
met de dag van overlijden uitbetaald aan een persoon als bedoeld
artikel 53, eerste lid, onderdeel a,
b of c, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Artikel 53, tweede en derde lid, van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering is met betrekking tot de eerste volzin
van overeenkomstige
toepassing.
Art.
XII [XII].
[MvT
+ bis]
De
stimuleringsuitkering is geen inkomen in
de zin van de artikelen 6 en
10 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, de Toeslagenwet, de
Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Stb. 1987, 92), de Wet
inkomensvoorziening oudere
en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
gewezen zelfstandigen (Stb. 1987,
281) en de Algemene Bijstandswet (Stb.
1973, 395), geen loon in de
zin van de Ziekenfondswet
(Stb. 1964,
392) en geen inkomen uit of in verband
met arbeid in de zin van de Algemene
burgerlijke pensioenwet, de
Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet.
Art.
XIII [XIII].
[MvT
+ bis]
-1.
Indien het recht op
stimuleringsuitkering wordt ontleend aan
een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering of de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, wordt
de stimuleringsuitkering betaald door de
bedrijfsvereniging die de arbeidsongeschiktheidsuitkering
heeft toegekend en komt zij in verhouding
van de niet-betaalde uitkeringen en
toeslagen, bedoeld in artikel
X [X], ten laste van het
Arbeidsongeschiktheidsfonds, het
Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds,
het Rijk, indien het een uitkering op
grond van
de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen betreft, en het Toeslagenfonds.
-2.
Indien het recht op
stimuleringsuitkering wordt ontleend aan
de aanvulling
van het invaliditeitspensioen op grond
van de Algemene burgerlijke pensioenwet, alsmede de verhoging op
grond van artikel F 9b van
die wet, of aan de aanvulling van het
invaliditeitspensioen op grond van
de Spoorwegpensioenwet, alsmede de
verhoging op grond van artikel
F 7b van die wet, dan wel van het
pensioen uit hoofde van ziekten of
gebreken op grond van de Algemene
militaire pensioenwet, alsmede de
verhoging op grond van artikel F 9a van
die wet, wordt de stimuleringsuitkering
betaald en komt zij ten laste van
onderscheidenlijk het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds, het
Spoorwegpensioenfonds of het Rijk.
Art.
XIV [XIV].
[MvT
+ bis]
-1.
De artikelen
50, tweede tot en met
zevende lid, 54,
55, 56,
57, 58,
59,
87 en 88 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel
3a, tweede lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekering (Stb. 1987,
552) en de artikelen 41, tweede tot en
met zesde lid, 41a, 45, 46, 47,
48, 50, 51, 79 en 80 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
artikel 6 van de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen zijn van
overeenkomstige toepassing op de stimuleringsuitkering die is
ontleend
aan een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering of
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet.
-2.
De artikelen I 1, I 2, I 3, I 4, O 1,
eerste lid, O 2, eerste lid, R 1, R 2, R
3, S 1, S 2, S 3, S 4 en S 5 van de
Algemene burgerlijke pensioenwet en
de artikelen I 1, I 2, I 3, I 4, O 1,
eerste lid, R 1, R 2, R 3, S
1, S 2, S 3, S 4 en S 5 van de
Spoorwegpensioenwet alsmede de artikelen
I 1,14, eerste lid, I 5, eerste lid,
onderdeel a, tweede lid, I 6, S 1, V
1, tweede lid, V 2, V 3, tweede lid, V
12 en W 1, W 4, W 5, W 6, eerste
lid en W 7 van de Algemene militaire pensioenwet zijn van
overeenkomstige
toepassing op de stimuleringsuitkering
die is ontleend aan
een invaliditeitspensioen op grond van
onderscheidenlijk de Algemene
burgerlijke pensioenwet, de
Spoorwegpensioenwet of een pensioen
uit hoofde van ziekten of gebreken op
grond van de Algemene militaire pensioenwet.
Art.
XV [XV].
[MvT
+ bis]
Bij
ministeriële regeling kan Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
voor zover het hen aangaat in
overeenstemming met Onze
Ministers van Binnenlandse Zaken, van
Verkeer en Waterstaat en van
Defensie, met betrekking tot dit
hoofdstuk nadere regels stellen. In deze
regels kan onder meer worden bepaald
dat perioden waarin geen arbeid
is verricht, worden gelijkgesteld met
perioden waarin arbeid is verricht.
HOOFDSTUK
III
Overgangs-
en slotbepalingen
Art.
XVI [XVI].
[MvT]
-1.
De artikelen 5 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en 18 van
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals
die artikelen luidden
op de dag voorafgaande aan die waarop
deze wet in werking treedt,
blijven van toepassing op een persoon
die op die dag recht had op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering en
die op de dag van inwerkingtreding
van deze wet de leeftijd van 50 jaar
heeft bereikt.
-2.
De artikelen 24 en 26 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
de artikelen 34 en
36 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
zoals deze luiden na de inwerkingtreding
van deze wet, vinden geen
toepassing ten aanzien van de in het
eerste lid bedoelde personen.
-3.
De artikelen 5 en 24 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
18 en 34 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals
die
artikelen luidden op de dag
voorafgaande aan die waarop deze wet in
werking treedt, blijven tot een latere
datum dan de datum van inwerkingtreding
van deze wet van toepassing op een
persoon die op de dag voorafgaande
aan die waarop deze wet in werking
treedt recht had op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering en die
op de dag van inwerkingtreding
van deze wet de leeftijd van 50 jaar niet
heeft bereikt.
-4.
De in het derde lid bedoelde latere
datum wordt bij ministeriële regeling,
gehoord de Sociale Verzekeringsraad, per
groep van personen, rekening houdend met hun leeftijd, vastgesteld.
Deze datum wordt in ieder
geval niet later gesteld dan vijf jaar na
de inwerkingtreding van deze wet.
-5.
Voor de toepassing van artikel 24 van de
Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en artikel 34 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
zoals deze artikelen luiden na de
inwerkingtreding van deze wet,
wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
van de persoon, bedoeld in
het derde lid, geacht te zijn toegekend
op de dag waarop de in dat lid genoemde
artikelen op hem van toepassing worden.
-6.
Artikel 24, tweede lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en
artikel 34, tweede lid, van de Wet op
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
zoals die artikelen luidden op de dag
voorafgaande aan die waarop
deze wet in werking treedt, blijven tot
zes maanden na de dag waarop
deze wet in werking treedt van
toepassing op een persoon wiens arbeidsongeschiktheid
in de zin van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is
aangevangen
uiterlijk zes maanden vóór de
inwerkingtreding van deze wet en ter
zake
van die arbeidsongeschiktheid recht op
uitkering heeft op grond van
de Ziektewet
(Stb. 1987, 88).
-7.
De wijzigingen van artikel 36 van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
en 26 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, zoals
vervat in artikel I, onderdeel I
[I,I], en
artikel F, onderdeel E,¹ vinden geen toepassing
ten aanzien van de persoon wiens
arbeidsongeschiktheidsuitkering
is ingegaan op een dag gelegen vóór de
inwerkingtreding van deze
wet.
1.
Volgens de redactie dient "artikel F, onderdeel E"
te worden vervangen door: artikel
II, onderdeel F [II,F].
Art.
XVII [XVII].
[MvT]
-1.
De artikelen
21, 22,
40, 48,
53 en 59,
vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaande
aan die waarop artikel I
[I] van deze wet in
werking treedt, blijven
van toepassing op de persoon die op de
dag van inwerkingtreding
van deze wet 50 jaar of ouder is. De
artikelen 21a en 21b
van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zijn op deze persoon niet van
toepassing.
-2.
In afwijking van het eerste lid is
artikel 21, vierde lid, van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals
dat artikel luidt na inwerkingtreding
van deze wet, van toepassing op de
persoon die op de dag waarop
artikel I [I]
van deze wet in werking
treedt 50 jaar of ouder is.
Art.
XVIII [-]. [MvT]
Ten
aanzien van de persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop
artikel I [I]
van deze wet in werking treedt
recht had op uitkering op grond
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering,
waaronder begrepen
een uitkering op grond van hoofdstuk III
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, en op de dag van
inwerkingtreding van
deze wet jonger is dan 50 jaar, wordt bij
de toepassing van de artikelen 21a
en 21b
van die wet het volgende in
acht genomen:
a.
als leeftijd op de datum met ingang
waarvan de arbeidsongeschiktheidsuitkering
wordt toegekend, wordt beschouwd: de
leeftijd van betrokkene
op de datum van inwerkingtreding van
deze wet;
b.
het vervolgdagloon wordt niet lager
vastgesteld dan het dagloon waarnaar
de loondervingsuitkering van betrokkene
laatstelijk werd berekend.
Art.
XIX [XVIII].
[MvT]
-1.
De periode van toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering,
bedoeld in de artikel
34, eerste lid,
van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
en artikel 24, eerste lid, van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, wordt in afwijking van het in die
artikelen bepaalde
tot een nader bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen tijdstip
gesteld op vijf jaar. Bij algemene
maatregel van bestuur kan voorts worden
bepaald dat na het in de eerste volzin
bedoelde tijdstip, tot nog een
later tijdstip, een termijn van vier jaar
in aanmerking wordt genomen.
-2.
De wijziging van de termijn, bedoeld in
het eerste lid, brengt geen wijziging
in de termijnen zoals die gelden ter
zake van
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
die zijn toegekend of voortgezet op een
tijdstip gelegen vóór
het tijdstip van wijziging van de
termijn.
Art.
XX [XIX].
[MvT]
-1.
Indien vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet artikel 33
van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 44 van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt toegepast ten aanzien
van een persoon op wie onmiddellijk
voorafgaande aan de inwerkingtreding
van deze wet artikel 34 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 45 van de
Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering
werd toegepast, dient er voor de
toepassing van het genoemde
artikel 33, tweede lid, dan wel artikel
44, tweede lid, van worden
uitgegaan dat de in die artikelen
genoemde termijn van drie jaren is aangevangen
op de datum van inwerkingtreding van
deze wet.
-2.
Indien vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet artikel 33
van
de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel 44 van de
Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
wordt toegepast ten aanzien
van de persoon:
a.
als bedoeld in het eerste lid;
b.
op wie onmiddellijk voorafgaande aan de
inwerkingtreding van deze wet
artikel 33 van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet dan wel artikel
44 van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering werd toegepast;
c.
als bedoeld in artikel XVII
[XVII], eerste
lid;
wordt ten aanzien van deze persoon
onder de in artikel 5, vijfde lid,
bedoelde arbeid en onder de in artikel
18, vijfde lid, bedoelde arbeid in het
eerste lid van respectievelijk genoemd
artikel 33 en 44
verstaan de arbeid in
genoemde artikelen 18 en
5, zoals deze artikelen luidden op de
dag voorafgaande aan die waarop
deze wet in werking treedt, met dien
verstande dat ten aanzien van
de persoon, bedoeld in onderdeel a en
b,
laatstbedoelde arbeid in aanmerking
wordt genomen tot aan de latere datum,
bedoeld in artikel XVI
[XVI],
derde lid.
Art.
XXI [XX].
[MvT]
-1.
De artikelen A 2, C 6, E 1, F 9 en K 2
van de Algemene burgerlijke pensioenwet
en de artikelen A 2, C 6, E 1, F 7 en K
2 van de Spoorwegpensioenwet, zoals die artikelen luidden op de
dag
voorafgaande aan die waarop
deze wet in werking treedt, blijven van
toepassing op een persoon
die op die dag recht had op een aanvulling van zijn invaliditeitspensioen
en op de dag van inwerkingtreding van
deze wet de leeftijd van 50
jaar heeft bereikt.
-2.
De artikelen F 9b en F 10 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet en
de artikelen F 7b en F 8 van de
Spoorwegpensioenwet, zoals deze artikelen
luiden na de inwerkingtreding van deze
wet, vinden geen toepassing
ten aanzien van de in het eerste lid
bedoelde personen.
-3.
De artikelen A 2, E 1, F 9, met
uitzondering van het vierde lid, tweede
volzin, F 9b en K 2 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet en de
artikelen A 2, E 1, F 7, met
uitzondering van het vierde lid, tweede volzin,
F 7b en K 2 van de Spoorwegpensioenwet,
zoals deze artikelen luiden
na de inwerkingtreding van deze wet,
worden met ingang van een latere
datum dan de datum van inwerkingtreding
van deze wet van toepassing
op de persoon die op de dag voorafgaande aan die waarop
deze
wet in werking treedt recht heeft op
een aanvulling van zijn invaliditeitspensioen
en op die datum de leeftijd van 50 jaar niet heeft bereikt.
-4.
De in het derde lid bedoelde latere
datum wordt bij ministeriële regeling,
gehoord het bestuur van het Algemeen
burgerlijk pensioenfonds
en de directie van het
Spoorwegpensioenfonds, per groep van personen,
rekening houdend met hun leeftijd,
vastgesteld. De datum wordt
in ieder geval niet later gesteld dan
vijf jaar na de inwerkingtreding van
deze wet
-5.
Voor de toepassing van artikel F 10 van
de Algemene burgerlijke pensioenwet
en artikel F 8 van de
Spoorwegpensioenwet, zoals deze artikelen
luiden na de inwerkingtreding van deze
wet, geldt als datum waarop
de aanvulling aan de belanghebbende,
bedoeld in het derde lid van
dit artikel, wordt toegekend de dag
waarop de in dat lid genoemde artikelen
op hem van toepassing worden.
-6.
Artikel F 10a van de Algemene
burgerlijke pensioenwet en artikel F 8a van de
Spoorwegpensioenwet vinden
geen toepassing ten aanzien van
de persoon wiens invaliditeitspensioen
is ingegaan op een dag gelegen vóór de inwerkingtreding van deze wet.
Art.
XXII [XXI].
[MvT]
-1.
De artikelen F 9, vierde, vijfde en
achtste lid, en J 19 van de Algemene
burgerlijke pensioenwet en de artikelen
F 7, vierde, vijfde en achtste
lid, en J 19 van de Spoorwegpensioenwet,
zoals die artikelen luidden
op de dag voorafgaande aan die waarop
de artikelen V [V] en VI
[VI] van deze
wet in werking treden, blijven van
toepassing op de persoon die op die
dag 50 jaar of ouder is.
-2.
In afwijking van het in het vorige lid
ter zake gestelde is de bepaling in
artikel F 9, vierde lid, tweede volzin,
van de Algemene burgerlijke pensioenwet
en artikel F 7, vierde lid, tweede
volzin, van de Spoorwegpensioenwet,
zoals deze volzinnen luiden na
inwerkingtreding van deze wet,
van toepassing op de persoon die op de
dag voorafgaande aan die waarop
de artikelen V [V]
en VI [VI]
van deze wet in
werking treden 50 jaar of ouder
is.
Art.
XXIII [-]. [MvT]
Ten
aanzien van de persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop
de artikelen V [V]
en VI [VI]
van deze wet in
werking treden recht had op een aanvulling van zijn invaliditeitspensioen
ingevolge de Algemene burgerlijke
pensioenwet of de Spoorwegpensioenwet en
op de dag van inwerkingtreding
van deze wet jonger is dan 50 jaar, wordt
bij de toepassing
van de artikelen F 9, zesde lid, van de
Algemene burgerlijke pensioenwet
en F 7, zesde lid, van de Spoorwegpensioenwet het
volgende
in acht genomen:
a.
als leeftijd op de datum met ingang
waarvan een invaliditeitspensioen
wordt toegekend, wordt beschouwd: de
leeftijd van betrokkene op de
datum van inwerkingtreding van deze wet;
b.
de aanvullingsgrondslag wordt niet lager
vastgesteld dan de middelsom
waarnaar het invaliditeitspensioen van
betrokkene laatstelijk werd
berekend.
Art.
XXIV [XII].
[MvT]
-1.
De periode van toekenning van een
aanvulling, bedoeld in de artikelen
F 10, eerste lid, van de Algemene
burgerlijke pensioenwet en artikel
F 8, eerste lid, van de
Spoorwegpensioenwet, wordt in afwijking van
het in die artikelen bepaalde tot een
nader bij algemene maatregel van
bestuur te bepalen tijdstip gesteld op
vijf jaar. Bij algemene maatregel van
bestuur kan voorts worden bepaald dat
na het in de eerste volzin bedoelde
tijdstip, tot nog een later tijdstip, een termijn van
vier jaar in
aanmerking
wordt genomen.
-2.
De wijziging van de termijn, bedoeld in
het eerste lid, brengt geen wijziging
in de termijnen zoals die gelden ter
zake van aanvullingen die zijn
toegekend of voortgezet op een tijdstip
gelegen vóór het tijdstip van wijziging
van de termijn.
Art.
XXV [XXIII].
[MvT]
-1.
Ten aanzien van de persoon bij wie op de
dag voorafgaande aan de dag
van inwerkingtreding van deze wet
artikel J 20 van de Algemene burgerlijke
pensioenwet dan wel artikel J 20 van de
Spoorwegpensioenwet
werd toegepast, dient er voor de
toepassing van het eerste lid van
die artikelen van te worden uitgegaan
dat de in die artikelen genoemde
termijn van drie jaren is aangevangen op
de datum van inwerkingtreding
van deze wet.
-2.
Indien vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet artikel J
20 van de Algemene burgerlijke
pensioenwet dan wel artikel J 20 van de Spoorwegpensioenwet wordt toegepast ten
aanzien van de persoon:
a.
als bedoeld in het eerste lid;
b.
als bedoeld in artikel
XXI [XX], eerste
lid;
wordt
ten aanzien van deze persoon onder de in
artikel F 9, tweede lid, tweede
volzin, bedoelde arbeid en onder de in artikel F 7, tweede lid,
tweede
volzin, bedoelde arbeid in het eerste
lid van genoemde artikelen J
20 verstaan de arbeid in genoemde
artikelen F 9 en F 7, zoals deze artikelen
luidden op de dag voorafgaande aan die
waarop deze wet in werking
treedt, met dien verstande dat ten
aanzien van de onder a bedoelde
persoon laatstbedoelde arbeid in
aanmerking wordt genomen tot
aan de latere datum, bedoeld in artikel
XXI [XX], derde lid.
Art.
XXVI [XXIV].
[MvT]
-1.
De artikelen E 6 en F 6 van de Algemene
militaire pensioenwet, zoals
die artikelen luidden op de dag
voorafgaande aan die waarop deze wet
in werking treedt, blijven van
toepassing op een persoon die op die dag
recht had op een aanvulling van zijn
pensioen uit hoofde van ziekten of
gebreken en op die dag 50 jaar of ouder
is. In
afwijking van de eerste volzin is het
bepaalde in artikel F 6, negentiende
lid, zoals dit lid luidt na de inwerkingtreding van deze wet, wel op deze
personen van toepassing.
-2.
Artikel F 9a vindt geen toepassing op de
in het eerste lid bedoelde personen.
-3.
De artikelen E 6, behoudens het bepaalde
in het derde lid, tweede en
derde volzin, F 6, behoudens het
bepaalde in het negentiende lid, en F 9a van de Algemene militaire
pensioenwet, zoals die artikelen luiden
na de
inwerkingtreding van deze wet, worden
met ingang van een latere datum
dan de datum van de inwerkingtreding van
deze wet van toepassing
op de persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop deze
wet in werking treedt recht heeft op een
aanvulling van zijn pensioen
uit hoofde van ziekten of gebreken en op
die datum de leeftijd van
50 jaar niet heeft bereikt.
-4.
De in het derde lid bedoelde latere
datum wordt door Onze
Minister,
per groep van personen rekening houdend
met hun leeftijd, vastgesteld.
De datum, bedoeld in het derde lid, wordt
in ieder geval niet later
gesteld dan vijf jaar na de
inwerkingtreding van deze wet.
-5.
Voor de toepassing van artikel F 6b van
de Algemene militaire pensioenwet
geldt als datum waarop de aanvulling van
de belanghebbende,
bedoeld in het derde lid van dit artikel,
wordt toegekend de dag waarop
de in dat lid genoemde artikelen op hem
van toepassing worden.
-6.
Artikel F 6a van de Algemene militaire
pensioenwet vindt geen toepassing
ten aanzien van de persoon wiens
pensioen uit hoofde van ziekten
of gebreken is ingegaan op een dag
gelegen vóór de inwerkingtreding
van deze wet.
Art.
XXVII [-]. [MvT]
-1.
De artikelen E 6, derde, vijfde en zesde
lid, en V 4 van de Algemene militaire
pensioenwet, zoals die artikelen luidden
op de dag voorafgaande
aan die waarop artikel VII
[VII] van deze wet
in werking treedt, blijven van
toepassing op de persoon die op die dag
50 jaar of ouder is.
-2.
In afwijking van het in het eerste lid
ter zake gestelde is de bepaling in
artikel E 6, derde lid, tweede en derde
volzin, van de Algemene militaire pensioenwet, zoals deze volzinnen luiden
na de inwerkingtreding van
deze wet, van toepassing op de persoon
die op de dag voorafgaande
aan die waarop artikel VII
[VII] van deze wet
in werking treedt 50 jaar of
ouder is.
Art.
XXVIII [XXV].
[MvT]
Ten
aanzien van de persoon die op de dag
voorafgaande aan die waarop
artikel VII [VII]
deze wet in werking
treedt
recht had op een aanvulling
van zijn pensioen uit hoofde van ziekten
of gebreken ingevolge de
Algemene militaire pensioenwet en op de
dag van inwerkingtreding van
deze wet jonger is dan 50 jaar, wordt bij
de toepassing van artikel F 6, tweede
lid, van de Algemene militaire
pensioenwet het volgende in acht
genomen:
a.
als de leeftijd op de datum met ingang
waarvan een pensioen uit hoofde
van ziekten of gebreken wordt toegekend,
wordt beschouwd: de leeftijd
van betrokkene op de datum van
inwerkingtreding van deze wet;
b.
de aanvullingsgrondslag wordt niet lager
vastgesteld dan de pensioengrondslag
waarnaar het pensioen uit hoofde van
ziekten of gebreken
laatstelijk werd berekend.
Art.
XXIX [XXVI].
[MvT]
-1.
De periode van toekenning van een
aanvulling, bedoeld in artikel F
6, achtste lid, van de Algemene
militaire pensioenwet, wordt in afwijking
van het in dit artikel bepaalde tot een
nader bij algemene maatregel
van bestuur te bepalen tijdstip gesteld
op vijf jaar. Bij algemene maatregel
van bestuur kan voorts worden bepaald
dat na het in de eerste
volzin bedoelde tijdstip, tot nog een
later tijdstip, een termijn van vier jaar in aanmerking wordt genomen.
-2.
De wijziging van de termijn, bedoeld in
het eerste lid, brengt geen wijziging
in de termijnen zoals die gelden ter
zake van aanvullingen die zijn
toegekend of voortgezet op een tijdstip
gelegen vóór het tijdstip van wijziging
van de termijn.
Art.
XXX [XVII].
[MvT]
-1.
Ten aanzien van de persoon bij wie op de
dag voorafgaande aan de dag
van inwerkingtreding van deze wet
artikel V 4, vijfde lid, van de Algemene
militaire pensioenwet werd toegepast,
dient er voor de toepassing
van dat lid van worden uitgegaan dat de
in dat artikel genoemde
termijn van drie jaren is aangevangen op
de datum van inwerkingtreding
van deze wet.
-2.
Indien vanaf de datum van
inwerkingtreding van deze wet artikel V
4, vijfde lid, van de Algemene militaire
pensioenwet wordt toegepast ten
aanzien van de persoon:
a.
als bedoeld in het eerste lid;
b.
als bedoeld in artikel
XXVI [XXIV], eerste
lid;
wordt
ten aanzien van deze persoon onder de in
artikel E 6, tweede lid, tweede
volzin, bedoelde arbeid in het vijfde lid van genoemd artikel V 4
verstaan
de arbeid in genoemd artikel E 6, zoals
dit artikel luidde op de dag
voorafgaande aan die waarop deze wet in
werking treedt, met dien verstande
dat ten aanzien van de onder a bedoelde
persoon laatstbedoelde
arbeid in aanmerking wordt genomen tot
aan de latere datum, bedoeld
in artikel XXVI [XXIV], derde lid.
Art.
XXXI [XXVIII].
In
artikel 52, derde lid, van de
Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid,
zoals deze luidt op de dag waarop deze
wet in werking treedt, wordt
na "arbeidsongeschiktheidsregelingen"
op de gebruikelijke wijze ingevoegd
de jaargang en het nummer van het
Staatsblad waarin deze wet
is geplaatst.
Art.
XXXII [XXIX].
-1.
Deze wet treedt in werking op een en bij
koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat voor de verschillende
artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden gesteld.
-2.
Bij koninklijk besluit kan de datum van
1 februari 1994, genoemd in artikel
IX [IX], eerste lid, later worden gesteld.
Art.
XXXIII [XXX].
Deze
wet wordt aangehaald als: Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Lasten
en bevelen dat deze in het Staatsblad
zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges
en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand
zullen houden.
Gegeven
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
De
Minister van Binnenlandse Zaken,
De
Minister van Defensie,
De
Minister van Verkeer en Waterstaat,
|
|