|
rblz.|1|
Kamerstukken
II 1992-1993, 22 824
Wijziging
van de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet,
de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten
strekkende tot
herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium, het binden van het
uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van
een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet
terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 1.1 |
Achtergrond en inhoud voorgestelde maatregelen |
| 1.2 |
Wet
TAV en wetsvoorstel TZ |
| 1.3 |
Aanpassing van de Organisatiewet Sociale
Verzekering (OSV) en sociaal-medische
begeleiding. |
| 1.4 |
SER-advies |
| 1.5 |
SVr-advies |
| 1.6 |
ABP-,
Spf- en CGOA-advies |
| 1.7 |
Advies van de Raad voor de
gemeentefinanciën |
| 2 |
Arbeidsmarktparticipatie van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
| 2.1 |
Werkgelegenheidsaspecten |
| 2.2 |
Werving en selectie |
| 2.3 |
Sluitende aanpak jongere gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers |
| 2.4 |
Beleid ten aanzien van oudere
arbeidsongeschikten |
| 3 |
Wijziging structuur en inrichting
arbeidsongeschiktheidsregelingen;
het arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 3.1 |
Het SER-advies met betrekking tot het
arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 3.2 |
Het SVr-advies met betrekking tot de
wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 3.3 |
Standpunt kabinet met betrekking tot het
arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 4 |
Wijziging structuur en inrichting
arbeidsongeschiktheidsregelingen;
niveau en duur |
| 4.1 |
Het SER-advies met betrekking tot het
niveau en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
| 4.2 |
Het SVr-advies met betrekking tot het
niveau en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
| 4.3 |
Standpunt kabinet |
| 5 |
Wijziging structuur en inrichting
arbeidsongeschiktheidsregelingen:
tijdelijkheid uitkering en periodieke
beoordeling |
| 5.1 |
Het SER-advies over de tijdelijkheid en de periodieke
beoordeling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering |
| 5.2 |
Het SVr-advies |
| 5.3 |
Standpunt kabinet |
| 6 |
Enkele specifieke aspecten |
| 6.1 |
Samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met
inkomsten uit arbeid. |
| 6.2 |
Ministelsel |
| 6.3 |
Risque social en risque
professionnel |
| 6.4 |
Samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met
uitkering ter zake van
werkloosheid. |
| 7 |
Overgangsrecht |
| 7.1 |
Inleiding |
| 7.2 |
Niveau van de uitkering |
| 7.3 |
Arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 7.4 |
Tijdelijke uitkering en
periodieke beoordeling |
| 8 |
Stimuleringsmaatregel |
| 8.1 |
Inleiding |
| 8.2 |
Advies SVr |
| 8.3 |
Standpunt kabinet |
| 8.4 |
Inhoud van de maatregel |
| 9 |
Doorvertaling
WAO-maatregelen naar overheidssector |
| 9.1 |
Inleiding |
| 9.2 |
Wijziging van het
arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 9.3 |
Invoering
van een sanctie bij geen of onvoldoende medewerking |
| 9.4 |
Het na een zekere
periode verlagen van de aanvulling van het invaliditeitspensioen |
| 9.5 |
Het van rechtswege
beperken van de duur van de aanvulling tot vijf/drie jaar |
| 9.6 |
Het bieden van een
verhoging voor belanghebbenden aan wie een invaliditeitspensioen is
toegekend dat minder bedraagt dan het minimumloon |
| 9.7 |
Het mogelijk maken van
samenloop van een invaliditeitspensioen met een ontslaguitkering |
| 9.8 |
Het bieden van een
stimuleringsuitkering voor een nader omschreven groep algemeen
invaliden |
| 9.9 |
Doorvertaling in de
Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet |
| 9.10 |
Doorvertaling in de
Algemene militaire pensioenwet |
| 10 |
Volume- en financiële
gevolgen |
| 10.1 |
Inleiding |
| 10.2 |
Introductie nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium |
| 10.3 |
Niveauaanpassing
WAO-uitkering |
| 10.4 |
Additionele lasten in
de werkloosheidssfeer |
| 10.5 |
Aspecten met betrekking
tot de overheidssector |
| 10.6 |
Stimuleringsmaatregel |
| 10.7 |
Uitvoeringskosten |
| 10.8 |
Samenvatting volume-
en financiële effecten |
| 11 |
Internationale aspecten |
| 11.1 |
Normverdragen |
| 11.2 |
Niveau van de uitkering |
| 11.3 |
Tijdelijkheid van de
uitkering |
| 11.4 |
Overgangsrecht met
betrekking tot de bevriezing van de uitkering |
| 11.5 |
Verenigbaarheid
leeftijdscriterium met het gelijkheidsbeginsel |
| 12 |
Gevolgen voor de
uitvoeringsorganisatie, deregulering en gevolgen voor vrouwen |
| 12.1 |
Gevolgen voor de
uitvoeringsorganisatie |
| 12.2 |
Justitieel apparaat en
het bedrijfsleven |
| 12.3 |
Gevolgen voor vrouwen |
| 13 |
Evaluatie, onderzoek en
voorlichting |
| 13.1 |
Evaluatie en onderzoek |
| 13.2 |
Voorlichting |
| xArtikelsgewijs |
| xxxx |
Artikelen
I t/m XXX |
Algemeen
rblz.|4|
1.
Inleiding
1.1.
Achtergrond en inhoud voorgestelde maatregelen
In
de reeks van wetsvoorstellen die vorm
moeten geven aan het beleid gericht
op het terugdringen van het
ziekteverzuim en het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is dit wetsvoorstel het tweede dat het parlement
bereikt.
Op
1 maart 1992 is het eerste voorstel wet
geworden. Het gaat hier om
de Wet
terugdringing
arbeidsongeschiktheidsvolume (Wet
TAV, Stb. 1992, 82). In de Wet TAV worden vooral die
wettelijke maatregelen die
nodig zijn ter uitvoering van het Najaarsakkoord van 2 oktober 1990 uitgewerkt,
voor zover ten minste in dat akkoord een
beroep werd gedaan op
de wetgever.
Realisatiegegevens
over de volumeontwikkeling van de ZW [Ziektewet,
red.] en
de AAW/WAO [Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet/Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
red.] over 1990 en het eerste kwartaal 1991
leidden er in juni 1991
toe dat de oorspronkelijke ramingen
dienden te worden bijgesteld.
Deze
bijstelling had tot gevolg dat in plaats
van een daling met 65 000 à 70 000 uitkeringsjaren AAW/WAO een
daling met circa 125 000 uitkeringsjaren
diende te worden gerealiseerd om het
niveau van 1989 (758 000
uitkeringsjaren) te kunnen bereiken. Het
streven naar daling tot het niveau 1989 betreft de nadere
kabinetsinvulling van het Regeerakkoord.
Daarin is vastgelegd dat de doelstelling
van het beleid is om zo snel
mogelijk te komen tot een situatie
waarin het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen in ieder geval niet meer groeit.
De
belangrijkste politieke conclusie van
het kabinet verbonden aan de bijgestelde
ramingen was dat niet (langer) ontkomen
kon worden aan ingrijpende
additionele maatregelen gericht op
ombuiging van de nog zichtbaarder
geworden trend. Voor het kabinet was de
vraag óf er nog additionele wettelijke maatregelen noodzakelijk
zouden zijn niet meer actueel;
het ging nog om de vraag wélke
additionele maatregelen getroffen
moesten worden. Uit deze laatste vraag
zijn na het wetsvoorstel
TAV twee nieuwe wetsvoorstellen
voortgekomen.
Het derde wetsvoorstel,
terugdringing ziekteverzuim (TZ), zal met name
de wijzigingen in de Ziektewet (ZW) en
het Burgerlijk
Wetboek (BW)
betreffen, alsmede het treffen van een
analoge regeling voor het overheidspersoneel.
Dat wetsvoorstel is op 20 november 1991
voor advies
aangeboden aan de Sociale
Verzekeringsraad (SVr). Op 19 maart jl.
heeft de SVr zijn advies vastgesteld. Dat wetsvoorstel zal op korte termijn
bij de Tweede Kamer kunnen worden
ingediend.
In
dit kader dient ook te worden gewezen op
de implementatie van de EG-kaderrichtlijn
betreffende de tenuitvoerlegging van de
maatregelen ter bevordering van de verbetering van de
veiligheid en de gezondheid van
de werknemers op het werk (89/391/EEG).
Bij het wetsvoorstel ter zake
(het wetvoorstel wijziging Arbowet
[Arbeidsomstandighedenwet (oud), red.]) zal
ook worden ingegaan op de
mogelijkheden om uitvoering te geven aan
de motie van het lid van de PvdA-fractie
in de Tweede Kamer, mw. Beijlen-Geerts,
om te komen tot een
verplichting voor de werkgevers vanaf 1
januari 1993 een vorm van bedrijfsgezondheidszorg
beschikbaar te stellen aan alle
werknemers (Kamerstukken II 1991-1992,
22 228, nr. 31). Dat
wetvoorstel zal eveneens binnenkort
aan de Tweede Kamer kunnen worden
aangeboden. De Arboraad
heeft zijn advies met betrekking tot dat
wetsvoorstel (en de samenhang
ervan met het wetsvoorstel
TZ) vastgesteld op 16 april jl.
rblz.|5|
Een
wetsvoorstel dat nauw verband houdt met
de problematiek van ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid betreft het
wetsvoorstel waarin een aanpassing van de organisatiestructuur
voor de uitvoering van de sociale
verzekeringen wordt geregeld. In
paragraaf 1.3 zal nader op deze aanpassing
van de Organisatiewet Sociale
Verzekering (OSV) worden ingegaan.
Het
nu voorliggende wetsvoorstel terugdringing van het
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(TBA) betreft de kabinetsvoorstellen inzake
de verdere wijziging van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW),
de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
en de (ambtelijke) invaliditeitspensioenregelingen.
Belangrijke
elementen uit dit wetsvoorstel zijn de
volgende:
- Wijziging van het
arbeidsongeschiktheidscriterium in de
AAW, de WAO
en de invaliditeitspensioenregelingen.
Om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen, is het noodzakelijk aan te
geven welke functies iemand
nog kan verrichten. Voorgesteld wordt
hierbij geen rekening meer
te houden met het huidige uitgangspunt
"met het oog op opleiding en
vroeger beroep in billijkheid op te
dragen". Het kabinet wil voortaan uitgaan
van verdiensten uit alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene
met zijn krachten en bekwaamheden in
staat is. Daarnaast stelt
het kabinet voor dat de arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks
en objectief
medisch vast te stellen gevolg van
ziekte of gebreken dient te zijn (hoofdstuk 3 van de memorie van
toelichting).
- Wanneer de verzekerde zonder redelijke
grond weigert deel te nemen
aan een wenselijk geachte opleiding of
scholing (of wanneer hij onvoldoende meewerkt aan het bereiken van een
gunstig resultaat ervan),
zal er bij de vaststelling van de mate
van arbeidsongeschiktheid van
worden uitgegaan dat die opleiding of
scholing is afgerond (paragraaf
3.3.2).
- Aanpassing van het niveau van de WAO-
en de ambtelijke invaliditeitsuitkeringen.
Hiertoe wordt een onderscheid
geïntroduceerd tussen een loondervingsuitkering en een
vervolguitkering. De loondervingsuitkering
bedraagt - bij volledige
arbeidsongeschiktheid - 70% van het dagloon.
De duur van deze uitkering is
afhankelijk van de leeftijd van de verzekerde
bij instroom in de
arbeidsongeschiktheidsregeling. De
hoogte van
de vervolguitkering wordt In belangrijke
mate bepaald door de leeftijd
bij instroom en door het niveauverschil
tussen het oude loon en het
minimumloon (hoofdstuk 4).
- De duur van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
van rechtswege
in de tijd beperkt tot drie jaar. Om
uitvoeringstechnische redenen
wordt tot een nog nader te bepalen datum
deze termijn echter vastgesteld
op vijf jaar. Na het verstrijken van
deze periode dient de uitkeringsgerechtigde
voortzetting voor opnieuw drie/vijf jaar
aan te vragen.
Voorafgaand aan deze voortzetting zal
een beoordeling door de uitvoeringsorganen
plaatsvinden. Ook in gevallen waarin
voor het eerst sprake
is van een aanspraak op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering dient
betrokkene (drie maanden vóór de eventuele toetreding tot de
AAW/WAO)
een aanvraag bij de bedrijfsvereniging
in te dienen. De uitvoeringsorganen
wordt daarnaast opgedragen om ten
aanzien van nieuwe
instromers in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen een
herbeoordeling
binnen één jaar na de eerste
toekenning te doen plaatsvinden (hoofdstuk
5).
- Invoering van een stimuleringsmaatregel
voor een afgebakende groep
arbeidsongeschikten (boven-50-jarigen
die gedurende minimaal twee
jaar onafgebroken recht op uitkering
hebben gehad, vroeggehandicapten
ingestroomd in de AAW vóór 1 januari
1987, WAO-ers ingestroomd vóór 1 januari 1987 en die op die datum
35 jaar of ouder rblz.|6|
waren
alsmede invaliditeitsgepensioneerden die
- ingevolge de overgangsbepalingen
in de artikelen XXI
[XX] en
XXV
[XXIII] van
dit
wetsvoorstel - nog
zijn aan te merken als de zogenaamde
verdisconteringsgevallen) ter bevordering
van de participatie op de arbeidsmarkt. Indien werkhervatting
leidt tot bespaarde uitkeringsgelden,
krijgt betrokkene gedurende drie jaar recht op een stimuleringsuitkering
ter hoogte van bruto 60% van dit
bespaarde bedrag.
Uitbetaling
hiervan geschiedt een keer per jaar, te
weten één, twee en drie
jaar nadat de arbeid is hervat. Het
kabinet wil aan deze stimuleringsmaatregel
een terugwerkende kracht geven, in die
zin dat de maatregel betrekking
heeft op personen die na 1 februari 1992
het werk hervatten. De
maatregel zal (vooralsnog) werkzaam zijn
tot 1 februari 1994 (hoofdstuk
8).
Het
overgangsrecht ten aanzien van de
verschillende maatregelen is weergegeven
in hoofdstuk 7 van deze
memorie. In
hoofdstuk 12 wordt aandacht besteed aan de gevolgen voor de
uitvoeringsorganen.
Het
kabinet realiseert zich dat het
voorliggende wetsvoorstel een aantal
maatschappelijk zeer ingrijpende
maatregelen omvat. Deze ingrepen
zijn echter, in de visie van het
kabinet, onontkoombaar. Het kabinet
kan niet anders dan concluderen dat de
hier voorgestelde maatregelen
(in samenhang met de Wet
TAV en de
wetsvoorstellen TZ en
wijziging Arbowet) noodzakelijk zijn,
gelet op de onaanvaardbare ontwikkelingen
met betrekking tot het beroep op de
ziekte- en
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
De te hoge uitstroom uit het
arbeidsproces en de
te beperkte (re)integratie van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten in het arbeidsproces
leiden tot te hoge collectieve lasten en
tot een - zeker op langere
termijn - scheefgroeiende verhouding
tussen actieven en niet-actieven.
Het
volumebeeld in de jaren 1991-1992 laat
een voortgaande, zij het afnemende,
groei zien. In 1991 is weliswaar sprake
van een stabilisatie van
de instroom en een stijging van het
aantal beëindigingen van het uitkeringsrecht,
maar het aantal toekenningen overtreft
het aantal beëindigingen
met meer dan 20 000 personen. Ook het
aantal uitkeringsjaren is
in 1991 verder toegenomen. De omvang van
de groei neemt echter af in
1991.
Op
basis van de realisatiecijfers tot en
met de eerste helft van 1992 lijkt
ook het groeitempo voor 1992 een dalende
lijn te vertonen. De ramingen
voor de volumeontwikkeling voor 1992 en
latere jaren, zoals weergegeven
in de Sociale Nota 1993 (Kamerstukken II
1992-1993, 22
802), zijn dan ook neerwaarts bijgesteld
ten opzichte van de Nota Sociale
Zekerheid 1992 (Kamerstukken II 1991-1992,22322, nrs.1-2). In tabel
1.1 worden de volumina over het eerst
halfjaar 1992 samengevat.
Tabel
1.1. Volume AAW/WAO 1992 (eerste
halfjaar):
| |
Personen |
Uitkeringsjaren |
| (Ultimo)
1991 |
903
400xxxxxxxx |
801
000xxxxxxxx |
| (Medio)
1992 ¹ |
910
400xxxxxxxx |
805
000xxxxxxxx |
| Mutatie |
7
000xxxxxxxx |
4
000xxxxxxxx |
| (Mutatiepercentage) |
(0,8%)xxxxxxxx |
(0,5%)xxxxxxxx |
| Raming
(ultimo) 1992 |
919
000xxxxxxxx |
809
000xxxxxxxx |
1.
Bron: SVr-correctie voor
ABP-uitkeringsgerechtigden
uitkeringsjaren van juli 1991 - juni 1992.
Het
is niet ondenkbaar dat de aankondiging
van de kabinetsvoornemens
voor een deel verantwoordelijk is voor
de dalende groei in het eerste halfjaar van 1992. Ondanks het dalende
groeitempo wordt nog rblz.|7|
steeds
een voortgaande stijging verwacht voor
1992 en latere jaren. Het volume
beweegt zich derhalve nog duidelijk
boven de kabinetsdoelstelling
van niet meer dan 758 000
uitkeringsjaren.
Om
de doelstelling te kunnen bereiken,
dient het ingezette beleid, waarvan
het onderhavig wetsvoorstel een
belangrijk onderdeel vormt, onverkort
te worden gehandhaafd. In hoofdstuk 10
van deze memorie van
toelichting wordt nader ingegaan op de
volume- en financiële aspecten
van het voorliggende
wetsvoorstel.
1.2.
Wet TAV en wetsvoorstel TZ
In
hoofdstuk 1 (Historisch overzicht van
ontwikkelingen en beleidsvoornemens)
van de memorie van toelichting bij het
wetsvoorstel TAV (Kamerstukken II
199 [1990-1991, red.], 22 228, nr.
3) is uitvoerig
ingegaan op de achtergrond
en de noodzaak van het grote aantal
maatregelen gericht op de terugdringing
van het ziekteverzuim en het beroep op
de WAO, de AAW
en
de (ambtelijke)
invaliditeitspensioenregelingen.
De Wet TAV bevat onder meer een
bonus/malussysteem, een loonkostensubsidieregeling
en premiedifferentiatie in de ZW.
Voor een uitvoerige beschrijving van alle maatregelen uit de
Wet TAV wordt verwezen
naar de memorie van toelichting bij dat
wetsvoorstel. Op 1 maart
1992 is het wetsvoorstel TAV wet
geworden. De premiedifferentiatie
van de ZW
wordt met ingang van 1
januari 1993 ingevoerd.
In
het wetsvoorstel TZ zal worden
voorgesteld werkgevers gedurende de
eerste drie/zes weken zelf de lasten te
laten dragen verbonden aan het ziekteverzuim van hun werknemers.
Er
bestaat geen mogelijkheid meer dit via
de ziekengeldkassen bij de bedrijfsvereniging
te verzekeren.
Tevens
is de loondoorbetalingsverplichting bij
ziekte gewijzigd, in die zin
dat de werkgever gedurende deze eerste
zes weken van ziekte aan de werknemer
70% van het loon (en ten minste het
minimumloon) dient door
te betalen. Daarnaast is een maatregel
in het wetsvoorstel TZ opgenomen waarbij de mogelijkheid om
bovenwettelijke uitkeringen via de
ziekengeldkassen bij de
bedrijfsvereniging te herverzekeren,
wordt geblokkeerd.
Een
ander belangrijk element in het
oorspronkelijke ontwerp van het wetsvoorstel
TZ was de maatregel om onderhandelingen
tussen sociale partners mogelijk te maken met betrekking tot het
inleveren van vakantiedagen
bij ziekte. De Tweede Kamer heeft echter
op 5 december 1991 bij
amendement de mogelijkheid van
schriftelijke afspraken over inlevering
van vakantiedagen bij ziekte in het
wetsvoorstel TAV gevoegd.
Op
19 maart jl. heeft de SVr het advies
over het wetsvoorstel TZ bepaald.
Het wetsvoorstel is op enige onderdelen
naar aanleiding van het advies
en de afstemming met het wetsvoorstel
wijziging Arbowet
(verantwoordelijkheid
werkgever en bedrijfsvereniging)
aangepast.
Voor
een nadere uitwerking van bovengenoemde
maatregelen en standpunten
wordt verwezen naar de memories van
toelichting bij de wetsvoorstellen TZ en wijziging
Arbowet.
1.3.
Aanpassing van de Organisatiewet Sociale
Verzekering (OSV) en sociaal-medische
begeleiding
Er
is een duidelijk verband tussen het
beleid gericht op het terugdringen
van vermijdbaar ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid (het rblz.|8|
zogenaamde volumebeleid) en de door het kabinet
gepresenteerde voorstellen
voor een herziening van de OSV (Sociale
Nota 1993, Kamerstukken II 1992-1993, 22
802).
Het
kabinet bereidt een voorstel ter zake
voor. Bij de voorbereiding van dat
voorstel zal nader worden ingegaan op
een aantal onderwerpen waarover
de Sociaal-Economische Raad (SER) in
zijn advies Ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid van 12 juli
1991 (publikatienummer 91/15,
zie paragraaf 1.4 van deze memorie) heeft
geadviseerd. Het betreft hier de onderwerpen
intercollegiale en interprofessionele
toetsing bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen,
"second opinion" en het
beoordelings-
en arbeidsbemiddelingstraject
bij arbeidsongeschiktheid.
Op
1 juni 1992 is een kabinetsstandpunt
inzake sociaal-medische begeleiding
aan de Tweede Kamer aangeboden
(Kamerstukken II 1991-1992,
22 300 XV, nr. 82). Een centraal
element hierbij is het creëren van
een duidelijke verdeling van
verantwoordelijkheden met betrekking tot
ziekteverzuim(beleid) tussen werkgever
en de bedrijfsvereniging. De werkgever
is verantwoordelijk voor de preventie
van en de begeleiding bij ziekteverzuim
en de reïntegratie in het eigen
bedrijf. De bedrijfsvereniging
is verantwoordelijk voor de
claimbeoordeling (de controle bij werknemers
op het bestaan van ongeschiktheid tot
het verrichten van hun
arbeid), de beoordeling of de werkgever
zijn taak met betrekking tot verzuimbegeleiding
op adequate wijze uitoefent en de begeleiding bij de
reïntegratie
buiten het eigen bedrijf. In de memories
van toelichting bij de
wetsvoorstellen TZ en wijziging Arbowet
wordt het standpunt met betrekking
tot het vraagstuk sociaal-medische
begeleiding nader toegelicht.
1.4.
SER-advies
In
het Najaarsakkoord van 2 oktober 1990
heeft het kabinet aangegeven
een adviesaanvrage aan de SER te zullen
voorleggen, waarbij de AAW,
de WAO en de
Wagw [Wet arbeid gehandicapte
werknemers, red.] in hun onderlinge
relatie in discussie komen.
De adviesaanvrage is op 19 februari 1991
verzonden aan de SER (Kamerstukken II
1990-1991, 21 998, nr. 2, bijlage 6).
Voor achtergronden en
overwegingen bij het opstellen van de
adviesaanvrage en voor de inhoud
inzake beleidssuggesties op het terrein
van de ZW en het
BW
wordt
verwezen naar de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel TZ. Ook
een kabinetsstandpunt inzake de
mogelijke introductie van een terugkeerrecht
of herplaatsingsregeling voor
(gedeeltelijk) herstelde werknemers,
de concretisering van het begrip "goed
werkgeverschap", de
invoering van bedrijfsgezondheidszorg en
een wijziging van de ontslagbescherming
is hierin opgenomen.
In
de adviesaanvrage werd wat de AAW, de WAO
en de Wagw betreft
aandacht gevraagd voor de volgende
onderwerpen:
-
het mogelijk verhogen van de
bruikbaarheid van het Wagw-quoteringsinstrument
door uit te gaan van een uniform
percentage;
-
het tot stand komen van een
voorkeursbeleid bij de werving en selectie
van nieuw personeel door werkgevers ten
gunste van gehandicapte
werklozen, wellicht als alternatief voor
quotering;
-
het beperken van de uitkeringsduur van
de WAO;
-
het maken van een onderscheid tussen
beroepsgebonden en niet-beroepsgebonden
risico's;
-
de introductie van een
belastbaarheidscriterium in de AAW en
WAO en
de operationalisering van dit nieuwe
criterium;
-
het wijzigen van het beleid met
betrekking tot het duiden van passende
arbeid;
rblz.|9|
-
het aanscherpen van de toepassing van de
begrippen "ziekte" en "gebrek";
-
het afschaffen van de laagste
arbeidsongeschiktheidsklassen in AAW
en WAO en de invoering van een minder
fijnmazige klassenindeling;
-
overheveling van (een deel van) de
WAO-premie naar de werkgever en
in aansluiting daarop een eventuele
differentiatie van de WAO-premie.
Op
12 juli 1991 heeft de SER
zijn advies
over het beleid ten aanzien van
ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
uitgebracht. Het kabinet heeft
zijn standpunt op hoofdlijnen bepaald op
13 juli 1991. De SER en de
Tweede Kamer der Staten-Generaal zijn
hierover geïnformeerd op 16 juli
1991 (Kamerstukken II 1990-1991, 22 187,
nr. 1). Het kabinetsstandpunt
is nadien, wat de voorgestelde ingrepen
in de WAO betreft, aangepast (Kamerstukken
II 1990-1991, 22 187, nrs.
2, 9 en 10).
De SER is eensluidend in zijn oordeel dat
verdergaande maatregelen moeten
worden genomen dan die welke
voortvloeien uit het Najaarsoverleg
1990, teneinde de beoogde stabilisatie
en vervolgens substantiële
vermindering van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid zo spoedig
mogelijk te realiseren.
Als
primaire doelstelling voor het
volumebeleid ziet de Raad dat de te treffen
maatregelen ertoe zullen moeten leiden
dat zoveel mogelijk mannen
en vrouwen die onder de huidige
wetgeving en uitvoeringspraktijk
buiten het arbeidsproces zouden komen te
staan, hun plaats in het
arbeidsproces behouden of weer in het
arbeidsproces worden opgenomen.
Over het antwoord op de vraag hoe en met
welke maatregelen
deze doelstelling kan worden bereikt,
wordt binnen de Raad verschillend
gedacht.
Eén
van de onderwerpen waarover de SER
advies heeft uitgebracht, betreft
de structuur en de inrichting van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daarnaast heeft de SER geadviseerd over
verdergaande maatregelen
op het terrein van preventie,
rechtsbescherming, reïntegratie en de financiële
betrokkenheid van werkgevers en
individuele werknemers bij het
ziekteverzuim.
De
Raad gaat in zijn advies niet expliciet
in op de suggestie inzake het uniforme
Wagw-quotumpercentage. De Raad geeft
echter wel aan nog steeds het uitgangspunt van artikel 2 van de
Wagw te onderschrijven dat
werkgevers en werknemers
verantwoordelijk zijn voor het
verbeteren van
de kansen van gehandicapte werkzoekenden
op de arbeidsmarkt.
In
deze toelichting zal niet alleen worden
ingegaan op de geadviseerde maatregelen
die verband houden met het
arbeidsongeschiktheidscriterium
en de structuur en inrichting van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen,
maar ook op enkele andere in het SER-advies aangegeven onderwerpen,
zoals werkgelegenheidsaspecten (paragraaf
2.1) en werving en selectie
van arbeidsongeschikten (paragraaf
2.2).
Ook komen aan de orde
een sluitende aanpak voor jongere
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers
(paragraaf 2.3) en het ouderenbeleid
(paragraaf 2.4).
Een
exacte doorvertaling van de WAO-maatregelen voor de overheid is alleen
mogelijk indien voor de overheidssector
en de marktsector een overeenkomstige
uitkeringssystematiek zou gelden. De
uitkeringsregelingen
in de overheidssector op het terrein van
ziekte en arbeidsongeschiktheid verschillen evenwel qua systematiek
aanzienlijk met die van de marktsector.
Daarom heeft het kabinet moeten kiezen
voor de doorvertaling
die thans voorligt. Deze doorvertaling
(in hoofdstuk 9 uitgewerkt)
rblz.|10|
moet
als een tijdelijke oplossing worden
aangemerkt in afwachting van een
structurele regeling.
1.5.
SVr-advies
Op
21 februari 1992 is de SVr om
uitvoeringstechnisch advies gevraagd.
Bij de adviesaanvrage is een voorontwerp
van wet met een bijbehorende memorie van toelichting gevoegd. Aan de
SVr is bijzondere aandacht
gevraagd voor de cumulatie van een
aantal van de voorgestelde maatregelen: de aanpassing van het
arbeidsongeschiktheidscriterium,
de introductie van een verplichte
herbeoordeling in het eerste WAO/AAW-jaar
en de introductie van de tijdelijkheid
van de uitkering met
een herbeoordeling één keer in de vijf
jaar alsmede de voorgestane herbeoordelingsoperatie
voor het zogenaamde zittende bestand.
Aan de Raad
is verzocht aan alle relevante
uitvoeringsaspecten van deze maatregelen
bijzondere aandacht te besteden, waarbij
het kabinet het oog had op
de (extra) inspanningen door de
uitvoeringsorganen, de wijze waarop daaraan
vorm kan worden gegeven en de daarmee
gepaard gaande kosten.
In
verband met een zo spoedig mogelijke
invoering van de voorgestelde
maatregelen is de SVr verzocht in april
1992 te adviseren. Bij brief
van 6 april 1992 heeft de SVr meegedeeld
niet binnen dit tijdsbestek
te kunnen adviseren. Uiteindelijk is het
advies vastgesteld in de raadsvergadering
van 4 juni 1992.
De
SVr beoordeelt in zijn advies de
voorgestelde maatregelen uiteraard
vanuit een uitvoeringstechnische en
wetstechnische invalshoek. De
Raad betrekt in zijn advisering wel de
vraag of in de voorgestelde uitwerking
van de maatregelen geen belemmeringen
zijn gelegen ten aanzien
van het bereiken van de beoogde
doelstelling. De Raad gaat in zijn
advies voorts in op de vraag of de
voorgestelde maatregelen al dan niet
strijdig zijn met internationale
bepalingen. Tevens wordt in het advies
aandacht besteed aan het overgangsrecht
voor degenen die thans reeds
recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Op
een aantal onderdelen neemt de Raad een
verdeeld standpunt in. Op
bepaalde onderdelen is de Raad het wel
eens met het achterliggende principe van de voorgestelde maatregel, maar gaat
hij vervolgens niet akkoord
met de wijze waarop de maatregel is
uitgewerkt. Dit doet zich bijvoorbeeld
voor bij de tijdelijkheid van de
uitkering. Opvallend element in
het advies is het unanieme voorstel voor
een herbeoordeling binnen een
termijn van drie jaar, in plaats van de
voorgestelde termijn van vijf jaar.
Ook adviseert de SVr unaniem tot het
operationaliseren van een aantal
elementen van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium door
daaraan
bij AMvB invulling te geven.
Op
de diverse opmerkingen van de Raad zal
bij de bespreking van de afzonderlijke
maatregelen nader worden ingegaan. De
opmerkingen van de
Raad ten aanzien van de strijdigheid met
internationale bepalingen zullen
in hoofdstuk 11 (Internationale
aspecten) aan bod komen. De aantekeningen
van de Raad bij de financiële en
volume-effecten zullen in hoofdstuk
10 (Volume- en financiële gevolgen)
afzonderlijk worden besproken.
Hetzelfde geldt voor de opmerkingen van
de Raad ten aanzien
van de gevolgen voor de uitvoering van
de voorgestelde maatregelen.
Deze opmerkingen vinden hun plaats in
hoofdstuk 12.
rblz.|11|
1.6.
ABP-, Spf- en CGOA-advies
Op
25 februari 1992 is aan het Bestuur van
het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) en aan de Raad van Toezicht van
het Spoorwegpensioenfonds (Spf) om uitvoeringstechnisch advies
gevraagd. De adviesaanvragen
zijn op dezelfde wijze aangeboden als
het SVr-advies. Voorts
is het voorontwerp van wet met een
bijbehorende memorie van toelichting
voor advies aangeboden aan de Centrale
Commissie voor Georganiseerd
Overleg in Ambtenarenzaken (CGOA).
In
alle gevallen werd met het oog op een zo
spoedig mogelijke invoering
van de voorgestelde maatregelen verzocht
in april 1992 te adviseren.
Het
advies van het Spf is op 13 mei 1992 en
het advies van het ABP is op
10 juni 1992 ontvangen.
De
CGOA kon zich evenwel met de wijze van
aanpak en de gevolgde procedure
niet verenigen. Dit heeft geleid tot een
adviesaanvraag d.d. 28 april 1992 bij de Advies en
Arbitragecommissie. Deze commissie heeft
in haar
uitspraak van 16 juli 1992 (AAC/92 122)
geadviseerd dat het "overeenstemmingsvereiste
niet geldt voor het overleg over het genoemde
conceptvoorstel van wet, hetgeen niet
wegneemt dat overeenstemming
in het overleg daarover wel dient te
worden nagestreefd".
Nader overleg met de hiervoor genoemde
centrales heeft geresulteerd
in de constatering dat geen overeenstemming bestaat ten
aanzien
van de te treffen TBA-maatregelen.
Overigens bestaat met betrekking
tot de wijze waarop de maatregelen voor de overheid zijn
vormgegeven overeenstemming, met
uitzondering van het schrappen van
de mogelijkheid een
werkloosheidscomponent te verdisconteren
in het
percentage van algemene invaliditeit.
De
door het ABP en het Spf gemaakte
opmerkingen ten aanzien van de het
arbeidsongeschiktheidscriterium, de
welvaartsvastheid van de voorgestelde uitkeringsstructuur en de relatie met de
internationale regelgeving
komen uitgebreid aan de orde bij de
bespreking van het advies
van de SVr. Voor een reactie wordt naar
de desbetreffende hoofdstukken
verwezen. In hoofdstuk 9 zal nader
worden ingegaan op de adviezen
aangaande:
-
de samenhang met andere maatregelen op
het gebied van de terugdringing
van arbeidsongeschiktheid;
-
de samenloop van invaliditeitspensioen
met wachtgeld;
-
de samenloop van invaliditeitspensioen
met herplaatsingstoelage;
-
de relatie tussen de minimumgaranties
van artikel F 9, negende lid, en
artikel F 9b van de Algemene burgerlijke
pensioenwet.
Andere
meer specifieke opmerkingen van beide
pensioenfondsen zullen
bij de bespreking van de diverse
onderdelen nader aan de orde worden
gesteld. Overige opmerkingen van
redactionele aard zijn, tenzij anders
is aangegeven, overgenomen.
1.7.
Advies van de Raad voor de gemeentefinanciën
De
Raad voor de gemeentefinanciën heeft op
19 maart 1992 advies uitgebracht.
In het advies wordt opgemerkt dat de
effecten van de voorstellen moeilijk zijn te beoordelen. Voor de
eerste jaren kan de Raad echter
instemmen met de in het wetsvoorstel
genoemde effecten en de gevolgen
daarvan voor het gemeentefonds. Hij acht
het raadzaam dat de effecten
na enige jaren worden geëvalueerd,
waarna op basis van meer concrete
gegevens het lastenbeeld en de daaruit
voortvloeiende vergoeding
aan het gemeentefonds kan worden bepaald.
rblz.|12|
Tevens
vraagt hij aandacht voor de extra
uitvoeringskosten die aan de in
het wetsvoorstel genoemde maatregelen
zijn verbonden. De Raad zou deze kosten reeds nu toegevoegd willen zien
aan het gemeentefonds.
In
met name de hoofdstukken over de
financiële effecten en de evaluatie
zal op het advies van de Raad worden
ingegaan.
2.
Arbeidsmarktparticipatie van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
2.1.
Werkgelegenheidsaspecten
Met
de SER acht het kabinet het niet alleen
in financieel maar ook in maatschappelijk
opzicht onaanvaardbaar dat een groot
aantal mensen als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet meer kan
deelnemen aan het arbeidsproces.
Terugdringing van het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is één van de middelen van het kabinet
om de arbeidsparticipatie
te bevorderen en de verhouding tussen
het aantal inactieven en
actieven in onze samenleving structureel
te verbeteren. Bevordering van
de arbeidsparticipatie zorgt voor een
toenemend inkomen uit arbeid en
daarmee tot verbreding van het
economisch draagvlak. Dit laatste is ook
van belang voor de handhaafbaarheid van
de koppeling tussen lonen en
uitkeringen.
Met
de SER is het kabinet zich bewust dat
realisering van de beoogde effecten
van het volumebeleid wordt beïnvloed
door sociaal-economische ontwikkelingen die los staan van de
problematiek van ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid. De Raad doelt
onder andere op de werkgelegenheidsontwikkeling
en de werking van de arbeidsmarkt voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten. Daarmee komt tot
uitdrukking dat het hoge arbeidsongeschiktheidsvolume en de lage
arbeidsparticipatie ook wat
hun oplossing betreft met elkaar
samenhangen: het succes van terugdringing
van het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is mede
afhankelijk van een succesvol
werkgelegenheidsbeleid, maar ook het
omgekeerde geldt. Terugdringing van het
arbeidsongeschiktheidsvolume
leidt immers tot een daling van de
collectieve lastendruk. De hoogte
van die collectieve lastendruk vormt
thans een belemmering voor een
goede werking van de arbeidsmarkt en
voor uitbreiding van de werkgelegenheid.
Naarmate een succesvol werkgelegenheidsbeleid meer
synchroon
loopt met een succesvol volumebeleid
krijgt de kringloop volumedaling
arbeidsongeschiktheid - daling collectieve lastendruk -
stijging
werkgelegenheid - daling
arbeidsongeschiktheidsvolume, etc. een zichzelf
versterkend effect.
Om
inzicht te krijgen in de vraag of het
werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid
van het kabinet tot een succesvolle
reïntegratie kan bijdragen,
is een nadere schets van de
arbeidsmarktkenmerken van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten en van de vraag naar
arbeid voor personen
met deze kenmerken van belang.
De
kans om arbeidsongeschikt te worden,
verklaard is niet voor iedereen
gelijk. Er bestaat een verband tussen
het niveau van de opleiding
en de aard van het werk. Een lager
opgeleide zal relatief vaker in
lichamelijk zwaar werk terechtkomen.
Het gemiddelde opleidingsniveau
van WAO-toetreders is aanzienlijk lager
dan van werkenden en ook
beduidend lager dan van werklozen. Van
de WAO-instromers heeft 40% geen onderwijsdiploma (heeft dus
alleen basisonderwijs), terwijl dat
percentage bij werklozen op 32 ligt en
bij werkenden op 13. De kans om
arbeidsongeschikt te raken, is voor een ongediplomeerde ongeveer
vijftienmaal zo groot als voor iemand met een
diploma HAVO, MBO of hoger.
Zowel voor oudere als voor jongere WAO-toetreders geldt deze
rblz.|13|
verhouding. LBO- en MAVO-gediplomeerden hebben
ongeveer achtmaal zoveel
kans als HAVO/MBO- en hoger opgeleiden
om arbeidsongeschikt te
raken.
Voor
de sectoren bouw, landbouw en overige
industrie is de instroomkans
groter dan gemiddeld, voor de sectoren
commerciële diensten,
commercieel transport en metaalindustrie
is de instroomkans lager
dan gemiddeld. Grote bedrijven leveren
niet significant meer of minder
toestroom naar de WAO op dan kleine
bedrijven, zoals blijkt uit een
vergelijking tussen de aandelen
WAO-toetreders en werkenden naar vestigingsgrootte.
WAO-instromers blijken vaker dan
gemiddeld werkzaam
te zijn geweest in banen die zij
kenschetsen als "lichamelijk zwaar".
De
vraag naar arbeid wordt door bedrijven
niet geformuleerd in persoonlijke
kenmerken, maar in kwalificaties die
nodig zijn om een functie
te vervullen. Met andere woorden, een
bedrijf zoekt iemand met bepaalde
kennis en vaardigheden om een vacante
functie te vervullen. Gezien
het relatief lage gemiddelde
opleidingsniveau van gedeeltelijk arbeidsongeschikten
is vooral de situatie aan de onderkant
van de vacaturemarkt
van belang. Het aandeel van vacatures
voor ongeschoolden
schommelt reeds lange tijd rond de 10% van het totaal aantal
openstaande vacatures. Werkgevers geven
echter te kennen steeds
meer moeilijkheden te ondervinden bij
het vervullen van vacatures op
dit niveau: zowel in 1990 als in 1991
was het percentage moeilijk vervulbare
vacatures op ongeschoold niveau zelfs
het op één na hoogste van
de zeven onderscheiden
opleidingsniveaus; alleen LBO-vacatures werden
door werkgevers nog moeilijker
vervulbaar geacht.
Deze
situatie aan de vraagkant van de
arbeidsmarkt biedt in beginsel dus
mogelijkheden voor gedeeltelijk
arbeidsongeschikten. Uit het vorengaande
blijkt tevens dat het van groot belang
is dat werkgevers binnen het
eigen bedrijf of de eigen instelling
functies creëren of geschikt maken
voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Het
kabinet verwacht dat de in
het Najaarsakkoord van 2 oktober 1990
genoemde noodzaak tot het creëren
van dergelijke arbeidsplaatsen "in de
luwte" binnen het arbeidsvoorwaardenoverleg
op bedrijfstak- en bedrijfsniveau
verder gestalte krijgt.
Mocht
uit feitelijke ontwikkelingen in de
bedrijfstakken en de werkloosheidsontwikkeling
van gehandicapten blijken dat het nu
voorgenomen beleid onvoldoende succes heeft, dan rest het
kabinet geen andere mogelijkheid
dan de quoteringsbepaling van de Wagw in
werking te doen
treden.
Voor
een groot aantal gedeeltelijk
arbeidsgeschikten kan de arbeidscapaciteit
slechts worden benut in functies
waarvoor een niet te hoge arbeidsproduktiviteit
is vereist. Functies met een minder hoge
arbeidsproduktiviteit
zullen in het algemeen gepaard gaan met
lagere beloningsvoeten. Het werkgelegenheidsbeleid van het
kabinet is onder andere gericht
op het creëren van ruimte voor het
ontstaan van dergelijke functies.
Kern
van het werkgelegenheidsbeleid is het
streven naar een voortgaande
stijging van de werkgelegenheid in het
algemeen en aan de onderkant
van het loongebouw in het bijzonder.
Lastenverlichting is daarbij
een belangrijk instrument. Ook de
werking van de arbeidsmarkt dient
te worden verbeterd gezien het grote
aantal openstaande vacatures,
ook op minimumloonniveau. Tevens kan
kwaliteitsverbetering hieraan
bijdragen. Ook voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten is het aangewezen
middel de krachten en bekwaamheden te
verbeteren en daarmee meer
concurrerend te worden op de arbeidsmarkt.
rblz.|14|
Op
de arbeidsmarkt moet de gedeeltelijk
arbeidsgeschikte concurreren met
anderen. Het kabinet streeft naar een
verbetering van de verhouding tussen prijs en kwaliteit van de arbeid van de
gedeeltelijk arbeidsgeschikte
teneinde zijn positie te versterken.
Voor een deel heeft dit streven gestalte
gekregen in de Wet
TAV, waarin immers
(financiële) prikkels voor
(re)integratie zijn opgenomen, zoals de
bonus uit het bonus-malussysteem
en de loonkostensubsidieregeling van de
GMD [Gemeenschappelijke Medische Dienst,
red.]. Van belang is ook
de preventieve werking die naar
verwachting van de Wagw uit zal gaan
alsmede de daarmee samenhangende
inspanningen van de sociale partners,
zoals die tot uitdrukking komen in het
Najaarsakkoord van 2 oktober
1990. Tevens leiden een wijziging van
het arbeidsongeschiktheidscriterium
(verruiming van het begrip "passende
arbeid", zie hoofdstuk
3, en versterking van de daarmee
verbonden scholings- en bekwamingsmogelijkheden
tot een verruiming van de
arbeidsmarktmogelijkheden
van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
Scholing valt evenwel mede
onder het arbeidsmarktbeleid voor alle
door het kabinet onderscheiden
doelgroepen.
Het
arbeidsmarktbeleid voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten is verder gericht
op een snelle reïntegratie in het
arbeidsproces. De kans op werkhervatting
is het grootst tijdens het ZW-jaar
en het eerste jaar WAO.
Daarna neemt het aantal werkhervattingen
snel af. De werkwijze in
het kader van een geïntensiveerde en
(in het kader van de aanpassing van
de OSV vorm te geven) geïntegreerde
gevalsbehandeling is er dan ook
op gericht om in een zo vroeg mogelijk
stadium bemiddeling naar een
andere arbeidsplaats te starten wanneer
blijkt dat terugkeer naar het oude
werk niet mogelijk is. In de beoogde
herinrichting van de uitvoeringsorganisatie
van de sociale verzekeringen is deze
werkwijze als uitgangspunt
gekozen en zal de GMD daartoe opgaan in
de bedrijfsverenigingen.
Het
kabinet vindt het wenselijk dat de
Arbeidsvoorzieningsorganisatie op
termijn de bemiddeling van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten die niet kunnen worden herplaatst in het eigen
bedrijf
gaat verzorgen. Het Centraal
Bestuur voor de Arbeidsvoorziening heeft
hierover op 24 april 1992
advies uitgebracht. Gedeeltelijk
arbeidsgeschikten dienen als een prioritaire
doelgroep van de
arbeidsvoorzieningsorganisatie te worden
gezien.
2.2.
Werving en selectie
Door
verschillende delen van de SER
zijn
opmerkingen gemaakt met betrekking
tot de problemen van de reïntegratie
van personen met een WAO-verleden
(met name als het psychiatrische
problemen betreft) en arbeidsongeschikten
met een restcapaciteit. Naast een
algemeen werkgelegenheidsbeleid,
gericht op het creëren van de
benodigde, geschikte arbeidsplaatsen, dient de
toegankelijkheid tot de arbeid voor deze
groep vergroot te worden. Niet alleen
dient het arbeidsvoorwaardenbeleid
daarop gericht te zijn, maar ook vergt
dit aanpassingen ten aanzien
van het wervings- en selectiebeleid.
Essentieel is dat daarin wordt
uitgegaan van de bestaande arbeidsgeschiktheid
van de sollicitant en
dat bij een eventuele beoordeling voor
een specifieke functie aanpassing
van arbeidsomstandigheden aan de
mogelijkheden en de capaciteiten
prioriteit krijgt. Hiertoe zouden
afspraken kunnen worden gemaakt
tussen sociale partners, bijvoorbeeld in
CAO's. Ook zou een eenduidige
sollicitatiecode tot stand kunnen worden
gebracht door de professionele
beroepsorganisaties waarin een aantal
belangrijke beginselen
van goede werving en selectie zijn
vastgelegd (basiscode). De aanbevelingen
gedaan door de Stichting van de Arbeid
inzake het wervings-
en selectiebeleid van ondernemingen
(maart 1991) kunnen rblz.|15|
daarbij
als uitgangspunt dienen. Bij het
opstellen van een sollicitatiecode verdient
de positie van sollicitanten met een
(bijvoorbeeld psychiatrisch) ziekteverleden
bijzondere aandacht. De in de code neer
te leggen gedragsregels
dienen erop te zijn gericht de kansen op
aanstelling van met
name deze groep sollicitanten te
vergroten. Bij werkgevers bestaat, met
het oog op de in de
arbeidsongeschiktheidswetten opgenomen financiële
prikkels, een toenemende behoefte aan
instrumenten voor risicoselectie.
Medische
aanstellingskeuringen vormen, zoals uit
onderzoek blijkt, geen
goede basis voor het voorspellen van
ziekteverzuim en WAO-intrede
en zijn daartoe dan ook geen geschikt
instrument. Wel zijn deze
keuringen bruikbaar bij de beoordeling
van de medische geschiktheid
van functies met duidelijke
gezondheidsrisico's.
In
het najaar van 1992 wordt een onderzoek
uitgevoerd naar de praktijk
van de aanstellingskeuringen. Aan de
hand van de resultaten daarvan
zal de overheid besluiten of nadere
overheidsvoorschriften nodig zijn.
Voorts
zal op korte termijn een
kabinetsstandpunt inzake werving en selectie
aan de Kamer worden toegezonden, naar
aanleiding van de reeds vermelde aanbevelingen van de Stichting
van de Arbeid.
2.3.
Sluitende aanpak jongere gedeeltelijk
arbeidsgeschikte werknemers
Een
deel van de SER, bestaande uit de
werknemersleden benoemd door
CNV en MHP, is van mening dat gerichte
maatregelen nodig zijn om de toeneming van de arbeidsongeschiktheid
onder de lagere leeftijdscategorieën
tot staan te brengen.
Voorgesteld
wordt een sluitende aanpak voor jongere
gedeeltelijk arbeidsgeschikte
werknemers.
Hoofdpunt
van het voorstel is:
Iedere
jongere werknemer die tot arbeid in
staat is, wordt ofwel naar een
scholingsplaats met uitzicht op arbeid,
ofwel naar een arbeidsplaats in
het kader van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG)
geleid. Dit gaat langs twee sporen:
1.
Via sectorgewijze scholingsprojecten
voor jongere werknemers tot 35
jaar die arbeidsongeschikt zijn of dit
dreigen te worden.
2.
Via aansluiting van alle jongere
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers
bij de JWG.
Vooruitlopend
op de geleidelijke invoering van de JWG
zou deze groep daar
nu al geleidelijk voor in aanmerking
moeten komen.
Specifieke
arbeidsplaatsen, een aangepaste
arbeidsduur en specifieke begeleiding
zijn daarbij noodzakelijke elementen.
Het
beleid zou moeten gelden voor alle
gedeeltelijk arbeidsgeschikten onder
de 35 jaar.
De
idee van een sluitende aanpak voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemers
kan door het kabinet worden
onderschreven. Jongeren die voor minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn in
de zin van de AAW/WAO vallen
binnen de sluitende aanpak van de JWG.
Per
1 januari 1993 treedt een AMvB in
werking op grond waarvan ook volledig
arbeidsongeschikten op hun verzoek aan
de JWG kunnen deelnemen;
de JWG heeft voor deze jongeren geen
verplichtend karakter.
Deelname is mogelijk na een positief
advies ter zake van (voorlopig
nog) de GMD, terwijl daarnaast -
vanzelfsprekend - een passende
garantieplaats beschikbaar dient te
zijn.
Gedeeltelijk
arbeidsgeschikten vallen, zoals gezegd,
nu al onder de doelgroep
van de JWG (werkloze schoolverlaters tot
27 jaar, werkloze rblz.|16|
niet-schoolverlaters
tot 21 jaar). De JWG is landelijk per 1
januari 1992 in
werking getreden. Gedeeltelijk
arbeidsgeschikten binnen de hier aangegeven
leeftijdscategorieën zijn daarmee onder
het bereik van de sluitende
aanpak gebracht. Vooralsnog is uitbreiding van de sluitende aanpak
naar oudere leeftijdsgroepen tot 35 jaar
vanwege praktische overwegingen
niet mogelijk.
Het
is een totaal nieuwe benadering om door
middel van een sluitende aanpak
een garantie op werk te bieden. De taak
voor de uitvoerende instanties (door de gemeenten opgerichte
Jeugdwerkgarantieorganisaties)
is in verband hiermee omvangrijk. Zij
moeten ervoor zorgen dat de
totale doelgroep kan worden geplaatst op
een garantieplaats, "die voor
de krachten en bekwaamheden van de
jongere is berekend en met betrekking
waartoe zich bij de jongere geen reden
van lichamelijke, geestelijke
of sociale aard voordoen welke zich
tegen de plaatsing verzetten"
(artikel 12, tweede lid, JWG). Het vinden van een
"passende"
garantieplaats
voor een gedeeltelijk arbeidsgeschikte
jongere is vaak moeilijker
dan voor een jongere zonder een
handicap. Er zal enige tijd nodig
zijn om te bezien in hoeverre de
sluitende aanpak voor de totale doelgroep
daadwerkelijk wordt geëffectueerd en
welke knelpunten zich daarbij
eventueel voordoen. Nu al besluiten tot
een uitbreiding van de taakstelling
is prematuur.
Redenerend
vanuit een preventieve benadering is
ervoor gekozen bij de
jongste leeftijdsgroepen te beginnen.
Voor deze generatie kan daarmee langdurige werkloosheid worden
voorkomen. Als de sluitende aanpak
voor de totale doelgroep van de JWG
slaagt - die volgens planning
in 1998 wordt bereikt -, kan uitbreiding
naar hogere leeftijdsgroepen
worden overwogen.
Overigens
biedt de regelgeving van de JWG
voldoende waarborgen voor
inpassing van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten, die binnen de nu geldende
leeftijdscriteria van de JWG passen. In
de samenwerkingsovereenkomst
tussen de Jeugdwerkgarantieorganisatie
en de GMD, die op grond
van artikel 7 van de JWG kan worden
gesloten, kunnen afspraken worden
vastgelegd over advisering door de GMD
betreffende de te bezetten
garantieplaats, de eventueel
noodzakelijke aanpassingen op de werkplek
en de aangewezen arbeidsduur (voor
gedeeltelijk arbeidsgeschikten
is een parttimeaanstelling mogelijk).
Ook kunnen afspraken worden
gemaakt over de specifieke begeleiding
die betrokkene moet krijgen.
Vanuit de
SER
wordt een specifieke begeleiding voorgesteld die
is
afgestemd op de medische en
arbeidskundige mogelijkheden. Uiteraard
kan hieraan vanuit de GMD of anderszins
vorm worden gegeven;
gelet op de noodzakelijke deskundigheid
ter zake ligt het voor de
hand dat de Jeugdwerkgarantieorganisatie deze
begeleiding betrekt in
de samenwerkingsafspraak met de GMD.
2.4.
Beleid ten aanzien van oudere
arbeidsongeschikten
De
werknemersleden van de SER
zijn van
mening dat voor de positie van
ouderen in het arbeidsproces gerichte
aandacht en gericht beleid nodig
zijn. De werknemersleden, benoemd door
de FNV, achten zelfs een fundamentele
wijziging van het personeelsbeleid en
van het sociale beleid
binnen ondernemingen dringend
noodzakelijk. Deze leden zijn bovendien
van mening dat het mettertijd
noodzakelijk kan blijken daaraan van
overheidswege met gericht (ook
wettelijk) antidiscriminatie- en kansenbevorderingsbeleid
sturing te geven.
Het
kabinet heeft in verband met de
arbeidsparticipatie van oudere werknemers
de noodzaak van een preventief,
leeftijdsbewust personeelsbeleid rblz.|17|
onderkend in de nota Ouderen in Tel
(Kamerstukken II 1990-1991, 21 814, nrs. 1 en 2) alsmede
in de nota aanvullende pensioenen (Kamerstukken
II
1990-1991, 22 167, nrs. 1 en
2). Hierbij zij aangetekend dat het
kabinet in beide nota's als uitgangspunt
hanteert dat het bedrijfsleven zelf
verantwoordelijk is voor het
personeelsbeleid in ondernemingen. In de
discussienota "Leeftijdscriteria
en arbeid" die de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid
op 22 november 1991 aan de Stichting van
de Arbeid heeft voorgelegd,
wordt eveneens de aandacht gevraagd voor
de noodzaak van
een blijvende inschakeling van oudere
werknemers in het arbeidsproces.
De Stichting van de Arbeid wordt in de
discussienota verzocht speciaal
aandacht te besteden aan de
mogelijkheden voor een leeftijdsbewust
personeelsbeleid. In overleg met de
Stichting van de Arbeid zal worden
bezien of gezamenlijke initiatieven van
overheid en bedrijfsleven op
dit punt gewenst c.q. noodzakelijk zijn.
In
haar commentaar van 12 juni 1992 op de
discussienota van de Minister
zegt de Stichting van de Arbeid onder
meer toe om binnen afzienbare
tijd de positie van oudere werknemers in
het arbeidsproces afzonderlijk
onder de loep te nemen. In dat verband
zal de Stichting eveneens
aandacht besteden aan een leeftijdbewust personeelsbeleid.
3.
Wijziging structuur en inrichting
arbeidsongeschiktheids-regelingen;
het arbeidsongeschiktheidscriterium
3.1.
Het SER-advies met betrekking tot het
arbeidsongeschiktheidscriterium
De
meerderheid van de SER
- kroonleden, de
werkgevers, het
CNV en de MHP
- is van mening dat in het licht van
de adviesaanvraag van 19 februari 1991 en de door de Raad gekozen primaire
doelstelling van volumebeleid
de
arbeidsongeschiktheidsregelingen op
het punt van de structuur
en de inrichting dienen te worden
gewijzigd. Met betrekking tot het
arbeidsongeschiktheidscriterium kiest de
SER voor wijziging van dit criterium
en voor wijziging van een aantal
kernbegrippen daarbinnen. Hij meent
dat het vigerende wettelijke
arbeidsongeschiktheidscriterium en de
wijze waarop dit door de
uitvoeringsorganen wordt ingevuld,
moeten worden
gezien als belangrijke factoren die
hebben bijgedragen aan de toeneming
van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, die
zich
vooral manifesteert onder de lagere
leeftijdsgroepen. De SER meent dat
een effectief beleid ter beperking van
het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
daarom onder meer betrekking dient te
hebben op het
arbeidsongeschiktheidscriterium en een aantal kernbegrippen. Dit
vanuit
het beleidsuitgangspunt dat wordt
voorkomen dat het uitkeringsstelsel
zodanig functioneert dat de
ongeschiktheid tot het verrichten van (eigen)
werkzaamheden wordt benadrukt en dat de
geschiktheid voor het verrichten
van andere werkzaamheden niet of
onvoldoende wordt gemobiliseerd.
De SER is van mening dat het bepalen en
het mobiliseren van
de eventuele resterende geschiktheid van
de betrokkenen voor het verrichten
van betaalde arbeid prioriteit moet
krijgen in de praktijk van de uitvoeringsorganen;
de uitvoeringspraktijk dient daarop te
zijn ingesteld.
In
het licht van het gekozen
beleidsuitgangspunt meent de SER
dat in het
recht op uitkering en de hoogte daarvan
rechtstreeks tot uitdrukking dient
te worden gebracht welk inkomens- c.q.
loonverlies betrokkene heeft
geleden. Ook stelt hij voor het recht op
uitkering te waarborgen voor
degenen die naar medisch en
arbeidskundig inzicht niet in staat zijn
enig
inkomen uit arbeid te verdienen. Tevens
adviseert hij degenen die medisch
en arbeidskundig gezien in enige mate in
staat zijn betaalde rblz.|18|
arbeid
te verrichten, een beroep te laten doen
op hun resterende krachten
en bekwaamheden; zij zullen moeten
worden gestimuleerd om te
zien naar mogelijkheden voor het behoud
dan wel het verwerven van een
functie in het arbeidsproces.
Het
voorgaande brengt de SER
ertoe een
arbeidsongeschiktheidscriterium
voor te stellen waarin het
inkomensdervingskarakter zuiverder tot uitdrukking
komt en waarin wordt gekomen tot een
verdergaande scheiding
tussen inkomensderving ten gevolge van
medische factoren en inkomensderving
ten gevolge van arbeidsmarktfactoren.
In
deze benadering heeft een werknemer die
als gevolg van ziekte of gebrek
niet meer in staat is tot het verrichten
van zijn arbeid recht op een uitkering ter hoogte van 70% van het
verschil tussen het laatstverdiende
loon en het loon dat verdiend kan worden
met wat de SER
passende
arbeid noemt.
Onder
passende arbeid verstaat de SER
alle
gangbare arbeid die naar medisch
en arbeidskundig inzicht voor de
krachten en bekwaamheden van
de verzekerde is berekend. Daarbij moet
het, in de opvatting van de SER,
gaan om functies die maximaal haalbaar
zijn, dat wil zeggen dat zij zo
nauw mogelijk moeten aansluiten bij de
nieuwe, als gevolg van ziekte of
gebreken gewijzigde, krachten en
bekwaamheden. In eerste instantie dient
hierbij te worden gekeken naar functies
bij de eigen werkgever of in
het eigen bedrijf. Voorts moet het gaan
om reële functies. De SER bepleit
vastlegging hiervan in de wet in de vorm
van het gangbaarheidsvereiste.
Hiermee wordt bedoeld dat de betreffende
functies in de Nederlandse
verhoudingen gangbaar moeten zijn. De
SER meent ook dat de
verdere operationalisering van dit
vereiste wettelijk moet worden vastgelegd.
Hij wil daarbij voortbouwen op de
huidige praktijk waarin de te
duiden functies tezamen minimaal 50 arbeidsplaatsen moeten vertegenwoordigen
met een ondergrens van enerzijds twee
functies en anderzijds
tien arbeidsplaatsen per functie. Bij de
functieduiding dienen nadrukkelijk
ook deeltijdfuncties te worden
betrokken. De SER meent dat hier
het gangbaarheidsvereiste moet worden
aangevuld met de eis van een minimumaantal arbeidsuren,
bijvoorbeeld acht uur per week.
Verder
mag bij de functieduiding alleen
rekening worden gehouden met de
leeftijd van de betrokkene indien een
functie door bepalingen in wetgeving
of CAO's uitdrukkelijk voor bepaalde
leeftijdsgroepen is uitgesloten.
Ten slotte dient het berekenen van het
relevante restloon te geschieden
op basis van een middeling van de
loonniveaus die gelden voor
de in financiële zin als maximaal
haalbaar geduide passende functies.
Het
voorstel van de SER
houdt, zoals hij ook
opmerkt, een fundamentele
verandering van het begrip passende
arbeid in. In deze benadering
is het begrip niet langer gericht op het
verleden (retrospectief),
maar op de toekomst (prospectief).
Relevant is uitsluitend wat betrokkene
nog kan doen, en niet langer wat
betrokkene vroeger gekund en
gedaan heeft. Het begrip wordt daartoe
van zijn retrospectieve en normatieve
aspecten (met het oog op opleiding en
vroeger beroep in billijkheid
op te dragen) ontdaan, zodat de
medisch-arbeidskundige aspecten
(krachten en bekwaamheden) overblijven.
Uit
het toekomstgerichte karakter van het
gewijzigde passendearbeidbegrip
vloeit naar de opvatting van de SER
voort dat ook rekening wordt gehouden
met (door middel van om-, her- of
bijscholing ten koste van de
verzekering)
te verkrijgen nieuwe bekwaamheden;
indien bij de "keuring einde
wachttijd" kan worden gesteld dat er
een reële verwachting is dat rblz.|19|
op
basis van een gerichte scholing de
krachten en bekwaamheden van de betrokkene substantieel kunnen toenemen,
kan dergelijke scholing door
de bedrijfsvereniging worden opgedragen
en geschiedt de berekening
van de restcapaciteit voorlopig op basis
van de op dat moment
aanwezige krachten en bekwaamheden. Na
afloop van deze scholing
vindt een schatting plaats waarbij
rekening wordt gehouden met de
door de scholing nieuw verworven
krachten en bekwaamheden. Ingeval
betrokkene zonder deugdelijke gronden
weigert deel te nemen aan
de opgedragen scholing, vindt deze
schatting direct plaats alsof hij die
scholing heeft afgerond.
Het
overeenkomstig het voorgaande
geherformuleerde begrip passende
arbeid kan leiden tot een volstrekt
andere functieduiding dan de
functie waarin de uitval zich heeft
voorgedaan. Anderzijds kan het naar
het oordeel van de SER
ook gaan om een
wijziging van de omvang van
de arbeid, zoals van voltijd- naar
deeltijdfuncties, waarbij als passende
arbeid worden geduid werkzaamheden in de
eigen of een daarmee
vergelijkbare functie, rekening houdend
met de verminderde belastbaarheid.
Zijn die functies niet aanstonds
beschikbaar, dan is betrokkene
voor die functies als werkloos te beschouwen. Dit impliceert
dat
op hem het WW-uitkeringsregime met
inbegrip van het passendearbeidbegrip van de WW van toepassing wordt.
De SER wijst erop
dat, in zijn opvatting, het begrip
passende arbeid in de WW en de toepassing
ervan voor het overige losstaan van het
hiervoor voorgestelde begrip
in het kader van het
loonverliescriterium: de huidige
werkloosheidsregeling
en de voorgestelde regeling volgens het loonverliescriterium
zijn twee wezenlijk verschillende
regelingen waarin het passendearbeidbegrip
verschillende doelen dient.
De SER concludeert verder nog dat een
materiële beperking van het ziektebegrip
zoals gesuggereerd in de adviesaanvraag
gevolgen heeft voor
het karakter van de voorgestelde
regeling en bovendien averechts kan
uitwerken. Hij vindt het wel
noodzakelijk dat de wetgever door middel
van de wet in de richting van zowel de
uitvoeringspraktijk als de rechtspraak
een signaal afgeeft omtrent de
noodzakelijke objectiviteit van
de aandoening en het beoordelingsproces
daaromtrent. Hij meent dat
dit kan worden bereikt door in de wet te
bepalen dat het te vergoeden
loonverlies het rechtstreekse en objectief medisch vast te
stellen
gevolg is van ziekte of gebrek. Aldus
wordt tot uitdrukking gebracht
dat deze begrippen primair als
objectieve criteria dienen te worden
gehanteerd en dat in de
uitvoeringspraktijk en in de rechtspraak
de
subjectieve beleving en de sociale
omstandigheden niet aan de orde kunnen
zijn bij de beoordeling van het recht op
uitkering.
In
verband met het
arbeidsongeschiktheidscriterium stelt de
SER voorts
voor het recht op uitkering van
rechtswege in de tijd te begrenzen. Dit impliceert een systematische periodieke
herbeoordeling; pas na hernieuwde
beoordeling kan het uitkeringsrecht op
aanvraag van de uitkeringsgerechtigde
worden verlengd. Tot het moment van de
periodieke
beoordeling mogen uit hervatting en
uitbreiding van arbeid voortvloeiende
(extra) arbeidsinkomsten geen gevolgen
hebben voor de uitkeringshoogte.
Het
standpunt van een minderheid in de SER,
bestaande uit de FNV-leden,
met betrekking tot wijziging van het
arbeidsongeschiktheidscriterium
is dat onder bepaalde condities
aanpassing van het begrip passende
arbeid in dit criterium mogelijk moet
zijn. De voornaamste voorwaarde
daarbij is dat de overige
uitkeringsvoorwaarden, te weten de hoogte
en de duur van de uitkering, onaangetast
blijven.
rblz.|20|
3.2.
Het SVr-advies met betrekking tot de
wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium
De
Raad is het met het kabinet eens dat de
voorgestelde wijzigingen in het
arbeidsongeschiktheidscriterium zullen
leiden tot een afname van het aantal
volledig arbeidsongeschikten. De GMD
geeft in zijn kommentaar op
de voorgestelde maatregelen aan een
aanzienlijk lagere besparing van de maatregel te verwachten dan het kabinet
op basis van ook door de SER
gehanteerde veronderstellingen aangeeft.
De SVr vindt het niet goed
mogelijk om aan te geven op welk bedrag
de uit de maatregel voortvloeiende
besparing zal uitkomen. Bij brief van 11
juni1992 heeft de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de
SVr verzocht de
verschillen tussen de gehanteerde
berekeningsmethodieken (in casu die van
de SER en die van de GMD) en de
gebruikte veronderstellingen alsmede
de daaraan ten grondslag liggende
redeneringen zichtbaar te maken
en op basis daarvan een uitspraak te
doen omtrent de plausibiliteit
van elk der beide varianten. Op 21 juli
1992 heeft de SVr aan dit verzoek
voldaan (SVr, 923287). De SVr doet in
zijn nadere analyse geen eenduidige
uitspraak welke van beide ramingen de
meest reële is. Wel acht
de SVr het aannemelijk dat het
financiële effect van de maatregel (veel)
hoger zal liggen dan de raming zoals die
uit de GMD-variant naar voren
komt.
De
SVr merkt in zijn advies overigens op
dat het antwoord op de vraag welke
effecten het toepassen van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium zal opleveren mede afhangt van de wijze
waarop aan de verschillende
deelcriteria invulling zal worden
gegeven in de uitvoeringspraktijk. De
Raad acht het aangewezen om een aantal
elementen van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
te operationaliseren door daaraan bij
AMvB invulling te geven.
Bij
de arbeidsongeschiktheidsschatting
gelden thans een viertal criteria,
die waarborgen dat de
arbeidsongeschiktheidsschatting niet een
zuiver theoretische is. Hierdoor krijgt de
schatting een reëel karakter. Deze
criteria zijn: de gangbaarheidseis (met
andere woorden het mag niet
gaan om uitgestorven of zeer zeldzame
functies), het uitsluiten van functies
waarvoor een functionele leeftijdsgrens
geldt ten aanzien van personen
die die grens reeds zijn gepasseerd, de
voorwaarde dat het treffen
van voorzieningen bij indiensttreding
geen probleem mag zijn alsmede
de voorwaarde dat van de werkgever in
redelijkheid mag worden
verwacht dat hij betrokkene met diens
beperkingen in dienst neemt.
Volgens een deel van de Raad, bestaande uit de werkgeversleden
en
twee onafhankelijke leden, kunnen met de
introductie van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
twee van die criteria komen te
vervallen. Het
gaat hierbij om de voorwaarde dat het
treffen van eventuele voorzieningen
bij indiensttreding geen probleem mag
zijn alsmede de eis dat van
de werkgever in redelijkheid mag worden
verwacht dat hij betrokkene
met diens beperkingen in dienst neemt.
Een ander deel van de Raad, bestaande uit de
werknemersleden
en vier onafhankelijke leden, vindt
dat bedoelde vier criteria onverkort van
toepassing moeten blijven.
Bij
de wijziging van het
arbeidsongeschiktheidscriterium wordt
door het
kabinet voorgesteld het deelcriterium
"in billijkheid op te dragen gezien opleiding en vroeger
beroep" te
schrappen. Een deel van de Raad,
bestaande uit de werkgeversleden, is van
oordeel dat het risico aanwezig
is dat door het handhaven van het
deelcriterium "krachten en
bekwaamheden"
als het ware via een achterdeur weer de
billijkheidseis in
het arbeidsongeschiktheidscriterium
wordt binnengehaald. Dit is dan rblz.|21|
ook
voor dit deel aanleiding om te pleiten
voor het schrappen van het deelcriterium
"krachten en bekwaamheden". Een ander
deel van de Raad,
bestaande uit de werknemersleden
en de
onafhankelijke leden, vindt
dat het criterium "krachten en
bekwaamheden", zijnde een centraal element
van het arbeidsongeschiktheidscriterium,
niet gemist kan worden.
Ten
aanzien van het begrip "rechtstreeks en
objectief medisch vast te stellen"
verdient het volgens de Raad aanbeveling
om de aandacht met name
te richten op de implementatie in de
praktijk. De Raad denkt in dit verband
aan standaardisering van het medische
beoordelingsproces in verband
met de toetsbaarheid van het oordeel
over ziekte en gebreken, alsmede
aan intercollegiale toetsing en "second
opinion".
Aan
het voorstel om niet of onvoldoende
medewerking aan scholing door
te laten werken in de mate van
arbeidsongeschiktheid heeft een deel
van de Raad, bestaande uit de FNV-leden
en één onafhankelijk lid, geen
behoefte. Dit deel vindt dat de huidige
arbeidsongeschiktheidswetten
reeds voldoende en adequate
mogelijkheden hebben om betrokkenen
mee te laten werken aan scholing. Een
ander deel van de Raad, bestaande
uit de
CNV- en MHP-leden, de
werkgeversleden en vijf onafhankelijke
leden, schaart zich wel achter het
voorstel van het kabinet.
De
Raad constateert dat de wijziging van
het arbeidsongeschiktheidscriterium
ook gevolgen heeft voor gedeeltelijk
arbeidsongeschikte zelfstandigen die nog in het eigen bedrijf werkzaam
zijn. Ook zij zullen moeten
worden geschat op het nieuwe criterium.
De Raad tekent hierbij nog
wel aan dat in situaties waarin de
zelfstandige daadwerkelijk inkomsten
uit arbeid in het eigen bedrijf heeft,
terwijl deze arbeid als gangbaar
kan worden aangemerkt, de
arbeidsongeschiktheidsschatting in
de regel zal plaatsvinden op basis van
deze daadwerkelijke verdiensten.
Ook ten aanzien van loontrekkenden heeft
de Raad zich immers
op dit standpunt gesteld.
3.3.
Standpunt kabinet met betrekking tot het
arbeidsongeschiktheidscriterium
3.3.1.
De hoofdelementen van het
arbeidsongeschiktheidscriterium
Het
kabinet acht het met de meerderheid van
de SER gewenst dat in het
arbeidsongeschiktheidscriterium voor de AAW
en de WAO
het accent,
nadat is duidelijk geworden dat iemand
door ziekte of gebreken niet
meer zijn oude inkomen kan verdienen, al
vanaf het begin komt te liggen
op datgene wat iemand met zijn krachten
en bekwaamheden nog wel
kan verdienen. Een dergelijk criterium
dient een stimulans te bevatten
de eventuele restcapaciteit van
betrokkenen te mobiliseren. De deelname
van betrokkenen aan het arbeidsproces
dient centraal te staan. In
het licht van dit uitgangspunt komt de SER met twee voorstellen. In de
eerste
plaats wil hij in het recht op uitkering
en de hoogte daarvan rechtstreeks
tot uitdrukking brengen welk loon- c.q. inkomensverlies is
geleden.
In de tweede plaats wil hij voor de
vaststelling van (de mate van)
arbeidsongeschiktheid alle arbeid die
voor de krachten en bekwaamheden
van de werknemer is berekend als
passend duiden.
Het
eerste voorstel wordt door het kabinet
niet gevolgd. Een zuiver inkomenschadesysteem
heeft ongetwijfeld aantrekkelijke
kanten. Het huidige systeem met zijn klassenindeling,
waarvan een globaliserend effect
uitgaat, heeft evenwel grote voordelen
die het kabinet wil rblz.|22|
behouden.
Door de klassenindeling wordt in
belangrijke mate vermeden dat
de vaststelling door het
uitvoeringsorgaan van hetgeen met
passende arbeid
kan worden verdiend op elke gulden zal
worden aangevochten. Dit speelt
te meer daar in de praktijk van de
uitvoering middeling van inkomens
uit passend geachte functies
plaatsvindt. In het systeem van de SER
kan gemakkelijk strijd ontstaan over
de vraag of bij de middeling de
juiste functies zijn betrokken. Ook de
SER ontkomt er overigens niet aan
om zogenaamde restlooninkomens c.q.
restloonklassen te introduceren
(zie blz. 167 SER-advies). Daarbij komt
dat de SER in feite uitgaat van
een arbeidsgeschiktheidscriterium; in
zijn voorstel komt het begrip arbeidsongeschiktheid
dan ook te vervallen. Het voorwerp van
de verzekering
is echter de arbeidsongeschiktheid van
de verzekerde en het daarmee
verband houdende verlies aan
verdiencapaciteit; dit verlies aan
verdiencapaciteit
leidt tot uitkering. De systematiek is
daarop geheel ingericht.
Voorts
is de systematiek van de huidige
arbeidsongeschiktheidsregelingen afgestemd op de regelingen waarmee zij
dikwijls samenlopen, zoals
de Werkloosheidswet
[WW, red.]. Het volgen van de
systematiek, zoals die door
de SER wordt voorgesteld, zou tot het
doortrekken van die systematiek
naar bedoelde regelingen nopen. Het
kabinet acht dit niet wenselijk.
Gezien
dit alles wil het kabinet de voorstellen
van de SER
op dit punt niet
volgen. Anders ligt dit met betrekking
tot het tweede SER-voorstel inzake
de vaststelling van hetgeen voor iemand
die als gevolg van ziekte of
gebrek niet meer kan verdienen wat hij
vroeger verdiende nog als passende
arbeid kan worden beschouwd.
Zoals
wij reeds opmerkten, volgen wij de SER
in zijn toekomstgerichte benadering
van iemand die door ziekte of gebrek
zijn oude inkomsten niet
meer kan verwerven. De SER stelt voor
dat alle arbeid die naar medisch
en arbeidskundig inzicht voor de
krachten en bekwaamheden van
iemand is berekend, betrokken mag worden
bij het bepalen van diens
(mate van) arbeidsongeschiktheid. Wij
menen dat dit voorstel goed in
te passen is in het huidige systeem van
de AAW
en de WAO. Bedoeld SER-voorstel
heeft bekendheid gekregen als "aanpassing van het
passendearbeidbegrip in de AAW/WAO". Het kabinet
wil in het AAW/WAO-criterium
de term "passende arbeid" evenwel
liever vermijden
om duidelijk te maken dat dit begrip in het
AAW/WAO-criterium
een andere functie vervult dan het
begrip "passende arbeid" in de werkloosheidsregelingen.
Het kabinet stelt voor de omschrijving
"alle algemeen
geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer
(c.q. de verzekerde) met zijn krachten
en bekwaamheden in staat is" in te voeren.
In
de huidige wetgeving vinden we het
begrip passende arbeid gedefinieerd
in de vijfde leden van artikel 5 van de AAW
en artikel 18 van de
WAO.
Onder dergelijke arbeid wordt verstaan:
arbeid die voor de krachten
en bekwaamheden van de
verzekerde/werknemer is berekend en
die hem met het oog op zijn opleiding en
vroeger beroep in billijkheid kan
worden opgedragen. De kern van de
wijziging is dat de terminologie "en
die hem met het oog op zijn opleiding en
vroeger beroep in billijkheid
kan worden opgedragen" wordt
verwijderd. Het moge duidelijk zijn
dat hierdoor dikwijls meer functies
binnen het bereik van een betrokkene
zullen komen te liggen of, om in de taal
van de uitvoeringsorganisatie
te spreken, er zullen dikwijls meer te
duiden functies kunnen worden
aangegeven.
rblz.|23|
Kort
samengevat zal het volgen van het SER-advies erop neerkomen dat
iemand voor de AAW
en WAO
als
arbeidsongeschikt wordt aangemerkt wanneer hij door ziekte of gebrek niet
meer met arbeid kan verdienen
wat hij vroeger verdiende. Onder arbeid
wordt dan verstaan alle
algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
iemand met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is. In het advies
van de SVr wordt nader uitgewerkt
wat moet worden verstaan onder "krachten en
bekwaamheden".
Krachten slaat op de geschiktheid voor
de arbeid in fysiek en psychisch
opzicht. Bekwaamheid ziet op het moeten
voldoen aan de eisen
die werkgevers stellen aan een persoon
om in aanmerking te komen
voor een bepaalde arbeidsplaats. Hierbij
wordt in de uitvoeringspraktijk
gekeken naar eisen die gesteld worden
aan opleiding, ervaring, affiniteiten,
vaardigheden en relevante persoonlijke eigenschappen. In
deze
zin blijft iemands verleden, zijn
opleiding en vroeger beroep een rol spelen
bij de arbeidsongeschiktheidsschatting.
Dus niet in de zin, zoals ook
de SVr terecht aangeeft, van verworven
rechten van betrokkene, maar
veeleer als indicatie waartoe betrokkene
nog in staat is. Het is de bedoeling
dat men bij de schatting niet vast
blijft zitten aan datgene wat iemand
gedaan heeft en aan datgene waar iemand
voor geleerd heeft. Men moet bij het bepalen van wat iemand nog
kan doen over de grenzen van
het vroegere functie- en beroepsniveau
kunnen heenstappen zowel in
de diepte (lagere functie-eisen) als in
de breedte (andere functie-eisen).
Tot hoever men hierbij kan gaan, wordt
begrensd door iemands krachten
en bekwaamheden. In deze zin kan naar
het oordeel van het kabinet
het begrip
"krachten en
bekwaamheden"
niet gemist worden bij de arbeidsongeschiktheidsschatting. Het
kabinet is het dan ook eens met dat
deel van de SVr dat van oordeel is dat
het hier gaat om een centraal element
van het criterium, zonder hetwelk een
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
eigenlijk niet kan plaatsvinden. Bij het
loslaten van de elementen krachten en bekwaamheden zou er naar het
oordeel van het kabinet
sprake zijn van een zuiver theoretische
schatting los van de maatschappelijke werkelijkheid.
Het
kabinet voelt er niet voor om de vier
elementen die in het raadsadvies
genoemd worden en die waarborgen dat er
sprake blijft van een reële schatting los te laten, zoals een deel
van de Raad, bestaande uit de werkgeversleden
en een tweetal onafhankelijke leden, ten
aanzien van twee elementen adviseert. Anders gezegd: het
kabinet is van oordeel dat er
ook in de toekomst, na de voorgestelde
wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium,
alleen sprake is van een reële
schatting als het treffen
van eventuele voorzieningen geen
probleem is alsmede indien van de
werkgever in redelijkheid mag worden
verwacht dat hij betrokkene met
diens beperkingen in dienst neemt. Wel
dient er hierbij gewaakt te worden
tegen het insluipen van
arbeidsmarktelementen.
Zoals
reeds is gesteld, zullen door invoering
van het (in de termen van de SER) "prospectieve begrip passende
arbeid" dikwijls meer functies dan
tot nu toe binnen het bereik van
betrokkenen komen te liggen. Er zullen
daarom meer mensen dan tot nu toe het
geval was, in plaats van volledig arbeidsongeschikt, gedeeltelijk
arbeidsongeschikt worden verklaard.
Anders gezegd: van meer mensen dan tot
nu toe het geval was,
zal de restcapaciteit ook in het
uitkeringsniveau zichtbaar worden. De
SVr gaat in zijn advies nader in op de
wijze van arbeidsongeschiktheidsschatting,
zowel in de situatie dat betrokkene zijn
resterende verdiencapaciteit
nog niet benut als in de situatie dat
dit wel het geval is.
Interessant is de vraag wat er moet
gebeuren in het geval een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gaat werken en dus
zijn resterende verdiencapaciteit
benut. De vraag is of de arbeidsongeschiktheidsuitkering
aangepast
moet worden aan de werkelijke
verdiensten. De Raad wijst in zijn
advies op de huidige werkwijze van de bedrijfsverenigingen
rblz.|24|
(gebaseerd
op de FBV-circulaire C 783 [FBV:
Federatie van Bedrijfsverenigingen, red.]), waarbij dit
(in geval van passende
arbeid) inderdaad gebeurt. Als de
inkomsten dus hoger zijn dan
verwacht mag worden, gegeven de
resterende verdiencapaciteit, en de
klassegrens wordt daardoor overschreden,
dan wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering
verlaagd. Anders gezegd, de
arbeidsongeschiktheid neemt
af. Zijn de inkomsten echter lager dan
verwacht mag worden, gegeven
de resterende verdiencapaciteit, en de
klassegrens wordt daardoor
overschreden, dan wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd.
De arbeidsongeschiktheid neemt dan dus
toe. De Raad is van oordeel
dat de hier beschreven handelwijze
gehandhaafd kan blijven bij toepassing
van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Het
kabinet is
daarentegen van oordeel dat deze
handelwijze in het kader van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium niet
moet worden voortgezet, althans
waar het de hiervoor geschetste tweede
situatie betreft. Het verhogen
van de uitkering op het moment dat
sprake is van werkhervatting
acht het kabinet niet wenselijk. Bij het
hanteren van het uitgangspunt
van het afstemmen van de restcapaciteit
op het voor betrokkene
hoogst bereikbare niveau past in de
visie van het kabinet niet dat
werkhervatting op een lager niveau leidt
tot een bovenwaartse bijstelling
van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Het kabinet beoogt het
inbouwen van een stimulans tot
daadwerkelijke inschakeling in het arbeidsproces
op het voor betrokkene hoogst mogelijke
niveau. Concreet betekent
dit inschakeling op door betrokkene in
beginsel vervulbare functie(s)
met de hoogste loonwaarde. Dit
impliceert dat er geen herschatting
dient plaats te vinden indien betrokkene
daadwerkelijk gaat werken
in op zich algemeen geaccepteerde arbeid
waartoe hij met zijn krachten
en bekwaamheden in staat is, maar
daarbij een lagere loonwaarde realiseert. Dit betekent dus dat de
FBV-circulaire C 783 dient te
worden ingetrokken. Overigens zal het
hier geschetste probleem van het
verschil in loonwaarde bij schatting en
de daadwerkelijk gerealiseerde
loonwaarde zich minder frequent voordoen
indien de bij de arbeidsongeschiktheidsschatting
te hanteren norm niet langer vijf functies met
ieder tien arbeidsplaatsen is, maar ook
twee functies met ieder 25 arbeidsplaatsen,
zoals de SER in zijn advies van 12 juli
1991 opmerkt. Het
kabinet is het eens met de invulling van
de uitvoeringspraktijk conform
de visie van de SER en wil ook niet
uitsluiten dat in voorkomende
gevallen één functie met voldoende
arbeidsplaatsen voldoende kan zijn.
Deze casuïstiek zal nader dienen te
worden ingevuld door de uitvoeringspraktijk
en de jurisprudentie.
Ten
aanzien van de
arbeidsongeschiktheidsschatting van de
in het eigen
bedrijf doorwerkende zelfstandigen wijst
de SVr erop dat het vervallen
van de billijkheidstoets impliceert dat
van meet af aan rekening moet
worden gehouden met geschiktheid voor
functies in loondienst. Het kabinet
onderschrijft deze visie. Het kabinet is
het niet eens met de visie van
de Raad dat in situaties waarin de
zelfstandige daadwerkelijk inkomsten
uit eigen bedrijf heeft, terwijl deze
arbeid als algemeen geaccepteerd
kan worden aangemerkt, de
arbeidsongeschiktheidsschatting
in de regel zal plaatsvinden op basis
van de daadwerkelijke verdiensten.
Evenals ten aanzien van de
loontrekkenden is het kabinet van
oordeel dat ook ten aanzien van
zelfstandigen schatting op basis van het
hoogst haalbare functieniveau moet
plaatsvinden.
Voor
het aantal mensen dat bij toepassing van
het nieuwe criterium naar
verwachting niet meer volledig
arbeidsongeschikt, maar nog slechts gedeeltelijk
arbeidsongeschikt zal zijn, wordt
verwezen naar de financiële
paragraaf.
Daar
wordt ook nader ingegaan op de
financiële effecten van de wijziging
van het arbeidsongeschiktheidscriterium,
waarbij tevens het rblz.|25|
door
de GMD verwachte effect in de
beschouwing zal worden meegenomen.
In
het SVr-advies wordt erop gewezen dat
het antwoord op de vraag welke
effecten het toepassen van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium
zal opleveren mede zal afhangen van de
wijze waarop aan de verschillende
deelcriteria invulling zal worden
gegeven in de uitvoeringspraktijk.
De Raad acht het aangewezen om een
aantal elementen van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium te
operationaliseren door daaraan
bij AMvB invulling te geven. De Raad
vindt dat hierbij zoveel mogelijk
moet worden voortgebouwd op de in de
uitvoeringspraktijk ontwikkelde
beleidsregels en geeft in zijn advies
elementen aan die daarvoor
in ieder geval in aanmerking komen.
Zeker nu vanuit de uitvoering
zelf wordt geadviseerd tot het
operationaliseren van voor de arbeidsongeschiktheidsschatting
van belang zijnde elementen, vindt het kabinet
dat hieraan niet voorbij kan worden
gegaan. Het kabinet staat derhalve
positief tegenover deze suggestie, maar
wil zich nog nader beraden
over welke elementen voor nadere
operationalisering in aanmerking zouden komen en de wijze waarop. Zoals
de Raad in zijn advies
ook al aangeeft, ligt het voor de hand
hierover te zijner tijd nader advies
te vragen aan de SVr.
3.3.2.
Het betrekken van potentiële
scholingsmogelijkheden bij de vaststelling
van (de mate) van arbeidsongeschiktheid
Een
apart aspect van de hier aan de orde
zijnde materie betreft de potentiële
scholingsmogelijkheden van een
arbeidsongeschikte persoon. Het kabinet volgt ook hier het
meerderheidsvoorstel van de SER. Alle inspanningen
moeten erop gericht zijn (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikten in
het arbeidsproces in te passen en dat op
een voor hen zo hoog mogelijk
niveau. Tot dergelijke inspanningen
behoort ook het aanbieden aan
een verzekerde van een passende scholing
en het laten volgen van die
scholing. Na het afronden van een
scholing zullen de mogelijkheden van
een betrokkene om met meer soorten
arbeid een inkomen te verwerven,
zijn toegenomen; soms met arbeid op een
hoger niveau, dikwijls
ook met arbeid op hetzelfde niveau, maar
in een andere sector van
het bedrijfs- of beroepsleven. Van een
verzekerde mag worden verwacht
dat hij deze kansen aangrijpt. Met de
meerderheid van de SER zijn
wij van mening dat ten aanzien van
iemand die zonder deugdelijke gronden
weigert deel te nemen aan een opgedragen
scholing een schatting
moet plaatsvinden alsof hij die scholing
heeft afgerond. Ook de meerderheid
van de SVr, zijnde de
CNV- en MHP-leden, de werkgeversleden
en vijf onafhankelijke leden, is deze
mening toegedaan. Wel merkt dit
deel van de Raad op dat aan de
toepassing van de maatregel een einde
kan komen zodra de betrokkene zich weer
bereid verklaart om deel te
nemen respectievelijk mee te werken aan
de wenselijk geachte scholing.
Hiermee is het kabinet het niet eens. De
weergegeven regeling zal
in redelijkheid moeten worden toegepast
(in de formulering van de wettekst
is dit ook tot uitdrukking gebracht) en
redelijke toepassing brengt
met zich dat eerst uitvoering wordt
gegeven aan de maatregel nadat
het uitvoeringsorgaan heeft gewezen op
de mogelijkheden voor scholing
en de gevolgen van weigering tot
deelname. Is het dan toch zo dat
betrokkene de opleiding weigert te
volgen of werkt hij onvoldoende mee
aan het bereiken van een gunstig
resultaat, dan zijn de gevolgen voor
iedere betrokkene hetzelfde, te weten
bij de vaststelling van de (mate
van) arbeidsongeschiktheid wordt ervan
uitgegaan dat de opleiding
is afgerond.
Na
toepassing van de maatregel is er
vervolgens voor betrokkene een extra
stimulans om de opleiding alsnog af te
ronden en zo de bekwaamheid
ook daadwerkelijk te verwerven. De
redelijke toepassing rblz.|26|
houdt
verder in dat het niet zo kan zijn dat
iemand in feite verplicht kan worden
geheel op eigen kosten een (dure)
opleiding te gaan volgen. Veeleer
moet worden gedacht aan die situaties
waarin een betrokkene met
behoud van uitkering een opleiding kan
volgen die geheel of gedeeltelijk
door bijvoorbeeld het arbeidsbureau of
de GMD wordt bekostigd.
Deze
maatregel geldt voor alle
arbeidsongeschikten. Er is, wat dit onderdeel
van het wetsvoorstel betreft, geen reden
om onderscheid te maken
tussen groepen die onder het oude dan
wel het nieuwe AAW/WAO-regime
vallen.
In
het kader van de hier besproken regeling
worden ook de artikelen 42
en 43 van de
WAO en 31 en 32 van de
AAW
vermeld, zoals deze luiden
na inwerkingtreding van de Wet
TAV.
In
deze artikelen is bepaald dat herziening
of intrekking van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering
die verband houdt met een voltooide
scholing of opleiding niet eerder ingaat dan
één
jaar na voltooiing van die scholing
of opleiding. Het voorliggende
wetsvoorstel brengt hierin geen wijziging.
De arbeidsongeschikte die wél meewerkt
aan scholing of opleiding
heeft dus de tijd om te zoeken naar een
passende functie.
3.3.3.
Relatie tussen ziekte of gebreken en
arbeidsongeschiktheid
De SER stelt voor een signaal te geven naar
de uitvoeringspraktijk en de
rechtspraak met betrekking tot het
verband tussen de aandoening en de arbeidsongeschiktheid. Hij stelt daartoe
voor in het arbeidsongeschiktheidscriterium
de zinsnede "als rechtstreeks en
objectief medisch vast
te stellen gevolg van ziekte of gebreken" op te nemen. Het kabinet begrijpt
dit zo dat volgens de SER niet alleen
goed moet worden bekeken of
er een relatie is tussen aandoening en
uitval uit het arbeidsproces, maar
dat tevens moet worden vermeden dat de
begrippen "ziekte en gebreken"
te ruim worden geïnterpreteerd. Er zal
goed moeten worden nagegaan
of er niet sprake is van een subjectieve
beleving van een betrokkene,
al dan niet als gevolg van diens sociale
omstandigheden. Het kabinet
is zich ervan bewust dat er niet altijd
een monocausaal verband is
tussen een aandoening en arbeidsongeschiktheid. Toch acht het
speciale
aandacht voor dit verband gewenst. Het
desbetreffende voorstel van
de SER wordt dan ook overgenomen.
De
SVr merkt op dat het aanbeveling
verdient om ten aanzien van het begrip
"rechtstreeks en objectief medisch vast
te stellen" de aandacht met name te richten op de implementatie van
dit begrip in de uitvoeringspraktijk.
In dat verband wordt gedacht aan
standaardisering van het medisch beoordelingsproces met als doel het
toetsbaar maken van het oordeel
omtrent het bestaan van ziekte of
gebreken.
Het
kabinet lijkt dit een goede gedachte en
meent verder dat het primair
aan de bedrijfsverenigingen zelf is om
procedures in te stellen die een objectieve en rechtmatige vaststelling
van het arbeidsongeschiktheidspercentage
waarborgen. Onderdeel hiervan kan zijn
het inbouwen van
elementen als intercollegiale toetsing
en een protocollering van de gevalsbehandeling.
Het kabinet acht het niet juist deze
maatregelen bij wet
voor te schrijven. Wel zal moeten worden
voorzien in een toezicht op de
invulling van de beleidsvrijheid van de
bedrijfsvereniging op dit punt. Verder
zal sprake moeten zijn van een
expliciete controle op het verzekeringsgeneeskundig
handelen en op de hantering van de
beoordelingstermijnen
gedurende de gehele periode van de
gevalsbehandeling. Het kabinet
verwacht dat in de rapportages van de
Toezichtkamer van de SVr aan
deze elementen aandacht wordt besteed.
rblz.|27|
3.3.4.
Algemeen geaccepteerde arbeid versus
passende arbeid
Zoals
de SER al heeft aangegeven, kan het
geherformuleerde begrip passende
arbeid leiden tot een volstrekt andere
functieduiding dan de functie waarin de uitval zich heeft voorgedaan,
waarbij het ook kan gaan om
een wijziging van de omvang van de
arbeid. Uitgangspunt van de nieuwe
regeling is immers het prospectieve
karakter van het begrip arbeid.
Zijn de geduide functies op grond van
arbeidsmarktfactoren bijvoorbeeld
niet beschikbaar, dan is de betrokkene
voor die functies als werkloos
te beschouwen en derhalve in veel
gevallen aangewezen op een werkloosheidsuitkering.
Het is van belang hier in te gaan op de
relatie tussen
de geduide functies en de functies die
op grond van de WW
als passend
kunnen worden aangemerkt.
Met
de SER zijn wij van mening dat het
begrip passende arbeid, dat nodig
is om het loonverlies vast te stellen
ter bepaling van de (mate van) arbeidsongeschiktheid,
een ander doel dient dan het begrip
passende arbeid
uit de WW. Toch staan die begrippen, in
onze visie, in een zekere relatie tot elkaar. In dit verband wordt
verwezen naar de "Notitie passende
arbeid", die op 10 juli 1991 naar de
Tweede Kamer is gezonden
(Kamerstukken II 1990-1991, 21 800 XV,
nr. 86) en op 5 november
1991 aldaar is besproken. Deze notitie
heeft geleid tot de Richtlijn
passende arbeid, die in mei 1992 is toegezonden aan de
bedrijfsverenigingen
en de gemeentelijke sociale diensten
[zie ook Richtlijn
passende arbeid 1996, red.].
Hierin is als algemene
richtlijn geformuleerd dat "een
ieder
die zich door opleiding en/of
werkervaring voor een bepaald beroep of
voor arbeid op een bepaald
niveau heeft gekwalificeerd, na aanvang
van de werkloosheid een halfjaar de tijd heeft om zich te
richten op het zoeken naar arbeid overeenkomstig
het vroegere beroep en niveau en in
beginsel niet verplicht
is werk op een lager niveau of in een
ander beroep te aanvaarden".
Na een halfjaar mogen concessies worden
verwacht. Eén en
ander kan inhouden dat na twee jaar voor
iemand van academisch niveau
arbeid van laag c.q. ongeschoold niveau
passend geacht kan worden.
De genoemde, op de jurisprudentie
gebaseerde kabinetsnotitie gaat
er bovendien van uit dat er, indien het
werkloosheidsrisico van betrokkene
hiertoe aanleiding geeft, reeds eerder
concessies dienen te worden
gedaan. Deze lijn geldt ook voor de
gedeeltelijk arbeidsongeschikte
voor zover hij als werkloos moet worden aangemerkt, zodat de
geduide
functies op basis waarvan de mate van
arbeidsongeschiktheid wordt
vastgesteld in eerste instantie voor de
toepassing van de uitkeringsregelingen
in verband met werkloosheid niet passend
behoeven te zijn,
maar dit, na verloop van tijd, wel
kunnen worden.
4.
Wijziging structuur en inrichting
arbeidsongeschiktheids-regelingen;
niveau en duur
4.1.
Het SER-advies met betrekking tot het
niveau en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
4.1.1.
Opvatting van een meerderheid van de SER
Blijkens
het eerdergenoemde advies is een
meerderheid van de SER
(kroonleden
en werkgevers) van mening dat naast de
eerder besproken maatregelen
andere maatregelen nodig zijn om het
arbeidsongeschiktheidsvolume
te verminderen. Dit deel van de Raad
acht het van belang dat
het pakket maatregelen wordt aangevuld
met extra volumebeperkende
maatregelen ten aanzien van lagere
leeftijdscategorieën. Dit in verband
met het feit dat de groei van het aantal
nieuwe uitkeringsgerechtigden
het sterkst is onder de lagere
leeftijdscategorieën.
rblz.|28|
In
het advies wordt door dit deel van de
SER in verband hiermee voorgesteld
om, met behoud van het risicokarakter,
de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
door middel van de introductie van opbouwelementen
afhankelijk te stellen van de duur van
het arbeidsverleden.
Dit deel van de SER heeft hiervoor een
tweetal varianten uitgewerkt.
Deze beide varianten gaan uit van een
uitkering die uit twee componenten
bestaat, waarvan de ene component wordt
gevormd door 70%
van het
minimumloon en de andere door
een toeslag, die gerelateerd
is aan het arbeidsverleden en wordt
afgeleid van het vroegere loon, voor
zover dat het minimumloon te boven gaat.
Vooralsnog kan voor de bepaling
van de verzekeringsduur worden uitgegaan
van de leeftijd bij toetreding.
Met het oog op de aan sommige ziekten en
gebreken inherente
toestand van hulpbehoevendheid zou naar
het oordeel van deze
leden van de SER wel de mogelijkheid
die artikel 13 van de AAW
en
artikel 22 van de WAO
thans biedt tot
ophoging van de uitkering tot 100%
van het laatstverdiende loon onverkort,
dat wil zeggen zonder onderscheid
naar arbeidsverleden of leeftijd, dienen
te worden gehandhaafd.
De
voorkeur van de SER
gaat uit naar de variant waarbij als basisuitkering
70% van het
minimumloon geldt en waarbij, wat de aanvullende uitkering betreft naar analogie van de in veel
aanvullende pensioenregelingen
gangbare pensioenopbouw, een jaarlijkse
opbouw van 1,75% plaatsvindt
voor het bovenminimale gedeelte van het
laatstverdiende loon.
In dit voorstel geschiedt de opbouw
vanaf het 18de levensjaar en kan
maximaal 40 jaar omvatten, hetgeen
resulteert in een maximum aanvullende
uitkering van 70% van het bovenminimale
gedeelte van het laatstverdiende
loon bij toetreding op 58-jarige
leeftijd. Tezamen met de basisuitkering
levert dit bij volledige ongeschiktheid
tot werken 70% van het
laatstverdiende loon op.
De
aldus voorgestane introductie van
opbouwelementen in de hoogte van
het uitkeringsrecht achten alle leden
van dit deel van de SER in de eerste plaats noodzakelijk in het kader van de
eerdergenoemde volume- en
financiële doelstelling. Daarnaast laat
een dergelijke maatregel, aldus dit
deel van de SER, zich ook vanuit
overwegingen van sociale aard motiveren.
Vanuit sociaal oogpunt is het
verdedigbaar dat naarmate men op
oudere leeftijd (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikt raakt een hoger uitkeringspercentage
geldt. Evenzeer is het verdedigbaar dat,
onder handhaving
van een algemene bodemvoorziening (de AAW) en van de mogelijkheid
tot ophoging van de uitkering in geval
van hulpbehoevendheid
(artikel 13 AAW
en artikel 22
WAO), een
positief verband wordt
gelegd tussen het arbeidsverleden en de
hoogte van de uitkering. Verder
kan worden geconstateerd dat
opbouwelementen van dien aard ook
in andere landen, zoals de Duitse
Bondsrepubliek, gelden.
Wat
de bijdrage aan het volumebeleid
betreft, acht deze meerderheid van
de SER het ten slotte van belang dat
blijkens onderzoek de omvang van
het inkomensverlies een belangrijke
determinant is van de toetredingskans
tot de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Dit deel is dan ook van mening dat als gevolg van dit voorstel
een substantiële additionele bijdrage
tot de beperking van de volumegroei kan
worden verwacht.
De
ondernemersleden, behorend tot dit deel
van de SER, menen bovendien
dat ook in de sfeer van de duur van de WAO-uitkering tot introductie
van opbouwelementen moet worden
overgegaan, teneinde te bereiken
dat het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen daadwerkelijk
wordt ontmoedigd en dat deze regelingen
meer naar Europese
maatstaven zijn ingericht. De
Nederlandse arbeidsongeschiktheidsregelingen
zijn immers in het algemeen voor
uitkeringsgerechtigden rblz.|29|
gunstiger
dan in omringende landen, in het
bijzonder wat de regelingen ter
zake van het "risque social" betreft.
Met
erkenning van de verschillen tussen de
risico's van werkloosheid en
arbeidsongeschiktheid als zodanig is
dit deel voorts van mening dat de
ter zake geldende regelingen meer en
beter op elkaar moeten worden afgestemd.
Voorgesteld wordt daarom de
uitkeringsduur van de WAO te beperken en afhankelijk te stellen van het
arbeidsverleden onder handhaving
van de uitkeringsduur van de AAW.
Daarbij is de uitkeringsduur
van de WW als een absolute ondergrens te
zien. Een langere uitkeringsduur
bij arbeidsongeschiktheid ligt, aldus
dit deel van de SER, in
het bijzonder voor boven-50-jarigen,
voor de hand, gelet op het verschil
tussen beide risico's. In dit verband
wijzen deze leden erop dat uit
berekeningen van het Centraal Planbureau
c.s. naar voren komt dat een
beperking van de uitkeringsduur van de
WAO zal leiden tot een omvangrijke
vermindering van het aantal
uitkeringsgerechtigden.
4.1.2.
Opvatting van een minderheid van de SER
Het
deel van de SER, bestaande uit de
werknemersleden, stelt bij zijn standpuntbepaling
voorop dat het beleid moet zijn gericht
op toenemende arbeidsparticipatie van
arbeidsongeschikten. Dit deel wenst zich
daarbij
volledig te richten op volumemaatregelen
en niet op prijsmaatregelen
(hoogte en duur). Dit vereist, aldus
deze leden, een samenhangend pakket
gericht op preventie, rechtsbescherming
en reïntegratie. Deze leden
zijn het er tevens over eens dat dit
samenhangende pakket moet worden
aangevuld met beleid dat is gericht op
verruiming van de werkgelegenheid
en daarmee samenhangend op verbetering
van het functioneren
van de arbeidsmarkt. Verder vinden deze
leden het noodzakelijk
de eigen verantwoordelijkheid op ondernemingsniveau te
vergroten.
4.2.
Het SVr-advies met betrekking tot het
niveau en de duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering
De
Raad gaat in zijn advies voor wat
betreft het niveau en de duur van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de
consequenties van toename van arbeidsongeschiktheid, het
leeftijdscriterium als vertaling van de
verzekeringsduur,
de samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met
uitkering ingevolge de WW
en op het
begrip "dagloon".
De
Raad merkt op dat bij de WAO
het
principe geldt van één uitkering per
uitkeringsgerechtigde.
Zonder
aanvullende maatregelen kan de
betrokkene dan ook, zolang hij arbeidsongeschikt
blijft, geen nieuw recht op een
loondervingsuitkering WAO krijgen, ook niet indien hij zijn
restcapaciteit heeft benut.
Inkomsten
uit restcapaciteit kunnen bij toename
van de arbeidsongeschiktheid
slechts leiden tot een hoger dagloon of
een hoger vervolgdagloon
(zie paragraaf 4.3.1), waarbij de leeftijd op
de eerste WAO-dag bepalend
blijft. Bij toename van de
arbeidsongeschiktheid is die dag dan bepalend,
hetgeen voor de betrokkene nadelig is.
Een deel van de Raad, de werknemersleden
en vier onafhankelijke
leden, acht dit onaanvaardbaar
en vraagt de gevolgen te verzachten door
bijvoorbeeld rekening
te houden met de leeftijd van betrokkene
op het moment van de
toename van de arbeidsongeschiktheid.
Een ander deel van de Raad, de
ondernemersleden en twee onafhankelijke
leden, ziet geen aanleiding tot
bijstelling van de voorgestelde
maatregelen.
Ten
aanzien van het leeftijdscriterium als
vertaling van de verzekeringsduur
geeft de Raad in overweging aan te geven
in hoeverre volgens rblz.|30|
het
kabinet dient te worden overgestapt op
een stelsel waarbij de uitkering
rechtstreeks wordt gerelateerd aan de
verzekeringsduur zodra daarvoor
de benodigde gegevens beschikbaar zijn.
Om
de samenloop van
arbeidsongeschiktheidsuitkering met de uitkering
van de WW goed te laten verlopen,
onderschrijft een meerderheid
van de Raad het kabinetsstandpunt dat
aanpassing van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale
zekerheid (IWS) noodzakelijk
is (de hoogte van het WW-dagloon wordt
bepaald door de op
grond van artikel 34 van de
IWS te
stellen dagloonregels). Het andere deel
van de Raad, bestaande uit de FNV-leden
en één onafhankelijk lid, wijst
op beleidsmatige gronden deze aanpassing
af. Dit deel acht het niet aanvaardbaar
dat het (toevallige) moment van
herbeoordeling bepalend is
voor de hoogte van de
loondervingsuitkering WW. Dit deel is
van mening
dat het WW-dagloon moet worden afgestemd
op het WAO- dagloon
in de loondervingsperiode ook al kan in
bepaalde situaties het totaal
van WAO- en WW-uitkering hoger zijn
dan een volledige WAO-uitkering.
De
Raad adviseert om het begrip dagloon in
de wet te handhaven. Na afloop
van de loondervingsuitkering zou het
dagloon eenmalig moeten worden verlaagd zodat de beide componenten die
dan het dagloon bepalen
niet afzonderlijk geïndexeerd behoeven
te worden. Dit verlaagde dagloon
zou de term "vervolgdagloon" moeten
dragen.
4.3.
Standpunt kabinet
4.3.1.
Systeem
Nadat
de SER zijn advies op 12 juli 1991 had
vastgesteld, heeft het kabinet
in eerste instantie geconcludeerd dat
het wenselijk is de duur van de WAO-uitkering te beperken en te
relateren aan de leeftijd, waarbij de duur
van deze uitkering voor personen van 50
jaar of ouder niet zou worden beperkt. Arbeidsongeschikten jonger dan
50 jaar zouden na afloop
van de WAO-uitkering recht op AAW-uitkering behouden. De notie
dat, gezien de gesignaleerde
ontwikkelingen, aan diep ingrijpende maatregelen
niet langer kon worden ontkomen en de
wens om ook in de aanvangsfase
te verzekeren dat de uitkering bij
arbeidsongeschiktheid niet
lager zou liggen dan die bij
werkloosheid, vormden de achtergrond van
deze besluitvorming. Bij brief van 16
juli 1991 zijn deze voornemens ter
kennis gebracht van de SER, waarvan een
afschrift aan de Tweede Kamer
is toegezonden (Kamerstukken II 1990-1991, 22 187, nr. 1).
De
in de brief van 16 juli 1991 opgenomen
voornemens met betrekking
tot de duur van de WAO-uitkering werden
in de samenleving sterk
afwijzend ontvangen. Het kabinet heeft
zich vervolgens nader over deze
kwestie beraden. Dit nadere beraad heeft
het kabinet tot de conclusie gebracht dat aanpassing van de
voornemens noodzakelijk was. Anderzijds
is de problematiek van de toename van
het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen van dien aard dat, overeenkomstig de opvatting
van een meerderheid van de SER, hoe dan
ook aan ingrijpende maatregelen
niet valt te ontkomen.
De
nadere voorstellen van het kabinet zijn
in grote lijnen uiteengezet in de
brief aan de Tweede Kamer d.d. 27
augustus 1991 (Kamerstukken II 1990-1991,
22 187, nr. 2). Deze voorstellen voorzien
in beperking van de duur
van de direct op het laatstverdiende
loon gebaseerde uitkering (loondervingsuitkering)
tot één jaar voor personen jonger dan
33 jaar en (maximaal)
zeven jaar voor personen van 58 jaar of ouder. Na beëindiging
van deze loondervingsuitkering bestaat
recht op een vervolguitkering,
die uit twee componenten bestaat, te
weten 70% van het rblz.|31|
minimumloon,
verhoogd met 1,75% van het verschil
tussen het voorheen verdiende
loon en het minimumloon voor elk jaar
tot het 58ste dat men ouder
is dan 18 jaar op het moment waarop men
recht op uitkering krijgt.
Bij
de bepaling van zijn standpunt heeft het
kabinet, zowel voor de oude
als voor de nieuwe gevallen, zijn
oorspronkelijke voorstellen van 16 juli
1991 gelegd naast het meerderheidsadvies
van de SER
en de gunstige
elementen van beide voorstellen
gecombineerd. Wat de nieuwe gevallen
betreft, zijn de voorstellen van de
meerderheid van de SER en de aanvankelijke
kabinetsplannen zodanig samengevoegd
dat de uit de aanvankelijke
plannen afkomstige loongerelateerde
uitkering, waarvan de duur
door de leeftijd wordt bepaald, wordt
gevolgd door een vervolguitkering,
gelijk aan de uitkering volgens de
SER-variant. Voor alle duidelijkheid:
ten opzichte van de SER-voorstellen zijn
de huidige voorstellen in
die zin gunstiger dat de betrokkene voordat zijn uitkering op
het SER-niveau terechtkomt, deze voor
beneden-33-jarigen één jaar en naar mate
men ouder is steeds langer op het
huidige niveau blijft gehandhaafd
(70% van het laatstverdiende loon). Na
afloop van de uitkering van 70%
van het laatstverdiende loon valt men
niet terug op het AAW-niveau (maximaal
70% van het
minimumloon), maar op het
door de SER voorgestelde
niveau. Voor ouderen zal deze terugval
pas na langere tijd plaatsvinden.
De terugval zal minder groot zijn
naarmate men op oudere leeftijd
recht op uitkering krijgt. Voor personen die arbeidsongeschikt worden als zij 58 jaar of ouder zijn, vindt
geen terugval plaats.
Volledigheidshalve
zij opgemerkt dat op één punt het
advies van de SER
niet geheel is overgenomen. Het betreft
hier de uitkeringen aan personen
die in een althans voorlopig blijvende
toestand van hulpbehoevendheid
verkeren. De SER stelt voor deze
personen de uitkering onverkort
op haar huidige niveau, te weten 100%
van het dagloon, te handhaven.
Het kabinet is echter van mening dat het
niet in de rede ligt voor
deze kleine groep uitkeringsgerechtigden
een sterk van het algemene
regime afwijkend uitkeringssysteem te
creëren. Dit betekent dat
deze personen, naar de mening van het
kabinet, een uitkering op het niveau
van 100% dienen te ontvangen; derhalve
100% loondervingsuitkering
gevolgd door 100% vervolguitkering.
Hierbij
heeft het kabinet het volgende
overwogen. De mogelijkheid tot ophoging
bij blijvende hulpbehoevendheid is
gecreëerd vanuit de gedachte
dat de noodzaak tot geregelde oppassing
en verzorging een bepaald
bedrag aan meerkosten met zich brengt.
Of deze meerkosten er daadwerkelijk
zijn en in welke mate is in de gekozen
vormgeving niet van belang.
De vergoeding is als het ware een
forfaitaire vergoeding. Voor de kosten
verbonden aan de hulpbehoevendheid zijn
er via de voorzieningen regelingen
getroffen. Te denken valt hierbij
bijvoorbeeld aan de kosten van
huishoudelijke hulp in het kader van de AAW
naast de reguliere gezinshulp
in het kader van de AWBZ [Algemene
Wet Bijzondere Ziektekosten, red.].
Wat
de lopende uitkeringen betreft, is het
kabinetsvoorstel ten aanzien van
de boven-50-jarigen gelijk aan het
voorstel van de SER. Voor beneden-50-jarigen
bevat het kabinetsvoorstel een tweetal
belangrijke wijzigingen
ten opzichte van het SER-voorstel.
Immers, ook hier blijft ten minste één jaar de loongerelateerde uitkering
gehandhaafd, die vervolgens
in guldens gelijk blijft tot het niveau
is bereikt dat door de SER
is geadviseerd.
Het
kabinet heeft zich gerealiseerd dat
voor deze groep waarschijnlijk een
achteruitgang in koopkracht zal
plaatsvinden tot het niveau is bereikt dat
door de SER is geadviseerd. Het kabinet
meent dat het deze keuze rblz.|32|
moet
maken om te voorkomen dat het verschil
tussen oude en nieuwe gevallen
tot in lengte van jaren zal blijven
bestaan. Het zou vooral na wat langere
tijd onbegrijpelijk zijn wanneer twee
personen die op dat moment
in een identieke situatie verkeren,
sterk verschillend zouden worden
behandeld.
De
huidige structuur van de WAO
is zodanig
dat de uitkering per dag wordt
afgeleid van het loon dat de betrokkene,
ware hij niet arbeidsongeschikt geworden, zou hebben verdiend in het
beroep dat hij vóór de arbeidsongeschiktheid
uitoefende. Voor de berekening van dat
loon wordt
als maatstaf genomen het tot loon per
dag herleide bedrag dat de betrokkene
in het jaar aan de arbeidsongeschiktheid
voorafgaande heeft ontvangen.
Dit dagloon wordt vervolgens aangepast
aan de loonsverhogingen
die, op grond van een voor de betrokkene
geldende regeling en in verband
met afwijkingen van het loonpeil in het
beroep van betrokkene, hebben
plaatsgevonden in de periode gelegen
tussen het intreden van de arbeidsongeschiktheid
en het ingaan van de uitkering.
Het
bedrag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is een
percentage van
dit dagloon. Dit percentage staat in
verband met de mate van arbeidsongeschiktheid
en bedraagt bij volledige
arbeidsongeschiktheid 70.
De
introductie van de vervolguitkering, die
niet direct op het dagloon is gebaseerd,
brengt een nieuw element in de bepaling
van de uitkering. Omdat
de mate van arbeidsongeschiktheid mede
bepalend is voor de hoogte
van de uitkering en deze ook in de
toekomst op dezelfde wijze in de
hoogte van de uitkering zal doorwerken,
was in het conceptwetsvoorstel,
zoals dat aan de SVr werd voorgelegd,
voor de vormgeving van de maatregelen
naast handhaving van het begrip "dagloon" gekozen voor invoering
van de begrippen "grondslag" en
"grondslag vervolguitkering", waarbij
het begrip grondslag tijdens de
loondervingsuitkering gelijk zou zijn
aan het dagloon en tijdens de
vervolguitkering gelijk zou zijn aan de grondslag
vervolguitkering.
De
SVr achtte echter de termen grondslag en
grondslag vervolguitkering
verwarrend, omdat met name de eerste
term ook voorkomt in de AAW
en daar betrekking heeft op een op
andere wijze vastgesteld bedrag.
Het
kabinet heeft naar aanleiding van deze
opmerking van de SVr besloten
de term grondslag niet te gebruiken en
conform het voorstel van
de SVr de term grondslag
vervolguitkering te vervangen door
"vervolgdagloon".
Het
komt erop neer dat overal in de wet
waar het begrip dagloon in relatie
wordt gebracht met de vervolguitkering,
dit dagloon vervangen wordt
door vervolgdagloon. Tijdens de
loondervingsuitkering wordt het begrip
dagloon gehanteerd. Het vervolgdagloon
wordt vastgesteld op het
minimumloon per dag, vermeerderd met
2,5% per
leeftijdsjaar na het 18de
van het verschil tussen het dagloon en
het minimumloon. Het percentage
van 2,5, als logisch uitvloeisel van de
in de oorspronkelijke kabinetsvoorstellen
genoemde 1,75, houdt verband met het
feit dat bij de
vervolguitkering een percentage van het
hele verschil tussen dagloon en
minimumloon in de uitkering wordt
opgenomen (100/70 x 1,75 = 2,5)
. Door de hantering van de begrippen
dagloon en vervolgdagloon kan
de tot nu toe vigerende systematiek van
de WAO volledig in tact blijven.
Overigens moge wat de introductie van
deze begrippen betreft verder
worden verwezen naar de artikelsgewijze
toelichting.
Voorts
verdient nog vermelding dat de SVr in
zijn advies, op initiatief van
de FBV, uit vereenvoudigingsoogpunt
voorstelt om in plaats van een afzonderlijke
vervolguitkering aan het einde van de
loondervingsuitkering rblz.|33|
het
dagloon eenmalig te verlagen tot aan het
bedrag van het vervolgdagloon
en daarna normaal als dagloon te
indexeren. Volgens de in het voorstel
gekozen systematiek wordt het
vervolgdagloon zelf niet geïndexeerd.
De verhoging van het vervolgdagloon
vindt plaats doordat de
twee componenten aan de hand waarvan
het vervolgdagloon wordt vastgesteld,
te weten dagloon en
minimumloon,
halfjaarlijks worden verhoogd.
Hoewel de door de SVr voorgestelde
systematiek uit administratief
oogpunt vereenvoudiging oplevert, stuit een eenmalige
vaststelling
van het vervolgdagloon echter
systematisch op een aantal bezwaren
en wel op de volgende.
In
tegenstelling tot de WW
is wanneer zo'n
eenmalige verlaging plaatsvindt,
in de WAO niet meer zichtbaar dat de wet
twee soorten uitkering
kent. Na de loondervingsuitkering van
70% van het laatstverdiende
loon ontstaat recht op een
vervolguitkering van 70% van het
minimumloon verhoogd met een percentage van het
verschil tussen laatstverdiende
loon en minimumloon. Het minimumloon is
voorts niet voor
een ieder een gelijk bedrag. Voor de leeftijdscategorieën van 16 tot
en
met 22 jaar gelden per leeftijdsjaar
afwijkende bedragen. De SVr geeft
in zijn advies overigens zelf aan dat
hiervoor, als zijn voorstel wordt overgenomen,
een speciale regeling moet worden
getroffen. In het voorstel
van het kabinet is deze speciale
regeling niet noodzakelijk.
Indien
een eenmalige verlaging wordt
doorgevoerd, hoeft de bedrijfsvereniging
het volledige oude dagloon niet meer
vast te houden. Echter, in sommige gevallen is dit toch
noodzakelijk, namelijk wanneer de betrokkene
is gaan werken voor zijn resterende
verdiencapaciteit. Wanneer
deze persoon opnieuw uitvalt, toegenomen
arbeidsongeschikt wordt,
kan hij een nieuw dagloon krijgen als
hij in zijn nieuwe dienstbetrekking
een hoger dagloon verdiende dan zijn
oude dagloon. Dit nieuwe dagloon
is dan op grond van artikel 40 van de
WAO samengesteld uit een
deel oud en een deel nieuw dagloon.
Aangezien het dagloon doorwerkt
in de vervolguitkering zal ook het
nieuwe dagloon hierin moeten
doorwerken. Hiervoor is dus wel vereist
dat het oude dagloon bekend blijft en ook kan blijven doorwerken in
de vervolguitkering. Hiernaast
dient nog te worden opgemerkt dat,
hoewel de indexering van
minimumloon en uitkeringen op dezelfde wijze is
geregeld, het denkbaar is
dat de ontwikkeling van het minimumloon
in de toekomst niet parallel blijft
lopen met de ontwikkeling van het
dagloon.
Dit
geheel overziende is het kabinet dan ook
van mening dat aan deze suggestie
van de SVr geen gevolg moet worden
gegeven.
4.3.2.
Nadere onderbouwing systeem
Hiervoor
is een meer feitelijke beschrijving
gegeven van het structurele uitkeringssysteem.
Het gaat dus wat de WAO
betreft om een
risicoverzekering met opbouwelementen. Daarin wordt op
twee manieren onderscheid
gemaakt naar leeftijd. Zowel de duur van
de loondervingsuitkering als
de hoogte van de vervolguitkering zijn
afhankelijk van de leeftijd van de
verzekerde op het tijdstip waarop de
uitkering ingaat.
De
dwingende maatschappelijke noodzaak om
het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen, is hiervoor reeds uiteengezet.
Eveneens is reeds uiteengezet dat, en op
welke gronden, het kabinet
in juli 1991 tot het oordeel moest komen
dat dit doel slechts bereikt
kon worden door onder meer ingrepen in
de hoogte van de uitkeringen.
Bij de vormgeving van deze ingrepen kan
er vervolgens niet aan voorbij
worden gegaan dat het gaat om
uitkeringen welke worden gefinancierd
uit door de verzekerden betaalde premies.
rblz.|34|
In
de huidige WAO
bestaat er geen verband
tussen de periode gedurende
welke men premie heeft betaald en het
recht op uitkering; evenmin
is er een verband tussen de hoogte van
de uitkering en de duur waarop
men mogelijkerwijze nog een recht kan
doen gelden op een uitkering.
Gegeven de noodzaak tot ingrepen in het
stelsel heeft het kabinet ervoor gekozen dat bij de beperking van
de uitkeringsrechten wel
een zekere relatie wordt gelegd tussen
de betaalde premie en de duur, respectievelijk hoogte van de uitkering.
Een
dergelijke relatie wordt thans ook in de
WW
en de AOW gelegd; in
overige socialeverzekeringswetten is
zij om diverse redenen niet aan de
orde.
Nu
staat evenzeer vast dat er geen sprake
kan zijn van een strikte evenredigheid
tussen de individueel betaalde premie en
de individuele uitkering.
Een dergelijk stelsel zou in strijd zijn
met de solidariteitsgedachte.
Voor iedere verzekerde dient, ongeacht
de verzekeringsduur, een recht
op uitkering van een zeker basisniveau te
blijven bestaan. Derhalve is
de voor de hand liggende oplossing om de
uitkering gedeeltelijk te relateren
aan de verzekeringsduur.
Een
stelsel waarin de uitkering rechtstreeks
wordt gerelateerd aan de verzekeringsduur
is evenwel problematisch, omdat de
daarvoor benodigde gegevens niet beschikbaar zijn.
Bij
de stelselherziening in 1987 is voor de WW
aangegeven dat wanneer
het technisch mogelijk is, een directere
relatie moet worden gelegd
tussen het arbeidsverleden en de
werkloosheidsuitkering.
Het
kabinet is van oordeel dat op het moment
dat in de administratie van
de uitvoeringsorganen het
arbeidsverleden van verzekerden goed te onderscheiden
is via de verzekerdenadministratie (VZA),
een overgang dient
te worden gemaakt naar een opbouwsysteem
voor zowel de WW als
de WAO. Het arbeidsverleden wordt vanaf
1 januari 1989 in de VZA geregistreerd.
Tot 1 januari 2029 is het dus niet
mogelijk om volledig over
te stappen naar een systeem waarin
hoogte en duur van de uitkering
(mede) gebaseerd zijn op het via de VZA
geregistreerde arbeidsverleden.
Een criterium dat geschikt is om een zekere
relatie te leggen tussen het
recht op uitkering en de bijdrage aan de
financiering is de leeftijd. De
leeftijd is in veruit de meeste gevallen
een eenvoudig vast te stellen en
te hanteren - alsook weinig
fraudegevoelig - gegeven. De leeftijd geeft
bovendien een redelijke benadering van
de bijdrage aan de verzekeringsduur.
In het algemeen zal men immers een
langduriger arbeidsverleden
hebben en dus langer verzekerd zijn
geweest naarmate men ouder
is.
Uit
praktische overwegingen heeft het
kabinet in het voorliggende wetsvoorstel
gekozen voor het leeftijdscriterium. In
de komende jaren zal moeten worden bezien hoe de overstap naar het
arbeidsverledencriterium
kan worden gemaakt. Een mogelijkheid zou
kunnen zijn om de jaren
die liggen vóór 1989 op basis van
leeftijd in aanmerking te nemen. Vanaf
1989 kan immers van het feitelijk
arbeidsverleden worden uitgegaan.
4.3.3.
Het systeem bij toename
arbeidsongeschiktheid
Ter
oplossing van de door de SVr
gesignaleerde problematiek (zie paragraaf
4.2) zijn er verschillende opties
denkbaar. Het kabinet is er vooral door de
rekenvoorbeelden in bijlage 7 van het
SVr-advies van overtuigd geraakt
dat er een oplossing moet komen en deelt
dus niet de mening van
de werkgeversleden en de twee
onafhankelijke leden. Het is rblz.|35|
denkbaar
om de persoon recht te geven op een
nieuwe loondervingsuitkering,
waarbij er dan weer verschillende
varianten mogelijk zijn. Het is ook
denkbaar, zoals een deel van de SVr
adviseert, om alleen de vervolguitkering
te corrigeren. Uitwerking van de
verschillende opties is echter niet
eenvoudig, ook omdat zich een grote
diversiteit in situaties kan voordoen.
Bij
de inwerkingtreding van het voorliggende
wetsvoorstel kunnen zich nog
geen gevallen voordoen waarin personen
een vervolguitkering ontvangen.
Dit betekent dat het geschetste probleem
zich voorlopig ook niet
kan voordoen. Het kabinet heeft er in
verband hiermee voor gekozen omtrent
diverse oplossingsmogelijkheden advies
te vragen aan de SVr. Deze
kan dan ook de uitvoerbaarheid van elk
van de mogelijkheden bezien.
Na
ontvangst van het desbetreffende
SVr-advies kan de wet worden aangepast.
Vooruitlopend op de totstandkoming van
die wetswijziging kan
een tijdelijke regeling worden getroffen
op basis van een ministeriële regeling.
Hiervoor is in dit wetsvoorstel bij de
wijziging van artikel 40 van de
WAO en de overeenkomstige bepalingen in
de Algemene burgerlijke pensioenwet,
de Spoorwegpensioenwet en de Algemene
militaire pensioenwet
een delegatiebepaling opgenomen.
4.3.4.
Onomkeerbare arbeidsongeschiktheid
In
de discussie over de verlaging van het
uitkeringsniveau WAO
is door sommige
politieke en maatschappelijke
organisaties gepleit voor het uitzonderen
van ernstige en blijvende gevallen van
invaliditeit. Het gaat hierbij
concreet om de wens om personen met een
ernstige en blijvende mate van invaliditeit uit te zonderen van het
regime van verlaging van het uitkeringsniveau.
Voor
een goed begrip is het noodzakelijk de
term arbeidsongeschiktheid
te onderscheiden van de term
invaliditeit. De WAO is een loondervingsverzekering
en verzekert derhalve het verlies aan
verdiencapaciteit
(de mate van loonderving) ten gevolge
van ziekte en gebrek en niet een fysieke en/of psychische aandoening
op zich. Waar "arbeidsongeschiktheid"
het verband legt tussen ziekte/gebrek en
het verlies aan inkomen,
heeft invaliditeit betrekking op de
fysieke (en psychische) geschondenheid
van een persoon. Invalide personen die -
ondanks hun invaliditeit
- met de arbeid die zij nog kunnen
verrichten zoveel kunnen verdienen
dat het verlies aan verdiencapaciteit
gering is, zijn volgens het geldende
en voorgestelde WAO-systeem volledig
arbeidsgeschikt.
De
mate van invaliditeit zegt derhalve in
veel gevallen niets over de loonschade
waarmee iemand wordt geconfronteerd.
Het
is op puur medische gronden niet
mogelijk om categorieën personen
af te bakenen die op grond van de "onomkeerbaarheid" van hun
situatie buiten de voorgestelde WAO-structuur zouden moeten vallen.
Immers, op grond van welke criteria is
te bepalen wie dermate (psychisch
of somatisch) arbeidsongeschikt is dat
een op hem/haar "onomkeerbare"
situatie van toepassing is? Hoe is een
lijn te trekken tussen
schrijnende en minder schrijnende
gevallen, omkeerbare en onomkeerbare
situaties?
Er
bestaat grote twijfel of het mogelijk is
in medische zin te spreken van
een (statische) eindtoestand. Hieruit
voortvloeiend bestaan eveneens twijfels over de mogelijkheid van het aanduiden
van een blijvende situatie
van volledige arbeidsongeschiktheid.
De
onderhavige problematiek is ook aan de
orde geweest tijdens het overleg
met de Tweede Kamer op 28 augustus 1991
naar aanleiding van de
brief van het kabinet over ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid. rblz.|36|
Bij
die gelegenheid heeft het kabinet
gesteld dat, rekening houdend met
het karakter van de WAO
als
loondervingsregeling en de onmogelijkheid
om onomkeerbare situaties goed af te
bakenen, het niet mogelijk is
op eenduidige wijze een uitzondering te
maken, zoals door sommigen bepleit.
Het
kabinet heeft bij de verdere uitwerking
van de maatregelen waartoe
in de zomer van 1991 werd besloten geen
mogelijkheden gevonden
die aanleiding konden zijn om op dit
standpunt terug te komen.
5.
Wijziging structuur en inrichting
arbeidsongeschiktheids-regelingen:
tijdelijkheid uitkering en periodieke
beoordeling
5.1.
Het SER-advies over de tijdelijkheid en
de periodieke beoordeling van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
De SER is van oordeel dat van een
uitkeringsstelsel dat in beginsel tijdelijke
uitkeringen verstrekt mogelijk een
activerende werking uitgaat. Ervan uitgaande dat arbeidsongeschiktheid en
de ontwikkeling van restcapaciteit
beschouwd kunnen worden als een
dynamisch proces, meent
de SER dat een systematische periodieke
herkeuring van de betrokkene
dient plaats te vinden. De SER is
verdeeld over de vraag of het
recht op een uitkering van rechtswege in
de tijd begrensd dient te zijn
dan wel dat sprake moet zijn van een
periodieke herbeoordeling. Voor
zover men kiest voor begrenzing van de
uitkering, geeft dit deel een periode
van drie jaar in overweging; pas na een
hernieuwde beoordeling kan
het uitkeringsrecht worden verlengd. De SER stelt verder voor tot het
moment
van periodieke herbeoordeling geen
financiële gevolgen te verbinden
aan (extra) inkomsten die kunnen voortvloeien uit eventuele
hervatting
en uitbreiding van werk. De SER komt
niet tot een nadere afweging
van de voor- en nadelen van de
voorgestelde wijziging.
5.2.
Het SVr-advies
Het
kabinetsvoorstel om in de wet een moment
op te nemen waarop betrokkene
actief een uitkering moet aanvragen en
het voorstel tot het regelmatig evalueren van de situatie van de
verzekerde, worden door de SVr
onderschreven. De Raad stemt in met een
herbeoordeling één jaar na
aanvang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. In
navolging van de SER
pleit de SVr daarnaast voor een
herbeoordeling binnen termijnen van
drie jaar in plaats van de door het
kabinet voorgestelde termijn van vijf
jaar. De eerste jaren moet volgens de
Raad ten gevolge van de extra belasting
van de uitvoeringsorganen een langere
termijn dan drie jaar worden
gehanteerd. De Raad stelt voor dat hij
in overleg met de uitvoeringsorganen
in deze aanloopfase een andere termijn
kan vaststellen.
De
frequentie van de beoordelingen binnen
de perioden van drie jaar kan,
afhankelijk van de specifieke situatie
van betrokkene, door de uitvoeringsorganen
nader worden bepaald, aldus de Raad.
Een
deel van de Raad is van mening dat het
van rechtswege beëindigen
van de uitkering in strijd is met het
internationale recht, gezien de letterlijke
tekst van IAO-verdrag 121 [IAO:
Internationale Arbeidsorganisatie, red.].
Dit
deel stelt voor om over te gaan op een
periodieke herbeoordeling zonder
dat de uitkering van rechtswege wordt
beëindigd. Een ander deel van
de Raad komt niet tot de conclusie dat
de regeling in strijd is met de relevante
internationale verdragen.
rblz.|37|
Het
kabinet heeft voorgesteld de SVr de
bevoegdheid te geven om ten aanzien
van bepaalde groepen arbeidsongeschikten
te bepalen dat voor de herbeoordeling geen termijn geldt dan
wel een afwijkende termijn. De Raad
overweegt dat er op dit moment nog geen
groepen te bepalen zijn waarvoor andere termijnen van toepassing zijn.
Hij stelt voor in overleg met
de uitvoerders, indien nodig, in een
later stadium alsnog gebruik te maken
van deze regelgevende bevoegdheid op
basis van een registratie van
individuele gevallen. De Raad stelt voor
om, vooruitlopend op deze regeling,
af te zien van de gestelde
herbeoordelingstermijn in individuele
gevallen
indien in een aparte procedure door een
tweede beoordelingsteam
de inhoudelijke gronden worden
onderschreven.
De
Raad zal zich nog nader beraden in
hoeverre bij de periodieke beoordeling
van degenen die zich permanent in het
buitenland hebben gevestigd buitenlandse
controleorganen moeten
worden ingeschakeld.
5.3.
Standpunt kabinet
Het
kabinet is met de SER
van mening dat van
tijdelijke uitkeringen, met
eventuele verlenging na aanvraag tot
voortzetting van de uitkering, een activerende werking uit kan gaan.
Dit
wetsvoorstel strekt onder meer tot
invoering van die tijdelijkheid. Het
kabinet heeft het aflopen van de uitkeringstermijn,
bedoeld om een activerend signaal aan de
uitkeringsgerechtigde
te geven, zodanig met waarborgen omkleed
dat een betrokkene
die aan de voorwaarde voor het recht op
uitkering blijft voldoen,
dit uitkeringsrecht gecontinueerd zal
zien. Het is hierbij wel nodig
dat adequaat op elke aanvraag tot
voortzetting van de uitkering kan
worden gereageerd, in die zin dat een
deugdelijke herbeoordeling vóór
het aflopen van de termijn plaatsvindt.
De herbeoordeling mag niet tot
een administratieve afdoening verworden.
De hiervoor bedoelde activerende
werking zal dan in haar tegendeel
omslaan.
De
adviezen van SER en SVr in overweging
nemende, stelt het kabinet voor
in de wet de termijn op drie jaar te
stellen. Tot een bij koninklijk besluit nader te bepalen tijdstip wordt deze
termijn voorlopig gesteld op vijf
jaar om zodoende de uitvoering in de
aanloopfase enigszins te ontlasten.
Over dit nader te bepalen tijdstip wordt
de SVr om advies gevraagd.
Het kabinet verwacht dat de overgang van
vijf naar drie jaar nog
zeker vijf jaar op zich laat wachten
aangezien de herbeoordeling, begeleiding
en bemiddeling van de huidige
arbeidsongeschikten de eerste
vijf jaar na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel
een
flinke inspanning van de
uitvoeringsorganen zullen vergen.
Nadat
de uitkeringstermijn in de wet op drie
jaar wordt gesteld, krijgen de
personen die vanaf dat moment een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen toegekend alsmede de arbeidsongeschikten
die (bij de periodieke beoordeling
op vijf jaar) voor voortzetting van de
uitkering in aanmerking komen,
deze termijn van drie jaar. Personen die
vóórdat de uitkeringstermijn
op drie jaar is gesteld een uitkering
voor vijf jaar toegekend hadden
gekregen, behouden derhalve bij
voortdurende arbeidsongeschiktheid
hun uitkering tot het einde van deze
vijfjaarsperiode.
In
de beslissing tot toekenning of
voortzetting van een arbeidsongeschiktheidsuitkering
dient het uitvoeringsorgaan nadrukkelijk
te vermelden
voor hoelang betrokkene ten hoogste een
uitkering krijgt toegekend.
Betrokkene weet dan wanneer op zijn
laatst een nieuwe beoordeling
plaatsvindt en wanneer een nieuwe
aanvraag dient te worden
gedaan.
Het
kabinet wil beklemtonen dat bij elke
beoordeling tot voorzetting van
de arbeidsongeschiktheidsuitkering
nadrukkelijk aandacht moet worden besteed aan de mogelijkheden tot
scholing en bemiddeling naar een
arbeidsplaats. Dit geldt overigens ook
voor de herbeoordeling van de rblz.|38|
personen
die reeds vóór de inwerkingtreding van
het voorliggende wetsvoorstel
arbeidsongeschikt zijn geworden. Ook de
SVr vraagt in zijn advies
hiervoor de aandacht.
Het
kabinet is het met de SVr eens dat,
naast een beoordeling of een verandering
in de arbeidsgeschiktheidssituatie tot
een aanpassing van de uitkering
moet leiden, de
uitvoeringsfunctionarissen ook moeten
bezien of
er nieuwe arbeidsmarktmogelijkheden zijn
voor betrokkene en of eventueel
reïntegratie-instrumenten, bijvoorbeeld
die zoals ingevoerd bij de Wet
TAV, kunnen worden gebruikt. Het kan
niet zo zijn dat de (her)beoordeling
van de mate van arbeidsongeschiktheid
niet gepaard gaat
met een nadrukkelijke aandacht voor (het
bevorderen van) de reïntegratiemogelijkheden
van betrokkene.
Het
kabinet acht het voorts gewenst, mede om
het realiteitsgehalte van
de gekozen termijn in stand te houden,
dat wanneer met betrekking tot bepaalde groepen arbeidsongeschikten een
herbeoordelingsverplichting
vrijwel geen zin heeft, deze niet meer
dan wel niet met de regelmaat
van vijf jaar en later drie jaar
plaatsvindt. Aan de andere kant kan
het zinvol zijn ten aanzien van bepaalde
groepen personen te bepalen
dat een periodieke herbeoordeling binnen
een kortere termijn plaatsvindt,
bijvoorbeeld omdat de arbeidsmarktkansen
relatief hoog moeten
worden ingeschat. De SVr is in de ogen
van het kabinet het meest
aangewezen orgaan om de bedoelde groepen
te omschrijven.
In
het wetsvoorstel heeft daarom de SVr de
bevoegdheid gekregen om ten
aanzien van bepaalde groepen
arbeidsongeschikten te bepalen, onder goedkeuring van de
Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
dat de uitkering niet van rechtswege
afloopt en zij dus niet meer
aan een periodieke beoordeling worden
onderworpen dan wel dat voor
hen een afwijkende termijn geldt. Het
kabinet is met de SVr van mening
dat het op dit moment moeilijk is om
deze bepaalde groepen te omschrijven.
Het ligt dan ook in de rede dat de SVr,
na overleg met de uitvoeringsorganen,
eerst na enige tijd gebruik maakt van
zijn regelgevende
bevoegdheid om een afwijkende of geen
termijn te stellen. Het kabinet
is het eens met het voorstel van de SVr
om het stellen van deze regels
te baseren op de registratie van alle
individuen die de uitvoeringsorganen
zouden willen uitzonderen van de periodieke beoordeling of
waarvoor
men een andere beoordelingstermijn zou
willen vaststellen. De bedrijfsverenigingen
zullen dus in een overzicht op basis van
een registratie
aan moeten geven voor welke personen zij
zouden willen dat de
SVr andere termijnen stelt. Dit
impliceert wel dat er vooralsnog, totdat
de SVr regels heeft gesteld, geen
afwijkende termijnen gelden.
Een
uitvoeringsorgaan kan volgens het
kabinet niet zelfstandig bepalen dat
een individu een andere termijn krijgt,
ook niet na een tweede beoordeling door een ander beoordelingsteam.
Personen kunnen eerst dan een toekenning
van de uitkering voor onbepaalde tijd
dan wel een langere of kortere termijn krijgen indien zij behoren tot
de groepen waarvoor de SVr dit
heeft vastgesteld. Uiteraard is het
altijd mogelijk om binnen de termijn
van vijf c.q. drie jaar
uitkeringsgerechtigden op te roepen om opnieuw
de mate van arbeidsongeschiktheid te
beoordelen en de mogelijkheden
op de arbeidsmarkt te bezien.
Uitvoeringsorganen kunnen,
zoals de SVr voorstelt, hiervoor in hun
beleid aangeven welke herbeoordelingsfrequentie
korter dan vijf/drie jaar zij wensen te hanteren.
De termijn waarop de uitkering van
rechtswege wordt beëindigd,
wordt ook bij personen die tussentijds
worden beoordeeld en arbeidsongeschikt
blijven, echter op vijf of drie jaar
gehandhaafd totdat de
SVr eventueel andere regels stelt.
rblz.|39|
Het
kabinet is van mening dat ook personen
met een AAW- of
WAO-uitkering
die in het buitenland verblijven, zoals
alle andere arbeidsongeschikten, de uitkering tijdelijk toegekend moeten
krijgen. Ook zij zullen
wanneer de toekenningstermijn
verstrijkt, een verzoek tot voortzetting
van de uitkering moeten doen. Het
kabinet wacht met belangstelling
het resultaat af van de studie die de
SVr verricht naar de vraag in hoeverre
bij deze beoordelingen buitenlandse
controleorganen moeten worden
betrokken. Deze studie zal niet alleen
betrekking moeten hebben op
periodieke beoordelingen, maar ook op de
herbeoordeling van personen
die al vóór inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel arbeidsongeschikt
waren.
De
arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt,
zoals gezegd, voor de duur van
vijf jaar of drie jaar toegekend. Het
uitvoeringsorgaan zendt uiterlijk vier maanden
vóór het aflopen van de termijn
een kennisgeving naar betrokkene
waarin staat dat de aanvraag voor
verlenging van de uitkering
kan worden gedaan. Voorgesteld wordt
overigens om een dergelijke
kennisgeving ook te zenden vier maanden
vóór het einde van het ZW-jaar. De ambtshalve toekenning
komt dus geheel te vervallen.
Voor
personen die binnen een halfjaar na
inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel een beroep doen op de AAW/WAO wordt hierop
een uitzondering gemaakt (zie paragraaf
7.4).
Indien
niet uiterlijk drie maanden vóór het
aflopen van de vijf/driejarentermijn
of drie maanden vóór het einde van het ZW-jaar een aanvraag
wordt ingediend, kan de
bedrijfsvereniging een korting op de uitkering
toepassen of geen uitkering meer
toekennen. Pas na beoordeling
van een eventueel alsnog ingediende
aanvraag kan weer een (volledige)
uitkering worden verstrekt. Indien de
uitkering wederom moet worden
verstrekt, kan deze - naar analogie met
de ook thans reeds geldende
regeling (artikel 25 AAW, 35
WAO) - niet
eerder ingaan dan één jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Voor het
vaststellen
van de duur van het aan het dagloon
gerelateerde deel van de WAO
en de hoogte van de vervolguitkering
(zie hoofdstuk 4) blijft evenwel
de datum gelden met ingang waarvan de
belanghebbende aan de
vereisten voor het recht op toekenning
van de uitkering voldoet (zie het
voorgestelde artikel
21b). Wanneer de
bedrijfsvereniging een kennisgeving
verstuurt later dan vier maanden vóór
afloop van de wachttijd of vier maanden voordat de uitkeringstermijn verstrijkt,
dient de betrokkene binnen één maand na afgifte van de kennisgeving
een verzoek tot toekenning
dan wel voortzetting te doen. Dit
verzoek wordt vervolgens geacht
op tijd te zijn gedaan, zodat de
uitkering alsnog aansluitend kan worden
voortgezet. Indien de bedrijfsvereniging
geen kennisgeving afgeeft,
maar belanghebbende vraagt wel een
uitkering aan, dan wordt deze
aanvraag geacht tijdig te zijn ingediend. Ook dan dient de uitkering
aansluitend
te worden voortgezet. Wanneer het
uitvoeringsorgaan niet tijdig
beslist op een wel tijdig ingediende aanvraag, wordt de uitkering
voortgezet,
in ieder geval tot het moment van de
beslissing.
De
tijdelijkheid van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is
volgens een deel
van de SVr in strijd met het
internationale recht. Het kabinet meent met
deze regeling, die uitgaat van
opeenvolgende uitkeringen voor een bepaalde
tijd, te voldoen aan ter zake geldende
internationale verplichtingen
met betrekking tot het permanent zijn
van de uitkering. De regeling
verzekert immers degene die aan de
nodige verplichtingen voldoet
een uitkering zolang de
arbeidsongeschiktheid voortduurt (zie hoofdstuk
11).
rblz.|40|
Naast
het voorstel ten aanzien van de
tijdelijkheid van het uitkeringsrecht
stelt het kabinet voor dat in beginsel
elke AAW/WAO-gerechtigde, na
een eerste toekenning van
arbeidsongeschiktheidsuitkering, binnen
één
jaar zal worden herbeoordeeld. Het
voordeel hiervan is dat aandacht aan
een AAW/WAO-gerechtigde wordt besteed
vóór het moment waarop
het ontslagverbod van het BW niet meer geldt. Dit
ontslagverbod is op een groot deel van
de werkende bevolking van toepassing.
Het is mogelijk dat een ontslagaanvraag
veel later dan na twee
jaar van ziekte wordt gedaan bij de
regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening.
In deze situatie, zo bepleit de SVr in
zijn advies, dient ook
op dat moment een inhoudelijke herbeoordeling tot stand te komen.
Deze
inhoudelijke beoordeling is echter
gewaarborgd door de procedure in
het kader van het delegatiebesluit [zie
Delegatiebesluit 1993 en vervolgens Ontslagbesluit,
red.] bij artikel 6
BBA [Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945, red.]. Hierin is geregeld
dat
wanneer er sprake is van een
ontslagaanvraag voor een arbeidsongeschikte
of voor iemand met een werkvoorziening,
de regionaal directeur
verplicht advies dient te vragen aan de
GMD. De arbeidsdeskundige
van deze dienst zal dan advies
uitbrengen door de situatie van de
arbeidsongeschikte te beoordelen. De
gegevens waarop de arbeidsdeskundige
zijn advies baseert, dienen van recente
datum te zijn.
6.
Enkele specifieke aspecten
6.1.
Samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met
inkomsten uit arbeid
In
de AAW
en de WAO
is een tweetal
anticumulatiebepalingen opgenomen
die de situatie regelen waarin zowel
een uitkering wordt genoten
als inkomsten worden verworven uit
arbeid.
De
huidige artikelen 33 AAW
en 44
WAO regelen de anticumulatie voor
uitkering en inkomsten uit arbeid
waarvan het niet zeker is of deze duurzaam
zal kunnen worden uitgeoefend.
De
huidige artikelen 34 AAW
en 45
WAO regelen de anticumulatie van uitkering
en inkomsten uit arbeid die met het oog
op de opleiding en het vroegere
beroep van betrokkene dan wel zijn
gezondheidstoestand niet in
billijkheid aan hem kan worden
opgedragen; het betreft hier dus niet-passende
arbeid.
In
het eerste geval wordt de feitelijke
schatting (intrekking uitkering of herziening)
uitgesteld en wordt de
arbeidsongeschiktheidsuitkering (tijdelijk)
op een zodanig niveau gesteld alsof er,
rekening houdende met de
inkomsten, wel is geschat (de zogenaamde
fictieve schatting). In het tweede geval
wordt, omdat schatting hier niet aan de
orde is, de uitkering verminderd
met het bedrag waarmee de som van de
uitkering en de inkomsten
per dag 85% van de grondslag
respectievelijk 85% van 100/108-maal het dagloon overschrijdt.
Naar
de opvatting van het kabinet is de
herziening van het arbeidsongeschiktheidscriterium
een goed moment om zich te bezinnen op genoemde
artikelen.
Immers,
wanneer aannemelijk is dat iemand
gedurende langere tijd (dus duurzaam) algemeen geaccepteerde arbeid
kan verrichten op grond
van zijn krachten en bekwaamheden, dan
moet worden gesteld dat er
sprake is van arbeid zoals bedoeld in
het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
Deze arbeid moet worden betrokken bij
het vaststellen van
de mate van arbeidsongeschiktheid. Dit
zal dan vervolgens leiden tot herziening
of intrekking van de uitkering.
rblz.|41|
Wanneer
er twijfel bestaat over de vraag of
iemand de (algemeen geaccepteerde)
arbeid gedurende langere tijd kan
verrichten, is er op dat moment
nog geen sprake van arbeid in de zin van
het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
Iemand kan op dat moment op de
betreffende arbeid
nog niet beoordeeld worden. Er kan
derhalve op dat moment nog geen
herziening of intrekking van de
uitkering plaatsvinden. Toch is er alle
aanleiding, vanwege het positieve effect
op de arbeidsparticipatie, dat
betrokkene het werk wel gaat proberen.
Het
inkomen dat hiermee verdiend wordt,
dient in mindering te worden gebracht
op de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Dit kan door dezelfde systematiek
toe te passen als nu is neergelegd in de
artikelen 33 AAW
en
44 WAO, de zogenaamde fictieve
schatting. Door het toepassen van deze systematiek ontstaat er ook geen
positieve of negatieve wijziging in de
inkomenssituatie als betrokkene
uiteindelijk daadwerkelijk geschat wordt.
Dit zal gebeuren op het moment dat
duidelijk is dat hij het werk kan
volhouden. Op dat moment voldoet de
arbeid aan de voorwaarden zoals
gesteld in het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium en dient
de "definitieve"
schatting plaats te vinden.
In
dit kader zij gewezen op de verbeterde
toepassing van de artikelen 33 AAW/44
WAO, opgenomen in de
Wet TAV. De
toepassingstermijn is toen verlengd tot maximaal drie jaar. Deze
termijn is ruim voldoende om te
bepalen of het werk duurzaam kan worden
volgehouden of niet. Derhalve
of op het werk geschat kan worden of
niet. Wellicht ten overvloede
zij erop gewezen dat de hier bedoelde
termijn van drie jaar een maximumtermijn betreft. In het
merendeel van de gevallen zal het veel
eerder duidelijk zijn of de
werkzaamheden aansluiten bij de krachten
en
bekwaamheden van betrokkene en zal
derhalve eerder dan na drie jaar
de fictieve schatting vervangen moeten
worden door een reële.
Een
tweede situatie die zich kan voordoen, is
dat iemand arbeid gaat verrichten
waarvan de verwachting is dat hij het
niet vol zal kunnen houden,
omdat het arbeid is die niet past bij
zijn krachten en bekwaamheden.
Ook in dit geval is er dus geen sprake
van arbeid waarop betrokkene
geschat kan/mag worden. In de huidige
situatie worden de inkomsten
van dergelijke arbeid geanticumuleerd
volgens het systeem van
de artikelen 34 AAW/45
WAO. In beginsel
is er geen tijdslimiet aan een
dergelijke anticumulatie gebonden. Iemand kan dergelijke arbeid dus gedurende
een reeks van jaren doen zonder dat er
bij de schatting van de
mate van arbeidsongeschiktheid rekening
mee wordt gehouden.
Het
kabinet is echter van mening dat wanneer
iemand dergelijke arbeid gaat
verrichten en dit ook feitelijk
gedurende langere tijd volhoudt, na verloop
van tijd gesteld mag worden dat sprake
is van arbeid in de zin van
het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Na
verloop van tijd mag en
moet de verdiencapaciteit van betrokkene
worden vastgesteld. In feite doet
zich dan dezelfde situatie voor als bij
het gaan verrichten van arbeid waarvan
nog niet zeker is dat betrokkene het vol
zal kunnen houden.
In
de eerste periode zal ook in deze
situatie nog geen schatting hoeven plaats
te vinden. De feitelijke schatting zal
worden uitgevoerd op het moment dat sprake is van arbeid in de zin van
het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
Het kabinet ziet dan ook geen reden om
twee verschillende anticumulatiesystemen naast elkaar te
laten voortbestaan. In
beide situaties kan gedurende de eerste
periode anticumulatie plaatsvinden
op basis van de zogenoemde fictieve
schatting waarna, na verloop
van tijd, als de arbeid voldoet aan de
voorwaarden van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium, de
daadwerkelijke schatting kan plaatsvinden.
Hiermee worden tevens allerlei problemen
in uitvoeringstechnische zin voortkomend uit het bestaan van
twee anticumulatiesystemen opgelost.
rblz.|42|
Het kabinet acht het in bepaalde gevallen
mogelijk dat arbeid niet passend
bij iemands krachten en bekwaamheden,
gedurende langere tijd wordt verricht en dat er desondanks geen
aanleiding is betrokkene hierop te
schatten.
Het
kabinet acht deze situatie aanwezig bij
werk ingevolge de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW) [zie ook Wet
sociale werkvoorziening (Wsw), red.].
Er
wordt dan ook voorgesteld inkomsten uit
deze arbeid via de fictieve schatting
blijvend te anticumuleren.
Het
kabinet kan zich voorstellen dat deze
situatie zich ook in andere gevallen
kan voordoen. Bijvoorbeeld bij het werk
van gemeenteraadsleden.
Het kabinet acht het aannemelijk dat het
niet opnemen van een uitzonderingssituatie
in bepaalde gevallen het verrichten van
dit soort arbeid
voor langere tijd zou ontmoedigen.
Derhalve wordt in het wetsvoorstel
de mogelijkheid opgenomen om voor
bepaalde groepen bepaalde
arbeid aan te merken als arbeid die niet
voldoet aan de voorwaarden
van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Tevens kan
dan bepaald worden dat de regeling van
fictieve schatting niet in de tijd
beperkt is.
De
SVr heeft zich in zijn advies ook
gebogen over de voorgestelde anticumulatieregeling
bij arbeidsinkomen en
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Hij staat positief tegen de vervanging
van de twee anticumulatiesystemen
door één systeem.
In
het wetsvoorstel wordt tegemoetgekomen
aan een deel van de Raad dat
vindt dat in de wet moet worden bepaald
dat na afloop van de toepassingsduur
van drie jaar de arbeid wordt aangemerkt
als arbeid in de
zin van de artikelen 18
WAO/5 AAW. Door
het toevoegen van een dergelijke bepaling is het duidelijk dat na een
eventuele toepassing van de
anticumulatiebepaling over de maximale
termijn van drie jaar er, indien
betrokkene blijft werken, in alle
gevallen tot definitieve schatting moet
worden overgegaan. Immers, het werk
wordt vanaf dat moment geacht
te voldoen aan de voorwaarden van het
nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
In dit kader kan het kabinet zich in
principe ook vinden
in de opmerking van de SVr dat ten
aanzien van arbeid die voldoet
aan de voorwaarden van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium
geen weigering van de uitkering
krachtens andere socialeverzekeringswetten
mag plaatsvinden op grond van het feit
dat die arbeid niet berekend
is voor de krachten en bekwaamheden van betrokkene. Dit is
echter
uiteindelijk een uitvoeringskwestie, die
in elk individueel geval in laatste
instantie beslist wordt door de
beroepsrechter.
De
SVr pleit voor enkele aanpassingen in
het overgangsrecht inzake de
anticumulatieregeling,
omdat de nieuwe anticumulatieregeling
uitgaat van
het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Zonder
overgangsregeling
op dit punt zouden alle personen op wie
nu de anticumulatieregeling
wordt toegepast direct vanaf de datum
van inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel moeten zijn
herbeoordeeld op het nieuwe criterium.
De SVr wijst er in zijn advies op dat
dit uitvoeringstechnisch op
problemen stuit. Hiernaast zou dit ook
betekenen dat deze groep op een
eerder tijdstip wordt herbeoordeeld dan
volgens de generieke overgangsmaatregelen
(cohortsgewijze herbeoordeling oude
bestand jonger
dan 50 jaar, zie paragraaf
7.3).
Het
kabinet vindt dit niet juist en stelt
voor om voor deze groep nog het
oude arbeidsongeschiktheidscriterium te
laten gelden tot het moment
waarop zij voor herbeoordeling in
aanmerking komen. Dit geldt zowel
voor de groep van personen op wie de
artikelen 33 AAW/44
WAO als
voor de groep van personen op wie de
artikelen 34 AAW/45
WAO van
toepassing is.
rblz.|43|
Er
is vervolgens in het wetsvoorstel
voorzien in een overgangsbepaling die
ziet op de maximale toepassingstermijn
van de anticumulatieregeling voor personen waarop
artikel 45
WAO of
artikel 34 AAW
van toepassing is
op het moment van wetswijziging. Er
wordt voorgesteld om de anticumulatieregeling
(op basis van een fictieve schatting)
voor al deze personen
vanaf datum inwerkingtreding wet nog
maximaal drie jaar toe te passen, derhalve onafhankelijk van de
termijn waarover de anticumulatie
reeds is toegepast. Ten aanzien van de
categorie waarop artikel 44
WAO of artikel 33
AAW
van toepassing was, is
niet voorzien in een overgangsbepaling
ten aanzien van de maximale
toepassingstermijn. Dit betekent
dat ten aanzien van deze categorie de
maximale toepassingstermijn
van de anticumulatieregeling drie jaar
blijft, te rekenen vanaf het tijdstip
waarop de anticumulatieregeling van
kracht is geworden. Ook als dit
tijdstip ligt vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van het voorliggende
wetsvoorstel.
Aparte
bespreking verdient nog de categorie
personen die op het tijdstip
van inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel de leeftijd
van 50 jaar heeft bereikt. Deze
categorie wordt immers niet herbeoordeeld
op het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Dit betekent
dat deze categorie altijd gedurende een
periode van anticumulatie,
ook als deze van kracht is geworden
nadat de nieuwe wet in werking
is getreden, moet worden geanticumuleerd
op basis van het oude
arbeidsongeschiktheidscriterium. Dit
betekent dat nog tot maximaal vijftien jaar na inwerkingtreding van
de wet deze
categorie te maken krijgt met
de anticumulatieregeling op basis van
het oude criterium. Eén en ander
vergt een aparte overgangsregeling.
Wat
betreft de overgangsregeling ten aanzien
van de maximale toepassingstermijn
van de anticumulatieregeling geldt voor
deze categorie
dezelfde overgangsregeling als ten
aanzien van de categorie jonger
dan 50 jaar. Dit betekent dat de
uitkering van de personen op wie voorheen
de artikelen 33 AAW/44
WAO van
toepassing was nog maximaal
drie jaar kan worden geanticumuleerd, te
rekenen vanaf het tijdstip
van aanvang van de anticumulatie. De
uitkering van de personen op
wie voorheen de artikelen 34 AAW/45
WAO van toepassing waren, kan
nog worden geanticumuleerd tot maximaal
drie jaar na inwerkingtreding
van het voorliggende wetsvoorstel.
De
bedrijfsverenigingen dienen ervoor te
zorgen dat op de datum dat het
voorliggende wetsvoorstel in werking
treedt alle personen die dan onder
de anticumulatiesystematiek van de
artikelen 45
WAO en 34 AAW
vallen,
overgaan naar de anticumulatie op basis
van een fictieve schatting (44
WAO/33 AAW). Wanneer dit niet
realiseerbaar is, zal een voorlopige
rekenkundige schatting moeten
plaatsvinden, zoals door de SVr
gesuggereerd. Deze rekenkundige
schatting kan dan op een later tijdstip
met terugwerkende kracht worden omgezet
in de fictieve schatting
op basis van een sociaal-medisch advies,
echter niet ten nadele van
betrokkene.
In
het SVr-advies brengt de Raad de
wijziging van de anticumulatieregeling
in verband met de afdrachten, van niet
tot uitbetaling komende uitkeringen van
WSW-werknemers, van de
arbeidsongeschiktheidsfondsen
aan het Rijk. Gezien het, in het aan de
Raad voorgelegde wetsvoorstel
opgenomen, vervallen van de
schattingsmogelijkheid bij "beroeps-WSW-ers"
achtte de Raad een nadere motivering van
het kabinet
gewenst met betrekking tot de reden van
deze afdracht.
rblz.|44|
De
opmerking van de Raad is in een ander
daglicht komen te staan nu het
kabinet, mede op advies van de Raad,
heeft besloten om de schattingsmogelijkheid
bij
"beroeps-WSW-ers" te handhaven. De
direkte aanleiding
van het verzoek is daarmee weggevallen.
Overigens is het kabinet van mening dat door de voorgestelde
wijzigingen geen wezenlijke
verandering is opgetreden ten aanzien
van de bespaarde uitkeringen van WSW-werknemers en dat het derhalve in de
rede ligt dat de bespaarde
uitkeringen ook in de toekomstige
situatie ten gunste komen van
het Rijk als belangrijkste financier van
de WSW.
6.2.
Ministelsel
Een
deel van de SER, bestaande uit de
ondernemersleden, meent dat de
bepleite wijzigingen in de hoogte en
duur van de AAW/WAO-uitkering dienen te worden bezien in het perspectief van
een ontwikkeling van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen op langere termijn welke kan gaan in de
richting van een zogeheten ministelsel.
Dit deel verstaat hieronder een
stelsel waarin de wettelijke
inkomensbescherming beperkt blijft tot het
creëren van een bodemvoorziening en het
aan de eigen verantwoordelijkheid
van (organisaties van) werkgevers en
werknemers wordt overgelaten
om, collectief of individueel,
bovenwettelijke voorzieningen tot
stand te brengen.
In
hoofdstuk 4 is uiteengezet dat het
kabinet in eerste instantie het voornemen
had een stelsel van
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen te
creëren
waarin na afloop van een
loongerelateerde WAO-uitkering personen
jonger dan 50 jaar alleen een recht op AAW-uitkering zouden behouden.
Voor personen van 50 jaar of ouder zou
bedoelde WAO-uitkering
niet in duur worden beperkt. Dat
oorspronkelijke voorstel, dat
wettelijk betere rechten gaf dan het
door genoemd deel van de SER
voorgestane
ministelsel, werd in de samenleving
sterk afwijzend ontvangen.
Dat was voor het kabinet aanleiding om
tot een bijgesteld voorstel
te komen met gedurende een langere
periode een vervolguitkering
boven de AAW-uitkering. Het kabinet
heeft invoering van een ministelsel
niet overwogen, aangezien dit geheel
tegen de lijn van zijn eigen,
nadere besluitvorming in zou gaan.
6.3.
Risque social en risque professionnel
Het
deel van de SER
dat voor een ministelsel pleit, onderkent dat het -
in het geval er een ministelsel bestaat
- nodig zal zijn voor het zogeheten risque
professionnel een afzonderlijke
wettelijke regeling te treffen
dan wel decentrale regelingen te treffen
op basis waarvan een loongerelateerde uitkering wordt verstrekt aan de
werknemer die in de sfeer
van de beroepsuitoefening door ziekte of
ongeval is getroffen. Dit deel
van de SER beveelt, in navolging van het
rapport "Een werkend
perspectief"
van de WRR [Wetenschappelijke Raad voor
het regeringsbeleid, red.],¹ een studie aan naar een
stelsel dat is gebaseerd
op beroepsgebonden en niet-beroepsgebonden risico's.
1.
WRR: Een werkend
perspectief. Arbeidsparticipatie in de jaren '90, 's-Gravenhage 1990,
blz.
272.
Het
kabinet meent hieraan niet te moeten
voldoen. In ons land is zeer bewust
gekozen om principiële en praktische
redenen voor een verzekeringssysteem
dat is gebaseerd op het zogenaamde
risque social; het is niet
van belang hoe men wegens ziekte of
gebrek arbeidsongeschikt is geraakt,
maar dat men dit is en dat dit
inkomensderving tot gevolg heeft. Dit
is ook de opvatting van de overgrote
meerderheid van de SER. Het kabinet acht het niet opportuun een studie te
(laten) verrichten naar eventuele
invoering van een
arbeidsongeschiktheidsregeling
gebaseerd op
het risque professionnel.
rblz.|45|
6.4.
Samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met
uitkering ter zake van
werkloosheid.
De AAW- en
WAO-uitkeringen zijn onder
meer gebaseerd op een percentage
arbeidsongeschiktheid. Degenen die
minder dan 80% arbeidsongeschikt
zijn, zijn met hun bestaande
arbeidsgeschiktheid in staat
aan het arbeidsproces deel te nemen.
Vaak zal echter voor deze categorie
personen niet of niet direct een
arbeidsplaats aanwezig zijn, zodat
zij naast hun gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheidsuitkering aangewezen
zijn op een aanvullende
werkloosheidsuitkering.
In
verband daarmee zijn in de
WW en in de IWS)
bepalingen opgenomen (artikel
45, vijfde lid, en 52, derde
lid, van de WW
en artikel 34, zesde
lid, van de IWS) op grond waarvan de
WW-loondervingsuitkering door
middel van een evenredige verlaging van
het dagloon en de WW-vervolguitkering
door een evenredige vermindering van die
vervolguitkering
kan worden verlaagd. Voor wat betreft de
loondervingsfase in de
WW is dit nader geregeld in artikel 14
van de door de SVr
vastgestelde Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stcrt.
1987, 130), waarin tevens
is bepaald dat tijdens de
loondervingsfase als WW-dagloon het WAO-dagloon
in aanmerking wordt genomen. Voorts is
in dit artikel bepaald
dat indien de betrokkene na het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid
duurzaam werkzaamheden heeft verricht, de
evenredige vermindering
niet geldt en voor de bepaling van het
dagloon de normale regels
gelden, zodat het laatstverdiende loon
in aanmerking wordt genomen.
Door
de herziening van het
arbeidsongeschiktheidscriterium zullen
in de
toekomst meer personen dan tot dusverre
in aanmerking gaan komen voor
een gedeeltelijke WAO-uitkering en
derhalve, als zij werkloos zijn, voor
een aanvullende WW-uitkering. Om de
samenloop van WAO- en WW-uitkering
na de onderhavige wetswijziging op goede
wijze te doen plaatsvinden,
is naar de opvatting van het kabinet
geen wijziging van de WW
nodig. Blijkens het SVr-advies wordt
deze opvatting door de meerderheid
van de SVr gedeeld.
Door
in het desbetreffende artikel 14
Dagloonregels Invoeringswet
stelselherziening sociale zekerheid niet langer alleen
het WAO-dagloon, maar ook het
WAO-vervolgdagloon in aanmerking
te nemen als basis voor de WW-uitkering,
ontstaat de situatie
dat op het moment van overgang van
loondervingsuitkering naar vervolguitkering
het vervolgdagloon in aanmerking wordt
genomen. Dit impliceert
dat indien het recht op WW-uitkering
ontstaat tijdens de loondervingsfase
als basis voor de WW-uitkering, evenals
thans, het WAO-dagloon
geldt. Ontstaat dit recht tijdens de
vervolguitkering van de WAO,
dan is het WW-dagloon gelijk aan het
vervolgdagloon van de WAO.
Zoals hierboven aangegeven, is de
meerderheid van de SVr, bestaande
uit de
CNV-, MHP- en werkgeversleden
en vijf onafhankelijke leden,
eenzelfde mening toegedaan. Een
minderheid van de SVr, bestaande
uit de FNV-leden en één onafhankelijk
lid, acht het onjuist dat het
naar het oordeel van deze leden
toevallige tijdstip van herbeoordeling en
effectuering van de afschatting bepalend
is voor de hoogte van de loondervingsuitkering
WW.
De
hoogte van deze loondervingsuitkering WW
dient naar de mening van
dit deel te worden gerelateerd aan de
hoogte van het gederfde loon. Dit
wordt bereikt door het WW-dagloon ook in
de toekomst af te stemmen
op het WAO-dagloon uit de
loondervingsperiode WAO, ongeacht
of de afschatting plaatsvindt tijdens de
periode van de loondervingsuitkering
of de vervolguitkering WAO. Daarbij
dient, aldus deze leden, de in het vigerende artikel
14, eerste
lid, Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid gehanteerde
breuk te worden gehandhaafd en dient het
dagloon WAO rblz.|46|
zo nodig
te worden geïndexeerd. Dit deel van de Raad heeft hierbij
onderkend
dat in bepaalde situaties het totaal aan
WAO- en WW-uitkering
hoger kan zijn dan de volledige
WAO-uitkering. Dit deel van
de Raad motiveert dit vanuit de gedachte
dat het gaat om een tijdelijke
situatie nu van betrokkene mag worden
verwacht dat hij zijn resterende arbeidsgeschiktheid benut.
Naar
aanleiding van het standpunt van dit
deel van de SVr merken wij het
volgende op. Het is juist dat in de
overgangssituatie de herbeoordelingsdatum
niet exact overeenkomt met de datum van
afname van de arbeidsongeschiktheid
en dat in de structurele situatie de
betrokkene het
niet zelf in de hand heeft of hij
tijdens de loondervingsuitkering of tijdens
de vervolguitkering meer arbeidsgeschikt
wordt. Hier staat echter tegenover dat de betrokkene in het laatste geval
zijn langere WAO-uitkeringstermijn
heeft volgemaakt. Hoe het ook zij, het
kabinet acht
het in ieder geval niet juist dat het
totaalinkomen van de betrokkene
op het moment van ontstaan van de
samenloop van WAO- en WW-uitkering
een stijging ondergaat.
De
Raad zal, gelet op dit verdeelde
standpunt, te zijner tijd beslissen over
aanpassing van de Dagloonregels
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, waarbij, gelet op de omstandigheid dat de meerderheid van de Raad het
standpunt van het kabinet deelt,
kan worden verwacht dat de regels in de
door het kabinet gewenste
zin worden gewijzigd.
7.
Overgangsrecht
7.1.
Inleiding
De
hoofdlijnen waarlangs het kabinet het
overgangsrecht vorm wil geven,
zijn gestoeld op de volgende redenering.
Uit
een oogpunt van rechtszekerheid is het
in principe gewenst dat op lopende
uitkeringsgevallen het oude recht van
toepassing blijft, althans het nieuwe recht niet onmiddellijk van
toepassing is. Een zekere begunstiging
van lopende gevallen vloeit hieruit
voort. In hoofdstuk 1 is uiteengezet
dat aan diep ingrijpende maatregelen
niet valt te ontkomen. Deze maatregelen
zijn van een zodanig karakter dat naar
het oordeel van het kabinet ook lopende
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen niet
ongemoeid kunnen
worden gelaten. Voorkomen moet bovendien
worden dat er een situatie
ontstaat dat er gedurende een zeer lange
periode aanzienlijk verschillen
bestaan tussen de uitkeringssituaties
van personen die overigens
in een vergelijkbare situatie verkeren.
In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens
het overgangsrecht ten aanzien van het
niveau en de tijdelijkheid
van de uitkering, alsmede ten aanzien
van het arbeidsongeschiktheidscriterium
weergegeven. Voor het overgangsrecht
voor de anticumulatieregelingen
wordt verwezen naar paragraaf
6.1.
7.2.
Niveau van de uitkering
Wat
het overgangsrecht met betrekking tot de
niveaubepalingen betreft,
wordt voorgesteld de nieuwe
leeftijdsafhankelijke uitkeringsniveaus
niet te introduceren voor personen die
op het tijdstip van inwerkingtreding
van het voorliggende wetsvoorstel 50
jaar of ouder zijn. Deze personen
krijgen dus geen loondervings- en
vervolguitkering waarvan respectievelijk
de duur en het niveau
leeftijdsafhankelijk zijn. Gedurende een
periode van vijftien jaren zullen in dit
voorstel de oude WAO-bepalingen
met betrekking tot het uitkeringsniveau
blijven gelden voor
een naar geboortedatum onderscheiden, ouder wordende en
daardoor
kleiner wordende categorie van personen.
De
leeftijd van 50 jaar is enigszins
arbitrair, maar acceptabel, mede rblz.|47|
omdat
het materieel gaat om 50- tot
58-jarigen. Personen van 58 jaar of ouder
krijgen ook in de vervolgfase immers een
uitkering die gelijk is aan 70%
van het dagloon. Het overgangsrecht
bestrijkt derhalve materieel een
periode van acht jaar. Eén en ander is
geregeld in artikel XVII
[XVII]
van
het wetsvoorstel.
In
artikel XVIII [-]
is geregeld dat verzekerden die op het tijdstip van inwerkingtreding
van de voorgestelde wetswijziging jonger
zijn dan 50 jaar,
indien zij op dat tijdstip recht hebben
op een WAO-uitkering, gedurende
een langere periode recht op hun
aanvankelijke uitkering behouden
naarmate zij op dat tijdstip een hogere
leeftijd hebben bereikt. Voorts
worden zij begunstigd ten opzichte van
personen van dezelfde leeftijd
die na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel recht
verkrijgen
op een WAO-uitkering doordat zij - na
afloop van de periode waarin
het oude uitkeringsrecht behouden blijft
- gedurende een zekere periode
aanspraak hebben op basis van een
nominaal gelijkblijvend ("bevroren",
dat wil zeggen niet-geïndexeerd)
dagloon. Deze situatie blijft
bestaan totdat het niveau van het "bevroren" dagloon gelijk is aan
het
niveau conform de nieuwe systematiek van
de wet (het vervolgdagloon).
Voor de berekening van het
vervolgdagloon wordt uitgegaan van
de leeftijd van betrokkene op het moment
van inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel.
Door
de "bevriezing" van het dagloon voor
beneden-50-jarige uitkeringsgerechtigden
wordt bewerkstelligd dat ten aanzien van
veelal langlopende, bovenminimale WAO-uitkeringen een
geleidelijke overgang naar
het structurele uitkeringssysteem wordt
bereikt.
Het
kabinet heeft bij brief van 13 september
1991 (Kamerstukken II 1990-1991.
22 187, nr. 10) aangegeven dat vanaf het
jaar dat de arbeidsongeschiktheid,
gemeten in uitkeringsjaren, in ons land
teruggebracht is tot
het niveau van eind 1989, de "bevroren" uitkeringen weer de
normale indexatie
gaan volgen vanaf dat moment.
Een
deel van de SVr, bestaande uit de
werknemersleden en één onafhankelijk
lid, wijst beleidsmatig de bevriezing
af. Vervolgens wijst dit deel
erop dat de bevriezing in strijd is met
in ieder geval de letterlijke tekst
van lAO-verdrag 121. Een ander deel van
de Raad, bestaande uit de
werkgeversleden en vijf onafhankelijke
leden, acht geen strijdigheid met
internationale verdragen aangetoond. Het
kabinet acht geen strijdigheid
met internationale verdragen aanwezig.
Voor een nadere motivering
zij verwezen naar hoofdstuk 11 over de
internationale aspecten.
Omdat
voor een drietal groepen het
uitkeringsniveau ongewijzigd blijft, is
de niveaumaatregel slechts van invloed
op de uitkering van minder dan 35% van het huidige aantal
arbeidsongeschikten.
De
drie groepen die geen nadeel ondervinden
van de niveaumaatregel zijn:
-
personen (al dan niet arbeidsongeschikt)
die op het moment van inwerkingtreding
van het voorliggende wetsvoorstel 50
jaar of ouder zijn;
-
arbeidsongeschikten met alleen een AAW-uitkering
(bijvoorbeeld vroeggehandicapten);
- WAO-ers met een uitkering gerelateerd
aan het
minimumloon.
rblz.|48|
7.3.
Arbeidsongeschiktheidscriterium
Wat
het overgangsrecht met betrekking tot
het arbeidsongeschiktheidscriterium
betreft, stelt het kabinet de volgende
uitwerking van de hiervoor weergegeven hoofdlijnen van
overgangsrecht voor.
Mensen
boven de 50 jaar [lees: Mensen van 50
jaar of ouder, red.] die op het moment van
wetswijziging recht op
een WAO-uitkering hebben, zullen niet
worden herbeoordeeld aan de hand
van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Alle
andere uitkeringsgerechtigden
die op het moment van wetswijziging een WAO-uitkering
hebben, zullen naar de opvatting van het
kabinet wel herbeoordeeld
moeten worden. Hierbij is van belang dat
een deel van deze
groep thans nog onder de werking van de
verdisconteringsbepalingen
van de AAW
en WAO van vóór 1987 valt (vroeggehandicapten
ingestroomd
vóór 1 januari 1987 en WAO-gerechtigden
ingestroomd vóór 1 januari 1987
die op die datum ouder waren dan 35
jaar). Dit betekent dat bij
deze groep nog de mogelijkheid bestaat dat de werkloosheidscomponent
wordt verdisconteerd in de
arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zonder
nadere regelgeving zou dit bij
herbeoordeling ertoe kunnen leiden dat
een werkloosheidscomponent, ten gevolge
van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium,
geen enkel gevolg heeft voor de vastgestelde
mate
van arbeidsongeschiktheid. Het kabinet
acht dit een ongewenste situatie
en stelt daarom voor artikel 52 van de
IWS voor de jonger-dan-50-jarigen te
wijzigen.
Het
kabinet realiseert zich dat bepaalde
rechten voor deze groep kunnen
worden aangetast. Ten tijde van de
stelselherziening midden jaren tachtig
is, onder invloed van de
volumeontwikkeling van destijds, besloten
tot de in dat tijdsbeeld gezien
ingrijpende maatregelen. Daar paste
een overgangsrecht bij dat nu nog steeds
geldt. Onder invloed van de
huidige volumeontwikkeling is het
kabinet, zoals aangegeven, van oordeel
dat wederom aan ingrijpende maatregelen
in de WAO niet valt te ontkomen.
Indien vastgehouden zou worden aan het
overgangsrecht uit 1987,
zou dit betekenen dat voor de groep
(mogelijk) verdisconteerden de
nu wenselijk geachte maatregelen niet
zouden gelden. Dit zou ook betekenen
dat deze groep niet zou worden
herbeoordeeld, waarmee in vele
gevallen de weg naar activering en
(oriëntatie op) reïntegratie op de arbeidsmarkt
onnodig wordt afgesloten. Het verschil
in uitkeringsrechten tussen
deze groep en de groep ten aanzien van
wie niet verdisconteerd wordt,
zou daarnaast dan weer groter worden.
Uit een oogpunt van rechtsgelijkheid
acht het kabinet dit niet gewenst.
Hierbij dient nog bedacht
te worden dat verdisconteerden die op
het moment van wetswijziging
50 jaar of ouder zijn, blijven vallen
onder het overgangsrecht uit 1987
en derhalve de mogelijkheid van
verdiscontering behouden.
De
groep die de mogelijkheid van
verdiscontering verliest, is op dit moment
tussen de 40 en 50 jaar (met
uitzondering van de vroeggehandicapten,
zij kunnen jonger zijn dan 40 jaar).
Gezien de verderop in deze paragraaf
voorgestelde cohortsgewijze verdeling
naar leeftijd van de herbeoordeling
zou de groep verdisconteerden voor het
eerst herbeoordeeld
worden in 1995, doorlopend naar 1996 en
1997 (uitgaande van inwerkingtreding
van het wetsvoorstel op 1 januari 1993).
Dit betekent dat
de groep verdisconteerden uiteindelijk
een overgangsrecht stelselherziening
heeft gehad van feitelijk, afhankelijk
van hun leeftijd, acht tot tien jaar.
Hiernaast is in het wetsvoorstel, als
extra stimulans voor deze groep,
de mogelijkheid tot een beroep op de stimuleringsuitkering (zie
hoofdstuk 8) opgenomen.
rblz.|49|
De
SVr heeft zich ook uitgesproken over de
herbeoordeling van de personen
die bij het van kracht worden van de wet
reeds arbeidsongeschikt
zijn. Een deel van de Raad, de FNV-leden,
wijst deze eenmalige herbeoordeling
van beneden-50-jarigen af vanwege de
hiermee gepaard gaande
extra uitvoeringskosten, de gevolgen
voor de reïntegratieactiviteiten
ten aanzien van nieuwe instromers en de
twijfel die er is ten aanzien
van de effectiviteit. Een ander deel van
de Raad, bestaande uit
CNV-
en MHP-leden en één onafhankelijk lid,
wil de herbeoordelingsoperatie
wel door laten gaan, maar wil de
uitvoering meer ruimte bieden door
de vroeggehandicapten uit te zonderen
van de herbeoordeling en de
herbeoordeling van de overige uitkeringsgerechtigden te beperken tot
de
jonger-dan-40-jarigen. Hiernaast doet
dit deel de suggestie de herbeoordelingstermijn
te verlengen tot zes jaar. Het (extra)
eerste jaar zou de uitvoering
dan moeten gebruiken om haar
personeelsbestand aan te passen
aan de nieuwe werklast (aantrekken van
nieuw personeel, omscholen
van zittend personeel, enz.). De
meerderheid van de Raad, bestaande
uit de werkgeversleden en vijf
onafhankelijke leden, onderschrijft
de herbeoordelingsoperatie en vindt dat
in overleg met de uitvoeringsorganen
een oplossing zal moeten worden gezocht
voor de eerste periode
als de uitvoering nog niet is ingespeeld
op het extra werkaanbod. Voor
zover de Raad akkoord gaat met de
herbeoordelingsoperatie, stemt hij
in met de kabinetssuggestie de
herbeoordeling cohortsgewijs te laten verlopen,
te beginnen met de jongste
leeftijdscategorie. Men wijst uitdrukkelijk
op de wenselijkheid van een symmetrische
herbeoordelingsoperatie.
Het
standpunt van de SVr over de
herbeoordeling is derhalve zeer divers
en verdeeld. Beleidsmatig gezien vindt
het kabinet het niet juist gedurende
een zeer groot aantal jaren twee
uitkeringssystemen naast elkaar
te laten bestaan. Eerder is reeds gezegd
dat het kabinet de leeftijd van
50 jaar acceptabel vindt om een grens te
trekken. Derhalve handhaaft
het kabinet zijn voorstel tot een
herbeoordeling van alle personen
die op het moment van wetswijziging een
arbeidsongeschiktheidsuitkering
hebben en jonger zijn dan 50 jaar. Ook
wil het kabinet vasthouden
aan de herbeoordelingstermijn van vijf
jaar. In overleg met de
uitvoeringsorganen zal moeten worden
bezien of hiervoor extra capaciteit
nodig is dan wel of de bestaande
capaciteit op een andere manier
dient te worden ingezet. Het kabinet zal
de SVr verzoeken hier op korte
termijn een inventarisatie voor te
maken. Ook hier geldt dat naast de
herbeoordeling op het nieuwe criterium
nadrukkelijk aandacht dient te worden
besteed aan de
reïntegratiemogelijkheden.
De
Raad wijst er vervolgens op dat nu het
wetsvoorstel uitgaat van vaste
herbeoordelingstermijnen van maximaal
vijf jaar, het kan voorkomen
dat een beslissing over de tijdelijkheid
van de uitkering moet worden
verzonden terwijl nog geen
herbeoordeling heeft kunnen plaatsvinden.
De Raad geeft aan dat het niet helemaal
valt uit te sluiten dat de uitvoeringsorganisatie
de herbeoordelingen niet heeft afgerond
binnen de
periode van vijf jaar. De Raad wijst
erop dat in tegenstelling tot de herbeoordelingsoperatie
ten tijde van de stelselherziening geen mogelijkheid
in de wet is opgenomen om bij ministeriële regeling
verlenging
van de termijn van vijf jaar te
realiseren. Het kabinet is van mening
dat er alles aan gedaan moet worden om
de herbeoordeling binnen
de gestelde termijn te voltooien. Nu al
uitgaan van de mogelijkheid
om de vijfjaarstermijn te verlengen, ligt
niet in de rede. De uitvoering
van de maatregelen in de komende jaren
zal voortdurend bijzondere
aandacht vergen. Indien grote problemen
rijzen, zal het kabinet
in overleg met de SVr en de
uitvoeringsorganen tot oplossingen zien
te komen. Hierbij zou de aandacht zich
primair kunnen richten op het
beperken van de activiteiten in relatie
tot die herbeoordelingen rblz.|50|
waarvan
naar verwachting een beperkter
activerende werking naar de arbeidsmarkt
uitgaat.
Het
kabinet kan zich overigens voorstellen
dat de herbeoordeling qua intensiteit
van persoon tot persoon verschilt. De
herbeoordeling van bijvoorbeeld een vroeggehandicapte die reeds 20 jaar
medisch volledig arbeidsongeschikt
is, zal minder werk met zich meebrengen
dan een volledig arbeidsongeschikte die
één jaar uit het
arbeidsproces is. Door een
dergelijke afweging te maken tussen
personen of groepen van personen
kan aandacht worden besteed aan degenen
voor wie begeleiding
en bemiddeling de arbeidskansen kunnen
vergroten.
Het
kabinet stelt dus voor om via een
cohortsysteem op basis van leeftijd
de arbeidsongeschikten jonger dan 50
jaar te herbeoordelen. Gezien
de wens van de uitvoering van een
symmetrische verdeling, dat wil
zeggen elk jaar eenzelfde aantal
herbeoordelingen, betekent dit een verdeling
naar leeftijdscohorten, die niet steeds
hetzelfde aantal leeftijdsjaren
bevatten.
De
herbeoordeling betreft in totaal een
groep van 413 000 uitkeringsgerechtigden.
Deze groep zal uit een oogpunt van
rechtszekerheid binnen
een redelijke termijn moeten worden
herbeoordeeld. Bij ministeriële
regeling zal worden aangegeven in welke
volgorde de verschillende groepen uitkeringsgerechtigden zullen worden
herbeoordeeld; de leeftijd zal
hierbij als uitgangspunt dienen. In
onderstaand overzicht wordt het herbeoordelingsbestand
naar leeftijd uitgesplitst. Voor de
volledigheid wordt
in het overzicht ook de herbeoordeling
van Abp- [Abp-wet: Algemene burgerlijke
pensioenwet, red.], Spf- [lees: Spw-gerechtigden [Spw:
spoorwegpensioenwet], red.] en Amp-gerechtigden [Amp-wet: Algemene
militaire pensioenwet, red.] betrokken (een uitwerking van
maatregelen voor de overheidssector
is opgenomen in hoofdstuk 9 van deze
memorie).
Tabel 1. Overzicht leeftijdsopbouw AAW/WAO-bestand
naar uitvoeringsorgaan (ultimo
1991; x 1000 personen):
| Leeftijdxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
GMD
¹ |
ABP
² |
Totaal |
| <19
jaar |
xx5 |
x0 |
xx5 |
| 20-24
jaar |
x25 |
x0 |
x25 |
| 25-29
jaar |
x40 |
x1 |
x41 |
| 30-34
jaar |
x52 |
x3 |
x55 |
| 35-39
jaar |
x67 |
x6 |
x73 |
| 40-44
jaar |
x93 |
10 |
103 |
| 45-49
jaar |
x99 |
12 |
111 |
| Totaal
herbeoordeelden |
381 |
32 |
413 |
| 50-65
jaar |
424 |
63 |
487 |
| Totaal |
805 |
95 |
900 |
1.
WAO-ers, AAW-zelfstandigen en AAW
vroeggehandicapten.
2. ABP inclusief Spf en Defensie.
Uit
dit totaaloverzicht blijkt dat de
aantallen toenemen naar mate de leeftijd
stijgt. Gedacht kan worden aan een
prioritering in vijf leeftijdsgroepen, bijvoorbeeld: 15-30 jaar, 31-37 jaar,
38-42 jaar, 43-46 jaar en 47-49
jaar.
Indien
de herbeoordelingoperatie vijf jaar in
beslag neemt, zal een aantal
arbeidsongeschikten niet meer
uitkeringsgerechtigd zijn - vanwege bijvoorbeeld herstel - voordat de
herbeoordeling plaatsvindt. De
groep die feitelijk moet worden
herbeoordeeld, heeft dus een meer beperkte
omvang en wordt geschat op circa 300 000
personen. De herbeoordelingsoperatie
kan derhalve in vijf jaar geëffectueerd
zijn indien per jaar circa
60 000 uitkeringsgerechtigden door
alle uitvoeringsorganen tezamen
kunnen worden herbeoordeeld.
rblz.|51|
Het
kabinet realiseert zich dat één en ander
een extra inspanning vergt van
de uitvoeringsorganisatie, die ook wordt
aangesproken op haar verantwoordelijkheid
om nieuwe arbeidsongeschikten te
beoordelen en door
middel van een intensievere bemiddeling
en begeleiding van deze betrokkenen
de arbeidsmarktparticipatie te
realiseren. Eerder in deze paragraaf
werd al aangegeven dat indien grote
problemen rijzen, het kabinet
in overleg met de SVr en de
uitvoeringsorganen tot oplossingen zal
zien te komen. In hoofdstuk 12 wordt
uitvoeriger ingegaan op de gevolgen
van het onderhavige wetsvoorstel voor de
uitvoeringsorganen.
7.4. Tijdelijke uitkering en
periodieke beoordeling
Voor bepaalde groepen wordt
met betrekking tot de periodieke beoordeling ook overgangsrecht
gecreëerd.
Zoals eerder in deze memorie
van toelichting aangegeven, worden drie vaste tijdstippen van
beoordeling van arbeidsongeschiktheid voorgesteld:
1. de beoordeling vóór
toetreding tot de AAW
en WAO die plaatsvindt in het ZW-jaar;
2. de beoordeling binnen één
jaar na aanvang van de arbeidsongeschiktheidsuitkering;
3. de beoordeling binnen vijf
respectievelijk drie jaar na aanvang van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Naast deze maximale
termijnen kan het uitvoeringsorgaan een betrokkene uiteraard ook op
andere tijdstippen oproepen om te bezien of er eventueel verandering in de mate van arbeidsongeschiktheid is
opgetreden.
Ten aanzien van de eerste
hierboven bedoelde beoordeling is overgangsrecht noodzakelijk
ten aanzien van personen die ten tijde van inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel een
ZW-uitkering ontvangen en daarna
in de WAO/AAW komen.
Teneinde ook de uitvoering een zekere tijd
te geven voor het versturen van de kennisgeving is gekozen voor een
termijn van zes maanden. Dit betekent dat personen die op het moment
van inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel een ZW-uitkering ontvangen en binnen
zes maanden een beroep doen op de
WAO/AAW, geen aanvraag behoeven te doen, maar ambtshalve hun uitkering krijgen toegekend.
De hierboven bedoelde tweede
beoordeling wordt alleen verricht voor personen die na
inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel in de WAO/AAW komen. Omdat de
(eventueel) verstrekte uitkeringen na herbeoordeling op het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium zijn te beschouwen als voortgezette
uitkeringen, zal na de herbeoordeling niet weer binnen één jaar een
herbeoordeling plaats moeten vinden, zoals bij nieuwe arbeidsongeschikten
wel dient te gebeuren.
De derde beoordeling geldt
voor alle arbeidsongeschikten, uitgezonderd diegenen die 50 jaar
of ouder zijn bij inwerkingtreding van het voorliggende
wetsvoorstel. Deze laatste groep wordt immers ook niet
herbeoordeeld op het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. De termijn voor de
tijdelijkheid van de uitkering van vijf jaar begint, voor degenen die op de dag van
inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel
arbeidsongeschikt zijn, te lopen zodra de herbeoordeling op het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium heeft plaatsgevonden (zie
paragraaf 7.4). Personen die
in de WAO/AAW komen na datum inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel krijgen, ongeacht hun leeftijd (ouder of jonger
dan 50 jaar), direkt hun uitkering voor een tijdelijke periode van
vijf/drie jaar toegekend.
rblz.|52|
8. Stimuleringsmaatregel
8.1. Inleiding
Een meerderheid van
de
SER heeft in juli 1991 geadviseerd tot
het introduceren van een arbeidsparticipatiebevorderende maatregel voor
een groep van boven-50-jarige arbeidsongeschikten. De groep zou - aldus
de SER - de mogelijkheid kunnen krijgen om met behoud van 40% van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering een werkkring te aanvaarden. Het
financiële voordeel dat hieruit voortvloeit, zou een prikkel opleveren
voor deze groep mensen (die niet onder het regime van de gewijzigde
arbeidsongeschiktheidsregelingen
valt) om zich ook in de uitkeringssituatie te blijven oriënteren op
mogelijke herintreding in het arbeidsproces. Aangezien het kabinet de
wenselijkheid van een dergelijke stimuleringsmaatregel onderschrijft, is
in het wetsvoorstel, zoals het aan de
SVr ter advisering is voorgelegd, een zodanige regeling opgenomen. In
dit voorstel is de doelgroep zoals de SER voor ogen stond enerzijds
beperkt tot de boven-50-jarigen die reeds vanaf 1 januari 1990
onafgebroken een WAO-uitkering ontvangen en
anderzijds uitgebreid met de zogenaamde verdisconteringsgevallen, te
weten personen die reeds vóór 1 januari 1987 een
AAW/WAO-uitkering
ontvingen en toen ouder waren dan 35 jaar. Op deze groep zijn de vóór
1 januari 1987 geldende bepalingen van de AAW/WAO, volgens welke bij de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening werd
gehouden met de door die arbeidsongeschiktheid verminderde gelegenheid
tot het aanvaarden van werk, van toepassing gebleven.
Voorts was in de voorgestelde regeling met
betrekking tot de hoogte van de stimuleringsuitkering aangesloten bij
het bedrag dat op de uitkeringslasten wordt bespaard als gevolg van het
gedeeltelijk hervatten van de arbeidsongeschikte. De voorwaarde dat de
hervatting ook tot daadwerkelijke afschatting zou leiden, behoefde
daarbij niet te worden gesteld. Het voorstel voorzag in uitbetaling aan
de betrokkene van 60% van de bespaarde uitkeringslasten.
8.2.
Advies SVr
De
werkgeversvertegenwoordigers in de SVr en een viertal onafhankelijke
leden hebben zich tegen het invoeren van een stimuleringsuitkering
uitgesproken. Zij achten het niet in overeenstemming met het karakter
van een loondervingsuitkering om een (extra) uitkering te verstrekken
aan personen die - geheel volgens de bedoelingen van de wet - hun
restcapaciteit gaan aanwenden voor het verrichten van arbeid. Dit
standpunt werd gedeeld door de voorzitter van de Raad, zij het dat deze
hierbij aantekende dat wanneer een zodanige regeling zou worden
ingevoerd, hij geen leeftijdscriterium zou willen doen gelden, maar de
duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, c.q. het niet meer
deelnemen aan het arbeidsproces, bepalend wil doen zijn om voor een
dergelijke uitkering in aanmerking te komen. De
werknemersvertegenwoordigers en één onafhankelijk lid gaven aan
wel voorstander van een dergelijke maatregel te zijn, maar wensten ook
het recht daarop niet te koppelen aan de leeftijd, maar aan een
voorafgaande uitkeringsduur van drie jaar c.q. aan het niet beschikbaar
voor de arbeidsmarkt zijn geweest gedurende drie jaar.
Voorts wordt in het SVr-advies een aantal min
of meer technische aanpassingen voorgesteld, zoals opneming van een
bepaling inzake het ontstaan van het recht op een stimuleringsuitkering.
Voorts zal een speciale regeling moeten worden getroffen in geval van
overlijden van de betrokkene tijdens de uitkering. In de artikelsgewijze toelichting
zal op deze laatste punten nader worden ingegaan.
rblz.|53|
8.3.
Standpunt kabinet
De redengeving voor
het treffen van een stimuleringsuitkering is gelegen in de omstandigheid
dat met name ouderen, die ook worden uitgezonderd van de nieuwe
maatregelen, een extra prikkel krijgen om een werkkring te aanvaarden.
De leeftijd van 50 jaar of ouder is ingevoerd omdat die groep niet aan
het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium wordt getoetst. De andere
categorie, te weten de zogenaamde verdisconteringsgevallen, kan
weliswaar jonger-dan-50-jarigen betreffen, doch dit is een categorie die
in ieder geval ouder is dan 40 en reeds langer dan vijf jaar uitkering
heeft.
Bovendien wordt deze groep, weliswaar op
termijn, getroffen door cumulatie van twee maatregelen, te weten het
vervallen van de verdiscontering en invoering van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. De totale doelgroep bestaat uit circa
500 000 personen, die het contact met de arbeidsmarkt geruime tijd
hebben verloren en nauwelijks worden gestimuleerd om zich weer te
oriënteren op de arbeidsmarkt.
Derhalve is er reden genoeg de invoering van de
maatregel te entameren en wel voor de twee betrokken doelgroepen.
Aantasting van het karakter van de WAO,
zoals de werkgeversvertegenwoordigers noemen, is door beperking van de
doelgroep in ieder geval niet aannemelijk. Dit zou wel het geval zijn
als de regeling zou worden uitgebreid tot al degenen die reeds langer
dan drie jaar arbeidsongeschikt zijn.
8.4.
Inhoud van de maatregel
Zoals in het
vorenstaande vermeld, geldt de stimuleringsmaatregel in de eerste plaats
voor personen van 50 jaar of ouder op de datum van inwerkingtreding van het voorliggende
wetsvoorstel. Voor hen geldt tevens de voorwaarde dat een
onafgebroken recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering bestaat sinds 1
januari 1990. Voorts geldt zij voor de eerdergenoemde
verdisconteringsgevallen. Deze personen zullen in het algemeen relatief
laat met de nieuwe WAO-bepalingen te maken
krijgen. Welke personen in de overheidssector aanspraak kunnen maken op
een stimuleringsuitkering komt in hoofdstuk 9 aan de
orde.
Indien een arbeidsongeschikte die tot de
hiervoor bedoelde doelgroepen behoort, in de periode van 1 februari 1992
tot 1 februari 1994 (meer) arbeid gaat verrichten en het verrichten van
die arbeid leidt tot vermindering van de
AAW-
of WAO-uitkering, heeft hij recht op een stimuleringsuitkering. Die
uitkering bedraagt 60% van de in verband met de hervatting bespaarde
uitkeringslasten. Onder de uitkeringslasten wordt in dit verband tevens
verstaan de toeslag op grond van de Toeslagenwet.
Indien wordt voldaan aan de voorwaarden, krijgen de betrokkenen
gedurende een periode van drie jaar na werkhervatting een jaarlijkse
uitkering ineens. Die uitkering is gerelateerd aan het door de
werkhervatting in het aan de uitbetaling voorafgaande jaar bespaarde
uitkeringsbedrag. Het spreekt overigens voor zich dat gedurende de
periode dat de betrokkene arbeidsinkomsten verwerft, de reguliere
praktijk met betrekking tot afschatting en anticumulatie wordt gevolgd.
De stimuleringsuitkering zal niet worden
aangemerkt als inkomen in de zin van TW, Ioaw, Ioaz en ABW [Toeslagenwet,
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen en Algemene Bijstandswet, red.]. Gelet op het
doel van de stimuleringsuitkering - de reïntegratie op de arbeidsmarkt
- zou het niet terecht zijn wanneer deze bij uitbetaling in het kader
van de inkomenstoets zou worden afgeroomd. Overigens bestaat de
verwachting dat gevallen van samenloop tussen TW, Ioaw, Ioaz of ABW
enerzijds en uitbetaling van een stimuleringsuitkering anderzijds
zeldzaam zullen zijn. Om elk mogelijk misverstand te voorkomen, acht het
kabinet het echter gewenst één en ander bij wet vast te leggen.
rblz.|54|
Het kabinet stelt, zoals
reeds aangegeven, voor werkhervatting van de afgebakende doelgroep met
terugwerkende kracht vanaf 1 februari 1992 te honoreren met de stimuleringsuitkering.
Zoals gezegd, is het kabinet
van mening dat de stimuleringsmaatregel in eerste instantie voor een
periode van twee jaar wordt ingevoerd (1 februari 1992 - 1
februari 1994). Deze afgebakende, relatief korte, periode acht het kabinet
gewenst gezien de onzekerheid ten aanzien van de effectiviteit van deze
nieuwe maatregel. Gedurende de genoemde periode kan de effectiviteit
worden geëvalueerd. Indien de regeling in hoge mate tot hervatting
leidt, kan tot verlenging worden besloten.
9.
Doorvertaling WAO-maatregelen naar overheidssector
9.1.
Inleiding
In paragraaf 1.4
is reeds in algemene zin ingegaan op de doorvertaling van de WAO-maatregelen
naar de overheidssector. Het onderhavige hoofdstuk bevat een toelichting
op de wijze waarop de vertaling heeft plaatsgevonden.
In
de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet zijn de
algemeen geldende aanspraken geregeld inzake arbeidsongeschiktheid voor
(gewezen) ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet
(niet uitsluitend degenen die in overheidsdienst zijn aangesteld, maar
ook degenen die op basis van een arbeidsovereenkomst in overheidsdienst
werkzaam zijn, alsmede werknemers in het bijzonder onderwijs en andere
aangewezen privaatrechtelijke organisaties) en deelgenoten in de zin van
de Spoorwegpensioenwet.
De Algemene militaire pensioenwet bevat een
analoge regeling voor (gewezen) beroepsmilitairen. Na vastgestelde
blijvende ongeschiktheid voor het vervullen van de eigen functie en een
ontslag uit dien hoofde volgt toekenning van een invaliditeitspensioen.
Bij de vaststelling van de hoogte van het invaliditeitspensioen wordt
primair uitgegaan van een andere norm dan die welke voor de marktsector
geldt. In beginsel wordt uitgegaan van het inverdiend pensioen, dat wil
zeggen het ouderdomspensioen dat de geïnvalideerde ambtenaar c.q.
deelgenoot of militair op de datum van ontslag zou hebben ontvangen
indien hij op dat moment 65 jaar zou zijn geweest, in casu op basis van
de op datum ontslag feitelijk opgebouwde diensttijd. Dit inverdiend
pensioen is derhalve afhankelijk van de voor pensioen geldende
diensttijd, het "eindloon" en het pensioenpercentage (1,75%
per dienstjaar). Er is dus, anders dan in de AAW/WAO,
bij het inverdiend pensioen geen relatie met de mate van algemene
arbeidsongeschiktheid.
In
aanvulling op het inverdiend pensioen geldt de garantie dat de
belanghebbende niet minder ontvangt dan waar hij ingevolge de WAO-norm
recht op zou hebben. Dit betekent dat hij, afhankelijk van de mate van
algemene arbeidsongeschiktheid, een invaliditeitspensioen ontvangt dat
overeenkomt met een bepaald percentage van zijn laatstgenoten inkomen.
Deze garantie wordt in voorkomend geval gerealiseerd door de
belanghebbende een aanvulling te geven op zijn inverdiend pensioen.
Bij
de berekening van deze aanvulling wordt de WAO-systematiek
gevolgd. Het inverdiend invaliditeitspensioen wordt in voorkomend geval
aangevuld tot een met de WAO-norm overeenkomstig niveau. Bedraagt het
inverdiend invaliditeitspensioen reeds meer dan dat WAO-niveau, dan
blijft de aanvulling uiteraard achterwege. In tegenstelling tot een rblz.|55|
WAO-uitkering bestaat het
pensioen veelal uit twee delen: het inverdiend invaliditeitspensioen en de
aanvulling. Uitsluitend de aanvulling is vergelijkbaar met een
WAO-uitkering; het inverdiend pensioen is te beschouwen als een
arbeidsvoorwaardelijk onderdeel van het invaliditeitspensioen. Doorwerking
van de wijzigingen in de WAO dient derhalve beperkt te blijven tot de
aanvulling.
Het
standpunt van het ABP dat het voorliggende wetsvoorstel
in samenhang met andere maatregelen dient te worden bezien, wordt
onderschreven. Dit mag evenwel niet ten koste gaan van het uitgangspunt
dat dezelfde maatregelen voor alle werknemers in de marktsector en bij
de overheid moeten worden getroffen.
Gezien de strekking van dit wetsontwerp kunnen
dan ook slechts onderwerpen aan de orde komen die een directe relatie
hebben met de WAO-maatregelen. Overige
aangelegenheden blijven buiten beschouwing. Dit laatste geldt met name
ten aanzien van een aantal onderwerpen dat thans in het kader van de
zogenaamde reparatiewetgeving aan de orde is. Het advies van zowel het
ABP als het Spf om deze reparatiewetgeving in het onderhavige wetsvoorstel
op te nemen, wordt dan ook niet gevolgd.
De
doorvertaling van de
WAO-wijzigingen heeft zo letterlijk mogelijk
plaatsgevonden. Daar waar dit op grond van verschillen in systematiek
niet mogelijk was, zijn de overheidsregelingen zodanig aangepast dat een
in materieel opzicht zoveel mogelijk overeenkomstig resultaat is
bewerkstelligd. De voorgestelde maatregelen betreffen:
- een wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium in de Algemene
burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire
pensioenwet;
- de invoering van een sanctie in het geval de gepensioneerde zonder
redelijke gronden weigert deel te nemen aan een wenselijk geachte
opleiding of scholing of daaraan onvoldoende medewerking verleent;
- het na een zekere periode verlagen van de hoogte van het bedrag van de
aanvulling van het invaliditeitspensioen;
- het beperken van de duur van de aanvulling tot maximaal vijf/drie
jaar, waarbij verlenging op verzoek mogelijk is;
- het bieden van een verhoging voor belanghebbenden aan wie een
invaliditeitspensioen is toegekend dat minder bedraagt dan het
minimumloon;
- het mogelijk maken van samenloop van een invaliditeitspensioen met een
ontslaguitkering;
- het bieden van een stimuleringsuitkering voor een nader omschreven
groep algemeen invaliden;
- het aanpassen van het herplaatsbaarheidscriterium aan het
arbeidsongeschiktheidscriterium.
In de hierna volgende
paragrafen worden deze voorstellen toegelicht.
9.2.
Wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium
Deze wijziging houdt
in dat
er bij het aangeven van de arbeid welke iemand nog kan verrichten
geen rekening meer mee wordt gehouden of die arbeid met het oog op
opleiding en vroeger beroep in billijkheid is op te dragen en of betrokkene
die arbeid feitelijk kan verwerven. Voorts wordt bij het bepalen van de
resterende verdiencapaciteit uitgegaan van verdiensten uit alle
algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten
en bekwaamheden in staat is. Tevens is bepaald dat de
arbeidsongeschiktheid het rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte
of gebreken dient te zijn.
rblz.|56|
Per 1 januari 1987 zijn de
AAW
en de WAO zodanig gewijzigd dat de
verdiscontering van werkloosheid op grond van die wetten niet meer
mogelijk is. Ingevolge de Algemene burgerlijke pensioenwet, de
Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet bleef
verdiscontering van werkloosheid na die datum mogelijk. Bij de
parlementaire behandeling van de wetten inzake de stelselherziening per
1 januari 1987 is aan de Eerste Kamer toegezegd dat de
verdisconteringsbepalingen in de overheidspensioenwetten zouden
vervallen (Kamerstukken I 1985-1986 19 261, nr. 25, blz. 37). Deze
toezegging is in het kader van dit wetsvoorstel
gerealiseerd. Van belang is hierbij dat bij de toepassing van de
Algemene burgerlijke pensioenwet van de mogelijkheid tot verdiscontering
weinig gebruik is gemaakt. De reden hiervan is gelegen in het systeem
van herplaatsbaarverklaring. Ingevolge dit systeem zal degene die
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en nog een behoorlijke
verdiencapaciteit heeft meestal in het herplaatsingssysteem worden
opgenomen. Verdiscontering van werkloosheid ter vaststelling van een
mate van algemene invaliditeit is dan niet aan de orde. Indien een
ambtenaar niet herplaatsbaar wordt verklaard, zal hij in het algemeen
niet beschikken over enig resterend verdienvermogen. In dat geval zal
veelal reeds zonder verdiscontering van werkloosheid indeling
plaatsvinden in de hoogste klasse algemene invaliditeit.
9.3.
Invoering van een sanctie bij geen of onvoldoende medewerking
In de gevallen waarin de
betrokkene zonder redelijke gronden weigert deel te nemen aan een
wenselijk geachte opleiding of scholing of daaraan onvoldoende medewerking verleent, zal er bij de vaststelling van
de mate van algemene
invaliditeit van worden uitgegaan dat die scholing of opleiding is afgerond.
9.4.
Het na een zekere periode verlagen van de aanvulling van het
invaliditeitspensioen
In algemene zin is deze
problematiek aan de orde gekomen in hoofdstuk 1. Daar is
uitgebreid ingegaan op de achtergronden en de systematiek. Bij de
uitwerking van deze systematiek voor de overheidsregelingen wordt het
onderscheid geïntroduceerd tussen de middelsom als berekeningsbasis voor het
inverdiende invaliditeitspensioen en de aanvullingsgrondslag als
berekeningsbasis voor de aanvulling. Gedurende een eerste fase wordt de
aanvullingsgrondslag gesteld op de middelsom. De duur van deze fase is
afhankelijk van de leeftijd van de betrokkene op de datum met ingang waarvan hem
invaliditeitspensioen werd toegekend. Aansluitend wordt de hoogte
van de aanvullingsgrondslag bepaald aan de hand van de leeftijd van
de betrokkene op de datum van ingang van zijn invaliditeitspensioen
en door het verschil tussen de middelsom waarnaar zijn pensioen is
berekend en het
minimumloon.
Het
ABP wijst in het advies op de gevolgen van de voorgestelde maatregelen
voor de aan een herplaatste ambtenaar toegekende herplaatsingstoelage.
De som van het salaris en de herplaatsingstoelage is gebonden aan een
maximum ter grootte van het invaliditeitspensioen dat zou zijn toegekend
indien betrokkene niet zou zijn herplaatst. De introductie van lagere
aanvullingsgrondslag in de vervolgfase leidt tot een lager
invaliditeitspensioen. Dit werkt evenredig door naar de
herplaatsingstoelage. Dit maakt de uitvoeringspraktijk van de
herplaatsingstoelage aanmerkelijk complexer en bewerkelijker. In verband
met de mogelijkheid van een verandering in de mate van algemene
invaliditeit deed zich de mogelijkheid van verandering van de
herplaatsingstoelage rblz.|57|
overigens reeds voor. Het ABP onderkent in het advies een
contraproductief effect op de reïntegratieactiviteiten doordat de
uitkeringen na verloop van tijd een verlaging ondergaan. Dit effect
strookt niet met het oogmerk van het voorliggende
wetsvoorstel.
In dit verband wordt het volgende opgemerkt.
Het kabinet onderschrijft de constatering dat
de voorgestelde maatregelen effecten hebben voor onder andere de
herplaatsingstoelage. De met de herplaatsingstoelageregeling beoogde
bepaling - niet meer te genieten dan aan invaliditeitspensioen zou zijn
genoten - blijft evenwel onverkort bestaan. Compensatie van dit effect
is in het kader van de doorvertaling evenwel niet aan de orde. Het
advies wordt dan ook niet gevolgd.
9.5.
Het van rechtswege beperken van de duur van de aanvulling tot vijf/drie
jaar
Hier wordt verwezen naar de
toelichting in paragraaf 3.3.4.
De duur van de aanvulling
wordt van rechtswege beperkt tot vijf/drie jaar. Na het verstrijken van
deze periode dient de betrokkene verlenging voor opnieuw vijf/drie jaar
aan te vragen. Aan deze verlenging is een aantal procedurele
voorschriften verbonden. Binnen één jaar na de eerste toekenning van een
aanvulling moet worden bezien of er gronden aanwezig zijn die aanleiding
kunnen vormen tot herziening of intrekking van de aanvulling.
9.6.
Het bieden van een verhoging voor belanghebbenden aan wie een
invaliditeitspensioen is toegekend dat minder bedraagt dan het
minimumloon
Arbeidsongeschikte
werknemers in de marktsector hebben, indien zij voldoen aan de daartoe
gestelde voorwaarden, aanspraak op een aanvullende uitkering tot het relevante sociale minimuminkomen op grond van
de Toeslagenwet (TW, Stb.
1987, 91). Voor geïnvalideerde ambtenaren geldt dit echter niet omdat
de TW niet van toepassing is. Er dient dan ook op andere
wijze in te worden voorzien.
In voorkomend geval zal het
invaliditeitspensioen tot de 65-jarige leeftijd in beginsel worden
verhoogd tot het
minimumloon. De verhoging bedraagt evenwel niet meer dan het verschil tussen het invaliditeitspensioen en de middelsom
waarnaar deze is berekend. Dit verschil mag niet meer bedragen dan maximaal
30% van het minimumloon. Het betreft hier in wezen een
overeenkomstige toepassing van de TW, zij het dat geen rekening wordt gehouden
met de gezinssituatie van betrokkene, zowel wat betreft
samenstelling als inkomsten.
Volgens het ABP-advies blijkt er onduidelijkheid te bestaan over de
vraag hoe de nieuwe artikelen F 9a en F9b zich verhouden
tot de reeds bestaande garantieregeling van artikel F 9, negende lid,
Abp-wet [Algemene burgerlijke pensioenwet,
red.]. Daarbij rijst de vraag of dit laatste artikel nog een
zelfstandige functie kan vervullen.
Het kabinet is van mening dat de voorgestelde
maatregelen zoveel mogelijk beperkt dienen te blijven tot de met de WAO
overeenkomstige overheidsregelingen en zo min mogelijk een aantasting
mogen betekenen van de specifiek voor het overheidspersoneel geldende
normen. De bestaande garantieregeling van artikel F 9, negende lid,
Abp-wet is een voorbeeld van een dergelijke norm. Het kabinet neemt zich
voor deze garantieregeling binnenkort in een ander kader aan de orde te
stellen.
rblz.|58|
9.7.
Het mogelijk maken van samenloop van een invaliditeitspensioen met een
ontslaguitkering
Als gevolg van de hiervoor
genoemde maatregelen zal in toenemende mate een lagere graad van
algemene invaliditeit worden vastgesteld. Dit betekent een toename van het
volume gedeeltelijk algemeen invaliden en daarmee eveneens
gedeeltelijk werklozen. Indien er sprake is van gedeeltelijke werkloosheid, dient
met het oog op marktconformiteit een beroep te kunnen worden gedaan op
een werkloosheidsregeling.
Voor het spoorwegpersoneel
bestaan reeds op vrijwillige basis, op grond van het eigen
reglement, aanspraken die materieel overeenkomen met de aanspraken op grond
van de WW en de TW. Voor het overige
overheidspersoneel ontbreken deze echter. Voor dat personeel wordt de
samenloop van invaliditeitspensioen met wachtgeld mogelijk gemaakt.
Hiertoe zullen ook de desbetreffende ambtelijke
ontslaguitkeringsregelingen moeten worden gewijzigd. Teneinde ongewenste
cumulatie te voorkomen, wordt een plafond gesteld aan de gecumuleerde
uitkeringen. Voor zover dit wettelijke regeling behoeft, wordt dit meegenomen in
dit wetsvoorstel. Voor het overige zal
regeling daarvan in de
diverse rechtspositionele regelingen plaatsvinden. Daarbij zal worden geregeld
dat het wachtgeld tot betaling kan komen in evenredigheid met de
arbeidsgeschiktheid. Voorts zal worden geregeld dat de som van het
invaliditeitspensioen en het wachtgeld 70% van het laatstgenoten inkomen niet
te boven gaat.
Deze cumulatie kan niet
langer plaatsvinden dan tot het moment dat de wachtgelduitkering zal
worden beëindigd indien van de fictie wordt uitgegaan dat op de datum
van ingang van het invaliditeitspensioen de desbetreffende ambtenaar is
ontslagen met recht op wachtgeld.
In
het advies wijst het ABP op het feit dat het scheppen van een
mogelijkheid van samenloop van invaliditeitspensioen met wachtgeld een
verstrekkende wijziging voor de ABP-uitvoeringspraktijk betekent.
Aangezien deze samenloop slechts voor een beperkte groep van personen
van belang is, namelijk voor gedeeltelijk algemeen invaliden die slechts
geschikt zijn voor het vervullen van een passende betrekking voor minder
dan de helft van een gebruikelijke arbeidsweek, wijst men deze bepaling
op grond van kosten-batenoverwegingen af. Volgens het ABP kan het
beoogde resultaat ook worden bereikt zonder dat de systematiek van de
Abp-wet wordt doorbroken door een uitbreiding van het Besluit
aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering (Koninklijk besluit van 19
juli 1974, Stb. 1974, 480).
In dit verband wordt het volgende opgemerkt.
In verband met het schrappen van de
mogelijkheid werkloosheid te verdisconteren in de mate van algemene
invaliditeit is, in afwachting van een structurele regeling, de
samenloop van wachtgeld en invaliditeitspensioen mogelijk gemaakt. De
gedeeltelijk algemeen invalide ambtenaar geniet in navolging van een
vergelijkbare werknemer in de marktsector een uitkering vanuit een
werkloosheidsregeling. Dit betekent zonder twijfel een verbijzondering
van het huidige systeem. Het laat de huidige pensioensystematiek evenwel
onaangetast. Wel ontstaat een toename van de gegevensuitwisseling tussen
twee verschillende uitvoeringsorganen, het ABP en de instantie die de
wachtgeldregeling uitvoert.
De aan de uitvoering hiervan verbonden kosten
zullen echter naar verwachting, gelet op de door het ABP gesignaleerde
toename van het aantal herplaatsbaar verklaarden en daarmee evenredige
afname van het aantal invaliditeitsgepensioneerden, beperkt blijven.
De toename van het beroep op
de wachtgeldregelingen leidt tot extra lasten voor de met de uitvoering belaste
organisaties. Voor de overheid rblz.|59|
zijn deze kosten geraamd op ƒ450 000,- in 1994 en ƒ3,4 mln
structureel. Deze kosten maken deel uit van de in paragraaf 10.7
genoemde extra administratiekosten voor de overheidssector (1994: ƒ11
mln; structureel ƒ20 mln).
Voorts leidt de samenloop tot een toename van het aantal situaties
waarin een (gedeeltelijk) wachtgeld bij het bereiken van de 65-jarige
leeftijd een zelfstandige pensioenaanspraak oplevert. Deze
verbijzondering van het huidige systeem valt te billijken op grond van
de overweging dat voor deze groep naar rato van het resterend
verdienvermogen een wachtgeldtijdbijdrage en bijdrageverhaal zal gelden.
Naast de aan deze maatregel verbonden kosten levert de maatregel dus ook
baten in de vorm van een toename van premie-inkomsten op.
Het advies om de samenloop van een gedeeltelijk
invaliditeitspensioen met een ontslaguitkeringsregeling op een andere
wijze te realiseren, wordt daarom niet overgenomen.
Omdat de Algemene militaire pensioenwet, anders dan de Abp-wet en de
Spoorwegpensioenwet, niet de figuur van het herplaatsingswachtgeld en de
herplaatsingstoelage kent, noodzaakt het schrappen van de
verdisconteringsbepaling tot een wat bredere bescherming van de gewezen
beroepsmilitair tegen de gevolgen van gedeeltelijke werkloosheid dan die
waarop in deze paragraaf voor het burgerlijk overheidspersoneel wordt
gedoeld. Wil er na het vervallen van die mogelijkheid tot
verdiscontering van gelijkwaardige pakketten sprake zijn, dan zal de
voor militairen voor te stellen regeling zowel de materiële elementen
van de ambtelijke herplaatsingsregeling moeten bevatten als die van het
daarnaast te introduceren aanvullende recht op een ontslaguitkering.
Enerzijds omdat dat daar de plaats niet voor is en anderzijds omdat die
herplaatsingsregeling binnen het militaire stelsel in verband met de aan
het militaire beroep te stellen gezondheidseisen niet goed tot haar
recht zou kunnen komen, moet de gedachte een vergelijkbare regeling bij
deze gelegenheid alsnog in de pensioenwet op te nemen, worden verworpen.
Waar die herplaatsingsregeling ziet op de financiële verhouding tussen
de organen en het ABP, zou zij in de militaire sfeer ook falen. Het
militair pensioen uit hoofde van ziekten of gebreken zowel als het op
grond van zo'n regeling daarvoor tijdelijk in de plaats tredende
militaire herplaatsingswachtgeld zouden immers uit dezelfde bron moeten
worden gefinancierd. Gedacht wordt dan ook aan een aanpak die langs twee
trajecten de gevolgen van het gemis aan een herplaatsingswachtgeld
compenseert: de herplaatsingsinspanningen naar functies buiten het
militaire bedrijf zullen zoveel mogelijk worden geïntensiveerd en de
bescherming tegen gedeeltelijke werkloosheid zal vorm worden gegeven in
een aanvullende regeling die zich, naar de belanghebbende toe, kan meten
met het complex aan aanspraken dat na invoering van de nieuwe
werkloosheidsregeling voor het burgerlijk overheidspersoneel zal zijn
ontstaan.
9.8.
Het bieden van een stimuleringsuitkering voor een nader omschreven groep
algemeen invaliden
Voor meer
achtergrondinformatie wordt verwezen naar hoofdstuk 8 van deze toelichting.
De
stimuleringsuitkering heeft tot doel voor een nader omschreven groep
algemeen invaliden herintreding op de arbeidsmarkt te bevorderen. Het
gaat in casu om degenen die 50 jaar of ouder zijn en gedurende een
bepaalde periode onafgebroken recht op aanvulling hebben gehad. De
uitkering geldt ook voor jonger-dan-50-jarigen op wie rblz.|60|
als gevolg van het overgangsrecht de oude bepalingen van de
overheidspensioenregelingen tijdelijk nog toepassing vinden.
De uitkering wordt op verzoek verleend. Indien
werkhervatting leidt tot een besparing op de aanvulling of verhoging,
bedoeld in artikel F 9b van de Abp-wet, krijgt de betrokkene
gedurende drie jaar recht op een uitkering ter hoogte van bruto 60% van
dit bespaarde bedrag.
9.9.
Doorvertaling in de Algemene burgerlijke pensioenwet en de
Spoorwegpensioenwet
Het ABP constateert
met instemming dat het schrappen van het bereikbaarheidscriterium in
artikel K 2, tweede lid, Abp-wet betekent dat zowel de
werkgelegenheidsaspecten als ook de bereidheid van een betrokkene zich
al dan niet voor herplaatsing ter beschikking te stellen niet langer van
belang is voor de herplaatsbaarheidsverklaring. Dat betekent een toename
van het aantal herplaatsingswachtgelden. Dit past in een algemeen
streven om van de werkgever een maximale inspanning te vragen om de
arbeidsongeschikte werknemer andere passende arbeid aan te bieden.
In aanvulling hierop pleit het ABP ervoor om in
artikel K 2 het begrip "passende andere betrekking" eveneens
te vervangen door het begrip arbeid conform de definitie van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Hiermee wordt, aldus het ABP, vermeden
dat een betrokkene waarvoor wel arbeid in de zin van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium is te duiden, maar geen betrekking die -
aanstonds - passend is, niet herplaatsbaar kan worden verklaard. In de
verhouding werkgever-werknemer kan het criterium passendheid fungeren
als een glijdend begrip.
Ook door het Spf wordt aanbevolen in artikel K
2 het begrip passende arbeid te vervangen door het begrip arbeid conform
de definitie van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium, zodat de
herplaatsbaarheidsverklaring en het daaraan gekoppelde recht op
herplaatsingstoelage sporen met de functies welke in het kader van de
restcapaciteit genoemd kunnen worden.
Het
kabinet neemt deze adviezen over en overweegt hierbij het volgende.
Hoewel het herplaatsbaarheidscriterium in artikel K 2 dient te worden
gezien als een eigen norm voor het overheidspersoneel, dient deze norm
wel te sporen met de normen die gelden voor de vaststelling van de
algemene invaliditeit. Het risico dat er een situatie gaat ontstaan waar
belanghebbenden op grond van de norm passende arbeid als
niet-herplaatsbaar worden aangemerkt en voorts als gevolg van toetsing
aan de nieuwe invulling van het begrip arbeid als arbeidsgeschikt kunnen
worden aangemerkt, is niet denkbeeldig en zeker ongewenst. Artikel K 2
is overeenkomstig aangepast.
Vorenstaande maatregelen worden geregeld in de artikelen A 2, C 6, D 4,
E 1, F 9, F 9a, F 9b, F 10, F 10a, F 14, F 18, J 19, J 20,
K 2 en W 8 van de Abp-wet en de overeenkomstige artikelen van de
Spoorwegpensioenwet.
9.10.
Doorvertaling in de Algemene militaire pensioenwet
Voor de
doorvertaling van de maatregelen naar de pensioenwetgeving voor militair
personeel is gekozen voor dezelfde gedragslijn als voor het burgerlijk
overheidspersoneel. Vanzelfsprekend is daarbij waar nodig rekening
gehouden met een wat andere wetssystematiek en wordt er in die artikelen
die zich richten of mede richten op de toekomstige rblz.|61|
samenloop van pensioen met wachtgeld, aansluiting gezocht bij het aan
het slot van paragraaf 9.7
omschrevene.
De
ingrepen richten zich op het arbeidsongeschiktheidspensioen van de
beroepsmilitair. De bijzondere voorzieningen die de pensioenwet voor
beroepsmilitairen en dienstplichtigen bij invaliditeit met dienstverband
kent, zijn het voorwerp van heroverweging in een ander traject en
blijven in dit verband buiten beschouwing. De
arbeidsongeschiktheidsuitkering voor dienstplichtigen is geregeld in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen, die een
WAO-vervangend karakter draagt. Door de in die wet
gekozen constructie zijn wijzigingen op de WAO [lees: in de WAO, red.]
direct op de vervangende uitkering van toepassing. Een bijstelling van
het één en ander is daar dus niet nodig.
De uitwerking van de
maatregelen is neergelegd in de artikelen B 5, E 6, F 1, F 3, F 6, F 6a, F
9a,
F 13, G 1, H 1, K 3, M 3, R 1, S 2, U 1, U 3, V 4, Y 22 en Z 9 van de
Algemene militaire pensioenwet. Voor een nadere regeling van een
gelijktijdig ingaande aanvullende wachtgeldvoorziening kan worden gedacht
aan wijziging van de Militaire wachtgeldregeling 1961 (Stb. 1979,
625).
10.
Volume- en financiële gevolgen
10.1.
Inleiding
Centrale
doelstelling van de voorliggende maatregelen is de afname van het beroep
op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen,
zowel in de markt- als de overheidssector (ABP, Spf, Defensie).
De omvang van het aantal arbeidsongeschikten wordt immers alom als
maatschappelijk onaanvaardbaar hoog betiteld. Deze constatering is door
het kabinet vertaald in een concrete getalsmatige doelstelling, te weten
terugdringing van het volume tot het niveau bij aantreden van het
kabinet in 1989. Het toenmalige niveau, 758 000 uitkeringsjaren, werd
destijds al als een knellende situatie beschouwd, die naar de mening van
het kabinet zeker niet mocht verslechteren.
Als gevolg van de herziening van het
arbeidsongeschiktheidscriterium en de aanpassing van het niveau van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd zullen de groei van het
volume en de uitgaven kunnen worden afgeremd. De effecten van beide
maatregelen zullen afzonderlijk nader worden toegelicht. Bij de
weergegeven kosten en besparingen is, zowel in de markt- als de
overheidssector, ervan uitgegaan dat het effect van de maatregelen niet
in de bovenwettelijke sfeer wordt gecompenseerd. Als uitgangspunt is
gehanteerd de inwerkingtreding per 1 januari 1993.
De
Raad voor de gemeentefinanciën (RGF) acht elke uitspraak over de omvang
van de effecten op het volume- en lastentotaal van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen
arbitrair. De ramingen van de extra uitkeringslasten van de
werkloosheidsregelingen Rww [Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, red.]
en Ioaw/Ioaz
en de daarmee samenhangende gevolgen voor het gemeentefonds acht hij
derhalve moeilijk te maken. De RGF is niet in staat alle
veronderstellingen te staven, maar ziet ervan af om op grond van andere,
eveneens arbitraire, veronderstellingen andere bedragen te adviseren.
De SVr merkt op dat hij op een aantal punten
niet kan beoordelen in welke mate de maatregelen effectief zullen
blijken te zijn. Het betreft hier met name de gedragseffecten en de
effecten van de introductie van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium.
Ook het Spf ziet zich geconfronteerd met
onzekerheden. Zo verwacht het Spf onder meer volume-effecten van de
niveauverlagende maatregelen, maar kan niet inschatten welke omvang deze
zullen aannemen.
rblz.|62|
Het kabinet is zich
ervan
bewust dat de door hem geraamde effecten van de maatregelen een
bepaalde onzekerheidsmarge bevatten. Niettemin is het echter van mening dat binnen deze onzekerheden de
onderstaande ramingen een zo
goed mogelijk beeld weergeven van de omvang van de
besparingsbedragen en additionele kosten in de werkloosheidssfeer.
10.2.
Introductie nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium
Door de introductie
van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium zal in een groter aantal
gevallen (gedeeltelijk) werk kunnen worden hervat, waardoor in de plaats
van een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering kan worden volstaan
met een gedeeltelijke uitkering. Gezien de volledige
arbeidsongeschiktheid op medische gronden van een groot deel van de
personen die in aanmerking komen voor een AAW/WAO-uitkering,
zal de introductie van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium niet
voor alle (nieuwe) gevallen gevolgen hebben. Op basis van intern
GMD-onderzoek wordt verwacht dat de maatregel een effect genereert voor
ongeveer 21% van het totaal aantal arbeidsongeschikten.
In het SVr-advies wordt een alternatieve
berekening gepresenteerd afkomstig van de GMD. De uitkomst van deze
berekening leidt tot een veel geringer effect van de maatregel; slechts
2% van het totaal aantal arbeidsongeschikten zou door het nieuwe
criterium worden beïnvloed. De SVr zegt in zijn advies niet te kunnen
beoordelen welke omvang het te verwachten effect zal aannemen en dat dit
mede afhankelijk is van de inzet van de uitvoeringsorganen. Naar
aanleiding van een schriftelijk verzoek van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid heeft de SVr zich gebogen over de uitgangspunten
van beide berekeningswijzen. De SVr doet in zijn nadere analyse geen
eenduidige uitspraak welke van beide ramingen de meest reële is. Wel
acht de SVr het aannemelijk dat het financiële effect van de
maatregelen (veel) hoger zal liggen dan de raming zoals die uit de
GMD-variant naar voren komt.
Het
kabinet is, met de SVr, van mening dat de recente berekeningswijze van
de GMD geen juist beeld geeft van de te verwachten situatie. In deze
GMD-berekening wordt namelijk 85% van de arbeidsongeschikten op voorhand
uitgesloten. Dit zijn personen met een opleidingsniveau beneden
HAVO-niveau. De GMD gaat ervan uit dat voor deze personen geen (extra)
functies zijn te duiden met het nieuwe criterium, met als enige reden
dat dit bij het huidige criterium ook niet is gelukt.
De GMD geeft echter aan dat bijna de helft van
deze groep feitelijk werkzaamheden kan verrichten. In tegenstelling tot
de GMD en het Spf, dat hier eveneens een opmerking over maakt, gaat het
kabinet ervan uit dat juist door de verruiming van het
arbeidsongeschiktheidscriterium zowel op hetzelfde functieniveau als op
een lager functieniveau voor het merendeel van deze personen functies
kunnen worden geduid. Hierdoor kan de latente restcapaciteit werden
omgezet in te duiden feitelijke verdiencapaciteit.
Natuurlijk is het op zich juist dat ook bij het
nieuwe criterium niet voor alle personen met restcapaciteit functies
kunnen worden geduid. Hiervoor is in de berekening van het kabinet dan
ook een correctie toegepast. Het kabinet ziet, gezien het voorgaande,
geen aanleiding om de berekende effecten, die reeds in het kader van de SER-advisering
¹ in samenwerking met het CPB [Centraal Planbureau, red.], de
SVr en de GMD tot stand zijn gekomen, te herzien.
1. SER-advies 91/15 "Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid", 12
juli 1991, bijlage 19.
rblz.|63|
Het effect van de introductie van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium heeft in de eerste jaren met name
betrekking op personen die recht verkrijgen op een AAW/WAO-uitkering
(nieuwe instroom). In 1994 wordt geraamd dat ongeveer 27 000 personen
ingestroomd vanaf 1 januari 1993 in plaats van een volledige een
gedeeltelijke uitkering verkrijgen. Hieruit resulteert een besparing van
ƒ510 mln. Als gevolg van de (gedeeltelijke) herbeoordeling van het
huidige bestand arbeidsongeschikten neemt in de tijd het aantal personen
toe waarop de maatregel van invloed is (zie tevens paragraaf 6.3).
Uitgaande van het huidige aantal uitkeringsgerechtigden van 900 000 en
het hiervoor genoemde percentage van 21, gaat het structureel om 190 000
personen, hetgeen overeenkomt met een besparing van circa ƒ3,5 mld.
Het betreft hier een besparing voor de sociale
zekerheid (AAW/WAO), waarin tevens de AAW-claims met betrekking tot
Abp-verzekerden (inclusief Spf en Defensie)
zijn verwerkt. Daarnaast wordt met betrekking tot de
overheidspensioenregelingen, in de bovenminimale sfeer, een additioneel
effect verwacht van ƒ20 mln in 1994 (ƒ90 mln structureel). De
besparing door de wijziging van de Amp-wet [Algemene militaire
pensioenwet, red.] wordt zichtbaar op de begroting van het
ministerie van Defensie. De onderverdeling
van de bedragen is aangegeven in de samenvattende
tabel 2 in paragraaf 10.8. 10.3.
Niveauaanpassing WAO-uitkering
Door de aanpassing
van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd zal de gemiddelde
uitkering afnemen. Dit effect zal echter in de eerste jaren nog beperkt
zijn. Enerzijds geldt voor personen die voor het eerst recht krijgen op
een AAW/WAO-uitkering
(nieuwe instroom) een fase die een gelijk uitkeringsrecht garandeert als
de huidige systematiek en anderzijds geldt voor personen die reeds
vóór inwerkingtreding van de maatregel een AAW/WAO-uitkering ontvingen
of ouder zijn dan 50 jaar [lees: 50 jaar jaar of ouder zijn, red.],
dat de oude rechten (na bedoelde fase) worden bevroren onderscheidenlijk
gehandhaafd. In 1994 zal als gevolg van deze maatregel een besparing van
ƒ100 mln worden gerealiseerd. In de structurele situatie zal de omvang
van dit effect toenemen tot circa ƒ1,6 mld.
In de optiek van de SVr zou het bedrag in 1994
iets lager en structureel iets hoger kunnen uitvallen. In het huidige
verwachte besparingsbedrag voor 1994 is, ten opzichte van het SVr-advies,
rekening gehouden met de latere invoering per 1 januari 1993 alsmede met
het geconstateerde volumeverschil. Aan het verschil in besparingen in de
structurele situatie moet volgens de Raad, gegeven de vele onzekere
factoren, niet te veel gewicht worden toegekend.
De aanpassing van het WAO-niveau heeft tevens
invloed op de bespaarde WAO-uitkeringen van WSW-werknemers, die aan het
Rijk worden afgedragen. Het betreft hier een vermindering van de
afdrachten van circa ƒ4 mln in 1994 (ƒ25 mln structureel).
Naast het directe effect van een lager uitkeringsniveau wordt door het
kabinet rekening gehouden met een volume-effect als gevolg van een
gewijzigd gedrag van werknemers en werkgevers.
Als gevolg van het verlaagde WAO-uitkeringsniveau
zullen werknemers zich naar verwachting een grotere inspanning
getroosten om, eventueel in een aangepaste werksituatie, te blijven
participeren op de arbeidsmarkt. Werkgevers zullen zich er rekenschap
van geven dat de WAO als alternatieve afvloeiingsregeling aan
aantrekkelijkheid heeft verloren.
Hierdoor zal de instroom in, en daardoor de
kosten van, de AAW/WAO
kunnen afnemen. In 1994 wordt rekening gehouden met een effect van ruim
6000 uitkeringsjaren resulterend in een besparing van ƒ265 mln. In de
structurele situatie zal dit kunnen toenemen tot een rblz.|64|
besparing van circa ƒ560 mln (inclusief de afname van AAW-claims van
Abp-, Spw- en Amp-verzekerden). Het totaal effect van de niveaumaatregel
voor de AAW/WAO bedraagt in de structurele situatie derhalve ƒ2160 mln
(1600 + 560).
Aanvullende verzekeringen in de particuliere sfeer zijn uiteraard van
invloed op de genoemde gedragseffecten. Hierbij moet wel bedacht worden
dat het enige tijd vergt alvorens een voldoende aanbod van dergelijke
aanvullingen tot stand is gekomen om daadwerkelijk enig effect te
hebben. Daarnaast is het bij particuliere verzekeringen, ook op de lange
termijn, niet ondenkbaar dat een geringere mate van verevening zal
optreden en dat niet alle risico's gedekt zullen worden. Derhalve is het
niet onrealistisch ook op de langere termijn gedragseffecten te
veronderstellen. Op korte termijn zijn deze effecten hoger ingeschat,
mede uit hoofde van het "announcementeffect" dat van het wetsvoorstel
kan uitgaan.
De besparing die voortvloeit uit de
niveaumaatregel vertoont dan ook een relatief sterke stijging in de
eerste jaren na invoering, waarna in latere jaren een vervlakking
optreedt.
Ten aanzien van de overheidspensioenregelingen (Abp-wet, Spw, Amp-wet
[Algemene burgerlijke pensioenwet, Spoorwegpensioenwet, Algemene
militaire pensioenwet, red.]) zullen additionele besparingen
optreden in de bovenminimale sfeer, welke zijn geraamd op circa ƒ30 mln
in 1994 (ƒ275 mln structureel).
Door het Spf wordt in zijn advies opgemerkt dat
in deze sector in 1994 slechts een zeer beperkt effect mag worden
verwacht gezien de loonstructuur. Structureel wordt een effect van circa
ƒ7 mln verwacht. Gevoegd bij het veronderstelde gedragseffect is in de samenvattende tabel
van paragraaf
10.8
een bedrag van ƒ10 mln opgenomen. 10.4.
Additionele lasten in de werkloosheidssfeer
Bovenstaand zijn de
besparingen weergegeven voor de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Het is echter niet waarschijnlijk dat (op korte termijn) voor alle
(partieel) arbeidsgeschikten die zich additioneel melden op de
arbeidsmarkt ook feitelijk werk beschikbaar is. Tevens is het mogelijk
dat zij andere groepen werknemers van de arbeidsmarkt verdringen. Het
beroep op de
werkloosheidsregelingen zal hierdoor toenemen.
Dit additionele beroep op de
werkloosheidsregelingen speelt met name een rol in het kader van de
introductie van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium.
Verondersteld is dat in de marktsector in 50% van de gevallen waarin de
wijziging van het criterium leidt tot een lagere mate van
arbeidsongeschiktheid een beroep moet worden gedaan op de
werkloosheidsregelingen. Gezien de inkrimpingsoperaties in de
overheidssector is verondersteld dat op korte termijn in deze sector
geen additionele creatie van arbeidsplaatsen kan plaatsvinden.
Verondersteld is derhalve dat werkhervatting van Abp-, Spw- of
Amp-verzekerden zal leiden tot een grote mate van verdringing op de
arbeidsmarkt en een evenredige toename van het beroep op de wachtgeldregelingen.
Wel zal hierbij sprake kunnen zijn van onder meer een verschil in
uitkeringsniveau omdat (veelal) jongeren met een lager loonniveau worden
verdrongen door ouderen (eventueel gedeeltelijk arbeidsongeschikten) met
een hoger loonniveau. Op langere termijn kan in de overheidssector
rekening worden gehouden met een afnemend verdringingseffect gezien het
toenemend absorptievermogen van de totale arbeidsmarkt.
In totaal wordt voor wat betreft de socialezekerheidssector in 1994
rekening gehouden met een bedrag aan extra lasten van ƒ225 mln
(structureel: ƒ1050 mln). Naast de
WW betreft dit een additioneel beroep rblz.|65|
op de Ioaw/Ioaz/Rww
en de
TW (door het lagere WAO-niveau).
Uit het voorgaande blijkt dat het kabinet
verwacht dat ook op langere termijn een groter beroep op de
werkloosheidsregelingen ontstaat. Dit in tegenstelling tot de in het
SVr-advies gememoreerde verwachting van het CPB dat het extra
arbeidsaanbod binnen een periode van acht à tien jaar kan worden
geabsorbeerd.
Zoals hierboven reeds weergegeven, zal het
beroep op de ambtelijke
wachtgeldregelingen (voor zover van toepassing op Abp-, Spw- en
Amp-verzekerden) eveneens toenemen. Hiermee is een bedrag van circa ƒ43
mln in 1994 gemoeid. Afhankelijk van het absorptievermogen van de totale
arbeidsmarkt in de toekomst zal dit bedrag in de structurele situatie
toenemen tot ƒ225 à ƒ285 mln.
Het gedeelte van het beroep op de
werkloosheidsregelingen dat neerslaat in de Ioaw/Ioaz/Rww betreft
personen die de maximale WW-duur hebben doorlopen. Het aandeel van deze
groep neemt in de tijd toe. Van de lasten van deze regelingen wordt 10%
gefinancierd door de gemeenten, waardoor
kosten ontstaan voor het gemeentefonds. De resterende 90% komt ten laste
van de begroting van SZW. De kosten voor
het gemeentefonds lopen op van ƒ7 mln in 1994 tot circa ƒ40 mln
structureel. 10.5.
Aspecten met betrekking tot de overheidssector
Schrappen van de
mogelijkheid tot verdiscontering van werkloosheid in de
overheidspensioenregelingen heeft op zich een gering effect. De
maatregel dient evenwel te worden bezien in samenhang met het gewijzigde
begrip algemene invaliditeit. De verruiming hierin van met name het
begrip "arbeid" zal ertoe leiden dat vaker tot een lagere mate
van algemene invaliditeit zal worden geconcludeerd.
In die zin heeft het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium ook betekenis voor het huidige bestand
invaliditeitsgepensioneerden. Met het oog op deze situatie wordt ook
hier samenloop/cumulatie van invaliditeitspensioen met wachtgeld
mogelijk gemaakt.
Hetzelfde geldt mutatis mutandis ten aanzien
van overheidspersoneel dat aanspraak maakt op een andere
ontslaguitkeringsregeling dan de wachtgeldregeling.
Voor degenen waarbij een
dergelijke samenloop/cumulatie niet (meer) mogelijk is, geldt het
volgende. Indien zij als gevolg van de herbeoordeling een invaliditeitspensioen zullen gaan
ontvangen waardoor hun
inkomen beneden het
minimumloon zal liggen, zal het invaliditeitspensioen in voorkomend geval in
beginsel worden verhoogd tot dat minimumloon. Deze verhoging
bedraagt evenwel niet meer dan het verschil tussen het
invaliditeitspensioen en de middelsom waarnaar deze is berekend, zij het dat
deze verhoging niet meer mag bedragen dan 30% van het minimumloon.
De verhoging is te zien als
een tijdelijke oplossing in afwachting van een structurele regeling.
Met de herbeoordeling van
het huidige bestand zal een geruime periode (circa vijf jaar) zijn
gemoeid. Betrouwbare ramingen van de aan herbeoordeling verbonden volume-effecten voor het invaliditeitspensioen
in relatie tot het
bovenstaande zijn niet te geven. Het is echter niet te verwachten dat het hier om
substantiële volume-effecten zal gaan. Er zal uiteraard op enig moment in
de toekomst een evaluatie met betrekking tot de volume-effecten
dienen plaats te vinden.
Met betrekking tot de categorie personen
ten aanzien van wie geen rblz.|66|
samenloop van invaliditeitspensioen met wachtgeld of een andere
ontslaguitkeringsregeling (meer) mogelijk is, zullen de kosten die
voortvloeien uit het geven van een verhoging ten laste van
respectievelijk het ABP en de defensiebegroting blijven. Het betreft
hier een verschuiving van kosten binnen het fonds. In relatie met het
schrappen van de verdiscontering levert dit een te verwaarlozen effect
op. 10.6.
Stimuleringsmaatregel
Naast de
maatregelen die ingrijpen op de systematiek van de verschillende
arbeidsongeschiktheidsregelingen
wordt een stimuleringsmaatregel geïntroduceerd. De
stimuleringsuitkering komt tot uitbetaling wanneer het werk wordt
hervat. Gedurende drie jaar wordt een bedrag van 60% van de bespaarde AAW/WAO-uitkering
(inclusief eventueel de toeslag in het kader van de
TW) betaalbaar gesteld. De regeling is
bestemd voor personen met een AAW/WAO-uitkering die op 1 januari 1987 35
jaar of ouder dan wel vroeggehandicapt waren en reeds vóór dit
tijdstip een uitkering ontvingen alsmede personen van 50 jaar of ouder
die reeds vanaf 1 februari 1990 een uitkering ontvangen.
Introductie van de stimuleringsmaatregel zal in eerste instantie leiden
tot kosten voor de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Naar schatting zullen
gedurende de looptijd van de maatregel 4500 personen een bedrag van
circa ƒ15 000,- krijgen toegekend, terwijl zij ook zonder deze toelage
het werk zouden hebben hervat. De kosten voor deze groep bedragen ruim
ƒ65 mln per jaar. Bij toekenning gedurende drie jaar gaat het dus om
ƒ195 mln. Tegenover deze kosten staan besparingen indien werk wordt
aanvaard door personen die zonder stimuleringsmaatregel hun uitkering
(volledig) zouden hebben behouden. Indien geen hernieuwde uitval
plaatsvindt, hebben deze besparingen een structureel karakter. Indien
wordt verondersteld dat circa 2800 volledig arbeidsongeschikten
additioneel het werk hervatten, wordt in ongeveer vijf jaar het initiële
kostenbedrag terugverdiend. Na deze periode resulteert een structurele
besparing van circa ƒ70 mln per jaar. In het volume- en financiële
overzicht is van deze laatste optie uitgegaan, waarbij is verondersteld
dat deze additionele uitstroom evenredig, in de periode dat de maatregel
van toepassing is, tot stand komt (1992: 885; 1993: 1770; 1994: 145).
De stimuleringsmaatregel is zowel voor de
marktsector als de overheidssector van toepassing. Het saldo van lasten
en besparingen met betrekking tot de overheidspensioenregelingen (Abp-wet,
Spw en Amp-wet) is echter marginaal en komt derhalve niet afzonderlijk
tot uitdrukking in de in
paragraaf 10.8
opgenomen tabel. 10.7.
Uitvoeringskosten
Gezien het grote
aantal activiteiten dat additioneel door de uitvoeringsorganen moet
worden uitgevoerd in relatie tot de voorgestelde maatregelen, moet
rekening worden gehouden met een aanzienlijke toename van de
administratiekosten. In paragraaf 12.1 zal hier
nader op worden ingegaan. De exacte kostentoename is moeilijk in te
schatten en mede afhankelijk van de toekomstige omvang van de AAW/WAO-in-
en -uitstroom en de effecten van onder meer de wijziging van de
uitvoeringsorganisatie. In de adviezen van de SVr (GMD/FBV), het ABP en
het Spf wordt aangegeven wat de gemiddelde kosten per activiteit van
arbeidsdeskundigen, verzekeringsgeneeskundigen en administratieve
krachten zijn. Tevens wordt een inschatting gegeven van de te verwachten
werkdruk onder meer als gevolg van de toename van het beroep op wachtgeldregelingen.
Rekening houdend met deze gegevens resulteert rblz.|67|
een bedrag van circa ƒ156 mln per jaar, gedurende de eerste vijf jaar
aan extra administratieve lasten. Dit bedrag is opgebouwd uit een
drietal componenten:
1. kosten samenhangend met de beoordeling gedurende het eerste AAW/WAO-jaar;
2. kosten samenhangend met de herbeoordeling van het oude bestand;
3. kosten van de wijzigingen in de uitkeringssystematiek (inclusief
anticumulatiebepalingen).
Per
orgaan zijn deze kosten als volgt weer te geven (in mln gld per jaar):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Overheidssector |
GMD |
Bedrijfsverenigingen |
| Eerstejaarsbeoordeling |
x5 |
x60 |
x |
| Herbeoordeling |
x4 |
x55 |
10 |
| Uitvoeringssystematiek |
x2 |
x |
20 |
| Kosten per orgaan |
11 |
115 |
30 |
| Totale
kosten |
x |
156 |
x |
In onderstaande tabel is
aangegeven welke aantallen aan deze kostenraming ten grondslag liggen,
alsmede de gemiddelde kosten van de beoordelingen per persoon.
Deze gegevens zijn afkomstig van de uitvoeringsorganen.
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Overheidssector |
GMD |
Aantal personen
(x 1000):
- eerstejaarsbeoordeling
- herbeoordeling |
xx7
xx6 |
x63
x54 |
| Totaal |
x13 |
117 |
| Gemiddelde
prijs per persoon (gld) |
800 |
965 |
Naast bovengenoemde sectoren nemen ook bij de bedrijfsverenigingen de
uitvoeringskosten toe. Dit is het gevolg van de extra handelingen die
voortvloeien uit de wetsvoorstellen naast bovengenoemde beoordelingen.
Ook deze kosten zijn in overeenstemming met SVr-becijferingen.
Het
ABP signaleert in het kader van de herbeoordeling van het oude bestand
ten aanzien van de groep AAW-gerechtigden
die geen invaliditeitspensioen genieten een incidentele kostenpost van
ƒ3 mln. Op basis van de huidige vergoedingsregeling voor
administratiekosten in het kader van de uitvoering van de AAW worden
deze kosten niet vergoed. Het ABP is thans in overleg met het AAf
[Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.] om te komen tot een
nieuwe vergoedingsregeling. Deze regeling dient tevens te voorzien in de
hiervoor bedoelde incidentele kosten.
In
de structurele situatie nemen de uitvoeringskosten verder toe als gevolg
van de periodieke vijfjaarsbeoordeling tot circa ƒ220 mln (waarvan
overheidssector ƒ20 mln). Gezien de onzekerheid ten aanzien van
toekomstige ontwikkelingen, waarbij het kabinet streeft naar vergroting
van de efficiency van de uitvoering en daarmee beperking van de
administratieve lasten, is het zinvol om na enige jaren de feitelijke
(administratieve) kostenontwikkeling te bezien om een beeld te kunnen
vormen van de additionele lasten, gegeven het te verwachten werkaanbod.
Met
betrekking tot de administratiekosten van de gemeenten
in relatie tot de uitvoering van de gemeentelijke regelingen (Rww, Ioaw
en rblz.|68|
Ioaz) merkt de Raad voor de
gemeentefinanciën op dat het kabinet geen uitspraak doet over
compensatie van deze kosten.
In de adviesaanvrage is echter reeds melding
gemaakt van de zogenaamde apparaatskosten en de eventuele toevoeging aan
het gemeentefonds. Hierbij is echter verwezen naar een afspraak in de
bijlage bij het bestuursaccoord Rijk/VNG [Vereniging van
Nederlandse Gemeenten, red.] waarin is weergegeven dat
taakverzwaringen en taakverlichtingen betreffende de uitvoering van de
bijstandsregelingen gedurende één jaar worden geregistreerd en met
elkaar worden verrekend. Indien, mede als gevolg van de voorgenomen
maatregelen, de apparaatskosten per saldo toenemen, wordt in deze
systematiek de toename verwerkt in de begroting van het gemeentefonds
over het daaropvolgende jaar.
Inmiddels is, in overleg met de VNG,
besloten met ingang van 1993 af te stappen van deze "salderingsmethode"
en weer over te gaan op de methode die eerder werd toegepast. Die houdt
in dat compensatie wordt verleend per afzonderlijke maatregel met ingang
van het jaar waarin de kosten optreden. Ook op de compensatie voor de
extra apparaatskosten die door dit wetsvoorstel
optreden, is het "nieuwe" regime van toepassing. De kosten
bedragen in 1994 ƒ4,5 mln, oplopend tot ƒ30 mln in de structurele
situatie. Deze kosten zijn additioneel ten opzichte van de
eerdergenoemde toename van de administratiekosten voor 1994 (ƒ156 mln)
en structureel (ƒ220 mln).
10.8.
Samenvatting volume- en financiële effecten
In tabel 2 worden de besparingen en
lasten samengevat.
rblz.|69|
Tabel 2. financiële
effecten (in mln gld per jaar):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1994 |
xxStructureelxx |
| Verruiming begrip arbeid
sociale zekerheid (AAW/WAO)
¹ |
510x |
3510x |
Overheidssector:
- ABP
- Spf
- Defensie |
18x
1x
1x |
84x
4x
2x |
| Totaal |
530x |
3600x |
| Niveauaanpassing:
² |
x |
x |
| Sociale zekerheid (AAW/WAO) |
365x |
2160x |
Overheidssector:
- ABP
- Spf
- Defensie |
30x
0x
0x |
260x
260x
5x |
| Totaal |
395x |
2435x |
| Brutobesparing |
925x |
6035x |
| x |
Additionele
lasten sociale zekerheid (werkloosheidsregelingen):
- WW
(Wachtgeldfonds/Algemeen Werkloosheidsfonds)
- Ioaw/Ioaz/Rww
³
- TW |
–150x
–65x
–10x |
–574x
–392x
–84x |
Overheidssector
(werkloosheidsregelingen)
ABP
Spf
Defensie
|
–40x
–2x
–1x |
–210 à –270x
–10x
–5x |
| WSW-afdrachten |
–4x |
–25x |
| Stimuleringsmaatregel |
–38x |
70x |
Extra
administratiekosten:
- marktsector
- overheidssector
- gemeentefonds |
–145x
–11x
–4x |
–200x
20x
–30x |
| Totaal lasten |
–470x |
–1480/–1540x |
| Nettobesparing |
445x |
4495/4555x |
1. Inclusief AAW-claims ABP,
Spf en Defensie.
2. Totaal 1994: ƒ365 mln, waarvan volume ƒ265 mln; prijs ƒ100 mln.
3. 10% van deze bedragen komen ten laste van het gemeentefonds.
De volume-effecten van de genoemde maatregelen
worden samengevat in tabel 3.
Tabel 3: Volume-effecten
maatregelen AAW/WAO
(x 1000 uitkeringsjaren):
| AAW/WAOxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1994 |
Structureel |
| Verruiming begrip arbeid |
16 |
100 |
| Niveau aanpassing |
x6 |
x15 |
| Stimuleringsmaatregel |
x3 |
xx3 |
| Totaal |
25 |
118 |
De maatregelen die in
dit
wetsvoorstel aan de orde komen, maken deel uit van een totaal
pakket van maatregelen op het gebied van de ZW,
het
BW en de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Andere elementen zijn onder meer de introductie van een
bonus/malussysteem, de loonkostensubsidie ten behoeve van gedeeltelijk
arbeidsgeschikten en het ten laste van de werkgever brengen van de
kosten verbonden aan de eerste zes c.q. drie weken ziekteverzuim.
rblz.|70|
Het effect van deze maatregelen op het AAW/WAO-volume
is in 1994 ruim 30 000 uitkeringsjaren, zodat naar verwachting dit
volume ruim 55 000 uitkeringsjaren lager zal uitkomen dan bij
ongewijzigd beleid (met andere woorden, zonder invoering van de Wet TAV,
het wetsvoorstel TZ en
het voorliggende wetsvoorstel).
11.
Internationale aspecten
11.1.
Normverdragen
In het SER-advies
wordt in deel I, hoofdstuk 6, een overzicht gegeven van de
internationale regelingen waaraan nationale socialezekerheidsregelingen
moeten voldoen. Voor de Nederlandse situatie is met name van belang het
Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) nr. 121 inzake de
prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten uit 1964, omdat dit
verdrag de hoogste normen bevat.
lAO-verdrag nr. 121 bevat normen voor het risico van kortdurende en
langdurende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of
beroepsziekte: het zogeheten "risque professionnel". In
Nederland geldt een systeem van arbeidsongeschiktheidsverzekering waarin
het er niet toe doet hoe iemand arbeidsongeschikt is geworden; zowel
krachtens de AAW
als krachtens de WAO is het zogeheten
"risque social" verzekerd. Het Nederlandse verzekeringsstelsel
bestrijkt derhalve een ruimer terrein dan waartoe Verdrag nr. 121
verplicht.
11.2.
Niveau van de uitkering
Voor de
vaststelling van de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering kent
het verdrag twee alternatieven, te weten:
a. de zogenaamde hogere norm, waarbij de uitkering wordt gerelateerd aan
het vroeger verdiende loon; en
b. de zogenaamde lagere norm, waarbij de uitkering wordt gerelateerd aan
het loon van een ongeschoolde werknemer.
Indien een stelsel van een staat de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen relateert aan het vroeger verdiende
loon, mag dat stelsel het verzekerde loon binden aan een plafond, te
weten 125% van het gemiddelde loon van een geschoolde werknemer. Het
voorgeschreven uitkeringspercentage bedraagt 60 van dit loon. Tot nu toe
heeft Nederland in zijn jaarlijkse rapportages aan het Internationaal
Arbeidsbureau gerapporteerd op de hogere norm, te weten de koppeling aan
het vroeger verdiende loon. Nederland heeft daarbij het gemiddelde loon
van alle werknemers in de nijverheid en dienstverlenende bedrijven
(handel, vervoer, bank- en verzekeringswezen en zakelijke
dienstverlening) gehanteerd; 125% daarvan blijft beneden het
maximumdagloon voor de werknemersverzekeringswetten.
Indien Nederland in zijn stelsel de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan
het wettelijk minimumloon zou relateren,
kan worden gesteld dat dit, overeenkomstig de lagere norm, het loon is
van een ongeschoolde werknemer. lAO-verdrag nr. 121 verplicht er dan toe
dat de uitkering voor een man met vrouw en twee kinderen ten minste 60%
van het minimumloon bedraagt. Met de handhaving van de AAW-uitkering
als bodem op het huidige niveau (70% van het minimumloon) wordt aan deze
verplichting voldaan. Voor wat betreft de in het
wetsvoorstel voorziene ophoging van het WAO-uitkeringsgedeelte
van 70% van het minimumloon met een leeftijdsafhankelijke toeslag kan
worden gesteld dat dit een uitkeringsdeel is dat boven de
verdragsverplichting uitgaat. Uit het feit dat noch lAO-verdrag nr. 121,
noch enig ander norminstrument een bepaling bevat die erin voorziet dat
een eenmaal gekozen norm permanent moet worden rblz.|71|
nageleefd, mag worden
afgeleid dat staten vrij zijn in de keuze voor de binding aan de hogere of de
lagere norm. De overstap van de hogere naar de lagere norm wordt
dan ook mogelijk geacht.
11.3.
Tijdelijkheid van de uitkering
In zijn advies
besteedt de SVr aandacht aan de internationale bepalingen in relatie tot
het van rechtswege beëindigen van de uitkering. Een deel van de Raad,
bestaande uit de
werknemersleden en twee
onafhankelijke leden, is van mening dat de van rechtswege beëindiging
van de uitkering strijdig is met de verplichtingen van de normverdragen.
Met name de letterlijke tekst van artikel 17 van lAO-verdrag nr. 121 zou
het onmogelijk maken tot deze maatregel over te gaan. Volgens dit deel
van de Raad moet de uitkering tijdens de gehele duur van het door de
verzekering gedekte geval worden verleend en kan herziening, schorsing
of intrekking van de periodieke betaling alleen plaatsvinden in verband
met wijzigingen die in de toestand (dit is de mate van verlies van de
geschiktheid om inkomsten uit arbeid te verwerven) van belanghebbende
kunnen optreden. Ten aanzien van deze kritiek merkt het kabinet op dat
een letterlijke interpretatie van de betreffende verdragsbepaling de
beëindiging van rechtswege van de uitkering in de weg lijkt te staan.
Echter, mede op basis van de contacten die de laatste jaren met het
Internationaal Arbeidsbureau (IAB) zijn gelegd, concludeert het kabinet
dat een uitleg naar geest en bedoeling van de lAO-verdragsverplichtingen
mogelijk is. Een verzoek om assistentie van het IAB werd door het
kabinet overbodig geacht gelet op de eerdere discussies met de
vertegenwoordigers van het IAB. Zeker wanneer het aflopen van de
uitkeringstermijn gepaard gaat met "flankerende" maatregelen,
zoals tijdige waarschuwing van de uitkeringsgerechtigde, het aangeven
van de stappen die hij dient te ondernemen om de prestatie gecontinueerd
te krijgen, is het kabinet van oordeel dat de voorgestelde maatregel in
overeenstemming is met de geest en de bedoeling van de lAO-voorschriften
ter zake.
11.4.
Overgangsrecht met betrekking tot de bevriezing van de uitkering
In zijn advies
besteedt de SVr aandacht aan de vraag of de overgangsmaatregel
"bevriezing indexering" van de WAO-uitkering
verenigbaar is met de verplichtingen van de diverse door Nederland
bekrachtigde normverdragen. Een deel van de Raad, bestaande uit de werknemersleden
en één onafhankelijk lid, acht de maatregel in strijd met het
zogenaamde indexeringsvoorschrift, zoals dit in lAO-verdrag nr. 121 is
opgenomen, inhoudende dat de bedragen van de lopende periodieke
betalingen worden herzien bij aanmerkelijke veranderingen in het
algemene loonpeil welke het gevolg zijn van aanmerkelijke veranderingen
in de kosten van levensonderhoud.
Ten aanzien van deze kritiek wijst het kabinet
erop dat de voorschriften van de normverdragen gelden voor het stelsel
zoals dit in zijn algemeenheid geldt en geen bijzondere voorschriften
bevatten ten aanzien van overgangsmaatregelen. Het betreffende
indexeringsvoorschrift is bovendien uitdrukkelijk gekoppeld aan de
berekening van de uitkeringen zoals die elders in de normverdragen is
voorgeschreven. Zo is ook door het Comité van Onafhankelijke
Deskundigen aangegeven in een Direct Request in 1986 aan de Nederlandse
regering. Het Comité verklaarde bij die gelegenheid dat de uitkeringen
als bedoeld in artikel 14, tweede en
derde lid, en artikel
18, eerste lid, van de WAO, herzien
dienden te worden als er substantiële wijzigingen in het algemeen
inkomensniveau optraden ten gevolge van substantiële wijzigingen in de
kosten van levensonderhoud. Zoals hiervoor onder paragraaf 11.2
is aangegeven, is er geen sprake van een rblz.|72|
"switchverbod". Staten
kunnen aan de verplichtingen blijven voldoen indien het nationale stelsel
aanvankelijk geënt is op het vroeger verdiende loon en later op
het
minimumloon. Met de handhaving van de AAW
als bodemvoorziening,
waarbij de gebruikelijke aanpassingsmechanismen op de
uitkeringshoogte (ook in het overgangsregime) wordt toegepast, is van strijd
met
de normverdragen dan ook geen sprake.
Overleg met het IAB of consultatie van het Comité van Onafhankelijke
Deskundigen wordt thans niet nodig geacht. Niet alleen biedt het verdrag
de mogelijkheid om te voldoen aan de aangegane verplichtingen door
middel van dan wel het hanteren van de hoge norm dan wel de lage norm,
maar ook heeft het Comité van Onafhankelijke Deskundigen in 1972 in een
commentaar op de periodieke Nederlandse rapportage over lAO-verdrag 121
verklaard dat de omzetting van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in
een ouderdomspensioen geoorloofd is "in so far as the qualifying
conditions and the level of the pension were in harmony with the
standards laid down in the Convention". Hierbij werd gerefereerd
aan de Nederlandse regelingen volgens welke bij het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar een WAO-uitkering, die
voldoet aan de hoge norm, wordt omgezet in een AOW-uitkering, die
voldoet aan de lage norm.
11.5.
Verenigbaarheid leeftijdscriterium met het gelijkheidsbeginsel
Zoals reeds onder paragraaf
4.3.2 is aangegeven, is ten aanzien van de WAO
sprake van een risicoverzekering met opbouwelementen. Daarin wordt op
twee manieren onderscheid gemaakt naar leeftijd. Zowel de duur van de
loondervingsuitkering als de hoogte van de vervolguitkering zijn
afhankelijk van de leeftijd van de verzekerde op het tijdstip waarop de
uitkering wordt toegekend. Derhalve rijst de vraag of dit onderscheid
naar leeftijd verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, zoals dat
onder meer is neergelegd in
artikel 1 van de Grondwet en
artikel 26 van het BUPO-verdrag [BUPO: Internationaal verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, red.]. De betreffende
bepalingen verzetten zich niet tegen het maken van onderscheid indien
daarvoor, in het licht van de doelstellingen van de regeling waarin het
onderscheid wordt gemaakt, een redelijke en objectieve rechtvaardiging
bestaat. In beginsel geldt als maatstaf dat het gemaakte onderscheid
geschikt en noodzakelijk moet zijn om het gestelde doel te bereiken (vgl.
"Gelijk in de praktijk", rapport van de Interdepartementale
juridische werkgroep gelijkheidsbeginsel, 's-Gravenhage 1991). Zoals
onder
paragraaf 4.3.2 reeds is uiteengezet, is uit een oogpunt van
uitvoerbaarheid en doelmatigheid gekozen voor een systeem waarbij de
opbouwelementen zijn gerelateerd aan de leeftijd van de verzekerde en
niet aan de duur van vervulde verzekeringstijdvakken. Met name deze
overwegingen van uitvoerbaarheid en doelmatigheid - belangrijke
toetsstenen voor de bruikbaarheid van wetgeving - maken het naar het
oordeel van het kabinet noodzakelijk en gerechtvaardigd om van
individuele variaties te abstraheren. Het kabinet meent dan ook dat het
in het
wetsvoorstel gehanteerde onderscheid naar leeftijd verenigbaar is
met het gelijkheidsbeginsel.
12.
Gevolgen voor de uitvoeringsorganisatie, deregulering en gevolgen voor
vrouwen
12.1.
Gevolgen voor de uitvoeringsorganisatie
a. Algemeen
De huidige
WAO kent bij
eenzelfde mate van arbeidsongeschiktheid één uitkeringsniveau. De
voorgestelde wijzigingen impliceren het ontstaan van twee soorten uitkeringen (loondervingsuitkering en vervolguitkering), met dikwijls een ander
niveau. Dit zal het werk van het rblz.|73|
uitvoerend apparaat verzwaren. Naast de meer complexe systematiek zal
het aantal cliënten toenemen bij de overheidsuitvoeringsorganen ten
gevolge van een groter beroep op de wachtgeld- en bijstandsachtige
regelingen (Rww, Ioaw,
Ioaz). Een verzwaring van de taak van de
uitvoeringsorganisatie zal ook plaatsvinden door de in de wet
neergelegde periodieke herbeoordelingsplicht; hoewel de
uitvoeringsorganisatie in beginsel ook nu al alle gevallen met een
zekere regelmaat moet bezien, heeft de grote groei van het aantal
arbeidsongeschikten deze doelstelling ongetwijfeld aanzienlijk
bemoeilijkt.
Het kabinet realiseert zich dat het een zwaar
beroep doet op de uitvoeringsorganisatie, maar acht dit, gegeven de
redenen die aan het wetsvoorstel ten
grondslag liggen, verantwoord.
b. Toename aantal
beoordelingen.
De
voorgenomen maatregelen zullen, zoals gezegd, leiden tot een
aanzienlijke verzwaring van de werklast van de bedrijfsverenigingen en
GMD alsmede de overheidspensioenorganen ABP, Spf en het ministerie van Defensie.
Veel meer personen zullen door deze organen per jaar moeten worden
beoordeeld. In de eerste jaren betreft dit de activiteiten in het kader
van de herbeoordelingsoperatie. Indien de herbeoordelingsoperatie kan
worden afgerond binnen vijf jaar, dienen 60 000 personen per jaar te
worden herbeoordeeld. Dit is nader toegelicht in paragraaf 7.3.
In deze eerste jaren is de aandacht voor
boven-50-jarigen uit het oude bestand nog relatief beperkt, omdat zij
niet worden herbeoordeeld en geen tijdelijk uitkeringsrecht (met
periodieke beoordeling) verkrijgen.
Daarna moet echter het volledige
arbeidsongeschiktheidsbestand periodiek worden beoordeeld en wel die
groepen die reeds vijf jaar (dan wel een veelvoud daarvan) een
AAW/WAO-uitkering
ontvangen. Per jaar betekent dit circa 110 000 extra beoordelingen ten
opzichte van de huidige situatie. Bij herbeoordeling om de drie jaar zal
dit aantal nog verder oplopen.
Daarnaast dienen alle
personen die na twaalf maanden ongeschiktheid een AAW/WAO-uitkering hebben
verkregen binnen één jaar opnieuw te worden beoordeeld
(eerstejaarsherbeoordeling).
Het gaat bij dit laatste om circa 70 000 personen per
jaar.
In
de eerste vijf jaar gaat het derhalve om circa 130 000 personen (60 000
+ 70 000) per jaar, die additioneel door de uitvoeringsorganen moeten
worden beoordeeld.
Hiervan valt ruim 10% (circa 15 000) onder de
verantwoordelijkheid van het ABP (en Spf/Defensie)
en de overigen (circa 115 000) onder de bedrijfsverenigingen c.q. GMD.
Later neemt dit aantal toe tot 180 000 personen
(110 000 + 70 000) per jaar. Verdeeld over de verschillende organen
betreft het 160 000 personen via de bedrijfsverenigingen/GMD en 20 000
personen via de overheidspensioenorganen.
Het werkaanbod van de GMD
bestond in 1990 uit ruim 350 000 adviesaanvragen per jaar (exclusief
voorzieningen en externe opdrachtgevers). In de eerste jaren
zal het werkaanbod met ongeveer 30% toenemen. Daarna is deze
toename ruim 45%. Naar verwachting moet rekening worden gehouden met
een toename van relatief gelijke omvang bij de
overheidspensioenorganen. Om deze taken te kunnen uitvoeren, naast de inspanningen die
worden voorzien in het kader van een intensievere begeleiding van
gedeeltelijk arbeidsgeschikten, zal een uitbreiding van het aantal
uitvoeringsfunctionarissen noodzakelijk zijn.
rblz.|74|
12.2.
Justitieel apparaat en het bedrijfsleven
Dit wetsvoorstel
betreft een wijziging van bestaande wetten (AAW, WAO
en overheidspensioenwetten) en een toevoeging van een stuk tijdelijke
regelgeving (de stimuleringsregeling). De wijziging betekent op enkele
punten een vereenvoudiging. Bijvoorbeeld op het punt van de samenvoeging
van de artikelen 33/34 AAW
en 44/45
van de
WAO, de anticumulatieartikelen. Het
arbeidsongeschiktheidscriterium is leesbaarder geworden. Wat de
niveaubepalingen betreft, moet worden vastgesteld dat er geen
vereenvoudiging is opgetreden. De huidige regeling kent één uitkering
van in beginsel hetzelfde niveau, de voorgestelde regeling bevat twee
soorten uitkeringen met dikwijls een ander niveau. Het justitieel
apparaat zal enigermate zwaarder worden belast, echter niet zodanig dat
grote problemen worden voorzien, daar immers het wetsvoorstel
voortborduurt op een bestaand stelsel.
De gevolgen voor het
bedrijfsleven kunnen van verschillende aard zijn. Zij kunnen liggen in de
arbeidsvoorwaardelijke sfeer (aanvulling uitkering), maar ook in de
sfeer van een vergrote kans op aansprakelijkheidstelling. Voor de
onderneming vormt arbeidsongeschiktheid van de werknemer als gevolg van een
arbeidsongeval of een beroepsziekte een financieel risico. Op basis
van artikel 1638x BW
kan een door een bedrijfsongeval of
beroepsziekte getroffen werknemer een vordering instellen bij zijn werkgever
om zijn schade te verhalen. In de rechtspraak is een tendens te bespeuren
de bewijslast richting werkgever te schuiven. De kans is
aanwezig dat eerder op genoemd artikel een beroep wordt gedaan, naarmate de
uitkering bij arbeidsongeschiktheid (samen met een eventuele
aanvulling) lager is. Dit zou via een omweg dan ook weer een belasting van het
justitieel apparaat kunnen geven.
12.3.
Gevolgen voor vrouwen
In het onderhavige
wetsvoorstel zijn geen regelingen getroffen die op zich in het bijzonder van
belang zijn voor de positie van vrouwen. Wel heeft het wetsvoorstel consequenties die op een meer indirecte manier
gevolgen hebben voor de
positie van vrouwen.
Uit
het jaarverslag van de GMD over 1990 blijkt dat de instroom van vrouwen
in de WAO
relatief groter is dan van mannen. Ook de cijfers van de SVr over 1991
bevestigen dit beeld. Deze toegenomen instroom vindt zijn oorzaak in de
toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen, maar is ook het gevolg van
het feit dat vrouwen meer werkzaam zijn in beroepen waar lichamelijke
arbeid wordt verricht. Uit de gegevens van de GMD blijkt ook dat vrouwen
minder snel voor werkhervatting (zowel bij de eigen werkgever als bij
een nieuwe werkgever) in aanmerking komen dan mannen. Het bovenstaande
impliceert dat ten behoeve van reïntegratiedoeleinden extra aandacht,
door middel van begeleiding en scholing, zal moeten worden gegeven aan
de positie van vrouwen.
13.
Evaluatie, onderzoek en voorlichting
13.1.
Evaluatie en onderzoek
Reeds bij de parlementaire
behandeling van het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de
Wet
TAV is aangekondigd dat er onderzoek zal plaatsvinden ten behoeve van de
evaluatie van het totale pakket van wettelijke en niet-wettelijke
maatregelen gericht op de terugdringing van het ziekteverzuim en het beroep
op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Ook de in het onderhavige wetsvoorstel
opgenomen maatregelen rblz.|75|
behoren tot dit pakket. Het evaluatieonderzoeksplan waarin dit onderzoek beschreven zal worden, is op
dit moment in ontwikkeling.
Het evaluatieonderzoek
dient aan te sluiten bij de genomen maatregelen en de daaraan gegeven
vorm en inhoud en bij de aandachtspunten die in de discussie daarover
naar voren zijn gebracht. De ontwikkeling van het
evaluatieonderzoekplan loopt derhalve parallel aan het wetgevingsproces. Deze samenloop
is ook nodig om, rekening houdend met het debat over de
maatregelen, te kunnen bepalen in welke mate en in welk opzicht in het
onderzoek aandacht aan de verschillende onderdelen van het pakket besteed moet
worden.
Bij deze evaluatie zal
gekeken worden naar de effecten en de mate van toepassing van de regelingen
en naar de wijze waarop de verschillende betrokken factoren met deze
regelingen omgaan.
De evaluatie van het effect
van de voorgestelde maatregelen op het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen zal in ieder geval opgenomen worden in een
algemene evaluatie van het effect van het gehele pakket van
maatregelen. Dit kan niet anders omdat sprake is van samenhangende maatregelen
die tegelijkertijd of kort na elkaar van kracht worden. Het zal niet
(goed) mogelijk zijn de ontwikkeling in het volume van het beroep op
deze regelingen in de komende jaren aan afzonderlijke maatregelen
toe te schrijven.
De SVr volgt reeds de wijze
waarop de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen
uitvoering geven aan de niet-wettelijke maatregelen opgenomen in de "Gemeenschappelijke verklaring volumebeleid
arbeidsongeschiktheid" van
2 oktober 1990. De SVr rapporteert hierover eens per halfjaar.
Daarnaast vindt ook een registratie plaats van ontslagaanvragen vanwege
arbeidsongeschiktheid en ten aanzien van gehandicapte werknemers in de zin
van de Wagw.
Ten aanzien van de
wettelijke maatregelen zal een keuze gemaakt moeten worden welke
maatregelen afzonderlijk of als cluster bestudeerd zullen worden en welke
aspecten uitgebreid en gedetailleerd of slechts globaal aandacht zullen
krijgen. Vanwege het aantal en de verwevenheid van deze maatregelen zal het
om onderzoektechnische redenen en vanwege de uitvoerbaarheid
van het onderzoek niet goed mogelijk zijn alle maatregelen
afzonderlijk met betrekking tot alle daarbij relevante aspecten met evenveel
diepgang aan een analyse te onderwerpen.
Voor een
beoordeling van de
in het voorliggende wetsontwerp opgenomen maatregelen is
informatie nodig over de wijze waarop individuen met die
maatregelen worden geconfronteerd en welke veranderingen er in het optreden
van de uitvoeringsorganen ten opzichte van hen optreden zowel ter
uitvoering van deze maatregelen (bijvoorbeeld aanpak functieduiding) als
naar aanleiding daarvan (bijvoorbeeld in de vorm en mate van
begeleiding). In ieder geval zal aandacht besteed worden aan de toepassing van
het overgangsrecht.
Een eerste voorlopige
evaluatie van maatregelen zal naar verwachting medio 1993 plaatsvinden.
Deze termijn is te kort om op dat moment te kunnen beschikken over
informatie over de effecten van de in de Wet TAV
opgenomen maatregelen.
Daarnaast zal nog geen of onvoldoende informatie beschikbaar zijn
over dan pas kort van kracht zijnde maatregelen. Wel zal dan
informatie beschikbaar zijn over eventuele knelpunten bij de toepassing van de in
die wet opgenomen maatregelen, voor zover die één jaar van kracht
zijn. Hierna zal met een zekere regelmaat informatie beschikbaar komen over
meer aspecten van steeds meer maatregelen. Deze informatie zal
gebruikt kunnen worden bij een voortgaande evaluatie van de werking van de
voorgestelde maatregelen. Die regelmaat rblz.|76|
zal, onder andere, afhankelijk zijn van het uiteindelijke
invoeringstrajekt van de verschillende maatregelen en van de
noodzakelijke waarnemingstermijnen voor het verkrijgen van de beoogde
informatie.
13.2.
Voorlichting
Het ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid zal de reeds in gang gezette
voorlichtingsactiviteiten voortzetten. Dit houdt in dat op het moment van het
van
kracht worden
van de nieuwe maatregelen bekendheid zal worden gegeven aan
inhoud en consequenties van de nieuwe maatregelen. Dit gebeurt in de
vorm van een landelijke voorlichtingscampagne met accenten naar
werkgevers, werknemers en intermediaire kaders.
Parallel aan het bekendmaken
van de nieuwe maatregelen zal het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid tevens een campagne voeren met als doel bedrijven te stimuleren initiatieven te nemen om
ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid te voorkomen en terug te dringen.
Voor beide campagnes zijn
reeds voorlichtingsplannen ontwikkeld die ook zijn besproken met de
uitvoeringsorganen en andere betrokkenen. De eerste campagne is van
start gegaan bij het in werking treden van de Wet
TAV.
Het kabinet onderschrijft de
mening van de SVr dat het informeren van individuele
uitkeringsgerechtigden een taak is voor de bedrijfsverenigingen.
Artikelsgewijs
Artikel I
[I] (WAO)
Onderdeel A
[A] (artikel 13)
De
invoering van een vervolguitkering in de WAO,
waarvan de hoogte mede wordt bepaald door de hoogte van het
minimumloon, maakt het nodig in de
wet een bepaling op te nemen die aangeeft wat voor de vaststelling
van de vervolguitkering onder minimumloon wordt verstaan. Het ligt voor
de hand dat voor deze definitie wordt aangesloten bij andere socialezekerheidswetten
waar het minimumloon thans reeds een rol speelt. Met name is hierbij dan
ook aansluiting gevonden bij de WW, waar
voor de vaststelling van de hoogte van de vervolguitkering op grond van artikel 14,
derde lid, is bepaald welk bedrag voor de betrokkene als minimumloon
dient te worden aangemerkt.
Volledigheidshalve wordt erop gewezen dat
aangezien de WAO-uitkering een uitkering per dag is deze bepaling als
resultaat het minimumloon per dag oplevert. Sedert de totstandkoming van
de Wet van 26 juni 1991, Stb. 1991, 339, wijkt dit bedrag af van
het bedrag per dag op grond van de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag, aangezien sindsdien voor de
socialezekerheidswetten wordt uitgegaan van het maandbedrag gedeeld door
21,75 en voor de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag van het
maandbedrag gedeeld door 21,66.
rblz.|77|
Onderdeel B
[B] (artikel 18)
Eerste en tweede lid
In
het algemeen deel van deze memorie van toelichting is reeds aangegeven
dat de door de SER voorgestelde aanvulling van de
wettekst die het
arbeidsongeschiktheidscriterium bevat, met de zinsnede "als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of
gebrek" wordt overgenomen.
Vijfde lid
Bij
de bespreking van het
SER-advies in het algemeen deel
van deze memorie van toelichting is reeds opgemerkt dat het in de ogen
van het kabinet belangrijkste voorstel van de SER tot wijziging van het
arbeidsongeschiktheidscriterium wordt overgenomen. Het gaat om de
vaststelling van de arbeid waarmee een betrokkene ondanks zijn ziekte of
gebreken zich een bepaald inkomen kan verwerven. Dit inkomen wordt ter
bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid afgezet tegen het inkomen
dat die betrokkene, grofweg, met zijn oude arbeid verdiende; de SER
spreekt in dit verband van de vaststelling van wat onder "passende
arbeid" moet worden verstaan. Artikel 18
van de huidige WAO heeft het in het eerste
lid tweemaal over "arbeid" en werkt de eerstgenoemde arbeid,
want daar gaat het in dit kader om, in het vijfde lid aldus uit:
"In het eerste lid wordt onder de eerstgenoemde arbeid verstaan
arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend
en die hem met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep in
billijkheid kan worden opgedragen". De SER stelt voor niet meer
naar het verleden te kijken, maar de potentiële verdiencapaciteit te
accentueren; de terminologie "en die hem met het oog op zijn
opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden opgedragen"
moet dan verdwijnen. Hij komt dan tot het voorstel onder de hier
bedoelde arbeid te verstaan: "alle gangbare arbeid die naar medisch
en arbeidskundig inzicht voor de krachten en bekwaamheden van de
verzekerde is berekend" (zie blz. 170 SER-advies). Het kabinet is
het op zich eens met dit voorstel, maar geeft de voorkeur aan een iets
andere formulering. In het vijfde lid wordt een definitie opgenomen van
het begrip arbeid, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe
de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
Met de term "algemeen
geaccepteerde" die in de definitie wordt geïntroduceerd, wil het
kabinet aangeven dat het om gangbare arbeid moet gaan. Hierbij dient het
wel om een geobjectiveerd begrip te gaan, dus niet als "voor
betrokkene gangbaar gezien zijn arbeidsverleden".
De zinsnede "naar medisch
en arbeidskundig inzicht" wordt niet overgenomen, omdat met het
huidige, in de praktijk goed hanteerbaar gebleken, zesde lid van artikel 18 hetzelfde bereikt wordt als met
bedoelde zinsnede wordt
beoogd. In het huidige vijfde lid van artikel 18 is nog een speciale
omschrijving gegeven van de eerstgenoemde arbeid als bedoeld in het tweede
lid van artikel 18. Het gaat in het tweede lid om
degene die al bij of
sedert het begin van de verzekering gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Een
speciale omschrijving is voor dit geval niet nodig omdat de huidige
omschrijving al opleiding en vroeger beroep buiten beschouwing laat en dus reeds spoort met de voorgestelde
omschrijving.
De SVr wijst er in zijn advies op dat het
opnemen van een bepaling in rblz.|78|
de WAO dat WSW-arbeid niet wordt aangemerkt
als "algemeen geaccepteerde" arbeid, zoals het kabinet in zijn
conceptwetsvoorstel - toen nog in de terminologie "gangbaar" -
voorstelde, niet voor de hand ligt. Dit zou namelijk tot gevolg hebben
dat degenen die WAO-verzekerde zijn geworden door het gaan verrichten
van WSW-arbeid, bij uitval voor deze arbeid altijd als volledig
arbeidsongeschikt in het kader van de WAO moeten worden beschouwd, omdat
de WSW-arbeid niet in aanmerking kan worden genomen bij de
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De SVr adviseert dan ook deze
bepaling niet op te nemen. Het kabinet is het eens met het SVr-advies op
dit punt en ziet dan ook af van het opnemen van een dergelijke bepaling
in de WAO. In de AAW
stond reeds een dergelijke bepaling en die zal worden gehandhaafd.
Het moge duidelijk zijn dat
door het verdwijnen van de terminologie "en die hem met het oog op
zijn opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden opgedragen" het accent van de interpretatie van
het vijfde lid op de
zinsneden "algemeen geaccepteerde" en "waartoe de werknemer met zijn krachten
en bekwaamheden in staat is" zal komen te liggen. Te meer daar de
zinsnede "in billijkheid" is verwijderd. Het kabinet beseft dat jurisprudentie op
dit punt zal ontstaan. Vooralsnog wil het afzien van het stellen van
nadere regels ten aanzien van dit punt. Het volstaat hier met de
opmerking dat in zijn ogen ook parttimewerk tot algemeen geaccepteerde
arbeid moet worden gerekend. Het kabinet spreekt voorts de
verwachting uit dat niet te snel door interpretatie van het begrip "krachten" zal
worden aangenomen dat iemand psychisch arbeid niet aan kan die niet
(geheel) van hetzelfde niveau is als zijn oude arbeid.
Voor de wijze waarop de
verdiensten uit de algemeen geaccepteerde arbeid naar de opvatting van
het kabinet moeten worden bepaald, wordt verwezen naar de toelichting
bij het achtste lid.
Achtste lid
Dit lid wordt niet
gewijzigd. Toch past hier een toelichting bij. Blijkens de toelichting op het
corresponderende lid (voorheen derde lid, nu negende lid) van artikel 5 van de AAW
(Kamerstukken II 1974-1975, 13 231, paragraaf 2a, onder 1) dient dit lid onder
meer om ten behoeve van de bepaling van de mate van
arbeidsongeschiktheid bepaalde methodieken aan te geven die tot het resultaat leiden dat
met de definitie van arbeidsongeschiktheid wordt beoogd. Via dit lid
zou dan ook de operationalisering van de voor de
arbeidsongeschiktheidsschatting van belang zijnde elementen vorm kunnen worden gegeven. Zoals
reeds in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven,
staat het kabinet positief tegenover het advies van de SVr op dit punt. Het
kabinet zal zich hierover nog nader beraden, waarbij het voor de hand
ligt te zijner tijd advies te vragen aan de SVr.
Onderdeel C
[C] (artikel 21)
De wijziging van
artikel 21
strekt er in eerste instantie toe aan te geven dat na de
wetswijziging als het ware twee soorten uitkeringen zullen bestaan, die beide
als arbeidsongeschiktheidsuitkering worden aangemerkt. Op grond van de
bestaande systematiek van de WAO wordt de hoogte van de uitkering
bepaald door twee elementen, te weten het dagloon en het
uitkeringspercentage. In de nieuwe situatie blijft dit het geval tijdens de in duur
beperkte loondervingsuitkering. De vervolguitkering, die opkomt na
beëindiging van de loondervingsuitkering, zal dienen te voorzien in een uitkering van
70% van het
minimumloon, rblz.|79|
verhoogd met een percentage
afhankelijk van de leeftijd en van het verschil tussen het dagloon
en het minimumloon. Dit percentage bedraagt 1,75 per levensjaar
bij de aanvang van de WAO-uitkering na het 18de jaar. Het
uitkeringspercentage, dat is afgeleid van de mate van arbeidsongeschiktheid, dient
uiteraard bij de overgang van de loondervingsuitkering naar de
vervolguitkering geen wijziging te ondergaan. Om nu de systematiek van de WAO
intact te laten en het aantal wijzigingen in de afzonderlijke
artikelen van die wet zoveel mogelijk te beperken, is gekozen voor invoering in
de wet van het begrip "vervolgdagloon" .
Tijdens de
loondervingsuitkering blijft het dagloon gelden, tijdens de vervolguitkering wordt het
vervolgdagloon ingevoerd. Teneinde tot de beoogde uitkering te komen, is het bedrag van het vervolgdagloon
samengesteld uit het bedrag
van het minimumloon, verhoogd met het bedrag van de toeslag, die
per jaar na het 18de jaar 2,5% van het verschil bedraagt tussen het
dagloon en het minimumloon (100/70 x 1,75 = 2,5).
Volledigheidshalve het
volgende voorbeeld:
Leeftijd bij aanvang
arbeidsongeschiktheidsuitkering: 40 jaar
Arbeidsongeschiktheid: 80% of meer
Dagloon: ƒ240,-
Minimumloon: ƒ100,-
Aantal jaren dat in aanmerking moet worden genomen voor
vervolguitkering: 22
Loondervingsuitkering: twee jaar 70% van ƒ240,-: ƒ168,-
Vervolguitkering daarna:
opzet:
70% van ƒ100,-: ƒ70,-
+ 22 x 1,75 = 38,5% van ƒ140,-: ƒ53,90
totaal: ƒ123,90
uitwerking:
vervolgdagloon:
minimumloon: ƒ100,-
+ 22 x 2,5 = 55% van ƒ140,-: ƒ77,-
vervolguitkering: 70% van ƒ177,-: ƒ123,90
Wellicht ten overvloede willen wij er nog op wijzen dat zowel de
loondervingsuitkering als de vervolguitkering
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de zin van de WAO
zijn. Op de vele plaatsen in de wet waar
wordt gesproken over arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft dit uiteraard
betrekking op beide soorten uitkering.
In het
algemeen deel van de
toelichting is reeds de toevoeging van het vierde lid toegelicht.
Onderdeel D
[D]
Artikel 21a
In dit artikel wordt de duur
van de loondervingsuitkering geregeld. Bepalend voor de duur van
deze loondervingsuitkering is de leeftijd op de dag met ingang waarvan de
WAO-uitkering wordt toegekend. Zoals
uit de tekst van het artikel
blijkt, duurt deze uitkering in alle gevallen ten minste één jaar. Tezamen met de
uitkeringstermijn van de ZW rblz.|80|
komt deze termijn overeen
met de termijn van twee jaar waarbinnen op grond van het BW
bij ziekte
een arbeidsovereenkomst niet door de werkgever mag worden
opgezegd. Dit is voor het kabinet de aanleiding geweest tot het kiezen van
de minimumtermijn van de periode waarin het uitkeringspercentage
rechtstreeks van het dagloon wordt afgeleid. Met inachtneming van dit minimum
zijn de termijnen vergelijkbaar met de termijnen die in de WW
gelden voor de aanspraak op verlengde
uitkering. Hierbij wordt nog
opgemerkt dat ten aanzien van personen van 58 jaar of ouder een
afwijkende periode wordt gehanteerd. Dit is gebeurd uit zuiver
praktische overwegingen. Hadden deze personen overeenkomstig de WW een
uitkeringsduur van vijf jaar gehad, dan zouden zij over de resterende
periode een vervolguitkering hebben ontvangen waarvan de hoogte gelijk zou
zijn aan de loondervingsuitkering.
Artikel 21b
Dit artikel regelt het recht
op vervolguitkering en geeft aan op welke wijze de maatstaf voor die
uitkering, het vervolgdagloon, dient te worden berekend.
Het eerste lid bepaalt dat
het recht ontstaat na beëindiging van het recht op
loondervingsuitkering.
Zoals reeds in het
voorgaande is vermeld, zal het vervolgdagloon voor personen die meer verdienden
dan het
minimumloon en na hun 18de jaar aanspraak op WAO-uitkering
krijgen uit twee componenten bestaan, te weten het minimumloon en de
bovenminimale component. In het tweede lid is dit aangegeven. In
het derde lid is aangegeven hoe het percentage van de bovenminimale
component wordt vastgesteld.
Overigens dient te worden opgemerkt dat onder de in het tweede lid genoemde begrippen dagloon
en minimumloon moeten worden verstaan het dagloon zoals dat is
vastgesteld op grond van artikel 14 en herzien in verband met de indexering
(artikel 15) en bij speciale gevallen ter zake van toegenomen
arbeidsongeschiktheid (artikel 40) en het minimumloon, het voor de betrokkene
geldende bedrag van het minimumloon zoals vastgesteld op grond van het
bij dit wetsvoorstel ingevoegde tweede lid van artikel 13 van de WAO.
Dit impliceert dat bij iedere wijziging van het relevante minimumloon en van
het dagloon het bedrag van het vervolgdagloon dient te worden
gewijzigd. Naar aanleiding van de opmerkingen van de SVr ten aanzien van
de indexering van het vervolgdagloon is in het algemeen deel van deze toelichting nog het
één en ander opgemerkt.
Het vierde lid heeft
betrekking op personen die bijvoorbeeld door het verrichten van
deeltijdarbeid minder verdiend hebben dan het
minimumloon. Voor hen wordt
het vervolgdagloon vastgesteld op het dagloon.
Op grond van artikel 35 van
de WAO kan, behoudens bijzondere gevallen, de
arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan één jaar vóór de
dag waarop
de
aanvraag wordt ingediend. Zou deze bepaling zonder meer worden
toegepast voor het bepalen van de duur van de loondervingsuitkering
en de hoogte van de vervolguitkering, dan zou dit tot een onjuist
resultaat leiden. In feite immers dient als peildatum te gelden de datum
waarop men één jaar arbeidsongeschikt is. Het vijfde lid strekt ertoe
dit te regelen.
Onderdelen E
[E],
N [N]
en O [O]
(artikelen 22, 48
en
53)
Deze wijzigingen houden
verband met de voor de in deze artikelen vervatte bepalingen
voorgestelde toevoeging van het begrip vervolgdagloon.
rblz.|81|
Onderdeel F
[F] (artikel 28)
Aan
artikel 28 wordt een
sanctiebepaling toegevoegd. Wanneer een betrokkene niet tijdig zijn
uitkering aanvraagt, kan de bedrijfsvereniging overgaan tot een korting op
de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Met betrekking tot het
nieuwe tweede lid kan worden opgemerkt dat de SVr in zijn advies met
betrekking tot de sanctiebepalingen in de WAO
en de AAW
(de artikelen 25
en 28 WAO en 16 en 19
AAW) verschilpunten heeft geconstateerd
met de sanctiebepalingen in ZW en WW. In al deze wetten heeft de bedrijfsvereniging de bevoegdheid om in
bepaalde nader omschreven
gevallen de aanspraken op uitkering geheel of ten dele, tijdelijk of
blijvend, buiten aanmerking te laten. In het kader van de ZW en de WW is de SVr
bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de aan de
bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid. In de WAO en de AAW ontbreekt tot
dusverre een regelgevende bevoegdheid voor de SVr in verband
waarmee de Raad in zijn advies heeft verzocht ook in de WAO en de AAW
overeenkomstige bepalingen op te nemen. Voor wat betreft de WAO
strekt de bepaling van artikel 28, tweede lid, daartoe.
Onderdelen
G [G], H
[H] en R
[R] (artikel 34, 35
en
73)
Voor alle personen die na de inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel
arbeidsongeschikt worden, geldt ingevolge het eerste lid van artikel 34
dat zij voor de termijn van maximaal drie jaar een
arbeidsongeschiktheidsuitkering krijgen. Op grond van een in artikel XIX
[XVIII] van
dit wetsvoorstel opgenomen
overgangsbepaling is deze termijn voorlopig vastgesteld op vijf jaar.
Voor personen die bij het in werking treden van het voorliggende
wetsvoorstel reeds arbeidsongeschikt zijn, gaat deze termijn lopen op de
dag dat men na herbeoordeling een uitkering krijgt, gebaseerd op het
nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium (artikel
XVI
[XVI], vijfde lid).
In tegenstelling tot de huidige systematiek
wordt de uitkering niet meer ambtshalve toegekend, maar uitsluitend op
aanvraag. Daarom dient ook in de artikelen 34
en
35
de ambtshalve toekenning te vervallen.
In artikel 34,
derde lid, is geregeld dat de aanvraag uiterlijk negen maanden na
aanvang van de arbeidsongeschiktheid respectievelijk drie maanden vóór
het verstrijken van de toekenningstermijn moet worden gedaan. De
aanvraag binnen negen maanden van arbeidsongeschiktheid geldt zowel voor
degenen die wel als voor degenen die geen recht hebben op ziekengeld
krachtens de ZW.
De bedrijfsvereniging is volgens het in het
tweede lid van artikel 34
bepaalde verplicht om belanghebbende acht maanden na de eerste ZW-dag
of vier maanden vóór het verstrijken van de toekenningstermijn op de
hoogte te stellen van de mogelijkheid om een
arbeidsongeschiktheidsuitkering aan te vragen respectievelijk om een
verzoek te doen de uitkering te verlengen.
In het vijfde lid wordt
bepaald wanneer een aanvraag wordt geacht tijdig te zijn. Wanneer de
bedrijfsvereniging geen kennisgeving verstrekt aan betrokkene, wordt een door betrokkene ingediende aanvraag tot
voortzetting van de
uitkering altijd als tijdig gezien. Wanneer de bedrijfsvereniging te laat een kennisgeving
verstrekt, dient de aanvraag binnen rblz.|82|
één maand na ontvangst van
de kennisgeving te worden gedaan om als tijdig te worden aangemerkt.
Indien door betrokkene geen aanvraag wordt gedaan, mede
veroorzaakt door het feit dat hij geen kennisgeving heeft gekregen, wordt de
uitkering na het aflopen van de termijn stopgezet. De betrokkene kan hierop dan een aanvraag indienen waarna
alsnog een uitkering kan
worden verstrekt, zo mogelijk met terugwerkende kracht. Hierbij is
uiteraard wel voorwaarde dat betrokkene aan de voorwaarden tot voortzetting
voldoet. Telkens wanneer een uitkering wordt verstrekt of
voortgezet, dient de bedrijfsvereniging aan te geven wat de maximale looptijd van
de uitkering is.
In het vierde lid is
geregeld wat er moet gebeuren als weliswaar de kennisgeving en de aanvraag
tijdig zijn gedaan, maar de bedrijfsvereniging niet tijdig heeft
beslist. In dat geval wordt de uitkering voortgezet tot het moment dat de
bedrijfsvereniging beslist.
In het zesde lid van
artikel
34 is bepaald dat bij verlenging recht bestaat op een uitkering
zoals die bestond aan het einde van de daaraan voorafgaande periode. Hiermee wordt voorkomen dat weer opnieuw de
termijn van de
loondervingsuitkering een aanvang neemt dan wel een nieuwe toeslag wordt
berekend op basis van de leeftijd die men heeft bereikt bij het ingaan van
de nieuwe uitkering.
Het is ingevolge het zevende
lid van artikel 34 mogelijk om bepaalde groepen arbeidsongeschikten
uit te zonderen van de verplichting om na drie/vijf jaar na eerste toekenning een verzoek tot verlenging te doen. Te
denken valt aan
arbeidsongeschikten die langdurig in een verpleegtehuis verblijven.
Onderdeel R
[R] bevat de
mogelijkheid voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds om betaalde WAO-uitkeringen niet aan de bedrijfsvereniging te vergoeden indien die bedrijfsvereniging haar verplichtingen op grond van
artikel 34 WAO niet nakomt.
Het gaat er hierbij dus om dat de bedrijfsvereniging niet of niet
tijdig kennis heeft gegeven aan de betrokkene dat, om recht op uitkering te
verkrijgen dan wel te behouden, een aanvraag moet worden ingediend.
Onderdeel I
[I] (artikel 36)
Het
tweede lid van
artikel
36 heeft betrekking op alle personen die arbeidsongeschikt worden
na de datum waarop het voorliggende wetsvoorstel
in werking treedt. Uiterlijk één jaar nadat de uitkering een aanvang
heeft genomen, dient een herbeoordeling plaats te vinden. Deze
herbeoordeling na uiterlijk één jaar geldt dus niet voor personen die
reeds een uitkering hadden op de datum van inwerkingtreding van de
wet. Evenals ter zake van de tijdelijkheid van de uitkering kan de
SVr, onder goedkeuring van de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bepaalde groepen van
arbeidsongeschikten van deze herbeoordeling uitzonderen. Dit is geregeld
in het nieuwe derde lid.
Onderdeel J
[J] (artikel 40)
De wijziging van het eerste
lid houdt verband met de introductie van de loondervingsuitkering en
de vervolguitkering in de WAO. Hierbij wordt nog
opgemerkt dat ook tijdens de
vervolguitkering herziening van het rblz.|83|
dagloon zal kunnen
plaatsvinden. Hierdoor volgt dan automatisch de herziening van het voor de
uitkering relevante vervolgdagloon.
Het nieuw toegevoegde vierde
lid voorziet in het stellen van regels voor de gevallen waarin bij
toegenomen arbeidsongeschiktheid hetzij opnieuw een loondervingsuitkering zou kunnen worden toegekend, hetzij
een vervolguitkering bij
toegenomen arbeidsongeschiktheid anders dan op grond van een verhoging
van het dagloon zoals bedoeld in het eerste lid, zou kunnen worden
verhoogd dan wel beide maatregelen zouden kunnen worden getroffen. Met
betrekking tot deze kwestie moge worden verwezen naar paragraaf
4.3.3 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Opgemerkt wordt nog dat het
regelen van deze kwestie via een ministeriële regeling moet
worden gezien als een tijdelijke oplossing. Er wordt naar gestreefd dit punt
zo
spoedig mogelijk definitief via wetswijziging te regelen.
Onderdelen K
[K], L
[L] en M
[M] (artikel 44, 45
en
46a)
In onderdeel K
[K] is de nieuwe anticumulatieregeling in
de WAO neergelegd. Nu in de
arbeidsongeschiktheidsregelingen
wordt uitgegaan van "alle algemeen geaccepteerde arbeid
overeenkomend met iemands krachten en bekwaamheden", kan het niet
zo zijn dat iemand gedurende langere tijd (duurzaam) arbeid verricht
zonder hierop geschat te worden.
Arbeid waarvan niet vaststaat dat deze past bij
iemands krachten en bekwaamheden wordt in ieder geval wel geacht hierbij
te passen indien die arbeid drie jaar is verricht. Op dat moment dient
dus een feitelijke schatting plaats te vinden. Gedurende genoemde
periode van maximaal drie jaar dient er uiteraard wel een anticumulatie
plaats te vinden van de uitkering en de inkomsten uit arbeid.
In het eerste lid van
artikel 44 is die anticumulatie vormgegeven als een fictieve schatting.
Het
tweede lid regelt de maximale toepassingsperiode van de
anticumulatieregeling. Sedert de inwerkingtreding van de Wet TAV
per 1 maart 1992 is deze vastgesteld op drie jaar. Voorts is in dit lid
bepaald dat na afloop van de periode van drie jaar de arbeid dient te
worden aangemerkt als arbeid in de zin van
artikel 18, vijfde lid. Hiermee wordt het advies van de SVr gevolgd.
In
het derde lid is voorzien in een uitzondering op de maximale
toepassingstermijn van de anticumulatieregeling voor WSW-arbeid. Eén en
ander hangt samen met het gegeven dat op het punt van de anticumulatie
WSW-arbeid (behalve voor "beroeps-WSW-ers", zie paragraaf 6.1)
niet wordt beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid.
Het vierde lid is gelijk aan
het huidige tweede lid van artikel 45.
Het
vijfde lid opent de mogelijkheid dat via een ministeriële regeling
andere groepen worden aangewezen, buiten de personen die WSW-arbeid
verrichten, die geen algemeen geaccepteerde arbeid verrichten. In het algemeen deel
is bij wijze van voorbeeld gewezen op de parttimegemeenteraadsleden.
Voor deze aangewezen groepen worden de inkomsten uit deze arbeid
geanticumuleerd volgens het eerste lid van artikel
44. Zij kunnen echter op deze arbeid niet geschat worden. De
toepassing van het eerste lid van artikel 44
is derhalve niet gebonden aan de termijn van drie jaar.
rblz.|84|
In verband met het vervallen
van artikel 45 is de inhoud van de
bepaling die was opgenomen
in het derde lid overgebracht naar artikel
44, zesde lid. Hiermee wordt
het advies van de SVr gevolgd die wees op de noodzaak van het laten
bestaan van de mogelijkheid tot het stellen van regels.
Omdat het kabinet voorstelt te komen tot één anticumulatieregeling,
kan artikel 45 vervallen. De wijziging
vervat in onderdeel M [M]
houdt verband met het vervallen van artikel 45
en het gelijkluidende artikel 34 in de
AAW.
Onderdeel P
[P] (artikel 59b)
Deze wijziging houdt verband
met het invoegen van een nieuw lid in artikel 21 en het vervallen
van artikel 45.
Onderdeel Q
[Q] (artikel 71)
Deze wijziging houdt verband
met het wijzigen van artikel 44 en het vervallen van
artikel 45.
Onderdeel S
[V] (artikel 98b)
Op grond van de
Algemene
termijnenwet wordt het einde van een termijn welke afloopt op een
zaterdag, een zondag of een algemeen erkende christelijke
feestdag verschoven naar de eerstvolgende werkdag. Deze regel kan niet gelden
voor termijnen van uitkeringen, dus ook niet voor de termijn van de
loondervingsuitkering.
Artikel II
[II] (AAW)
Onderdeel A
[A] (artikel 5)
Voor de toelichting op dit
artikel kan worden verwezen naar de toelichting op artikel 18 WAO.
Onderdeel B
[B] (artikel 12)
In het
algemeen deel van
deze memorie van toelichting is reeds de toevoeging van het derde lid
aan artikel 12 toegelicht.
Onderdeel C
[C] (artikel 19)
Als toelichting op dit
artikel kan worden verwezen naar de toelichting op artikel 28 van de WAO.
Evenals in de WAO is aan dit artikel een tweede lid
toegevoegd dat de SVr de
bevoegdheid geeft regels te rblz.|85|
stellen met betrekking tot
de sanctietoepassing van de bedrijfsverenigingen.
Onderdelen D
[D] en
K [K]
(artikelen 24 en 59)
De wijzigingen van de in
artikel 24 opgenomen bepalingen zijn geheel overeenkomstig de
wijzigingen van artikel 34 van de WAO. Hierbij wordt nog
opgemerkt dat opneming
van de bepaling in het derde lid volgens welke de betrokkene zijn
aanvraag dient in te dienen binnen negen maanden na aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, het bepaalde in artikel 59
van de AAW
overbodig maakt.
In dat artikel is namelijk een soortgelijke bepaling opgenomen, welke
thans kan komen te vervallen. Onderdeel K
[K] strekt daartoe.
Onderdelen E tot en met J
[E-J] en
L [M]
(artikel 25, 26, 33, 34, 36a, 53 en 64)
Zie het
algemeen deel van de
toelichting en de toelichting op de artikelen
35, 36, 44, 45,
46a, 59b en 71 van de WAO.
Artikel
III [III] (IWS)
Onderdelen A
[A] en B
[B] (artikelen 45 en 48)
Deze artikelen, die op
advies van de SVr zijn aangepast, zijn gewijzigd in verband met de
introductie van het begrip vervolgdagloon in de WAO.
Onderdeel C
[C] (artikel 52)
Dit
artikel betreft het laten vervallen voor beneden-50-jarigen van de voor
uitkeringsgerechtigden van vóór de stelselherziening gehandhaafde
verdisconteringsbepalingen. In het algemeen deel
van de memorie van toelichting is deze maatregel reeds toegelicht.
Artikel
IV [IV] (Wauoo)
(artikelen 19 en 41)
De
Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies wordt
gewijzigd vanwege het vervallen van de artikelen 34 AAW
en 45 WAO.
De tekst van dit artikel is naar aanleiding van het SVr-advies
gecorrigeerd.
Artikel
V [V] (Abp-wet)
Primair moge worden verwezen
naar het vermelde in hoofdstuk 9 en naar de toelichting op de overeenkomstige
artikelen van de WAO.
rblz.|86|
Onderdeel A
[A] (artikel A 2, tweede lid)
Deze wijziging vloeit voort
uit artikel F 9b.
Onderdeel B
[B] (artikel C 6, tweede lid)
Zonder nadere regeling zou bij samenloop van een gedeeltelijk
invaliditeitspensioen met een eveneens gedeeltelijk wachtgeld een
volledige wachtgeldtijdbijdrage verschuldigd zijn. Door de introductie
van de van de mate van algemene invaliditeit afhankelijke vermindering
wordt de wachtgeldtijdbijdrage in evenredigheid gebracht met het
gedeeltelijke wachtgeld. Het percentage waarmee de wachtgeldtijdbijdrage
wordt verminderd, komt overeen met het van de mate van algemene
invaliditeit afhankelijke percentage onvoltooide diensttijd.
Onderdeel C
[C] (artikel D 4, zevende lid)
De
samenloop van invaliditeitspensioen (IP) met wachtgeld (WG) heeft
gevolgen voor de opbouw van met pensioen te vergelden diensttijd. Zowel
bij IP als bij WG is er sprake van een dergelijke opbouw. De systemen
van opbouw verschillen echter onderling sterk. Het IP-regime kent een
opbouw naar evenredigheid van het verlies aan verdienvermogen, terwijl
het WG-regime een opbouw kent naar onderscheid van leeftijd en
arbeidsverleden. Zonder nadere regeling leidt dit verschil in
opbouwregimes bij samenloop van IP en WG tot een onevenredige
pensioenopbouw. Bij een mate van algemene invaliditeit van 65 tot 80%,
waarbij een pensioenopbouw geldt van 80%, en een wachtgeld dat is
verleend op basis van een totaal van leeftijd en arbeidsverleden van
meer dan 60 jaar, waarbij een pensioenopbouw geldt van 50%, kan deze
pensioenopbouw oplopen tot 130%. Het voorgestelde artikel D 4, zevende
lid, beoogt de pensioenopbouw in verband met wachtgeldtijd naar
evenredigheid van het resterende verdienvermogen te beperken.
Onderdeel D
[D] (artikel E 1, tweede lid)
Door het vervallen van de
zinsnede "maar niet eerder dan op het tijdstip waarop het recht op
wachtgeld eindigt" wordt samenloop van invaliditeitspensioen met wachtgeld mogelijk. Voor de reden van deze
wijziging wordt verwezen
naar paragraaf 9.7 van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
Het
ABP is blijkens het
advies van mening dat de wijziging van artikel F 9 dient te leiden tot een
overeenkomstige aanpassing van artikel E 1, eerste lid, onderdeel b.
Het toetsingscriterium voor
ongeschiktheid voor het vervullen van de betrekking zou dan moeten
wijzigen in "blijvende ongeschiktheid die het rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg is van ziekte of gebreken".
Het hanteren van
niet-consequente begrippen kan aldus het ABP tot misverstanden leiden. Hoewel
men meent dat de voorgestelde wijziging slechts een tekstuele wijziging behelst,
wordt aangegeven dat indien dit rblz.|87|
niet zo zou zijn, de noodzaak tot een meer consistent begrippengebruik
des te meer klemt.
Een consequentie van de wijziging zou anders
zijn dat bepaalde ziekten of gebreken zonder rechtstreeks en objectief
medisch vast te stellen gevolg wel aanleiding zou kunnen geven om te
concluderen dat iemand uit hoofde van ziekten of gebreken blijvend
ongeschikt is, maar dat hij in feite niet algemeen invalide is, omdat er
geen rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolgen zijn.
Een onderscheid dat in de uitvoeringspraktijk onwerkbaar en ook slechts
academisch van aard is.
Het ABP miskent hierbij evenwel dat de door hem
voorgestelde wijziging een aanpassing betreft van de specifiek voor het
overheidspersoneel geldende norm blijvende ongeschiktheid voor het
vervullen van de eigen betrekking. Een wijziging van deze eigen norm
past niet binnen het algemeen kader waarbinnen de doorvertaling van de WAO-maatregelen
naar de overheidssector plaatsvindt. De situatie waarin een betrokkene
wel blijvend ongeschikt wordt bevonden, maar niet algemeen invalide is,
kan ook thans voorkomen. Bij een voldoende resterend verdienvermogen is
dan geen aantoonbare loonschade. Het advies wordt dan ook niet
overgenomen.
Onderdeel E
[E] (artikel F 9)
De wijzigingen van artikel F
9 vormen een doorvertaling van de artikelen
13, 18, 21,
21a,
21b en 22 van de WAO. Er wordt verwezen naar de uitgebreide
toelichting bij die artikelen. Hierna volgt een aanvullende toelichting.
De aanvulling op het
inverdiende invaliditeitspensioen wordt slechts gedurende een zekere periode
gerelateerd aan de middelsom. Met andere woorden, de duur van de "loongerelateerde" aanvulling is beperkt.
De aanvulling op het
inverdiende invaliditeitspensioen in de volgende fase is gebaseerd op een
andere grondslag (zie toelichting op het zesde lid). Vandaar dat het
eenduidige begrip middelsom in dit artikel is vervangen door het begrip
aanvullingsgrondslag. Het begrip aanvullingsgrondslag wordt gedurende de
loongerelateerde fase van de aanvulling in vergelijking met de fase
daarop een verschillende inhoud gegeven.
In
het tweede lid, laatste volzin, wordt arbeid verricht in een
dienstbetrekking krachtens de WSW aangemerkt als niet zijnde arbeid in
de zin van artikel F 9, tweede lid, tweede volzin. Dit is in afwijking
van artikel
18, eerste lid, WAO. In de toelichting op artikel 18
WAO wordt aangegeven dat deze bepaling in
de WAO niet voor de hand ligt. Dit zou
namelijk tot gevolg hebben dat degene die WAO-verzekerde is geworden
door het gaan verrichten van deze arbeid, bij uitval voor deze arbeid
altijd als volledig arbeidsongeschikt zou moeten worden beschouwd. In de AAW
bestond reeds een bepaling waarin de WSW-arbeid als zodanig werd
aangemerkt. Deze bepaling is gehandhaafd in artikel 5, zevende lid.
Aangezien de hier bedoelde WSW-arbeid nimmer leidt tot een verzekering
van invaliditeitspensioen op grond van de Abp-wet, kan het hiervoor
geschetste WAO-probleem zich niet voordoen.
Het zesde lid is zodanig
gewijzigd dat iedere belanghebbende gedurende een bepaalde
periode recht heeft op een aanvulling op het inverdiend pensioen tot het
percentage van de middelsom dat correspondeert met zijn
invaliditeitsgraad als bedoeld in het vijfde lid. Wat betreft de hoogte van het pensioen
verandert er in deze periode niets ten rblz.|88|
opzichte van de situatie van vóór deze wetswijziging. Daarna wordt de hoogte van de aanvulling in
navolging van de WAO beperkt. Voor een beschrijving van dit systeem
van verlaging wordt verwezen naar paragraaf 9.1 van het algemeen deel
van de memorie van toelichting.
Voor de vaststelling van de
hoogte van de aanvulling in deze zogenaamde vervolgfase
speelt, naast de middelsom, het minimum(jeugd)loon een rol. Daartoe
is in artikel F 18 de definitie van dat
minimumloon opgenomen.
De zesde volzin ziet op de
situatie waarin op grond van een toegenomen mate van algemene
invaliditeit recht ontstaat op een aanvulling van het invaliditeitspensioen. Artikel F 11, tweede lid, bepaalt dat een
dergelijke aanvulling of
verhoging daarvan ingaat op de dag waarop het recht daarop ontstaat.
Blijkens het eerdergenoemde voorschrift kan de aanvulling of verhoging
echter niet eerder ingaan dan één jaar vóór de eerste dag van de maand
waarin het verzoek daartoe werd ingediend. Hier wordt uitdrukkelijk
bepaald dat toepassing van dit voorschrift geen betekenis heeft voor de
datum van ingang en het verloop van de periode waarin de
aanvullingsgrondslag is gebaseerd op de middelsom.
Het
streven om de bestaande indeling van de Abp-wet zo min mogelijk geweld
aan te doen, heeft geleid tot de huidige omvang van het zesde lid. Dit
streven heeft voorrang gekregen boven een meer overzichtelijke indeling.
Onderdeel F
[F] (artikel F 9b)
Dit
voorschrift voorziet in een verhoging van het invaliditeitspensioen voor
belanghebbenden aan wie een invaliditeitspensioen, met inbegrip van een
aanvulling, is toegekend dat minder bedraagt dan het
minimumloon.
Deze verhoging, tot maximaal het minimumloon,
bedraagt niet meer dan het verschil tussen het invaliditeitspensioen en
de middelsom waarnaar deze is berekend, met dien verstande dat die niet
meer mag bedragen dan 30% van het minimumloon. Hiermee wordt de TW
overeenkomstig toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met inkomsten
uit of in verband met arbeid, maar evenwel geen rekening wordt gehouden
met het samenlevingsverband van de betrokkene en de inkomenssituatie van
het samenlevingsverband.
De verhoging van het invaliditeitspensioen is
bedoeld als een tijdelijke regeling. Deze minimumgarantie is een
voorziening in verband met het wegvallen van de mogelijkheid bij de
vaststelling van de mate van algemene invaliditeit werkloosheid te
verdisconteren. Zolang de bepalingen van de Abp-wet, zoals die wet gold
vóór de datum van inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel, nog van toepassing zijn, gelden de bepalingen van dit
artikel niet.
In
het ABP-advies wordt er terecht op gewezen dat bij de bepaling van de
grens van de toeslag op basis van artikel F 9b rekening moet
worden gehouden met de deeltijdfactor. Artikel F 9b is
dienovereenkomstig aangepast.
Het
ABP geeft er de voorkeur aan om de inkomensgarantie te relateren aan het
ambtelijk bezoldigingsniveau, conform het huidige artikel F 9, negende
lid, Abp-wet. Zolang dat garantiebedrag ongeveer gelijk is aan het
minimumloon zou dat geen bezwaar
behoeven te ontmoeten, aldus het ABP-advies.
In dit verband wordt het volgende opgemerkt.
rblz.|89|
Met artikel F
9b wordt een
met de TW vergelijkbare regeling gecreëerd. Dit verklaart
ook de keuze voor het hanteren van het
minimumloon als garantienorm. Met de constatering dat "zolang dat
garantiebedrag ongeveer
gelijk is aan het minimumloon dat geen bezwaar zou behoeven te
ontmoeten" is meteen de problematiek geschetst die ontstaat bij
het hanteren van een norm gerelateerd aan het ambtelijk
bezoldigingsniveau. Dit veronderstelt een synchrone ontwikkeling van het
bezoldigingspeil voor het overheidspersoneel en het minimumloon. Het kabinet
vindt dit een te onzekere basis die niet past binnen het streven naar
marktconformiteit en neemt het advies niet over.
Het
ABP wijst erop dat bij de bepaling van de hoogte van de verhoging ex
artikel F 9b andere inkomsten uit of in verband met arbeid
buiten beschouwing blijven. Wel worden zij via artikel J 20 gekort op
het pensioen. Dit is een omslachtige methode. De regelingen zouden
volgens het ABP-advies voorts aan duidelijkheid winnen indien de
inkomenstoets als element aan artikel F 9b
zou worden toegevoegd.
Het kabinet neemt deze aanbeveling over.
Artikel F 9b Abp-wet en de overeenkomstige artikelen zijn in
deze zin aangepast.
Het
ligt volgens het ABP-advies voor de hand dat de regelgeving van artikel
F 9b geheel of gedeeltelijk wordt gefinancierd door het
Toeslagenfonds. Dienaangaande wordt het volgende opgemerkt.
Bij de totstandkoming van de
TW is besloten het overheidspersoneel uit te zonderen van de
werkingssfeer van die wet vanwege het
bestaan van eigen uitkeringsregelingen met daarin opgenomen
minimumgarantiebepalingen. Die argumentatie blijft gelden ook na de
voorgestelde wijziging van artikel F 9b van de Abp-wet. Het
advies wordt daarom niet gevolgd.
Overigens impliceert de hiervoor gegeven
overweging dat indien het overheidspersoneel niet langer wordt
uitgezonderd van de werkingssfeer van de TW, er ook geen overheveling
van gelden zal hoeven plaats te vinden naar het Toeslagenfonds.
Voorts is het kabinet het er over eens dat de
onderhavige maatregel leidt tot enige besparing aan uitkeringsgelden in
het kader van de ABW. Deze gelden zullen worden overgeheveld naar de
overheidsfondsen.
Onderdeel G
[G] (artikel F 10)
Voor deze wijziging wordt
verwezen naar de uitvoerige argumentatie in hoofdstuk 5
"Tijdelijkheid
uitkering en periodieke herbeoordeling" van het algemeen deel van de
toelichting.
In
het eerste lid van artikel F 10 wordt in afwijking van de
overeenkomstige WAO-bepaling bepaald dat het
bestuur de aanvulling voor de eerste maal ambtshalve toekent. Ten
aanzien van een eerste toekenning van een uitkering ingevolge de WAO zal
vier maanden vóór afloop van het ZW-jaar
een kennisgeving aan betrokkene worden gezonden. Deze heeft vervolgens
ruim de tijd om te reageren en een WAO-uitkering aan te vragen. In de
ambtelijke regelingen is geen vast tijdstip aan te geven waarop de
overgang van ziekte naar arbeidsongeschiktheid zal plaatsvinden. De
toekenning van het invaliditeitspensioen vindt plaats op basis van een
gebeurtenis, namelijk het ongeschiktheidsontslag. Dit ontslag heeft mede
tot gevolg dat er vanaf de ontslagdatum geen salaris meer wordt genoten,
zodat het invaliditeitspensioen naadloos dient aan te sluiten. De in de
WAO geregelde aanvraagprocedure en de daaraan rblz.|90|
verbonden administratieve
handelingen kunnen hier, gelet op het onzekere tijdstip waarop het
ontslag valt, tot een ongewenste vertraging leiden. Vandaar de noodzaak
om de aanvulling voor de eerste keer ambtshalve toe te kennen.
Het
ABP concludeert in het advies dat het systeem van herbeoordelingen dat
voortvloeit uit artikel F 10 niet van toepassing is op
invaliditeitsgepensioneerden met uitsluitend een diensttijdpensioen, op
herplaatsingswachtgelders en op herplaatsten. Niet duidelijk is het,
aldus het advies, of deze groepen wel aan een herbeoordeling zullen
moeten worden onderworpen langs de weg van de fictieve uitvoering van de AAW.
Bij de zin van een dergelijk systeem van
herbeoordeling bij genoemde groepen worden door het ABP vraagtekens
geplaatst, aangezien deze groepen in feite reeds zijn gereïntegreerd en
hun resterend verdienvermogen te gelde maken. Men wijst erop dat bij
herplaatsten en herplaatsingswachtgelders signalering van gewijzigde
omstandigheden altijd door betrokkene zelf of door de werkgever
plaatsvinden. Voor herplaatsingswachtgelders geldt voorts dat zij reeds
bij uitstek een doelgroep vormen op wie reïntegratieactiviteiten zijn
gericht. Indien de herbeoordelingen desalniettemin doorgang moeten
vinden, adviseert het ABP de keuringen in het kader van de Abp-wet en de
AAW synchroon te laten lopen. Een verschil in cycli wordt door het ABP
niet aanvaardbaar geacht.
In reactie op het vorenstaande wordt het
volgende opgemerkt.
De herkeuringsactiviteiten in het kader van de
artikelen F 10 en F 10a Abp-wet zijn gericht op de aanvulling
naast het inverdiende invaliditeitspensioen. Deze aanvulling is de aan
de WAO overeenkomstige pensioencomponent.
De beoordeling van alle overige pensioenbestanddelen is in dit kader dan
ook niet aan de orde.
Herbeoordelingen in het kader van de fictieve
uitvoering van de AAW vloeien voort uit de verantwoordelijkheden die een
uitvoerend orgaan heeft in het kader van de AAW-claim. Hoewel het
onontkoombaar is dat aanspraken van AAW en Abp-wet op verschillende data
ontstaan, is het kabinet van mening dat zoveel mogelijk dient te worden
voorkomen dat keuringscycli niet synchroon lopen. Daarbij kan worden
gedacht aan het over en weer gebruikmaken van voorhanden zijnde recente
informatie en aan het afstemmen van keuringscycli door middel van het
hanteren van een herkeuringstermijn van minder dan drie jaren.
De herkeuringstermijn sluit
als regel aan op de datum waarop de lopende termijn afloopt.
Indien de uitvoeringsorganisatie niet tijdig beslist op een aanvraag tot
voortzetting van de aanvulling, wordt deze aanvulling van rechtswege
voortgezet tot het moment van de beslissing op de aanvraag. Deze
voortzetting betreft derhalve de lopende aanvulling. Daar vloeit uit
voort dat in een voorkomend geval de nieuwe termijn van drie jaren een
aanvang neemt vanaf het moment van besluitvorming door de
uitvoeringsorganisatie over het voortzetten van de aanvulling.
Onderdeel H
[H] (artikel F 10a)
Dit artikel is de pendant
van het bepaalde in artikel 36, tweede en derde lid, van de WAO. Verwezen zij naar
de toelichting op dat artikel.
rblz.|91|
Onderdeel I
[I] (artikel F 14)
Met betrekking tot dit
artikel wordt verwezen naar de toelichting op de wijziging van artikel 28
WAO.
Onderdeel J
[J] (artikel F 18)
In dit artikel is de
definitie opgenomen van het in hoofdstuk F gehanteerde begrip
minimumloon.
Onderdeel K
[K] (artikel J 19)
De wijziging van dit artikel
betreft in de eerste plaats een redactionele actualisering. Deze
redactionele wijziging vloeit voort uit de samenvoeging van de artikelen 44
en 45 van de WAO.
Onderdeel L
[L] (artikel J 20)
De
in
paragraaf 6.1 van het algemeen deel van de memorie
van toelichting vermelde argumenten met betrekking tot de noodzaak tot
herformulering van de overeenkomstige
WAO-artikelen gelden onverkort ten aanzien
van het eerste en derde lid (tevens is dit voorschrift in dezelfde zin
aangepast als artikel J 18).
Het
vierde lid stelt nadere regels voor de situatie waarin een
belanghebbende naast een invaliditeitspensioen een uitkering op grond
van een ontslaguitkeringsregeling geniet en inkomsten heeft uit of in
verband met arbeid. Er wordt bepaald dat gedurende de periode van
bedoelde samenloop onder invaliditeitspensioen mede de uitkering op
grond van een ontslaguitkeringsregeling dient te worden verstaan.
Daarnaast wordt geregeld dat indien de som van
het invaliditeitspensioen en de neveninkomsten meer bedraagt dan 100%
van de middelsom, eerst de anticumulatiebepalingen van de
ontslaguitkeringsregeling toepassing vinden en het resterend bedrag aan
ontslaguitkering mede in beschouwing wordt genomen.
Bedraagt de som van invaliditeitspensioen en
inkomsten - nadat de uitkering op grond van een
ontslaguitkeringsregeling daarop volledig in mindering is gebracht -
meer dan de middelsom, dan wordt het invaliditeitspensioen verminderd
met het bedrag van overschrijding van de middelsom.
Onderdeel M
[M] (artikel K 2)
De
wijzigingen van artikel K 2, tweede lid, hebben tot doel het
herplaatsbaarheidscriterium in overeenstemming te brengen met de inhoud
van het begrip algemene invaliditeit. De overweging hiervoor is de
volgende.
Zonder afstemming tussen het
herplaatsbaarheidscriterium en het begrip algemene invaliditeit kan de
situatie bestaan waarin een rblz.|92|
betrokkene wegens niet-herplaatsbaarheid wordt afgekeurd en ontslagen,
terwijl tevens wegens het ontbreken van enige mate van algemene
invaliditeit geen compensatie wordt verleend voor de loonschade. Deze
situatie acht het kabinet ongewenst.
De wijzigingen zullen naar verwachting leiden
tot een toename van het aantal herplaatsbaarverklaarden en een
overeenkomstige afname aan afkeuringen, in casu van het aantal
invaliditeitsgepensioneerden.
Onderdeel N
[N] (artikel W 8)
Deze wijziging vloeit voort
uit de hiervoor genoemde wijzigingen.
Artikel VI
[VI] (Spw)
De
in dit artikel opgenomen wijzigingen van de Spw stemmen overeen met de
in
artikel V
[V] voorgestelde overeenkomstige
wijzigingen van de Abp-wet. Kortheidshalve moge worden volstaan met een
verwijzing naar de toelichting op artikel V
[V] en worden de
onderdelen C
[C] en
F
[F] toegelicht.
Onderdeel C
[C] (artikel D 4, zesde lid)
De
overweging van het Spf dat bij een toevoeging omtrent
diensttijddoortelling bij samenloop van wachtgeld en
invaliditeitspensioen in artikel D 4 artikel K 4, zevende lid, dat
hiervan een "specialisregeling" omvat, kan vervallen, wordt in
beraad gehouden. Het advies wordt derhalve nu niet overgenomen.
Onderdeel F
[F] (artikel F 7b)
Het
Spf wijst er in het advies op dat de NS [Nederlandse Spoorwegen, red.]
thans reeds een overeenkomstige toepassing van de
TW kent. Dit is evenwel een onverplichte
toepassing. Artikel 8 van het Reglement dienstvoorwaarden noemt de TW
niet en vormt dan ook geen goede rechtsbasis voor de positie van de
deelgenoot van het Spf. Het Spf adviseert aan de Spw een bepaling toe te
voegen die overeenkomt met artikel F 9b
Abp-wet.
Het advies van het Spf wordt overgenomen. Dit
leidt tot de toevoeging van artikel F 7b aan de Spw alsmede tot
wijziging van de artikelen A 2, J 18, J 19, J 20, X
[X] en XI
[XI].
Voorts signaleert het Spf in het advies dat, gelet op de gekozen
volgorde, de noodzaak van toepassing van artikel F 7b wordt
gemeten na de toepassing van de compensatietoeslag van artikel F 7a
en deze laatste toeslag ook niet over het minimumbedrag wordt toegekend.
Deze zienswijze is juist. De toeslag van
artikel F 7a dient ter compensatie van een verschil tussen de
inkomensniveaus in de marktsector en de overheidssector. Het
minimumloon is evenwel reeds geënt
op het inkomensniveau in de marktsector. Het verlenen van deze toeslag
blijft dan ook achterwege.
rblz.|93|
Artikel VII
[VII] (Amp-wet)
Onderdeel A
[A] (artikel B 5)
Een uitkering ingevolge de
Uitkeringswet
gewezen militairen is een wachtgeld in de zin van de
pensioenwet. Om duidelijk te maken dat de bepalingen die doelen op de
samenloop van pensioen en wachtgeld niet zijn gericht op een
dergelijke uitkering, is de in dit onderdeel bedoelde toevoeging opgenomen.
Onderdeel B
[B] (artikel E 6)
De
wijzigingen komen overeen met die van het vergelijkbare artikel uit de
Abp-wet en betreffen het arbeidsongeschiktheidscriterium, afschaffing
van de verdiscontering van werkloosheid, verplichtingen in het kader van
opleiding en scholing, alsmede aanpassing van het recht op verhoging van
de aanvulling bij een toestand van hulpbehoevendheid.
Onderdeel C
[C] (artikel F 1)
De in dit onderdeel
geregelde toevoeging beoogt te voorkomen dat bij samenloop van pensioen en
wachtgeld meer diensttijd wordt opgebouwd dan de werkelijke duur van
die samenloop wettigt.
Onderdeel D
[D] (artikel F 3)
In
het systeem van de Amp-wet is het niet mogelijk om wachtgeldtijd zonder
de daaraan voorafgaande werkelijke tijd afzonderlijk met pensioen te
vergelden. Wanneer samenloop van wachtgeld met invaliditeitspensioen
mogelijk wordt, ontstaat dan ook een situatie waarin het oorspronkelijk
toegekende invaliditeitspensioen bij het bereiken van de leeftijd van 65
jaar, rekening houdend met de uit dat wachtgeld voortvloeiende voor
pensioen geldige diensttijd, moet worden herzien. De in dit onderdeel
bedoelde toevoeging richt zich daarop.
Onderdeel E
[E] (artikel F 6)
De
hier opgenomen wijzigingen betreffen in hoofdzaak het nieuwe stelsel van
berekening van de aanvulling (verlaging na een zekere periode) zoals dat
ook voor het burgerlijk overheidspersoneel wordt geïntroduceerd en de
introductie van het systeem van toekenning voor een vaste, korte periode
met verlengingen op verzoek. Verwezen wordt naar de eerdere
toelichtingen ter zake. Nieuw voor de Amp-wet is ook het bepaalde onder
110 [lees: het bepaalde onder 11, red.]. Het daar omschreven
uitstel van herziening van de aanvulling na scholing werd in de Abp-wet
en de Spw per 1 maart 1992 geïntroduceerd via de Wet
TAV (Stb. 1992, 82). De gelegenheid is aangegrepen dit ook
voor de militairen alsnog te doen.
rblz.|94|
Onderdeel F
[F] (artikel F 6a)
Artikel F 6a vormt de pendant van artikel F 10a van de
Abp-wet en voorziet, onverminderd het daarover in de wet al bepaalde, in
de mogelijkheid van herziening of intrekking van de aanvulling binnen
één jaar.
Onderdeel G
[G] (artikel F 9a)
Artikel F 9a vormt de pendant van artikel F 9b van de
Abp-wet. De formulering is Abpuatie voor kan doen [lees: De situatie kan
zich voordoen, red.] dat een verhoging tot minimumniveau vanwege
andere inkomsten naderhand onjuist zou blijken. Gesproken wordt van het
totale pensioen van de beroepsmilitair om uit te sluiten dat voorbij
wordt gegaan aan mogelijke aanspraken op een bijzondere verhoging ter
zake van invaliditeit met dienstverband. Voor de vaststelling van de
vraag of verhoging tot het minimum gewenst is, worden dus ook die
verhogingen als inkomen gezien.
Onderdeel H
[H] (artikel F 13)
Artikel F 13 bevat, evenals artikel F 18 van de Abp-wet, een definitie
van het in hoofdstuk F te hanteren begrip
minimumloon.
Onderdelen I
[I] en
J [J]
(artikelen G 1 en H 1)
Zoals eerder toegelicht,
leidt de samenloop van invaliditeitspensioen met wachtgeld bij het
bereiken van de 65-jarige leeftijd tot één ouderdomspensioen waarin, gemaximeerd op 100 procent, zowel de uit
wachtgeld voortvloeiende als
de aan de mate van arbeidsongeschiktheid te ontlenen diensttijd
worden vergolden. De onderdelen I
[I] en
J [J]
strekken ertoe die situatie door te
trekken naar de nabestaandenpensioenen.
Onderdeel K
[K] (artikel K 3)
Het
uitdrukkelijk vermelden van de hier bedoelde toeslagen als bedrag
waarover een overlijdensuitkering kan worden toegekend, houdt verband
met het systeem van de wet. De vergelijkbare toeslagen worden in de
begripsomschrijvingen van de Abp-wet als pensioen gedefinieerd en leiden
aldus tot hetzelfde resultaat.
Onderdeel M
[M] (artikel R 4)
Met in dit onderdeel
omschreven toevoeging wordt de mogelijkheid geopend om bij samenloop van
wachtgeld met invaliditeitspensioen de op het wachtgeld in te houden
pensioenbijdrage in overeenstemming te rblz.|95|
brengen met de tijd die men
als gevolg van de maximering als bedoeld in onderdeel C
[C] ook feitelijk
heeft opgebouwd.
Onderdeel O
[O] (artikel U 1)
De zinsnede die vervalt,
belemmert thans de samenloop van wachtgeld en invaliditeitspensioen
Onderdeel Q
[Q] (artikel V 4)
De
onder 1 en 3 opgenomen wijzigingen komen inhoudelijk overeen met die op
de artikelen J 19 en J 20 van de Abp-wet. Onder 4 is opgenomen dat een
naast invaliditeitspensioen toegekend wachtgeld niet tot de inkomsten
uit of in verband met arbeid wordt gerekend. Dat is gedaan omdat in de
voor ogen staande constructie van een combinatie van
herplaatsingswachtgeld en aanvullend wachtgeld zal worden geregeld dat
daarop alleen recht bestaat voor zover het bedrag van dat wachtgeld dat
van het pensioen overschrijdt. In materieel opzicht zal een samenstel
van pensioen en wachtgeld of van pensioen, wachtgeld en neveninkomsten
voor de militair niet anders zijn dan voor de burger.
De onderdelen
L [L], N
[N], P
[P], R [R]
en S [S] betreffen correcties in verband met de hiervoor omschreven
wijzigingen.
Artikelen VIII t/m XV
[VIII-XV] (stimuleringsuitkering)
In hoofdstuk 8
van het algemeen deel van deze memorie van toelichting is reeds ingegaan
op de wenselijkheid van het treffen van een maatregel voor bepaalde
groepen arbeidsongeschikten ter bevordering van de
arbeidsmarktparticipatie. Voor de motivering van deze maatregel moge dan
ook worden verwezen naar dat hoofdstuk. Daarin is in de eerste plaats
aangegeven voor welke groep van personen deze maatregel zou dienen te
gelden. Deze doelgroep is aangeduid in artikel VIII
[VIII].
Onderdeel a betreft personen die reeds
vóór 1 januari 1987 recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
van de WAO of AAW
hadden en op dat tijdstip ouder waren dan 35 jaar [lees: 35 jaar of
ouder waren, red.].
Voor deze groep zijn indertijd op grond van het
bepaalde in artikel 52 van de
IWS de verdisconteringsbepalmgen van de WAO
en de AAW van toepassing gebleven. De regeling kan dan ook personen
betreffen die jonger zijn dan 50 jaar.
Onderdeel b betreft personen van 50
jaar of ouder op de datum van inwerkingtreding van het
voorliggende wetsvoorstel. Om te bereiken dat de maatregel beperkt
blijft tot personen die tot het "oude" bestand behoren, is
tevens als voorwaarde gesteld dat de betrokkene reeds vanaf 1 januari
1990 onafgebroken recht op uitkering moet hebben gehad.
Toevoeging van uitkeringsgerechtigden op grond
van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening
militairen (Wamil) houdt verband met het feit dat deze personen
weliswaar een uitkering ontvangen die overeenkomt met een WAO-uitkering,
maar het recht op deze uitkering niet ontlenen aan de WAO, maar aan de
Wamil.
Onderdeel c wijst de groepen personen
aan die in verband met hun aanspraken op invaliditeitspensioen op grond
van de Abp-wet rblz.|96|
of de Spw dan wel op pensioen uit hoofde van ziekte of gebreken op grond
van de Amp-wet tot de doelgroep behoren.
AAW/WAO-gerechtigden
jonger dan 50 jaar hebben recht op een stimuleringsuitkering indien op
hen artikel 52 van de IWS
van toepassing is en zij op 31 januari 1992 een uitkering genieten. De IWS
is van toepassing op degenen die op 1 januari 1987 een uitkering op
grond van de AAW/WAO genoten. Voorts hebben ook AAW/WAO-gerechtigden
ouder dan 50 jaar [lees: van 50 jaar of ouder, red.] recht op een
stimuleringsuitkering. Aangezien de IWS niet geldt voor
overheidspersoneel is voor het gehele overheidspersoneel aansluiting
gezocht bij de regeling zoals die geldt in de marktsector voor
boven-50-jarigen. Betrokkene dient uiteraard te voldoen aan de eisen die
worden gesteld ter zake aan deze stimuleringsuitkering: dat wil zeggen
dat hij op 31 januari 1992 en sedert 1 januari 1990 onafgebroken in het
genot dient te zijn van een aanvulling op het inverdiend
invaliditeitspensioen.
Artikel
IX [IX]
Het
eerste lid van dit artikel creëert het recht op stimuleringsuitkering.
Hierin wordt aangegeven dat degene die voldoet aan de in artikel VIII
[VIII] omschreven voorwaarden, in de
periode van 1 februari 1992 tot 1 februari 1994 werkzaamheden dient te
aanvaarden, waardoor de arbeidsongeschiktheidsuitkering of de aanvulling
op het invaliditeitspensioen wordt verlaagd of ingetrokken, dan wel
slechts gedeeltelijk of niet wordt uitbetaald. Door het stellen van de
termijn van twee jaar blijkt, zoals reeds in het algemeen deel
van deze memorie is vermeld, dat het slechts een tijdelijke maatregel
betreft. Overigens biedt het tweede lid van artikel XXXII
[XXIX] de mogelijkheid om de datum van 1
februari 1994 bij koninklijk besluit tot een later tijdstip op te
schuiven. Van deze mogelijkheid zou gebruik gemaakt kunnen worden indien
blijkt dat de stimuleringsmaatregel in grote mate tot werkhervattingen
leidt.
Het tweede lid is opgenomen in verband met het
feit dat arbeid in WSW-verband in het algemeen niet als algemeen
geaccepteerde arbeid wordt beschouwd.
Artikel
X [X]
Dit
artikel regelt de hoogte van de stimuleringsuitkering.
Hierbij wordt opgemerkt dat de
vakantie-uitkeringen apart zijn genoemd omdat deze in de WAO
en AAW
niet als arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn aangemerkt. De duur van de
uitkering is drie jaar, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de
werkzaamheden.
De stimuleringsuitkering bedraagt 60% van de
bespaarde uitkering. Onder bespaarde uitkering wordt ook verstaan een
toeslag op grond van de TW. Hierbij zij wel
het volgende opgemerkt.
In de praktijk zou het vrijwel ondoenlijk zijn
vast te stellen welk bedrag aan toeslag wegens werkaanvaarding niet
wordt uitbetaald. Arbeidsinkomsten en inkomsten in verband met arbeid,
zoals socialeverzekeringsuitkeringen van betrokkene maar ook van diens
partner, spelen immers een rol bij de vaststelling van de toeslag. In
verband daarmee is in het tweede lid de bepaling opgenomen dat het
toeslagbedrag voor het eerste jaar van de stimuleringsuitkering wordt
gefixeerd op de toeslag die betrokkene ontving onmiddellijk vóór de
werkaanvaarding. Met betrekking tot de stimuleringsuitkering over de
volgende jaren is het onwenselijk om een gefixeerd bedrag te hanteren
dat ver in het verleden rblz.|97|
ligt. In verband daarmee is
in onderdeel b van het tweede lid bepaald dat voor de volgende
betalingstermijnen als peildatum de eerste dag van die betalingstermijn geldt.
Overeenkomstig de gevolgde lijn met betrekking tot de doorvertaling van
de overige maatregelen naar de overheidsregelingen is de
stimuleringsuitkering verbonden met de aanvulling op het inverdiende
invaliditeitspensioen. De stimuleringsuitkering voor de
invaliditeitsgepensioneerde bedraagt 60% bruto van het door de
werkhervatting op deze aanvulling bespaarde bedrag. Onder het bespaarde
bedrag wordt in voorkomend geval ook verstaan de verhoging op grond van
artikel F9b Abp-wet indien het een verzekerde ingevolge de
Abp-wet betreft. Voor de deelgenoot in de zin van de Spw wordt onder het
bespaarde bedrag tevens begrepen de analoge toepassing van het Reglement
dienstvoorwaarden.
Artikel
XI [XI]
In artikel X
[X]
is bepaald dat
over drie jaar recht op stimuleringsuitkering bestaat. De toekenning van
het recht op een dergelijke uitkering is echter in dit artikel geregeld.
Op
advies van de SVr is in het eerste lid bepaald dat het uitvoeringsorgaan
het recht op de stimuleringsuitkering zo spoedig mogelijk vaststelt.
Als voorwaarde geldt dat de betrokkene na de werkaanvaarding hiervoor een
aanvraag moet indienen, waarop de bedrijfsvereniging op grond
van het eerste lid zo spoedig mogelijk een beslissing dient te nemen.
Van de beslissing moet betrokkene zo spoedig mogelijk schriftelijk op de
hoogte worden gebracht. Dit wordt geregeld in het tweede lid.
De uitbetaling van de
uitkering geschiedt op grond van het derde lid in drie jaarlijkse termijnen.
Op grond van het vierde lid dient de betrokkene om zijn recht op uitbetaling
van een termijn geldend te maken respectievelijk één, twee en drie
jaar na de aanvaarding van de arbeid bij het orgaan dat de uitkering
betaalt een schriftelijke aanvraag in te dienen.
Het is alleszins redelijk
dat in geval van overlijden de nagelaten betrekkingen nog aanspraak kunnen
maken op de tot de datum van overlijden lopende termijn van de stimuleringsuitkering. In verband hiermee is in
het vijfde lid bepaald dat
de personen die in aanmerking komen voor de overlijdensuitkering op
grond van de WAO (zoals de echtgenoot of de minderjarige kinderen),
recht hebben op de resterende termijn van de stimuleringsuitkering.
Artikel
XII [XII]
Zoals reeds in het
algemeen deel van deze memorie van toelichting is vermeld, dient de
stimuleringsuitkering niet te worden aangemerkt als inkomen in de zin van
de TW, Ioaw, Ioaz en ABW. Hieraan ligt de overweging ten grondslag
dat, gelet op het doel van de stimuleringsmaatregel, zijnde
reïntegratie op de arbeidsmarkt, het niet terecht zou zijn wanneer deze zou worden
afgeroomd.
Voorts dient de uitkering
ook niet te worden aangemerkt als inkomen in verband met arbeid in de
zin van de AAW.
Tevens is bepaald dat de
stimuleringsuitkering niet dient te worden beschouwd als loon ingevolge
de Ziekenfondswet voor de bepaling van de loongrens op grond van
die wet. Omdat de bepalingen van de WAO van overeenkomstige
toepassing zijn verkaard, zou immers de stimuleringsuitkering als
WAO-uitkering kunnen worden aangemerkt. Hierdoor zou de stimuleringsuitkering mee kunnen
tellen voor de loongrens op rblz.|98|
grond van de Ziekenfondswet
en daardoor de toelating tot de verplichte ziekenfondsverzekering
onmogelijk kunnen maken.
Artikel
XIII [XIII]
In dit artikel is aangegeven
welk orgaan zorg draagt voor de betaling van de stimuleringsuitkering
en ten laste van welke fondsen of welk orgaan die uitkering geheel of gedeeltelijk komt.
Artikel
XIV [XIV]
In dit artikel wordt een
aantal bepalingen die betrekking hebben op de uitkeringen waaraan de
stimuleringsuitkering is ontleend van overeenkomstige toepassing verklaard.
Het betreft met name de
bepalingen inzake uitbetaling, terugvordering, verpanding of belening,
rijksgarantie, het instellen van beroep, premieheffing en het inhouden van
vereveningsbijdrage.
Het resultaat van het van
overeenkomstige toepassing zijn van deze artikelen is velerlei. Zo
zal de bedrijfsvereniging hierdoor de betrokkene in voor beroep vatbare vorm
kennis moeten geven van haar beslissing op een aanvraag om
stimuleringsuitkering, waarna deze beroep kan instellen. Een ander aspect
is dat premieheffing voor de socialeverzekeringswetten of inhouding van
een overeenkomstige vereveningsbijdrage kan plaatsvinden.
Artikel
XV [XV]
Dit artikel biedt de
mogelijkheid om nadere regels te stellen.
Dit kan onder meer gewenst
zijn in verband met de berekening van de uitkering, de wijze van
aanvraag en de termijn waarbinnen deze dient te geschieden.
Opgemerkt wordt nog dat de
SVr in zijn advies een tweetal situaties noemt waarvan regeling door
middel van deze ministeriële regeling wenselijk is. De SVr doelt hier op gevallen waarin de
betrokkene, terwijl
hij recht heeft op een stimuleringsuitkering, ziek wordt of tijdelijk werkloos is, terwijl de
dienstbetrekking voortduurt, bijvoorbeeld bij werkloosheid tijdens vorst. In de
regeling zou dan kunnen worden bepaald dat in geval van ziekte en bij
werkloosheid zoals hierboven omschreven het recht op stimuleringsuitkering
gedurende korte tijd blijft bestaan. Hier valt te denken aan een periode van
maximaal één maand.
Overgangsbepalingen
Artikel
XVI [XVI] (AAW/WAO)
In
dit artikel is het overgangsrecht met betrekking tot het nieuwe
rechtscheppend criterium geregeld. Een belangrijk element hierin is dat
de arbeidsongeschikten van 50 jaar of ouder die op het moment van
wetswijziging recht hebben op een WAO-uitkering
niet worden herbeoordeeld op basis van het nieuwe
arbeidsongeschiktheidscriterium. Deze groep behoudt dus uitkering op
basis van het oude arbeidsongeschiktheidscriterium. Eén en ander komt
erop neer dat de resterende groep arbeidsongeschikten wél zal worden
beoordeeld. In het algemeen deel van de toelichting
is op de wijze waarop dit kan gebeuren reeds rblz.|99|
ingegaan. De uitvoeringsorganisatie zal bij eventuele afschatting de
zorgvuldigheidsjurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
(CRvB) hanteren, die inhoudt dat bij verlaging of intrekking van de
uitkering de betrokkene de gelegenheid moet worden geboden een oplossing
te zoeken voor het wegvallen van (een deel van) zijn inkomen. Het gevolg
hiervan kan zijn dat de bedrijfsvereniging gedurende een redelijke
termijn een uitkering moet verstrekken die hoger is dan waartoe de
letter van de wet noodzaakt. De CRvB acht in het algemeen een termijn
van drie maanden redelijk.
Tevens is in het tweede lid van dit artikel bepaald dat
arbeidsongeschikten van 50 jaar of ouder niet in aanmerking komen voor
de herbeoordeling na één jaar. Deze groep krijgt evenmin te maken met
de tijdelijkheid van de uitkering voor een periode van drie/vijf jaar.
Voor arbeidsongeschikten die jonger zijn dan 50
jaar op het tijdstip van wetswijziging gaat de eerste dag van de drie/vijfjaarstermijn
in op de dag dat deze personen een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
basis van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium ontvangen.
Het derde tot en met het zesde lid van dit
artikel is toegelicht bij artikel I, onderdeel G
[I,G] en
I
[I,I].
Artikel
XVII [XVII]
Dit artikel laat de oude
bepalingen van de WAO die betrekking hebben op het uitkeringsniveau in
stand voor personen die bij de inwerkingtreding van de wet 50 jaar of ouder zijn. Het betreft dus niet alleen die
personen die op dat moment
al recht op uitkering hebben, maar ook degenen die in de toekomst
recht op WAO-uitkering zullen krijgen.
Artikel
XVIII [-]
Dit
artikel regelt de rechten van WAO-uitkeringsgerechtigden
die op de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging jonger zijn
dan 50 jaar.
De regeling houdt in dat nieuwe bepalingen
inzake de loondervings- en vervolguitkering ook op deze lopende gevallen
van toepassing worden, doch dat daarbij niet de leeftijd bij de aanvang
van de uitkering, maar de leeftijd bij ingangsdatum van de nieuwe wetgeving
bepalend is.
In het merendeel van de gevallen echter zullen
deze nieuwe bepalingen gedurende een reeks van jaren niet worden
toegepast omdat op grond van onderdeel b aanspraak zal bestaan
op een hogere uitkering. Op grond van dit onderdeel behoudt betrokkene
in ieder geval aanspraak op basis van het op de laatste dag van zijn
loondervingsuitkering "bevroren" dagloon.
Artikel
XIX [XVIII]
Dit artikel betreft de
tijdelijke hantering van een uitkeringstermijn van vijf jaar. Het artikel biedt
de mogelijkheid om na verloop van tijd, eventueel via een mogelijke verkorting tot vier jaar, te komen tot de in de
artikelen 28 van de WAO en
19 van de AAW
genoemde uitkeringsduur van drie jaar.
Het tweede lid bepaalt
wellicht ten overvloede dat degenen aan wie een uitkering van langere
duur is toegekend, bij wijziging van de termijn deze langere duur behouden.
Voor de motivering van deze maatregel
moge overigens worden rblz.|100|
verwezen naar paragraaf 5.3
van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.
Artikel
XX [XIX]
Het
eerste lid van dit artikel stelt zeker dat uitkeringsgerechtigden ten
aanzien van wie de huidige anticumulatiebepalingen wegens het verrichten
van niet-passende arbeid worden toegepast (artikel 34 AAW
en artikel 45 WAO)
nog ten hoogste gedurende drie jaar onder de nieuwe
anticumulatieregeling blijven vallen.
In het tweede lid wordt geregeld dat het oude
arbeidsongeschiktheidscriterium in de anticumulatieregeling van
toepassing blijft tot in ieder geval het moment van herbeoordeling voor
de betreffende groep arbeidsongeschikten. Voor degenen die 50 jaar of
ouder zijn op het moment van inwerkingtreding van de wet
en op dat moment recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering,
blijft het oude arbeidsongeschiktheidscriterium in de
anticumulatieregeling gehandhaafd tot in principe de leeftijd van 65
jaar. Eén en ander sluit aan bij het overgangsrecht met betrekking tot
het nieuwe rechtscheppend criterium zoals geregeld in artikel
XVI
[XVI].
Artikelen
XXI [XX], XXII
[XXI],
XXIII
[-],
XXIV [XXII]
en XXV
[XXIII] (Abp-wet, Spw)
Ten
aanzien van de invaliditeitsgepensioneerden ingevolge de Abp-wet en de
Spw zijn (met betrekking tot het nieuwe criterium, het uitkeringsniveau
en de anticumulatiebepalingen) dezelfde overgangsbepalingen getroffen
als voor de WAO-gerechtigden. Kortheidshalve
wordt naar de toelichting op deze overgangsbepalingen
verwezen.
Voor de nieuwe gevallen die
op de datum van inwerkingtreding van de wetswijzigingen 50 jaar of
ouder zijn, wordt de bestaande berekeningssystematiek van de aanvulling van het invaliditeitspensioen niet
gewijzigd. Dit betekent dat
tot het 65ste jaar recht bestaat op een uitkering ter hoogte van 70%
van de middelsom.
Voor de
invaliditeitsgepensioneerden die op het moment van inwerkingtreding van de
wetswijzigingen jonger zijn dan 50 jaar geldt dat zij gefaseerd op een nog
nader
te bepalen datum onder het nieuwe regime zullen worden gebracht. Tot
dan blijven de "oude" bepalingen voor hen van kracht. Zij hebben vanaf
de datum van inwerkingtreding van de wetswijziging nog recht op
een uitkering van 70% van de middelsom gedurende de termijn die ook
voor nieuwe gevallen van dezelfde leeftijd geldt. Voor de vaststelling
van de uitkeringsduur is de leeftijd op de datum van inwerkingtreding
van de wetswijziging bepalend.
Daarna gaat de hoogte van de
aanvullingsgrondslag over naar het niveau dat voor nieuwe
gevallen van gelijke leeftijd geldt. Dit wordt bereikt door een nominale
bevriezing van de aanvulling. Voor de invaliditeitsgepensioneerden die
behoren tot de categorie "oude gevallen" en die op het moment van
inwerkingtreding van de wetswijzigingen 50 jaar of ouder zijn, blijft de
berekeningssystematiek ten aanzien van de aanvulling van het
invaliditeitspensioen onverkort van toepassing. Dit betekent dat in voorkomend
geval tot het 65ste jaar recht bestaat op een uitkering ter hoogte van 70% van de
middelsom.
rblz.|101|
De huidige populatie invaliditeitsgepensioneerden jonger dan 50 jaar zal
evenwel geleidelijk onder de werking van de voorgestelde maatregelen
worden gebracht. Uitzondering hierop vormt het bepaalde in artikel F 9,
vierde lid, Abp-wet. De daarin geregelde sanctie ingeval dat niet wordt
meegewerkt aan een gewenste scholing is direct van toepassing op de
gehele populatie.
Artikelen
XXVI [XXIV], XXVII
[-], XXVIII
[XXV], XXIX
[XXVI] en XXX
[XVII] (Abp-wet)
De artikelen
XXVI tot en met XXX [XXIV-XXVII]
vormen de pendant van de artikelen XXI tot en met XXV
[XX-XXIII] (overgangsbepalingen inzake de
Abp-wet en de Spw). Verwezen zij naar de
toelichting op deze artikelen.
De Staatssecretaris van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
E. ter Veld
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
C.I. Dales
De Minister van Verkeer en
Waterstaat,
J.R.H. Maij-Weggen
De Minister van Defensie,
A.L. ter Beek
|