|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1992-1993,
22 815
Regels
met betrekking tot de verlening van voorzieningen aan gehandicapten (Wet
voorzieningen gehandicapten)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Uitgangspunten |
| 2.1 |
Advisering over de
uitgangspunten |
| 2.2 |
Reactie op de adviezen |
| 2.3 |
Zelfstandig wonen |
| 2.4 |
Uitbreiding naar
ouderen en budgettaire neutraliteit |
| 2.5 |
Bereikbaarheid voor de
lagere inkomens |
| 3 |
Juridische vormgeving en
instrumenten |
| 3.1 |
Gemeentelijke
zorgplicht en waarborgen voor gehandicapten |
| 3.2 |
Reactie op advisering
over waarborgen |
| 3.3 |
Overgangsrecht |
| 3.4 |
Instrumenten voor
kostenbeheersing |
| 3.5 |
Reactie op advisering
over eigen bijdragen |
| 3.6 |
Wijziging van andere
wetten |
| 3.7 |
Wetgeving op het
VROM-terrein |
| 4 |
Voorzieningenterreinen |
| 4.1 |
Leefvoorzieningen |
| 4.2 |
Woonvoorzieningen |
| 4.3 |
Zorgvoorzieningen |
| 4.4 |
Inkomensondersteunende
voorzieningen |
| 5 |
Samenhang en afstemming
tussen de voorzieningenterreinen |
| 5.1 |
Gemeenten |
| 5.2 |
Zorgsector |
| 5.3 |
Afstemming tussen
gemeenten en zorgsector |
| 5.4 |
Afstemming tussen
gemeenten en bedrijfsverenigingen |
| 6 |
Uitvoeringsaspecten |
| 6.1 |
Uitvoeringsloketten |
| 6.2 |
Kwaliteit en samenhang
van voorzieningen |
| 6.3 |
Beheersbaarheid van de
kosten |
| 6.4 |
Medische beoordeling en
advisering |
| 6.5 |
Rechtsbescherming |
| 6.6 |
Overdracht van gegevens
en voorzieningen |
| 6.7 |
Personele aspecten |
| 7 |
Financiële aspecten |
| 7.1 |
Financiële aspecten
van VROM-voorzieningen |
| 7.2 |
Financiële aspecten van
AAW-voorzieningen |
| 8 |
Bijzondere aspecten |
| 8.1 |
Gevolgen voor vrouwen |
| 8.2 |
Dereguleringsaspecten |
| 8.3 |
Evaluatie |
| 8.4 |
Voorlichting |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
1 t/m 26 |
rblz.|3|
Algemeen
1.
Inleiding
Reeds
jarenlang is het stelsel van voorzieningen waarop degenen die hulp nodig hebben in verband
met ziekte of gebreken aangewezen zijn, in discussie. Het stelsel is
ingewikkeld en verbrokkeld. De voorzieningsregelingen kennen uiteenlopende
financieringssystemen en criteria voor de aanspraken. Ze zijn
onderling niet duidelijk afgestemd, hetgeen ook leidt tot allerlei
afbakeningsproblemen. De veel voorkomende noodzaak van een (gelijktijdig) beroep op
meerdere regelingen, die door verschillende organen worden uitgevoerd,
geeft voor de cliënten het probleem van verschillende loketten en
voor de uitvoerders het probleem dat een integrale behandeling van de
hulpvragen niet mogelijk is. In de loop der jaren zijn door nadere
regelgeving wel verbeteringen in de afstemming gerealiseerd, maar deze
hebben niet tot fundamentele oplossingen voor de genoemde problemen
geleid.
Voor ouderen vanaf 65 jaar
geldt nog in het bijzonder dat zij na deze leeftijd geen beroep kunnen
doen op voorzieningen in verband met ziekte of gebreken in het kader van
de AAW [Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, red.]. Weliswaar kunnen zij voor dergelijke voorzieningen een
beroep doen op de Algemene Bijstandswet, maar dat heeft in de praktijk
slechts beperkte betekenis. In het kader van de Oort-operatie tot herziening
van de belasting- en premieheffing werd voorgesteld de 65-plussers
te betrekken in de premieheffing voor de AAW. Voor het parlement was
dit alleen aanvaardbaar als zij op gelijke wijze als beneden-65-jarigen
aanspraak kunnen maken op AAW-voorzieningen. De beleidsmatige
aspecten, met name de relatie met de zorgsector en de financiële
gevolgen van de uitbreiding tot ouderen hebben het kabinet
aanleiding gegeven zich nader over de structuur en inhoud van het
voorzieningenpakket te beraden. De ramingen met betrekking tot de kosten van
de uitbreiding van AAW-voorzieningen naar 65-plussers liepen destijds
uiteen van ƒ500 mln tot ƒ3 mld. Gezien de grote verschillen tussen
deze ramingen werd een onderzoek naar het potentieel gebruik door 65-plussers noodzakelijk geacht. Om hiervoor de
nodige tijd te hebben, werd
in de AAW-wijziging die voorziet in het vervallen van de
leeftijdsgrens van 65 jaar een horizonbepaling opgenomen gericht op 1
januari 1992 (nadien verlengd tot 1 januari 1993). Dit maakte het tevens
mogelijk de voorstellen tot herstructurering van het voorzieningenpakket
mede af te stemmen op de invoering van de nieuwe zorgverzekering en op
de decentralisatie van de geldelijke steun voor de huisvesting van gehandicapten naar de
gemeenten.
De bezinning op de
mogelijkheden tot herstructurering en nadere afstemming van het
voorzieningenpakket voor gehandicapten en op uitbreiding van de AAW-voorzieningen naar
ouderen heeft geleid tot een
nota die door ons op 25 juni
1990 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstukken II 1989-1990, 21 613, nr. 1).
In de nota zijn voorstellen gedaan voor een betere afstemming van de
voorzieningsregelingen, waarbij een indeling is gemaakt naar
leefvoorzieningen, woonvoorzieningen, zorgvoorzieningen en inkomensondersteunende
voorzieningen. De nota geeft aan dat een uitbreiding van de
AAW-voorzieningen voor ouderen alleen mogelijk en verantwoord is bij een
gelijktijdige herstructurering en het treffen van maatregelen tot
kostenbeheersing, zoals maximering van vergoedingen, eigen bijdragen, inkomensafhankelijke voorzieningen en vormen van
budgettering. Dit in verband
met het financiële beslag dat met deze voorzieningen en de
uitbreiding naar ouderen nu en in de toekomst rblz.|4|
gemoeid zal zijn. De omvang
van de financiële gevolgen van de uitbreiding van de
AAW-voorzieningen naar 65-plussers liet zich eerst goed ramen aan de hand van
een in 1990 door NSS gehouden steekproefonderzoek onder
thuiswonenden van 65 jaar en ouder. Nadat de resultaten van dat onderzoek
bekend waren, zijn de voorstellen en mogelijkheden uit de nota
nader uitgewerkt. De voorstellen van het kabinet voor de
herstructurering en de uitbreiding van rechten naar ouderen, alsmede de daarop
vooruitlopende maatregelen voor 1992, zijn weergegeven in onze brief
van 6 mei 1991 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1990-1991, 22 089, nr. 1). Daarbij hebben wij in het verlengde van de
reeds voorgenomen
decentralisatie van de voorzieningen in de Regeling geldelijke steun huisvesting
gehandicapten (Rgshg) ervoor gekozen - mede ten behoeve van
onderlinge afstemming - ook een deel van de AAW-voorzieningen over te
dragen aan de gemeenten en de overige (zorg)voorzieningen in de
AAW onder te brengen in de AWBZ [Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten,
red.]. Hierdoor kan het verstrekken van
voorzieningen in het kader van de AAW - behoudens de zogenaamde werkvoorzieningen - worden beëindigd. Dit
betekent een vereenvoudiging
van het stelsel doordat gelijksoortige voorzieningen worden
samengebracht en de gehandicapte daarvoor maar met één loket te
maken krijgt. De overdracht van voorzieningen schept de voorwaarden voor
een betere afstemming op het lokale vlak en in de zorgsector. Uit
oogpunt van kostenbeheersing zijn, vooruitlopend op de herstructurering en
decentralisatie, reeds in het jaar 1992 enige maatregelen getroffen in het
kader van de AAW en Rgshg. De noodzaak hiervan hangt bij
de voorzieningen voor de huisvesting van gehandicapten samen met de
sterk oplopende uitgaven in de afgelopen jaren. De voorgenomen
maatregelen voor 1992 zijn nadien bijgesteld. Dit betreft met name de beoogde
halvering van de vervoerskostenvergoedingen in 1992. Mede op
grond van de maatschappelijke en politieke reacties hebben wij bij
nader inzien besloten tot een geleidelijke beperking van deze
vergoedingen, met een eerste stap van 10% verlaging in 1992 en
vervolgens nog twee stappen van 10% verlaging in 1993 (per 1 april en 1
oktober). Deze AAW-maatregelen, waarvan de opbrengst ad ƒ115 mln aan
het gemeentefonds zal worden toegevoegd, zijn getroffen om de eerste
stappen te zetten voor de noodzakelijke beperkende maatregelen in verband met de uitbreiding naar ouderen.
Het gaat hierbij met name om
beperking van de voorzieningen in verband met autovervoer of
taxivervoer, die een groot aandeel in de totale uitgaven voor
AAW-voorzieningen vormen.
In 1994 en 1995 kunnen de
gemeenten de budgettair noodzakelijke verdere beperking van deze
vergoedingen geleidelijk laten verlopen door deze over twee jaren te spreiden.
In vervolg op de reeds in
1992 ingevoerde maatregelen en de voor 1993 nog te treffen maatregelen wordt in dit wetsontwerp met name wat de decentralisatie naar
de gemeenten betreft, voorzien in de structurele maatregelen voor de
herziening van het stelsel van voorzieningen voor gehandicapten per 1
januari 1994. Dit biedt de gemeenten voldoende tijd voor een
zorgvuldige voorbereiding. De horizonbepaling in de AAW zal tot 1 januari
1994 worden verlengd. Dan vervalt per die datum de leeftijdsgrens van
65 jaar in de AAW.
In het navolgende geven wij
een nadere toelichting op de beleidsmatige uitgangspunten voor
de herstructurering (hoofdstuk 2), de aard en inhoud van de wetgeving
(hoofdstuk 3), de betekenis voor de onderscheidenlijke voorzieningenterreinen
(hoofdstuk
4), de
samenhang van en afstemming tussen deze terreinen (hoofdstuk
5), de
uitvoeringsaspecten (hoofdstuk
6), de financiering (hoofdstuk
7) en enkele bijzondere aspecten (hoofdstuk
8).
Bij de hoofdstukken 1 tot en
met 7 wordt tevens ingegaan op de rblz.|5|
hoofdpunten uit de adviezen van
de organen waaraan wij advies hebben gevraagd.
2. Uitgangspunten
De herstructurering van het
stelsel van voorzieningen voor gehandicapten is gericht op een
betere afstemming binnen en tussen de beleidsterreinen en een zoveel mogelijk integrale benadering van de hulpvragen
in de woon- en leefsfeer
en bij behoefte aan zorg. Daarbij dient de beslisser over de toekenning
van voorzieningen ook te betalen.
In onze brief van 6 mei 1991, Kamerstukken II 1990-1991,
22 089, nr. 1, waarin de
beleidsvoornemens ter bepaling van de nieuwe structuur zijn aangegeven, hebben wij
de volgende uitgangspunten geformuleerd:
- ouderen en gehandicapten
dienen zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen; het
daarop gerichte beleid moet kunnen worden uitgevoerd binnen een budgettair beheersbaar kader;
- ook voor lagere
inkomensgroepen moeten voorzieningen bereikbaar zijn;
- uitbreiding van de
werkingssfeer naar boven-65-jarigen van de thans in de AAW
geregelde
voorzieningen is wenselijk; voorwaarde daarbij is dat dit budgettair neutraal
kan geschieden;
- zoveel mogelijk moet een
integrale benadering gevonden worden, zodat de gehandicapte zich
zo mogelijk slechts bij één loket hoeft te vervoegen;
- overlapping en het
opeenvolgend of gelijktijdig verstrekken van gelijksoortige voorzieningen
krachtens verschillende (wettelijke) regelingen moet worden
voorkomen;
- zeggenschap over
toekenning van subsidie en voorzieningen dient samen te gaan met
budgetverantwoordelijkheid.
Bij de concretisering
hiervan in dit wettelijk kader hebben wij ernaar gestreefd aan deze
uitgangspunten op evenwichtige wijze uitwerking te geven. Het gaat enerzijds
om
behoud van de mogelijkheden tot maatschappelijke integratie
en zelfstandig wonen van gehandicapten en het bieden van daarop
gerichte adequate voorzieningen. Anderzijds moet deze wet mogelijkheden en
ruimte bieden voor een doelmatig en financieel beheersbaar beleid op
dit terrein, alsmede een daartoe leidende uitvoering zoals dat ook
voor andere zorgterreinen geldt.
Door de decentralisatie van
de woon- en vervoersvoorzieningen voor gehandicapten naar de gemeenten worden de mogelijkheden vergroot voor zorg op maat, samenhang
in de verstrekking van deze voorzieningen en afstemming binnen het
lokale beleid en op de lokale situatie. Het bieden van voorzieningen
die zijn afgestemd op de individuele woon- en leefsituatie en op de lokale
situatie kan zowel de kwaliteit als de doelmatigheid van de hulpverlening
ten goede komen. De zorgplicht die de gemeenten in het kader van
deze wet krijgen, is erop gericht waar mogelijk de zelfstandige
woon- en leefsituatie van gehandicapten te waarborgen. Dit vraagt ook
een goede afstemming met de zorgsector. Deze wet zal ertoe bijdragen
dat de gemeenten in overleg met de zorginstanties hiertoe nieuwe
initiatieven nemen.
Essentieel voor
doelmatigheid en kostenbeheersing is dat de gemeenten op het terrein van
huisvesting en vervoer voor gehandicapten voldoende ruimte hebben om een eigen beleid te ontwikkelen en daarbij
nieuwe mogelijkheden en
voorzieningen kunnen scheppen voor een adequate hulpverlening.
Daarom zijn de aard en de vormen van te verstrekken voorzieningen
niet in deze wet geregeld, maar wordt de vormgeving aan de gemeenten
overgelaten in het kader van een door hen te treffen gemeentelijke
verordening. Tevens zal er met het oog op kostenbeheersing een groter
beroep worden gedaan op de eigen rblz.|6|
verantwoordelijkheid van de
gehandicapte voor de voor hem noodzakelijke voorzieningen, door middel
van een financiële bijdrage in de kosten. Dit gebeurt primair door
verlaging van de tegemoetkoming voor vervoerskosten en door een niet meer
volledige vergoeding van de kosten van woningaanpassing. De wet
voorziet ook in de mogelijkheid van eigen bijdragen, rekening houdend
met de inkomenssituatie.
Doelmatiger en meer
individueel afgestemde voorzieningen, ook op de eigen financiële
mogelijkheden, moeten het mogelijk maken dat de kostenontwikkeling binnen
budgettair neutraal kader blijft ook al wordt het bereik van de
vervoersvoorzieningen uitgebreid naar 65-plussers. Daarom vinden wij het
verantwoord om uit een oogpunt van kostenbeheersing uit te gaan van
budgettaire neutraliteit, waarbij een budget overeenkomend met de huidige
meerjarenraming van de uitgaven voor de betreffende AAW-voorzieningen (en voor de
Rgshg-voorzieningen
met een korting van 25%) aan
de gemeenten wordt overgedragen.
Gezien de gemeentelijke
beleidsmogelijkheden en financiële instrumenten behoeft de
toereikendheid en bereikbaarheid van de voorzieningen voor gehandicapten
ons inziens hierbij niet in het geding te komen.
2.1. Advisering over de
uitgangspunten ¹
In de meeste van de door ons
gevraagde adviezen is door de adviesorganen op de uitgangspunten
voor de herstructurering gereageerd.
De Sociale Verzekeringsraad
(SVr) heeft na zijn voorlopige advies van 21 oktober 1991 op 19
december 1991 nog een structuuradvies uitgebracht over de door ons voorgestelde uitwerking van de herstructurering.
In zijn interim-advies is de
SVr vooral ingegaan op het uitgangspunt van de budgettaire neutraliteit
bij de uitbreiding van de AAW-voorzieningen tot 65-plussers en de noodzaak in verband daarmee beperkingen aan te
brengen in de huidige
rechten op AAW-voorzieningen, alsmede wijzigingen aan te brengen in de uitkeringssystematiek
AOW voor degenen
met een partner beneden de
65 jaar.
De meerderheid van de SVr
meent dat onze opvatting over budgettaire neutraliteit voor discussie
vatbaar is omdat volgens dit deel van de SVr op indirecte wijze al door 65-plussers wordt bijgedragen in de uitgaven
van AAW-voorzieningen.
De minderheid van de SVr
onderschrijft het uitgangspunt van budgettaire neutraliteit om een
verhoging van de collectieve uitgaven te vermijden en dat daarom aan kostenbesparende ingrepen in het pakket
van AAW-voorzieningen niet
ontkomen kan worden. De voorgestelde compenserende maatregelen
worden door dit deel van de Raad onderschreven. De stelling dat
65-plussers vanaf januari 1990 al op indirecte wijze zijn gaan bijdragen
aan de financiering van de AAW-uitgaven is volgens dit deel van de Raad
niet juist.
Andere adviesorganen, zoals
de Gehandicaptenraad, de voorlopige Raad voor het Ouderenbeleid
en de Raad voor de Volkshuisvesting en de Centrale Overleggroep Gehandicapten
(COG) delen het standpunt van de meerderheid van de SVr. Van
de gehandicapten die zijn aangewezen op voorzieningen wordt een te
grote solidariteit gevraagd door op het thans bestaande pakket te
bezuinigen. Voor de meeruitgaven moet een beroep op de solidariteit van de
hele bevolking worden gedaan.
1. De adviezen zijn ter
inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.
De meerderheid van de SVr
meent tevens dat de voorgestelde beperkende maatregelen niet
stroken met het uitgangspunt gehandicapten zo lang mogelijk zelfstandig te
laten functioneren en voorzieningen toegankelijk te houden voor de
lagere inkomensgroepen. Door cumulatie van de afzonderlijke
maatregelen kan in individuele gevallen een onevenredig grote
lastenverzwaring gaan optreden.
rblz.|7|
De minderheid van de SVr
meent dat met de voorgestelde wijzigingen een acceptabel niveau van AAW-voorzieningen gehandhaafd blijft, waarmee voldaan blijft
worden aan de doelstelling van AAW-voorzieningen.
De Gehandicaptenraad
deelt
het meerderheidsstandpunt van de SVr. De Raad meent dat de
mogelijkheid voor deelname aan het maatschappelijk leven wordt ondermijnd en dat het uitgangspunt van het ontzien
van de lagere inkomens niet
wordt waargemaakt.
Volgens de Raad worden in de
kabinetsbenadering de voorzieningen die nodig zijn voor
zelfstandig wonen niet meer, in mindere mate of met financiële drempels
verstrekt. De Raad wijst een decentralisatie naar gemeenten, waarbij er sprake
is van gemeentelijke autonomie in het vaststellen van het beleid,
af. Het belang van deze voorzieningen is zo groot dat rechtsgelijkheid
gegarandeerd moet zijn. Dat zou kunnen door een algemene
voorzieningenwet, waarin alle voorzieningen voor gehandicapten zijn
opgenomen
waarbij sprake is van één loket.
In zijn structuuradvies van
19 december 1991 is de SVr vooral ingegaan op de
decentralisatie van de vervoersvoorzieningen naar de gemeenten. De SVr meent dat
het aantal loketten zal gaan toenemen. Er is sprake van vier
regelingen van waaruit voorzieningen aan gehandicapten worden verstrekt,
namelijk de AAW, de AWBZ, het
gemeentefonds en de ABW [Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284, red.].
Verschillende criteria, procedures, beroepsorganen en medische keuringen gaan een
rol spelen, meent de Raad.
De SVr meent dat oplossing
van de huidige afbakeningsproblemen en de beheersingsdoelstelling
eveneens binnen het huidige systeem van de AAW kunnen worden bereikt
door de gezondheidszorgvoorzieningen naar de AWBZ over te hevelen
en de werk- en leefvoorzieningen in de AAW te handhaven. Het pakket
van leefvoorzieningen moet zo concreet mogelijk in wettelijke
omschrijvingen worden vastgelegd, meent de SVr.
De Raad voor de
Volkshuisvesting meent ook in zijn tweede advies (nr. 198) dat het zolang
mogelijk zelfstandig functioneren meer wordt bepaald door de budgettaire
middelen dan door de fysieke mogelijkheden van de gehandicapten.
De beschikbaarheid van voorzieningen ook voor de lagere
inkomensgroepen wordt niet waargemaakt, gezien de mogelijke cumulatie van de
beperkende maatregelen, waaronder een eigen aandeel in de kosten
van woningaanpassing.
De Raad alsook de COG is van
mening dat de rijksverantwoordelijkheid voor de zorg voor
gehandicapten in een specifiek beleid herkenbaar moet zijn. De Raad verzet
zich
niet tegen decentralisatie als zodanig: "zorg op maat" is wenselijk en
vraagt eigen beleidsruimte voor gemeenten. De volle verantwoordelijkheid
kan echter niet bij de gemeenten worden gelegd. De Raad vindt het
niet terecht dat het Rijk bezuinigt op het budget voor gehandicapten en
tegelijkertijd het openeindekarakter van de regeling bij de gemeenten
legt. Met de positie en belangen van gehandicapten wordt hierdoor
onvoldoende rekening gehouden. De Raad wil dat de
verantwoordelijkheid van het Rijk voor de kwaliteit van de gehandicaptenzorg in
de wet
wordt verankerd.
De voorlopige Raad voor het
Ouderenbeleid meent in meerderheid dat beheersmaatregelen niet op
voorhand zijn af te wijzen, mits uiterst zorgvuldig genomen; de minderheid alsook de COG wijst deze af. Bij de
afweging van deze
maatregelen wijst de meerderheid op het belang het beroep van ouderen op
voorzieningen niet onnodig af te remmen vanwege een anders hoger
gebruik van zorgvoorzieningen. Dit betekent onder meer aandacht voor
cumulatie van eigen bijdragen. De meerderheid vindt dat met
het voorgestelde forfait voor de vervoerskostenvergoeding toch in
redelijke mate wordt tegemoetgekomen aan de mobiliteitsbehoefte van veel
ouderen; de minderheid vindt dat de mogelijkheden van ouderen
tot maatschappelijke participatie hiermee ontoelaatbaar worden
beperkt. Er is, volgens de voorlopige Raad voor rblz.|8|
het Ouderenbeleid, geen
samenhang in deze wet tussen overheveling van voorzieningen naar het
gemeentefonds en overheveling van voorzieningen naar de AWBZ. Voorts meent de Raad dat de gemeenten met een
wel erg grote en totale
verantwoordelijkheid worden geconfronteerd, doordat de gemeenten geacht
worden met een beperkt bedrag de regeling uit te voeren voor
zowel beneden- als boven-65-jarigen. Derhalve wijst de Raad in haar
laatste advies dit wetsvoorstel af.
De Ziekenfondsraad heeft op
25 juni 1992 zijn advies inzake de overheveling van
gehandicaptenvoorzieningen naar de AWBZ uitgebracht (nr. 552). De Raad adviseert de voorzieningen voor het
voeren van een huishouden (personele hulp en hulpmiddelen),
ADL-assistentie [ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen, red.]
en dieetvoorzieningen in de vorm van dieetpreparaten in de AWBZ
onder te brengen, aangezien deze voorzieningen kunnen worden
aangemerkt als essentiële zorg, die voor opneming in de AWBZ in
aanmerking komt. De Raad adviseert in meerderheid om dezelfde
redenen eveneens de ADL-hulpmiddelen, de hulpmiddelen voor de
communicatie en de rolstoelen naar de AWBZ over te hevelen. Een minderheid
van de Raad is echter van mening dat de verstrekking van deze
voorzieningen uit het oogpunt van kwaliteit, serviceverlening en
kostenbeheersing in de AAW
gehandhaafd dient te blijven.
Bij woningaanpassingen boven ƒ45 000,- en ADL-wonen gaat het om een
woonfunctie die naar de
opvatting van de Ziekenfondsraad niet geacht kan worden te behoren tot het onderbrengen van deze voorzieningen in de bijzondere
ziektekostenverzekering.
In zijn advies geeft de Raad
aan dat huishoudelijke hulp en ADL-assistentie reeds zijn begrepen
in de omschrijving van de zorgaanspraken op het terrein van verzorging en verpleging. In verband hiermee zal de
overheveling van deze twee
voorzieningen naar de AWBZ op hetzelfde tijdstip gerealiseerd moeten
worden als de invoering van de functiegerichte omschrijving van
verzorging en verpleging.
De Raad geeft in zijn advies
aan dat de dieetpreparaten kunnen worden opgenomen in de
Regeling farmaceutische hulp AWBZ. De overige voorzieningen
waarover de Ziekenfondsraad een positief advies uitbrengt, kunnen met
inbegrip van de toedieningsmiddelen voor de dieetpreparaten naar de
opvatting van de Raad worden ondergebracht in de Regeling hulpmiddelen
AWBZ.
De Raad voor de
gemeentefinanciën (Rgf) kan met de uitgangspunten van de voorgestelde
maatregelen instemmen. Integratie van voorzieningen voor gehandicapten en
ouderen en decentralisatie van een geïntegreerde
voorzieningenverstrekking naar gemeenten met de mogelijkheid van behandeling
door één loket ligt in de lijn van eerdere adviezen van de Raad. Wel
moeten zowel qua regelgeving als qua financiële mogelijkheden de
gemeenten in staat worden gesteld dit beleid op een efficiënte en adequate
wijze uit te voeren. De Raad constateert dat geen nadere wettelijke
invulling wordt gegeven aan de zorgplicht van de gemeenten.
De Raad vraagt zich af of de
mogelijkheden voor de gemeenten in het kader van deze wet
voldoende
zijn. Er mag geen sprake zijn van het doorschuiven van een
openeinderegeling. Ook zal er voldoende tijd moeten worden gereserveerd
om gemeenten in staat te stellen een verordening en een
realistische begroting op te stellen.
De Emancipatieraad is
positief over de uitbreiding van het AAW-voorzieningenpakket naar
ouderen en de stroomlijning van dit pakket. De Raad is echter
tegen het voorstel de basisuitkering AOW te verlagen voor degenen met
een partner beneden de 65 jaar, onder rblz.|9|
gelijktijdige verhoging van de
inkomensafhankelijke toeslag. Vrouwen worden hierdoor onevenredig
getroffen. Ook de voorlopige Raad voor het Ouderenbeleid heeft bezwaren
tegen de voorgenomen AOW-maatregel.
De SVr wijst
erop dat in de
nieuwe structuur een integrale benadering via één loket niet wordt
bereikt. Ook de Gehandicaptenraad en het Algemeen burgerlijk pensioenfonds
(ABP) wijzen erop dat er vele loketten blijven en aan de
integrale benadering juist afbreuk wordt gedaan. Er wordt daarbij
geconstateerd dat er ook nieuwe afbakeningsproblemen ontstaan tussen de
voorzieningen gericht op wonen, werken, vervoer en zorg.
Ten slotte stelt de
Gehandicaptenraad dat aan alle genoemde uitgangspunten niet is voldaan,
behalve de laatste: de beslisser betaalt. Maar dit kan een strikter beleid
meebrengen of een ongelijk beleid omdat de beslissingsbevoegdheden zijn
overgedragen.
2.2. Reactie op de adviezen
Voor een reactie op de
opvatting van een deel van de SVr dat het uitgangspunt van budgettaire
neutraliteit voor discussie vatbaar is, wordt verwezen naar hoofdstuk
7 van deze memorie. Daarin geven wij aan
waarom wij de opvatting van
dit deel van de SVr niet delen. Voor het overige merken wij het
volgende op.
De overheid is ook na 1
januari 1994 verantwoordelijk voor de zorg voor gehandicapten, te meer
door de overdracht van AAW-leefvoorzieningen naar de
gemeenten. Wanneer de gehandicapte aangewezen raakt
op andere of aangepaste
huisvesting of vervoersvoorzieningen, dan heeft de overheid daar een taak
in. Het Rijk draagt daartoe zorg voor voldoende financiële middelen, echter
zonder de eigen verantwoordelijkheid van de gehandicapte daarbij uit het
oog te verliezen. De verantwoordelijkheid voor de realisering van de
voorzieningen ligt echter niet bij het Rijk, maar bij de gemeenten en de
zorgverzekeraars. Een adequate hulpverlening is hun verantwoordelijkheid.
Het Rijk, kabinet en parlement, moeten hierop toezien. Bij dit toezicht
gaat het er niet om op welke wijze door gemeenten en zorgverzekeraars aan de zorg voor gehandicapten vorm en
inhoud wordt gegeven, maar
of beleid en uitvoering op dit terrein voldoen aan de wettelijke
uitgangspunten. Centraal bij de toetsing staat of de hulpverlening ertoe
leidt dat gehandicapten, voor zover geen sprake is van noodzakelijke
intramurale opname, zelfstandig kunnen blijven functioneren. Wij zullen de
toepassing van deze wet door de gemeenten in algemene zin beoordelen
door een evaluatie in het derde jaar na invoering, wanneer de
overgangsperiode is verstreken. Vervolgens zal binnen drie jaar daarna
opnieuw een evaluatie plaatshebben over de periode waarin de huidige voorzieningenaanspraken structureel zijn
ingepast in het nieuwe
gemeentelijke beleid. Hiertoe zijn in deze wet mede ten behoeve van de
informatievoorziening bepalingen opgenomen.
Naar onze mening kunnen de
uitgangspunten voor de herstructurering goed worden verwezenlijkt
door het voorzieningenpakket te herstructureren langs twee lijnen: het gemeentefonds en de
AWBZ c.q. zorgverzekering. Gemeenten zijn dan
verantwoordelijk voor voorzieningen in de woon- en leefsfeer,
zorgverzekeraars voor de zorg- en medische voorzieningen. Zij zijn de
beslissers die daarvoor de financiële verantwoordelijkheid dragen. De
aanspraken, aard en omvang van de voorzieningen kunnen zij op de hun
beschikbare financiële mogelijkheden afstemmen. Aldus zijn de uitgaven
beheersbaar; er is geen sprake van een "openeinderegeling" waarvoor
door de Rgf ten onrechte wordt gevreesd. Gelijksoortige voorzieningen
worden langs deze twee lijnen bijeengebracht, hetgeen de
afstemming tussen deze voorzieningen bevordert. rblz.|10| Een
integrale benadering van
gehandicapten in de woon- en leefsfeer enerzijds en in de
zorgsector anderzijds kan hierdoor worden gewaarborgd. Hoewel de onderlinge
samenhang van voorzieningen binnen deze terreinen het meest manifest
is, beseffen wij dat er ook tussen deze twee terreinen relaties zijn en
bij samenloop afstemming nodig is. Op de mogelijkheden daarvoor gaan
wij nog nader in.
Een nadere wettelijke
omschrijving van de individuele aanspraken op gehandicaptenvoorzieningen,
zoals de SVr wenst, is strijdig met de decentralisatie naar de gemeenten en de beoogde functionele decentralisatie in de zorgsector. De
sterke inhoudelijke relatie tussen woon- en vervoersvoorzieningen is een
reden te meer voor decentralisatie. Het is ongewenst dat het Rijk c.q.
de wetgever van bovenaf op dit terrein zou gaan optreden. Bij
handhaving van de leefvoorzieningen in de AAW, met name de
vervoersvoorzieningen, zoals de SVr voorstelt, zal naar onze mening kostenbeheersing
minder goed mogelijk zijn. Ook al worden voor de toekenning strengere criteria vastgesteld, er blijft sprake van min of
meer gestandaardiseerde
verzekeringsaanspraken in plaats van op dit terrein gewenste zorg op
maat, afgestemd op de individuele en lokale situatie. Ook de
mogelijkheid van (semi-)collectieve vervoersvoorzieningen ontbreekt in het
kader van de sociale verzekering.
Door samenwerking van
gemeenten, zorgverzekeraars en zorgaanbieders, instanties en
belangenorganisaties die deskundig zijn op het gehandicaptenterrein kan een
zoveel mogelijk integrale benadering worden bereikt. Het
onderbrengen van alle voorzieningen in één wettelijk en uitvoeringskader, zoals
de Gehandicaptenraad wenst, achten wij echter noch wenselijk, noch
mogelijk. De huisvestings- en vervoersbehoefte van gehandicapten
kunnen het beste worden beoordeeld in het kader van het lokale
gemeentelijke beleid. De afweging en afstemming bij de voor gehandicapten
noodzakelijke zorg- en medische voorzieningen behoren binnen het
zorgstelsel te worden gemaakt. De stroomlijning van het
voorzieningenbeleid langs deze twee kanalen brengt veel verbeteringen met zich ten
opzichte van de huidige situatie.
Er zullen wellicht nog wel
enige afbakeningsproblemen overblijven, maar deze zijn toch veel
geringer dan in de huidige structuur.
Wat het beginsel van één
loket betreft, wordt dit nu in elk geval per categorie voorzieningen
(werken, wonen en vervoer, zorg) bereikt. Weliswaar kan niet alles
achter één loket worden geregeld, door de stroomlijning wordt het
stelsel wel doorzichtiger en worden coördinatie en informatie beter
mogelijk. Hierop wordt in paragraaf 6.1 verder ingegaan.
Op andere hoofdpunten in de
advisering geven wij verderop in deze algemene toelichting onze
reactie.
2.3. Zelfstandig wonen
Dat ouderen en gehandicapten
zo lang mogelijk zelfstandig moeten blijven wonen, is en blijft
een centraal uitgangspunt, ook in het herziene stelsel. Gemeenten
kunnen
daaraan bijdragen door deze groepen goede woon- en
leefomstandigheden te bieden; de zorgverzekeraars door in voldoende mate en op de
individuele situatie afgestemde thuiszorg te waarborgen, die in de AWBZ
respectievelijk zorgwet wordt ondergebracht (gezinszorg,
kruiswerk, hulpmiddelen). Dat er door beperkingen in de rechten op voorzieningen,
met name door een groter beroep te doen op eigen (financiële)
verantwoordelijkheid, een grotere druk zou komen op de intramurale zorg lijkt
ons overdreven. De voorzieningen zelf zijn niet in het geding, een
eigen aandeel in de kosten wordt in omvang beperkt tenzij men deze
kosten zelf kan dragen. Bovendien wordt in de intramurale zorg en
thuiszorg in de AWBZ ook met de eigen financiële mogelijkheden rekening
gehouden. Uiteraard spelen bij de afweging rblz.|11|
tussen de mogelijkheden en
kosten van voorzieningen in de thuissituatie ten opzichte van opname in
een intramurale instelling financiële overwegingen een rol. In verband
hiermee hebben wij de keuze gemaakt om bij ingrijpende en kostbare
woningaanpassingen de verantwoordelijkheid voor beslissing en betaling
niet bij de gemeenten, maar bij de zorgverzekeraars te leggen. Dit heeft
voordelen naar twee kanten: gemeenten (vooral kleine) hoeven geen
financiële bezwaren tegen deze hoge kosten te hebben, waardoor anders
de noodzaak van ongewenste respectievelijk duurdere intramurale zorg kan
ontstaan; zorgverzekeraars kunnen de kosten van dure woningaanpassingen en
andere kosten van medische voorzieningen en thuiszorg beoordelen op
aanvaardbaarheid en anders intramurale zorg bieden.
Omgekeerd hebben de
gemeenten de verantwoordelijkheid om voor passende (aangepaste)
huisvesting te zorgen bij terugkeer vanuit intramurale zorg in de thuissituatie. Alleen al door deze raakvlakken en
gezamenlijke belangen zijn
wij optimistisch over de samenwerking van gemeenten en
zorgverzekeraars op dit terrein.
2.4. Uitbreiding naar
ouderen en budgettaire neutraliteit
De uitbreiding van de
AAW-voorzieningen naar
boven-65-jarigen wordt gerealiseerd doordat de
voorzieningen deels in de AWBZ worden ondergebracht, die geen leeftijdsgrens kent, terwijl de overige voorzieningen
worden overgeheveld naar de gemeenten op grond van
deze wet, waarin ook geen leeftijdsbeperking
is opgenomen. De budgettaire neutraliteit bij deze overdrachten wordt als
volgt gerealiseerd. De bedragen die met inachtneming van budgettaire
neutraliteit beschikbaar zijn voor de AAW-voorzieningen die naar
de AWBZ gaan, worden aan dat fonds [lees: Algemeen Fonds Bijzondere
Ziektekosten (AFBZ), red.] toegevoegd. De bedragen die
met inachtneming van budgettaire neutraliteit beschikbaar zijn voor AAW-voorzieningen, die naar de gemeenten
gaan, worden aan het gemeentefonds toegevoegd. De gemeenten worden geacht de totale
kosten, inclusief die voor ouderen, hieruit te financieren. Zij moeten
daartoe in staat zijn omdat zij een eigen beleid kunnen ontwikkelen en deze
wet voorziet in instrumenten tot kostenbeheersing. Voor een verdere
toelichting op de financiële en budgettaire aspecten verwijzen wij naar
hoofdstuk 7. In het kader van het wetsontwerp tot wijziging van de AOW
(wijziging van het uitkeringssysteem voor
pensioengerechtigden met een partner die de 65-jarige leeftijd nog niet heeft
bereikt) zal de eerste ondergetekende ingaan op opmerkingen over de
voorgestelde AOW-maatregel, die onderdeel vormt van de maatregelen om
budgettaire neutraliteit te realiseren voor financiële dekking van de
meerkosten vanaf 1994.
2.5. Bereikbaarheid voor de
lagere inkomens
Toetssteen voor het beleid
vanaf 1994 zal blijven dat de voorzieningen ook voor de lagere
inkomensgroepen bereikbaar zijn. Dit stelt grenzen aan eigen bijdragen en
inkomensafhankelijkheid van voorzieningen.
Maar wij vinden wel dat de
gehandicapte respectievelijk het gezin waartoe hij/zij behoort een
zekere eigen verantwoordelijkheid heeft door naar vermogen bij te dragen
in de kosten van de voorzieningen. De eigen bijdrage voor gemeentelijke
voorzieningen voor gehandicapten zal voor de lagere inkomensgroepen
bij nadere regelen gemaximeerd worden. Deze wet
voorziet ook in de
mogelijkheid de vergoeding van de kosten van voorzieningen af te
stemmen op het inkomen, waarbij het bereik en de betaalbaarheid voor alle
inkomensgroepen gewaarborgd moet blijven. Met het oog hierop mogen de
eigen bijdragen (vaste bedragen voor iedereen) en de inkomensafhankelijke voorzieningen (afgestemd op
inkomensgroepen) die door gemeenten en zorgverzekeraars worden
rblz.|12|
gevraagd niet een te zware
druk leggen op het inkomen van gehandicapten. Dit zal ook voor ons
een punt van aandacht zijn, mede gezien de bezorgdheid van een aantal
adviesorganen dat het inkomen van de gehandicapte - vooral bij
cumulatie van maatregelen - te zeer wordt aangesproken. Daarbij gaan
wij er wel van uit dat de ABW een functie
moet blijven vervullen ter tegemoetkoming in voor de laagste inkomens
niet op te brengen eigen bijdragen alsmede bij een zodanige cumulatie van
kosten dat deze de draagkracht van bovenminimale inkomens te boven
gaat.
Onder deze voorwaarden menen
wij dat de voorzieningen voor iedereen bereikbaar blijven,
ook voor de lagere inkomensgroepen. Wij zullen bij de evaluatie ook
een onderzoek naar de werking van de eigen bijdrage en de effecten op
het inkomen verrichten.
3. Juridische vormgeving en
instrumenten
Deze wet
regelt de
decentralisatie naar gemeenten van voorzieningen in de woon- en leefsfeer
voor gehandicapten per 1 januari 1994. Het betreft de voorzieningen die tot nu toe op grond van de
Rgshg mogelijk
waren en een deel van de
voorzieningen die op grond van artikel 57, tweede lid, van de AAW
en de
overeenkomstige bepalingen in de overheidspensioenregelingen
werden verstrekt. De overige voorzieningen betreffen hulpmiddelen,
hulpverlening en genees- en heelkundige voorzieningen, de laatste
categorie op grond van het eerste lid van artikel 57 AAW
c.a. Deze
voorzieningen worden voortaan verstrekt in het kader van de AWBZ. Voor deze
overheveling is wijziging van de AWBZ nodig. De wijze waarop dit kan
worden vormgegeven, wordt bezien in relatie met de gefaseerde invoering
van de nieuwe zorgverzekering door totale herziening van de AWBZ. De
wijzigingen in de AWBZ vanwege de overheveling van de
betrokken AAW-voorzieningen voor gehandicapten worden daarom niet in deze
wet meegenomen, maar afzonderlijk geëffectueerd.
3.1. Gemeentelijke
zorgplicht en waarborgen voor gehandicapten
De overdracht van het
voorzieningenpakket voor gehandicapten naar gemeenten en AWBZ
betekent
dat de betreffende bepalingen in de AAW
en de daarop gebaseerde
nadere regelen komen te vervallen, terwijl de Rgshg wordt ingetrokken. In
plaats daarvan wordt in deze wet voorzien in een zorgplicht van
gemeenten voor woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen voor
gehandicapten. Voor de overige voorzieningen, met name van
inkomensondersteunende aard, voorziet de ABW reeds in een gemeentelijke
zorgplicht. Tot nu toe worden soortgelijke voorzieningen als in het
AAW-pakket vanwege de leeftijdsgrens in de AAW reeds aan 65-plussers
verstrekt in het kader van de ABW.
Wij hebben gekozen voor het
opnemen in deze wet van een gemeentelijke zorgplicht voor
woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van gehandicapten zonder deze voorzieningen
nader te omschrijven. Bij
decentralisatie van beleid en overdracht van financiële
verantwoordelijkheid naar gemeenten past het niet om aan het voorzieningenbeleid een
nadere wettelijke invulling te geven. Dat zou ook te weinig ruimte aan
gemeenten geven voor lokale afstemming en voor het dragen van de
financiële verantwoordelijkheid.
Niettemin geven de
bepalingen van deze wet naar onze mening de gehandicapten voldoende
zekerheid. De gemeenten moeten ingevolge deze wet een verordening
opstellen waarbij onder meer is geregeld in
welke gevallen en in welke
vorm een voorziening kan worden verleend en welke criteria gelden voor
de financiële tegemoetkomingen respectievelijk rblz.|13|
de hoogte van
forfaitaire vergoedingen. Zij moeten zich daarbij baseren op het doel van deze
voorzieningen: het opheffen of verminderen van beperkingen voor
gehandicapten bij het zelfstandig wonen en bij het zich binnen of
buiten de woning verplaatsen. De zorgplicht houdt dus in dat de gemeenten
toereikende hulp bieden in verband met deze beperkingen van
gehandicapten, maar niet dat bij voorbaat aanspraken bestaan op bepaalde door de
aanvrager gewenste voorzieningen. Wij wijzen erop dat thans in het
kader van de AAW
sprake is van een discretionaire bevoegdheid van de
uitvoeringsorganen, met als uitgangspunt dat de meest goedkope
adequate voorziening wordt geboden. De gemeentelijke zorgplicht
moet op dezelfde wijze worden opgevat.
De gemeentelijke invulling
maakt duidelijk welke voorzieningen worden geboden, maar de regulering
hiervan zal van gemeente tot gemeente niet precies gelijk zijn. Dat is
inherent aan decentralisatie en lokale afstemming.
Wij vinden het wel van
belang dat er een zekere afstemming en harmonisatie van het
gemeentelijk beleid op dit terrein zal zijn. De Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG) heeft toegezegd met het oog hierop in overleg met
ons een modelverordening op te stellen. De ervaring hiermee op andere
terreinen leert dat hiervan een coördinerende werking uitgaat. Veel
gemeenten nemen een dergelijk model zonder meer over. Andere gemeenten, die
ook eigen elementen willen inbrengen, zullen daarbij aan de (minimum)vereisten in de modelverordening voor het te voeren beleid geen
afbreuk doen. Ten slotte wordt de rechtszekerheid bevorderd door de in deze wet opgenomen beroepsprocedure.
De beroepsinstanties zullen
de gemeentelijke beslissingen toetsen aan deze wet en de verordening.
3.2. Reactie op advisering
over waarborgen
Wij zijn niet bang voor
willekeur in het gemeentelijk beleid, zoals de Gehandicaptenraad
vreest. De
gemeenten zijn gebonden aan hun zorgplicht, er is een lokale politieke invulling van het beleid met
democratische controle en de
beroepsrechter kan zo nodig corrigeren. Dat er geen sprake meer is
van landelijke uniformiteit zien wij juist als een voordeel, omdat centrale
regels minder recht kunnen doen aan het individuele geval en de zorg
voor lokaal afgestemde voorzieningen meer passend kan zijn dan
centraal omschreven voorzieningen. De rechtsgelijkheid is niet gelegen in
de omstandigheid dat gehandicapten overal binnen Nederland in een
bepaalde situatie exact dezelfde voorziening mogen verwachten, maar in
het feit dat gehandicapten, ongeacht waar zij in Nederland wonen, een
adequate, dat wil zeggen een op het individu en de lokale omstandigheden
afgestemde voorziening mogen verwachten. Wij zijn het dan
ook niet eens met de Raad dat op centraal niveau de beleidsbepaling
inzake gemeentelijke woon- en leefvoorzieningen moet plaatsvinden,
met centrale regeling van de voorzieningen. Onze rol zien wij beperkt
tot een toetsing van het gemeentelijk beleid aan de uitgangspunten van deze wet. Hetzelfde geldt overigens ook voor het beleid in de zorgsector
betreffende de voorzieningen voor gehandicapten in het kader van de AWBZ,
respectievelijk zorgwet, naast het gebruikelijke toezicht op de
zorgverzekeraars.
De Raad voor de
Volkshuisvesting vindt een politieke keuze nodig wat betreft de vraag of het
verkrijgen van voorzieningen door gehandicapten als een recht of als een
gunst moet worden opgevat. De Raad stelt dat het om dermate elementaire
voorzieningen gaat dat van een recht kan worden gesproken. In de wet
zouden dan ook de aanspraken van gehandicapten op voorzieningen en
de condities voor medewerking van de overige betrokkenen moeten
worden opgenomen. Wij menen dat met deze wettelijke regeling er
sprake blijft van voldoende rechtswaarborgen rblz.|14|
voor toereikende hulp. De
mogelijkheid voor de gemeenten om daartoe de passende voorzieningen te
treffen, houdt ook in dat de wet voldoende ruimte moet bieden in het
individuele geval toereikende hulp te bieden. Wij zijn het eens met de
Raad dat er sprake is van elementaire voorzieningen voor het
maatschappelijke functioneren van gehandicapten. Dit zal in de gemeentelijke
praktijk, die uitwerking moet geven aan de zorgplicht, ook als zodanig
worden beleefd. Wij menen dan ook dat decentralisatie verantwoord is en het beleid niet langer centraal moet worden bepaald, waarbij de gemeentelijke rol zou worden beperkt tot
medebewind. De gemeenten
hebben ook de taak om afspraken te maken met de overige betrokkenen
over het realiseren van de voorzieningen. Overigens wordt aan het door
diverse adviesorganen geuite bezwaar dat de invoeringstermijn van de
wet te kort zou zijn, tegemoetgekomen. De wet zal voor wat de
voorzieningenverstrekking betreft niet eerder dan 1 januari 1994 in werking
treden.
3.3. Overgangsrecht
Speciale aandacht voor de
aanspraken van gehandicapten is nodig voor degenen die ten tijde
van de overdracht naar gemeenten en AWBZ over
één of meer voorzieningen beschikken. De overname van de
lopende gevallen zal aanvankelijk voor een belangrijk deel de uitvoering in de nieuwe kaders bepalen.
Om de voortzetting van lopende voorzieningen te waarborgen, zijn
in deze wet overgangsbepalingen opgenomen.
Voor periodieke financiële
tegemoetkomingen voor vervoerskosten wordt voorzien in een
overgangsperiode van 1994 tot 1996. In die periode kunnen de gemeenten
de per 1 januari 1994 bestaande rechten op deze tegemoetkomingen
omzetten in gemeentelijk vastgestelde rechten, waarbij er
uiterlijk per 1 januari 1996 sprake moet zijn van gelijke behandeling met
nieuwe gevallen. Een dergelijk lange periode is gezien de omvang van de
lopende toekenningen nodig om de gemeenten voldoende ruimte te geven
voor herbeoordeling en het geleidelijk verminderen van deze financiële
tegemoetkomingen, respectievelijk het bieden van vervoersvoorzieningen in
natura. In ons overleg met de VNG is het belang van een dergelijke
overgangsperiode door de VNG benadrukt, zodat bij de overname van
lopende aanspraken geen aanpassing nodig is, maar deze geleidelijk kan
gebeuren. Deze geleidelijke aanpassing van bestaande rechten is nodig
om de toename van nieuwe gevallen, vooral van 65-plussers, financieel
op te vangen.
Voorzieningen in natura
blijven ter beschikking voor de gebruiksduur respectievelijk
contractsduur. Van dit laatste zal vooral sprake zijn bij de bruikleen van
hulpmiddelen,
waaronder vervoersmiddelen. Van mogelijke herziening van aanspraken
zal dus in het algemeen eerst sprake zijn vanaf 1994 voor de
financiële rechten en overigens bij de noodzaak van vervanging of verandering
van verstrekkingen in natura.
3.4. Instrumenten voor
kostenbeheersing
Deze wet
moet de gemeenten
ook voldoende mogelijkheden bieden tot kostenbeheersing. Gezien
de mogelijkheden in deze wet voor nieuw beleid worden de beschikbare
middelen door de toevoegingen aan het gemeentefonds in algemene
zin toereikend geacht voor een financieel verantwoorde overname door
de gemeenten. Maar de uitbreiding van de doelgroep, met name voor
vervoersvoorzieningen, tot ouderen en de toenemende vergrijzing
zullen in de toekomst verdere kostenbeheersing noodzakelijk maken. In de
eerste plaats kan dit door vergroting van de doelmatigheid van het
gemeentelijk huisvestingsbeleid en vervoersbeleid worden bereikt.
rblz.|15|
Maar wij vinden daarnaast
ook een zekere versterking van de eigen verantwoordelijkheid van
gehandicapten gewenst door een aanvaardbaar deel van de - vaak aanzienlijke - kosten voor eigen rekening te nemen.
Deze bijdrage moet echter
niet vooropstaan, maar is van belang om er mede voor te zorgen dat de
kosten die met deze voorzieningen zijn gemoeid in totaal en per
gemeente niet verder stijgen. Daarbij zal een verschil in de gevraagde
bijdragen tussen de verschillende gemeenten moeten worden geaccepteerd.
De gemeente moet immers rekening houden met enerzijds de
omvang van het beroep op voorzieningen, dat per gemeente kan uiteenlopen, en anderzijds de financiële middelen. De
Rgf heeft erop gewezen dat
dit een essentieel beginsel is bij decentralisatie.
Deze wet
voorziet in de
volgende mogelijkheden voor een bijdrage van de gehandicapte in de
kosten:
a. een beperkte, wettelijk
gemaximeerde eigen bijdrage, onafhankelijk van het inkomen, met name
voor woningaanpassing en voorzieningen in natura;
b. een inkomensafhankelijke
bijdrage in de kosten van woonvoorzieningen en
vervoersvoorzieningen;
c. doorberekening in de huur
van een deel van de kosten van woningaanpassing (met inachtneming
van de mogelijkheid van huursubsidie) en eigen financiering van dit deel bij eigen woningen.
Afgezien van een wettelijk
maximum voor de onder punt a bedoelde eigen bijdrage, willen wij
geen centrale regels stellen voor de onder punt b en c genoemde bijdragen.
Criteria hiervoor zijn mede bepalend voor de hoogte van de financiële
tegemoetkomingen en passen dus in de gemeentelijke (model)verordening. Wij gaan er daarbij
van uit dat deze bijdragen alleen nodig zijn
om de financiering sluitend te maken en dus in omvang kunnen worden
beperkt.
3.5. Reactie op advisering
over eigen bijdragen
De SVr adviseert voor de
eigen bijdrage een hardheidsclausule op te nemen in verband met
mogelijke financiële problemen om deze bijdrage te betalen. Ook mag het
betalen van een eigen bijdrage niet als voorwaarde worden gesteld om
tot verstrekking van een voorziening over te gaan.
Wij menen dat gezien de
beperkte werking van de eigen bijdrage, die niet geldt bij financiële
tegemoetkomingen aan de gehandicapten, en de mogelijkheid van een beroep
op de ABW bij financiële problemen, er geen reden is om in de wet
in een hardheidsclausule te voorzien. Uiteraard staat het de gemeente
vrij in de verordening wel zo'n clausule op te nemen.
Uit oogpunt van
doelmatigheid moet het mogelijk zijn de eigen bijdrage te incasseren
voordat tot verstrekkingen wordt overgegaan. Dit is echter mede afhankelijk
van de aard en urgentie van de voorziening.
De Gehandicaptenraad
is van
mening dat door de nominale eigen bijdrage de laagste inkomens
onevenredig zwaar worden getroffen. De bijstand beschermt slechts inkomens op en vlak boven het
minimum. De
lasten in verband met
inkomensafhankelijke bijdragen cumuleren het zwaarst bij de
middeninkomens. De gevraagde bijdragen kunnen ongewenste gevolgen hebben
doordat men afziet van een voorziening.
Wij vinden een beperkte
eigen verantwoordelijkheid voor de kosten van voorzieningen
verantwoord. Omdat bij de noodzakelijke kostenbeheersing het accent ligt op
doelmatigheid in het voorzieningenbeleid en niveaumaatregelen voor
kostenvergoedingen, verwachten wij niet dat bij toepassing van eigen
bijdragen als aanvullend instrument er sprake zal zijn van een onevenredig
aanspreken van (het inkomen van) de gehandicapte. Voor duurdere
voorzieningen waarvan de lasten grotendeels door rblz.|16|
de overheid worden betaald,
zal een eigen bijdrage, nominaal of inkomensafhankelijk, geen
aanleiding zijn om daarvan af te zien. Voor kleine voorzieningen is de eigen bijdrage naar onze mening een
doelmatig instrument bij de
afweging om deze al dan niet aan te vragen. Hiermee geven wij tevens
antwoord op de mening van de meerderheid van de voorlopige Raad voor
het Ouderenbeleid, die vreest dat eigen bijdragen tot
terughoudendheid in het aanvragen van voorzieningen zullen leiden, terwijl de
hoge inningskosten wellicht het heffen van eigen bijdragen weinig zinvol
maakt. Wat dit laatste betreft, verwachten wij dat het belang dat de
voorziening voor de betrokkene heeft in het algemeen niet tot inningsproblemen
zal leiden.
De Raad voor de
Volkshuisvesting alsook de COG heeft ernstige bedenkingen tegen het eigen
aandeel van gehandicapten in de kosten van woningaanpassing, dat nodig is omdat het budget wordt vastgesteld
op 75% overheidssubsidie en
25% financiering via de huur of de eigen woning. De Raad stelt voor
in plaats daarvan een inkomensafhankelijke regeling te treffen. Wij
wijzen erop dat de hogere huur als gevolg van de woningaanpassing voor
gehandicapten die in aanmerking komen voor huursubsidie op de
gebruikelijke wijze zal worden gecompenseerd. Omdat een groot deel van de
gehandicapten daarvoor in aanmerking komt, is gekozen voor doorberekening in de huur met individuele
huursubsidie in plaats van
een specifieke inkomensafhankelijke regeling. Als de woningaanpassing tot
zulke hoge woonlasten leidt dat het inkomen te zwaar belast
wordt, kan de gemeente gebruikmaken van de mogelijkheid aanvullende
inkomensafhankelijke subsidievoorwaarden op te nemen in de verordening.
Ook voor de gehandicapte eigenaar-bewoner kan de
gemeente nadere subsidievoorwaarden stellen, waarbij het inkomen een rol
kan spelen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan het verstrekken
van gemeentegarantie en financiering via de gemeentelijke
kredietbanken.
Door deze verschillende mogelijkheden zijn aangepaste woningen ook voor
de lagere inkomensgroepen nog steeds bereikbaar.
3.6. Wijziging van andere
wetten
Deze wet
voorziet ten slotte
ook in de wijziging van een aantal andere wetten, die met de
herziening van het voorzieningenstelsel samenhangen. De beëindiging van
de AAW-voorzieningen krachtens artikel 57, tweede lid, en de genees-
en heelkundige voorzieningen ingevolge artikel 57, eerste lid, heeft ook
gevolgen voor andere wetten en uitvoeringsorganen. Voor (gewezen)
ambtenaren, militairen en spoorwegpersoneel worden dezelfde
voorzieningen als in de AAW tot nu toe verstrekt op grond van voor deze groepen
geldende specifieke regelingen. De overeenkomstige bepalingen
in die wetten moeten dus eveneens worden aangepast. De overdracht van
de AAW-voorzieningen naar gemeenten en AWBZ
betekent dus tevens
een overdracht van de betreffende taken van de pensioenfondsen voor
deze groepen, die voor deze voorzieningen voortaan primair ook op de
gemeenten en zorgverzekeraars aangewezen zijn.
3.7. Wetgeving op het
VROM-terrein
De tweede ondergetekende
heeft zich nader beraden over de wijzigingen die in de brief van 6
mei 1991 zijn aangekondigd.
Geconcludeerd is dat
slechts in de Huurprijzenwet woonruimte en de Woningwet
enkele wijzigingen
moeten worden aangebracht. De Huurprijzenwet woonruimte behoeft
enige aanpassing in verband met de wenselijkheid om het niet-gesubsidieerde deel van de kosten van een rblz.|17|
bouwkundige of
woontechnische ingreep aan of in de woonruimte in de huur te kunnen
doorberekenen. De Woningwet dient op enkele plaatsen te worden aangevuld met het
oog op het verlenen van de bevoegdheid aan de gemeente
om een
verhuurder zo nodig te dwingen in of aan de woning een ingreep te
verrichten.
Aanpassing van de Wet
individuele huursubsidie (hierna te noemen: Wet IHS) wordt bij nader
inzien niet noodzakelijk geacht. De financiële gevolgen van een woningaanpassing voor huurders met een
minimuminkomen zullen
zonder wijziging van de Wet IHS in voldoende mate kunnen worden
ondervangen. Een (deel van de) huurverhoging zal door een hogere huursubsidie
kunnen worden gecompenseerd. Ook bij een geringe tussentijdse
huurverhoging is dat onder de huidige Wet IHS mogelijk. Artikel 21, tweede
lid, van de Wet IHS opent de mogelijkheid om af te wijken van het
minimumbedrag aan tussentijdse huurverhoging dat geldt als voorwaarde
voor het bijstellen van het subsidiebedrag of het alsnog verstrekken van
huursubsidie ingevolge dat artikel. Artikel 17, eerste lid, onderdeel e, van de
Wet IHS maakt overschrijding mogelijk van de ingevolge die wet geldende
maximale huurgrens voor bijvoorbeeld huurders van aangepaste
woningen.
In voorkomende gevallen
zouden deze huurders ook nog door de gemeentelijke subsidiegever
of de verhuurder tegemoet kunnen worden gekomen. Een gemeente
zal namelijk onder de
Wet voorzieningen gehandicapten de vrijheid
hebben om bij het verlenen van financiële tegemoetkomingen een
inkomenstoets te hanteren. Bij het vaststellen van de hoogte van een
subsidie aan de verhuurder voor het verrichten van een ingreep kan een
gemeente derhalve het inkomen van de gehandicapte huurder ten behoeve
van wie de woning wordt aangepast als factor meewegen. De
verhuurder kan verder bij het bepalen van het bedrag aan huurverhoging
acht slaan op de uitwerking die een huurverhoging op de hoogte van de
door de huurder te ontvangen huursubsidie heeft.
Deze mogelijkheden komen in
belangrijke mate tegemoet aan de bezwaren van de Raad voor de
Volkshuisvesting in verband met de werking van de individuele huursubsidie en de wettelijke regeling voor de
huurprijzen woonruimte. Bij
de IHS zal echter het systeem van kwaliteitskortingen van kracht
blijven. In het kader van de huurprijzenregeling zal de maximaal redelijke huur
door kosten van woningaanpassing overschreden kunnen worden,
maar de trendmatige huurverhoging blijft wel op de aangepaste huur
van toepassing.
Zodra deze huurder het
huurcontract beëindigt en met een nieuwe huurder een nieuw
huurcontract wordt afgesloten, verandert de situatie. Als op het nieuwe huurcontract huurliberalisatie van toepassing is, geldt
de Huurprijzenwet woonruimte
niet meer. Als voor de nieuwe huurder geen geliberaliseerd
contract geldt, is voor de nieuwe huurder de trendmatige huurverhoging niet
van toepassing.
De Raad voor de
Volkshuisvesting wijst op de risico's voor verhuurders, met wiens
belangen op evenwichtige wijze rekening moet worden gehouden. De Raad is
daarom, evenals de Rgf, tegen het stopzetten van de verwijdersubsidies en wijst verder op de exploitatierisico's wanneer de relatie
tussen huurder en verhuurder vroegtijdig wordt verbroken en op de
problemen van herverhuur van een aangepaste woning. Het niet langer
subsidiëren van verwijderingen is reeds per 1 januari 1992 ingevoerd in
verband met de onwenselijkheid van subsidiëring van
kapitaalvernietiging. Van groot belang is dat aangebrachte voorzieningen worden
hergebruikt door verhuizing van een andere gehandicapte naar de
aangepaste woning. Hiertoe dienen mede de rblz.|18|
middelen voor
verhuiskostenvergoedingen die in het budget aan gemeenten worden
overgedragen.
De risico's voor de
verhuurder worden beperkt doordat hij de niet-gesubsidieerde kosten van
woningaanpassing in overleg met de huurder kan doorberekenen in de huur, met trendmatige aanpassing daarvan. Het
Rijk onderkent het risico
van leegstand na verhuizing of overlijden van de gehandicapte. Naast de
normale tegemoetkoming voor mutatie leegstand in de
exploitatiebijdragen zal bij de voeding van het gemeentefonds vanaf 1994 een
bedrag voor extra leegstand worden toegevoegd. De gemeente heeft er
belang bij de verhuurder snel aan een nieuwe gehandicapte huurder
te helpen, omdat deze anders de gemeente zal aanspreken voor de
huurderving. Een goede registratie van reeds aangepaste woningen, met
informatie over leegstand en verhuur, kan een snelle en goed passende
woningtoewijzing voor gehandicapten bewerkstelligen.
De Raad voor de
Volkshuisvesting meent in verband hiermee dat het belang van een goede
registratie een wettelijke verplichting rechtvaardigt. Wij menen dat de gemeenten dit belang zullen onderkennen,
maar het lijkt ons meer een
element voor de (model)subsidieverordening dan een op te nemen
wettelijke verplichting.
Ruim vóór de
inwerkingtreding van deze wet zal een door VROM in overleg met de
VNG ontwikkeld systeem voor de registratie van aangepaste en gemakkelijk aanpasbare woningen gereed zijn. Het verdient
aanbeveling dit
registratiesysteem op en in te zetten op het niveau waar woningmarktprocessen zich
ontwikkelen. Hiermee kan een doelmatig beleid, gezien de
schaalvoordelen van intergemeentelijke samenwerking, worden gestimuleerd.
Overigens zij opgemerkt dat aangebrachte voorzieningen in het
algemeen een woning niet minder geschikt maken voor bewoning door
niet-gehandicapten.
4. Voorzieningenterreinen
Het onderscheid tussen
leefvoorzieningen, woonvoorzieningen, zorgvoorzieningen en
inkomensondersteunende voorzieningen is maatgevend voor de ordening
van verantwoordelijkheden en bevoegdheden in regelgeving en
uitvoering.
4.1. Leefvoorzieningen
Tot dusverre wordt het
begrip leefvoorzieningen in de AAW-praktijk gebruikt als verzamelnaam
voor alle voorzieningen gericht op het verminderen of opheffen van belemmeringen in de leefsituatie, ter onderscheiding van
werkvoorzieningen (hulpmiddelen bij het werk, aanpassing van de werkplek, scholing en
het vervoer naar werk). Daarnaast zijn er onderwijsvoorzieningen
(hulpmiddelen bij het onderwijs, extra kosten voor gehandicapten van de
onderwijsinstellingen, vervoer naar scholen), die ook niet in deze
herstructurering zijn betrokken, maar als voorbereiding op arbeid tot de
werkvoorzieningen worden gerekend. In het gemaakte onderscheid zijn de leefvoorzieningen in enge zin beperkt tot
de voorzieningen voor
vervoer buitenshuis en de rolstoelen. De hulpmiddelen voor verplaatsing
binnen worden voortaan tot de zorgvoorzieningen gerekend. Rolstoelen
kunnen zowel dienen voor verplaatsing in huis als buitenshuis. Bij
deze voorziening is er tot nu toe een onderscheid tussen intramurale zorg
(AWBZ) en de thuiszorg (AAW) met voor boven-65-jarige thuiswonenden
verstrekking van rolstoelen via de ABW.
De vraag of de rolstoel tot
de categorie leefvoorzieningen of zorgvoorzieningen moet worden
gerekend, is niet eenduidig te beantwoorden. De Ziekenfondsraad is in meerderheid van mening dat de rolstoelverstrekking
rblz.|19|
aan zelfstandig
wonende gehandicapten past in de zorgsector, mede gezien de afstemming
met de intramurale zorg en met de zorg in de thuissituatie. De SVr en
andere adviesorganen benadrukken de samenhang en afstemming met
de woon- en leefsituatie en de woon- en vervoersvoorzieningen.
De keuze voor gemeenten of
zorgsector heeft beide voor- en nadelen. Bij de keuze voor gemeenten
vraagt de afstemming tussen de verlening van rolstoelen door gemeenten in de thuissituatie en door de
AWBZ
in
het kader van de zorg door
instellingen bijzondere aandacht, met name in het "grensverkeer" bij
opname of vertrek uit een AWBZ-instelling.
Bij de keuze voor de
zorgsector ontstaan andere behoeften aan en mogelijke problemen bij de
afstemming met woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen. De (aangepaste) woning en inrichting daarvan
moet geschikt zijn voor de
rolstoel en omgekeerd; de rolstoel moet "passen" in de
(aangepaste) auto of in de rolstoeltaxi.
Bij de afweging hebben wij
ervoor gekozen de directe koppeling met de woon- en leefsituatie
en tussen vervoersvoorzieningen onderling in stand te houden en de rolstoelvoorziening, zoals die nu in het kader van
de AAW
plaatsheeft, over te
dragen aan de gemeenten. De rolstoelvoorziening die als onderdeel
van de zorg in de AWBZ wordt geboden, blijft in dat kader. De gevolgen
van deze keuze voor de over te dragen budgetten naar de gemeenten
en de AWBZ zijn verwerkt in de financiële paragraaf.
De vervoersvoorzieningen,
waarvoor de gemeenten verantwoordelijk worden, betreffen daardoor
autovervoer, buitenwagens voor gehandicapten, taxivervoer
(inclusief rolstoeltaxi) en ook rolstoelen.
In het kader van de
AAW
worden voor deze vormen van vervoer de volgende voorzieningen verstrekt:
- vergoeding van de kosten
voor aanpassing van de eigen auto;
- verstrekking van een
aangepaste bruikleenauto, vooral voor woon-werkvervoer;
- verstrekking van een aan
de handicap aangepaste gesloten buitenwagen;
- verstrekking van een
rolstoel in eigendom of bruikleen voor verplaatsing binnen en/of
buiten;
- vergoeding van de
gebruikskosten van een auto voor woon-werkverkeer en/of een
vergoeding voor privégebruik voor 5000 km per jaar, in 1992
beperkt tot 4500 km per jaar (voor de eigen auto ƒ2835,-);
- vergoeding voor kosten van
taxigebruik overeenkomstig het autokostenforfait van ƒ2835,- in
1992.
Zoals reeds in de inleiding is
aangeduid, zullen de vergoeding voor de kosten van het privégebruik
van een auto en de vergoeding voor de kosten van taxigebruik in
1993 in twee stappen van elk 10% verder worden verlaagd.
Het gaat dus om twee soorten
voorzieningen: a. incidentele verstrekking van een
aangepast vervoermiddel, eventuele verdere aanpassingen nadien en
opnieuw verstrekking na afloop van de gebruiksduur van het
vervoermiddel; b. periodieke verstrekking van een forfaitaire vergoeding voor
de gebruikskosten van het vervoermiddel, respectievelijk voor
taxivervoer als men geen eigen vervoermiddel heeft.
Op het moment van de
overheveling van deze voorzieningen naar de gemeenten zullen deze in de
lopende gevallen aansluiten bij de eerdere toekenningen in het kader van de
AAW. Vanaf 1 januari 1994 gelden de
in deze wet opgenomen
overgangsbepalingen.
Kenmerkend voor de
decentralisatie naar de gemeenten is dat deze een eigen beleid kunnen gaan
voeren, afgestemd op de lokale woon- en rblz.|20|
leefomstandigheden en op de
lokale vervoersmogelijkheden. Ook met de gezins- en persoonlijke
omstandigheden van de gehandicapte kunnen de gemeenten bij de individuele
beslissingen beter rekening houden dan in de centraal gestuurde
uitvoering van de AAW, die meer gestandaardiseerde voorzieningen
impliceert. Deze mogelijkheden van maatwerk, afgestemd op de individuele
en de lokale situatie, zijn voor ons een belangrijke reden bij de
keuze voor overdracht aan de gemeenten. Zij kunnen mede door lokale respectievelijk regionale vervoersvoorzieningen
en door de wijze van
huisvesting, zoals dichtbij openbaar vervoer en andere voorzieningen, de
mobiliteit en de deelname aan het maatschappelijk verkeer van
gehandicapten bevorderen en hebben door de aan hen opgedragen zorg op dit
terrein daar ook financieel belang bij. Het voorgaande neemt niet weg
dat de gemeenten voor de vervoersvoorzieningen ten behoeve van de
gehandicapten nadere regels moeten opstellen in het kader van
het door hen te voeren beleid die de aard en inhoud van de voorzieningen
nader zullen aangeven.
Wij gaan er echter niet van
uit dat de vormgeving van dit beleid en de criteria voor de
voorzieningen landelijk gelijk zullen zijn. Dat is niet mogelijk en niet gewenst
gezien de lokale en regionale verschillen tussen de gemeenten, die mede
bepalend zijn voor de zorg op dit terrein.
4.2. Woonvoorzieningen
Tot nu toe zijn de
woonvoorzieningen niet in één kader geregeld. De bouwkundige voorzieningen
voor aangepaste woningen worden verstrekt op grond van de Rgshg van
het ministerie van VROM. De financiële tegemoetkomingen in de
kosten van de aanpassing van de inrichting van de woning worden verstrekt
op grond van de AAW, die tot het terrein van het
ministerie van SZW
behoort. Deze afbakening heeft voortdurend tot afstemmingsproblemen
geleid. Zowel over de vraag of bepaalde voorzieningen tot het ene of
tot het andere terrein behoren als door de uitvoering door
verschillende instanties.
De discussie of alle
woonvoorzieningen niet in één regeling kunnen worden ondergebracht, is nu
opgelost door de keuze voor decentralisatie naar de gemeenten op grond
van deze wet.
Deze keuze maakt het
mogelijk om een integrale benadering te volgen bij het aanpassen van de
woonomstandigheden aan de betreffende handicap. Decentralisatie van de zorg kan uiteraard ook bij de woonvoorzieningen bijdragen tot een
betere afstemming op de lokale omstandigheden.
Volledige decentralisatie
van de zorg voor alle woonvoorzieningen naar de gemeenten biedt bovendien
het belangrijke voordeel dat zowel het te voeren beleid als de feitelijke toekenning van voorzieningen als de financiering alle in één hand
zijn. Naar verwachting zal hiervan een positieve invloed uitgaan op zowel de
kwaliteit van de voorzieningen als op de beheersing van de kosten.
Voor wat betreft het leeuwedeel van de woonvoorzieningen die thans
verstrekt worden - dat zijn de in het kader van de Rgshg verstrekte
woonvoorzieningen -, is de situatie thans een andere: gemeenten zijn
uitsluitend verantwoordelijk voor de toekenning; het Ministerie van VROM
draagt zorg voor financiering en bepaalt het beleid.
De Rgshg voorziet in de
mogelijkheid van subsidiëring in de kosten van:
- bouwkundig of
woontechnische ingrepen in of aan de woonruimte;
- onderhoud, keuring en
reparatie van bepaalde aanpassingen;
- verhuizing naar en
inrichting van een andere woonruimte;
- gederfde huur voor de
periode waarin een ingreep aan of in de woning wordt verricht of
gederfde huur in verband met het onverhuurd blijven van een leeg gekomen aangepaste woning;
rblz.|21|
- tijdelijke huisvesting van
de gehandicapte in verband met het aanpassen van de woning.
In het kader van de
AAW
worden vergoedingen gegeven voor de kosten van aanpassingen van
de inrichting van de woning. Het betreffen in hoofdzaak voorzieningen voor vloeren, deuren, vensters en trappen
Het gaat dus bij
woonvoorzieningen in het algemeen om incidentele verstrekkingen, afgestemd op
de kosten van de aanpassingen. Sommige voorzieningen, zoals voor verhuizing en woninginrichting, zijn genormeerd door forfaitaire
bedragen.
De vergoedingen voor woonruimteaanpassing en huurderving worden aan de eigenaar van de
woonruimte verstrekt; de overige vergoedingen aan de gehandicapte zelf, ook voor woningaanpassing als deze zelf
eigenaar is.
Bij de decentralisatie van
de Rgshg-voorzieningen en de overheveling van de AAW-woonvoorzieningen
naar de gemeenten zullen deze verstrekkingsvormen een rol blijven spelen. Het gaat
erom de gehandicapte geschikte woonruimte
te bieden, zodat deze zelfstandig kan blijven wonen. Afhankelijk van
onder meer de gezinsomstandigheden en de aard van de handicap kan dit
aanbod de aanpassing van de huidige woonruimte of andere
passende huisvesting inhouden. Daarbij is vaak ook aanpassing van de
woninginrichting nodig. Deze voorzieningen zijn mede afhankelijk van het
gemeentelijk huisvestingsbeleid en woningtoewijzingsbeleid. Wij gaan ervan uit dat de gemeenten in overleg met woningbouwcorporaties en
particuliere huiseigenaren dit beleid voor gehandicapten, mede in
relatie met het huisvestingsbeleid voor ouderen, verder zullen ontwikkelen.
Het vervallen van de
gedetailleerde regels van de Rgshg geeft de gemeenten meer beleidsruimte
om aan de instrumenten en voorzieningen op dit terrein zelf
vorm te geven. Dit geldt ook voor de relatie met huiseigenaren in verband met
woningaanpassing. De afspraken over hun medewerking aan
woningaanpassing, blijvend gebruik van aangepaste woningen voor gehandicapten,
het terugbrengen van woningen in dezelfde staat als dat
wenselijk is en de daarmee samenhangende financiële aspecten zijn een
zaak van gemeentelijk beleid.
Hetzelfde geldt voor de
vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkomingen in de
kosten. Bij het regelen van de verstrekking van financiële tegemoetkomingen
in de kosten van bouwkundige en woontechnische ingrepen in
of aan de woning kunnen gemeenten de hoogte van de
subsidiebedragen zodanig vaststellen dat een deel van de kosten van die ingrepen voor
rekening van de verhuurder van de woning blijft. De voorgestelde
wijzigingen van de Huurprijzenwet woonruimte en de in de (artikelsgewijze)
toelichting op die wijziging besproken voorgenomen aanpassing van het
Besluit huurprijzenwet woonruimte geven een nadere regeling voor die
gevallen waarin de verhuurder de door hemzelf gedragen investeringskosten
wil doorberekenen in de huur. Bij aanpassing van de eigen
woning van een gehandicapte is een eigen aandeel van deze in de
financiering daarvan mogelijk.
Ook kunnen de gemeenten bij
de vergoeding van kosten op grond van deze wet
rekening houden met
het eigen (gezins)inkomen. Tevens blijft uitgangspunt dat de overgedragen rijksmiddelen
erin voorzien dat de
kosten grotendeels door de
overheid worden gedragen, zodat het eigen aandeel in de kosten beperkt
kan blijven.
De criteria voor de hoogte
van de financiële tegemoetkomingen moeten in de gemeentelijke
verordening respectievelijk daarop gebaseerde richtlijnen
worden vastgelegd, zodat zij aan de genoemde uitgangspunten kunnen worden
getoetst. In deze verordening worden rblz.|22|
ook de vormen van
gemeentelijk beleid voor de woonvoorzieningen vastgelegd.
Evenals bij de
vervoersvoorzieningen gaan wij er echter niet van uit dat de voorzieningen en criteria
daarvoor landelijk gelijk zullen zijn gezien de afstemming op de lokale
mogelijkheden en omstandigheden op dit terrein.
4.3. Zorgvoorzieningen
In onze nota van juni 1990
hebben wij de knelpunten aangegeven die zich voordoen doordat medische en zorgvoorzieningen voor gehandicapten in verschillende kaders, de
AAW, de ziektekostenregelingen en de
thuiszorgsubsidieregelingen,
zijn opgenomen. Men moet vaak gelijktijdig of achtereenvolgens naar
verschillende loketten omdat de betreffende ziekte of handicap het
gebruik van een aantal voorzieningen met zich brengt. Zo is bijvoorbeeld
het gebruik van hulpmiddelen (kruiswerk) en huishoudelijke hulp
(gezinsverzorging) in tijdsduur beperkt, zodat men daarna voor dezelfde
voorzieningen een beroep moet doen op de AAW. De afbakening van de voorzieningen is gedetailleerd geregeld. Het
accent bij de hulpverlening
ligt meer bij de beoordeling wie voor wat verantwoordelijk is dan bij
de doelmatigheid en samenhang van de hulp. Nieuwe ontwikkelingen kunnen
leiden tot een onverkwikkelijke strijdvraag wie verantwoordelijk is
(voorbeeld: thuiszorg voor patiënten met sondevoeding).
Wij willen aan deze
problemen structureel een einde maken door alle medische en
zorgvoorzieningen in het kader van de nieuwe zorgverzekering bijeen te brengen.
Hierdoor wordt een integrale benadering van de medische voorzieningen en
thuiszorg voor mensen met een ziekte of gebrek mogelijk. Naast meer
samenhang is ook grotere doelmatigheid hierbij uitgangspunt, met
versterking van de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars,
zorgaanbieders en verzekerden. De hulpverlening en de verstrekkingen zullen minder
gedetailleerd worden geregeld. Eigen keuzemogelijkheden worden
hierdoor groter. Eventueel kan de mogelijkheid van een
cliëntgebonden budget hieraan ook bijdragen. Ook bij deze voorzieningen kan
de hulpverlening dan beter op de individuele omstandigheden en
mogelijkheden worden afgestemd.
In het kader van de
AAW
worden genees- en heelkundige voorzieningen en leefvoorzieningen
verstrekt die van gelijksoortige aard zijn of sterk samenhangen met de verstrekkingen in de ziektekostenregelingen
en de hulpverlening in de
zorgsector.
Deze voorzieningen kunnen in
de volgende categorieën worden ingedeeld:
- ADL-hulpmiddelen voor het
dagelijks functioneren (algemene dagelijkse
levensverrichtingen als slapen, zich wassen, aan- en uitkleden, eten en drinken, zitten);
- ADL-hulp in de thuiszorg
voor assistentie bij het dagelijks functioneren;
- hulpmiddelen voor het
huishouden, zoals voor het koken, (af)wassen, schoonmaken,
verzorgen van kinderen;
- huishoudelijke
(particuliere) hulp voor deze werkzaamheden;
- hulpmiddelen voor de
communicatie, zoals voor het lezen, schrijven, horen, telecommunicatie
(telefoons e.d.), alarmeringsapparatuur en audiovisuele hulpmiddelen;
- genees- en heelkundige
voorzieningen, zoals hulpmiddelen voor medische (thuis)behandeling,
orthesen en prothesen, dieetkosten.
Het gaat hierbij om
hulpmiddelen of hulpverlening die ook in de zorgsector op het terrein
van WVC gebruikt respectievelijk geboden rblz.|23|
worden, hetzij in de
intramurale zorg, hetzij in de gezinsverzorging, het kruiswerk c.q. de
thuisverpleging alsmede in de revalidatiesector. Er is dus geen sprake van voor de
ontvangende instanties onbekende taken of voorzieningen, maar van een
integratie van deze voorzieningen op het terrein van de medische en
maatschappelijke hulpverlening. Als zodanig houdt dit verband met de
zorgvernieuwing en nieuwe wetgeving op dit terrein met een herordening
van het totale voorzieningenpakket en een gefaseerde invoering van verbreding van de
AWBZ tot een totale
zorgwet. In verband hiermee
is thans nog niet precies aan te geven hoe de overheveling en inpassing
van deze AAW-voorzieningen in het kader van de
AWBZ respectievelijk
de nieuwe zorgwet zal gebeuren.
Bij de overheveling van
voorzieningen naar de zorgsector zijn ook enkele onderdelen van het
huisvestingsbeleid van VROM betrokken. Het gaat om de ADL-clusterwoningen en de woningaanpassingen boven
ƒ45 000,-. Het is van belang
dat de kostbare vormen van aangepast wonen in relatie worden
gebracht met de andere vormen van huisvesting en zorg voor gehandicapten
en ouderen in het kader van de AWBZ. Dit om een goede afweging van
deze voorzieningen en de kosten daarvan te bereiken.
Bij de ADL-clusterwoningen
gaat het tevens om de samenhang met de ADL-assistentie omdat beide
voorzieningen samen moeten worden verstrekt, zoals nu in het kader van de
Rgshg en de AAW het geval is.
Gezamenlijke overheveling
naar de AWBZ ligt ook hierom in de rede. Bij de woningaanpassingen boven
ƒ45 000,-, de huidige grens voor rijksgoedkeuring, is er ook nu al
een beoordeling of deze hoge kosten aanvaardbaar zijn in
afweging met andere alternatieven, waaronder ook intramurale opname. Mede
omdat het hierbij in het algemeen om een grote mate van
gehandicaptheid gaat, waarvoor ook andere hulp nodig kan zijn, is het gewenst
de
beoordeling hiervan bij de zorgsector te leggen.
4.4. Inkomensondersteunende
voorzieningen
Behalve verstrekkingen in
natura en verstrekkingen in geld voor de kosten van aanschaf of
gebruik van bepaalde voorzieningen, kent de AAW
op dit moment ook de verstrekking van periodieke uitkeringen die
niet gebonden zijn aan een
bepaalde voorziening, maar een compensatie geven voor extra kosten
verbonden aan op zich normale huishoudelijke uitgaven, waartoe ook de
kosten voor ontwikkeling of ontspanning worden gerekend. Deze hogere
dan normale kosten zijn verbonden met een bepaalde ziekte of gebrek, die
onder meer kan leiden tot hogere voedingskosten (diëten),
extra slijtage van kleding en beddegoed, extra waskosten, hogere stookkosten, hogere telefoonkosten. Deze kosten
hangen af van de aard van de
ziekte respectievelijk handicap en doen zich dus niet alle tegelijk
voor.
Strekken andere financiële
vergoedingen ertoe om de gehandicapte geheel of gedeeltelijk
tegemoet te komen in de kosten van aanschaf of gebruik van een voorziening
die de belemmeringen in het dagelijks leven zoveel mogelijk wegneemt, de
onderhavige vergoedingen strekken er in eerste instantie toe om de
gevolgen voor het inkomen van de gehandicapte te mitigeren. Als
zodanig passen deze voorzieningen naar hun aard beter in het kader van de
bijzondere bijstand, die bij extra kosten in inkomenshulp voorziet, dan
in een voorzieningenwet voor gehandicapten of in een zorgverzekering,
die voorzien in bepaalde vormen van zorg. Het ligt ook niet in de rede om
deze voorzieningen in de AAW te handhaven, mede omdat de eenloketbenadering met integrale behandeling door de gemeente
dan weer wordt
doorbroken. De overdracht naar de bijzondere bijstand biedt tevens de
mogelijkheid om deze extra kosten en de mogelijkheden daarin zelf te
voorzien meer individueel vast te stellen en levert daarmee ook een
bijdrage tot kostenbeheersing.
rblz.|24|
5. Samenhang en afstemming
tussen de voorzieningenterreinen
Wij gaan ervan uit dat met
de ingrijpende herstructurering van het stelsel van voorzieningen
voor gehandicapten langs de hiervoor weergegeven lijnen de voorwaarden zijn geschapen voor de afstemming van
beleid en uitvoering op
gemeentelijk vlak en in de sector van maatschappelijke en medische zorg.
5.1. Gemeenten
Veel gemeenten hebben vanuit
hun verantwoordelijkheid voor het welzijn van hun burgers een
beleid ontwikkeld voor ouderen en gehandicapten. Voor een belangrijk deel overlappen problemen bij deze groepen
in verband met optredende
functionele belemmeringen elkaar. In de overdracht van de zorg voor
woon- en leefvoorzieningen voor gehandicapten met de financiële
middelen daarvoor en de uitbreiding van de AAW-leefvoorzieningen naar
ouderen zien wij belangrijke impulsen om aan het gemeentelijk beleid
voor ouderen en gehandicapten verder vorm en inhoud te geven.
Daarnaast vereisen uiteraard ook de problemen van jongere gehandicapten de
nodige aandacht.
Het beleid op dit terrein
zal een goede coördinatie tussen huisvestingsbeleid, verkeers- en
vervoersbeleid en sociale zorg vereisen. Wij zien het als een pluspunt dat
door de
grotere gemeentelijke verantwoordelijkheid voor gehandicapten de
belangen van deze groep in het beleid de nodige aandacht zullen krijgen. We
gaan ervan uit dat dit beleid in samenspraak met hun organisaties wordt
ontwikkeld.
Ook bij de uitvoering van
het beleid is een integrale benadering uitgangspunt. Wij vertrouwen
erop dat de gemeenten hierbij de eenloketbenadering zullen
volgen. Het gaat hierbij met name om één adres waar de gehandicapte
met zijn hulpvragen terechtkan en waar de behandeling daarvan wordt
gecoördineerd. Bij de totale afhandeling kunnen verschillende
instanties betrokken zijn, maar de coördinatie hiervan vanuit één punt
voorkomt dat de betrokkene zijn eigen weg moet vinden en bevordert
afstemming van de voorzieningen. Hierbij is ook een integrale advisering van
belang als er sprake is van samenhangende voorzieningen. De Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) heeft op
het hele
voorzieningenterrein voor gehandicapten veel deskundigheid en technische kennis in huis,
hetgeen evenzeer geldt voor het ABP
en het Spoorwegpensioenfonds (Spf) vanuit hun bijzondere
verantwoordelijkheid voor de voorzieningen voor het overheidspersoneel. Wij
nemen aan dat de gemeenten hiervan gebruik zullen maken (of
blijven maken bij woningaanpassing) als deze knowhow voor de te treffen
voorzieningen gewenst is. Maar een verplichte advisering door
naar keuze GMD of ABP of Spf lijkt ons, zoals bij eenvoudige hulpvragen,
niet gewenst.
De gemeente is
verantwoordelijk voor de wijze van advisering.
Wanneer dat voor de
beoordeling van de aanspraak op een voorziening noodzakelijk is, is de
gemeente verplicht het advies van een deskundige op sociaal-medisch,
ergonomisch dan wel bouwkundig gebied in te
winnen. De gemeente dient
dit in een verordening nader uit te werken.
5.2. Zorgsector
De zorgsector vervult de
belangrijkste rol bij voorzieningen op het terrein van medische en
maatschappelijke hulpverlening voor mensen met (langdurige) ziekte of gebreken. In de intramurale zorg is deze
volledig. Voor thuiswonenden
is er een regelingstechnisch verklaarbare, rblz.|25|
maar wat kunstmatige
scheiding met de AAW. De verbreding van de AWBZ
respectievelijk nieuwe
zorgverzekering tot alle medische voorzieningen en de thuiszorg biedt
de gelegenheid dit onderscheid op te heffen. De beoordeling van
de noodzakelijke hulpverlening en hulpmiddelen voor langdurig zieken
en gehandicapten kan zo in één kader gebeuren.
Integrale benadering,
onderlinge afstemming en financiële afweging van de mogelijkheden zijn
hierdoor gewaarborgd.
De over te hevelen
zorgvoorzieningen vanuit de AAW zullen een volwaardig onderdeel vormen
van het basispakket voor de nieuwe zorgverzekering.
De gehandicapte heeft
voortaan één loket waarop hij/zij zich kan richten: de eigen
zorgverzekeraar, te weten het ziekenfonds of de particuliere verzekeringsmaatschappij.
Wij gaan ervan uit dat deze verzekeraars samen met de zorgaanbieders
het verbrede pakket van medische en zorgvoorzieningen voor
gehandicapten goed zullen onderhouden en vernieuwen. Uit oogpunt van
doelmatigheid en toegankelijkheid is het daarbij van belang dat de
zorgverzekeraar voorziet in een goede afstemming binnen het
hulpmiddelenaanbod, mede in samenhang met de overige hulpverlening in
de thuiszorg.
5.3. Afstemming tussen
gemeenten en zorgsector
Het beleid van gemeenten
betreffende woon- en leefvoorzieningen voor gehandicapten en het
beleid voor intramurale zorg en thuiszorg in de zorgsector vereisen onderlinge afstemming. Er is een wederzijdse
verantwoordelijkheid om
zelfstandig wonen te bevorderen respectievelijk opname in instellingen te
beperken en terugkeer naar zelfstandig wonen vanuit instellingen mogelijk
te maken. Ook in de thuissituatie is afstemming nodig als
aanpassingen in en rond de woning en hulpmiddelen en/of hulpverlening
gezamenlijk nodig zijn. Wij hebben er eerder op gewezen dat er
vergelijkbare relaties zijn bij de ouderenzorg. Wij kunnen ons voorstellen dat
de vormgeving van de afstemming in de ouderenzorg als voorbeeld
dient voor en wordt verbreed tot het gehandicaptenterrein. De
indicatiecommissies, die adviseren over de noodzakelijke hulp voor ouderen,
kunnen op vergelijkbare wijze functioneren voor gehandicapten. Wij willen
echter voor deze afstemming geen procedurevoorschriften geven, omdat we
ervan uitgaan dat hiervoor in overleg tussen gemeenten en
zorginstanties doelmatige samenwerkingsvormen worden gevonden. Wat betreft
de hulpmiddelen zou hierbij kunnen worden voortgebouwd op de
initiatieven van de GMD om tot regionale hulpmiddelencentra te komen.
Gezien de technologische eisen en de ergonomische aspecten bij de
hulpmiddelen is samenwerking met deskundige instanties,
waaronder de GMD, van belang.
Afgezien van de wijze
waarop, vinden wij het gewenst dat de gemeenten en de
zorginstanties op het lokale vlak samenwerken bij samenhangende hulp vanuit de
twee terreinen en daarbij de instanties en organisaties voor
gehandicapten betrekken. Ondanks het terugtreden van de rijksoverheid op dit
terrein zullen wij daarom toch zoveel mogelijk bevorderen dat de gemeenten
en de zorginstanties die samenwerking tot stand brengen. Wij zullen
hiervoor in het overleg met de VNG en met de zorginstanties over de
herstructurering van de voorzieningen voor gehandicapten aandacht vragen.
Daarbij zullen wij er bij hen op aandringen om samenwerkingsprocedures te
ontwikkelen voor een gecoördineerde hulpverlening.
De noodzaak van een goede
afstemming tussen gemeenten en zorgverzekeraars is in het
bijzonder aanwezig bij de gedeelde verantwoordelijkheid voor woningaanpassingen ten behoeve van gehandicapten.
rblz.|26|
De verdeling van
beslissingsbevoegdheid en financiële verantwoordelijkheid bij de in deze wet
geregelde grens van ƒ45 000,- voor de kosten van woningaanpassing
vereist zorgvuldige procedures. Het is immers niet denkbeeldig dat
gemeenten en zorgverzekeraars de kosten rond deze grens op elkaar
proberen af te wentelen. Dit kan zoveel mogelijk worden voorkomen
door de advisering over woningaanpassingen boven ƒ45 000,-, als
deze kosten door de zorgverzekeraars worden bestreden, te laten
toetsen door een onafhankelijke derde. Wij zullen bevorderen dat in
overleg tussen VNG
en zorgverzekeraars wordt bezien welke instanties
daarvoor in aanmerking kunnen komen. Gemeenten en
zorgverzekeraars zullen dan afspraken dienen te maken over de vraag welke
instantie een bindend advies over de hoogte van de kosten kan geven.
De gevallen van
woningaanpassing boven ƒ45 000,- zijn in alle gevallen ter
beoordeling van
de zorgverzekeraars. Zij kunnen bij afweging van de kosten ook besluiten
tot het aanbieden van intramurale opname als de kosten van
woningaanpassing en eventuele thuiszorg te hoog zijn.
5.4. Afstemming tussen
gemeenten en bedrijfsverenigingen
Omdat de voorzieningen
gericht op bevordering of behoud van de arbeidsgeschiktheid (de
werkvoorzieningen) in de AAW
blijven, is een nadere afstemming nodig waar
deze voorzieningen samenhangen met de gemeentelijke voorzieningen
gericht op de woon- en leefsituatie van de gehandicapte.
Deze samenhang doet zich met
name voor bij vervoermiddelen en kosten in verband met het
woon-werkverkeer. Als deze voorzieningen noodzakelijk zijn om de
arbeid te kunnen verrichten of de werkplek te kunnen bereiken, is het
gewenst dat de verantwoordelijkheid van de bedrijfsvereniging
prevaleert boven die van de gemeente voor het bieden van vervoersvoorzieningen.
Het is dan ondoelmatig om een onderscheid te maken tussen werkvervoer
en leefvervoer. Dit vanuit de eenloketbenadering en om dubbele
beoordelingen te vermijden. Daarom worden voor vervoermiddelen die als
werkvoorziening noodzakelijk zijn, ook al worden deze uiteraard ook
aangewend in de leefsituatie, de bedrijfsverenigingen aangewezen. Tevens
worden vergoedingen voor vervoerskosten, zowel voor het
woon-werkverkeer als voor leefvervoer, in combinatie door de
bedrijfsverenigingen verstrekt.
In de situatie dat een
werknemer gehandicapt raakt of omgekeerd een gehandicapte werknemer
wordt, kan de afstand tussen de woonplek en werkplek een probleem vormen. In die gevallen is verhuizing naar een
andere gemeente aangewezen
en ligt het in de rede dat de bedrijfsvereniging in samenhang met de
vervoersvoorziening ook over een vergoeding van verhuiskosten
beslist.
Deze aspecten zullen nader
in het kader van de AAW worden geregeld, zodat eenduidig wordt
bepaald wanneer de bedrijfsvereniging bij samenhang met woon- en leefvoorzieningen beslissingsbevoegd is. Het
zal duidelijk zijn dat in
deze gevallen een afstemming tussen de betreffende bedrijfsvereniging en
gemeente nodig is, zodat de afstemming van de voorziening op de woon-
en leefsituatie en wat leefvervoer betreft ook op de lokale situatie is
gewaarborgd. Ook zal de woongemeente van de gehandicapte ervan op de
hoogte moeten zijn dat de bedrijfsvereniging de betreffende voorzieningen
voor zijn rekening neemt.
Ook bij de
rolstoelvoorziening is deze afstemming nodig, om te bevorderen dat de rolstoel niet
alleen geschikt is voor de woonsituatie, maar ook voor de werksituatie. Waar dit niet mogelijk is, zal de bedrijfsvereniging een op het werk
aangepaste rolstoel kunnen verstrekken. Voor het overige is deze
voorziening de verantwoordelijkheid van de gemeente, omdat de rolstoel in elk
geval als leefvoorziening fungeert. Omdat wij rblz.|27|
verwachten dat de gemeenten
op dit punt toch veelal de GMD inschakelen, zal afstemming
vanzelfsprekend zijn.
6. Uitvoeringsaspecten
De herstructurering van het
voorzieningenstelsel brengt ook ingrijpende veranderingen in de
uitvoering met zich mee. Centraal hierbij dient te staan dat deze veranderingen de kwaliteit van de hulpverlening aan
gehandicapten niet negatief
mogen beïnvloeden, doch tot verbeteringen moeten leiden. De uitvoering
heeft een aantal aspecten die hierna aan de orde komen: toegankelijkheid
en doorzichtigheid (lokettenproblematiek), kwaliteit van de
voorzieningen, afstemming van samenhangende voorzieningen, beheersbaarheid van
de kosten van de uitvoering en van de voorzieningen, medische
beoordeling en wijze van advisering, rechtsbescherming, overdracht van
gegevens en van lopende voorzieningen, personele aspecten van de
(herziene) uitvoering.
De behandeling van deze
aspecten wordt toegespitst op de overdracht van voorzieningen vanuit de AAW
en de overheidspensioenregelingen naar de gemeenten en de zorgverzekeraars, waarbij de commentaren van
de adviesorganen voor zover
deze zijn ingegaan op de uitvoeringsaspecten, worden betrokken.
Op het terrein van de
woningaanpassingen is er geen verandering van uitvoeringsinstantie, de
gemeente. De overgang van de woonvoorzieningen uit de AAW in verband met aanpassingen van de inrichting van de
woning naar de gemeenten
wordt ook in de adviezen als een verbetering beschouwd. De problemen die
in een aantal adviezen op het vlak van de uitvoering worden
aangegeven, hebben betrekking op de overige AAW-voorzieningen die naar
de gemeenten en het zorgveld gaan.
6.1. Uitvoeringsloketten
Door verschillende
adviesorganen wordt geconstateerd dat de lokettenproblematiek met de
voorgestelde herstructurering niet wordt opgelost. Er zouden meer in
plaats van minder loketten komen. De Gehandicaptenraad
spreekt
van vier loketten en doelt daarbij op het onderscheid naar
voorzieningenregelingen (werkvoorzieningen in de AAW, woonvoorzieningen en
vervoervoorzieningen in deze wet, zorgvoorzieningen in de AWBZ
en inkomensondersteunende voorzieningen in de ABW). In de
visie van de Raad zou er één loket voor alle voorzieningen moeten komen.
Wij erkennen dat de
herstructurering niet leidt tot één uitvoeringsorganisatie.
Maar de eenloketbenadering is wel gevolgd door het samenbrengen van gelijksoortige
voorzieningen in plaats van de vrij willekeurige huidige verdeling over bedrijfsverenigingen,
gemeenten en zorginstanties. De
lokettenproblematiek wordt
hierdoor verminderd, de doorzichtigheid van het stelsel wordt groter.
Door de decentralisatie van
AAW-voorzieningen ontstaan niet meer loketten, maar komt er op
lokaal niveau één loket voor deze voorzieningen in plaats van de (regionale) uitvoeringskantoren van de huidige
uitvoeringsinstanties. De
toegankelijkheid voor de burger wordt dus zeker niet minder, eerder wordt de
afstand verkleind. Het gemeentelijk loket kan daarbij zowel fungeren
voor de voorzieningen ingevolge deze wet als voor de financiële
tegemoetkomingen voor bijzondere kosten in het kader van de ABW.
Er is dus sprake van
hoogstens drie loketten als (tegelijk) werkvoorzieningen, leefvoorzieningen en
zorgvoorzieningen nodig zijn. Het is dan ook van belang dat de huidige
uitvoeringsinstanties, de zorgverzekeraars en de gemeenten hun
hulpverlening goed afstemmen als voorzieningen op rblz.|28|
hun terreinen gezamenlijk
nodig zijn. De ingang voor deze afstemming kan verschillend zijn: een
gemeentelijk coördinatiepunt, een beoordeling van noodzakelijke
voorzieningen in samenhang met de uitkeringssituatie (ZW, AAW,
WAO), een
beoordeling in de zorgsector van noodzakelijke voorzieningen na verpleging
of revalidatie en in de thuiszorg.
Wij menen dat de lokettenproblematiek zoveel mogelijk kan worden opgelost door een integrale
beoordeling en gecoördineerde hulpverlening door de uitvoeringsorganen.
6.2. Kwaliteit en samenhang
van voorzieningen
Met name bij de inbreng van
de uitvoeringsinstanties in de advisering klinkt bezorgdheid door over
de gevolgen van de herstructurering voor de kwaliteit van de uitvoering en van de voorzieningen. Door de verdeling
van het AAW-voorzieningenpakket over de huidige uitvoeringsinstanties, de zorgverzekeraars en de
gemeenten zou een integrale benadering niet meer mogelijk zijn. Het
gevaar dreigt dat voorzieningen vanuit deze circuits niet op elkaar
passen, herbeoordelingen nodig zijn en de behandeltijd langer wordt.
In deze adviezen wordt er
verder op gewezen dat de kwaliteit van de voorzieningen, met name
hulpmiddelen en aanpassingen, niet langer is gewaarborgd bij verspreiding
van het AAW-voorzieningenpakket. Het gevoerde kwaliteitsbeleid
tot het verbeteren van hulpmiddelen voor gehandicapten dreigt te
stagneren. In de nieuwe structuur is de inbreng van de knowhow, mede
opgebouwd door centraal kwaliteits- en bruikbaarheidsonderzoek van
hulpmiddelen, niet langer gewaarborgd. De GMD pleit voor het handhaven
van een centraal coördinatiepunt voor onder meer dit onderzoek, van
waaruit naar leveranciers en gebruikers toe sturing wordt gegeven
aan de voorzieningenmarkt.
Wij zijn van mening dat deze
visie op de huidige en toekomstige kwaliteit van de uitvoering
wat eenzijdig is. Ook zien wij mogelijkheden om het kwaliteitsbeleid voor
de voorzieningen voort te zetten.
De kwaliteit van de
uitvoering wordt niet alleen bepaald door het huidige voorzieningenbeleid
in het kader van de AAW, maar ook door de afstemming met andere voorzieningenterreinen. De huidige verbrokkeling
van het stelsel en de
afbakeningsproblemen belemmeren de integrale benadering die in de
adviezen wordt benadrukt. De duidelijke afbakening van de
voorzieningenterreinen die wij met de herstructurering beogen, schept ook mogelijkheden tot
verbetering van de kwaliteit van de uitvoering. De samenhang
binnen deze terreinen is verzekerd, de samenhang tussen de
terreinen wordt door een integrale beoordeling van de noodzakelijke voorzieningen bevorderd.
Onder meer de Gehandicaptenraad wijst hiertoe op het
belang van een multidisciplinaire behandeling van hulpvragen,
waarbij geen eenzijdig accent wordt gelegd op de medische invalshoek. Bij
gecompliceerde hulpvragen, met op elkaar af te stemmen voorzieningen op
meerdere terreinen, is een integrale advisering van belang. Wij
gaan ervan uit dat in de nieuwe structuur de hiervoor benodigde
deskundigheid, zoals van de GMD, het ABP en het Spf op ergonomisch en technologisch gebied, wordt ingeschakeld. De in
de wet opgenomen bepaling
betreffende het deskundigenadvies (artikel
4 [5]) is hier mede op gericht.
Hiermee komen wij op de
kwaliteit van de voorzieningen zelf. Wij maken daarbij onderscheid
tussen financiële tegemoetkomingen in de extra kosten in verband met ziekte of gebrek en voorziening in de kosten
van hulpmiddelen en
aanpassingen alsmede verstrekking van voorzieningen in natura.
Bij de eerste categorie van
financiële hulp, die een belangrijk deel van de uitgaven voor het AAW-pakket uitmaakt, zien wij aanzienlijke
rblz.|29|
voordelen voor de kwaliteit
in termen van doelmatigheid en beheersbaarheid bij de overdracht
naar gemeenten en AWBZ.
Individuele afstemming op de
leefsituatie, eigen mogelijkheden en inkomenspositie is daar
beter mogelijk dan in de AAW met grotendeels gestandaardiseerde aanspraken. Deze afstemming kan leiden tot meer of
minder financiële hulp dan
thans wordt verleend. Voor zover dit zal leiden tot grotere
inkomensafhankelijkheid dan in de AAW, werkt dit uiteraard beperkend op de omvang van
de aanspraken. Daartegenover staat dat dit in zekere mate nodig kan
zijn om ouderen dezelfde aanspraken te kunnen geven.
De overdracht van de
financiële vergoedingen voor thuishulp naar de AWBZ heeft tevens als
voordeel dat deze in het bredere kader van de thuiszorg wordt geplaatst met mogelijkheden voor een daarop gericht
cliëntgebonden budget.
De bezorgdheid van de
uitvoeringsinstanties over handhaving van de kwaliteit van de voorzieningen richt zich op de hulpmiddelen en aanpassingen, die deskundigheid
vragen bij de afstemming op de situatie en de handicap van de betrokkene.
Als de gemeenten en de zorgverzekeraars los van de aanwezige
deskundigheid hun eigen weg zouden gaan, dan is deze verontrusting
begrijpelijk. Het ligt echter niet in de rede dat honderden uitvoeringsorganen
deze knowhow zelf gaan opbouwen, alleen al uit kostenoogpunt.
Wij verwachten dat met name de dienstverlening en advisering van de
GMD, het ABP en het Spf voor hulpmiddelen en aanpassingen in het
herziene stelsel een functie blijven vervullen, in welke organisatorische vorm
dan ook. Deze functie zal naar verwachting meer op de gemeenten dan op
de zorgsector zijn gericht. De zorgverzekeraars voeren immers reeds
een beleid ten aanzien van een scala van hulpmiddelen. Bij de
integratie van AAW- en
AWBZ-hulpmiddelen kan wellicht de
knowhow op het
AAW-terrein in het beleid van de zorgsector worden
geïncorporeerd, doch de zorgverzekeraars hebben op dit punt een eigen
verantwoordelijkheid.
De rol van de GMD bij
woningaanpassingen zal van betekenis blijven. De gemeenten maken daar in
hun huidige uitvoering immers ook gebruik van. Omdat er geen sprake
meer is van verplichte GMD-advisering, zal deze rol wat kleiner worden,
in elk geval voor de eenvoudiger gevallen die de gemeenten zelf kunnen
beoordelen.
Bij de vervoersvoorzieningen
zullen veel gemeenten de GAK/GMD-organisatie
[GAK: Gemeenschappelijk Administratiekantoor,
red.] c.q. het
ABP en het Spf inschakelen als de verstrekking of aanpassing
van een vervoermiddel, afgestemd op de gehandicapte, aan de orde
is. De specifieke deskundigheid die hiervoor vereist is, zal de gemeenten
aanleiding geven deze functie niet zelf te vervullen. Dit te meer omdat
met name GAK/GMD op dit terrein grootinkoper is en de kwaliteits-
en bruikbaarheidseisen voor deze voorzieningen bewaakt.
Wij kunnen ons voorstellen
dat de GAK/GMD-organisatie c.q. het ABP, het Spf en Defensie op dit
terrein hun huidige functie blijven vervullen en zullen de VNG
vragen hierover met deze organisaties in overleg te
treden.
Ten
slotte hechten wij er
evenals de GMD aan dat het kwaliteitsbeleid gericht op verbetering van
de hulpmiddelen en normering van de bruikbaarheidseisen wordt voortgezet. Dit mede gezien de ontwikkelingen in
internationaal verband en de
positie van ons land daarin. In overleg tussen de drie partijen in
het voorzieningenbeleid voor gehandicapten kan worden bezien waar de
coördinatie van het onderzoek naar de kwaliteit en bruikbaarheid
van de hulpmiddelen en de sturing van de rblz.|30|
voorzieningenmarkt door
kwaliteitseisen en specificaties het beste centraal kan worden
ondergebracht.
Het ligt voor de hand aan te
sluiten bij de knowhow
van de instanties die op dit terrein werkzaam
zijn, maar wij willen de toekomstige vormgeving hiervan aan deze instanties overlaten.
6.3. Beheersbaarheid van de
kosten
De uitvoeringsinstanties
voor de AAW-voorzieningen verwachten dat door de herverdeling van het
AAW-voorzieningenpakket over meer uitvoeringsorganen de uitvoeringskosten en de kosten van de voorzieningen zullen toenemen. Het
personeelsbeslag zal groter worden en de schaalvoordelen door inkoop
en beheer in centraal verband zullen verdwijnen. De spreiding van
kennis en deskundigheid over de uitvoeringsorganen betekent dat er
minder waarborgen zijn dat de meest goedkope nog adequate
voorzieningen worden geleverd respectievelijk verstrekt.
Wij menen dat eventuele
negatieve effecten door de spreiding van de uitvoering niet mogen worden
overschat. Er zijn factoren die de kosten benedenwaarts beïnvloeden.
De stroomlijning van het
voorzieningenbeleid met duidelijke samenhangende
verantwoordelijkheden voor enerzijds gemeenten en anderzijds zorginstanties zal naar
onze
verwachting tot meer efficiency en dus tot kostenbesparing leiden. Van
gescheiden advisering en beslissing, zoals in de AAW-uitvoering met de
daarmee samenhangende administratieve procedures, behoeft in de
nieuwe structuur bij veel verstrekkingen geen sprake te zijn. Dat volgens
de opgave van de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) met de
uitvoering van de AAW-voorzieningen door het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor (GAK) 1100 mensjaren zijn gemoeid, betekent dat er nu
sprake is van een omvangrijk personeelsbeslag.
Van overdracht van
AAW-voorzieningen naar de zorgsector verwachten wij geen
kostenstijging omdat de personele inzet en de verstrekking van
hulpverlening respectievelijk hulpmiddelen kan worden gebundeld in reeds aanwezige
taken en voorzieningen. De overdracht van vervoersvoorzieningen
naar de gemeenten betekent voor hen een nieuwe taak. Maar het
overgrote deel van deze voorzieningen betreft de vergoeding van
vervoerskosten, hetgeen veel minder arbeidsintensief is dan de voorziening in
(aanpassingen van) auto's, rolstoelen en buitenwagens voor gehandicapten.
Bij deze laatste voorzieningen verwachten wij dat de gemeenten een
beroep zullen doen op de diensten van GAK/GMD c.q. ABP en Spf
juist vanwege de kostenvoordelen van centrale inkoop, uitleen en
toezicht op leveranciers. Ten slotte zal de mogelijkheid voor gemeenten
om geleidelijk een eigen beleid te ontwikkelen, met bundeling van
vervoersvoorzieningen voor ouderen en gehandicapten, kunnen bijdragen
tot verdere kostenbesparing.
De Raad voor de
Volkshuisvesting vraagt aandacht voor de relatief hoge prijzen die naar zijn
mening voor gehandicaptenvoorzieningen worden gerekend. Door het versterken van de marktwerking en door het
ontwikkelen van kostennormen
c.q. richtprijzen voor veelvuldig aangebrachte voorzieningen en
toegepaste materialen kan kostenbewustzijn worden gestimuleerd.
Een standaardisering van
gebruikelijke voorzieningen, met richtprijzen, is ook op dit terrein gaande
en verder in ontwikkeling. Ook is het ministerie
van VROM betrokken
geweest bij het opstellen van een leidraad voor de beoordeling van de
woningaanpassingen in de vorm van een "Prijzen- en
alternatievenboek" (Gebouwaanpassing ouderen en gehandicapten rblz.|31|
van Misset Bouw). Dit
kan gemeenten en adviseurs van dienst zijn bij de beoordeling van
de kosten van de verschillende voorzieningen.
6.4. Medische beoordeling en
advisering
In veel adviezen wordt
erop
gewezen dat met de beëindiging van leefvoorzieningen in het
kader van de AAW
een integrale beoordeling van de voor een gehandicapte noodzakelijke voorzieningen en de
integrale medische
beoordeling in dit kader komen te vervallen. De beoordeling van het recht op
uitkering en op leefvoorzieningen kan niet meer samengaan. Gevreesd
wordt voor een toename van medische beoordelingen in
verschillende uitvoeringskaders.
Wij erkennen dat het
wegvallen van een integrale beoordeling nadelen heeft, met name bij
samenloop van uitkering en voorzieningen. Een aanzienlijk deel van degenen
die in aanmerking komen voor voorzieningen heeft echter niet ook
een uitkering in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid. Voor
degenen die alleen aanspraak maken op een voorziening kan de
beoordeling van gemeente of zorgverzekeraar in de plaats komen van de
beoordeling in het kader van de AAW. Dit geldt zeker voor de ouderen vanaf
65 jaar.
In de gevallen waarin
specifieke deskundigheid bij de beoordeling van de gewenste voorzieningen is
vereist, zoals bij ingrijpende woonvoorzieningen en bij aangepaste vervoersmiddelen, voorzien wij een voortzetting
van de adviestaken van de
GMD en de overheidspensioenorganen zonder dat echter een verplichte
advisering wordt opgelegd. Hetzelfde zal het geval zijn als verschillende
voorzieningen in ergonomische en technische zin op elkaar moeten worden
afgestemd. Ook andere deskundigen, zoals bij
revalidatie-instellingen, kunnen een adviesfunctie vervullen. De medische beoordeling kan in
deze advisering over meer gecompliceerde hulpvragen worden
meegenomen. Het nadeel dat medische informatie over uitkeringsgerechtigden
die ook van belang is voor de voorzieningen geen rol speelt bij de beoordeling door andere uitvoerders kan worden
ondervangen door deze
informatie aan hen beschikbaar te stellen. Hierover kunnen
samenwerkingsafspraken worden gemaakt, waarmee dubbele keuringen en extra
kosten zoveel mogelijk worden vermeden. Ten slotte zal er (in de AAW)
sprake blijven van een integrale beoordeling voor de uitkering en de
werkvoorzieningen inclusief het met de werkvoorzieningen samenhangende
leefvervoer.
6.5. Rechtsbescherming
Voor de AAW-voorzieningen
staat blijkens de vigerende regelingen beroep bij de raden van beroep (voor het overheidspersoneel in eerste aanleg de
ambtenarenrechter)
en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep open. Vanaf 1
juli 1992 zijn de werkzaamheden van de raden van beroep en de ambtenarengerechten geïntegreerd in de
arrondissementsrechtbanken en dient
ter zake van deze voorzieningen beroep ingesteld te worden bij de administratieve
kamer van de rechtbank (Wet van 3 juni 1992,
Stb. 1992, 278). Voor de
gemeentelijke woonvoorzieningen in het kader van de Rgshg staat echter Arob-beroep
[Wet Arob: Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen, red.]
bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State open.
Bij de afweging van deze
verschillende rechtsgangen hebben wij in deze wet
gekozen voor de
(Centrale) Raad van Beroep, hetgeen ook de voorkeur heeft van de Gehandicaptenraad. Deze keuze is mede
ingegeven door de
wenselijkheid van eenzelfde beroepsprocedure in deze wet, in de AAW en de
AWBZ. Een ander voordeel is dat deze beroepsinstanties ervaring
hebben met de rechtspraak over AAW-voorzieningen. Bij de
overdracht naar de AWBZ en naar de rblz.|32|
gemeenten zullen zij de beslissingen toetsen aan de respectieve wetten
en aan de gemeentelijke
verordeningen, respectievelijk de reglementen van de zorgverzekeraars. Wij
verwachten dat hiervan mede gezien de voorziene modelverordening
van de VNG een uniformende werking uitgaat voor de
uitvoeringspraktijk.
In de modelverordening wordt
ook de mogelijkheid opgenomen van een
bezwaarschriftenprocedure, waardoor burgemeester en wethouders in eerste instantie kunnen
oordelen over door hen gedelegeerde beslissingen van het gemeentelijke
uitvoeringsorgaan. Dit is mede van belang om onnodige
beroepsprocedures te vermijden.
6.6. Overdracht van gegevens
en voorzieningen
De overdracht van de
verantwoordelijkheid voor de AAW-leefvoorzieningen, inclusief
zorgvoorzieningen naar gemeenten en zorgverzekeraars, was ingevolge de brief van
6 mei 1991 voorzien per 1 januari 1993. De SVr stelt in zijn advisering
dat de Raad het uitgesloten acht dat de herstructurering en daarmee
gepaard gaande overdracht reeds per 1 januari 1993 ingevoerd kan
worden. Dit gezien de inhoud en omvang van het over te hevelen
voorzieningenpakket, het kwaliteitsniveau van de voorzieningenverstrekking,
de wijze waarop de AWBZ zich ontwikkelt naar een zorgverzekering en
de opbouw van een verstrekkingenstructuur bij de gemeenten.
Deze wet
regelt behalve de
voorziene decentralisatie van de woonvoorzieningen in het kader van
de Rgshg tevens de overdracht en decentralisatie van de woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen vanuit de
AAW
naar de gemeenten. Mede
gezien de door de VNG
noodzakelijk geachte invoeringstermijn
van een halfjaar na publikatie van deze wet, hebben wij besloten de
feitelijke invoering nader te bepalen op 1 januari 1994.
De SVr constateert op grond
van het GMD-advies dat de overdracht van voorzieningen die in
eigendom zijn verstrekt alsmede voorzieningen in geld (eenmalig en periodiek) uitvoeringstechnisch zonder al te veel
problemen hoeft te verlopen.
De overdracht van
bruikleenvoorzieningen (circa 140 000) is volgens de GMD in principe uitvoerbaar,
maar zal de nodige inspanning vragen van zowel de overdragende als de
ontvangende instantie.
Juist omdat de overdracht
van bruikleenvoorzieningen meer problemen geeft, hebben wij er in de
overgangsbepalingen van deze wet in voorzien dat deze voorzieningen doorlopen tot er sprake is van beëindiging of
vervanging. Voor de
gemeenten betreft dit vervoermiddelen in bruikleen, voor de zorgsector geldt het
in hoofdzaak ADL-hulpmiddelen. Wij zijn van mening dat er hierdoor
voldoende gelegenheid is om afspraken te maken met gemeenten en
zorgverzekeraars over de bruikleenverstrekking van voorzieningen. Het is
mogelijk dat deze afspraken ertoe leiden dat de GAK/GMD-organisatie de
bruikleenvoorziening van vervoermiddelen mede voor rekening van de
gemeenten blijft voortzetten, terwijl voor de ADL-hulpmiddelen een
integratie met de bruikleenvoorzieningen in de zorgsector voor de hand ligt.
Het is juist dat de
overdracht van genees- en heelkundige voorzieningen en zorgvoorzieningen,
die thans in de AAW zijn ondergebracht, beter mogelijk is naarmate
de AWBZ
zich heeft ontwikkeld tot een brede zorgverzekering. Dit in
aanmerking nemende, zijn wij voornemens deze voorzieningen per 1 januari
1994 in de AWBZ respectievelijk nieuwe zorgwet op te nemen. Als dit
onverhoopt toch niet voor alle voorzieningen mogelijk mocht
blijken te zijn, zullen wij erin voorzien dat de AAW voorlopig nog een
functie voor de overblijvende voorzieningen kan vervullen.
rblz.|33|
Wij gaan ervan uit dat de
gegevens in verband met de per 1 januari 1994 doorlopende
voorzieningen tijdig aan de ontvangende uitvoeringsinstanties worden overgedragen. Dit zal de nodige inspanning van de
uitvoeringsorganen vergen,
maar wij rekenen erop dat de huidige uitvoeringsorganen in overleg met
de gemeenten en zorgverzekeraars ervoor zullen zorgen dat deze
overdracht per 1 januari 1994 is gerealiseerd.
Voor zover nodig is met het
oog hierop de in artikel 50j van de Organisatiewet Sociale Verzekering
neergelegde bevoegdheid tot informatieverstrekking verruimd voor de overdracht van gegevens van bedrijfsverenigingen en GMD aan gemeenten.
Die wet is niet van
toepassing op het ABP, Spf en Defensie. De verplichting tot overdracht
van gegevens uit de administratie van die pensioenorganen is in
artikel 8 [10], van deze
wet neergelegd.
6.7. Personele aspecten
De beëindiging en
overdracht van de AAW-leefvoorzieningen heeft gevolgen voor de personele
bezetting van GAK/bedrijfsverenigingen, GMD,
ABP en Spf. Voor een kwantitatieve beschrijving van deze effecten
wordt verwezen naar het volgende hoofdstuk.
De overdracht naar gemeenten
en zorgverzekeraars per 1 januari 1994 betekent overigens niet dat
alle taken van de uitvoeringsorganen (onmiddellijk) wegvallen. De beslissingsbevoegdheden gaan dan
weliswaar over, maar voor de
behandeling van en advisering over hulpvragen zal nog in
belangrijke mate een beroep op de huidige uitvoeringsorganen worden gedaan,
zo verwachten wij.
Zoals in de adviezen van de
uitvoeringsorganen wordt geconstateerd, zal de knowhow op dit
terrein niet van de ene op de andere dag door de ontvangende instanties zijn
opgebouwd. Het overgangsrecht van deze wet voorziet ook in
afhandeling van de lopende gevallen door de huidige uitvoeringsorganen.
Sommige taken zullen niet of
niet volledig beëindigd hoeven te worden. Zo verwachten wij
een blijvende adviestaak van de GMD voor woonvoorzieningen en vervoersmiddelen, zij het niet meer voor de
eenvoudige gevallen, terwijl
het voorts denkbaar is dat een aantal gemeenten voor advisering
over leef-, vervoers- en woonvoorzieningen gebruikmaakt van de
deskundigheid en knowhow ter zake bij het ABP, het Spf en Defensie.
Gezien het voorgaande
verwachten wij dat de vermindering van de personele bezetting bij de
huidige uitvoeringsorganen geleidelijk kan verlopen. Dat neemt niet weg dat deze vermindering uiteindelijk
aanzienlijk zal zijn, zij
het niet in de omvang als in de adviezen aangegeven. Afgezien van
natuurlijk verloop zal voor degenen voor wie de arbeidsplaats vervalt ander
werk of een andere werkkring moeten worden gezocht.
Wij zullen bevorderen dat
tussen de betrokken organisaties overleg tot stand komt over de
mogelijkheden tot overname van personeel van de huidige uitvoeringsorganen
door de toekomstige uitvoeringsorganen. Wij vinden dat onze
verantwoordelijkheid niet verdergaat doordat wij zoals het Abp vraagt alternatieven
voor werk voor het betreffende personeel zouden moeten bieden. Er
zullen immers ook bij de huidige uitvoeringsorganisaties mogelijkheden
zijn om zo nodig met omscholing aan personeelsleden ander werk te
bieden.
Door het Rijk is, zoals
overeengekomen met de VNG en op basis van positief advies van de
Rgf, een vergoeding van ƒ8,2 mln, gebaseerd op
100 mensjaren, structureel aan het gemeentefonds toegevoegd.
Dit is de vergoeding voor het totale pakket rblz.|34|
van decentralisatie
woninggebonden subsidies inclusief de wijzigingen in de Regeling geldelijke
steun huisvesting gehandicapten (1991 en 1992) en de decentralisatie van de
Rgshg in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (vanaf
1994).
7. Financiële aspecten
In dit hoofdstuk wordt
ingegaan op de financiële aspecten van het
wetsvoorstel.
7.1. Financiële aspecten
van VROM-voorzieningen
Ter uitvoering van deze wet
- in relatie met datgene wat voorheen gesubsidieerd werd op voet
van de Regeling geldelijke steun huisvesting gehandicapten
1992 (Rgshg 1992) - zullen de op de VROM-begroting voor 1994 en
volgende jaren voorkomende bedragen worden gestort in het
gemeentefonds, dan wel overgeboekt naar de AWBZ, dan wel zal een bedrag
bij VROM blijven ter betaling van de oude - aflopende -
verplichtingen. Voor een goed begrip moet bij de onderstaande bedragen het
volgende worden aangetekend. Aanvragen in enig jaar gedaan, komen niet
(alle) in hetzelfde jaar tot betaling, daar er geruime tijd kan liggen
tussen datum aanvraag en datum gereedmelding bij de gemeente, dan wel bij
de AWBZ-verzekeraar. Dit geldt met name voor het onderdeel
woningaanpassing en de ADL-clusterprojecten. Bij de storting is dan ook
uitgegaan van de huidige door VROM gehanteerde kassleutels. In de bedragen
voor gemeentefonds en AWBZ zijn de kosten opgenomen gemoeid met de
medische advisering.
In het gemeentefonds zullen
worden gestort de bedragen die te maken hebben met alle in de Rgshg 1992
voorkomende subsidiestromen, waarvan de kosten, exclusief
de advieskosten, lager zijn dan of gelijk zijn aan ƒ45 000,-.
Naar WVC zullen worden
overgeboekt die bedragen die te maken hebben met subsidiestromen
waarvan de kosten exclusief de advieskosten groter zijn dan ƒ45 000,-. Onder deze laatste vallen derhalve ook
de kosten die te maken
hebben met de realisatie van ADL-clusterprojecten.
Met het bovenstaande zijn - afgerond en in
miljoenen guldens - de volgende voorlopige bedragen gemoeid:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| Gemeentefonds
¹ |
30 |
192 |
287 |
301 |
| (Kasreeks)
AWBZ ² |
x0 |
xx0 |
x15 |
x22 |
1. Deze bedragen betreffen
stortingen om aanpassingen (beneden ƒ45 000,-) te laten subsidiëren door
gemeenten. In
de opsomming is meegenomen het effect van het renteverlies voor de gemeenten in verband
met betaaldata van gemeenten aan gehandicapten en Rijk aan gemeenten
2. Deze bedragen betreffen
stortingen ten behoeve van subsidiëring van aanpassingen boven ƒ45 000,-
en
ADL-clusterprojecten door de AWBZ.
Bij genoemde cijfers is nog
geen rekening gehouden met de realisatiecijfers 1991 en 1992, de
uitkomsten van het onderzoek naar de behoefteraming en de verwachte effecten van de beleidswijzigingen in 1991 en
per 1 januari 1992. Eind
1992/begin 1993 zal aan de hand van de realisatiecijfers worden nagegaan
of en in hoeverre vorenstaande aantallen aanpassing behoeven. Tevens
zal worden nagegaan in hoeverre het mogelijk en gewenst is om
rekening te houden met het effect van het eventueel efficiënter
omgaan met de mogelijkheden van de Rgshg en de reeds aangebrachte
voorzieningen.
rblz.|35|
Het bovenstaande impliceert
dat bedragen gemoeid met het omzetten van jaarlijkse bijdragen in
bijdragen ineens op de begroting van VROM
zullen blijven. Tevens zal de verwerking van verplichtingen (en daaruit
voortvloeiende betalingen)
aangegaan op voet van de Rgshg 1992 of diens voorgangers door VROM
blijven geschieden. De daarvoor gereserveerde gelden zullen dan ook
op de begroting van VROM nog gedurende de komende 20 jaren
terugkeren.
Met de gevolgen voor de uitvoering van de Wet
IHS die ontstaan omdat
een gedeelte van de kosten van een voorziening in de huur kan
worden doorberekend, zal binnen de VROM-begroting rekening worden
gehouden.
7.2.
Financiële aspecten van
AAW-voorzieningen
In
deze paragraaf wordt ingegaan op de
financiële aspecten van het
wetsvoorstel.
Achtereenvolgens komen aan de orde:
-
financiële gevolgen van het toekennen
van het huidige AAW-voorzieningenpakket
aan 65-plussers;
-
budgettaire neutraliteit;
-
harmonisatie en afbakening;
-
aanvankelijk beoogde en thans voorziene
beheersingsmaatregelen;
- uitvoeringskosten;
-
overheveling naar het gemeentefonds, de AWBZ
en de bijzondere bijstand;
- overgangsregeling;
- financiering;
- inkomensgevolgen;
-
verdeling van de kosten van
voorzieningen over gemeenten.
Bij
de hiernavolgende behandeling van deze
aspecten is waar nodig rekening
gehouden met het commentaar van de VNG
en de Rgf op onze brief
van 6 mei 1991 aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer.
Vooraf
zij nog opgemerkt dat vanwege
actualisering de in deze memorie
gepresenteerde bedragen afwijken van de
bedragen genoemd in
de brief van 6 mei. Anders dan in de
brief van 6 mei zijn de bedragen in
deze memorie gebaseerd op prijzen en
volumina in 1992. Waar de bedragen
betrekking hebben op uitgaven voor AAW-voorzieningen van
beneden-65-jarigen zijn zij conform de ramingen
van de Nota Sociale Zekerheid
1992 (Kamerstukken II 1991-1992, 22 322, nrs. 1-2).
7.2.1.
Financiële gevolgen van het toekennen
van het huidige AAW-voorzieningenpakket
aan 65-plussers.
In
onze brief van 6 mei 1991 aan de
Voorzitter van de Tweede Kamer is
uitvoerig toegelicht dat de ramingen
inzake de financiële gevolgen van het
toekennen van het huidige pakket AAW-voorzieningen aan 65-plussers
zijn gebaseerd op de uitkomsten van het
NSS-onderzoek ¹ naar
het potentieel en feitelijk gebruik van
voorzieningen door 65-plussers.
Dit onderzoek leverde voor de
belangrijkste categorieën AAW-voorzieningen
het inzicht op hoeveel 65-plussers er in
de structurele
situatie naar verwachting voor in
aanmerking zouden kunnen komen
(het zogenaamd potentieel gebruik). Na
correctie voor reeds aan 65-plussers
toegekende voorzieningen (het feitelijk
gebruik) - het betreft hier
onder meer de zogenaamde
doorloopgevallen ² - en onder de aanname
van "niet-gebruik" van 30% (in de
brief van 6 mei 1991 is deze aanname
nader beargumenteerd) is op grond van de
aldus te verwachten uitbreiding
en op grond van door de GMD verstrekte
gegevens inzake de gemiddelde
kosten van elk van de onderscheiden
voorzieningen een raming
gemaakt van de te verwachten extra uitgaven.
rblz.|36|
Het
NSS-onderzoek wijst uit dat, evenals bij
beneden-65-jarigen, de behoefte
aan AAW-voorzieningen bij 65-plussers
zich vooral concentreert
op de leef- en de zorgvoorzieningen,
waarbij leefvoorzieningen vrijwel
synoniem zijn met vervoersvoorzieningen.
In
volumetermen mag worden verwacht dat
uiteindelijk, dat wil zeggen na
een aanloopfase, circa 300 000
65-plussers van een leefvoorziening (lees:
vervoersvoorziening) gebruik zullen gaan
maken. Dit aantal is exclusief
doorloopgevallen.
Wat
de zorgvoorzieningen betreft, is de
prognose dat uiteindelijk circa 60 000
65-plussers voor het verkrijgen van
huishoudelijke hulp een beroep
op de AAW zullen doen. Dit aantal is
complementair ten opzichte van
de huidige circa 220 000 65-plussers
waaraan ingevolge de AWBZ
al
huishoudelijke hulp wordt verstrekt.
Voor ADL-hulpmiddelen zullen naar
verwachting circa 160 000 65-plussers
een beroep op de AAW doen,
terwijl voor dieet- en
verzorgingskosten en voor communicatiemiddelen
respectievelijk circa 75 000 en circa
300 000 65-plussers dat zullen
doen.
1.
Onderzoek uitgevoerd door NSS in opdracht
van het ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid. Het onderzoeksrapport
is in april 1991 door het ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
gepubliceerd.
2.
Dit zijn 65-plussers met een AAW-voorziening
aan wie de voorziening vóór
het 65-ste jaar is toegekend en die deze
na het bereiken van die leeftijd behouden
hebben.
Voor
de goede orde zij overigens vermeld dat
optelling van bovenstaande
aantallen niet het totaal aantal
65-plussers dat van een AAW-voorziening
gebruik gaat maken als resultaat heeft.
Eén persoon kan
namelijk van meerdere voorzieningen
tegelijkertijd gebruikmaken. De
mate waarin hiervan sprake is, valt
echter niet uit het onderzoek af te leiden.
Het onderzoek was daarop ook niet
ingericht. Het inzicht in het totaal
aantal 65-plussers dat van
AAW-voorzieningen gebruik gaat maken, ontbreekt derhalve.
Wellicht
ten overvloede zij hier vermeld dat het
hier ramingen betreft waaraan
geen absolute betekenis mag worden
toegekend. Zoals steeds wanneer
het gaat om het voorspellen van het
beroep op een nieuwe regeling
dan wel om het beroep dat een nieuwe
categorie rechthebbenden
op een regeling gaat doen, zijn ook hier
de ramingen met de nodige
onzekerheden omgeven.
In
onderstaande tabel worden in prijzen en
van volumina 1992 naast elkaar
weergegeven de bedragen die gemoeid zijn
met het verstrekken van
het huidige voorzieningenpakket aan
beneden-65-jarigen, de bedragen
die naar verwachting gemoeid zijn met
het verstrekken van het huidige
voorzieningenpakket aan 65-plussers en
de bedragen die aldus in totaliteit
aan AAW-voorzieningen zouden worden
uitgegeven.
Huidig
beslag AAW-voorzieningen en uitbreiding
AAW-voorzieningen naar 65-plussers
(prijzen en volumina 1992, in mln gld,
afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
Huidig
beslag |
Uitbreiding
naar 65+ |
Totaal |
| 1.
Werk |
20xxxxxx |
0xxxxxx |
20xxxxxx |
| 2.
Leef |
710xxxxxx |
615xxxxxx |
1325xxxxxx |
| -
verplaatsen buiten |
630xxxxxx |
565xxxxxx |
1195xxxxxx |
| -
verplaatsen binnen |
80xxxxxx |
45xxxxxx |
125xxxxxx |
| -
overig |
0xxxxxx |
5xxxxxx |
5xxxxxx |
| 3.
Woon |
10xxxxxx |
5xxxxxx |
15xxxxxx |
| 4.
Zorg |
190xxxxxx |
495xxxxxx |
685xxxxxx |
| -
communicatiemiddelen |
15xxxxxx |
90xxxxxx |
105xxxxxx |
| -
dieet- en verzorgingskosten |
20xxxxxx |
80xxxxxx |
100xxxxxx |
| -
ADL-hulpmiddelen en assistentie |
65xxxxxx |
85xxxxxx |
150xxxxxx |
| -
huishouden |
90xxxxxx |
240xxxxxx |
330xxxxxx |
| 5.
Inkomensondersteunend |
25xxxxxx |
90xxxxxx |
115xxxxxx |
| -
extra slijtage kleding |
25xxxxxx |
50xxxxxx |
75xxxxxx |
| -
telefoonkostenvergoeding |
0xxxxxx |
30xxxxxx |
30xxxxxx |
| -
stookkosten |
0xxxxxx |
10xxxxxx |
10xxxxxx |
| Totaal |
955xxxxxx |
1205xxxxxx |
2160xxxxxx |
rblz.|37|
7.2.2.
Budgettaire neutraliteit
Uit
de voorgaande
subparagraaf blijkt dat
met toekenning van het recht
op AAW-voorzieningen aan 65-plussers
volgens het huidige pakket een
kostenbedrag samenhangt van ruim ƒ1,2 mld
(prijzen 1992). Ter voorkoming
van een overeenkomstige verzwaring van
de collectieve lasten
heeft het kabinet zich van meet af aan op het standpunt gesteld
dat
uitbreiding van de werkingssfeer van
AAW-voorzieningen naar 65-plussers
een budgettair neutrale operatie moet
zijn. Om die reden is niet te ontkomen aan kostenbesparende
ingrepen in het pakket. Aangezien
daaraan echter grenzen te stellen zijn,
moet er rekening mee worden
gehouden dat beheersingsmaatregelen
binnen het huidige AAW-pakket
onvoldoende zijn om de kosten van
uitbreiding naar 65-plussers
volledig te financieren. Maatregelen
buiten de AAW kunnen dan
ook niet uitgesloten worden.
In
zijn advies gaat de SVr expliciet in op
de door ons noodzakelijk geachte
budgettaire neutraliteit. Volgens een
deel van de SVr is deze door
het kabinet aangelegde randvoorwaarde
voor discussie vatbaar. Dit deel
is van mening dat 65-plussers, door
middel van hun aandeel in de opbrengsten
van de ingevolge de Wet tijdelijke handhaving leeftijdsgrens
verzekerings-
en premieplicht AAW
ingevoerde verhoging
van het belastingtarief
van de eerste schijf, reeds een bijdrage
leveren aan de financiering
van de AAW die ver uitgaat boven het
beroep dat zij naar verwachting
zullen gaan doen op voorzieningen.
Volgens dit deel van de SVr
zijn er derhalve voldoende budgettaire
middelen om 65-plussers in aanmerking
te laten komen voor verstrekking van
voorzieningen.
Evenals
een ander deel van de SVr delen wij deze
redenering niet.
In
de eerste plaats zijn
belastingopbrengsten geen geoormerkte middelen.
Er kan per definitie niet gezegd worden
welk deel van de belastingopbrengsten
van welke belastingplichtigen bestemd is
voor welke
specifieke uitgaven. Belastingmiddelen
zijn bij uitstek algemene middelen.
Voor 65-plussers gelden dezelfde belastingtarieven en
-schijven
als voor beneden-65-jarigen, zodat niet
gezegd kan worden dat bejaarden
extra worden belast zonder er iets voor
terug te krijgen.
In
de tweede plaats zijn de huidige
rijksbijdrage aan het AAf [Algemeen
Arbeidsongeschiktheidsfonds, red.]
en de huidige AAW-premie afgestemd op het huidige
niveau van AAW-uitgaven.
Wordt aan 65-plussers recht op
AAW-voorzieningen toegekend,
dan zullen, indien compenserende
maatregelen achterwege blijven,
de AAW-uitgaven ten opzichte van het
huidige niveau met circa ƒ1,2
mld toenemen. Ter financiering
hiervan zou dan de rijksbijdrage aan
het AAf (en derhalve het
belastingtarief) en/of de AAW-premie omhoog
moeten. Er is dan heel evident sprake
van een collectieve lastenverzwaring.
De
voorstelling van zaken van een deel van
de SVr als zouden de met uitbreiding
van de werkingssfeer samenhangende extra
uitgaven thans al door
bejaarden worden opgebracht, is naar het
oordeel van het kabinet dan
ook niet juist.
De
noodzaak tot aanpassing van het
voorzieningenpakket ter wille van budgettaire
neutraliteit blijft volgens het kabinet
dan ook onverminderd aanwezig.
Overigens
zij opgemerkt dat de problematiek die
een deel van de SVr hier
opwerpt z'n oorsprong vindt in de
voorstellen van de commissie-Oort. Eén van de kernelementen van de
vereenvoudiging van het heffingsregime
was de invoering van een gecombineerde
heffing van belasting
en premie voor de volksverzekeringen
over de eerste tariefschijf.
Het combineren van de heffing maakte het
noodzakelijk dat de rblz.|38|
verzekerings-
en premieplicht voor de
volksverzekeringen door blijft lopen
na het bereiken van de 65-jarige
leeftijd. Mede omdat in het kader van
de invoering van de voorstellen een
uitzondering is gemaakt, in die zin
dat in de AOW
de leeftijdsgrens van 65
jaar werd gehandhaafd, bleven
de inkomenseffecten van het geheel van
de Oort-voorstellen voor 65-plussers binnen aanvaardbare grenzen. In
z'n algemeenheid heeft dit onderdeel
van de Oort-voorstellen niet tot
lastenverzwaring voor 65-plussers
geleid. Het met de Oort-operatie
ingevoerde regime voorzag derhalve
voor de AAW
in een verbreding van de
heffingsgrondslag via het
premieplichtig maken van 65-plussers.
Met een beroep op het solidariteitskarakter
van deze verzekering werd hieraan niet
tevens een recht op
prestaties verbonden. Deze situatie
dient naar ons oordeel de vergelijkingsmaatstaf
te vormen voor hetgeen nu voorligt.
De
discussie omtrent het vervallen van de
leeftijdsgrens van 65 jaar voor
de verzekeringsplicht in de AAW en de
eventuele aanspraken op AAW-voorzieningen
heeft het kabinet tot het inzicht
gebracht dat het in het
kader van de Oort-operatie ingevoerde
regime op dit punt niet in tact kan
blijven.
Daarom
is besloten de leeftijdsgrens van 65
jaar voor de verzekerings- en
premieplicht voorshands te handhaven. Zonder nadere voorziening zou
dit echter leiden tot een aanzienlijke
lastenverlichting voor 65-plussers
en tot een lastenverzwaring voor beneden-65-jarigen.
Deze inkomenseffecten
achtte het kabinet, mede in het licht van de
Oort-effecten,
niet aanvaardbaar.
Teneinde
de operatie inkomensneutraal te laten
verlopen, is in 1990 het belastingpercentage
in de eerste tariefschijf verhoogd. Door
een rijksbijdrage
in het AAf en het AWW-fonds [AWW:
Algemene Weduwen- en Wezenwet, red.]
konden de
premies AAW en AWW, die
dan alleen verschuldigd zouden zijn door
personen onder de 65 jaar, destijds
beperkt blijven tot 1,15% respectievelijk 1,25% (thans 2,75% en
1,15%).
Evident is dat ook deze operatie geen
noemenswaardige inkomensgevolgen
voor 65-plussers heeft meegebracht.
Het
geheel overziend moet dan de
constatering zijn dat ten opzichte van
de hiervoor beschreven
vergelijkingsmaatstaf aan 65-plussers
geen lastenverzwaringen
zijn opgelegd. In dat licht bezien
betekent onderhavig wetsvoorstel
daarentegen een verbetering van de
positie van 65-plussers.
Zonder noemenswaardige lastenverzwaring krijgen zij recht
op,
weliswaar qua niveau aangepaste,
voorzieningen.
7.2.3.
Harmonisatie en afbakeningen
In
onze brief van 6 mei 1991 is uitvoerig
uiteengezet hoe wij de herstructurering
van de AAW-voorzieningen en de
Rgshg gestalte willen
geven. Gekozen is voor een ontwikkeling
langs twee lijnen: de AWBZ
en de gemeenten.
Voor
de overzichtelijkheid - met de
herstructurering hangen ook financiële
effecten samen - worden de hoofdlijnen
van de nieuwe structuur nog
eens kort weergegeven:
- werkvoorzieningen blijven onder
verantwoordelijkheid van de bedrijfsverenigingen
en via de AAW gefinancierd;
- leef- en woonvoorzieningen van de AAW
worden geïntegreerd met de Rgshg en gedecentraliseerd naar de
gemeenten;
- zorgvoorzieningen worden volledig
ondergebracht bij de AWBZ;
- inkomensondersteunende voorzieningen
worden ingepast in de bijzondere
bijstand.
In
navolgende tabel is aangegeven welke
effecten de herstructurering heeft
voor de kosten van de AAW-voorzieningen.
Zoals
in paragraaf 4.1 is aangegeven, zullen
de voorzieningen voor verplaatsen
binnen (rolstoelen) niet meer bij de AWBZ, zoals in de brief
rblz.|39|
van
6 mei was voorgesteld, maar bij de gemeenten worden ondergebracht.
Financiële
effecten van overheveling van AAW-voorzieningen naar het gemeentefonds,
AWBZ en ABW (prijzen en volumina 1992,
in mln gld, afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
AAW
inclusief doelgroep |
Overheveling naar: |
Beleids-
intensivering |
|
gemeentefonds |
AWBZ |
ABW |
| x |
2160xx |
x |
x |
x |
1205xxx |
| 1.
Werk |
20xx |
x |
x |
x |
0xxx |
| 2.
Leef |
–1325xx |
1325xxxx |
x |
x |
0xxx |
| 3.
Woon |
–15xx |
15xxxx |
x |
x |
0xxx |
| 4.
Zorg |
–685xx |
x |
235xx |
x |
–450xxx |
| 5.
Inkomensondersteunend |
–115xx |
x |
x |
15xxx |
–100xxx |
| Saldo
na overheveling |
20xx |
1340xxxx |
235xx |
15xxx |
655xxx |
In
deze tabel komt tot uitdrukking dat
overheveling van de AAW-zorgvoorzieningen
naar de AWBZ
en van de inkomensondersteunende
voorzieningen naar de bijzondere
bijstand besparingen opleveren. Deze
besparingen zijn met name toe te
schrijven aan het stringentere toelatingsbeleid
van de AWBZ en de ABW.
Wat
de zorgvoorzieningen betreft, is het
beeld als volgt:
-
De kosten voor communicatiemiddelen
zouden in de AAW in totaal ƒ105
mln bedragen (ƒ15 mln voor beneden-65-jarigen
en ƒ90 mln voor 65-plussers).
Vanwege een stringenter toekenningsbeleid
in de AWBZ kan
worden volstaan met overheveling van een
bedrag van ƒ60 mln.
-
De dieetkostenvergoeding die ingevolge
de AAW zou worden verstrekt
aan beneden- en boven-65-jarigen zou
naar schatting ƒ100 mln kosten. In de AWBZ ligt de nadruk op
bijzondere diëten en niet, zoals in
de AAW, op het compenseren van extra
kosten als gevolg van het houden
van dieet.
Dientengevolge
kan de overheveling naar de AWBZ dan ook
belangrijk lager
zijn dan de hiervoor genoemde ƒ100 mln. Volstaan kan worden met
een bedrag van ƒ20 mln.
-
Voor ADL-hulp en -assistentie en voor
huishoudelijke hulp worden respectievelijk
ƒ65 en ƒ90 mln overgeheveld naar de
AWBZ. Deze bedragen
corresponderen met de kosten van deze
voorzieningen voor beneden-65-jarigen
in de AAW. Voor 65-plussers
worden geen middelen overgeheveld.
65-plussers hebben in de huidige situatie al recht op
verstrekking
van deze voorzieningen vanuit de AWBZ.
Wat
voorzieningen met een
inkomensondersteunend karakter betreft, worden
de uitgaven in de AAW
geraamd op totaal ƒ115 mln (ƒ25 mln
voor beneden-65-jarigen
en ƒ90 mln voor
65-plussers). Indien deze voorzieningen
in het kader van harmonisatie en
afbakening in de toekomst
via de bijzondere bijstand worden
verstrekt, betekent dit voor 65-plussers
een bestendiging van de huidige situatie.
Zij kunnen nu al een
beroep doen op de bijzondere bijstand
voor het verkrijgen van deze voorzieningen.
Voor hen verandert er niets en behoeven
ook geen middelen
te worden overgeheveld.
Voor beneden-65-jarigen
heeft het de
consequentie dat het verkrijgen van
deze voorzieningen, anders dan in de
huidige situatie, afhankelijk wordt
van de eigen middelen. In de ABW geldt
immers de middelentoets.
Aangenomen wordt dat vanwege de
middelentoets kan worden volstaan
met de overheveling van ƒ15 mln naar de bijzondere bijstand.
rblz.|40|
7.2.4.
Aanvankelijk beoogde en thans voorziene
beheersingsmaatregelen
Na harmonisering en afbakening van het
voorzieningenbeleid resteert, zo
blijkt uit de tabel, een
beleidsintensivering van ƒ655 mln (niveau 1992).
Aanvankelijk hadden wij het voornemen
deze beleidsintensivering nagenoeg
volledig door beheersingsmaatregelen te
compenseren.
Welke
maatregelen daarbij voor ogen stonden, is
aangegeven in onze brief
van 6 mei 1991. De opbrengst van deze
maatregelen zou na overheveling
circa ƒ640 mln hebben bedragen (ƒ350
mln op voorzieningen
voor beneden-65-jarigen
en ƒ290 mln op
voorzieningen voor 65-plussers).
Het
was onze bedoeling om, alvorens de AAW-voorzieningen te decentraliseren
naar de gemeenten, deze voorzieningen
zodanig te herzien dat uitbreiding
van de doelgroep naar 65-plussers
budgettair neutraal zou kunnen
worden gerealiseerd. Aldus zouden de
gemeenten de uitvoering van
het voorzieningenbeleid kunnen overnemen
zonder de noodzaak daarin
direct aanpassingen aan te brengen.
Eerder in deze memorie is aangegeven
dat wij inmiddels van deze werkwijze
hebben afgezien. In plaats
daarvan worden de voorzieningen wél
onder de randvoorwaarde van
budgettaire neutraliteit, doch met
beperktere voorafgaande beheersingsmaatregelen
aan de gemeenten overgedragen. Zoals de
overdracht nu
voor ogen staat, treft de rijksoverheid
op 1 oktober 1992, 1 april 1993 en
1 oktober 1993 een beperking van telkens
10% op lopende vervoersvoorzieningen.
Op het moment van overdracht aan
gemeenten (1 januari 1994)
is dan sprake van een "vrije ruimte"
in het te decentraliseren budget
van 30%. Aan de gemeenten wordt de
ruimte gegeven om zelf (verdere
respectievelijk betere) oplossingen te
ontwikkelen om de uitbreiding
van de doelgroep naar 65-plussers
budgettair neutraal te realiseren.
Zo krijgen de gemeenten de vrijheid om
bij de toekenning van voorzieningen
een eigen bijdrage te vragen, naar het
inkomen van de aanvrager
te kijken, lagere
vervoerskostenvergoedingen vast te
stellen en meer
collectieve in plaats van individuele vervoersvoorzieningen te
scheppen.
Voor een uitvoerige behandeling van de
overgangsregeling wordt
verwezen naar subparagraaf
7.2.7.
7.2.5.
Uitvoeringskosten
Decentralisatie
van AAW-voorzieningen naar de
gemeenten
en de AWBZ heeft tot gevolg dat de
uitvoeringskosten bij de huidige uitvoerders
van de AAW-voorzieningen zullen dalen en
bij de gemeenten en
de AWBZ zullen toenemen. Bij deze
verschuiving wil het kabinet als uitgangspunt
hanteren dat uitvoering door de
gemeenten en de AWBZ in ieder
geval niet duurder mag zijn dan de
uitvoering in de bestaande situatie,
uiteraard met inachtneming van de
onvermijdelijke toename van de uitvoeringskosten als gevolg van de
uitbreiding van de doelgroep naar 65-plussers.
Derhalve zijn de huidige
uitvoeringskosten van de AAW-voorzieningen
richtinggevend voor de bepaling van aan
de gemeenten
en de AWBZ over te hevelen bedragen ter
financiering van de
gestegen uitvoeringskosten. Het
SVr-advies geeft daar inzicht in.
Volgens
dit advies zijn er bij de
bedrijfsverenigingen en de organen die de
AAW
fictief uitvoeren (ABP, Spf) circa 900
mensjaren gemoeid met het toekennen
en administreren van voorzieningen.
Daarnaast worden er bij het GAK
circa 200 mensjaren ingezet ten
behoeve van de administratie van
de GMD en heeft de GMD zelf een personeelsinzet van 250
à 300
mensjaren
ten behoeve van de advisering met
betrekking tot rblz.|41|
AAW-voorzieningen.
In totaal vergen advisering, toekenning
en administratieve
afhandeling van AAW-leefvoorzieningen
derhalve circa 1400 mensjaren.
De uitvoeringskosten van
AAW-voorzieningen worden op basis
hiervan berekend op circa ƒ100 mln.
Overigens zij opgemerkt dat de AAW-werkvoorzieningen
via de AAW gefinancierd blijven worden.
De uitvoeringskosten
van AAW-werkvoorzieningen zijn om die
reden hier buiten
beschouwing gelaten.
Bij
overheveling van voorzieningen naar gemeenten en de
AWBZ vervallen
de circa 900 mensjaren voor toekenning en
administratie van AAW-voorzieningen
bij de bedrijfsverenigingen en de
organen die de AAW
fictief uitvoeren. Bij de 250 à 300
mensjaren bij de GMD in verband
met advisering en de 200 mensjaren bij
het GAK
in verband met de
administratie van de GMD ligt dat
anders.
Het
kabinet wil ervan uitgaan dat de GMD
adviesinstantie blijft voor de gemeenten.
Daarmee kunnen de hierboven genoemde
aantallen mensjaren
bij de GMD en het GAK grotendeels
behouden blijven. De kosten
daarvan komen dan echter voor rekening
van de gemeenten. De huidige
uitvoeringskosten van de
AAW-voorzieningen, althans de bedragen
die daarvoor ten laste van het AAf
worden gebracht, kunnen op
grond van het voorgaande met ƒ100 mln dalen.
Bij
de gemeenten en de AWBZ stijgen de
uitvoeringskosten.
De
toekenning en administratieve
afhandeling van de AAW-voorzieningen,
die naar de gemeenten worden
overgeheveld, leidt tot extra (personeels)kosten
bij de gemeenten. Daarnaast zal een deel
van de kosten
van de GMD voor rekening van de
gemeenten komen, ervan uitgaande
althans dat de GMD adviesinstantie
blijft voor de gemeenten.
Bij
de AWBZ is de advisering en toekenning
van voorzieningen in handen
van een arts. De administratieve
afhandeling vindt plaats bij de zorgverzekeraars.
Meer voorzieningen leiden ook hier tot
hogere uitvoeringskosten.
Voor
de financiering van de toename van de
uitvoeringskosten bij gemeenten
en AWBZ is ƒ100 mln beschikbaar,
zijnde het bedrag dat op
de huidige uitvoeringskosten bespaard
kan worden. Dit bedrag zal worden
verdeeld over de gemeenten en de AWBZ in
de verhouding van de
bedragen van de voorzieningen die naar
de gemeenten en de AWBZ worden
overgeheveld. Dit betekent dat aan de
gemeenten een bedrag van ƒ75 mln toevalt en aan de AWBZ een
bedrag van ƒ25 mln. In deze
verdeling is tevens begrepen het naar
verwachting overigens minieme
effect op de uitvoeringskosten van
gemeenten van het overdragen
van de inkomensondersteunende AAW-voorzieningen naar de
bijzondere bijstand.
Het
beschikbare bedrag van ƒ100 mln wordt
verhoogd met een bedrag
van ƒ60 mln in verband met de
uitbreiding van de doelgroep naar
65-plussers en de daarmee samenhangende
noodzaak beheersingsmaatregelen
te treffen. Het merendeel van deze
kosten slaat neer bij de gemeenten.
Met name de voorzieningen die naar de
gemeenten worden overgeheveld,
ondervinden de invloed van de
uitbreiding van de doelgroep.
Het bedrag van ƒ60 mln wordt dan ook
verdeeld in de verhouding ƒ55 mln voor de gemeenten
en ƒ5 mln voor
de AWBZ.
In
totaal ontvangen de gemeenten daardoor ƒ130 mln
voor gestegen
uitvoeringskosten. Naar de AWBZ wordt in
totaal ƒ30 mln overgeheveld.
rblz.|42|
7.2.6.
Overheveling naar het gemeentefonds, de
AWBZ en de bijzondere bijstand
Uitgangspunt
voor een budgettair neutrale
decentralisatie van AAW-voorzieningen
naar de gemeenten is dat de bedragen die
voor deze voorzieningen
in de meerjarenramingen van de fondsen
zijn verwerkt aan het
gemeentefonds worden toegevoegd.
In
deze meerjarenraming, die loopt tot en
met het jaar 1996, is rekening
gehouden met een demografisch
volumeaccres. Wij zijn van oordeel
dat het redelijk is dat dit accres over
de te beschouwen periode wordt
doorgegeven aan de gemeenten. Na 1996
moet naar ons oordeel geen
sprake meer zijn van een specifiek op de
voorzieningen betrekking hebbend
accres en zijn de reguliere
determinanten van het gemeentefonds
van toepassing.
De
huidige meerjarenramingen (Nota Sociale
Zekerheid 1992} laten het
volgende beeld zien:
Meerjarenraming
van aan gemeenten te decentraliseren AAW-voorzieningen (in
mln gld, afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
| 1.
Leef |
765 |
795 |
850 |
920 |
x995 |
| 2.
Woon |
x10 |
x10 |
x15 |
x15 |
xx15 |
| Totaal |
775 |
805 |
865 |
935 |
1010 |
Gegeven
het feit dat decentralisatie voorzien
wordt per 1 januari 1994 zijn
de in bovenstaande tabel voor de jaren
1994, 1995 en 1996 opgevoerde
bedragen beschikbaar voor toevoeging aan
het gemeentefonds.
Het voor 1996 opgevoerde bedrag is
tevens structureel, afgezien uiteraard
van de voor het gemeentefonds geldende
reguliere volume- en prijsmutaties.
Bovenstaande
bedragen moeten nog aangevuld worden met
de vergoedingen
voor de voor die jaren geldende
administratiekosten, zowel met
betrekking tot voorzieningen voor beneden-65-jarigen
als met betrekking
tot de uitbreiding van de voorzieningen
voor 65-plussers.
Deze
staan in onderstaande tabel:
Meerjarenraming
van administratiekosten voor aan gemeenten
te decentraliseren AAW-voorzieningen
(in mld gld, afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
| 1.
Huidige uitvoeringskosten
|
x75 |
x75 |
x80 |
x80 |
x80 |
| 2.
Extra uitvoeringskosten
als gevolg van uitbreiding
65+
|
x55 |
x55 |
x60 |
x60 |
x65 |
| Totaal |
130 |
130 |
140 |
140 |
145 |
Daarnaast
worden middelen aan het gemeentefonds
toegevoegd in verband met de
extra uitgaven in de bijzondere bijstand
(ABW).
De
toevoeging van middelen aan het
gemeentefonds zal er dan als volgt
uitzien:
rblz.|43|
De
toevoeging van gelden voor voorzieningen
en administratiekosten aan hat gemeentefonds
vanaf 1994 (in mln gld, afgerond op ƒ5
mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1994 |
1995 |
1996 |
Structureel |
| 1.
Voorzieningen |
x850 |
x920 |
x995 |
x995 |
| 2.
ABW |
xx15 |
xx15 |
xx15 |
xx15 |
| 3.
Administratiekosten |
x140 |
x140 |
x145 |
x145 |
| Totaal |
1005 |
1075 |
1155 |
1155 |
De
meerjarenramingen van verschuivingen van
lasten van de AAW
naar
de AWBZ
met betrekking tot de
overheveling van zorgvoorzieningen naar
de AWBZ zijn in onderstaande tabel
weergegeven. Gegeven het feit dat
overheveling naar de AWBZ wordt voorzien
per 1 januari 1994 mogen
de in de onderstaande tabel voor de
jaren 1994, 1995 en 1996 opgevoerde
bedragen gecompenseerd worden middels
verhoging van de AWBZ-premie.
Het voor 1996 opgevoerde bedrag is
tevens structureel.
De
toevoeging van gelden voor voorzieningen
en administratiekosten naar de AWBZ
(in
mln gld, afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
Structureel |
| 1.
Voorzieningen |
235 |
245 |
260 |
280 |
300 |
300 |
| 2.
Administratiekosten |
x30 |
x30 |
x35 |
x35 |
x40 |
x40 |
| Totaal |
265 |
275 |
296 |
315 |
340 |
340 |
7.2.7.
Overgangsregeling
In
onze brief van 6 mei aan de Tweede Kamer
was nog voorzien dat de voorzieningen
per 1 januari 1993 zouden worden
overgeheveld naar de gemeenten
en naar de AWBZ. In 1992 zouden dan
centrale beheersingsmaatregelen
worden getroffen, zodat het
voorzieningenpakket zonder noodzaak
tot verdere ingrepen in het pakket kon worden overgeheveld
naar
de gemeenten. De vervoersvergoedingen
zouden daartoe gehalveerd
moeten worden. Dit werd echter beschouwd
als een te forse ingreep.
Besloten
is de vervoersvergoedingen met 10% te
beperken per 1 oktober 1992.
Hetgeen een structureel besparingsbedrag
oplevert van ƒ60 mln.
Deze ƒ60 mln zouden de gemeenten kunnen
gebruiken om nieuw beleid
te voeren. De VNG
en de Rgf hebben
aangegeven dat ƒ60 mln voor de
overgangssituatie te weinig is. In een
brief aan de Tweede Kamer heeft
de VNG te kennen gegeven dat zij in
totaal ƒ600 mln nodig menen
te hebben voor de overgang en
geleidelijke afbouw van bestaande gevallen van AAW-voorzieningen. Om
bestaande gevallen in 1993
het oude niveau en nieuwe gevallen
(beneden- en boven-65 jarige) een
lager niveau (plusminus de helft) te geven, is
in eerste instantie ƒ300 mln nodig
in 1993. Er wordt echter in 1992 10%
gekort, hetgeen op jaarbasis circa ƒ60 mln oplevert. In 1993 is ter dekking
van de extra uitgaven derhalve ƒ240 mln
(ƒ300 - ƒ60) nodig. In totaal is er
volgens de VNG in de periode
van 1993 t/m 1996 ƒ600 mln nodig indien
geen rekening wordt gehouden
met in- en uitstroom van het huidige
bestand. Wordt met dit laatste
wel rekening gehouden, dan is ƒ370 mln
nodig voor de overgang en
geleidelijke afbouw van bestaande
gevallen van AAW-voorzieningen (zie
tabel).
rblz.|44|
Additionele
financieringsbehoefte volgens de VNG
(in
mln gld. afgerond op ƒ5 mln):
| |
Kosten
voorzieningenr65+ |
Effect beperking
voorzieningen |
Effect in-
en uitstroom |
Saldo |
| 1993 |
300 |
x60 |
45 |
195 |
| 1994 |
300 |
120 |
70 |
110 |
| 1995 |
300 |
180 |
70 |
x50 |
| 1996 |
300 |
240 |
45 |
x15 |
| 1997 |
300 |
300 |
x0 |
xx0 |
| Nodig
volgens veronderstelling VNG
(1993 t/m
1997) |
370 |
Het
kabinet heeft uit oogpunt van
budgettaire neutraliteit niet kunnen instemmen
met een extra bedrag van ƒ370 mln voor de overgangssituatie.
Door de VNG
is evenwel duidelijk gemaakt
dat zonder extra middelen
voor geleidelijke afbouw van bestaande
voorzieningen de overheveling
van voorzieningen naar gemeenten niet geaccepteerd zal
worden.
Daarnaast
is door de VNG
een invoeringstermijn van
een halfjaar gewenst.
Ook de Rgf heeft aangegeven dat er
minimaal een halfjaar tussen
verdeling van bedragen over gemeenten en
uitvoering door gemeenten
zou moeten zitten.
Dit
alles overwegende, heeft het kabinet
besloten de overdracht van voorzieningen
naar gemeenten
één jaar uit te stellen.
In de periode tot die
datum zal het kabinet, bovenop de beperking die op 1 oktober van dit jaar
al is voorzien, nog twee keer een
vermindering met 10% doorvoeren op
het niveau van de vervoersvoorzieningen
en wel op 1 april 1993 en op 1
oktober 1993. Aldus beschikt de VNG
op
het moment dat de voorzieningen
gedecentraliseerd worden over een vrije
ruimte in het budget van globaal
30% (globaal, omdat alleen de
vervoersvoorzieningen worden beperkt,
doch deze maken meer dan 95% van de te
decentraliseren voorzieningen
uit) waaruit voorzieningen voor
65-plussers kunnen worden
gefinancierd.
Voor
het financiële beeld wordt uitgegaan
van de opstelling van de VNG,
die stelt dat in het eerste jaar na
overdracht (1994) geen verdere beperkingen
in AAW-voorzieningen mogen worden
aangebracht. In het tweede
jaar (1995) kan dan nog eens 10% worden
beperkt. In het derde jaar
(1996) wordt weer 10% beperkt zodat dan
het structureel niveau wordt
bereikt. Bij deze invulling zal de VNG
ruim ƒ100 mln voor de overgang
nodig hebben. Besloten is om de
incidentele opbrengst van ƒ115
mln in 1993 aan te wenden voor dekking
van de extra uitgaven in latere
jaren waarvan in het VNG-beeld nog
sprake is. Zie onderstaande tabel.
Additionele
financieringsbehoefte bij
decentralisatie per 1 januari 1994 (in
mln gld, afgerond
op ƒ5 mln):
| |
Kosten
voorzieningenr65+ |
Effect beperking
voorzieningenr65- |
Effect in-
en uitstroom |
Saldo |
| 1993 |
xx0 |
115 |
x0 |
–115 |
| 1994 |
300 |
180 |
25 |
xx95 |
| 1995 |
300 |
240 |
50 |
xx10 |
| 1996 |
300 |
300 |
x0 |
xxx0 |
| Nodig
volgens veronderstelling VNG
(1994 t/m 1996) |
x105 |
rblz.|45|
Het
besluit heeft wel consequenties voor de
horizonbepaling met betrekking
tot de leeftijdsgrens in de verzekerings-
en premieplicht AAW. Het
voorstel om pas op 1 januari 1994 te
decentraliseren, impliceert dat 65-plussers
ook pas met ingang van 1 januari 1994
recht op voorzieningen
krijgen. Anders schiet het voorstel zijn
doel voorbij. Het voorgaande
betekent dat de horizonbepaling nog eens
met één jaar moet worden
verlengd.
7.2.8.
Financiering
Los
van de hierboven geschetste
overgangsproblematiek heeft de financiering
van de voorstellen in dit wetsvoorstel
twee majeure aspecten:
a.
De financiering van het per saldo nog
optredende (structurele) tekort.
b.
De effecten voor de rijksbijdragen aan
het AAf en het AWW-fonds, voor
de belastingtarieven over de eerste
inkomensschijf en voor de premies AAW, AWW en
AWBZ.
De
in subparagraaf 7.2.6 weergegeven
bedragen voor toevoeging aan
de AWBZ en het gemeentefonds zijn in
totaliteit hoger dan de som van
de bedragen die voor de betreffende
voorzieningen en de daarbij behorende
administratiekosten in de
meerjarenramingen zijn uitgetrokken.
In 1994 bedraagt het tekort ƒ160 mln,
oplopend tot ƒ170 mln in 1996, welk bedrag tevens het
structurele tekort weergeeft.
Confrontatie
van de toe te voegen en in de meerjarenraming
beschikbare bedragen (in mln gld,
afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1994 |
1995 |
1996 |
| |
Toe-
voeging |
Beschik-
baar |
Toe-
voeging |
Beschik-
baar |
Toe-
voeging |
Beschik-
baar |
| Naar
gemeenten: |
| Leef-
en woonvoorzieningen |
850xx |
805xx |
920xx |
870xx |
995xx |
940xx |
| Inkomensondersteunende
voorzieningen |
15xx |
25xx |
15xx |
30xx |
15xx |
30xx |
| Administratiekosten |
140xx |
75xx |
140xx |
80xx |
145xx |
80xx |
| Naar
AWBZ: |
| Zorgvoorzieningen |
260xx |
210xx |
280xx |
225xx |
300xx |
245xx |
| Administratiekosten |
35xx |
25xx |
35xx |
25xx |
40xx |
30xx |
| Totaal |
1300xx |
1140xx |
1390xx |
1230xx |
1495xx |
1235xx |
| Saldo
toevoeging/beschikbaar |
–160 |
–160 |
–170 |
Voor
deze tekorten wordt gecompenseerd door
in de AOW voor AOW-gerechtigden
met een partner jonger dan 65 jaar van
het 70/30-systeem
op het 50/50-systeem over te gaan. De
betreffende gerechtigden
zullen aanspraak kunnen maken op een
basispensioen van 50%, aangevuld
met een van het inkomen van de jongere
partner afhankelijke toeslag.
Op dit moment wordt op dit punt een
andere overgangsmaatregel
voorgesteld dan in de brief van 6 mei is
verwoord. Het 70/30-systeem
zal namelijk blijven gelden voor degenen
die vóór inwerkingtreding
van het desbetreffende wetsvoorstel al
65 waren en bovendien vóór die datum al gehuwd waren of ongehuwd samenwoonden
met een partner jonger dan 65 jaar,
zolang het betreffende huwelijk
of de samenwoonrelatie in stand blijft.
Door de nieuwe overgangsbepaling
blijft de opbrengst van deze maatregel
in 1994 beperkt
tot ƒ60 mln, uitgaande althans van de
inwerkingtreding van deze maatregel
in 1993. In de jaren 1995 en 1996 is de
opbrengst ƒ90 mln respectievelijk ƒ120 mln. Structureel bedragen de
opbrengsten ƒ90 mln. rblz.|46|
In structurele situatie zijn de
opbrengsten van de AOW-50/50-variant
derhalve groter dan de meeruitgaven door
uitbreiding naar 65-plussers.
Als
gevolg van de horizonbepaling in de Wet
tijdelijke handhaving leeftijdsgrens
verzekerings- en premieplicht zouden
de rijksbijdragen AAW
en AWW per 1 januari 1993 vervallen. Als
gevolg van onderhavig wetsvoorstel
is verlenging van de horizonbepaling met
nog één jaar onontkoombaar.
In
het advies van de Raad van State
betreffende het wetsvoorstel tweede verlenging
Wet tijdelijke handhaving
leeftijdsgrens verzekerings- en
premieplicht AAW
d.d. 28 juli 1992 gaat
de Raad in op de bredere problematiek
van verzekerings- en premieplicht van
65-plussers. De Raad
adviseert het kabinet op zo kort
mogelijke termijn een standpunt te bepalen
over de verzekerings- en premieplicht
AAW na 1993, gezien het feit
dat 65-plussers geen (of "minder dan
nagenoeg geen") rechten aan de AAW ontlenen. Naar aanleiding hiervan is
in de memorie van toelichting
bij het betreffende wetsvoorstel een
passage opgenomen inhoudende
dat een notitie met het kabinetsstandpunt over deze kwestie
aan
de Tweede Kamer wordt toegezegd. Het
kabinet wil er voor zorg dragen
dat de Tweede Kamer over deze notitie
beschikt ruimschoots vóór
de plenaire behandeling van onderhavig
wetsvoorstel. Aldus zal de Kamer
in staat zijn de financiering van
onderhavig wetsvoorstel te bezien tegen
de achtergrond van de voornemens van het
kabinet met betrekking tot
de structurele regeling van de
verzekerings- en premieplicht AAW. Zoals
hiervoor reeds is aangegeven, valt de
inwerkingtreding van onderhavig
wetsvoorstel samen met de expiratiedatum
van het wetsvoorstel tweede
verlenging wet tijdelijke handhaving leeftijdsgrens verzekerings-
en
premieplicht AAW. De financiële
consequenties van onderhavig wetsvoorstel
zullen zich dan ook manifesteren in de
situatie zoals die op dat
moment geldt. Wordt een nadere regeling
van de verzekerings- en premieplicht
AAW achterwege gelaten, dan ontstaat
automatisch de situatie
dat 65-plussers verzekerings- en
premieplichtig worden voor de AAW.
Dan zouden 65-plussers zowel gaan
bijdragen aan het voorheen via
de belasting gefinancierde deel van de AAW-uitgaven (de rijksbijdrage
van ƒ11 510 mln) als aan het
premiegefinancierde deel van de AAW-uitgaven
(ƒ5120 mln). Door verbreding van de
premiegrondslag AAW zou dan de premie voor
beneden-65-jarigen
dalen. De premie voor 65-plussers
stijgt in die situatie meer dan de
premieverhoging die het gevolg
is van het vervallen van de
rijksbijdragen. Dit relatief ongunstig effect
voor de 65-plussers zou worden
gecompenseerd door het feit dat de
stijging van de AWW-premie als gevolg
van het vervallen van de rijksbijdragen
volledig ten laste van de beneden-65-jarigen
zou komen.
Onderhavig
wetsvoorstel grijpt hier aldus op in dat
de AAW lasten kunnen
dalen met ƒ235 mln als gevolg van
overheveling van de zorgvoorzieningen
naar de AWBZ, terwijl de AWBZ-lasten met
ƒ295 mln stijgen.
Door
overheveling van een deel van de
AAW-voorzieningen naar de gemeenten
(leef-, woon- en
inkomensondersteunende) kunnen de AAW-lasten
met ƒ900 mln dalen. Daartegenover staat
een toevoeging aan het gemeentefonds (ƒ1005 mln). Deze
toevoeging komt ten laste van de rijksbegroting.
Voor dit onderdeel is derhalve sprake van een
verschuiving
van de rijksbijdrage naar het gemeentefonds. Voor de financieringsverschuivingen
en aandelen van beneden- en boven-65-jarigen
in de financiering ingeval een nadere
regeling van de verzekerings-
en premieplicht AAW achterwege blijft,
wordt verwezen naar de volgende
tabel. Daarbij zij nog eens opgemerkt
dat de door het kabinet toegezegde
notitie dat beeld nog eens kan
veranderen.
rblz.|47|
Financieringsverschuivingen
en -aandelen op transactiebasis in 1994 (in mln
gld):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
xxxxxx |
Beneden-65-jarigen |
Boven-65-jarigen |
| AAW
|
AWW/
AOW |
AWBZ |
|Ink.bel.| |
AAW |
AWBZ |
Ink.bel. |
| 1.
Terugtrekken rijksbijdrage AAW |
11
510 |
9
925 |
|
|
–9
925 |
1
580 |
|
–1
580 |
| 2.
Wegvallen staartpost AAW/AWW |
1
025 |
885 |
|
|
–885 |
140 |
|
–140 |
| 3.
Verbreding AAW-premiegrondslag |
5
120 |
–705 |
|
|
|
705 |
|
|
| 4.
Leefvoorziening AAW + ABW |
1
005 |
–795 |
|
|
865 |
–125 |
|
140 |
| 5.
Zorgvoorziening AAW |
295 |
–195 |
|
255 |
|
–30 |
40 |
|
| 6.
AOW 50/50 |
60 |
|
–60 |
|
–2
015 |
|
|
|
| 7.
Terugtrekken rijksbijdrage AWW |
2
350 |
|
2
350 |
|
–175 |
|
|
–335 |
| 8.
Wegvallen staartpost AWW |
205 |
|
205 |
255 |
–12
135 |
|
|
–30 |
| Totaal
per verzekering inkomstenbelasting |
|
9
115 |
2
495 |
|
|
2
270 |
40 |
–1 945 |
| Totaal |
|
|
–270 |
|
|
|
365 |
|
| Financieringsverschuiving
per regeling |
Beneden- en boven-65-jarigen |
| AAW
|
11 385xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
| AWW |
2 555xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
| AOW |
–60xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
|
AWBZ |
295xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
| Inkomstenbelasting |
–14
080xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
| Totaal |
95xxxxxxxxxxxxxxxxxx |
7.2.9.
Inkomensgevolgen
Vanuit
het onderhavig wetsvoorstel
voortvloeiende premie- en belastingbeeld
kunnen geen noemenswaardige
inkomenseffecten worden gegenereerd,
omdat de voorstellen in de structurele
situatie binnen de collectieve
sector nagenoeg budgettair neutraal zijn
en omdat de verschuivingen
plaatsvinden tussen volksverzekeringen en de eerste
schijf
van het belastingtarief (dezelfde
heffingsgrondslag). Dit geldt zowel
voor boven- als voor beneden-65-jarigen. Als de voorzieningen in 1994
worden overgeheveld naar andere
regelingen en de leeftijdsgrens in
de AAW
vervalt, is de mutatie van het
gecombineerde tarief eerste schijf
in 1994 0,04 procentpunt. In de structurele
situatie bedraagt het premie- en
belastingeffect -0,01
procentpunt.
Wat
betreft de inkomenseffecten samenhangend
met de voorgenomen wijziging
van de uitkeringsstructuur van de AOW
zij verwezen naar de memorie
van toelichting bij het desbetreffende
wetsvoorstel.
De voornemens in
dit wetsvoorstel
zullen
stellig inkomenseffecten met zich
meebrengen voor verschillende categorieën van voorzieningsgebruikers.
Een algemeen beeld is echter niet te
destilleren. De inkomensgevolgen
kunnen afhankelijk van de voorzieningen
waarop aanspraak gemaakt
wordt en afhankelijk van de wijze waarop
de betrokken gemeente
het dan gedecentraliseerde
voorzieningenbeleid heeft vormgegeven
per individu zeer uiteenlopen en zowel
positief als negatief zijn.
Onderstaand
willen wij verduidelijken waar in onze
voorstellen begrenzingen
liggen van de inkomensgevolgen.
In
de eerste plaats herhalen wij wat op
diverse plaatsen in de toelichting
is gesteld: eigen bijdragen zijn
aanvullend in respectievelijk het sluitstuk
van het gemeentelijk beleid. Het accent
ligt op een doelmatig gemeentelijk
beleid gericht op de verlening van de
voorzieningen zelf.
De
nominale eigen bijdrage voor
woningaanpassing en voorzieningen in
natura wordt wettelijk gemaximeerd. Het
ligt in ons voornemen om aan
te sluiten bij de geldende eigen
bijdrage voor woningaanpassing van ƒ500,- tot een nader vast te stellen
inkomensgrens. Het ligt in de rede voor
deze grens aan te sluiten bij de huidige
inkomensgrens voor rblz.|48|
vervoersvoorzieningen
in de AAW op het niveau van het modale inkomen.
Voor bovenmodale inkomens kan een
hogere bijdrage worden gevraagd, waarbij dan in feite sprake is van
inkomensafhankelijkheid.
Tussen
het minimuminkomen en het modale
inkomen wordt de werking
van de nominale eigen bijdrage de facto
beperkt. Van de lage inkomens
zal minder worden gevraagd vanwege het
regime van de bijzondere
bijstand (voor de minima niet meer dan
het zogenaamde drempelbedrag
van thans ƒ185,-).
Inkomensafhankelijke
eigen bijdragen hebben met name
betekenis bij vergoedingen
van extra kosten van gehandicapten. Het
gaat hierbij om de
afstemming van de omvang van de
vergoedingen op het inkomen. Bij de
over te dragen voorzieningen naar de
bijzondere bijstand is dit per definitie
zo. Een ander mogelijk voorbeeld is de vergoeding van verhuiskosten
als woonvoorziening. Vergoeding van
kosten van vervoer kan afgestemd
worden op het inkomen of worden
gekoppeld aan een bepaalde inkomensgrens. Voor gebruikskosten van
een auto of taxi ligt echter
het accent op een beperking van de
forfaitaire vergoedingen. Inkomensafhankelijke
bijdragen zullen derhalve slechts
aanvullende betekenis
hebben, ook omdat bij cumulatie
aanspraken kunnen ontstaan op
bijzondere bijstand.
Overigens
wordt het beperken of vervallen van
vergoedingen van vervoerskosten
in verband met het aanbod van een andere
(collectieve) voorziening
door ons niet als een inkomenseffect
beschouwd. Er is dan immers
sprake van substitutie van
voorzieningen.
Ten slotte
kan het eigen aandeel in de kosten van
woningaanpassing enig
inkomenseffect hebben. Dit wordt veelal
door hogere huursubsidie beperkt
tot het effect van de zogenaamde
kwaliteitskorting. Bij niet-subsidiabele
huren en eigen woningen zal de gemeente
zo nodig (voor)financieringsmogelijkheden
kunnen bieden, waarbij de aflossingsduur
en aflossingsbedragen kunnen worden
afgestemd op de individuele
betalingscapaciteit.
7.2.10.
Verdeling over gemeenten
De Rgf heeft
op 10 juni 1992 een advies
uitgebracht over het voorstel van de
beheerders van het gemeentefonds
met betrekking tot de verdeling van de
middelen over gemeenten.
Weliswaar
bestaat er bij de Rgf een voorkeur om
aan te sluiten bij de historische
verdeling, maar de Rgf is het eens met
de stelling van de beheerders
van het gemeentefonds dat door
decentralisatie en uitbreiding
van de doelgroep een breuk met het
verleden ontstaat. De Rgf
gaat in ieder geval voor 1993 akkoord
met het voorstel van de beheerders
van het gemeentefonds om het beschikbare
bedrag te verdelen
via een vast bedrag per inwoner. De Rgf
ziet nauwelijks mogelijkheden
voor een objectieve overgangsregeling
voor 1994 en 1995.
Het onderzoek van BiZa naar de
historische kostenverdeling was namelijk
gebaseerd op gegevens van het GAK
en de
Detam met betrekking
tot één jaar. De uitkomsten van dit niet
als representatief te achten
onderzoek kunnen volgens de Rgf niet
dienen als basis voor een integratie-uitkering.
Dit
feit, de uitbreiding van de doelgroep en
de eenvoudige systematiek zijn
voor het kabinet de redenen om het
advies van de Rgf over te nemen.
8.
Bijzondere aspecten
In
het navolgende komen achtereenvolgens
aan de orde de aan de wet verbonden
gevolgen voor vrouwen, het streven naar
vermindering en vereenvoudiging
van de regelgeving en de voorlichting
over de wet.
rblz.|49|
8.1.
Gevolgen voor vrouwen
De wet voorziet in de overheveling van
bepaalde hiervoor nader aangeduide AAW-voorzieningen en de
Rgshg-woonvoorzieningen naar gemeenten
en de AWBZ. Voor die voorzieningen die
naar de AWBZ worden
overgeheveld, zullen wat de toekenning
daarvan betreft de reguliere
criteria gelden die bij of krachtens die
wet zijn gesteld. Voor zover
deze criteria, als gevolg van de
onderhavige overheveling, wijziging
zullen ondergaan, geldt daarbij als
uitgangspunt dat zoveel mogelijk
zal worden aangesloten op de criteria
die voorheen in het kader van
de uitvoering van de AAW werden
gehanteerd. Noch in de AWBZ, noch
in de AAW wordt met betrekking tot de
toekenning van voorzieningen
enig onderscheid gemaakt tussen vrouwen
en mannen.
De
overheveling van deze voorzieningen
heeft dan ook geen bijzondere gevolgen
voor vrouwen.
Dit
geldt evenzeer voor de voorzieningen die
naar de gemeenten worden
overgeheveld. Zo is voor de toekenning
van de vervoersvoorzieningen
en de woonvoorzieningen uitsluitend van
belang of betrokkene gehandicapt
is in de zin van de wet, met andere
woorden of betrokkene tengevolge van ziekte of gebrek aantoonbare
beperkingen ondervindt op het
gebied van het wonen of het verplaatsen
buitenshuis.
Voor
de zogenaamde inkomensondersteunende
voorzieningen die naar de ABW worden
overgeheveld, zullen de criteria gelden die
in het kader van de verlening van
bijzondere bijstand worden gehanteerd.
Ook bij deze criteria is het geslacht
van betrokkene niet van betekenis.
8.2.
Dereguleringsaspecten
In
de inleiding van deze memorie is reeds
aangeduid welke ontwikkelingen
en welke tekortkomingen in het huidige
stelsel tot deze wet
aanleiding
hebben gegeven, alsmede welke
doelstellingen daarmee nagestreefd
worden.
De
wet draagt in niet onbelangrijke mate
bij aan het streven de regelgeving
te vereenvoudigen, c.q. toegankelijker
te maken voor de individuele
burger. Zo zal de omvangrijke en
complexe regelgeving in het kader
van de AAW
en de overeenkomstige
overheidspensioenregelingen inzake
de verstrekking van leef-, en genees-
en heelkundige voorzieningen
worden ingetrokken. Ook de Rgshg wordt
ingetrokken. Daar staat
tegenover dat ingevolge het voorstel
regels zullen worden gesteld met betrekking tot de eigen bijdragen en de
aanpassing van het bedrag van ƒ45 000,-. Per saldo leidt het voorstel
echter tot een niet geringe vermindering
van de regelgeving op centraal niveau.
Op decentraal niveau
daarentegen brengt het voorstel een
uitbreiding van de regelgeving
met zich mee. De beantwoording van de
vraag hoe groot de omvang
van die uitbreiding is, is afhankelijk
van de invalshoek die men kiest.
Wanneer men landelijk de regelingen die
als gevolg van het voorstel
tot stand zullen komen, gaat tellen, dan
zal men die uitbreiding, gegeven
het feit dat elke gemeente
een
verordening dient vast te stellen, als "aanzienlijk" beschouwen. Inhoudelijk
is er echter weer een aanzienlijke
beperking omdat de gemeenten veelal de
modelverordening van de VNG
als basis zullen nemen of overnemen.
Beziet men de uitbreiding echter
vanuit het perspectief van de burger,
dan zal men de tot stand te brengen
decentrale regelgeving, gegeven het feit
dat voor de individuele burger
slechts één regeling openstaat, niet
als een aanzienlijke uitbreiding
van de regelgeving kunnen kwalificeren.
Aangezien het streven
de regelgeving te verminderen uiteraard
bezien dient te worden rblz.|50|
vanuit
het perspectief van de individuele
burger, zijn wij van oordeel, wanneer
wij de vermindering van regelgeving op
centraal niveau afwegen
tegen de uitbreiding van regelgeving op
decentraal niveau, dat het
voorstel een niet onbelangrijke bijdrage
levert aan het streven de regelgeving
te verminderen.
Vanuit
een oogmerk van (verdergaande)
deregulering hebben wij er uitdrukkelijk
voor gekozen om de bestuurlijke
verantwoordelijkheid voor de
voorzieningenverstrekking zoveel
mogelijk te decentraliseren. De invulling
van het beleid met betrekking tot de
verstrekking van woonvoorzieningen
en vervoersvoorzieningen wordt volledig overgelaten aan de
gemeenten.
Daarbij hebben wij ernaar gestreefd om
de verticale coördinatielijnen
zoveel mogelijk te beperken.
Het
omzetten van de centrale regelgeving in
decentrale regelgeving brengt
een verschuiving in de uitvoeringslasten
teweeg. Hiervoor zij onder meer
verwezen naar de voorgaande
paragraaf.
Met
betrekking tot de rechtsbescherming kan
worden opgemerkt dat de
wet, althans wat de Rgshg-woonvoorzieningen betreft, een
wijziging van
de beroepsinstantie inhoudt. Het
vervallen van het in de AAW
bestaande
leeftijdsonderscheid tussen personen die
al dan niet de leeftijd
van 65 jaar hebben bereikt, betekent
grosso modo een verdubbeling
van de groep personen die voor de
desbetreffende voorzieningen in
aanmerking kan komen. Deze constatering
impliceert echter niet dat het
aantal beroepsgevallen ook
dienovereenkomstig zal toenemen. Een groot
deel van de personen van 65 jaar of ouder die van AAW-voorzieningen
uitgesloten waren, kon ter zake een
beroep doen op de ABW en in dat kader in beroep gaan. Naar
verwacht mag worden, zal
de overheveling van
inkomensondersteunende voorzieningen
naar de ABW een vermindering van het
aantal beroepzaken inhouden,
aangezien de in de ABW bestaande inkomens-
en vermogenstoets ertoe zal leiden dat
een geringer aantal personen
dan in de AAW het geval was een beroep
op die voorzieningen zal
doen.
De
dereguleringsaspecten die zijn verbonden
aan de overheveling van AAW-voorzieningen
naar de AWBZ
zullen worden toegelicht in
de ter zake
tot stand te brengen regelgeving. In dat
verband zal ook nader worden
ingegaan op de nauwe samenhang tussen de
wijzigingen in de AWBZ
en de nieuwe zorgwet.
8.3.
Evaluatie
Mede
op verzoek van de VNG
en de Rgf is
voorzien in de evaluatie van deze wet. Naar ons gezamenlijk oordeel brengt
de zorgvuldigheid met zich
mee dat na verloop van tijd wordt bezien
op welke wijze gemeenten invulling
hebben gegeven c.q. hebben kunnen geven
aan de hun opgedragen
(grotendeels nieuwe) taak. Denkbaar is dat het dan wenselijk
kan
zijn nog bijstellingen aan te brengen in
de wettelijke regeling voor decentralisatie
van de voorzieningen.
Het
ligt voor de hand bij de evaluatie ook
financiële aspecten te betrekken
met name in relatie tot het te
verwachten beroep op voorzieningen
door boven-65-jarigen.
8.4.
Voorlichting
De wet voorziet in de mogelijkheid dat de
verschillende artikelen van de
wet, onderdelen daarvan of zelfs
categorieën van voorzieningen op verschillende
tijdstippen in werking kunnen treden.
Bedoeld tijdstip hangt uiteraard
ten nauwste samen met het moment waarop
de overdracht van bepaalde
voorzieningen naar het nieuwe loket is
afgerond. De rblz.|51|
voorlichting
over de nieuwe regeling is hieraan
gekoppeld; wanneer bekend
is dat een voorziening vanaf een
bepaalde datum door het nieuwe uitvoeringsorgaan verstrekt zal worden,
zal daarover door de betrokken
departementen tijdig
voorlichtingsmateriaal beschikbaar worden
gesteld. Voor zover zulks wenselijk mocht
blijken te zijn, zullen bij de
vaststelling van de vorm, de inhoud,
alsmede de wijze van verspreiding
van het voorlichtingsmateriaal zowel de
voormalige uitvoeringsorganen
als de nieuwe uitvoeringsorganen worden
betrokken.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel
1 [1]
Voor
de definiëring van het begrip
gehandicapte is aangesloten bij de terminologie
die in het kader van de AAW-voorzieningenverstrekking gehanteerd
wordt, te weten beperkingen tengevolge
van ziekte en gebrek.
Bij de Rgshg-voorzieningen is het begrip
beperkingen nader omlijnd,
in die zin dat bij de toekenning van woonvoorzieningen
uitsluitend
acht geslagen wordt op de ergonomische
beperkingen die een persoon
het normale gebruik van de woonruimte in
de weg staan. Wij menen
dat dat criterium in dat verband het
meest geëigend is en hebben dit
dan ook in de definitie van
woonvoorziening doen terugkomen. In deze
definitie hebben wij overigens, gelet op
het feit dat een woningaanpassing
waarvan de kosten hoger blijken te zijn
dan ƒ45 000,- een aangelegenheid
is die de zorgverzekeraars regardeert, deze financiële
grens
eveneens opgenomen.
In
het vijfde lid van dit artikel is een
delegatiebepaling opgenomen die de
mogelijkheid biedt de grens van ƒ45
000,- bij te stellen indien de prijsontwikkeling
van woonaanpassingen daartoe aanleiding
geeft. Indien daartoe
wordt overgegaan, gaat die wijziging in
per 1 januari van enig jaar;
dat is gedaan om begrotingstechnische redenen. De verwachting is
overigens
niet dat ieder jaar tot bijstelling
overgegaan behoeft te worden.
Artikel
2 [2]
Ingevolge
artikel 57, tweede lid, van de AAW kan de bedrijfsvereniging bepaalde
nader aangeduide personen,
al dan niet op hun verzoek, op grond van
die wet in aanmerking brengen
voor voorzieningen welke strekken tot
verbetering van de levensomstandigheden.
Doorgaans worden deze voorzieningen aangeduid
als leefvoorzieningen. Het betreft hier
- zo blijkt uit artikel 7 van
het Koninklijk besluit van 14 augustus
1976, Stb. 1976, 434 - voorzieningen
die verband houden met ziekte of gebrek
en betrekking hebben op
vervoer buitenshuis, vervoer
binnenshuis, wonen, algemene dagelijkse levensverrichtingen,
communicatie, het voeren van een
huishouding, herstel,
vervanging, onderhoud en reiniging van
kleding en beddegoed en ten
slotte ontspanning en ontwikkeling voor zover het gaat om
aanpassing
van middelen of specifieke middelen dan
wel wanneer het niet
verstrekken tot ernstige
bestaansverschraling of psychische decompensatie
zou leiden. Naast de woonvoorzieningen
die in het kader van de AAW
verstrekt worden, zijn teneinde de
gehandicapte in staat te stellen zelfstandig
te (blijven) wonen, vooral ook de
woonvoorzieningen die van de
zijde van het ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer
in het kader van de Rgshg verstrekt
worden van belang. In
tegenstelling tot
de AAW-voorzieningen zijn dit met name
bouwkundige en woontechnische
voorzieningen, die aard- en nagelvast
in of aan de woning worden bevestigd.
rblz.|52|
Zoals
reeds in het algemeen deel van de
toelichting is aangeduid, wordt
de verstrekking van al deze
voorzieningen ingrijpend gewijzigd. Een
deel wordt overgeheveld naar de AWBZ, een ander deel wordt
ondergebracht in de bijzondere bijstand
en weer een ander deel wordt gedecentraliseerd naar de
gemeenten.
Tot de voorzieningen die
gedecentraliseerd worden, behoren de AAW-voorzieningen die betrekking hebben
op het vervoer binnen of buitenshuis
en het wonen, alsmede de
Rgshg-woonvoorzieningen, voor zover
de met laatstgenoemde voorzieningen
gemoeide kosten een bedrag
van ƒ45 000,- niet te boven gaan.
Ingevolge
artikel 2 [2]
draagt het gemeentebestuur
zorg voor de verstrekking
van woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen,
teneinde te bewerkstelligen dat de in de
gemeente
woonachtige
gehandicapten met behulp van die
voorzieningen zo lang mogelijk
zelfstandig kunnen wonen en/of zich
binnen of buiten de woning kunnen verplaatsen. Welke voorzieningen
dat in concreto zouden moeten
zijn, wordt in dit artikel niet
vastgelegd. Wél is in artikel 4
[5] bepaald
dat het gemeentebestuur de zorg voor het
verstrekken van rolstoelen
en voorzieningen op het gebied van het
wonen en het vervoer buitenshuis
in een verordening dient te
concretiseren. Aldus is er gemeentelijke
beleidsvrijheid ten aanzien van de
omvang en de inhoud van
het lokale voorzieningenpakket en wordt
het gemeentebestuur in staat
gesteld om, gelet op de behoefte van de
individuele gehandicapte en
de lokale mogelijkheden, op een
flexibele, efficiënte wijze de beperkingen
die de gehandicapte bij het wonen en/of het zich binnen of buiten
de
woning verplaatsen ondervindt, weg te
nemen of te verminderen. De verplichting
tot een gemeentelijke verordening
waarborgt echter een duidelijke
invulling van het gemeentelijke
voorzieningenpakket.
De
begrippen woonvoorzieningen en
vervoersvoorzieningen omvatten een
breed scala van specifieke
voorzieningen. Zo wordt bijvoorbeeld in de
Rgshg
onder een woonvoorziening niet
alleen verstaan een financiële
tegemoetkoming aan de eigenaar van de
woning in de kosten van een
noodzakelijke bouwkundige- of woontechnische ingreep, maar ook
een
financiële tegemoetkoming aan de
gehandicapte in de kosten van een
noodzakelijke verhuizing naar en
inrichting van een andere woonruimte;
een financiële tegemoetkoming aan de
gehandicapte in de kosten
van tijdelijke huisvesting die door of
voor de gehandicapte worden
gemaakt in verband met het verrichten
van een bouwkundige- of woontechnische
ingreep in of aan de gewoonlijk door hem
bewoonde woonruimte;
een financiële tegemoetkoming aan de
verhuurder van de woning
in gederfde huurinkomsten indien in of
aan de woning een bouwkundige-
of woontechnische ingreep is verricht en
die woning niet binnen
een bepaalde periode nadat de
huurovereenkomst is beëindigd opnieuw
wordt verhuurd. Daarnaast bestaan er tal
van AAW-woonvoorzieningen,
die variëren van aangepast meubilair
tot rolstoelvast tapijt.
Zoals
hiervoor al is aangegeven, dient het
gemeentebestuur bij verordening
aan te duiden welke specifieke
woonvoorzieningen aan de gehandicapte
ingezetenen verstrekt kunnen worden om
de ergonomische beperkingen
die zij bij het normale gebruik van de
woning ondervinden ofwel
geheel weg te nemen, dan wel zoveel mogelijk te verminderen. Een
mogelijkheid
is dat het gemeentebestuur in de
verordening uitgaat van het ter zake in de
Rgshg en de AAW bestaande voorzieningenpakket en
de
bestaande verstrekkingenpraktijk. Een
andere mogelijkheid is dat het gemeentebestuur
(deels) andere, even toereikende, of
wellicht zelfs meer toereikende
voorzieningen beschikbaar stelt. Juist
voor dit laatste, de mogelijkheid
om op een andere, creatieve, nog meer op
het individu gerichte
wijze gehandicapten in staat te stellen
zelfstandig te (blijven) wonen,
willen wij uitdrukkelijk ruimte geven.
Uiteindelijk kan de rblz.|53|
gemeente
op lokaal niveau het beste bezien hoe
met de inzet van en het efficiënt
omgaan met de lokale middelen de
gehandicapte, gelet op zijn specifieke
individuele omstandigheden, adequaat
geholpen kan worden.
Het
vorenstaande geldt mutatis mutandis ook
voor de voorzieningen met
betrekking tot het zich binnen of buiten
de woning verplaatsen. Ook op
dit terrein kan het gemeentebestuur
besluiten om het thans bestaande
AAW-verstrekkingenpakket (zoals
rolstoelen, motorinvalidenwagens,
aangepaste auto's, financiële tegemoetkomingen voor het
gebruik
van voertuigen) in de verordening over
te nemen, dan wel geheel of
gedeeltelijk andere verstrekkingen
daarin op te nemen die op minstens
even adequate wijze de beperkingen van
de gehandicapte bij het
verplaatsen binnen of buiten de woning
wegnemen of verminderen. Zo
is het alleszins voorstelbaar dat er in
die gemeenten waar een goedkoop
en goed functionerend lokaal
(gehandicapten-/ouderen)vervoerssysteem
bestaat of alsnog (in het kader van de
uitvoering van deze wet) ontwikkeld wordt, er minder
behoefte zal bestaan om een uitgebreid
financieel tegemoetkomingenstelsel te
ontwikkelen. Feit is in ieder geval dat gemeenten - in tegenstelling
tot de organen die de AAW en
daaraan analoge regelingen uitvoeren -
op dit terrein veel meer mogelijkheden
hebben om in plaats van financiële
tegemoetkomingen andere
voorzieningen (bijvoorbeeld een "belbus") aan te bieden.
Artikel
3 [4]
Uit
dit artikel vloeit impliciet voort dat
de in artikel 2
[2] verwoorde zorgplicht
beperkt is tot Nederlanders en legaal in
Nederland verblijvende
vreemdelingen, te weten vreemdelingen
die beschikken over óf een
zogenaamde afhankelijke verblijfstitel
(verblijfsrecht artikel 10, tweede
lid van de Vreemdelingenwet), óf een
toelating als vluchteling, óf een
vestigingsvergunning, óf een
verblijfsvergunning. Buitenlandse toeristen,
vreemdelingen op zaken- of
familiebezoek, kortom vreemdelingen
die niet het oogmerk hebben zich in
Nederland te vestigen, alsmede
illegale en gedoogde vreemdelingen, zijn
van woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen uitgesloten.
Gelet
op de specifieke verblijfsrechtelijke
positie van laatstgenoemde vreemdelingen
(kortstondig verblijf/onrechtmatig
verblijf/verblijf in afwachting
van de uitkomst van de toelatings-
c.q. uitzettingsprocedure) achten
wij het niet juist dat gemeenten ook
voor deze vreemdelingen speciaal
aangepaste voorzieningen treffen.
Dit
zou in een groot aantal gevallen tot
kapitaalvernietiging leiden, aangezien
de vreemdeling waarvoor de voorziening
wordt getroffen (bijvoorbeeld
de aanpassing van een woning en/of een
voertuig) veelal Nederland
na een relatief korte periode zal hebben
(moeten) verlaten.
Artikel
4 [5]
In
het verlengde van de in artikel
2 [2],
eerste lid, vervatte zorgplicht, bevat
het eerste lid van dit artikel de
verplichting voor het gemeentebestuur
om de wijze waarop invulling wordt
gegeven aan die zorgplicht in een
verordening te regelen. Hoewel dit
artikellid zich primair richt tot het gemeentebestuur,
is dit artikellid vooral ook van betekenis voor de
gehandicapte.
Het strekt er namelijk toe om ook de
gehandicapte duidelijkheid
te verschaffen over vragen als: wanneer
kan ik voor een bepaalde voorziening
in aanmerking komen?; wat moet ik doen
om een voorziening te
verkrijgen?; welke voorziening mag ik
gelet op mijn situatie verwachten?;
kan een aan mij verleende voorziening
mij weer afgenomen worden,
en zo ja, op welke gronden? Teneinde die
duidelijkheid zoveel mogelijk
te bevorderen, geeft het tweede lid van
dit artikel een aantal rblz.|54|
onderwerpen
aan die in ieder geval in de verordening
geregeld dienen te worden.
Op
grond van dit tweede lid dient de gemeente
ook het advies van een deskundige
op sociaal-medisch, ergonomisch dan wel
bouwkundig gebied
in te winnen wanneer dat voor de
beoordeling van de aanspraak op
een voorziening noodzakelijk is. Wanneer
daartoe aanleiding bestaat, zal
de deskundige niet alleen geconsulteerd
dienen te worden bij de toekenning
van een voorziening, maar ook in geval
van herziening, beëindiging
of terugvordering van een voorziening.
Daarnaast
kunnen in de verordening regels gesteld
worden met betrekking
tot andere, niet aangeduide onderwerpen
die naar het oordeel
van het gemeentebestuur tevens van
belang zijn voor de verlening
van woonvoorzieningen en
vervoersvoorzieningen. De VNG
zal in overleg
met ons een modelverordening
opstellen. Verwacht wordt dat een groot
aantal gemeenten
deze modelverordening ongewijzigd zal
overnemen.
In
het derde lid van dit artikel is de
bevoegdheid opgenomen om de hoogte
van financiële tegemoetkomingen af te
stemmen op het inkomen van
de gehandicapte en zijn partner, c.q. op
het inkomen van de (pleeg)ouders
van de gehandicapte indien hij jonger
is dan 18 jaar. Aldus
kan een beroep worden gedaan op hun verantwoordelijkheid ook
zelf
in de kosten van een voorziening bij te
dragen. Dit kan bereikt worden
door te bepalen dat een bepaald gedeelte
van de met de voorziening
gemoeide kosten altijd voor rekening van
betrokkenen blijft (bijvoorbeeld
de eerste ƒ100,-) en/of door te bepalen
dat naarmate het inkomen
hoger is, de financiële tegemoetkoming
geleidelijk minder wordt.
Terzijde zij er in dit verband op
gewezen dat indien het gemeentebestuur
besluit om voor bepaalde voorzieningen een forfaitair bedrag
vast
te stellen (bijvoorbeeld voor het
gebruik van de eigen auto of een taxi),
dat op zich niet als een
inkomensafhankelijke financiële tegemoetkoming
is aan te merken. Hiervan is slechts dan
sprake indien het gemeentebestuur
voor verschillende inkomensgroepen
verschillende forfaitaire
bedragen vaststelt.
De
middelen die aan het gemeentefonds
zullen worden toegevoegd, zijn
voor de gemeenten in algemene zin
toereikend om het voorzieningenpeil
te handhaven. Op het individuele
gemeentelijke niveau kan een zeker
verschil bestaan tussen de middelen die
via het gemeentefonds beschikbaar
komen en het gemeentelijke uitgavenniveau. Dat is inherent
aan
de decentralisatie. Met het oog op het
lokale beroep op voorzieningen
of het creëren van meer financiële
armslag voor nieuwe lokale vormen
van voorzieningenverstrekking kan het
wenselijk zijn de hoogte van
de financiële tegemoetkomingen in
zekere zin afhankelijk van het inkomen
te maken. Met de in het onderhavige lid
opgenomen bevoegdheid
wordt de gemeente een instrument geboden
om tot een rechtvaardige
verdeling te komen van de financiële
middelen. Uitgangspunt
hierbij dient uiteraard te zijn dat de
voorzieningen voor alle gehandicapten
in de gemeente altijd bereikbaar en
betaalbaar moeten zijn.
Zou dit laatste niet meer het geval
zijn, dan zou de gemeente immers
niet aan de in artikel 2
[2] vervatte
zorgplicht voldoen.
Woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen
zullen doorgaans
direct aan de gehandicapte worden
verleend. Het vierde lid maakt
hierop ten aanzien van bepaalde
woonvoorzieningen, te weten die voorzieningen
die bestaan uit een bouwkundige- of
woontechnische ingrepen
in of aan de woonruimte (verbouwingen),
een uitzondering in die
zin dat een financiële tegemoetkoming
voor een dergelijke ingreep rblz.|55|
slechts
aan de eigenaar van de woonruimte kan
worden verleend. De onderhavige bepaling hangt samen met
artikel
15 [17], de
doorberekening van
het niet-gesubsidieerde deel van de
kosten van woningaanpassing in de
huur, en in het verlengde daarvan in de
individuele huursubsidie. Volledigheidshalve
zij erop gewezen dat in dit artikellid
geen melding wordt
gemaakt van de verhuurder, maar van de
eigenaar van de woonruimte.
Dit impliceert dat ingeval de
gehandicapte eigenaar/bewoner
van de woonruimte is, de hier bedoelde
tegemoetkoming
aan de gehandicapte wordt verleend.
Artikel
5 [6]
De
bevoegdheid van het gemeentebestuur om
bij verordening te bepalen
dat de gehandicapte een eigen bijdrage
is verschuldigd, voor zover
de aan hem verleende voorziening niet
bestaat uit een financiële tegemoetkoming,
is een logisch pendant van het bepaalde
in artikel
4 [5], tweede
lid, onderdeel b, ingevolge welke de gemeente
bij verordening de hoogte
van de financiële tegemoetkomingen
regelt.
Het
betreft hier al die voorzieningen
waarbij een eigen bijdrage niet in de
verstrekking zelve geïncorporeerd kan
worden, de zogenaamde
naturaverstrekkingen.
Onder deze naturaverstrekkingen vallen
niet alleen
de goederen en diensten die direct aan
de gehandicapte worden toegekend
(bijvoorbeeld de motorinvalidenwagen of
het beschikbaar stellen
van gehandicaptenvervoer door middel
van een
speciale lokale busdienst), maar
ook de goederen en diensten die hem
indirect worden toegekend (bijvoorbeeld
woningaanpassing waarbij de financiële
tegemoetkoming aan
de verhuurder is verstrekt). Het artikel
sluit uit dat er van de gehandicapte
een eigen bijdrage wordt gevorderd
indien hijzelf een financiële tegemoetkoming
heeft verkregen. In dat geval zou de
eigen bijdrage een verlaging
van de financiële tegemoetkoming
inhouden en ligt het veeleer in
de rede om van meet af aan de
financiële tegemoetkoming dienovereenkomstig
te verlagen. Evenals zulks het geval is bij de financiële
tegemoetkomingen,
kan de eigen bijdrage worden afgestemd
op het gezamenlijk
inkomen van de gehandicapte en zijn
partner, dan wel indien de gehandicapte jonger is dan 18 jaar, het
gezamenlijk inkomen van zijn
(pleeg)ouders.
De
bevoegdheid van gemeentebesturen om te
bepalen dat de gehandicapte
een bepaalde eigen bijdrage verschuldigd
is, wordt door het derde
lid beperkt, in die zin dat de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
bij ministerieel besluit voor de lagere
inkomensgroepen de
hoogte van de eigen bijdragen zal
maximeren. Hij doet dit na overleg met
de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
gelet op diens directe betrokkenheid bij
deze wet. De onderhavige bepaling vloeit voort uit het feit dat
een door een lagere overheid nader
in te vullen eigenbijdragensysteem een
ongewenste doorkruising van
het door de centrale overheid
voorgestane inkomensbeleid, met name
het minimabeleid, kan inhouden.
Vooralsnog zal de maximale eigen bijdrage
voor de lagere inkomens vastgesteld worden op
ƒ500,- per gezin per
jaar.
Artikelen
6 [7] en
7
[9]
Deze
artikelen komen qua strekking overeen
met respectievelijk de artikelen
14 en 57 van de AAW.
Artikel
8 [10]
Artikel
14 [16]
van dit wetsvoorstel bevat een
wijziging van artikel 50j, tweede
lid, van de Organisatiewet Sociale
Verzekering om een basis te rblz.|56|
scheppen
voor de overdracht van gegevens door de
huidige uitvoeringsinstanties
aan de toekomstige, de gemeenten. Omdat
de Organisatiewet Sociale
Verzekering echter niet geldt ten
aanzien van ABP
en Spf, noch ten aanzien van de Minister
van Defensie, is een afzonderlijke
wettelijke grondslag vereist voor
het aan die instanties opleggen van de
verplichting tot gegevensverstrekking
aan de gemeenten. Artikel 8
[10] bevat die
grondslag.
Artikel
9 [11]
Tegen
beslissingen tot toekenning, weigering
of intrekking van een in artikel
2 [2] bedoelde
voorziening kan belanghebbende
beroep aantekenen bij
de raad van beroep (ingevolge de Wet van
3 juni 1992, Stb. 1992, 278, treden
vanaf 1 juli 1992 de administratieve
kamers van de rechtbanken in
de plaats van de raden van beroep) en in
het verlengde daarvan de Centrale
Raad van Beroep. Gelet op het feit dat
de AAW
(werkvoorzieningen)
en de AWBZ (zorgvoorzieningen) ook deze
beroepsinstantie aanwijzen,
wordt hiermede de situatie gecreëerd
dat over voorzieningen voor
gehandicapten, in de brede zin des
woords, zoveel mogelijk door één
en dezelfde instantie geoordeeld wordt.
Zowel vanuit een oogmerk van
overzichtelijkheid voor de burger als
vanuit een oogmerk van
kennisconcentratie
achten wij dit de meest verkieslijke situatie. Voor wat de
AAW-voorzieningen
betreft, betekent dit overigens een
voortzetting van de
huidige praktijk. Met betrekking tot de
Rgshg-woonvoorzieningen, waarbij
over het ter zake ingesteld beroep in
laatste instantie geoordeeld wordt
door de Afdeling rechtspraak van de Raad
van State, leidt voormelde
keuze tot een wijziging van de bestaande
beroepsinstantie.
Artikel
10 [12]
In
het algemeen gedeelte van de toelichting
is reeds uitvoerig ingegaan
op de wenselijkheid om de verstrekking
van voorzieningen op grond
van artikel 57, tweede lid, van de AAW,
alsmede de verstrekking van
de genees- en heelkundige voorziening
op grond van het eerste lid van
dat artikel, te beëindigen en die
verstrekking over te hevelen naar meer
geëigende beleidskaders. Kortheidshalve
wordt op deze plaats volstaan
met een verwijzing naar het aldaar ter
zake vermelde. Als gevolg van
deze wijziging van de AAW
zullen ook het
Koninklijk besluit van 14
augustus 1976, Stb. 1976, 434, en de
ministeriële besluiten die geheel of
gedeeltelijk
betrekking hebben op deze voorzieningen
komen te vervallen,
dan wel dienovereenkomstig worden
aangepast. Terzijde zij in dit
verband opgemerkt dat het zogenaamde
AAW-schoolvervoer wordt beschouwd
als een werkvoorziening, zijnde immers
een voorziening gericht
op het verkrijgen van een arbeidsplaats.
Het AAW-schoolvervoer blijft
derhalve buiten de decentralisatie naar
de gemeenten.
Artikelen
11 [13],
12
[14] en 13
[15]
De beëindiging van de verstrekking van
bepaalde voorzieningen op grond
van de AAW
is direct van invloed op de
voorzieningenverstrekking op
grond van de Algemene burgerlijke
pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet
en de Algemene militaire pensioenwet,
aangezien deze wetten op
dit terrein onlosmakelijk verbonden zijn
met (de uitvoering van) de AAW.
Het
overheidspersoneel is in de AAW
uitgezonderd van de voorzieningen
(artikel 57, vijfde lid).
Ambtenaren/deelgenoten hebben aanspraak
op voorzieningen krachtens afzonderlijke
ambtelijke regelingen.
Artikel P 9 van de Algemene burgerlijke
pensioenwet en artikel
P 8 van de Spoorwegpensioenwet regelen
de verstrekking van werk-,
genees- en heelkundige voorzieningen
en leefvoorzieningen voor rblz.|57|
ambtenaren/deelgenoten
en het nieuwe artikel X 5 van de Algemene
militaire
pensioenwet regelt hetzelfde voor
militairen.
Op
basis van artikel P 9, derde lid, van de
Algemene burgerlijke pensioenwet
en artikel P 8, derde lid, van de
Spoorwegpensioenwet is een
algemene maatregel van bestuur
getroffen, het Besluit beperking voorzieningen
Algemene burgerlijke pensioenwet en
Spoorwegpensioenwet (Stb. 1979, 529). Krachtens artikel 9 van
dat besluit voeren het ABP
en het Spf rechtstreeks de door de
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
krachtens artikel 57 van de AAW
gestelde
regels uit. De
met die uitvoering gemoeide kosten
worden in het kader van de fictieve
uitvoering van de AAW
gedeclareerd bij
het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Artikel
10 van dat besluit geeft de Minister van
Binnenlandse Zaken de bevoegdheid,
na overleg met de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
nadere en zo nodig afwijkende regelen te
treffen, welke eveneens
door het ABP en het Spf worden
uitgevoerd. Deze regelen kunnen
rechten op aanvullende voorzieningen in
het leven roepen. De kosten
van die aanvullende voorzieningen komen
ten laste van de
overheidspensioenlichamen.
De aanvullingsbevoegdheid houdt verband met
het feit dat de Minister van
Binnenlandse Zaken in dit geval optreedt
als "werkgever" van het
overheidspersoneel. Marktconformiteit
staat hierbij
voorop: de overheidswerkgevers moeten de
mogelijkheid hebben om
dezelfde of gelijksoortige
arbeidsvoorwaardelijke maatregelen te treffen
als in de marktsector, i.c. maatregelen
op het terrein van de gehandicaptenvoorzieningen.
Het kan vanuit arbeidsvoorwaarden- en personeelsbeleid
gewenst zijn dat een werkgever (ongeacht
de sector) in incidentele
gevallen voorzieningen (i.c. voor
gehandicapte werknemers) kan
treffen die bovenwettelijk zijn. De
werkgevers in de marktsector hebben
die bevoegdheid in het kader van de
CAO-afspraken, bij de overheid
dient deze bevoegdheid formeel geregeld
te worden.
De
artikelen 11 [13]
en 12
[14] van dit wetsvoorstel
bevatten de noodzakelijke wijzigingen
van de Algemene burgerlijke pensioenwet
en de Spoorwegpensioenwet
ter handhaving van de bevoegdheid van de
Minister van Binnenlandse
Zaken tot het stellen van regels waaraan
ambtenaren aanspraken
op aanvullende voorzieningen onder het
nieuwe stelsel kunnen
ontlenen. Die aanvullingsbevoegdheid zou
anders komen te vervallen;
de in artikel 10 van het Besluit
beperking voorzieningen Algemene
burgerlijke pensioenwet en
Spoorwegpensioenwet geregelde aanvullingsbevoegdheid
zou namelijk uitsluitend op de
werkvoorzieningen
(artikel P 9, eerste lid, Algemene burgerlijke pensioenwet en
artikel
P 8, eerste lid, Spoorwegpensioenwet)
van toepassing zijn. Het is thans
nog niet mogelijk om aan te geven of, en
zo ja, op welke wijze van de
aanvullingsbevoegdheid gebruik zal
worden gemaakt. Daarvoor zullen -
zoals hierboven reeds tot uitdrukking is
gebracht - de ontwikkelingen in de marktsector op het terrein van de
CAO-onderhandelingen mede bepalend
kunnen zijn. Voorts zijn ook de
(ontwikkelingen in de) gemeentelijke
invulling en uitvoering van het
voorzieningenpakket van belang. Daarover
kunnen thans geen uitspraken worden
gedaan.
In
de marktsector wordt over eventuele
aanvulling op de gemeentelijke pakketten
beslist in het kader van de
CAO-onderhandelingen. Beslissingen
over het al dan niet, en zo ja, op welke
wijze gebruikmaken van de
aanvullingsbevoegdheid ten aanzien van
ambtenaren zullen worden genomen
bij gelegenheid van de arbeidsvoorwaardenvorming in het
georganiseerd
overleg tussen de Minister van
Binnenlandse Zaken en de centrales
van overheidspersoneel.
rblz.|58|
De
uitvoering van de aanvullende
voorzieningen zal plaatsvinden door het
ABP en het Spf, zoals dat ook thans het
geval is. De regels van de Minister
van Binnenlandse Zaken op grond van het
nieuwe tweede lid van artikel
P 9 van de Algemeen burgerlijke
pensioenwet en P 8 van de Spoorwegpensioenwet
zullen tevens voorschriften ter zake van
de uitvoering
van het aanvullende voorzieningenpakket
kunnen bevatten.
Indien
in het kader van het
arbeidsvoorwaardenoverleg afspraken worden
gemaakt over het treffen van aanvullende
voorzieningen voor ambtenaren,
dan zullen de daarmee gemoeide kosten
ten laste van de ruimte
voor (verbetering van) de
arbeidsvoorwaarden van ambtenaren komen.
Ingevolge
artikel 7 [9]
zijn door de gemeente
verstrekte voorzieningen niet vatbaar
voor beslag Dit artikel is ontleend aan
artikel 57 AAW. De door het
ABP of het Spf verstrekte aanvullende
voorzieningen dienen evenmin vatbaar
te zijn voor beslag. Indien ingevolge de
in artikel P 9, tweede lid, Algemeen
burgerlijke pensioenwet of P 8, tweede
lid, Spoorwegpensioenwet
bedoelde regelen van de Minister van
Binnenlandse Zaken door het ABP en het Spf een aanvullende
voorziening is verleend waarop vervolgens
beslag is gelegd, zouden zij verplicht
zijn die voorziening te vervangen
door zo'n zelfde voorziening. Het recht
op die voorziening gaat
als zodanig immers door het beslag niet
verloren.
Het
bovenstaande geldt mutatis mutandis voor
het behoud van de mogelijkheid
van aanvullende rechten op zorg- en
genees- en heelkundige
voorzieningen krachtens de AWBZ
en het
gebruik dat daarvan
zou kunnen worden gemaakt, na wijziging
van artikel P 9, eerste lid,
Algemene burgerlijke pensioenwet en
artikel P 8, eerste lid, spoorwegpensioenwet,
dan wel artikel X 5, eerste en tweede
lid, Algemene militaire
pensioenwet.
Tot
slot zij nog opgemerkt dat één en ander
van overeenkomstige toepassing
is voor artikel
13 [15], met dien verstande
dat van de aanvullingsbevoegdheid
gebruik zal worden gemaakt ter
continuering van het aansprakenniveau
dat nodig is in verband met de risico's
die voortvloeien uit
de specifieke militaire
beroepsuitoefening. Zoals in de
Defensienota 1991,
hoofdstuk VIII, onder punt 13, is
vermeld, wordt in het kader
van het heroverwegingsonderzoek naar de
aanspraken van postaktieve
militairen en burgerambtenaren nagegaan
of de verschillen die voortvloeien
uit die bijzonder aanspraken van
militairen moeten worden weggenomen,
en zo ja, hoe.
Artikel
14 [16]
Door
wijziging van artikel 50j, tweede lid,
van de Organisatiewet Sociale
Verzekering is de bevoegdheid, c.q. de
verplichting, geregeld voor (onder
meer) de bedrijfsverenigingen en de GMD
om de bij die lichamen berustende
gegevens te verstrekken aan gemeenten,
voor zover dit van belang
is voor de uitvoering van de Wet voorzieningen
gehandicapten.
De
gegevensverstrekking van de
bedrijfsverenigingen en de GMD aan de
ziekenfondsen, voor zover deze van
belang is voor een goede uitvoering
van de AWBZ, is reeds geregeld in
artikel 50j, vierde lid, van de
Organisatiewet Sociale Verzekering.
Artikel
15 [17]
en 16
[18]
In
de gevallen dat ten behoeve van een
gehandicapte huurder in diens woning
ingrepen worden verricht als bedoeld in
artikel 4 [5], vierde lid, van de
Wet voorzieningen gehandicapten zal
veelal de verhuurder in tegenstelling
tot de huidige situatie maar een deel
van de kosten van die ingrepen
door de gemeente
vergoed krijgen. Het andere deel van de
kosten
zal hij dan door middel van een
verhoging van de huurprijs aan de rblz.|59|
huurder
moeten kunnen doorberekenen. Met de
onderhavige wijziging van artikel 10, eerste lid, van de
Huurprijzenwet woonruimte (Hpw) wordt voor
de huurder de mogelijkheid geopend om
een bepaalde huurverhoging
die tussen hem en de verhuurder voordat
de ingrepen werden verricht,
is afgesproken, ter toetsing aan de
huurcommissie voor te leggen.
Ingevolge
artikel 10, tweede lid, zal de huurder
de huurcommissie kunnen
verzoeken een met redenen omkleed advies
uit te brengen over de
vraag welke de betalingsverplichting van
de huurder is met betrekking tot
de verhoogde huurprijs. De huurcommissie
zal bij haar beoordeling, gelet
op het bepaalde in het gewijzigde eerste
lid van artikel 10, toetsen of
de huurverhoging in redelijke verhouding
staat tot de door de verhuurder
aan de ingrepen bestede kosten. Daarbij
zal - zo mag worden aangenomen
- de huurcommissie acht slaan op de
annuïteit over de door de
verhuurder gemaakte kosten; dat zijn de
totale investeringskosten, verminderd met de financiële tegemoetkoming die de
gemeente op voet van
de Wet voorzieningen gehandicapten aan
de verhuurder heeft verleend
alsmede op de met de ingrepen verband
houdende extra exploitatiekosten.
Is
de huurder of verhuurder het oneens met
het advies van de huurcommissie,
dan kan hij zich tot de kantonrechter
wenden met het verzoek
te verklaren welk bedrag aan huurprijs
na de ingrepen verschuldigd
is (artikel 14, eerste lid, van de Hpw)
Met
betrekking tot het doorberekenen van een
deel van de kosten van de
hier aan de orde zijnde ingrepen in de
huur zijn geen andere wijzigingen
van de Hpw noodzakelijk. De huidige wet
volstaat verder. De huurder
die een reeds aangepaste woning betrekt,
kan ingevolge artikel 17,
eerste lid, de huurcommissie verzoeken uitspraak te doen over de
redelijkheid
van de overeengekomen huurprijs. Bij die
beoordeling, maar ook
bij het geven van een oordeel over een
huurverhoging in het kader van
een procedure ex artikel 10 en bij de
gebruikelijke jaarlijkse huuraanpassing,
slaat de huurcommissie acht op de
krachtens artikel 15, eerste lid,
van de Hpw in het Besluit
huurprijzen woonruimte (Bhpw) gegeven regels
inzake de beoordeling van de
redelijkheid van huurprijzen. Na inwerkingtreding
van het wetsvoorstel tot wijziging van
de Hpw in verband
met huurprijsliberalisatie bij duurdere
woningen zal het vorenstaande
alleen nog gelden bij bestaande
huurcontracten en bij nieuwe huurcontracten
met een huurprijs onder de maximumhuurgrens
IHS. Bedoelde
regels geven onder meer aan wat de
maximaal redelijke huurprijs
is (bijlagen III en VI van het Bhpw). De
maximaal redelijke huurprijs
is kort samengevat het aantal
kwaliteitspunten dat aan de woonruimte
door de huurcommissie wordt toegekend, vermenigvuldigd
met
een bepaald bedrag. De toekenning van
punten vindt plaats volgens het
in het Bhpw neergelegde
woningwaarderingsstelsel (bijlagen I en
II van
het Bhpw). Het voornemen bestaat om het
woningwaarderingsstelsel zodanig
aan te passen dat bij de waardering ook
punten worden gegeven
voor in of aan de woonruimte verrichte
ingrepen in de kosten waarvan
door de gemeente op voet van de Wet
voorzieningen gehandicapten
een financiële tegemoetkoming is
verleend. Het aantal toe te kennen
punten zal afhangen van de hoogte van
het deel van de investeringskosten
dat de verhuurder zelf moet dragen.
Aldus wordt bewerkstelligd dat de verhuurder binnen zekere grenzen
de huurprijs van een woning
die is aangepast daadwerkelijk kan
verhogen en tevens dat het percentage
van de jaarlijkse huuraanpassing niet
wordt beïnvloed door de tengevolge van de ingrepen hogere
huurprijs. Op deze wijze wordt voorkomen
dat voor de verhuurder die bedoelde ingrepen ten behoeve
van
een gehandicapte verricht risico's
ontstaan in de sfeer van een huurprijs
die niet de exploitatiekosten dekt.
rblz.|60|
De
wijziging in artikel 10a van de Hpw en artikel 3,
eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de
huurcommissies houden verband met
de in dit wetsvoorstel geregelde
bevoegdheid van de gemeente om de
verhuurder aan te schrijven een ingreep
in of aan de woning te verrichten.
Artikel
17 [19]
De
voorgestelde wijzigingen van de Woningwet
strekken ertoe de gemeente
een instrument te verschaffen om in het
uiterste geval de verhuurder
van een woning ertoe te dwingen de
woning aan te passen ten
behoeve van de gehandicapte bewoner
daarvan. Bij de regeling van dit
instrument, te weten de bevoegdheid om
de verhuurder aan te schrijven
om aan de woning de nodige ingrepen te
verrichten, is aangesloten
bij de in de Woningwet reeds geregelde
figuur van de aanschrijving
tot woningverbetering.
In
het tweede lid van het voorgestelde
artikel 15a van de Woningwet, waarin
het beginsel van de verplichting tot het
verrichten van ingrepen ten
behoeve van de gehandicapte is
neergelegd, is bewust niet aangegeven
door wie of op grond van welke regeling
de geldelijke steun moet worden
aangeboden. Bij ingrepen die ten hoogste
ƒ45 000,- kosten, zal dit
de gemeente zelf zijn en bij duurdere
ingrepen de AWBZ-verzekeraar. Van
het aanbod van de verzekeraar zal de
gemeente zich moeten overtuigen
alvorens de aanschrijving uit te
vaardigen.
Opgemerkt
zij nog dat in het vast te stellen
Besluit sociale huursector een
regeling zal worden opgenomen met
betrekking tot de rol van de sociale
verhuurders inzake het in voldoende mate
voorzien in voor gehandicapten
aangepaste woningen.
Artikel
18 [20]
Ingevolge
het bepaalde bij en krachtens de huidige
tekst van artikel 7 van
de AWBZ prevaleren de aanspraken op
genees- en heelkundige voorzieningen
van militairen, gewezen militairen en
hun gezinsleden jegens
de Minister van Defensie boven die uit
de AWBZ. Het volledig handhaven
van dat primaat zou niet stroken met artikel
13 [15]
van deze wet, in
het bijzonder voor wat betreft het
nieuwe derde lid van artikel X 5 van de
Algemene militaire pensioenwet, dat de
mogelijkheid kent van het stellen
van ten opzichte van de AWBZ aanvullende
of afwijkende regels. De
tekst van artikel 7 van de
AWBZ is
aangepast opdat het oorspronkelijke
regime alleen voor genees- en
heelkundige voorzieningen voor militairen
in werkelijke dienst en hun gezinsleden
blijft gelden.
Artikel
19 [22]
De
onderhavige wet voegt aan de vele taken
die gemeenten op diverse terreinen
reeds hebben, andere, deels daarmede
samenhangende taken toe.
Weliswaar hebben gemeenten ervaring met
de verstrekking van woonvoorzieningen
op grond van de Rgshg, de verstrekking
van AAW-woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen is
een geheel
nieuwe uitvoeringstaak. Nieuw is met
name ook de financiële verantwoordelijkheid
en de beleidsverantwoordelijkheid die de
gemeente ter zake draagt.
Gelet
hierop, daarbij in aanmerking nemende de
maatschappelijke en individuele
belangen die bij de overdracht van taken
op dit beleidsterrein in
het geding zijn, is naar onze mening
deze overdracht niet zonder meer afgerond
op het moment dat die overdracht
feitelijk is geëffectueerd. De bij
die overdracht te betrachten zorgvuldigheid brengt met zich mee dat
ook
nadien wordt bezien of in de praktijk
datgene wat de
wet beoogt ook wordt
bereikt.
rblz.|61|
Het
onderhavige artikel strekt ertoe de aan
de gemeenten overgedragen
taken op het gebied van de verstrekking
van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen
en rolstoelen te evalueren. Voorzien is
in een tweetal
evaluatiemomenten, te weten binnen drie
jaar na inwerkingtreding
van de wet en vervolgens binnen drie
jaar later. Wij zijn voornemens
de eerste evaluatie circa twee jaar na
inwerkingtreding van de
wet te doen plaatsvinden. Voorondersteld
mag immers worden dat na het
verstrijken van een dergelijke termijn
(de overgangsperiode) eventuele
aanloopproblemen tot het verleden
behoren. Voor zover er daarna
nog problemen zullen bestaan, zouden die
wellicht meer structureel
van aard zijn en derhalve mogelijk ook
aanleiding kunnen zijn tot eventuele
(wettelijke) bijstellingen. De tweede
evaluatie dient ons inziens, gelet op het feit dat het overgangsrecht
- afgezien van de AAW-bruikleengoederen
- na twee jaar expireert, te worden
gehouden als
de structurele inbedding in het gemeentelijk beleid na de overgangsperiode
ten minste twee jaar heeft gewerkt, dus
in het vijfde jaar na inwerkingtreding
van de wet.
De
evaluatie heeft betrekking op het beleid
en de regelgeving voor de verstrekking
van woonvoorzieningen,
vervoersvoorzieningen en rolstoelen in
de meest ruime zin. Zowel de mate van
realisatie van de beoogde doelstellingen,
de inkomenseffecten, de financiering, de
uitvoerbaarheid, de
handhaafbaarheid, de afstemming op
andere regelingen, de eenvoud, duidelijkheid
en toegankelijkheid, enz., zullen in het
evaluatieonderzoek worden
betrokken. Over de vraag of in het kader
van het onderzoek op bepaalde
aspecten bijzondere nadruk zal (moeten)
worden gelegd, zal alsdan
nader overleg worden gevoerd met de VNG.
Afhankelijk van de uitkomsten
van dat overleg zal dan tevens worden
bepaald welke vorm van
onderzoek het meest geëigend is.
Het
tweede lid van dit artikel verplicht
gemeenten hun medewerking aan
vorenbedoelde evaluatie te verlenen en
de in de gemeentelijke administratie ter
zake opgenomen gegevens desgevraagd
te verstrekken. Terzijde
zij in dit verband opgemerkt dat niet
expliciet is bepaald dat de opgaven
en inlichtingen die gemeenten ten behoeve van de evaluatie
dienen
te verstrekken, vanuit een oogmerk van
bescherming van de persoonlijke
levenssfeer van degenen die een
voorziening van de gemeente
hebben verkregen, niet herleidbaar mogen
zijn naar individuele personen.
Gelet op het doel van deze
gegevensverstrekking is het evident
dat de door de gemeenten te verstrekken
gegevens geanonimiseerd
dienen te zijn.
Artikel
20 [23]
Uit
het advies van de GMD blijkt dat de
overdracht van bruikleenvoorzieningen
aanmerkelijk problematischer is dan de
overdracht van voorzieningen
die niet in bruikleen zijn verleend. Wij
delen deze zienswijze. Zo zou
alleen al de overdracht van het ter zake
benodigde beheersapparaat een
zeer grote inspanning vergen van zowel
de overdragende als de ontvangende
instantie. Volledige overdracht van
bruikleenvoorzieningen impliceert
tevens dat inbreuk zou moeten worden
gemaakt op vele lopende overeenkomsten. In dit verband dient
niet alleen gedacht te worden
aan de overeenkomsten tussen de
uitvoeringsorganisatie en de gehandicapten
die een hulpmiddel in bruikleen hebben
verkregen, maar ook
aan de overeenkomsten tussen enerzijds
de uitvoeringsorganisatie en
anderzijds leveranciers van
hulpmiddelen, onderhoudsinstellingen, enz.
Dit
in aanmerking nemende, hebben wij er de
voorkeur aan gegeven om
het bestaande regime voor de op het
moment van invoering van deze wet
bestaande bruikleenovereenkomsten te
continueren voor de nog resterende
looptijd van die overeenkomsten, dan wel
indien de rblz.|62|
gebruiksduur
van een hulpmiddel korter is dan de overeengekomen
bruikleen,
tot het einde van die gebruiksduur.
Bij
de beslissing om het bestaande
bruikleenregime te continueren, hebben
wij tevens in ogenschouw genomen dat het
alleszins voorstelbaar
is dat de nieuwe uitvoeringsorganisaties
(met name de gemeenten)
ook in de toekomst voor de door hen te
verstrekken bruikleenmiddelen
gebruik willen blijven maken van de
diensten van de GAK/GMD-organisatie
en de overheidspensioenorganen, in
plaats van zelf
een beheersapparaat op te richten.
Zoals
uit het tweede lid van dit artikel
blijkt, lopen na invoering van deze wet
niet alleen de
bruikleenovereenkomsten door, maar ook
de toegekende
periodieke vergoedingen van het ABP voor
de aanschaf en het
onderhoud van een vervoermiddel. In
tegenstelling tot andere hulpmiddelen
verstrekt het ABP geen vervoermiddelen in bruikleen. Het
ABP
verstrekt maandelijks aan betrokkene een
bepaalde financiële vergoeding
voor de kosten van aanschaf en onderhoud
van een vervoermiddel
(de zogenaamde vaste kosten) en de
kosten van het gebruik (de zogenaamde
variabele kosten). De vergoeding van de
vaste kosten wordt (nagenoeg)
in dezelfde omstandigheden en onder
dezelfde voorwaarden verleend
als waarin en waaronder andere
uitvoeringsinstanties een bruikleenauto
verlenen. Het ABP verschilt in deze van
die andere uitvoeringsinstanties
door het "beheer" van de
vervoermiddelen aan betrokkenen
zelf over te laten en hen daarvoor in
financiële zin tegemoet te komen.
Gelet
op het specifieke karakter van deze
vaste vergoedingen hebben wij
gemeend deze vergoedingen op dezelfde
wijze te moeten behandelen als
de bruikleenovereenkomsten.
Aldus
wordt vermeden dat betrokkene na
invoering van de
wet zijn vaste
vergoeding zou kunnen verliezen en in
wezen de dupe zou worden van
de omstandigheid dat de uitvoeringsorganisatie waarop hij of zij
is aangewezen,
ten aanzien van de verstrekking van
vervoermiddelen een systematiek
hanteert die afwijkt van hetgeen op dit
terrein gebruikelijk
is.
Volledigheidshalve
zij er nog op gewezen dat het tweede lid
van dit artikel
uitsluitend van toepassing is op de
zogenaamde vaste kosten. Alleen
de vergoedingen voor deze kosten lopen
voor de nog resterende duur
van de bij beschikking vastgestelde
periode (doorgaans zeven jaar), dan
wel tot het einde van de gebruiksduur
van het vervoermiddel waarop de
vergoeding betrekking heeft, door. Op de
variabele kosten is artikel 21
[24] van toepassing.
Artikel
21 [24]
Op
grond van de AAW, de Algemene
burgerlijke pensioenwet, c.q. de Spoorwegpensioenwet,
kan zo nodig aan een gehandicapte een
financiële tegemoetkoming worden verleend voor het gebruik van een
bepaald vervoermiddel,
bijvoorbeeld voor het gebruik van een
(bruikleen)auto of een (rolstoel)taxi.
Zoals
reeds bij artikel
2 [2] is aangeduid, hebben
gemeenten, in tegenstelling
tot de organen die onderscheidenlijk de
AAW, de Algemene burgerlijke
pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet
uitvoeren, mogelijkheden
om door middel van (collectieve)
naturaverstrekkingen de beperkingen
die de gehandicapte bij het verplaatsen buitenshuis
ondervindt
weg te nemen of te verminderen. Het is
dan ook zeer wel mogelijk dat
in bepaalde gemeenten de hiervoor
bedoelde financiële tegemoetkomingen
geheel of gedeeltelijk komen te
vervallen. Voor zover een stelsel voor
financiële tegemoetkomingen in stand
blijft, is het daarnaast rblz.|63|
mogelijk
dat de hoogte van die financiële
tegemoetkomingen afwijkt van de ter zake in de AAW, de Algemene
burgerlijke pensioenwet en de Spoorwegpensioenwet
gehanteerde bedragen.
Blijkens
het onderhavige artikel houden de
gehandicapten aan wie in 1993
een financiële tegemoetkoming voor het
gebruik van een vervoermiddel
is verleend en die ook in de jaren 1994
en 1995 - indien de AAW,
de Algemene burgerlijke pensioenwet en
de Spoorwegpensioenwet
niet zouden zijn gewijzigd - een
tegemoetkoming ontvangen zouden
hebben, gedurende die twee jaar een
tegemoetkoming, tenzij de gemeente
bij verordening iets anders heeft
bepaald. Het artikel biedt aldus
aan gemeentebesturen de mogelijkheid om
gefaseerd de onmiddellijk
vóór de inwerkingtreding van deze wet
verleende financiële tegemoetkomingen
om te zetten in die gemeentelijke
vervoersvoorziening
die aan personen die in soortgelijke
omstandigheden verkeren en die
na de inwerkingtreding van deze wet een
eerste aanvraag hebben ingediend,
doorgaans wordt toegekend. Met name in
het geval dat de op de
verordening gebaseerde financiële
tegemoetkoming lager is dan de op
voormelde wetten gebaseerde financiële
tegemoetkoming kan aldus laatstbedoelde
tegemoetkoming geleidelijk verminderd
worden. Het terugbrengen
van een hogere financiële tegemoetkoming naar een lager
niveau,
dan wel de omzetting van een financiële
tegemoetkoming in een naturaverstrekking,
kan echter geen langere periode in
beslag nemen dan
twee jaar. Uiterlijk 1 januari 1996
dient de situatie bereikt te zijn dat er
geen verschil meer bestaat tussen degene
die vóór de inwerkingtreding
van deze wet een financiële
tegemoetkoming voor het gebruik van
een vervoermiddel had en degene die na
de inwerkingtreding van deze
wet voor een vervoersvoorziening in aanmerking is gebracht.
Het
vorenstaande geldt mutatis mutandis ten
aanzien van de vóór de datum
van inwerkingtreding van de
wet
toegekende financiële tegemoetkoming
in de kosten aan een militair in
werkelijke dienst dan wel een gewezen
militair die krachtens de Algemene
militaire pensioenwet aanspraak
of uitzicht heeft op een pensioen uit
hoofde van ziekten of gebreken.
Artikel
22 [25]
De
categorie beroepsmilitairen die is
ontslagen wegens ziekten of gebreken,
zonder dat een invaliditeit in verband
met dienstverband is vastgesteld,
verliest bij het ontslag het recht op
vrije geneeskundige verzorging
en moet zich in plaats daarvan
particulier verzekeren tegen ziektekosten.
Voor zover de betrokken militairen bij
het sluiten van die verzekering
in het verleden werden geconfronteerd
met uitsluitingen, worden
zij ten laste van het ministerie van
Defensie in aanmerking gebracht
voor tegemoetkomingen in die uitgesloten
ziektekosten, waaronder
genees- en heelkundige voorzieningen.
Dit geschiedt op grond
van de Regeling geneeskundige verzorging
gepensioneerde militairen
KL/KLu (Stb. 1962, 241), dan wel op
grond van het analoog daarvan
gevoerde beleid. Het betreft slechts een
beperkte groep. Die geïnvalideerden
die na 1 april 1986 werden gepensioneerd,
vallen buiten de
termen in verband met het kunnen
toetreden tot de standaardpakketpolis,
die uiteraard geen uitsluitingen van het
reguliere pakket kent.
Artikel
23 [26]
Ingevolge
dit artikel worden aanvragen op grond
van de AAW, de Algemene
burgerlijke pensioenwet, de
Spoorwegpensioenwet, c.q. de Algemene
militaire pensioenwet, die vóór de datum
van inwerkingtreding rblz.|64|
van deze wet
zijn gedaan, ook na die datum
op basis van die regelingen afgehandeld.
Aldus wordt uitgesloten dat gehandicapten hun aanvraag
overgedragen
zien naar een andere instantie, alwaar
die aanvraag wellicht
aan andere criteria getoetst zou kunnen
worden. Voor zover deze aanvragen
leiden tot toekenningen van
voorzieningen, worden die voorzieningen
ook vanuit de desbetreffende regeling
bekostigd. Financiële
tegemoetkomingen die voor een bepaalde
periode worden verleend, kunnen
slechts worden verleend tot de datum van
inwerkingtreding van deze
wet.
Volledigheidshalve
zij erop gewezen dat indien een op basis
van deze aanvragen
verleende voorziening bestaat uit een in
bruikleen verstrekt hulpmiddel
of een periodieke vergoeding voor de
kosten van aanschaf en
onderhoud van een vervoermiddel en/of
een financiële tegemoetkoming
in de kosten van het gebruik van een vervoermiddel,
artikel 20
[23] en/of
21 [24]
eveneens van toepassing zijn. Dit
betekent dat indien na de datum
van inwerkingtreding van deze wet op
basis van een vóór die datum
gedane aanvraag bijvoorbeeld een
hulpmiddel in bruikleen is verstrekt,
dat hulpmiddel (evenals een
bruikleenhulpmiddel dat vóór de datum
van inwerkingtreding van deze wet werd
verstrekt) gedurende de looptijd
van de overeengekomen bruikleen, dan
wel, indien de gebruiksduur
korter is dan de overeengekomen
bruikleen, tot het einde van
de gebruiksduur, zal worden beheerst
door de regels zoals die luidden
onmiddellijk voorafgaande aan de datum
van inwerkingtreding van
deze wet.
Artikel
26 [30]
De wet strekt ertoe de verstrekking van
woonvoorzieningen op grond van
de Rgshg, alsmede de verstrekking van
leefvoorzieningen en genees-
en heelkundige voorzieningen op grond
van de AAW,
te beëindigen
en over te hevelen naar gemeenten en
AWBZ. Het betreft hier een groot
aantal voorzieningen. Zo dienen alleen
al wat de AAW betreft circa ƒ450 000,- voorzieningen
[lees: 450 000 voorzieningen, red.]
aan de nieuwe
uitvoeringsorganen te worden overgedragen.
Ons
streven is erop gericht om deze wet
in
ieder geval wat de overdracht
van gegevens betreft per 1 juli 1993 en
voor het overige per 1
januari 1994 in werking te doen treden.
Wij zijn ons ervan bewust dat wij
hiermede van zowel de huidige
uitvoeringsorganen als van de nieuwe uitvoeringsorganen
een grote inspanning vergen om de overdracht tijdig
af
te ronden.
Teneinde
te voorkomen dat op 1 januari 1994 de
situatie zou kunnen ontstaan
dat de nieuwe uitvoeringsstructuur (nog)
niet volledig operationeel is omdat de overdracht van (bepaalde)
voorzieningen, om wat voor
oorzaak dan ook, niet tijdig kan worden
afgerond en derhalve de gehandicapte
die op (die) voorzieningen is aangewezen
alsdan nadeel zou
kunnen ondervinden, hebben wij ervan
afgezien voormelde datum in de
wet op te nemen. Vanuit een oogmerk van
zorgvuldigheid is er de voorkeur
aan gegeven om de artikelen van deze wet
in werking te doen treden
op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip, dat - mocht daartoe
aanleiding bestaan - ten aanzien van de
verschillende artikelen, onderdelen
daarvan of zelfs voor de verlening van
onderscheidenlijk de woonvoorzieningen,
de vervoersvoorzieningen of de
rolstoelen (bijvoorbeeld
alleen de woonvoorzieningen)
verschillend kan worden vastgesteld.
Aldus is gewaarborgd dat de gehandicapte
die een bepaalde rblz.|65|
voorziening
behoeft eerst dan naar de nieuwe
uitvoeringsorganisatie wordt verwezen wanneer die
uitvoeringsorganisatie ook geëquipeerd
is om
in de voorzieningenbehoefte van de
gehandicapte te voorzien.
De
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid,
E.
ter Veld
De
Staatssecretaris van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
E.
Heerma
De
Staatssecretaris van Welzijn,
Volksgezondheid en Cultuur,
H.J.
Simons
|
|