|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1991-1992, 22 495
Wijziging
van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Algemene
wet bestuursrecht, de Wet
op de Raad van State, de Beroepswet, de
Ambtenarenwet 1929 en
andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak
overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemene
beschouwingen |
| 1.1 |
Oogmerk
en inhoud van het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Opbouw
van de memorie van toelichting |
| 1.3 |
De
herziening van de rechterlijke organisatie |
| 1.4 |
Het
stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming |
| 1.5 |
Plaatsbepaling
van het wetsvoorstel |
| 1.6 |
Opbouw
van het wetsvoorstel |
| 1.7 |
Voorbereiding
van het wetsvoorstel |
| 2 |
Uniform
bestuursprocesrecht |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Bestuursrecht
en bestuursprocesrecht |
| 2.3 |
Uitgangspunten
voor het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht |
| 2.4 |
Bestuursprocesrecht
en burgerlijk procesrecht |
| 2.5 |
Systematiek
van het nieuwe bestuursprocesrecht |
| 2.6 |
Enkele
rechtsvergelijkende opmerkingen |
| 3 |
Definitieve
voorzieningen in kroongeschillen |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Vervanging
van beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve
rechter |
| 3.3 |
Welke
administratieve rechter? |
| 3.4 |
Het
vervallen van de mogelijkheid van centrale sturing en de
compensatie daarvoor |
| 3.5 |
Ambtsberichten |
| 3.6 |
Bevoegdheden
TwK-rechter |
| 4 |
Rechtseenheidsvoorziening |
| 4.1 |
Algemeen |
| 4.2 |
Het
bereik van de rechtseenheidsvoorziening |
| 4.3 |
De
vormgeving van de rechtseenheidsvoorziening |
| 4.4 |
Het
prejudiciële stelsel |
| 5 |
Personele,
financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van
State en de rechterlijke organisatie |
| 5.1 |
Algemeen |
| 5.2 |
Personele
en financiële consequenties voor de Raad van State en de
rechterlijke organisatie |
| 5.3 |
Organisatorische
consequenties voor de rechtbanken |
| 6 |
Gevolgen
voor het bestuur |
| 7 |
Deregulering |
| xArtikelsgewijs |
| 2.
Algemene wet bestuursrecht |
| I |
Voorstel
voor een Algemene wet bestuursrecht (artt. 1.1 t/m 8.4.1) |
| 3.
Wijziging van rechtstreeks betrokken institutionele en
processuele wetten |
| IIIx |
Beroepswet
(artt. 1 t/m 28) |
| 6.
Overgangs- en slotbepalingen (artt. I t/m VII) |
rblz.|8|
Algemeen
1.
Algemene beschouwingen
1.1. Oogmerk en
inhoud van het wetsvoorstel
De totstandkoming
van de thans voorgestelde wet zal mogen worden beschouwd
als een mijlpaal in de ontwikkeling van
de rechterlijke organisatie
in Nederland in het algemeen en van het
stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming in het bijzonder.
Het
wetsvoorstel bevat primair de wettelijke
voorzieningen ter voltooiing
van de eerste fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie:
-
het instellen van algemeen bevoegde
enkelvoudige en meervoudige administratieve
kamers bij de arrondissementsrechtbanken
voor het behandelen
en beslissen van bestuursrechtelijke
zaken in eerste aanleg;
-
het invoeren van administratieve
rechtspraak in twee instanties voor een
groot aantal bestuursrechtelijke zaken
die thans nog in één instantie bij
de Raad van State worden behandeld en
beslist;
-
het treffen van definitieve
voorzieningen in kroongeschillen;
-
het opnemen in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) van een algemene
regeling van het bestuursprocesrecht;
-
het treffen van een voorlopige
voorziening binnen de rechtspraak ter verwezenlijking
van eenheid in de toepassing van het
recht binnen de bestuursrechtspraak
en tussen de bestuursrechtspraak, de
civiele rechtspraak
en de strafrechtspraak.
Het
wetsvoorstel bevat tevens de wijziging
van een aantal wetten ter aanpassing
aan het voorstel voor een Algemene wet
bestuursrecht (Kamerstukken II, 21 221), de zogenoemde
eerste
tranche van de Awb. Het
gaat daarbij om die wetten of onderdelen
van wetten die, in verband met
de samenhang met het onderhavige
wetsvoorstel, niet zijn aangepast
in het kader van het voorstel voor een
Aanpassingswet Awb (Kamerstukken II,
22 061) en de daarop aansluitende
aanpassingswetten.
1.2.
Opbouw van de memorie van toelichting
De
memorie van toelichting bestaat uit een
algemeen deel en de artikelsgewijze
toelichting. Het algemeen deel omvat
zeven onderdelen. Na
de algemene beschouwingen (1) wordt wat
uitgebreider aandacht besteed
aan drie belangrijke elementen van het
wetsvoorstel: het uniform
bestuursprocesrecht (2), de definitieve
voorzieningen in kroongeschillen (3) en de rechtseenheidsvoorziening
(4).
Daarna wordt aandacht
besteed aan de personele, financiële en
organisatorische consequenties
voor de Raad van State
en de
rechterlijke organisatie (5) en
aan de gevolgen voor het bestuur (6).
Onderdeel 7 ten slotte bevat de
dereguleringsparagraaf. De
artikelsgewijze toelichting bevat op een
belangrijk
aantal plaatsen uitwerkingen van in het
algemeen deel globaal aangeduide
punten, meestal door middel van een
algemene toelichting op
een afgerond deel van het wetsvoorstel.
1.3.
De herziening van de rechterlijke
organisatie
1.3.1.
Algemeen
In
het op 29 juni 1989 onder de titel
"Naar een nieuwe structuur van de
rechterlijke organisatie" aan de Tweede
Kamer aangeboden standpunt
over het Eindrapport van de Staatscommissie Herziening
rblz.|9|
Rechterlijke
Organisatie (deel I) (Kamerstukken II
1988-1989, 21 206, nr.
2) en het op 2 maart 1989 aan de Tweede
Kamer aangeboden standpunt over de invoering van Arob-rechtspraak
in twee instanties (Kamerstukken II 1988-1989, 21 048, nr. 2) heeft het
vorige kabinet zijn beleidsvoornemens
betreffende de herziening van de
rechterlijke organisatie
neergelegd. Dat kabinet had de intentie
met de Tweede Kamer ten gronde
van gedachten te wisselen over deze
beide nota's. Door de val van
dat kabinet heeft een dergelijke
gedachtenwisseling niet meer kunnen
plaatsvinden. Het nieuwe kabinet was
aanvankelijk voornemens met
een vervolgnota op de twee eerdere
nota's te komen. Bij nadere overweging
is er echter voor gekozen geen
definitieve beleidsvoornemens
te ontwikkelen voor de derde fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie. Daardoor ontviel ook de
grond aan een vervolgnota.
In plaats daarvan is gekozen voor een
aanpak waarin de discussie
met de Staten-Generaal over de
herziening van de rechterlijke organisatie
wordt gevoerd aan de hand van de
respectieve concrete wetsvoorstellen.
Bij brief van 22 juni 1990 (Kamerstukken
II 1989-1990,
21 048/21 206, nr. 3) is de Tweede Kamer
hiervan op de hoogte
gesteld. Een dergelijke keuze is alleen
dan uit een oogpunt van behoorlijke
en zorgvuldige regelgeving aanvaardbaar
als is verzekerd dat de wetgever bij de behandeling van die
wetsvoorstellen telkens in staat is om
de reikwijdte en de draagwijdte van de
te nemen beslissingen te overzien.
Dit uitgangspunt impliceert dat de
wetgever bij het tot stand brengen
van een bepaalde fase niet kan
preluderen op legislatieve beslissingen
met betrekking tot de volgende fasen.
Dat neemt niet weg dat het voor een goede beoordeling van elk
afzonderlijk wetsvoorstel gewenst is dat duidelijk is welke
doelstellingen met de herziening van de rechterlijke
organisatie als geheel worden nagestreefd en welke
concepties
daaraan ten grondslag liggen. Zo kan
immers de zelfstandige betekenis
van elk afzonderlijk wetsvoorstel mede
worden beoordeeld in het perspectief van de herziening van de
rechterlijke organisatie als geheel.
Het
wetgevingsproces ten aanzien van de
herziening van de rechterlijke
organisatie voldoet naar ons oordeel aan
de uit het hiervoor geformuleerde
uitgangspunt voortvloeiende normen. In
de memorie van toelichting,
de memorie van antwoord en de nota naar
aanleiding van het eindverslag
bij het voorstel van wet tot wijziging
van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Ambtenarenwet
1929, de
Beroepswet en enkele
andere wetten (integratie raden van
beroep/Ambtenarengerechten
en arrondissementsrechtbanken; vereenvoudiging regelingen
vorming
en bezetting kamers) (Kamerstukken II,
21 967) - het zogenoemde
wetsvoorstel voorintegratie - is immers
ten gronde ingegaan
op de doelstellingen en de
beleidsvoornemens van dit kabinet met
betrekking tot de herziening van de
rechterlijke organisatie als geheel
en de daaraan ten grondslag liggende concepties. Bij die
gelegenheid
zijn voor de eerste fase definitieve en
volledig geconcretiseerde
beleidsvoornemens gepresenteerd en is
uitgebreid ingegaan op de realisatiemogelijkheden daarvan. Voor de
tweede fase zijn definitieve maar
nog niet volledig geconcretiseerde
beleidsvoornemens geformuleerd.
Voor de derde fase is volstaan met het
aangeven van de onderwerpen
waarover in die fase besluitvorming moet
plaatsvinden en van mogelijke
oplossingsrichtingen. Voorts is in het
kader van het wetsvoorstel voorintegratie een uiteenzetting gegeven
van het tijdschema
en het wetgevingstraject. Daarbij is
tevens duidelijk gemaakt dat
de wetsvoorstellen die samen leiden tot
het tot stand brengen van de eerste fase een onlosmakelijk geheel vormen.
De wetgever kiest immers bij
aanvaarding van het wetsvoorstel
voorintegratie tevens voor aanvaarding
van in elk geval de conceptie van
integratie van de civiele rblz.|10|
rechtspraak,
de strafrechtspraak en de
bestuursrechtspraak aan de basis van
de rechterlijke organisatie en, mede in
verband daarmee, van de hoofdregel
van rechtspraak in twee feitelijke
instanties ook in bestuursrechtelijke
zaken. Tegelijkertijd is duidelijk
gemaakt dat aanvaarding van de
wetsvoorstellen voor de eerste fase niet
impliceert aanvaarding van de
beleidsvoornemens voor de tweede fase,
noch vooruitlopen op de beleidsvoornemens
voor de derde fase. Die komen pas aan de
orde bij de
parlementaire behandeling van de
wetsvoorstellen die moeten leiden tot
het tot stand brengen van die tweede en
die derde fase.
Met
het tot stand brengen van een nieuwe
structuur van de rechterlijke organisatie
worden drie doelstellingen nagestreefd:
-
het scheppen van voorwaarden voor het
verbeteren onderscheidenlijk
het in stand houden van de juridische
kwaliteit en het gehalte van de
rechtspraak. Dit kan worden bereikt door
het treffen van voorzieningen
die zijn gericht op de totstandkoming
van eenheid van recht en rechtspraak,
door een zodanige inrichting van de
rechterlijke organisatie dat,
in de regel, de mogelijkheid bestaat om
een in eerste instantie gegeven
rechterlijk oordeel in volle omvang in
hoger beroep te laten toetsen
en door waar nodig te voorzien in
concentratie van rechtsmacht;
-
het scheppen van voorwaarden voor het
verbeteren van de cliëntgerichtheid
van de rechtspleging. Daartoe dient
allereerst de rechterlijke organisatie
toegankelijker en doorzichtiger te
worden. Dat kan worden verwezenlijkt
door een heldere, eenvoudige structuur
van de rechterlijke organisatie,
door een goede bereikbaarheid van de
rechter in eerste aanleg
en door een lage drempel bij de toegang
tot de rechter. Ten tweede
moeten rechterlijke uitspraken sneller
beschikbaar komen. Behalve
invoering van rechtspraak in twee
instanties voor zaken die thans
nog in één instantie worden behandeld
en beslist, kunnen, naast uiteraard
een doeltreffende en doelmatige
bedrijfsvoering, processuele voorzieningen
daaraan bijdragen;
-
het scheppen van evenwicht in de
structuur van de rechterlijke organisatie.
Daartoe dient de inzet van mensen en
middelen binnen de rechterlijke
organisatie zodanig te worden gericht
dat elke zaak kan worden
behandeld en beslist op een wijze die is
toegesneden op haar aard
en zwaarte. In het kader van het
wetsvoorstel voorintegratie is hierop uitgebreid ingegaan.
1.3.2.
Fasering
De
herziening van de rechterlijke
organisatie zal in drie fasen tot stand worden
gebracht. Zij wordt daarbij niet als
één grote, ondeelbare operatie
gepresenteerd. Hiervoor zijn wij al ingegaan op de keuze voor
een
gefaseerde aanpak van de herziening van
de rechterlijke organisatie en
de vormgeving van de politieke
besluitvorming daarover. Daarbij is erop
gewezen dat aan de operatie als geheel
uiteraard bepaalde, samenhangende
concepties ten grondslag liggen. Daaruit
volgt dat de drie fasen
met elkaar samenhangen. Daaruit volgt
echter niet dat aanvaarding
van een eerdere fase rechtstreeks
impliceert aanvaarding van
of vooruitlopen op één of meer latere
fasen. In die zin is geen sprake van
een ondeelbare operatie.
In
de memorie van toelichting, de memorie
van antwoord en de nota naar
aanleiding van het eindverslag bij het
wetsvoorstel voorintegratie is ingegaan
op de inhoudelijke relatie tussen de
drie fasen. Die relatie heeft gevolgen
voor de opeenvolging van en de
tijdsruimte tussen die fasen.
De
eerste fase behelst enkele belangrijke
stappen op de weg naar de herstructurering
van het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming.
rblz.|11|
Zij
leidt tot de integratie van de
rechtspraak in eerste aanleg in
socialezekerheidszaken,
ambtenarenzaken, Arob-zaken en een deel
van de
geschillen op grond van de Tijdelijke wet Kroongeschillen
(TwK) en de kroongeschillen
binnen de rechtbanken, door middel van
het opdragen van
de rechtsmacht in die zaken aan de nieuw
in te stellen administratieve kamers bij de rechtbanken. De
rechtsmacht in hoger beroep in
socialezekerheidszaken
en ambtenarenzaken blijft in deze fase opgedragen
aan de Centrale Raad van
Beroep, terwijl
de rechtsmacht in hoger
beroep in Arob- en TwK- en
kroongeschillen in deze fase wordt opgedragen
aan de nieuw te vormen Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State. De toedeling van
rechtsmacht in die zaken die in eerste
en enige feitelijke instantie door de
Centrale Raad van Beroep worden
behandeld, zal thans nagenoeg geen wijziging ondergaan. Een
deel
van de TwK- en kroongeschillen zal
voorshands in eerste en enige feitelijke
instantie worden behandeld door de
Afdeling bestuursrechtspraak.
De
administratieve kamers van de rechtbanken, de
Afdeling bestuursrechtspraak,
de Centrale Raad van
Beroep en ook het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en het College van
beroep studiefinanciering zullen rechtspreken
volgens een nieuw, uniform
bestuursprocesrecht, opgenomen
in hoofdstuk 8
van de Awb.
Ten
slotte zal een - in afwachting van een
definitieve voorziening in de derde
fase voorlopige - voorziening binnen de
rechtspraak worden getroffen
ter verwezenlijking van eenheid in de
toepassing van het recht binnen
de bestuursrechtspraak en tussen de
bestuursrechtspraak, de civiele
rechtspraak en de strafrechtspraak.
De
tweede fase omvat de integratie van de
kantongerechten en de rechtbanken
en een definitieve regeling van het
hoger beroep in civiele zaken
en strafzaken.
De
derde en laatste fase omvat allereerst
de voltooiing van de herstructurering
van het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming.
Het gaat daarbij om de integratie van de
resterende administratieve
rechtspraak in eerste aanleg, een
definitieve oplossing
van het vraagstuk van één of twee
feitelijke instanties voor de berechting
van de verschillende categorieën
administratieve zaken, de definitieve
onderbrenging van de rechtspraak in
tweede feitelijke instantie
en een definitieve
rechtseenheidsvoorziening binnen de rechtspraak.
In de derde fase zal tevens de
herziening van de toegang tot de cassatieprocedure
aan de orde komen.
1.3.3.
Implementatie
De
eerste fase vangt zoals bekend aan met
de integratie van de raden van
beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken. De beoogde datum
van inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorintegratie is 1 juli
1992,
nadat aanvankelijk was gemikt op 1
januari 1992. Voor de voltooiing
van de eerste fase gingen de gedachten
aanvankelijk uit naar 1 januari
1993. Het vasthouden aan die datum is
echter niet langer reëel. Voor
het vaststellen van een nieuwe datum
moet rekening worden gehouden
met een aantal factoren.
Wij
stellen de dringende wenselijkheid
voorop van gelijktijdige inwerkingtreding
van de vijf onderdelen van het
onderhavige wetsvoorstel. rblz.|12|
Omwille
van de beperking van de implementatieproblematiek, met name
bij
de Raad van State, en ter beperking van
de belasting van het wetgevingstraject,
is het nodig de invoering van
Arob-rechtspraak in twee instanties
en het treffen van definitieve
voorzieningen in kroongeschillen, en
daarmee het instellen van algemeen
bevoegde administratieve kamers bij
de rechtbanken, op hetzelfde tijdstip te
laten plaatsvinden. De invoering
van een uniform bestuursprocesrecht kan
vervolgens daarvan weer
niet worden los gezien. Uitstel daarvan
zou betekenen dat de rechtbanken
gedurende een zekere tijd met drie
verschillende regelingen van bestuursprocesrecht
zouden moeten werken, waarvan er één
voor de rechtbanken
geheel nieuw zou zijn. Verder zou voor
een zekere tijd een nieuw
appelprocesrecht voor de Afdeling
bestuursrechtspraak moeten worden
ontworpen. Voor de voormalige TwK- en
kroongeschillen die in deze
fase in eerste en enige instantie door
de Afdeling bestuursrechtspraak
worden behandeld, zou eveneens voor een
zekere tijd een nieuw procesrecht
gelden. Deze consequenties zijn niet
aanvaardbaar. Het tot stand
brengen van een, voorlopige,
rechtseenheidsvoorziening ten slotte is
weer nauw verbonden met, onder meer, de
invoering van een uniform bestuursprocesrecht.
In dit verband is ook aandacht nodig
voor de eerste tranche
van de Awb. Gelet op de, inhoudelijke en
wetgevingstechnische, samenhang
tussen de hoofdstukken
1, 6 en 7 van
dat
wetsvoorstel en het
uniforme bestuursprocesrecht, alsook op
de onwenselijkheid van het in
korte tijd twee keer moeten wijzigen van
de bestaande regelingen van bestuursprocesrecht,
is het gewenst dat de eerste tranche van
de Awb op
hetzelfde tijdstip in werking treedt als
het onderhavige wetsvoorstel.
Verder
stellen wij andermaal vast dat het van
groot belang is dat de voltooiing
van de eerste fase zo spoedig mogelijk
haar beslag krijgt. De, ook
door de Raad van State
bepleite, noodzaak om te komen tot de
invoering
van Arob-rechtspraak in twee instanties
en de dringend noodzakelijke
aanpak van het steeds nijpender wordende
probleem van de werkvoorraden bij de Raad van State
dwingen hier reeds toe. Voorts speelt
het expireren van de TwK een belangrijke
rol. Weliswaar is een beperkte
verlenging van de werkingsduur niet
onaanvaardbaar (zie hierna),
een dergelijke verlenging moet echter,
om tegemoet te komen aan
de in de TwK uitgedrukte wil van de
wetgever, zo beperkt mogelijk zijn.
Verder wordt de personele,
organisatorische en financiële problematiek
verergerd naarmate de inwerkingtreding
verder naar achteren verschuift.
Anderzijds
is daar het vereiste van een maximale
voorspelbaarheid, beheersbaarheid
en zorgvuldigheid van het
wetgevingstraject en het implementatietraject.
Daaruit volgt onder meer dat bij het
vaststellen van
een nieuwe datum zekerheid moet bestaan
over de haalbaarheid daarvan
dat de beoogde datum van
inwerkingtreding ruim van tevoren vaststaat
en dat tussen de plaatsing in het
Staatsblad van de
wet, althans
tussen het moment waarop de tekst van de
wet vaststaat, en de inwerkingtreding
een periode van gewenning wordt
ingebouwd, een periode
die overigens in dit geval beperkt kan
blijven.
Gelet
op de hiervoor besproken factoren en op
de fase waarin het onderhavige
wetsvoorstel én de eerste tranche van
de Awb thans verkeren,
achten wij het gewenst de inwerkingtreding van beide
wetsvoorstellen
te laten plaatsvinden per 1 juli 1993,
althans niet later dan
per 1 januari 1994. Wij stellen ons voor na de indiening van dit wetsvoorstel
met de Staten-Generaal te komen tot
afspraken over de wijze
en het tijdstip van behandeling, opdat
aan de implementatie gestalte
kan worden gegeven, rekening houdend met
een nieuwe beoogde
datum van inwerkingtreding.
rblz.|13|
Uit
het voorgaande volgt dat per 1
januari 1993 een wettelijke regeling
in werking zal moeten treden die
voorziet in de gevolgen van het vervallen
van de TwK. Nu wordt voorgesteld het
onderhavige wetsvoorstel
op een later tijdstip in werking te doen
treden, is het nodig een
tussentijdse voorziening te treffen.
Daar wij van oordeel zijn dat het vanwege
de nauwe samenhang tussen de in dit
wetsvoorstel geregelde onderwerpen
en vanwege de noodzaak het
wetgevingstraject niet onnodig
te belasten, niet wenselijk is over te
gaan tot een verdere fasering
van de eerste fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie,
zal op korte termijn een wetsvoorstel in
procedure worden gebracht
dat ertoe strekt de werkingsduur van de
TwK te verlengen.
In
de eerste fase wordt een zeer belangrijk
deel van de bestuursrechtspraak
in eerste aanleg geïntegreerd.
Tegelijkertijd wordt de geïntegreerde
bestuursrechtspraak in eerste aanleg
geïntegreerd met een belangrijk
deel van de civiele en de
strafrechtspraak in eerste aanleg. Het complement
daarvan vormt de voltooiing van de
integratie van de civiele en de strafrechtspraak in eerste aanleg,
ofwel de integratie van de kantongerechten
en de rechtbanken. Daarmee wordt tevens
opnieuw een,
in belang en omvang groeiend, onderdeel van de bestuursrechtspraak
in eerste aanleg, namelijk de
rechtspraak op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, bij de
rechtbanken ondergebracht. Enerzijds is het voor een
goede implementatie van
de tweede fase van belang dat er een
behoorlijke tijdsruimte tussen de
voltooiing van de eerste fase en de tweede fase zit. Anderzijds is het
voor
de continuïteit van de herziening als
geheel, alsook in verband met de
wenselijkheid van een spoedige
stroomlijning van het burgerlijk procesrecht
binnen de rechtbank, van belang dat die
tijdsruimte zo beperkt
mogelijk is. Op basis van een analyse
van het wetgevingstraject en
het implementatietraject voor de tweede
fase heeft een tijdsruimte van
ongeveer twee jaar de voorkeur.
De
derde fase is minder urgent dan de
eerste en de tweede fase. Dat gegeven
maakt het mogelijk voldoende tijd te
besteden aan het formuleren
van beleidsvoornemens voor die derde
fase. Het is denkbaar dat in de
derde fase een nadere fasering wordt
aangebracht. In ieder geval gaan
de gedachten uit naar een tijdsruimte
van ongeveer drie jaar tussen de tweede fase en de (kern van de) derde
fase.
Natuurlijk
is het altijd mogelijk dat zich bij de
verwezenlijking van de verschillende
fasen en onderdelen van fasen in de
toekomst onvoorziene ontwikkelingen
en knelpunten voordoen. De gekozen
fasering laat toe in dergelijke
onverhoopte gevallen de planning
tussentijds bij te stellen.
Wij
hebben bij het formuleren van de
beleidsvoornemens en bij de vormgeving
van de fasering nadrukkelijk stilgestaan
bij het feit dat de herzieningsoperatie
moet worden doorgevoerd terwijl de
rechtspleging adequaat
voortgang moet vinden, en dat ook nog in
een situatie waarin de
werklast voor de rechterlijke
organisatie groot is en waarin op onderdelen
sprake is van, soms structurele,
achterstanden. Het staat vast dat die
werklast zonder het nemen van een scala
van maatregelen niet minder
zal worden en dat het voorkomen van
structurele achterstanden niet
mogelijk is zonder het nemen van
structurele maatregelen. Eén van die
maatregelen is de herziening van de
rechterlijke organisatie. Immers, voor
de werklastproblematiek kan geen
oplossing worden gevonden in het
inlopen van achterstanden alleen. Het
zou daarom zeer te betreuren zijn
indien van het bestaan van achterstanden
het verlammende effect zou
uitgaan dat noodzakelijke en wenselijke
maatregelen tot verbetering rblz.|14|
van
de structuur van de rechterlijke
organisatie niet op korte, althans binnen
afzienbare termijn zouden kunnen worden
genomen. Gevreesd zou
dan moeten worden voor het ontstaan van
een situatie waarin telkens
opnieuw door middel van extra
arbeidsplaatsen een - wellicht later
ook weer tijdelijk blijkende - oplossing
moet worden gevonden voor knelpunten,
zonder dat uitzicht op een structurele
oplossing wordt geboden.
Dat
is met name het geval in de situatie
waarop het onderhavige wetsvoorstel
betrekking heeft. In het kabinetsstandpunt over de invoering van
Arob-rechtspraak in twee instanties is uitgebreid ingegaan op de
problematische
gevolgen van het groeiende zaaksaanbod
bij vooral de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State. Voor
de nog steeds oplopende achterstand in de zaaksbehandeling, die
zich onder meer uit in
voor het bestuur en voor de burger
uitermate lange doorlooptijden en die
een gevolg is van het groeiende beroep
van de burger op de administratieve
rechter en van de structurele
onmogelijkheid voor de Afdeling rechtspraak
om de aanhangig gemaakte zaken binnen
aanvaardbare termijnen
te behandelen, heeft de Raad van State,
onder meer in zijn jaarverslagen,
al gedurende enige jaren met klem
aandacht gevraagd. De Raad
heeft in dat verband meermalen een
snelle besluitvorming over de invoering
van een stelsel van Arob-rechtspraak in
twee instanties bepleit. Door
de invoering van een eerste instantie,
ook waar het een deel van de huidige TwK- en kroongeschillen betreft, zal
het zaaksaanbod bij de Raad weer
een zodanige omvang kunnen aannemen dat
hij in staat zal zijn de zaken
binnen aanvaardbare termijnen af te
doen, terwijl tegelijkertijd meer
tijd kan worden vrijgemaakt voor de
advisering over zaken van wetgeving.
Deze taak lijkt thans in het gedrang te
komen door de rechtsprekende taken van de Raad. Bovendien kan alleen
op die wijze worden tegemoetgekomen
aan de wens van de regering en de Raad
om, onder meer
met het oog op het waarborgen van de rechtseenheid
op de aan de Raad
toevertrouwde rechtsgebieden, de omvang
van het aantal staatsraden
beperkt te houden. Omdat tussentijdse
door de Raad getroffen maatregelen
geen structurele oplossing hebben kunnen
bieden, heeft de invoering
van het onderhavige wetsvoorstel in geen
enkel opzicht aan urgentie
ingeboet.
Is
er gezien de werklastproblematiek bij de
Raad van State dus alle reden
om zo snel mogelijk te komen tot de
inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel, niettemin moet zorgvuldig
worden bezien of de
rechterlijke organisatie in staat zal
zijn in een betrekkelijk kort tijdsbestek
de doorvoering van de eerste fase van de
herzieningsoperatie te verwerken.
Wij beschouwen de noodzaak om niet te
wachten met het bereiken
van een oplossing van de problematiek
bij de Raad van State tot
het moment waarop bij alle andere rechtsprekende colleges de
achterstanden
zijn weggewerkt, als een complicerende
factor voor het reorganisatieproces.
Om dit proces toch in goede banen te
kunnen leiden en om te bereiken dat de reorganisatie in
een relatief korte periode kan worden
doorgevoerd, is een beleid geïnitieerd,
gericht op het zodanig equiperen
van de rechterlijke organisatie dat zij
de extra inspanning kan leveren
die nodig is voor het doorvoeren van het
reorganisatieproces. Deze
basis is gelegd door het versterken van
de infrastructuur van de organisatie
(vooral door de substantiële
uitbreiding van het decentrale beheer,
gekoppeld aan de benoeming van een
directeur gerechtelijke ondersteuning
in elk arrondissement), door uitbreiding
van het aantal formatieplaatsen
en door de automatisering, terwijl ook
maatregelen zijn genomen
ter beperking van het zaaksaanbod.
Daarnaast zijn in het reorganisatieproces
zelf voorzieningen getroffen. Ten eerste
wijzen wij op
de welbewust aangebrachte fasering. Bij
de vormgeving van die rblz.|15|
fasering
is mede gelet op andere factoren die
tijdelijk werklastverhogend werken.
Een goed voorbeeld daarvan vormen de
invoering per 1 januari 1992
van belangrijke delen van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek en de invoering van de nieuwe civiele
kantongerechtsprocedure, eveneens per 1
januari 1992. Deze drukken vooral op de
civiele sectoren, terwijl de eerste
fase van de herziening vooral drukt op
de administratieve sectoren.
Ten tweede wijzen wij op de
begeleidingsstructuur en de projectorganisatie
die zijn opgezet. Daarop is in het kader
van het wetsvoorstel
voorintegratie uitgebreid ingegaan.
Het
is onvermijdelijk zo dat de herziening
van de rechterlijke organisatie
een extra beroep zal doen op de
spankracht van degenen die binnen
en ten behoeve van de rechterlijke organisatie werkzaam zijn. In
die
zin komt elk tijdstip ongelegen. Er zijn
echter afdoende maatregelen genomen
om hieraan tegemoet te komen.
1.4.
Het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming
1.4.1.
Historische achtergronden
Het
bestaande stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming is
niet de
vrucht van een bewuste organisatorische
keuze op een zeker moment. Het
is eerder het resultaat van uiteenlopende rechtspolitieke en
maatschappelijke
ontwikkelingen. Daarbij is van belang
dat de vormgeving
van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming weliswaar een eigen weg is gegaan, maar toch niet geheel kan
worden los gezien van de
ontwikkeling van de "gewone"
rechterlijke organisatie. Het is
mogelijk noch
nodig hier in extenso op de historie in
te gaan. Wel is het van belang
kort en in grote hoofdlijnen aan te
geven welke tendensen bepalend
zijn geweest voor de huidige situatie.
Zo ontstaat ook een beter zicht op de hierna te bespreken knelpunten.
De
organisatie van de "gewone"
rechtspraak in het gecentraliseerde model
zoals Nederland dit thans kent, gaat
terug tot de Staatsregeling van
1798. Die kende op gemeentelijk niveau
vrederechters voor burgerlijke
zaken, op departementaal niveau rechtbanken
voor burgerlijke zaken en
gerechtshoven voor strafzaken en hoger
beroep in burgerlijke zaken, en
ten slotte op nationaal niveau het Hoog
Nationaal Gerechtshof, dat in het
bijzonder voor ambtsdelicten bevoegd
was. De Grondwet van 1815 bevatte
een regeling inzake een opperste
gerechtshof onder de naam Hoge
Raad der Nederlanden, alsmede
provinciale gerechtshoven, civiele rechtbanken,
criminele rechtbanken en kantongerechten. Bij de uiteindelijke
regeling van de rechterlijke organisatie
in 1838 werd vastgehouden aan
de sinds 1798 tot ontwikkeling gekomen
rechterlijke instellingen, waarbij
de civiele en de criminele rechtbanken
echter werden samengevoegd
in de arrondissementsrechtbanken.
Thans
kent Nederland 62 kantongerechten,
negentien arrondissementsrechtbanken,
vijf gerechtshoven en de
Hoge
Raad der Nederlanden.
Overigens zijn in deze op zichzelf heldere en eenvoudige opbouw
in
de loop der tijd verbijzonderingen
aangebracht. Zo is de taakverdeling tussen
de kantongerechten en de rechtbanken
met
name in civiele zaken allang niet meer gebaseerd op het
onderscheid lichte en eenvoudige versus
zware en moeilijke zaken. Ook zijn
binnen de gerechten specialisaties
ontstaan (zoals de kinderrechter en de
economische strafrechter) en
heeft in bepaalde gevallen concentratie
van rechtsmacht plaatsgevonden
(zoals bij de pachtkamer van het
gerechtshof te Arnhem en de ondernemingskamer
van het gerechtshof te
Amsterdam).
rblz.|16|
De "gewone" rechterlijke organisatie is
een toonbeeld van helderheid en
eenvoud vergeleken met het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
De Nederlandse wetgever is er namelijk
nimmer in geslaagd een
systematisch bepaalde keuze te maken
voor de vormgeving van een dergelijk
stelsel. In de afgelopen twee eeuwen
hebben naast, na en door elkaar
de volgende factoren de ontwikkelingen
bepaald.
Onder
invloed van de suprematie van de wet en
de conceptie van het bestuur
als - exclusieve - uitvoerder van die
wet ten tijde van de Staatsregeling
van 1798 vestigde zich al vroeg de
opvatting dat bestuursrechtelijke
geschillen per definitie door het
bestuur zelf moeten worden beslecht
en niet door een rechter. Het ging
immers om geschillen over de uitvoering en de uitleg van daden van
wetgeving, die in de toenmalige visie
per definitie geen aanleiding kunnen
geven tot rechtsgeschillen, maar
slechts tot beleidsgeschillen. Zo bezien
was daarvoor anders dan in civiele
en strafzaken dus geen rechter nodig en
diende de uitvoerende macht
de bevoegdheid tot het beslechten van
bestuursrechtelijke geschillen
aan zich te houden, waar de Grondwet
deze in civiele en strafzaken
aan de rechter had opgedragen. Het
antwoord op de vraag administratie
of rechter is voor zeer velen dan ook
gedurende zeer lange tijd
zeer gedecideerd geweest: de
administratie. De onderbouwing van dit
gelijkluidende antwoord is echter in de
loop der tijd veranderd. In het midden
van de negentiende eeuw groeide het
inzicht dat bestuursrechtelijke
geschillen (mede) rechtsgeschillen
(kunnen) zijn. Men achtte die rechtsgeschillen
echter van een dusdanig bijzonder
karakter dat deze niet
door de "gewone" rechter, maar door
organen binnen de administratie
moesten worden beslist. In deze context
is, in 1861, het kroonberoep
tot stand gekomen als een vorm van
bestuursrechtelijke geschillenbeslechting
door een bestuursorgaan, zij het door
middel van een met bijzondere
waarborgen omgeven procedure. In het
eerste kwart van de twintigste
eeuw is, vooral onder invloed van
Struycken, de argumentatie voor
de keuze voor de administratie
veranderd. Het wetsargument van het
begin van de negentiende eeuw werd
verdrongen door het democratieargument:
democratisch gelegitimeerde en
gecontroleerde bestuursorganen
kunnen en mogen in die visie niet
ondergeschikt worden
gemaakt aan een onafhankelijke en dus
niet democratisch gelegitimeerde
rechter. De rechter zou dan immers in de
plaats treden van
het bestuur, en daartoe is hij niet
geroepen. De keuze voor de administratie
werd voorts ingegeven door de overweging
dat het mogelijk
moest zijn, gegeven de steeds verder
gaande discretionaire bevoegdheid
van het bestuur, ook tot regelgeving,
niet alleen de rechtmatigheid,
maar ook de doelmatigheid van het
bestuurshandelen te toetsen.
Onder
de voorstanders van rechterlijke
geschillenbeslechting werd gestreden
over de vraag of naar één algemeen
bevoegde administratieve rechter
moest worden gestreefd of naar gespecialiseerde administratieve
rechters.
En onder de voorstanders van de eerste
optie werd weer gedisputeerd
over de vraag of die algemeen bevoegde
rechter de "gewone" rechter
moest zijn dan wel een specifiek
administratief rechtscollege. Deze
verdeeldheid is, naast de langdurige
tegenstand tegen welke vorm van
administratieve rechtspraak ook, één van
de belangrijkste oorzaken geweest
van het feit dat de administratieve
rechtspraak hier zo laat en dan
nog zo onsystematisch en verbrokkeld tot
ontwikkeling is gekomen.
Pas
nadat het kroonberoep was ingevoerd,
werden, vooral door toedoen
van Buys, stappen gezet in de richting
van de introductie van (algemene)
administratieve rechtspraak, nadat
eerdere, schuchtere pogingen
in het kader van de grondwetsherziening
van 1848 op niets rblz.|17|
waren
uitgelopen. Het verzet van de
tegenstanders van administratieve rechtspraak
leidde bij de grondwetsherziening van
1887 tot een compromis:
de wet kon, zo bepaalde het nieuwe
artikel 154 [oud, red.] van de Grondwet,
de beslissing van geschillen die niet
tot de exclusieve bevoegdheid
van de burgerlijke rechter behoren,
opdragen aan "hetzij de gewone
rechter, hetzij aan een college met
administratieve rechtspraak belast".
De wetgever kon nu dus kiezen voor het
wel of niet openen van de
mogelijkheid van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming anders dan door
de burgerlijke rechter, vervolgens
tussen administratief beroep en administratieve
rechtspraak en ten slotte tussen
opdracht van rechtsmacht
aan de "gewone" rechter als
administratieve rechter of aan een specifiek
administratief rechtscollege. Op basis
van artikel 154 van de Grondwet
1887 (thans artikel
112, tweede lid)
zijn gedurende vele tientallen
jaren pogingen ondernomen om te komen tot een algemeen
bevoegde
dan wel een algemeen aanvullende
administratieve rechter. Achtereenvolgens
leden schipbreuk de voorstellen van de
staatscommissie-Kappeyne
van de Coppello in 1894, de
wetsvoorstellen van minister
Loeff van 1905 en de voorstellen van de
commissie-Koolen in 1931.
Pas in 1963 zou, op basis van de
voorstellen van de commissie-De Monchy
van 1950, de Wet beroep administratieve
beschikkingen (Wet Bab)
tot stand komen. Daarin werd de Kroon
tot algemeen aanvullende administratieve
"rechter" gemaakt, met als opdracht de
rechtmatigheidstoetsing
(derhalve mede aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur)
van beschikkingen van organen van de centrale overheid. Deze
stap
is, via het rapport van de
commissie-Wiarda van 1967, uiteindelijk gevolgd
door de invoering van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen
(Wet Arob) per 1 juli 1976. Daarin werd
de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State als
algemeen aanvullende administratieve
rechter aangemerkt, overigens met de
nodige beperkingen.
Een
derde belangrijke tendens, samenhangend
met de vorige, is de neiging
om voor afzonderlijke rechts- en
beleidsterreinen afzonderlijke, gespecialiseerde
administratieve rechters aan te wijzen.
Lang voordat er gediscussieerd
werd over algemene of algemeen
aanvullende administratieve
rechtspraak, waren reeds
gespecialiseerde administratieve rechters
in
het leven geroepen, veelal op fiscaal
terrein. Toen duidelijk werd dat de
grondwetsherziening van 1887 niet tot
het instellen van algemene of algemeen
aanvullende administratieve rechtspraak
zou leiden, werd de neiging
om gespecialiseerde administratieve
rechters te creëren steeds sterker.
Zo ontstonden op fiscaal gebied aan het
eind van de negentiende eeuw
enkele nieuwe colleges. In 1902 kwamen
de raden van beroep en de Centrale Raad van
Beroep, ingesteld in
de
Beroepswet 1902 en eerst alleen
bevoegd in ongevallenzaken, tot stand.
Wat later werden onder andere
de Ambtenarengerechten (1929), het
Scheidsgerecht voor de voedselvoorziening
(1941) en het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven (1954) ingesteld.
De
motivering om telkens nieuwe
gespecialiseerde administratieve rechters
in het leven te roepen, is in de loop
der tijd niet meer zozeer bepaald
door het ontbreken van algemene administratieve rechtspraak
als
wel door andere redenen: hetzij omdat
men specialistische materie aan
een gespecialiseerde administratieve
rechter wilde opdragen, hetzij omdat men dacht zo sneller uitspraken te
krijgen, hetzij om budgettaire redenen,
hetzij door een zekere neiging tot
particularisme. Ook toen de Wet
Arob allang tot stand was gekomen, heeft deze tendens zich voortgezet.
Wij noemen hier de instelling van het College van
beroep studiefinanciering in 1986.
rblz.|18|
Overigens
heeft ook binnen de categorie van de
gespecialiseerde administratieve
rechters soms een zekere bundeling van
rechtsmacht op grotere
rechts- en beleidsterreinen plaatsgehad. Zo hebben de
raden van beroep
en de Centrale Raad van
Beroep
zich
ontwikkeld tot de
socialezekerheidsrechter,
heeft het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven
een eigen competentiesfeer gekregen op
het terrein van de sociaal-economische
ordening en is de rechtspraak in fiscale
zaken wat de
belastingen betreft uiteindelijk (via de
Raden van Beroep directe belastingen
in 1914) geconcentreerd bij de
gerechtshoven (in 1956) en wat
de invoerrechten en accijnzen betreft
bij de Tariefcommissie (in 1924).
Deze bundelingen kunnen mede worden
verklaard uit het ontbreken
van algemene administratieve
rechtspraak.
Voorts
is er het groeiende belang van de rol
van de burgerlijke rechter in
de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming. Van oudsher heeft de burgerlijke
rechter rechtsbescherming tegen
bestuurlijk optreden verleend,
de bevoegdheid daartoe ontlenend aan de
exclusieve opdracht in
de Grondwet
en artikel 2 van de Wet
op de rechterlijke organisatie (Wet RO) van de rechtspraak in geschillen
over "burgerlijke rechten en
schuldvorderingen".
Door de grondwetswijziging van 1887 leek
het erop dat
er algemene administratieve rechtspraak zou komen. Dat vooruitzicht,
en de redactie van het nieuwe artikel
154 [oud, red.] van de Grondwet, brachten
de burgerlijke rechter ertoe zich terug
te trekken van het terrein
van het overheidshandelen voor zover het
ging om geschillen waaraan
een publiekrechtelijke rechtsbetrekking
ten grondslag lag. Toen daarna
echter duidelijk werd dat er geen
algemene administratieve rechtspraak
zou komen, heeft de burgerlijke rechter
in 1915 zijn oorspronkelijke
bevoegdheid op basis van artikel 2 van
de Wet
RO in ere hersteld. Zo
heeft de burgerlijke rechter de
vangnetfunctie voor die bestuursrechtelijke
geschillen waarvoor geen (volwaardige)
administratiefrechtelijke voorziening
bestaat, bevestigd en in de loop der tijd verder uitgebouwd.
In
die hoedanigheid heeft de burgerlijke
rechter een uiterst belangrijke bijdrage
geleverd aan de ontwikkeling van het
(materiële) bestuursrecht. Deze
tendens is versterkt door het toenemende
beroep op de burgerlijke rechter
in geschillen met als inzet de (on)rechtmatigheid
van besluiten van
algemene strekking, met name algemeen verbindende voorschriften.
Afzonderlijke
vermelding verdient hier voorts de
partiële afschaffing van
het kroonberoep, geïnstigeerd door het
Benthem-arrest van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Sinds 1988 is ingevolge
de TwK de Afdeling voor de geschillen
van bestuur belast met rechtspraak
in het merendeel van de voormalige
kroongeschillen.
Aldus
heeft zich in heel grove lijnen het
huidige stelsel ontwikkeld van -
althans tot voor kort - enerzijds het
kroonberoep als eindvoorziening in een
groot aantal zaken (waaronder belangrijke categorieën als geschillen
op
het terrein van de ruimtelijke ordening
en milieugeschillen), anderzijds administratieve
rechtspraak hetzij door een
gespecialiseerde administratieve
rechter, hetzij door de algemeen
aanvullende administratieve rechter,
en ten slotte als sluitstuk de
restbevoegdheid van de burgerlijke rechter.
1.4.2.
Knelpunten
Het
Nederlandse stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming schiet
op een groot aantal punten tekort.
Ten
eerste is het stelsel in hoge mate
verbrokkeld en daardoor ondoorzichtig
en ontoegankelijk.
rblz.|19|
De
toekenning van rechtsmacht aan de
administratieve rechter is grillig.
Er is een groot aantal gespecialiseerde
administratieve rechters en daarnaast
een algemeen aanvullende administratieve
rechter. Daarnaast is
er nog het (restant van het)
kroonberoep.
De
rechtsmacht van de administratieve
rechters (en de Kroon) is bovendien
onvolledig. Zo zijn niet alle op
zichzelf daarvoor in aanmerking komende
besluiten vatbaar voor beroep op een
gespecialiseerde rechter (of
de Kroon). In die gevallen kan echter
vaak beroep bij de algemeen aanvullende
administratieve rechter, de Afdeling
rechtspraak, worden ingesteld.
Daardoor is de algemeen aanvullende
rechter actief op terreinen
waarop ook een gespecialiseerde rechter
werkzaam is. Soms ook
kunnen niet alle belanghebbenden bij een
bepaald besluit beroep instellen
bij de gespecialiseerde administratieve
rechter (of de Kroon). Ook
in die gevallen is er veelal sprake van
bevoegdheid van de algemeen aanvullende
administratieve rechter, waardoor
eenzelfde besluit door twee
verschillende instanties kan worden
beoordeeld. De bevoegdheid van
de Afdeling rechtspraak is echter ook
weer niet algemeen aanvullend:
er zijn nogal wat (soorten) handelingen
van bestuursorganen uitgesloten
van beroep op grond van de Wet Arob.
Voor die gevallen fungeert zoals gezegd de burgerlijke rechter als
sluitstuk van het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming,
waardoor de onoverzichtelijkheid
verder wordt vergroot. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als
het
gaat om de mogelijkheid van een
voorlopige voorziening. Slechts een deel
van de administratieve rechters is met
die bevoegdheid toegerust, zodat
in de overige gevallen de president in
kort geding in beeld komt. Het
voorgaande betekent dat voor elk
afzonderlijk geschil moet worden beoordeeld
welke voorziening voor welke
belanghebbende openstaat. Dat
is improduktieve arbeid, zowel voor de
bestuursorganen als voor de burgers
en de verschillende rechters. Weliswaar
zijn wettelijke voorzieningen
in voorbereiding die de burger de weg
wijzen (vgl. de artikelen 3.5.5 [3:45],
6.2.15 [6.23]
en 6.2.8 [6:15] van de Awb), maar het
moet toch bepaald wenselijk
worden geacht dat de burger, als hij
eenmaal op correcte wijze naar
een bepaalde instantie is verwezen, ook
begrijpt waarom hij juist bij die
instantie terecht moet. Bovendien blijft
het ook na invoering van de hierboven
genoemde artikelen aan het bestuur
onderscheidenlijk de rechter
om de burger de juiste weg te wijzen.
Ook daarmee zijn tijd en aandacht
gemoeid.
Als
er een administratieve rechter bevoegd
is, doet zich vervolgens het probleem
voor dat de uitspraakbevoegdheden van de
administratieve rechters
doorgaans geringer zijn dan die van de
burgerlijke rechter. Dat betekent
dat een geschil niet altijd bij de
administratieve rechter volledig kan
worden uitgeprocedeerd. Zo komt het vaak
voor dat de burgerlijke rechter
nog een beslissing moet geven over
schadevergoeding naar aanleiding
van onrechtmatige besluiten of dat een
afzonderlijk geding wordt
gevoerd over de in een procedure voor
een administratieve rechter gemaakte
proceskosten. Deze tweesporigheid leidt
tot extra procedures en
daarmee tot extra lasten voor bestuur,
burgers en rechterlijke macht.
In
het geval dat de burgerlijke rechter
aanvullende rechtsbescherming moet
verlenen, wreekt zich dat deze een ander
formeel beoordelingskader
heeft dan de administratieve rechter,
die immers een rechtmatigheidstoetsing
ex tunc uitvoert en in geval van
geconstateerde onrechtmatigheid
het besluit kan vernietigen.
Ten
tweede is het stelsel onevenwichtig.
De
regeling van de rechtsmiddelen is niet
consistent. Dan weer is er sprake
van rechtspraak in eerste en enige
aanleg, dan weer zijn er twee rblz.|20|
feitelijke
instanties, dan weer gaat het om één
feitelijke instantie gevolgd door
beroep in cassatie.
Daarmee
hangt samen dat de geografische
spreiding van de gerechten uiteenloopt.
Voor sommige categorieën zaken kunnen
partijen in eerste aanleg
slechts op één plaats in het land
terecht, voor andere op tien en voor
weer andere op vijf plaatsen.
De
samenstelling van de kamers van de
colleges is lang niet altijd afgestemd
op het kaliber van de zaak. Zo worden
veel zaken in eerste en enige
instantie door een enkelvoudige kamer
behandeld (bij voorbeeld bij de
Afdeling rechtspraak en het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven),
terwijl veel zaken waarin hoger beroep
mogelijk is, in eerste instantie door een meervoudige kamer worden
behandeld (bij voorbeeld tot
voor kort in socialezekerheidszaken en
nog steeds in ambtenarenzaken).
Ten
derde is van groot belang dat het
stelsel niet is afgestemd op het bewaken
van de met het oog op waarden als
gelijkheid en rechtszekerheid
zo belangrijke rechtseenheid.
Dat
geldt allereerst en evident voor de
eenheid binnen het bestuursrecht
zelf. Het grote aantal rechters dat in
laatste instantie oordeelt over (algemene)
vragen van bestuursrecht, bergt gevaren
in zich voor een evenwichtige
ontwikkeling van het (algemeen deel van
het) bestuursrecht.
Daarbij gaat het niet alleen om de
administratieve rechters, maar ook
- en zeker niet in de laatste plaats -
om de civiele rechter, die immers én bij het behandelen van zaken
betreffende privaatrechtelijke rechtshandelingen
van bestuursorganen én als sluitstuk
van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming met grote regelmaat
regels van bestuursrecht
toepast.
Ook
de eenheid van het recht als geheel is
in het geding. Zowel in het bestuursrecht,
het civiele recht als het strafrecht
kunnen dezelfde rechtsvragen
rijzen en kan toepassing van dezelfde
rechtsbeginselen aan de orde
zijn. Belangrijke vragen zijn die
betreffende de uitleg van regels van internationaal
recht. Het is onwenselijk als bij
voorbeeld de Hoge
Raad oordeelt
dat een bepaald verdragsartikel wel
directe werking heeft, terwijl
de Centrale Raad van
Beroep een andere
mening is toegedaan. Een
ander voorbeeld zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
die
op alle drie de rechtsgebieden een rol
spelen. Meer in het algemeen kan
worden gesteld dat het (materiële)
bestuursrecht en het privaatrecht (en
in mindere mate ook het strafrecht) meer
en meer naar elkaar toegroeien
en soms zelfs feitelijk in elkaar
overvloeien. Dit dient consequenties
te hebben voor de rechterlijke organisatie. Daarnaast is het
ongewenst
dat verschillende colleges naast elkaar
met de beslissing van identieke,
nauw verwante of gekoppelde rechtsvragen
worden belast. Dat doet zich nu bijvoorbeeld voor in de
verhouding kantonrechter - raad
van beroep, in de verhouding
gespecialiseerde administratieve rechter
- algemeen aanvullende administratieve rechter en in de
verhouding
administratieve rechter - burgerlijke
rechter, inclusief de president
in kort geding.
De
verbrokkeling van de administratieve
rechtspraak is ten slotte gepaard
gegaan met het tot stand komen van
talrijke en nogal uiteenlopende
regelingen van bestuursprocesrecht. Dat
betekent dat partijen, afhankelijk
van de rechter voor wie geprocedeerd
wordt, met uiteenlopend
procesrecht worden geconfronteerd. Het
betekent ook dat de ontwikkeling
van algemene leerstukken van
bestuursprocesrecht wordt rblz.|21|
belemmerd.
Voorts is het bestuursprocesrecht
nauwelijks gecoördineerd met
het burgerlijk procesrecht en is in meer
algemene zin tot dusverre te weinig
aandacht besteed aan de verhouding
tussen bestuursprocesrecht en
burgerlijk procesrecht.
Een
vierde knelpunt en een ernstig probleem
in de Nederlandse situatie
is de groeiende (over)belasting van de
administratieve rechters. Dit
is niet de plaats om uitgebreid op de oorzaken daarvan in te gaan.
Vaststaat wel dat de hoeveelheid en de aard
van de bestuursrechtelijke regelgeving,
het karakter van de aan de geschillen
ten grondslag liggende
- en soms tegenstrijdige - belangen en
de toegenomen assertiviteit
van de burger jegens het bestuur mede
bepalend zijn voor de grote toeloop
op de administratieve rechter. Vanaf het
begin van de jaren tachtig
heeft de wetgever getracht het groeiende
aantal zaken en daarmee
de toenemende (bovenmatige)
werkvoorraden het hoofd te bieden.
Getracht is het aantal door de rechter
te behandelen zaken te beperken,
onder meer door het versterken van de
rol van de bezwaarschriftprocedure
en het invoeren c.q. verhogen van
griffierechten. Ook is later
meer aandacht geschonken aan het
aanpakken van de bron: het terugdringen
van beroepsgevoelige regelgeving. Tevens
is gezocht naar mogelijkheden
in de processuele sfeer om aanhangige
zaken sneller te kunnen
verwerken: in meer gevallen
unusrechtspraak (ook in hoger beroep),
invoering van de mogelijkheid om al dan
niet met toestemming van
partijen zaken buiten zitting af te
doen, meer mogelijkheden om mondeling
uitspraak te doen en introductie van de
zogenoemde kortsluiting:
de rechter kan in bepaalde gevallen in
het kader van de behandeling
van een verzoek om een voorlopige
voorziening tevens het beroep
in de hoofdzaak afdoen. De inzet van al
deze middelen, hoe nuttig
op zichzelf ook, heeft echter niet
geleid tot het beoogde resultaat. De
groei van het aantal zaken is nog steeds
spectaculair, vooral zoals reeds
vermeld bij de Afdeling rechtspraak, en
ook in de civiele kortgedingrechtspraak
in vreemdelingenzaken. Dat gegeven
dwingt tot het
nemen van meer structurele wettelijke
maatregelen, naast organisatorische
maatregelen.
Ten
vijfde dient het Nederlandse stelsel
geheel in overeenstemming te worden
gebracht met de eisen die de artikelen 6
van het Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en 14 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten (IVBP) stellen.
Daarbij dient uiteraard allereerst te worden gedacht aan de definitieve
voorzieningen in kroongeschillen.
In dat kader wordt de wetgever,
misschien wel voor het laatst,
opnieuw geconfronteerd met de vraag: administratie of rechter.
Verder
zal in alle gevallen waarin sprake is
van een "criminal charge" in de
zin van artikel 14, vijfde lid, van het
IVBP rechtspraak in twee instanties mogelijk moeten zijn. De wetgever zal
bij de regeling van de rechtsmiddelen
dus nauwkeurig moeten nagaan of er in
geval van sancties
sprake is van een "criminal charge".
Bij dit alles geldt dat de wetgever
de internationale normen niet als
maximum behoeft te hanteren.
Wij wijzen er in dit verband op dat het
rechtsstatelijke uitgangspunt
dat elk bestuursrechtelijk geschil aan
een rechter moet kunnen
worden voorgelegd, met zich brengt dat
ook omtrent geschillen die
niet door artikel 6 van het EVRM worden
bestreken, het oordeel van een
rechter moet kunnen worden ingeroepen.
rblz.|22|
1.5.
Plaatsbepaling van het wetsvoorstel
1.5.1.
Twee dimensies van integratie
Kernpunt
in de herziening van de rechterlijke
organisatie is de notie integratie:
de organisatorische en personele
eenwording van de civiele rechtspraak,
de strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak als het
belangrijkste
middel ter verwezenlijking van de
hiervoor genoemde drie doelstellingen
van de herziening.
In
de eerste fase, die primair betrekking
heeft op het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming, zijn tegelijkertijd
twee dimensies van
het begrip integratie aan de orde. Ten eerste de integratie van een
zeer
belangrijk deel van de administratieve
rechtspraak in eerste aanleg. Ten
tweede die van de geïntegreerde
bestuursrechtspraak in eerste aanleg
en een belangrijk deel van de civiele
rechtspraak en de strafrechtspraak
in eerste aanleg. In de tweede fase zal
die laatste ontwikkeling
worden voltooid. In de derde fase zal
ook de rechtspraak in verdere
instanties aan de orde komen. Het
integrerende karakter van de eerste
fase wordt versterkt door de invoering
van een uniform bestuursprocesrecht
voor - onder meer - de geïntegreerde
bestuursrechtspraak in
eerste aanleg en door de invoering van
een voorlopige - rechtseenheidsvoorziening
binnen de rechtspraak, ondanks het feit dat in deze fase
nog
sprake is van rechtspraak in tweede
instantie door twee verschillende,
niet tot de "gewone" rechterlijke
macht behorende gerechten. Bij dit
alles is tevens de inwerkingtreding van
de eerste
tranche van de Awb van
belang.
1.5.2.
Betekenis en reikwijdte van de eerste
fase voor het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Het
onderhavige wetsvoorstel leidt ertoe
dat de hiervoor gereleveerde historische
strijdpunten grotendeels verleden tijd
worden en dat een aantal
van de gesignaleerde knelpunten in het
stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming geheel of ten dele
wordt opgelost, c.q. dat aanzetten
worden gegeven voor een definitieve
oplossing.
Daarbij
is van belang dat de in onderdeel 1.1
genoemde onderdelen van
het wetsvoorstel nauw met elkaar
samenhangen. Om die reden zijn zij
in één wetsvoorstel ondergebracht.
In
het wetsvoorstel voorintegratie wordt de
basis gelegd voor het optrekken
van de eerste fase van de bouw aan onze
nieuwe rechterlijke organisatie.
De totstandkoming van een organisatorische en personele
integratie
van de raden van
beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken
verschaft het fundament waarop de
voorzieningen die in het onderhavige wetsvoorstel worden getroffen, kunnen
worden opgetrokken.
Hierdoor wordt het noodzakelijke
organisatorische kader geschapen
waarbinnen de eerste fase van de
herziening verwezenlijkt kan
worden. De beoogde organisatorische en
personele integratie tussen gewone
en administratieve rechtspraak kan
daardoor reële gestalte krijgen.
De
eerste in historisch opzicht belangrijke
knoop die in dit wetsvoorstel
wordt doorgehakt, is de definitieve en
integrale beëindiging van
de beslechting van bestuursrechtelijke geschillen in laatste instantie
door
een bestuursorgaan. Ook in die gevallen
waarin ingevolge de TwK het
beroep op de Kroon werd gehandhaafd,
wordt nu gekozen voor administratieve
rechtspraak. Daarop wordt in onderdeel 3
uitgebreid rblz.|23|
ingegaan.
Op deze plaats is van belang de
constatering dat het antwoord op
de vraag administratie of rechter uiteindelijk over de hele linie is:
rechter.
Dat wil niet zeggen dat bestuursorganen
geen rol meer spelen in het
stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming. Integendeel, de introductie
van een algemeen verplichte
bezwaarschriftprocedure in artikel 6.3.1a
[7:1] van de
Awb laat zien dat die rol
er wel degelijk is en ook moet
zijn. Ook is in bepaalde gevallen administratief beroep opengesteld.
In
beide gevallen gaat het echter
nadrukkelijk om bestuurlijke voorprocedures,
die voorafgaan aan een mogelijk beroep
op de rechter.
Voorts
wordt nu, in aansluiting op het
wetsvoorstel voorintegratie, een expliciete
en definitieve keuze gemaakt voor één
algemeen bevoegde administratieve
rechter in eerste aanleg. Door de
instelling van algemeen bevoegde
administratieve kamers bij de rechtbanken
wordt het bestaande
stelsel van een aantal gespecialiseerde
rechters met een eigen competentiesfeer, aangevuld door een
algemeen aanvullende administratieve
rechter, ten principale verlaten, ten
gunste van een stelsel
waarin de rechtsmacht in eerste aanleg wordt toegekend aan één
administratieve
rechter. Deze ontwikkeling zal zich
weliswaar geleidelijk voltrekken,
maar de keuze wordt nu gemaakt. Met de
invoering van algemene administratieve rechtspraak zal ook een
halt kunnen worden toegeroepen
aan de neiging om gespecialiseerde
administratieve rechters
voor bijzondere terreinen van het bestuursrecht in te stellen. De
Wet
Arob heeft wat dat betreft overigens al
een belangrijke voortrekkersrol
vervuld.
Tegelijkertijd
en in samenhang daarmee wordt gekozen
voor een geïntegreerd
stelsel van bestuursrechtspraak en
civiele en strafrechtspraak,
in overeenstemming met de steeds verder
gaande materieelrechtelijke
integratie tussen het bestuursrecht
enerzijds en met name het civiele
recht anderzijds. Deze keuze geeft
tevens in belangrijke mate richting
aan het streven naar een doorzichtige en
doelmatige structuur van
de rechterlijke organisatie.
Zo
ontstaat, samen met de in de tweede fase
voorziene integratie van de rechtbanken
en de kantongerechten, het
beeld van één bevoegde rechter
voor de behandeling van alle civiele
zaken, strafzaken en bestuursrechtelijke
zaken in eerste aanleg. Deze opzet biedt
belangrijke voordelen,
zowel voor de bestuursrechtspraak als
voor de rechtspraak in het algemeen, en maakt het bovendien
mogelijk binnen die geïntegreerde
organisatie voorzieningen te treffen om
bestaande knelpunten weg
te nemen. Bij dit alles geldt dat de beoogde voordelen in deze
eerste
fase nog niet ten volle worden
gerealiseerd. In verband met de zowel
op grond van wetgevings- en
implementatieoverwegingen als in verband
met de nog te nemen beslissingen
aangaande de derde fase noodzakelijke
fasering blijft de integratie in deze
fase immers beperkt tot het
geding in eerste aanleg.
Het
verbrokkelde, ondoorzichtige en
ontoegankelijke stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming wordt aanmerkelijk
vereenvoudigd
en enkele bestaande onevenwichtigheden
in het stelsel worden geheel
of ten dele opgeruimd. Zo wordt een
belangrijke stap gezet op de weg
die ertoe moet leiden dat er
uiteindelijk één adres zal zijn waartoe
men
zich kan wenden met een
bestuursrechtelijk geschil. Verder
worden de
verschillen in de bevoegdheid om beroep
in te stellen weggenomen: in
beginsel staat voor elke belanghebbende
beroep open, en wel bij dezelfde
rechter. Concurrerende rechtsgangen zijn
daarmee geëlimineerd.
Ook is het beginsel dat geschillen op
grond van één wet ook door één
rechter worden beslecht verder
doorgevoerd. Verder wordt thans de rblz.|24|
bevoegdheid
van de administratieve rechter geheel
geschoeid op de leest
van het besluitbegrip, met uitzondering
van besluiten inhoudende algemeen
verbindende voorschriften en
beleidsregels en daarmee gelijk te
stellen besluiten, en besluiten ter
voorbereiding van een privaatrechtelijke
rechtshandeling en daarmee gelijk te
stellen besluiten. In dit verband
moet ook de slechting van de negatieve
lijst op grond van artikel 6
van de Wet Arob worden genoemd. Met dit
alles is overigens niet gezegd
dat de aanvullende rol van de
burgerlijke rechter in bestuursrechtelijke
geschillen is uitgespeeld, maar de
competentieverdeling tussen administratieve
en burgerlijke rechter wordt in elk
geval duidelijker. In de toelichting
op afdeling 8.1.1 van de Awb
wordt op de
competentietoedeling
uitgebreid ingegaan. In dit verband
wijzen wij ook op de uitbreiding
van het bestuursrechtelijke kort geding.
Ten slotte is hier van belang
dat de uitspraakbevoegdheden van de
administratieve rechter worden
verruimd. Zo zal hij de bevoegdheid
krijgen een proceskostenveroordeling
uit te spreken en worden de
mogelijkheden voor het toekennen van
schadevergoeding uitgebreid.
In
het onderhavige wetsvoorstel wordt een
bijdrage geleverd aan een evenwichtiger
opzet van het stelsel van
rechtsbescherming. Daartoe wordt
in de eerste fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie voor
de huidige Arob-zaken en een deel van de
TwK- en kroongeschillen rechtspraak
in twee feitelijke instanties ingevoerd.
Aan invoering van rechtspraak
in twee instanties liggen twee
hoofdoverwegingen ten grondslag.
In de eerste plaats wordt daarmee een
voor onze rechterlijke organisatie
geldende hoofdregel gevolgd dat de
mogelijkheid dient te bestaan
om een in eerste aanleg gegeven
rechterlijk oordeel in volle omvang
in hoger beroep te laten toetsen. De
algemene motieven die daaraan
ten grondslag liggen, zijn het
bevorderen van de kwaliteit van de rechtspraak
en de mogelijkheid van het herstellen
van fouten (naast de mogelijkheid
van controle op het werk van de rechter
in eerste aanleg ook
de mogelijkheid van herstel van
misslagen van partijen), het versterken
van het vertrouwen van de burger in de
rechtspraak en het tot stand
brengen van een geografische spreiding
van de rechtspraak in eerste
aanleg De tweede hoofdoverweging is
gelegen in de noodzaak de structureel
hoge werkbelasting bij de beide rechtsprekende afdelingen
van
de Raad van State, in het bijzonder bij
de Afdeling rechtspraak, te verminderen.
Aldus levert dit wetsvoorstel ook een
belangrijke bijdrage aan
het terugdringen van de werklast en de
werkdruk. Daarop wordt in onderdeel
5.1 nader ingegaan.
Wij
hebben in deze eerste fase niet
gestreefd naar de verwezenlijking van
een volstrekt uniform systeem. Wel
hebben wij gestreefd naar de totstandkoming
van een stelsel dat enerzijds uit een
oogpunt van rechterlijke
organisatie evenwichtig is en recht doet
aan het door ons gekozen
uitgangspunt en anderzijds doelmatig en
praktisch is met het oog
op een goede en verantwoorde invoering
van deze eerste fase en de beheersbaarheid
van het aantal zaken en rekening houdt
met bestuurlijke belangen.
Van
de hoofdregel van rechtspraak in twee
feitelijke instanties moet soms
worden afgeweken. Naar onze mening zijn
er voor bepaalde categorieën
van zaken zodanige indicaties tegen
rechtspraak in twee feitelijke
instanties dat deze in deze fase
voorshands zwaarder moet wegen
dan de met die rechtspraak beoogde
voordelen. Het bestaan en het
gewicht van deze indicaties hebben ertoe
geleid dat in het thans gepresenteerde
stelsel een relatief groot aantal zaken
voorshands zal worden
afgedaan in één instantie. Aan die
keuze liggen in hoofdzaak praktische
overwegingen ten grondslag. Voor een
verantwoorde, rblz.|25|
gefaseerde
herstructurering van onze rechterlijke
organisatie dient rekening
te worden gehouden met de grote en
specifieke ervaring van de reeds
bestaande rechterlijke colleges van
eerste en enige aanleg met de afdoening
van bepaalde categorieën van zaken en met de
noodzaak de
problemen
die in verband met de implementatie
kunnen ontstaan bij de Raad van State, waar zaken weggaan, en bij de
rechtbanken, waar zaken bijkomen, te beperken. Dat komt de beheersbaarheid
van het reorganisatieproces
ten goede. Voorts wijzen wij op zaken
die kort als kwetsbare zaken
zouden kunnen worden aangeduid. Wij doelen daarbij op zaken
waar
grote en tegengestelde belangen op het
spel staan en waarin met het
oog op een zorgvuldige afweging van die
belangen uitgebreide voorbereidingsprocedures
voorafgaan aan de bestuurlijk
besluitvorming. Juist
in die zaken dient het geheel van
procedures niet te lang te duren. Nu
onzeker is in welke mate juist in dit
soort geschillen zal worden doorgeprocedeerd
in geval van het openstellen van de
mogelijkheid van hoger
beroep, is het prudent om in dit eerste
stadium van de herziening in die gevallen te kiezen voor rechtspraak
in één instantie.
Als
gevolg van de in het onderhavige
wetsvoorstel gedane voorstellen verdwijnt
de Arob-zaak als species van een geschil
tussen bestuur en burger.
Met het verdwijnen van Arob-rechtspraak
als een afzonderlijke tak
van administratieve rechtspraak komt de
Wet Arob te vervallen. Hiermee
wordt een cruciale fase in de
ontwikkeling van ons stelsel van rechtsbescherming
van de burger tegenover het bestuur
afgesloten. Arob-rechtspraak
als een aanvullende bestuursrechterlijke
voorziening verdwijnt
en gaat op in algemene bestuursrechtspraak in eerste aanleg
bij
de rechtbanken. Dat is een markant
omslagpunt. De grote verworvenheden
van de Wet Arob verdwijnen niet. Daarop
wordt voortgebouwd in het
nieuwe stelsel.
De
invoering van een uniform
bestuursprocesrecht maakt een einde aan
de onnodige versplintering van het
bestuursprocesrecht. Het nieuwe bestuursprocesrecht
stelt de rechter in staat om op soepele,
adequate wijze
de aan hem voorgelegde
bestuursrechtelijke geschillen te beslissen.
Het voorkomt dat tijd en aandacht moeten
worden besteed aan procedurele kwesties die buiten het
eigenlijke, materieelrechtelijke conflict
staan. Bij de vormgeving van het
bestuursprocesrecht is gestreefd
naar afstemming op en harmonisatie met
het burgerlijk procesrecht,
dat overigens zelf ook aan belangrijke
wijzigingen onderhevig is en,
met name in de tweede fase van de
herziening, zal zijn. Ook het strafprocesrecht
is in de beschouwingen betrokken. De
tijd is thans nog niet
rijp om ten gronde te bezien of een,
meer of minder vergaande, integratie
tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk
procesrecht wenselijk en
haalbaar is. Daarop wordt in onderdeel 2
nader ingegaan.
In
het kader van het nieuwe
bestuursprocesrecht wordt ook de verdeling
van zaken over enkelvoudige en
meervoudige kamers uniform geregeld.
In beginsel is in eerste aanleg sprake
van enkelvoudige rechtspraak,
met dien verstande dat een zaak altijd
naar een meervoudige kamer
kan worden verwezen. In hoger beroep is
in beginsel sprake van meervoudige
rechtspraak.
Het
in het oog springende gebrek aan
garanties voor eenheid in de toepassing
van het recht in het algemeen en het
bestuurs(proces)recht in het
bijzonder wordt in deze fase van de
herziening in belangrijke mate weggenomen
door de invoering van een prejudicieel
stelsel voor de beantwoording
door de Hoge
Raad van door de
administratieve rechters in hoogste ressort aan hem voor te leggen
rechtsvragen die van belang zijn
voor de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling in het algemeen.
rblz.|26|
Zo
bezien vormen de vijf onderdelen van dit
wetsvoorstel, in samenhang
met het wetsvoorstel voorintegratie, een
grote sprong voorwaarts
in de ontwikkeling van de Nederlandse rechterlijke organisatie
in het algemeen en het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming
in het bijzonder.
In
het vervolg van dit algemeen deel van de
toelichting en in de artikelsgewijze
toelichting zullen de hiervoor
gememoreerde algemene noties
worden geconcretiseerd en verder uitgewerkt.
1.6.
Opbouw van het wetsvoorstel
De
wettelijke voorzieningen ten behoeve van
de voltooiing van de eerste
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie en de in dit wetsvoorstel
opgenomen aanpassingswetgeving aan de
eerste tranche van
de Awb vergen de wijziging van een zeer
groot aantal wetten. Ter bevordering
van de inzichtelijkheid is het
wetsvoorstel daarom zoveel mogelijk
systematisch ingedeeld. Dat heeft geleid
tot de volgende opzet.
Het
wetsvoorstel bestaat uit zes, met
Arabische cijfers aangeduide, thematisch
afgebakende onderdelen waarin, met
uitzondering van onderdeel
6, dat overgangs- en slotbepalingen
bevat, de wijziging van een
kleiner of groter aantal wetten wordt
voorgesteld. Vanzelfsprekend komt
een bepaalde wet maar in één van de
onderdelen voor, en wel in het
meest daarvoor in aanmerking komende
onderdeel. In de toelichting bij
de diverse onderdelen wordt nader op de
rubricering ingegaan.
In
de aanpassingsoperatie zijn allereerst
betrokken alle relevante bestaande wetten, met uitzondering van wetten die
vóór of op 1 juli 1993
worden ingetrokken of die op 1 juli 1993
feitelijk zijn uitgewerkt. Verder
zijn die relevante bij de Tweede Kamer
aanhangige wetsvoorstellen
meegenomen die vóór of op 1 juli 1993 in
werking zullen treden. Voor
de wetgeving van het ministerie van
Onderwijs en Wetenschappen geldt
dat uitsluitend bij de Eerste Kamer
aanhangige wetsvoorstellen zijn meegenomen.
De
Vreemdelingenwet is voorshands buiten de
aanpassing gebleven. Thans
is een wetsvoorstel bij de Raad van State
aanhangig dat een ingrijpende
herziening van de Vreemdelingenwet
bevat, onder meer op het
punt van het stelsel van
rechtsbescherming. Dat wetsvoorstel zal,
zo is
de bedoeling, eerder in werking treden
dan het onderhavige
wetsvoorstel.
In dat geval zal de aanpassing van de
aldus herziene Vreemdelingenwet te gelegener tijd bij nota van wijziging
in dit wetsvoorstel
worden ingebracht.
De
aanpassing van het stelsel van
rechtsbescherming in de Algemene Bijstandswet,
de Ioaw en de
Ioaz aan het algemene
stelsel in socialezekerheidszaken
zal om praktische redenen worden
opgenomen in
het, eveneens bij de Raad van State
aanhangige, voorstel van wet herinrichting
Algemene Bijstandswet onderscheidenlijk
in de bijbehorende
invoeringswet.
Voor deze werkwijze is gekozen nu
uitgangspunt is dat de inwerkingtreding
daarvan zal plaatsvinden tegelijk met
het onderhavige wetsvoorstel.
De
zes onderdelen van het wetsvoorstel
zijn:
1.
Rechterlijke organisatie (de instelling
van administratieve kamers bij de rechtbanken; de
rechtseenheidsvoorziening; technische
aanpassingen).
rblz.|27|
2.
Algemene wet bestuursrecht (invoering
uniform bestuursprocesrecht
en de daaruit, alsmede uit de
aanpassingswetgeving aan de eerste tranche
voortvloeiende aanpassingen).
3.
Wijziging van rechtstreeks betrokken
institutionele en processuele wetten (Wet
op de Raad van State c.a.,
Beroepswet c.a., Ambtenarenwet
1929,
Wet administratieve rechtspraak
bedrijfsorganisatie (Wet Arbo), Wet
op de studiefinanciering), alsmede
intrekking van de Wet Arob.
4.
Wijziging van bijzondere wetten in
verband met de te treffen definitieve
voorzieningen in kroongeschillen.
5.
Wijziging van overige institutionele,
processuele en bijzondere wetten.
6.
Overgangs- en slotbepalingen.
Bij
de redactie van de desbetreffende
bepalingen is ervan uitgegaan dat
het wetsvoorstel voorintegratie en het,
thans nog bij de Raad van State
aanhangige, voorstel voor een Algemene
wet erkenning EG-hogeronderwijsdiploma's eerder in werking treden dan
het
onderhavige wetsvoorstel.
Behalve
de nodige wetten in formele zin zullen
ook diverse algemene maatregelen
van bestuur en andere regelingen moeten
worden gewijzigd.
Daarin zal tijdig worden voorzien.
1.7.
Voorbereiding van het wetsvoorstel
Bij
de voorbereiding van dit omvangrijke
wetsvoorstel is dankbaar gebruik
gemaakt van de inbreng van deskundigen
uit de praktijk en de wetenschap,
van de adviezen van adviesorganen en van
de uitkomsten van evaluatieonderzoeken. Verder heeft over
de beleidsmatige uitgangspunten
van de voltooiing van de eerste fase van
de herziening van de rechterlijke
organisatie uiteraard intensief overleg
plaatsgevonden met de Raad van State
als direct betrokkene en
met de functionele geledingen
binnen de rechterlijke macht en de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. In de verschillende
onderdelen van de toelichting wordt
waar nodig nader op de voorbereiding
ingegaan.
Op
deze plaats verdient bijzondere
vermelding de werkwijze ten aanzien
van het nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht. Een klankbordgroep,
bestaande uit leden van de meest betrokken rechterlijke colleges,
een
hoogleraar in het bestuursrecht, een in
het bestuursrecht gespecialiseerde
advocaat en de regeringscommissaris voor
de algemene regels van bestuursrecht, heeft actief en intensief
aan het voorbereidingsproces deelgenomen.
Ook is enkele malen de Commissie
wetgeving algemene regels
van bestuursrecht geraadpleegd. Het is
uiterst vruchtbaar gebleken
dat bij de voorbereiding van een
regeling als de onderhavige reeds
in een vroeg stadium kan worden
geprofiteerd van externe kennis van
en ervaring met het betrokken
rechtsgebied. Bij de vormgeving van het
nieuwe bestuursprocesrecht is tevens
gebruik gemaakt van twee
evaluatieonderzoeken
naar het functioneren van de TwK. Het
eerste onderzoek,
verricht in opdracht van onze
ambtsvoorgangers door de vakgroep
bestuursrecht en bestuurskunde van de
Rijksuniversiteit Groningen,
is neergelegd in het rapport
Kroongeschillen en bestuursprocesrecht
(Ter Brugge, Veltman, Bröring,
Schuiling en Scheltema, Deventer,
1991). Het tweede onderzoek, verricht in
opdracht van de toenmalige
Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(VROM) door de vakgroep staats- en
bestuursrecht van de Rijksuniversiteit
Utrecht, is neergelegd in het rapport
Bestuursrechtspraak
in milieugeschillen (Widdershoven,
Jurgens, Addink en Van Buuren,
Zwolle, 1991). Een eerste concept van
het nieuwe bestuursprocesrecht rblz.|28|
is, toen de werkzaamheden ongeveer
halverwege waren, ter consultatie
voorgelegd aan de functionele geledingen
binnen de rechterlijke
macht en de Raad van State
en aan de VNG [Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, red.], het IPO [Interprovinciaal Overleg, red.]
en de Unie van Waterschappen.
Later is dit eerste concept ook
voorgelegd aan de RARO [Raad van Advies
voor de Ruimtelijke ordening, red.] en
de CRMH [Centrale Raad voor de
Milieuhygiëne, red.]. Een tweede concept is vervolgens nog aan een aantal van
de
respondenten op het eerste concept
voorgelegd alsook aan de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.], de
Onderwijsraad, de Ziekenfondsraad en de
SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.]. Het tweede concept heeft
- en dat is verheugend - tot een groot
aantal reacties in de literatuur
aanleiding gegeven. Wij vermelden in het
bijzonder de NJB-special [NJB:
Nederlands Juristenblad, red.] over het uniform bestuursprocesrecht (NJB,
1991, nr. 36). Ook
vermelden wij de preadviezen voor de NJV
[Nederlandse Juristen Vereniging, red.] in 1991 van Brenninkmeijer,
Van Wijmen en Blaauw over de
harmonisatie van procesrecht bij integratie
van rechtspraak. Tevens is een aantal
studiebijeenkomsten aan het
nieuwe bestuursprocesrecht gewijd. Ook
daardoor is het werk van de ontwerpers
vergemakkelijkt en de kwaliteit van het
wetsvoorstel verder bevorderd.
Meer
in het algemeen verheugt het ons te
kunnen constateren dat de in
dit wetsvoorstel vervatte voorstellen in
het algemeen in zeer brede kring
op instemming kunnen rekenen.
De
hiervoor genoemde adviezen worden
gelijktijdig met de indiening van
dit wetsvoorstel afzonderlijk ter kennis
van de Tweede Kamer gebracht.
2.
Uniform bestuursprocesrecht
2.1.
Algemeen
Reeds
in de nota "Naar een nieuwe structuur
van de rechterlijke organisatie"
werd aangekondigd dat in samenhang met
de herziening van
de rechterlijke organisatie een begin zou worden gemaakt met de
wenselijke
harmonisatie en unificatie van het
bestuursprocesrecht. De gedachte
was toen nog in de eerste fase een min
of meer voorlopige regeling tot stand te brengen van het door de
administratieve kamers van de rechtbanken
toe te passen procesrecht in
eerste aanleg in socialezekerheidszaken,
ambtenarenzaken, Arob-zaken en
vreemdelingenzaken.
Deze zou, zo was de gedachte, worden
opgenomen in de Wet Arob.
In
de memorie van toelichting bij de eerste
tranche van de Awb
werd, voortbouwend
op de voornemens van het toenmalige
kabinet aangaande de
herziening van de rechterlijke organisatie, de opneming in de Awb
aangekondigd
van een definitieve regeling van het
bestuursprocesrecht, toe
te passen door alle administratieve
rechters. Dit zou moeten geschieden
in de laatste fase van de herziening.
Daarbij werd gemotiveerd
waarom het de voorkeur heeft in het
bestuursrecht tot één, ongedeelde
codificatie van materieel bestuursrecht
en bestuursprocesrecht
te komen. Voor het bestuursprocesrecht
werd in de structuur van de
Awb al een plaats ingeruimd: hoofdstuk 8, Bijzondere bepalingen over beroep
op een administratieve rechter. De
gedachte was een nieuw in te stellen
projectgroep onder voorzitterschap van
de regeringscommissaris voor
de algemene regels van bestuursrecht te
belasten met het tot stand brengen
van een voorontwerp voor de definitieve
en algemene regeling van
het bestuursprocesrecht.
Inmiddels
zijn de bakens enigszins verzet. Zoals
in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel voorintegratie al
is aangekondigd, zal rblz.|29|
reeds
het in de eerste fase tot stand te brengen nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht
worden opgenomen in hoofdstuk 8
van de Awb, getiteld:
Beroep bij de rechtbank. Dit uniforme
bestuursprocesrecht zal niet
alleen worden toegepast door de
(administratieve kamers van de) rechtbanken,
maar ook door de in deze fase optredende
appelrechters - de
Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van
Beroep - en door
het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en het College van
beroep studiefinanciering. De regeling draagt
ook een veel minder voorlopig
karakter dan aanvankelijk de bedoeling
was. Hetgeen thans voorligt,
is een nieuw doordachte, modern
opgezette regeling voor de procesvoering
bij de administratieve rechter. In
beginsel is die blijvend. Wel
is ten aanzien van enkele punten
terughoudendheid betracht bij de vernieuwing,
hetzij vanwege de stand van de
rechtsontwikkeling (bijvoorbeeld
de slechts beperkte
competentie-uitbreiding van de administratieve
rechter, waardoor in deze fase nog
steeds een belangrijke rol voor
de burgerlijke rechter zal zijn
weggelegd), hetzij omdat de voltooiing van
de herstructurering van het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming
in de derde fase moet of beter kan
worden afgewacht (bijvoorbeeld
het toekennen aan de administratieve
rechter van een exclusieve
bevoegdheid tot het toekennen van
schadevergoeding).
Het
nu in de Awb
op te nemen hoofdstuk 8 is
de voorloper van en de wegbereider
voor het toekomstige hoofdstuk 8, dat
betrekking zal hebben
op alle bestuursrechterlijke procedures.
In het kader van de voorbereiding
van onder meer de derde fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie zal een evaluatie van het
uniforme bestuursprocesrecht
plaatsvinden, gekoppeld aan een studie
naar enkele specifieke vernieuwingsmogelijkheden.
Deze evaluatie staat los van de - nu nog
- in artikel 7.2a [11:1]
van de Awb
opgenomen verplichting
om periodiek aan de Staten-Generaal
verslag uit te brengen van de toepassing
van de Awb. Deze
zal - zo wordt in het nieuw voorgestelde
artikel 7.1 [11:1] bepaald - geen betrekking
hebben op de in de Awb opgenomen
voorschriften betreffende
beroep bij een administratieve rechter.
Wij verwijzen voorts naar onderdeel
2.2.
De
wenselijkheid van de totstandkoming van
een uniform bestuursprocesrecht
wordt alom erkend. Het is van groot
belang dat bestuursrechtelijke
geschillen tussen overheid en burger
volgens eenvormige regels van bestuursprocesrecht
worden beslecht. De algemene
overwegingen die aan
de totstandkoming van algemene regels
van bestuursrecht ten grondslag
liggen, gelden ook voor het
bestuursprocesrecht. Wij verwijzen
naar de algemene beschouwingen daarover
in de memorie van toelichting
bij de eerste tranche van de Awb.
Eenheid in het (geschreven) bestuursprocesrecht
verhoogt de kwaliteit van de
rechtsbescherming. Zij dient
de rechtszekerheid en voorkomt
rechtsongelijkheid. Uniform bestuursprocesrecht
bevordert een goede procesvoering. Het
maakt het procederen
voor partijen eenvoudiger en
vergemakkelijkt de behandeling en
afdoening van de zaak door de administratieve rechter. De totstandkoming
van een uniform bestuursprocesrecht is
mogelijk omdat de omstandigheid
dat (thans) onderscheiden typen van
bestuursrechtelijke zaken
bestaan - zoals ambtenarenzaken,
socialezekerheidszaken, Arob-zaken,
TwK-zaken, zaken op het terrein van de
sociaal-economische
ordening en belastingzaken - niet noopt
tot afdoening volgens een
op de verschillende zaken specifiek
toegesneden procesrecht. Voor een
uiteenlopend bestuursprocesrecht zou
slechts plaats zijn indien er principiële
verschillen tussen de verschillende
bestuursrechtelijke zaken zouden
bestaan die zouden noodzaken tot een
verschillende inrichting van
de procedure. Dergelijke principiële
verschillen zijn er echter niet. Invoering
van een uniform bestuursprocesrecht is
daarom geboden, voor rblz.|30|
zover
één rechter wordt belast met de
behandeling van zaken die voorheen
door onderscheiden rechters volgens een
eigen procesrecht werden
afgedaan. De verwezenlijking van een
uniform bestuursprocesrecht
is wenselijk, ongeacht de inrichting van
het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming. Het is dus een goede
zaak dat het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en het College van
beroep studiefinanciering,
die niet zijn betrokken in deze eerste
fase van de herziening
van de rechterlijke organisatie, het
nieuwe uniforme bestuursprocesrecht
toch nu reeds gaan toepassen. Bezien zal
worden of het mogelijk
is dat ook de belastingrechter nog
vóór de (voltooiing van de) derde
fase van de herziening over het nieuwe
procesrecht zal beschikken.
Indien
dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven,
zal het onderscheiden procesrecht
zoals dat thans nog is geregeld in de Wet
op de Raad van State,
de Wet Arob, de Ambtenarenwet
1929, de
Beroepswet, de Wet Arbo en de Wet
op de studiefinanciering kunnen vervallen. Er bestaan
zoals gezegd geen principiële
verschillen tussen de verschillende bestuursrechtelijke
zaken. Dat blijkt reeds uit een
vergelijking van de hierboven
vermelde procesrechten. Zij regelen
allemaal hetzelfde, maar op
onderdelen net iets verschillend, zonder
dat daarvoor - althans nu nog -
goede gronden zijn. Zo mag de
TwK-rechter zelf in de zaak voorzien, terwijl
de Afdeling rechtspraak die bevoegdheid
nog niet heeft. De ambtenarenrechter
heeft, geconfronteerd met een onwillig
bestuur, slechts
de mogelijkheid de zaak financieel op te
lossen. Het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven zou het nog
steeds kunnen beleven, althans
volgens artikel 74 van de Wet Arbo, dat
de Kroon bepaalt dat aan
een uitspraak van het College wegens
strijd met het algemeen belang
geheel of gedeeltelijk het beoogde
effect wordt ontnomen. Door het
thans voorliggende wetsvoorstel worden
deze en andere nodeloze en daarmee
ongerechtvaardigde verschillen
geëcarteerd.
Bij
de opstelling van het procesrecht zoals
dat thans voorligt, is vanzelfsprekend
geput uit richtinggevende bronnen.
Allereerst dient te worden
gewezen op de bestaande proceswetten.
Daarbij moesten uiteraard
soms keuzen worden gemaakt tussen
uiteenlopende voorliggende
oplossingen. Voorts is gebruik gemaakt
van het rapport van de Werkgroep
harmonisatie administratief procesrecht
van de Afdeling administratieve
rechtspraak van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak
van 1983. Verder is het één en ander
ontleend aan het rapport van
de Commissie herziening Beroepswet en
Ambtenarenwet 1929 van 1968,
waarin is opgenomen een voorstel voor
een Wet administratieve rechtspleging
sociale en ambtenarenwetgeving, met
memorie van toelichting.
Niettemin is sprake van een nieuwe
regeling, toegesneden op de
doelstellingen en de gewenste karakteristieken van het nieuwe
procesrecht.
Op de wijze van voorbereiding van het
nieuwe bestuursprocesrecht
en de rol van de verschillende adviezen
is in onderdeel 1.7 reeds ingegaan.
2.2.
Bestuursrecht en bestuursprocesrecht
2.2.1. Algemeen
In
(de klassieke visie op) het
bestuursrecht staat van oudsher centraal
de
conceptie dat het bestuurshandelen moet
worden gekwalificeerd en benaderd
als het eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie.
Als zodanig werd en wordt het
bestuurshandelen beschouwd als de
laatste schakel in de keten van
publiekrechtelijke rechtsvorming. De zogenoemde
gebonden beschikking kan, ook
historisch, worden rblz.|31|
beschouwd
als het prototype van deze wijze van het
eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie,
waarbij het bestuursorgaan zich
kan beperken tot de zuivere uitvoering
van door de (formele) wetgever
gestelde regels en waarbij van het
afwegen van belangen in het algemeen
of in concreto geen sprake is. In latere
fasen van de ontwikkeling
van het bestuursrecht zijn steeds meer
taken aan bestuursorganen gegeven.
Daarbij zijn ook andere typen van
bestuurshandelen tot ontwikkeling
gekomen. Zo zijn met het toenemen van de
hoeveelheid beleidsinstrumentele
wetgeving de nodige discretionaire
bevoegdheden aan bestuursorganen
toegekend. Veel meer dan bij de gebonden
beschikking kreeg
het bestuur daarbij manoeuvreerruimte
bij het vaststellen van wat in
het concrete geval rechtens is. Hoewel
het ook in deze gevallen gaat om
het eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie, vragen
deze bevoegdheden van het bestuur een
andere wijze van besluitvorming,
waarbij meer gewicht moet worden
toegekend aan de gerechtvaardigde
belangen van de betrokken burgers.
De
conceptie van eenzijdigheid heeft
belangrijke gevolgen gehad voor het
vaststellen van de doelstellingen en
daarmee van de vormgeving van het
klassieke bestuursprocesrecht.
In
dat licht is het begrijpelijk dat de
inzet van het bestuursrechtelijk geding
van meet af aan is geweest de toetsing
van de rechtmatigheid van
het bestuurshandelen (op deze plaats
kunnen buiten beschouwing
blijven de in onderdeel 1.4.1 behandelde
discussie omtrent het
opdragen van die toetsing aan het
bestuur of aan de rechter en de daarmee samenhangende, eveneens in
onderdeel
1.4.1 behandelde, verhouding
tussen rechtmatigheidstoetsing en
doelmatigheidstoetsing). De
rechtmatigheidstoetsing van het bestuurshandelen - en daarmee het
(klassieke)
bestuursrechtelijke geding - heeft twee
doelstellingen.
De,
historisch, eerste doelstelling is de
handhaving van het objectieve
publïekrecht. Gelet op de conceptie van
eenzijdigheid ligt het voor
de hand dat als oogmerk van een bestuursrechtelijke procedure
aanvankelijk
vooral werd beschouwd de controle van de
wijze waarop het desbetreffende
bestuursorgaan zich had gekweten van de
aan hem opgedragen
uitvoering van door de (formele)
wetgever vastgestelde regels.
Die controle diende primair het algemeen
belang. Hiermee hangt samen
dat die rechtmatigheidstoetsing was
gericht op het concrete, rechtsvaststellende
handelen van het bestuur. Wij tekenen
overigens aan
dat in de loop van de tijd de
doelstelling handhaving van het objectieve
publiekrecht ruimer is uitgelegd.
Daaraan zijn noties als rechtszekerheid,
duidelijkheid en slagvaardig
bestuursoptreden verbonden.
Met
het feit dat de rechtmatigheidstoetsing
was gericht op het concrete
rechtsvaststellende handelen van het
bestuur, was nauw verbonden
de keuze voor een toetsing ex tunc.
De
tweede doelstelling is het bieden van
rechtsbescherming. Gelet op
de eenzijdigheid van het
bestuurshandelen en de daarmee gepaard gaande
ongelijkheid in de verhouding
bestuursorgaan-burger, ligt het
evenzeer
voor de hand dat een bestuursrechtelijke
procedure mede tot doel
had het bieden van rechtsbescherming aan
de burger tegen het eenzijdige
optreden van de - machtige(r) -
overheid. Daarmee is onverbrekelijk
het begrip ongelijkheidscompensatie
verbonden, waarmee wordt
geduid op het feit dat door de inrichting van het bestuursprocesrecht
en het optreden van de administratieve
rechter daarin tegenwicht werd
geboden tegen de voorsprong die het
bestuursorgaan ten opzichte van
de burger geacht werd te hebben, en vaak
ook had. Wij merken op rblz.|32|
dat
het onderkennen van deze tweede
doelstelling in de meeste gevallen heeft
geleid tot een stelsel waarin het recht
om het handelen van het bestuur
ter toetsing aan de rechter voor te
leggen, is toegekend aan degene
wiens belang rechtstreeks bij dat
handelen was betrokken. Slechts in enkele gevallen heeft de wetgever
gekozen voor een zogenoemde
actio popularis.
Het
onderscheiden van deze beide
doelstellingen betekent overigens
geenszins
dat zij ook daadwerkelijk van elkaar
kunnen worden gescheiden.
Dat blijkt al uit het feit dat de handhaving van het objectieve
recht
van begin af aan toch meestal geschiedt
via de ingang van de rechtsbescherming.
Niettemin heeft het om analytische
redenen zin dit onderscheid
te maken.
2.2.2.
Karakteristieken van het (klassieke)
bestuursprocesrecht
In
de loop van de tijd heeft zich een
aantal karakteristieken van het (klassieke)
bestuursprocesrecht ontwikkeld. Het is
overigens niet zo dat al
deze karakteristieken zijn terug te vinden in alle thans bestaande
regelingen
van bestuursprocesrecht. Daarvoor is de
historische ontwikkeling
te divers geweest en beslaat zij een te
lange periode. Voorts verschilt de uitwerking van een bepaalde
karakteristiek nogal eens van regeling
tot regeling. Verder merken wij op deze
plaats alvast op dat de aanwezigheid
van bepaalde karakteristieken in de
huidige regelingen van bestuursprocesrecht
niet impliceert dat deze ook aan het
nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht zouden moeten worden
toegekend.
In
een bestuursrechtelijke procedure gaat
het, zoals hiervoor gememoreerd,
om een rechtmatigheidstoetsing ex tunc
van het bestuurshandelen,
op instigatie van één of meer belanghebbenden. Dat bestuurshandelen
kent verschillende juridische
verschijningsvormen. In de meeste bestuursrechtelijke
wetgeving, waaronder ook de Awb, is
gekozen voor aanknoping
bij het besluit als meest
karakteristieke verschijningsvorm.
Als
eerste karakteristiek van het
bestuursprocesrecht kan derhalve worden
genoemd het centraal stellen van de
rechtmatigheidstoetsing ex
tunc van een besluit.
Een
tweede belangrijke karakteristiek is het
voorschrijven van korte beroepstermijnen.
Zij vloeit voort uit de doelstelling van
het handhaven van
het objectieve publiekrecht en is ook uit een oogpunt van rechtsbescherming
van belang. Essentieel daarbij is dat -
behoudens de mogelijkheid
van toetsing bij wege van exceptie in
geval van een besluit van
algemene strekking - binnen betrekkelijk
korte termijn zekerheid wordt
verkregen over de (on)rechtmatigheid van
een besluit. Het leerstuk van
de formele rechtskracht is daarmee
verbonden.
Een
derde belangrijke karakteristiek van het
bestuursprocesrecht is het zoeken
naar de materiële waarheid. Zij
vertaalt zich in een aantal kenmerken,
die soms voortvloeien uit beide
doelstellingen van het bestuursprocesrecht
en soms het gevolg zijn van slechts één
van die doelstellingen.
Een
wezenlijk kenmerk is dat de rechter, op
zoek naar de relevante feiten,
in belangrijke mate het verloop van de
procedure bepaalt en niet alleen
verplicht is ambtshalve de rechtsgronden
aan te vullen, maar ook nadrukkelijk
bevoegd is op basis van eigen onderzoek
tijdens het vooronderzoek
en tijdens het onderzoek ter zitting
ambtshalve de feiten aan
te vullen. Men spreekt veelal van de
actieve rechter of van de rechter rblz.|33|
als
dominus litis. Dit kenmerk hangt zowel
samen met het handhaven van het
objectieve publiekrecht als met het
bieden van rechtsbescherming.
In
het verlengde van de actief
onderzoekende attitude van de rechter ligt
het vrijwel ontbreken van regels van
materieel bewijsrecht in het bestuursprocesrecht.
Onder meer daarmee hangt samen dat het bestuursrechtelijke
geding als een eenheid wordt beschouwd,
leidend tot één
einduitspraak, en niet, zoals de
dagvaardingsprocedure in het burgerlijk
procesrecht, is geconstrueerd als een
reeks van - in beginsel appellabele
- tussenvonnissen, uiteindelijk gevolgd
door een eindvonnis.
Eveneens
in het verlengde van de rechterlijke
attitude in het bestuursprocesrecht
ligt het gewicht dat van oudsher is
toegekend aan het onderzoek
ter zitting. De mondelinge behandeling
kan een belangrijke bijdrage
leveren aan het op tafel krijgen van de
relevante feiten en omstandigheden.
Zij kan verder bijdragen aan de
compensatie van de ongelijkheid
tussen partijen. Ten slotte kan zij
fungeren als correctief op het
hierna te memoreren gegeven dat in het
bestuursprocesrecht geen sprake
is van verplichte procesvertegenwoordiging of verplichte
rechtsbijstand.
Een
opvallend kenmerk van het klassieke
bestuursprocesrecht, voortvloeiend
uit de doelstelling van het handhaven
van het objectieve publiekrecht,
is de bevoegdheid, ja soms zelfs de
verplichting, van de rechter
om bij de toetsing van het bestreden
besluit buiten de grenzen van
het beroepschrift te treden, het
zogenoemde ultra petita gaan (vgl.
artikel 69 [oud, red.], eerste lid, van de
Beroepswet). Daarmee is verwant de
mogelijkheid om de indiener van het
beroepschrift in een slechtere positie
te brengen dan vóór het instellen van beroep, de zogenoemde
reformatio
in peius (vgl. artikel
69 [oud, red.], tweede
lid, van de
Beroepswet).
Als
vierde karakteristiek, volgend uit de
rechtsbeschermingsfunctie, noemen wij dat het bestuursprocesrecht voor de
burger laagdrempelig is.
Dat betekent dat het bestuursprocesrecht
de belanghebbende burger in
staat moet stellen om door middel van
een eenvoudige rechtsingang, tegen
betrekkelijk geringe kosten en met een
betrekkelijk gering kostenrisico,
zonder verplichte
procesvertegenwoordiging of verplichte
rechtsbijstand
maar wel met de mogelijkheid van
vertegenwoordiging of bijstand,
en in een betrekkelijk informele
procedure, de rechtmatigheid van
een besluit van een bestuursorgaan in
rechte aan te vechten.
2.2.3.
Ontwikkelingen in het
bestuursprocesrecht
Hiervoor
is benadrukt dat de conceptie van het
eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie door
bestuursorganen, in hoge mate
bepalend is geweest voor de ontwikkeling
van het bestuursprocesrecht.
Die ontwikkeling kent uiteraard een
zekere dynamiek. In verband met
de door ons gehanteerde, hierna uiteen
te zetten, criteria bij het opstellen
van het uniforme bestuursprocesrecht en
de daarbij gemaakte keuzen
is het van belang daaraan op deze plaats
aandacht te besteden.
De
toetsing van veel van het
bestuurshandelen vindt thans op een andere
wijze plaats dan aan het begin van deze
eeuw, toen - afgezien van
de rechtspraak in belastingzaken - de eerste administratieve rechters
hun
intrede deden. In lijn met de
toentertijd doorgaans aan bestuursorganen
toegekende gebonden
beschikkingsbevoegdheden bleef de toetsing
beperkt tot de vaststelling van de
feiten en de controle van de wetmatigheid
van het bestuurshandelen. De hiervoor al
gememoreerde snelle
groei van de bestuursinstrumentele wetgeving, met name in de
rblz.|34|
periode
na 1945, ging gepaard met toenemende
discretionaire bevoegdheden
van de bestuursorganen. Daardoor groeide
de behoefte aan een juridische normering van de
uitoefening van die
discretionaire bevoegdheden,
zowel bij de procedurele voorbereiding
van een besluit als bij de aan
een besluit ten grondslag liggende belangenafweging, zowel in
abstracto
als in concreto. Als gevolg daarvan
zijn, in een voortdurende wisselwerking
tussen rechtspraak en literatuur, de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot ontwikkeling
gebracht. Deze vonden in het geschreven
recht een eerste, indirecte erkenning
door het formuleren van
beroepsgronden (of beter: toetsingsgronden) in de meeste
regelingen
van bestuursprocesrecht. In de Awb
zullen enkele belangrijke algemene
beginselen van behoorlijk bestuur worden
gecodificeerd. Met het
volwassen worden van dit leerstuk heeft
ook de feitelijke en de juridische
verhouding tussen bestuursorgaan en
burger een wijziging ondergaan.
Weliswaar is in geval van besluiten
formeel nog steeds sprake
van eenzijdige rechtsvaststelling door
het bestuur, materieel is, ook
door de veranderende verhouding tussen
burger en bestuur, een onmiskenbare
tendens naar een meer wederkerige wijze
van rechtsvaststelling
ontstaan. In de memorie van toelichting
bij de eerste tranche van de
Awb zijn onze ambtsvoorgangers daarop
ingegaan. Zij signaleren daar onder meer dat de verhouding tussen
bestuursorgaan en burger in toenemende
mate als een rechtsbetrekking moet worden aangemerkt,
met
wederzijdse rechten en plichten. Deze
ontwikkeling, die nog lang niet
volledig is uitgekristalliseerd, is ook
van invloed op het bepalen van de doelstellingen en de vormgeving van het
bestuursprocesrecht.
Wij
signaleren dat als gevolg van de
hiervoor kort geschetste ontwikkeling,
in de afgelopen jaren het primaat van de
functie van het handhaven
van het objectieve publiekrecht heeft plaatsgemaakt voor het
primaat
van de rechtsbeschermingsfunctie. Als
gevolg van het toekennen van
een groter gewicht aan de notie van de
rechtsbetrekking is deze ontwikkeling gepaard gegaan met een - gelijktijdige -
relativering van de gedachte
van de ongelijkheidscompensatie. Wij
zijn van oordeel dat deze
ontwikkelingen in het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht tot
uitdrukking
moeten komen.
Het
is niet uitgesloten dat deze
ontwikkelingen in de verdere toekomst zullen
leiden tot een wezenlijk andere
benadering van het bestuursprocesrecht.
Staat nu nog de rechtmatigheidstoetsing
ex tunc van een besluit
centraal, denkbaar is dat, zoals dat ook
in het burgerlijk procesrecht
het geval is, de rechtsbetrekking ex
nunc de inzet van de procedure wordt,
waarbij ook aan het betrokken
bestuursorgaan een actie toekomt. Als
dat inderdaad te zijner tijd wenselijk
blijkt te zijn, zal de verhouding tussen
administratieve rechter en civiele
rechter, en a fortiori tussen bestuursprocesrecht
en burgerlijk procesrecht, opnieuw
moeten worden doordacht.
Verschillende
keuzen zijn dan denkbaar. De meest
vergaande keuze die kan
worden gemaakt, is het ook processueel
integreren van bestuursrechtspraak
en civiele rechtspraak, eventueel met
bijzondere voorzieningen
voor procedures waarin een
bestuursorgaan partij is. In die opzet vervalt
het onderscheid zowel naar object als
naar subject met het burgerlijk
procesrecht en zijn derhalve een
afzonderlijk bestuursprocesrecht
en een afzonderlijk burgerlijk
procesrecht overbodig. In dat verband
verdient eveneens aandacht dat in recente jurisprudentie is
vastgesteld
dat bestuursrechtelijke onrechtmatigheid
tevens civielrechtelijke
onrechtmatigheid impliceert (Hoge
Raad 31 mei
1991, RvdW 1991, 143, Van Gog-Nederweert) en dat evenzeer
vaststaat dat bestuursorganen, ook
als zij gebruik maken van het burgerlijk
recht, zijn gebonden aan de rblz.|35|
algemene
beginselen van behoorlijk bestuur (Hoge
Raad 27
maart 1987, NJ 1987,
727, m.nt. MS, en AB 1987, 273, m.nt.
FHvdB en Amsterdam-lkon).
Een andere, iets minder vergaande,
mogelijkheid is dan
de administratieve rechter bevoegd te
maken voor alle geschillen over
rechtsbetrekkingen waarin één van de
partijen een bestuursorgaan is,
dus ook als het bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van een aan
het
burgerlijk recht ontleende bevoegdheid.
In die opzet, waarin het object
maximaal wordt verruimd, blijft een
afzonderlijk bestuursprocesrecht
nodig, eventueel met bijzondere, aan het
burgerlijk procesrecht ontleende
voorzieningen. In een nog iets minder
vergaande variant wordt de
administratieve rechter bevoegd voor al
het publiekrechtelijke handelen
van bestuursorganen. De civiele rechter
blijft dan bevoegd in de
gevallen waarin een civielrechtelijke
rechtsbetrekking aan de orde is. Ook
in die optie, waarin de verruiming van
het object wel groot maar niet maximaal
is, is uiteraard een apart
bestuursprocesrecht nodig.
Hoe
interessant deze bespiegelingen ook
zijn, het zal duidelijk zijn dat het
thans te vroeg is om daaraan
operationele gevolgen te verbinden.
2.3.
Uitgangspunten voor het nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht
In
onderdeel 2.1 is uiteengezet waarom de
voorkeur uitgaat naar één, uniform
bestuursprocesrecht. Daarvan uitgaande,
dienen de normen te worden
geformuleerd waaraan het uniforme
bestuursprocesrecht moet voldoen.
Allereerst
zijn de doelstellingen van het
bestuursprocesrecht van belang.
In overeenstemming met en als
consequentie van de in onderdeel
2.2 geschetste ontwikkeling kiezen wij voor de rechtsbeschermingsfunctie
als de rechtsbeschermingsfunctie als
primaire doelstelling van
het bestuursprocesrecht. Het
bestuursprocesrecht dient derhalve een adequaat
kader te bieden voor het bindend
beslechten van een rechtsgeschil
in de verhouding tussen burger en
bestuursorgaan.
Eén
en ander betekent dat die kenmerken van
de bestaande regelingen
van bestuursprocesrecht die uitsluitend
dienstbaar kunnen zijn
aan het verwezenlijken van de
doelstelling van het handhaven van het
objectieve publiekrecht, in de nieuwe
opzet niet terugkeren. Het betekent ook dat de keuze van de wetgever voor
de primaire doelstelling onder omstandigheden voor de rechter
redengevend kan zijn bij de uitleg en
de toepassing van het
bestuursprocesrecht. Uit het voorgaande
volgt overigens niet dat het handhaven van het
objectieve publiekrecht in het geheel
geen rol meer speelt. Voor elke regeling
van procesrecht - die immers
uit de aard der zaak dienstbaar is aan
het geldend maken van aan het materiële recht ontleende
aanspraken - geldt dat haar toepassing
leidt tot het handhaven van het
objectieve recht. Dat is voor het
bestuursprocesrecht niet anders. Waar
het om gaat, is dat als gevolg van
de veranderde verhouding tussen
bestuursorgaan en burger de handhaving
van het objectieve publiekrecht niet
langer een zelfstandige, laat
staan de primaire, doelstelling van het
bestuursprocesrecht kan zijn. Maar
ook voor de rechtsbeschermingsfunctie
geldt dat onder ogen moet worden
gezien in hoeverre de gewijzigde verhouding tussen bestuursorgaan
en burger vraagt om veranderingen in het
op basis van die doelstelling
op te stellen bestuursprocesrecht. Met
andere woorden: er dient
een nieuw evenwicht te worden gevonden.
Bij dat laatste denken wij
nadrukkelijk ook aan het, algemene,
belang dat is gemoeid met een zo
spoedig mogelijke afdoening van bestuursrechtelijke geschillen.
Daarmee
verwant is het uitgangspunt van de
proceseconomie. Zowel bij rblz.|36|
het
opstellen van regels van procesrecht als
bij de uitleg en de toepassing daarvan dient het gezichtspunt van
efficiency en effectiviteit nadrukkelijk
te worden betrokken. Het is immers zowel
voor partijen als voor
de rechter van belang dat het bestuursprocesrecht zelf geen
belemmeringen
opwerpt voor een adequate beslechting
van geschillen in de
verhouding tussen burger en
bestuursorgaan. Het uitgangspunt van de proceseconomie mag echter niet
prevaleren boven het streven naar de
handhaving en de verdere verbetering van
de juridische kwaliteit en het
gehalte van de rechtspraak.
Tegen
de achtergrond van deze doelstellingen
heeft het door ons voorgestelde
uniforme bestuursprocesrecht de volgende
karakteristieken.
Ook
in de nieuwe opzet staat de
rechtmatigheidstoetsing ex tunc van
een besluit centraal. Uit een oogpunt
van rechtsbescherming, maar evenzeer
uit een oogpunt van doelmatige en
doeltreffende geschillenbeslechting,
dienen de nadelige consequenties van het
noodzakelijkerwijs thans
handhaven van deze benadering zoveel
mogelijk te worden geredresseerd.
Dit leidt ertoe de rechter de
bevoegdheid te geven om, waar
dat mogelijk is, zelf in de zaak te
voorzien. De rechter kan en zal daarbij
rekening houden met na het instellen van
het beroep opgekomen feiten
en omstandigheden. Daarbij geldt
uiteraard in beginsel de grens dat
de rechter slechts dan zelf in de zaak
mag voorzien als na de vernietiging
rechtens maar één beslissing mogelijk
is (zie verder de toelichting op
artikel 8.2.6.6 van de Awb). In dit
verband komt ook betekenis toe aan
het feit dat, voorafgaand aan maar ook
tijdens de zitting, meer en meer
contacten tussen partijen plaatshebben,
al dan niet op initiatief van de
rechter. Het voorgaande leidt er
eveneens toe dat een vernietiging waarmee
partijen niets opschieten, dient te
worden vermeden (vgl. artikel
6.2.14 [6:22]
van de Awb). Ten slotte dienen
aan de rechter, onderscheidenlijk
aan partijen, adequate middelen ten
dienste te staan om de naleving
van rechterlijke uitspraken af te
dwingen. Het nieuwe bestuursprocesrecht
voorziet in dit alles, daarmee een einde
makend aan de bestaande
uiteenlopende en op onderdelen lacuneuze
uitspraakbevoegdheden
van de verschillende administratieve
rechters. Het biedt aldus aan de
rechter alle ruimte om te komen tot een
materiële oplossing van het geschil.
Het
uitgangspunt van de korte beroepstermijnen is, vooral vanwege het
centraal blijven stellen van de
rechtmatigheidstoetsing van een besluit,
gehandhaafd.
Het
streven naar het zoeken van de
materiële waarheid blijft in de nieuwe
opzet overeind, maar is in zijn
uitwerking belangrijk gerelativeerd.
Een
belangrijke relativering is dat de
rechter in beginsel is gebonden aan
de omvang van het geschil zoals door de
indiener van het beroepschrift
- en mogelijke derden-belanghebbenden -
aan hem voorgelegd. Meer
is, gelet op de
rechtsbeschermingsfunctie van het
bestuursrechtelijk
geding en het gegeven van het bestaan
van een rechtsbetrekking tussen
partijen, niet nodig en ook niet
gewenst. De rechter behoort derhalve
niet buiten de omvang van het
voorgelegde geschil te treden, niet
ultra petita te gaan. Dit is neergelegd
in het voorgestelde artikel 8.2.6.4 [8:69],
eerste lid, van de Awb.
Een
tweede, daarmee samenhangende en
eveneens uit artikel 8.2.6.4 [8:69], eerste
lid, voortvloeiende relativering is
dat de mogelijkheid van reformatio
in peius in strikte zin verdwijnt (zie
de toelichting op artikel 8.2.6.4 [8:69],
eerste lid).
rblz.|37|
Wat
blijft, is de actieve rechter, en
daarmee de verplichting van de rechter
om ambtshalve de rechtsgronden aan te
vullen (artikel 8.2.6.4 [8:69], tweede
lid) en de bevoegdheid om ambtshalve de
feiten aan te vullen (artikel 8.2.6.4 [8:69], derde lid). Met name het
laatste punt kan worden gezien als
een specifiek kenmerk van het
bestuursprocesrecht. Het volgt rechtstreeks
uit de ongelijkheidscompensatie. Daarmee
dient de rechter bij de toepassing
rekening te houden: naarmate de
ongelijkheid in casu minder is
(dat zou bijvoorbeeld kunnen in een
geschil tussen een groot bedrijf en
een kleine gemeente of tussen twee min
of meer gelijkwaardige bestuursorganen),
is er minder reden om van deze
bevoegdheid gebruik te
maken.
Wat
eveneens blijft, is het vrijwel
ontbreken van regels van materieel bewijsrecht.
Artikel 8.2.6.4 [8:69]
kan worden beschouwd als
het enige artikel waarin
materieel bewijsrecht is opgenomen: het
schrijft de rechter dwingend voor waarop hij zijn uitspraak zal
moeten baseren. In een stelsel
waarin de rechter de bevoegdheid heeft
ambtshalve de feiten aan te vullen, is aan een wettelijk stelsel van
materieel bewijsrecht niet of nauwelijks
behoefte. Dat neemt niet weg dat de
rechter, afhankelijk van onder
meer de verhouding tussen partijen, de
aard van het geschil en de in
het geding zijnde feiten naar
redelijkheid en billijkheid stelplicht
en bewijslast
over de partijen heeft te verdelen. Het
nieuwe bestuursprocesrecht
bevat uiteraard wel regels van formeel
bewijsrecht. Daarbij is gestreefd
naar harmonisatie met bepalingen uit het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering (voor een bespreking
ten gronde van de verhouding tussen het
bestuursprocesrecht
en het burgerlijk procesrecht verwijzen
wij naar onderdeel 2.4). In verband
met het voorgaande is ook de eenheid van
het bestuursrechtelijk geding
gehandhaafd. Dat betekent dat niet
zelfstandig kan worden geappelleerd
tegen beslissingen die de rechter in de
loop van het proces heeft
genomen. Gelet op de discretionaire aard
van de aan de rechter toegekende
processuele bevoegdheden en op het feit
dat niet in alle gevallen
hoger beroep openstaat, verdient het
aanbeveling dat de rechterlijke
colleges die het uniforme
bestuursprocesrecht toepassen, in goed
overleg - en uiteraard met behoud van
ieders onafhankelijkheid - beleid
ontwikkelen om een beredeneerd en
voorspelbaar gebruik van deze
discretionaire bevoegdheden te
bevorderen. In de gevallen waarin wel
hoger beroep openstaat, kan uiteraard
tegelijk met het hoger beroep tegen
de uitspraak worden geklaagd over
tussenbeslissingen. Voorts kan in
klemmende gevallen de rechtseenheidsvoorziening uitkomst
bieden.
Als
consequentie van het handhaven van de
actief onderzoekende attitude
van de rechter hebben wij ernaar
gestreefd de rechter een gedifferentieerd
instrumentarium te verschaffen om een
bij hem aanhangig
gemaakte zaak telkens te kunnen
behandelen op de wijze die voor
die zaak passend is. De rechter heeft
telkens de mogelijkheid te kiezen van welke processuele bevoegdheden hij
op een bepaald moment in
een concrete zaak gebruik wenst te
maken. Nadat de zaak aanhangig is
gemaakt, beslist derhalve de rechter -
zoals gezegd binnen de grenzen van
het aan hem voorgelegde geschil - hoe de
verdere gang van zaken zal
zijn. In die zin is hij dominus litis.
Zo bepaalt de rechter hoe uitvoerig het
vooronderzoek (afdeling
8.2.2) zal zijn
en of eventueel de procedure van
de versnelde behandeling (afdeling
8.2.3) wordt gevolgd. Ook kan de rechter
het initiatief nemen om te bewerkstelligen dat het vooronderzoek
niet
zal worden gevolgd door een onderzoek
ter zitting (afdeling
8.2.5). Daarbij
past overigens de kanttekening dat in
de meeste gevallen waarin een
zaak niet volgens de procedure van de
vereenvoudigde behandeling is
afgedaan (afdeling
8.2.4) of waarin
tijdens het vooronderzoek geen rblz.|38|
mondelinge
uitwisseling van standpunten heeft
plaatsgevonden, het onderzoek
ter zitting van groot gewicht zal
blijven, zeker in de gevallen waarin
de burger in persoon en zonder
rechtsbijstand procedeert. Onder omstandigheden
zal de rechter ook in andere gevallen
toch kunnen kiezen
voor een zitting, om zo de burger zijn
"day in court" niet te onthouden.
Voorts wijzen wij erop dat de rechter
alle mogelijkheden heeft
om desgeraden te trachten tot een
schikking tussen partijen te komen.
Het
zal duidelijk zijn dat ook het nieuwe
bestuursprocesrecht beoogt laagdrempelig
te zijn. Gehandhaafd zijn daarom de
eenvoudige rechtsingang,
de betrekkelijk geringe kosten voor het
instellen van beroep bij de
rechter in eerste aanleg, het niet
voorschrijven van procesvertegenwoordiging
of rechtsbijstand en de betrekkelijk
informele procedure. Op een tweetal punten zijn wijzigingen
aangebracht. Ten eerste wordt als uitvloeisel
van het toekennen van gewicht aan de
veranderde verhouding tussen
burger en bestuursorgaan in dit wetsvoorstel naast de
mogelijkheid
van een kostenveroordeling van het
bestuursorgaan ook een
kostenveroordeling van de burger
mogelijk gemaakt. Ten tweede wordt,
met het oog op het bevorderen van de
doelmatige en doeltreffende
beslechting van bestuursrechtelijke
geschillen, voor het instellen van
hoger beroep in beginsel een
substantieel hoger griffierecht gevraagd.
Wij
menen te mogen concluderen dat met het
nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht
een belangrijke bijdrage wordt geleverd
aan de handhaving
en de verdere verbetering van de juridische kwaliteit en het
gehalte
van de bestuursrechtspraak, aan de
vergroting van de cliëntgerichtheid
van de bestuursrechtspraak en aan de
verbetering van het evenwicht binnen de rechterlijke organisatie. De
meest in het oog springende
verdienste lijkt ons te zijn het
uniforme karakter van het nieuwe bestuursprocesrecht.
Als zodanig levert het een grote
bijdrage aan het deregulerende
karakter van dit
wetsvoorstel. Daarnaast
wijzen wij op het vooropstellen van de rechtsbeschermingsfunctie
van het bestuursproces,
op het opvullen van nogal wat in de
huidige regelingen van bestuursprocesrecht
bestaande lacunes, op het globale,
informele, eenvoudige
en gedifferentieerde karakter van het bestuursprocesrecht,
op
de gerichtheid op het adequaat
beslechten van bestuursrechtelijke geschillen
en op het begin van harmonisatie met het
burgerlijk procesrecht
en - in mindere mate - het
strafprocesrecht.
In
de toelichting op de afzonderlijke
artikelen zal waar nodig meer gedetailleerd
worden ingegaan op het hiervoor
gestelde.
2.4.
Bestuursprocesrecht en burgerlijk
procesrecht
De
vertrekpunten van het bestuursproces en
het burgerlijk proces zijn traditioneel
verschillend. In het bestuursproces
heeft van oudsher de rechtmatigheidstoetsing
ex tunc van het besluit, als produkt van
de eenzijdige
rechtsvaststelling door een
bestuursorgaan in een situatie van ongelijkwaardigheid,
centraal gestaan. Het burgerlijk proces
- wij beperken
ons voorshands tot de klassieke
dagvaardingsprocedure - is eertijds
opgezet als een kader voor de effectieve
beslechting van een rechtsstrijd
ex nunc tussen twee gelijkwaardige partijen in het kader van
de
tussen die partijen bestaande
rechtsbetrekking.
Deze
verschillende vertrekpunten hebben
geleid tot uiteenlopende karakteristieken
van de beide typen van procesrecht.
Zonder uitputtend te
willen zijn, wijzen wij op de volgende verschillen. Het uitgangspunt van
rblz.|39|
de
gelijkwaardigheid van partijen leidt
onder meer tot een grotere rol van de
partij-autonomie in het burgerlijk
procesrecht, de van oudsher als lijdelijk
aangemerkte attitude van de rechter, het
bestaan van een gedifferentieerd
stelsel van regels van materieel
bewijsrecht en daarmee van een
procesvorm die werkt met in beginsel
appellabele interlocutoire vonnissen,
en het beginsel van de
niet-kosteloosheid (substantieel griffierecht
en doorgaans imperatieve veroordeling in
de kosten van de in het ongelijk gestelde partij) van de
procedure. Het feit dat het burgerlijk proces
niet primair is gericht op de handhaving
van eenzijdig door een bestuursorgaan
jegens een burger vastgesteld recht
brengt onder meer mee
dat de inzet van de procedure is de
rechtsbetrekking tussen partijen en
dat door de rechter een beslissing
"op maat" wordt gegeven die ex nunc
de rechtsstrijd beslecht.
Zoals
het klassieke bestuursrechtelijke geding
zich in de tijd heeft ontwikkeld,
zo heeft ook het klassieke burgerlijk
proces zich verder ontwikkeld.
En ook daarvoor geldt dat die ontwikkeling nog lang niet is
uitgekristalliseerd.
Wij wijzen op enkele punten.
Naast
de traditionele dagvaardingsprocedure is
in het burgerlijk procesrecht
de - eigenlijke -
verzoekschriftprocedure (artikelen 429a
tot en
met 429r van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering) tot ontwikkeling
gekomen. Deze procedure, die met name is
bedoeld voor geschillen
over rechten die niet ter vrije bepaling
van partijen staan, wijkt op niet onbelangrijke onderdelen af van de
dagvaardingsprocedure en vertoont
belangrijke overeenkomsten met het
bestuursprocesrecht. Een voorbeeld
is het informele karakter van de
procedure en de pregnantere rol
van de mondelinge behandeling. Ook
wijzen wij op het feit dat artikel 176,
eerste lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering een relativering
bevat van de regel dat de rechter door
een partij gestelde en door
een andere partij niet of niet voldoende
betwiste feiten of rechten als
tussen partijen vaststaand moet beschouwen voor het geval het gaat
om
rechten die niet ter vrije bepaling van
partijen staan.
Maar
ook in de dagvaardingsprocedure zijn in
de loop van de tijd veranderingen
opgetreden. Daarvoor zijn twee
hoofdoorzaken aan te geven.
Ten eerste strookt het uitgangspunt van
de gelijkwaardigheid van partijen
lang niet altijd met de concrete
maatschappelijke werkelijkheid. Ten
tweede heeft zich, deels daarmee
samenhangend, meer en meer de noodzaak
opgedrongen om ook in burgerlijke
procedures tot snellere eindbeslissingen
te komen. Wij wijzen op enkele van de
als gevolg daarvan
opgetreden en optredende veranderingen.
Opvallend is de actievere
rol van de rechter en de daarmee
corresponderende beperking van
de partij-autonomie, onder meer tot
uitdrukking komend in de wettelijke regeling van de comparitie na antwoord
(artikel 141a van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering). Even
opvallend is de hoge vlucht
die het kort geding heeft genomen.
Verder wijzen wij op het recentelijk
ingevoerde nieuwe artikel 110 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter meer
bevoegdheden toekent in "kleine"
zaken.
Uit
het voorgaande kunnen enkele conclusies
worden getrokken.
Ten
eerste dat het bestuursprocesrecht en
het burgerlijk procesrecht naar
elkaar toegroeien. Daarbij is sprake van
wederzijdse beweging en wederzijdse
beïnvloeding. Dit proces zal in
belangrijke mate kunnen worden
versterkt door de personele en
organisatorische integratie van de rechtspraak
in eerste aanleg in het kader van de
eerste fase - en straks in de tweede fase - van de herziening van
de rechterlijke organisatie. rblz.|40|
Daardoor
zal zeker sprake zijn van wederzijdse
beïnvloeding en bevruchting
van verschillende rechtsculturen. Wij tekenen hierbij wel
aan
dat niet mag worden vergeten dat op
onderdelen, juist door de verschillende
vertrekpunten, ook belangrijke
verschillen bestaan. Vooral het
materiële bewijsrecht in de
dagvaardingsprocedure is daarvan een voorbeeld.
Wij verwijzen naar de artikelen 176,
eerste lid, 177, 178 en 181,
eerste lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Ten
tweede dat ook los daarvan en los van
elkaar het bestuursprocesrecht
en het burgerlijk procesrecht in
beweging zijn. Voor het bestuursprocesrecht
leidt dat tot een ingrijpende aanpassing
in het kader van de eerste
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie. Voor het burgerlijk
procesrecht zal dat, in het voetspoor
van reeds tot stand gebrachte en al in gang gezette aanpassingen in
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, leiden tot een
ingrijpende aanpassing van het
Eerste Boek in het kader van de tweede
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie.
Voor
het onderhavige wetsvoorstel betekenen
deze twee waarnemingen
dat bij het opstellen van een nieuw,
uniform bestuursprocesrecht
terughoudendheid dient te worden betracht in het overnemen van
aan
het burgerlijk procesrecht ontleende
regels. Daarvoor is op onderdelen
nog steeds sprake van te grote
verschillen. Bovendien zijn niet alle regels
van burgerlijk procesrecht op dit moment
een voldoende rustig bezit.
Het voorgaande neemt echter niet weg
dat waar dat verantwoord leek,
is gestreefd naar harmonisatie. Sprekende voorbeelden daarvan zijn
het
van overeenkomstige toepassing verklaren
van regels van formeel bewijsrecht
en het volledig op elkaar stemmen van de
regeling van de wraking
en de verschoning. Dat laatste geldt
trouwens ook voor het Wetboek
van Strafvordering. Bij de aanpassing
van het burgerlijk procesrecht
in de tweede fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie zal
een overeenkomstige gedragslijn worden
gevolgd. Pas in de derde fase
zal mogelijk een synthese in dit
welhaast dialektische proces tot stand
kunnen worden gebracht.
Tot
slot wijzen wij nog op twee punten die
ook in een latere fase de nodige
aandacht zullen vragen. Ten eerste zal,
gelet op het toenemende belang
van bestuursrechtelijke sancties, moeten
worden bezien of op dit punt
afstemming tussen het
bestuursprocesrecht en het
strafprocesrecht nodig
is. Ten tweede zal aandacht moeten
worden geschonken aan de vraag
of het wenselijk is te komen tot een
codificatie van algemene regels
van procesrecht.
2.5.
Systematiek van het nieuwe
bestuursprocesrecht
Bij
het opstellen van hoofdstuk 8
van de Awb
is consequent gestreefd naar
een heldere en logische systematiek
binnen het bestuursprocesrecht.
Aan de gekozen systematiek liggen drie
leidende principes ten grondslag.
Ten eerste dat de verschillende fasen -
en de verschillende afdoeningsmodaliteiten
binnen de procedure - in de structuur
tot uitdrukking
moeten komen. Ten tweede dat de
chronologie van de procedure
in de volgorde van de titels, afdelingen
en artikelen moet zijn terug
te vinden. Ten derde dat datgene wat
inhoudelijk bij elkaar hoort, ook
bij elkaar moet worden geplaatst. Deze
principes zijn in de praktijk vrijwel
steeds met elkaar verzoenbaar gebleken.
Een
bijzonder probleem daarbij is de relatie
tussen hoofdstuk 8
en hoofdstuk 6. Hoofdstuk 6 bevat algemene bepalingen
over bezwaar en beroep
(dat wil zeggen administratief beroep en
beroep bij een administratieve rblz.|41|
rechter). Voor deze opzet is indertijd
gekozen onder meer om aldus
op onderdelen de grote hoeveelheid
bestaande regelingen van bestuursprocesrecht
enigszins te harmoniseren. In de memorie
van toelichting
bij de eerste tranche van de Awb
is
aangegeven dat op het moment
dat in hoofdstuk 8
een algemene regeling
van bestuursprocesrecht
wordt opgenomen, hoofdstuk 6 zal worden
herzien, waarbij een deel
van de bepalingen zal worden
overgebracht naar hoofdstuk
7, onderscheidenlijk hoofdstuk 8. Nu reeds thans een
hoofdstuk 8 in de Awb
wordt opgenomen, dat bovendien door het
overgrote deel van de administratieve
rechters zal worden toegepast, zijn wij
geconfronteerd met
de vraag of de herziening van hoofdstuk
6 meteen nu al zou moeten worden
aangevat. Wij hebben besloten daarvan op
dit moment af te zien, vooral
omdat het gelet op de beoogde
gelijktijdige inwerkingtreding van de
eerste en de tweede tranche niet
aangewezen lijkt nu nog grote wijzigingen
in de eerste tranche aan te brengen.
Deze keuze heeft gevolgen voor
de verhouding tussen hoofdstuk 8
en
hoofdstuk 6. In zekere zin wordt
nu - tijdelijk - een bijzondere
regeling, namelijk die van het beroep bij
de rechtbank, in de Awb opgenomen. Dat
betekent dat hoofdstuk 8
steeds
in samenhang met hoofdstuk 6 moet worden
gelezen, alsmede dat
in hoofdstuk 6 bepalingen voorkomen
(zoals de artikelen
6.2.0 [6:4] en 6.2.0a
[6:5])
die voor zover het het beroep bij de
administratieve rechter betreft,
systematisch eigenlijk in hoofdstuk 8
thuishoren.
Verder
is in dezen van belang dat de Wet
RO bepalingen bevat die voor
alle zaken waarin de rechtbank
bevoegd
is - dus ook de civiele en de
strafzaken - van toepassing zijn, zoals
de besluitvormingsregeling van artikel
26 en de geheimhoudingsbepalingen van de
artikelen 28 en 28a. Ook
die dienen telkens in ogenschouw te
worden genomen.
Eén
en ander heeft geleid tot de volgende
opzet.
Hoofdstuk 8. Beroep bij de rechtbank
Titel
8.1. Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1. Bevoegdheid
Afdeling
8.1.2. Behandeling door een enkelvoudige
en een meervoudige
kamer
Afdeling
8.1.3. Verwijzing, voeging en splitsing
Afdeling
8.1.4. Wraking en verschoning van
rechters
Afdeling
8.1.5. Partijen
Afdeling
8.1.6. Getuigen, deskundigen en tolken
Afdeling
8.1.7. Verzending van stukken
Titel 8.2. Behandeling van het beroep
Afdeling
8.2.1. Griffierecht
Afdeling
8.2.2. Vooronderzoek
Afdeling
8.2.3. Versnelde behandeling
Afdeling
8.2.4. Vereenvoudigde behandeling
Afdeling
8.2.5. Onderzoek ter zitting
Afdeling
8.2.6. Uitspraak
Titel
8.3. Voorlopige voorziening en
onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Titel
8.4. Herziening.
De
stof van hoofdstuk 8
is dus verdeeld
over vier titels. Titel 1 bevat algemene
bepalingen die van belang zijn voor het
gehele hoofdstuk. De titels
2, 3 en
4 hebben betrekking op de wijze
waarop het beroep wordt behandeld (2), een afzonderlijke regeling voor de
voorlopige voorziening (3)
en een afzonderlijke regeling voor de
herziening (4).
rblz.|42|
Titel
8.1 bevat vier categorieën bepalingen.
Afdeling 8.1.1 bevat de regeling
voor de absolute en de relatieve
competentie. De afdelingen
8.1.2,
8.1.3 en 8.1.4 hebben primair betrekking
op de rechtbank
en de rechters.
De afdelingen 8.1.5 en
8.1.6 bevatten
algemene bepalingen over
de (overige) procesdeelnemers. Door
opneming in titel 8.1 wordt bereikt
dat deze bepalingen slechts één keer
behoeven te worden opgeschreven.
Afdeling 8.1.7 ten slotte regelt de
verzending van stukken.
Titel
8.2 is de kern van het bijzondere
gedeelte van hoofdstuk 8. Hierin wordt
de procedure in eerste aanleg van begin
tot eind chronologisch beschreven.
Afdeling 8.2.1 regelt het griffierecht.
Vervolgens komt het vooronderzoek,
de eerste fase van de behandeling, aan
de orde (afdeling
8.2.2).
In de regel wordt het vooronderzoek
volgens afdeling 8.2.2 afgewerkt
en volgt het onderzoek ter zitting (afdeling
8.2.5). Afdeling 8.2.3
biedt de mogelijkheid van versnelde
behandeling. Zij houdt in een beperking
dan wel verkorting van het vooronderzoek. Om die reden is
deze
afdeling direct na afdeling 8.2.2
geplaatst. Behalve de versnelde behandeling
is er ook nog de vereenvoudigde
behandeling (afdeling
8.2.4).
Zij houdt in dat de rechtbank
onder
omstandigheden het onderzoek
kan beëindigen en daarover uitspraak
doet zonder dat de zaak ter
zitting wordt behandeld. Ook deze
afdeling moet dus na afdeling 8.2.2
en voor afdeling 8.2.5 worden
geplaatst. In alle gevallen - gewone behandeling,
versnelde behandeling, vereenvoudigde
behandeling - eindigt de
zaak nadat het onderzoek is gesloten met
een uitspraak. De uitspraak is
geregeld in afdeling
8.2.6.
De
voorlopige voorziening is opgenomen in
een aparte titel
8.3. Het gaat
daarbij immers niet, afgezien van de
mogelijkheid van "kortsluiting" in
artikel 8.3.8 [8:86], om de behandeling van het
beroep. Uiteraard zijn waar mogelijk
de procedurele bepalingen van titel 8.2
van overeenkomstige toepassing
verklaard.
Titel
8.4 ten slotte houdt de mogelijkheid van
herziening in. Deze bijzondere
regeling dient eveneens in een
afzonderlijke titel te worden opgenomen.
2.6. Enkele
rechtsvergelijkende opmerkingen
2.6.1. Algemeen
In het onderstaande wordt
ingegaan op de regeling van een aantal belangrijke onderdelen van het
bestuursprocesrecht en het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de Bondsrepubliek Duitsland
en Frankrijk. Vergelijking van
de in het onderhavige voorstel van wet ontworpen regeling met die van
de stelsels van rechtsbescherming in ons omringende landen kan zinvol
zijn, al moet men uiteraard voorzichtig zijn met het verbinden van
conclusies aan een dergelijke exercitie. De regeling van de
rechtsbescherming in de verschillende landen is immers de resultante van de historische
ontwikkeling in die landen. Zo kan het hierna nog te vermelden feit dat
in Frankrijk veel procesrechtelijke normen uitsluitend tot de
jurisprudentie zijn te herleiden en niet in wetgeving zijn neergelegd,
wellicht mede worden verklaard uit het feit dat al sinds 1872 de Conseil
d'Etat als hoogste rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht
functioneert. De Conseil d'Etat verkeert daardoor in zekere zin in de
positie van wetgever-plaatsvervanger. In Duitsland daarentegen moest men
na 1945 als het ware geheel opnieuw beginnen.
rblz.|43|
Het onderhavige voorstel van wet
kan uiteraard op zijn beurt niet worden los gezien van de
historische ontwikkeling zoals die zich in Nederland heeft voltrokken.
Daarom is rechtsvergelijking, hoe inspirerend deze ook kan zijn,
slechts van betrekkelijke waarde bij de bepaling van de meest wenselijke
vormgeving van de rechtsbescherming hier te lande. Niettemin achten wij het
zinvol een korte beschrijving te geven van de stelsels in deze ons
omringende landen.
2.6.2. De regeling van het bestuursprocesrecht
In
Duitsland bestaan afzonderlijke procesregelingen voor de algemene
bestuursrechtspraak, de rechtspraak in socialezekerheidszaken en de
rechtspraak in belastingszaken. Het procesrecht voor de algemene
bestuursrechtspraak (organisatie, competentie en procedure) is geregeld
in de Verwaltungsgerichtsordnung (VwGO), Wet van 21 januari 1960, BGBI.
I, p. 17, dat voor de sociale-zekerheidsrechtspraak in het
Sozialgerichtsgesetz (SGG), Wet van 23 september 1975, BGBI. I, p. 2535,
en dat voor de belastingrechtspraak in de Finanzgerichtsordnung (FGO),
Wet van 6 oktober 1965, BGBI. I, p. 1477. Omdat tussen deze drie
procesregelingen vele overeenkomsten bestaan, zijn sinds de jaren
zeventig pogingen ondernomen om tot harmonisatie te komen. Deze pogingen
hebben geresulteerd in een Entwurf Verwaltungsprozessordnung (Drucksache
10/3437), dat weliswaar bij de Bondsdag is ingediend, maar dat in 1987
aan het einde van de tiende zittingsperiode van de Bondsdag van
rechtswege is vervallen. Het ontwerp zal niet opnieuw worden ingediend.
Een aantal bepalingen uit het ontwerp is recentelijk samengevoegd met
bepalingen uit het van 1978 daterende Entlastungsgesetz (Gesetz zur
Entlastung der Gerichte in der Verwaltungs- und Finanzgerichtbarkeit (EntlG),
Wet van 31 maart 1978, BGBI. I, p. 446). Laatstbedoelde wet strekt ertoe de werkdruk van de rechterlijke instanties te verlichten door
vereenvoudiging en versnelling van de procedures bij de gerechten. De
samengevoegde bepalingen zijn op 1 januari 1991 als vierde wijziging van
de VwGO in werking getreden. De kans op een verdere harmonisatie van het
bestuursprocesrecht wordt voor de komende tijd gering geacht (vgl.
Stelkens, Das Gesetz zur Neuregelung des verwaltungsgerichtlichen
Verfahrens (4. VwGOAndG) - das Ende einer Reform?, in: NVwZ 1991, p.
209). In Frankrijk ontbreekt een
algemene codificatie van het bestuursprocesrecht. Zelfs het procesrecht
voor de algemene administratieve rechtspraak vindt men verspreid over verschillende wettelijke regelingen. Veel
procesrechtelijke normen zijn
uitsluitend tot de jurisprudentie te herleiden.
2.6.3. De organisatie van de bestuursrechtspraak
De organisatie van de
bestuursrechtspraak in Frankrijk en Duitsland verschilt sterk. In Duitsland is eveneens een
organisatorische scheiding van de gewone rechterlijke macht en de
gerechten die met bestuursrechtspraak zijn belast, voltrokken. Hier
heeft het beginsel van de machtenscheiding er evenwel toe geleid dat de
rechtspraak in bestuursrechtelijke zaken niet werd opgedragen aan een
instantie die mede is belast met bestuurlijke advisering. Er bestaan naast een
rechterlijke kolom met een algemene bevoegdheid in
bestuursrechtelijke zaken (allgemeine Verwaltungsgerichtsbarkeit) ook verschillende
bijzondere bestuursrechtelijke kolommen (besondere Gerichtsbarkeiten)
met een naar beleidsterrein bepaalde rechtsmacht, met name bijzondere
gerechten waaraan de rechtspraak rblz.|44|
inzake de sociale zekerheid (de Sozialgerichtsbarkeit) en de rechtspraak in belastingzaken
(Finanzgerichtsbarkeit)
zijn opgedragen. Verder zijn er nog arbeidsgerechten, die
eveneens los staan van de gewone rechterlijke macht. Het stelsel van vijf
rechterlijke kolommen is verankerd in de Grondwet, die het instellen van hoogste bondsgerechten voor elk van
deze rechterlijke kolommen voorschrijft. In Duitsland is de algemene
administratieve rechtspraak in eerste aanleg opgedragen aan de
Verwaltungsgerichte. De Oberverwaltungsgerichte fungeren doorgaans als appelrechter
(Berufung), terwijl de cassatierechtspraak (Revision) bij
het Bundesverwaltungsgericht berust. Bij het Bundesverwaltungsgericht kan
men slechts klagen over schending van bondsrecht. Voor de
volledigheid dient te worden vermeld dat op grond van de VwGO het
Oberverwaltungsgericht bij landswet in bepaalde gevallen als Revisionsrechter kan worden
aangewezen. In enkele gevallen treden het
Oberverwaltungsgericht en het Bundesverwaltungsgericht op als
gerechten van eerste aanleg. Zo zijn de Oberverwaltungsgerichte
ingevolge het Entlastungsgesetz belast met de rechtspraak in eerste aanleg in
geschillen over grote projecten, zoals kerncentrales,
afvalverbrandingsinstallaties en vliegvelden. Ter compensatie van het verlies van een
feitelijke rechterlijke instantie en vanwege de bijzondere betekenis in
politiek, juridisch en economisch opzicht is bepaald dat de Oberverwaltungsgerichte over deze geschillen oordelen
in een uitgebreide
samenstelling. De bondsregering heeft ervan afgezien deze regeling over te nemen in
het Entwurf Verwaltungsprozessordnung. Zij was van mening dat juist bij
dergelijke complexe geschillen behandeling door twee feitelijke
instanties noodzakelijk kan zijn (Drucksache 10/3437, p. 87). Hoger beroep en cassatie zijn in
Duitsland in een aantal gevallen afhankelijk gemaakt van verlof.
Het Entlastungsgesetz heeft dat voor het hoger beroep bijvoorbeeld voorgeschreven voor alle geschillen waarvan
de geldswaarde een bepaald
bedrag niet te boven gaat. Het verlofvereiste geldt echter niet indien
de eerste rechter de zaak vereenvoudigd heeft afgedaan. Verder is
geregeld dat het verlof moet worden verleend indien het geschil van
principiële betekenis is dan wel berust op een afwijking van de jurisprudentie,
dan wel bijzondere moeilijkheden van feitelijke of juridische aard
oplevert. Verlof zou voorts moeten worden verleend in geval van een
proceduregebrek bij de behandeling van de zaak door de rechter van eerste
aanleg. Ook voor het cassatieberoep geldt in Duitsland in beginsel
het verlofvereiste. De toelatingsvereisten zijn in grote lijnen dezelfde
als die waren opgenomen in het Entwurf Verwaltungsprozessordnung. In het Franse model is de
rechtsbescherming van de burger tegen het bestuur in beginsel toevertrouwd
aan bijzondere - strikt van de gewone rechterlijke macht gescheiden - gerechten, die ressorteren onder de
Conseil d'Etat als hoogste
rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht. Ofschoon in
Frankrijk thans garanties bestaan voor de onafhankelijkheid en
onpartijdigheid van de bestuursrechtspraak, wordt de Conseil d'Etat er toch gezien
als een tot het bestuur behorend bifunctioneel orgaan, waarin de functies rechtspraak en bestuurlijke
advisering bij elkaar komen. De
lagere bestuursrechtspraak berust op hetzelfde model. Hierin wordt
een waarborg voor een evenwichtige rechterlijke afweging van
algemene en bijzondere belangen gezien. Naast de algemeen bevoegde
administratieve gerechten zijn er nog bestuursrechtelijke instanties met een
bijzondere bevoegdheid. Voorbeelden ervan treft men aan op het
gebied van de openbare financiën en de rblz.|45|
sociale zekerheid. Kenmerkend
voor deze jurisdictions spécialisées is dat cassatieberoep openstaat op de
Conseil d'Etat. In Frankrijk berust de algemene
bevoegdheid in bestuursrechtelijke zaken bij 31 administratieve
rechtbanken (tribunaux administratifs). Hun competentie wordt beperkt door
die van de bijzondere administratieve gerechten en de gewone
rechterlijke macht. In sommige gevallen - bijvoorbeeld bij geschillen over
besluiten inhoudende het vaststellen van algemeen verbindende
voorschriften (actes réglementaires) door organen van de centrale overheid
- is de Conseil d'Etat in eerste en enige aanleg bevoegd. Van het hoger beroep nemen sinds
1 januari 1989 vijf administratieve hoven van beroep (cours
administratives d'appèl) kennis. Als voorzitters van deze hoven fungeren leden
van de Conseil d'Etat. De hoven nemen kennis van in beginsel alle
beroepen ingesteld tegen uitspraken van de administratieve rechtbanken. Tot
de uitzonderingen behoren beroepen ingesteld tegen uitspraken
betreffende besluiten inhoudende het vaststellen van algemeen
verbindende voorschriften door een bestuursorgaan van de gedecentraliseerde
overheid, enkele kiesrechtgeschillen en door de burgerlijke rechter
prejudicieel opgeworpen verklaringen voor bestuursrecht. Vooralsnog,
totdat de regering bij decreet procesrechtelijke maatregelen zal hebben
genomen, blijft de kennisneming van het hoger beroep in zaken van
vernietigingsberoep voorbehouden aan de Conseil d'Etat. Tegen uitspraken van de
administratieve hoven van beroep kan bij de Conseil d'Etat cassatieberoep
worden ingesteld. Voor het cassatieberoep geldt het verlofvereiste. De toelating wordt geweigerd als het beroep
niet-ontvankelijk of kennelijk
ongegrond is. Eveneens sinds 1 januari 1989 heeft de Conseil d'Etat de
bevoegdheid om bij vernietiging van de bestreden uitspraak zelf een
beslissing ten gronde te geven.
2.6.4. De regeling van de
rechtsingang
Artikel 19, vierde lid, van de
Duitse Grondwet bepaalt - vrij vertaald - dat degene op wiens rechten
inbreuk wordt gemaakt toegang tot de rechter heeft. Als geen
bijzondere rechter is aangewezen, is de gewone rechter bevoegd. In de
literatuur wordt daaruit afgeleid (vgl. C.H. Ule, Verwaltungsprozessrecht, 9. Auflage, München 1987, p. 21) dat de Duitse Grondwet het maken van
een onderscheid tussen in rechte betwistbare en niet-betwistbare
bestuurshandelingen niet toelaat. Dit betekent dat de omvang van de rechtsbescherming tegen het bestuur
niet ter dispositie van de
wetgever staat. Desondanks staat de Grondwet
er niet aan in de weg dat de
wetgever de rechtsingang bij de administratieve rechter aan beperkingen
onderwerpt. Besluit hij daartoe over te gaan, dan is daarvan de
consequentie dat de bevoegdheidssfeer van de burgerlijke rechter wordt verruimd. Het genoemde grondwetsartikel
belichaamt dus een stelsel van
communicerende vaten. De competentie van de algemeen
bevoegde bestuursrechter is in Duitsland afhankelijk van de
aanwezigheid van een publiekrechtelijk geschil. Artikel 40 van de VwGO
luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "-1. Der Verwaltungsrechtsweg
ist in allen öffentlich-rechtlichen Streitichkeiten nicht
verfassungsrechtlicher Art gegeben, soweit die Streitigkeiten nicht durch Bundesgesetz
einem anderen Gericht ausdrücklich zugewiesen sind.
rblz.|46|
-2. Für vermögensrechtliche
Ansprüche aus Aufopferung für die gemeine Wohl und aus
öffentlich-rechtlicher Verwahrung, sowie für Schadenersatzansprüche aus der
Verletzung öffentlich-rechtlicher Pflichten, die nicht auf
öffentlich-rechtlicher Vertrag beruhen, ist der ordentliche Rechtsweg
gegeben." Het daarin neergelegde stelsel
komt op het volgende neer.
1. Alleen publiekrechtelijke
geschillen behoren tot de bevoegdheid van de Verwaltungsgerichtsbarkeit;
voor privaatrechtelijke geschillen moet men bij de burgerlijke rechter terecht.
2. De competentie van een
bijzonder gerecht gaat voor op die van de algemene Verwaltungsgerichte.
Bijzondere competenties betreffen een gedeelte van de constitutionele rechtspraak, de belastingrechtspraak en
geschillen over de sociale
zekerheid.
3. Een aantal kwesties van
financiële aansprakelijkheid voor (on)rechtmatige overheidsdaad is
aan de gewone rechterlijke macht opgedragen, bijvoorbeeld die
inzake door ambtenaren gepleegde onrechtmatige daden. Op grond
van artikel 14, derde lid, van de Duitse Grondwet is de
schadeloosstelling voor onteigening aan de burgerlijke rechter voorbehouden. Het begrip
eigendom wordt zeer ruim geïnterpreteerd en omvat ook het maken van
inbreuk op andere vermogensrechten.
4. Geschillen over financiële
aansprakelijkheid van de overheid op grond van het schenden van
publiekrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit een
publiekrechtelijke overeenkomst behoren wel tot de competentiesfeer van de
Verwaltungsgerichte. In Frankrijk neemt de algemeen
bevoegde administratieve rechter in principe kennis van alle
geschillen over het handelen van het bestuur (actes administratifs). De
bijzondere competenties van de jurisdictions spécialisées gaan evenwel
voor. Niettemin is in een aantal gevallen het gewone privaatrecht van
toepassing. Voorts kan het zich voordoen dat de algemeen bevoegde
administratieve rechter geen rechtsbescherming wenst te verlenen, omdat het
geschil een zogenoemde acte du gouvernement betreft. Actes du gouvernement zijn tegenwoordig alleen nog
bestuurshandelingen verricht in
de verhouding tussen het bestuur en het parlement, zoals de uitoefening
van het recht van initiatief, en bestuurshandelingen verricht in relatie
tot vreemde mogendheden, zoals het onderhandelen over en het
sluiten van verdragen en sommige bestuursbesluiten waarbij verdragen
worden toegepast. Is op het bestuurshandelen het
gewone privaatrecht van toepassing, dan is de burgerlijke rechter
bevoegd. In verband daarmee heeft zich een genuanceerde jurisprudentie ontwikkeld over de afgrenzing van publiekrecht en privaatrecht. Net als
in Duitsland en Nederland is de juridische wetenschap er nimmer in geslaagd
een sluitende theorie tot stand te brengen waaruit de gehele
rechtspraak kan worden verklaard.
2.6.5. Uitspraakbevoegdheden
Ofschoon de rechtsingang bij de
algemeen bevoegde administratieve rechter in Duitsland wordt
bepaald door de notie publiekrechtelijk geschil, is de aard van het
bestuurlijk handelen dat tot het geschil heeft geleid van belang voor de
rechterlijke uitspraakbevoegdheden; dat wil zeggen voor de bevoegdheden
waarover de rechter beschikt om, zo hij onrechtmatigheid aan de zijde
van het bestuur vaststelt, de gevolgen daarvan te kunnen redresseren. In
Duitsland is het alleen mogelijk een vernietigingsberoep (Anfechtsklage)
aanhangig te maken indien het geschil een Verwaltungsakt betreft. rblz.|47|
Artikel 35 van het Verwaltungsverfahrensgesetz (VwVfG) geeft daarvan de
volgende definitie: "-1. Verwaltungsakt ist
jede Verfügung, Entscheidung oder andere hoheitliche Massnahme, die
eine Behörde zur Regelung eines Einzellfalles auf dem Gebiet des
öffentlichen Rechts trifft und die auf unmittelbare Rechtswirkung nach
aussen gerichtet ist.
-2. Allgemeinverfügung ist eine Verwaltungsakt, der sich an einen nach
allgemeinen Merkmalen bestimmten Personenkreis richtet oder die
öffentlich-rechtliche Eigenschaft einer Sache oder ihre Benützung
durch die Allgemeinheit betrifft." Een
voorbeeld van een Allgemeinverfügung is de verkeersmaatregel. Zowel
tegen een concreet als tegen een abstract (algemeen) bestuursbesluit
staat in Duitsland het vernietigingsberoep open.
Vergelijkbaar is de vordering tot
nietigverklaring (Normenkontrollverfahren) van een regeling van lagere
rang. De beslissing tot nietigverklaring werkt jegens een ieder. Die tot
verwerping van het beroep niet. Het rechterlijk gebod (bevel:
Verpflichtungsklage) staat ter beschikking indien het geschil een
afwijzende Verwaltungsakt (Vornahmeklage) dan wel het uitblijven ervan
(Untatigkeitsklage) betreft. De rechter heeft in deze gevallen niet de
bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien, maar wel om het bestuur te
bevelen tot het alsnog afgeven van een (positieve) Verwaltungsakt. De
bevelsbevoegdheid bestaat uitsluitend indien de zaak "spruchreif"
is, dat is wanneer het recht het bestuur geen andere keuze meer toelaat.
Dat is het geval bij strikt gebonden bevoegdheden en bij vrije
bevoegdheden indien het "freies Ermessen" geen rol meer kan
spelen (Ermessensschrumpfung auf Null) omdat het nemen van een andere
beslissing rechtens niet meer mogelijk is. Een
bijzondere variant van het rechterlijk bevel lijkt de algemene
veroordeling tot het leveren van een bepaalde prestatie (allgemeine
Leistungsklage) te zijn. Zij is gericht op het verkrijgen van een andere
prestatie dan het alsnog verrichten van een Verwaltungsakt.
De algemene Leistungsklage ontbreekt in de VwGO,
maar wordt in rechtspraak en doctrine algemeen aanvaard. Zij strekt
ertoe de nakoming te kunnen afdwingen van publiekrechtelijke
overeenkomsten, dan wel om schade vergoed te krijgen indien een
publiekrechtelijke overeenkomst niet, of niet behoorlijk, wordt
uitgevoerd. Voorts wordt deze Klage gebruikt om het bestuur tot het
verrichten of nalaten van een feitelijk handelen te bewegen.
Schadevergoeding ter zake van (on)rechtmatig feitelijk handelen behoort
echter weer tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Bij
het declaratoir (Feststellungsklage) gaat het om het verkrijgen van een
declaratoir vonnis inzake het al dan niet bestaan van een
rechtsverhouding of de nietigheid (ex lege) van een Verwaltungsakt. In
Frankrijk is de vorm van het bestuurshandelen dat voorwerp van geschil
vormt van belang voor de te kiezen procedure. De twee verreweg
belangrijkste procedures zijn het algemeen vernietigingsberoep (recours
pour excés de pouvoir) en het vol beroep (recours de pleine juridiction). Het
vernietigingsberoep en het vol beroep zijn naar hun aard verschillende
procedures. Het vernietigingsberoep is een zogeheten recours objectif
(objectief beroep), waarvoor kenmerkend is dat de rechter het tot zijn
taak rekent om te onderzoeken of de bestreden bestuursbeslissing al dan
niet strijdig is met het objectieve bestuursrecht. Wanneer hij tot de
conclusie komt dat de beslissing daarmee niet te verenigen rblz.|48|
valt,
vernietigt hij haar. Het vol beroep is een recours subjectif (subjectief
beroep). De appellant vraagt de rechter om vaststelling van een
subjectief recht, welk recht, naar hij stelt, door de administratie is
geschonden. Voorts vraagt hij om het treffen van passende maatregelen om
de situatie weer in evenwicht te brengen.
Procedureel gezien is het recours pour excès de pouvoir gemakkelijker
toegankelijk wegens de lage ontvankelijkheidsdrempels en het in de regel
ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging. De verschuldigde
griffierechten worden laag gehouden. Het
algemene vernietigingsberoep staat uitsluitend open tegen een
bestuurshandelen dat als nadeel toebrengende beslissing (décision
faisant grief) kan worden aangemerkt. Uit de rechtspraak kan worden
afgeleid dat het vernietigingsberoep alleen openstaat tegen eenzijdige
publiekrechtelijke rechtshandelingen van bestuursorganen.
Geschillen met het bestuur over (de nakoming van) publiekrechtelijke
overeenkomsten (contrats administratifs) en feitelijke handelingen
(aansprakelijkheid voor "faute" en "sans faute", dat
wil zeggen voor onrechtmatige en rechtmatige overheidsdaad) staan
eveneens ter kennisneming van de administratieve rechter. Zij worden
berecht in de procedure voor vol beroep (contentieux de pleine
juridiction). Daarin beschikt de rechter over de volheid van zijn
rechterlijke bevoegdheden. Wat die volheid omvat, heeft hij tot dusverre
zelf uitgemaakt. De Conseil d'Etat heeft uit het beginsel van de
machtenscheiding afgeleid dat het de administratieve rechter in principe
niet vrijstaat te veroordelen tot herstel in de oude toestand, maar dat
hij in dat geval moet volstaan met het toekennen van schadevergoeding.
In uitzonderingsgevallen is de administratieve rechter bereid te
veroordelen tot schadevergoeding onder bepaling dat de administratie
daaraan kan ontkomen door herstel.
Ofschoon tegen een contrat administratif geen vernietigingsberoep kan
worden ingesteld, kan soms wel in beroep worden gegaan tegen een
bestuursbesluit dat daarmee nauw samenhangt: de acte détachable. Een
voorbeeld is het besluit waarbij de gemeenteraad de burgemeester
machtigt tot het aangaan van een contract. Dergelijke besluiten kunnen
in de Franse benadering worden los gedacht van het contract zelf en
daarom zelf voorwerp zijn van vernietigingsberoep. De oplostheorie van
de Afdeling rechtspraak van de Raad van State
in Nederland wordt er dus
niet gehanteerd. 3. Definitieve
voorzieningen in kroongeschillen
3.1. Algemeen
Op 1 januari 1988
is de TwK in werking getreden. De TwK is tot stand gekomen naar
aanleiding van het Benthem-arrest van 23 oktober 1985 (NJ 1986, 102,
m.nt. EAA, en AB 1986, 1, m.nt. E.M.H. Hirsch Ballin), waarin het EHRM
oordeelde dat het beroep op de Kroon niet is een beroep op een
onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie in de zin van
artikel 6 van het EVRM. De TwK voorziet als hoofdregel in omzetting van
het kroonberoep in beroep op de Afdeling voor de geschillen van bestuur
van de Raad van State als rechter. Ingevolge artikel 1, tweede lid, zijn
van de omzetting uitgezonderd geschillen betreffende besluiten van
algemene strekking alsmede geschillen die uitsluitend door openbare
lichamen of bestuursorganen, hetzij door het instellen van beroep, hetzij
op een andere wijze, aan de beslissing van de rblz.|49|
Kroon kunnen worden
onderworpen (hierna te noemen: bestuursgeschillen).
Het
kroonberoep biedt vanouds mogelijkheden tot rechtsbescherming en
sturing. Via het kroonberoep bestaat voor de rijksoverheid de
mogelijkheid bepaalde besluiten van decentrale overheden te
beïnvloeden, zulks ter behartiging van rijksbelangen. Een niet
onbelangrijk deel van de Nederlandse wetgeving bevat bepalingen waarin
beroep wordt opengesteld op de Kroon. Dit hangt samen met het feit dat
het kroonberoep is ontstaan in een tijd waarin andere vormen van
rechtsbescherming tegen bestuursbesluiten nog nauwelijks bestonden.
Keuzemogelijkheden, zoals thans tot uitdrukking komend in de
"Richtlijnen voor de keuze tussen Arob-beroep en beroep op de
Kroon", ontbraken voorheen veelal. Ook is soms beroep op de Kroon
opengesteld in gevallen waarin niet zozeer het motief voorzat te
voorzien [lees: het motief voorzag, red.] in rechtsbescherming, doch een vorm van sturing of toezicht
nodig werd geoordeeld. Aan
de in dit wetsvoorstel voorgestelde definitieve voorzieningen in
kroongeschillen liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:
- Het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming - derhalve ook de
rechtsbescherming tegen besluiten die nu nog aan TwK- en kroonberoep
zijn onderworpen - dient onbetwistbaar in overeenstemming te zijn met de
eisen van het EVRM en het IVBP.
- De voorzieningen moeten passen in de herziening van de rechterlijke
organisatie als geheel en moeten aansluiten bij het begrippenkader en
de systematiek van de
Awb.
- Waar nodig wordt voorzien in een alternatief voor de centrale
sturingsmogelijkheid die het kroonberoep thans biedt.
- Het afschaffen van het kroonberoep mag niet leiden tot een
vermindering van rechtsbescherming. Waar thans kroonberoep openstaat, zal
in de toekomst steeds een voorziening bij de administratieve rechter
mogelijk moeten zijn. Deze uitgangspunten hebben een
aantal consequenties, die in het navolgende nader worden uitgewerkt. Op 11 juli 1991 is een notitie
aan de Tweede Kamer aangeboden waarin onze beleidsvoornemens
met betrekking tot de te treffen definitieve voorzieningen in
kroongeschillen reeds zijn uiteengezet (Kamerstukken II 1990-1991, 21 048/21
206, nr. 5).
3.2.
Vervanging van beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve
rechter
3.2.1. Algemeen
De essentie van de te treffen
definitieve voorzieningen in kroongeschillen wordt gevormd door de
vervanging over de gehele linie van het beroep op de Kroon door beroep
bij een administratieve rechter. Aan dit voorstel tot vervanging van het
kroonberoep liggen de volgende algemene overwegingen ten grondslag. Het beslechten van geschillen
die bepalend zijn voor de vaststelling van burgerlijke rechten en
verplichtingen dient ingevolge artikel 6 van het EVRM uiteindelijk te
geschieden door een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het EHRM geeft een
zelfstandige, materiële uitleg aan het begrip "burgerlijke rechten en
verplichtingen". Het EHRM heeft dit begrip zo uitgelegd dat ook
bestuursrechtelijke geschillen onder de rblz.|50|
werking van artikel 6 kunnen
vallen. Dat geldt zowel voor geschillen inzake beschikkingen (zie het
Benthem-arrest) als voor geschillen inzake besluiten van algemene strekking
(zie het Jacobsson-arrest van 25 oktober 1989, AB 1990, 334, m.nt. R.M. van Male). Het EHRM
stelt in laatstgenoemde uitspraak vast
dat ook een geschil over een besluit van algemene strekking (in casu een
bouwverbod voor een bepaald gebied in de Zweedse gemeente Salem) is
aan te merken als een geschil dat rechtstreeks de vaststelling van een
"burgerlijk recht" in de zin van artikel 6 van het EVRM betreft, waarbij
uiteindelijk de toegang tot de onafhankelijke rechter moet openstaan. Ook los van de eisen die het
EVRM ter zake stelt, zijn wij van mening dat het een rechtsstatelijke eis
is dat geschillen inzake besluiten van bestuursorganen uiteindelijk aan een onafhankelijke rechter kunnen
worden voorgelegd. Dat betekent
dat ook ter zake van die geschillen die niet onder artikel 6 van het
EVRM vallen, toch het oordeel van de onafhankelijke rechter moet
kunnen worden ingeroepen. Ter zake van de drie
categorieën geschillen die de TwK onderscheidt, hebben de volgende meer
specifieke overwegingen een rol gespeeld.
3.2.2. TwK-geschillen
De geschillen die thans
ingevolge artikel 1, eerste lid, van de TwK door de Afdeling voor de
geschillen van bestuur van de Raad van State
als onafhankelijke rechter
worden beslecht en die bepalend zijn voor de vaststelling van burgerlijke
rechten en verplichtingen, zullen ingevolge artikel 6 van het EVRM uiteraard
blijvend door een onafhankelijke rechter moeten worden beslist. Niet alle geschillen die thans
door de Afdeling voor de geschillen van bestuur worden beslecht, vallen
onder artikel 6 van het EVRM, in die zin dat zij rechtstreeks betrekking hebben op de
vaststelling van burgerlijke
rechten en verplichtingen. Het
is, onder meer vanwege de dynamische (en ruime) uitleg die het EHRM
geeft aan "burgerlijke rechten en verplichtingen", echter lang
niet altijd mogelijk dat ondubbelzinnig vast te stellen. Mede gelet op de
uitgangspunten dat het stelsel van rechtsbescherming onbetwistbaar in overeenstemming moet zijn met het EVRM
en dat voor ieder
bestuursrechtelijk geschil een onafhankelijke rechter beschikbaar moet zijn, wordt
daarom voorgesteld de beslechting van alle geschillen waarover thans
de Afdeling voor de geschillen van bestuur oordeelt ook structureel te
doen plaatsvinden door een administratieve rechter.
3.2.3. Besluiten van algemene strekking
Besluiten van algemene strekking vallen op grond van de TwK buiten de
competentie van de Afdeling voor de geschillen van bestuur als
onafhankelijke rechter. Gelet op het hierboven reeds genoemde
Jacobsson-arrest in combinatie met het Benthem-arrest kan worden gesteld dat het kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking
onvoldoende is in verband met artikel 6 van het EVRM. Dit zou impliceren dat na een kroonberoep tegen een besluit van algemene
strekking alsnog de weg naar de burgerlijke rechter (in drie instanties)
openligt, waarbij opnieuw de rechtmatigheid van het bestreden besluit
ten principale aan de orde kan worden gesteld. Het behoeft geen betoog
dat dit uit het gezichtspunt van een doelmatige rechtsbescherming een
hoogst ongelukkige situatie is. Mede gelet op het uitgangspunt dat het
vervallen van het kroonberoep niet mag leiden tot vermindering van rblz.|51|
administratieve rechtsbescherming ligt het daarom in de rede het
kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking te vervangen door
beroep bij de administratieve rechter. Ook de situatie in ons omringende
landen wijst in deze richting. Zie in dit verband ook de toelichting op
artikel 8.1.1.1 van de Awb. Vervanging van het kroonberoep tegen
besluiten van algemene strekking impliceert dat ook tegen de goedkeuring
van een bestemmingsplan beroep op de administratieve rechter zal komen
open te staan (vgl. ook onderdeel 3.4).
3.2.4. Bestuursgeschillen
Als
derde categorie van besluiten onderscheidt de TwK de bestuursgeschillen. Het
begrip "bestuursgeschil" zoals gehanteerd in de TwK heeft een
formeel karakter: bepalend is of alleen bestuursorganen een geschil
aanhangig kunnen maken. Is dat het geval, dan is er sprake van een
bestuursgeschil in de zin van artikel 1, tweede lid, van de TwK. Wij
menen dat er geen aanleiding is om voor deze categorie van geschillen
het kroonberoep te handhaven. Zoals reeds aangegeven, is het criterium
voor bestuursgeschillen louter formeel. Daarachter gaan naar hun aard
zeer uiteenlopende soorten geschillen schuil, waarvan men niet kan
zeggen dat deze zich bij uitstek lenen voor beoordeling door één
bepaalde instantie, bijvoorbeeld de Kroon. Ook in de huidige situatie
worden niet alle bestuursgeschillen beslecht door de Kroon. Naast het
kroonberoep komt het voor dat dit soort geschillen wordt beslecht door
een minister of door gedeputeerde staten. Soms is de Afdeling
rechtspraak belast met de beslechting van geschillen tussen
bestuursorganen (vgl. in dit verband het vervallen van artikel 5,
onderdeel j, van de Wet Arob per 1 januari 1989). Ook kan nog
worden gewezen op de aanvullende rol van de burgerlijke rechter ter zake
van de rechtsbescherming tegen besluiten van bestuursorganen. Daarnaast
zijn de bevoegdheid van de administratieve rechter en diens
toetsingsmaatstaven niet zodanig beperkt dat daarin een argument gelegen
zou kunnen zijn het kroonberoep voor bepaalde bestuursgeschillen te
handhaven. Ten slotte is het aantal geschillen waarvoor het kroonberoep
eventueel zou kunnen worden gehandhaafd te klein om een dergelijke
voorziening te kunnen rechtvaardigen. Onderscheiden moet worden tussen
de zogenoemde verticale en horizontale bestuursgeschillen.
Onder verticale bestuursgeschillen verstaan wij: bestuursgeschillen die
worden aangebracht door het instellen van beroep tegen een bepaald
besluit. In dat besluit krijgt de gezagsuitoefening van het ene
bestuursorgaan jegens het andere gestalte. De meest voorkomende
beroepsprocedures op grond van verticale geschillenregelingen betreffen
artikel 245a van de Gemeentewet
en artikel 42 van de Wet
Werkloosheidsvoorziening. Waar in het bestuursprocesrecht beroep tegen
besluiten met uitzondering van algemeen verbindende voorschriften en
beleidsregels zal worden opengesteld, zal voor deze geschillen de weg
naar de administratieve rechter openliggen zonder dat daarvoor een
nadere voorziening nodig is. Voor zover tegen de besluiten inhoudende
algemeen verbindende voorschriften en de besluiten die daarmee op één
lijn zijn te stellen thans kroonberoep mogelijk is, wordt door middel
van enumeratie beroep bij de administratieve rechter opengesteld.
rblz.|52|
Horizontale bestuursgeschillen
zijn bestuursgeschillen tussen twee bestuursorganen die zich in een
positie van nevenschikking bevinden. Het gaat daarbij niet om een gezagsbesluit van het ene bestuursorgaan
jegens het andere, maar om een
handelen of nalaten waarvan het laatstgenoemde bestuursorgaan nadelige
gevolgen ondervindt. De voornaamste categorie
horizontale geschillen is die van de domiciliegeschillen in de Algemene
Bijstandswet. Een algemene regeling voor deze geschillen die de administratieve rechter bevoegd zou maken, achten wij
thans niet aangewezen. Een
dergelijke regeling behoeft nadere studie in het kader van een in de verdere
toekomst mogelijke uitbreiding van de bevoegdheid van de
administratieve rechter. In afwachting daarvan wordt thans het volgende stelsel
voorgesteld. Waar horizontale bestuursgeschillen per definitie onder
artikel 136 van de Grondwet kunnen vallen en de betrokken bestuursorganen
zich bovendien tot de burgerlijke rechter kunnen wenden, is er
geen behoefte meer om regelingen in de bijzondere wetgeving waarin de
beslechting van deze bestuursgeschillen expliciet aan de Kroon is opgedragen te handhaven. Dit geldt te meer vanwege het zeer geringe aantal
zaken dat zich in de praktijk voordoet. Dit betekent dat bestuursorganen
in die gevallen kunnen kiezen tussen een gang naar de civiele rechter
of een gang naar de Kroon. Voor dit laatste wordt thans een
voorziening in de Wet
op de Raad van State opgenomen. Voor alle
duidelijkheid: hier is dus geen sprake van beroep op de Kroon, maar van een vorm
van (publiekrechtelijke) arbitrage door de Kroon, op de grondslag van
artikel 136 van de Grondwet.
3.3.
Welke administratieve rechter?
Eén van de
uitgangspunten die hierboven werden geformuleerd, is dat de definitieve
voorzieningen in kroongeschillen moeten passen in en aansluiten bij de
herziening van de rechterlijke organisatie als geheel. Het ligt in dit
verband voor de hand om niet meer rechterlijke instanties in het leven
te roepen c.q. te handhaven dan met het oog op de aard van de materie en
een goed verloop van het reorganisatieproces nodig is. Mede daarom
achten wij een structurele aanwezigheid van twee rechterlijke colleges
bij de Raad van State onwenselijk. Voorts kan de tijdelijke aanwijzing
van de Afdeling voor de geschillen van bestuur als rechter in
TwK-geschillen geen reden zijn voor een definitieve voorziening bij dit
college. Bovendien komt de toetsing door de Afdeling voor de geschillen
van bestuur in grote lijnen overeen met die door andere administratieve
rechters (vgl. de conclusies in het rapport Kroongeschillen en
bestuursprocesrecht). Dit heeft geleid tot ons voornemen om één
rechtsprekende afdeling van de Raad van State als administratieve
rechter (in tweede instantie) voor de voormalige Arob- en TwK- en
kroongeschillen te doen fungeren: de Afdeling
bestuursrechtspraak. Er
vindt aldus een bundeling plaats van in de beide afdelingen opgebouwde
expertise.
Hiervoor is betoogd dat het beroep op de Kroon dient te worden
vervangen door beroep bij een administratieve rechter. Voorgesteld wordt de TwK- en kroongeschillen toe te delen aan de in de huidige
situatie daarvoor in aanmerking komende administratieve rechters. Dat
wil zeggen dat in beginsel de TwK- en kroongeschillen gaan behoren
tot de competentie van de administratieve kamers van de rechtbanken
met
hoger beroep op de Afdeling
bestuursrechtspraak onderscheidenlijk de Centrale Raad van
Beroep, al naargelang de aard van de materie. In een
enkel geval wordt daar waar het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven reeds over bepaalde geschillen oordeelt, de competentie om
over kroongeschillen op dat terrein te oordelen aan het College
toegekend. Tot
de uitgangspunten van de herziening van de rechterlijke organisatie
behoort dat deze organisatie zodanig is ingericht dat in de regel de rblz.|53|
mogelijkheid bestaat om een in eerste instantie gegeven rechterlijk
oordeel in volle omvang in hoger beroep te laten toetsen. Invoering van
rechtspraak in twee instanties kan daarnaast een belangrijke bijdrage
leveren aan het verminderen van de structurele overbelasting van de Raad van State. Op rechtspraak in twee instanties is in
onderdeel 1.5.2 nader
ingegaan. Daar is ook vermeld dat in deze fase een relatief groot aantal
zaken voorshands in één instantie zal worden afgedaan en zijn de
redenen daarvoor uiteengezet.
Op grond daarvan stellen wij voor voorshands
de volgende kroon- en TwK-geschillen in eerste en enige instantie te
doen beslechten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State: geschillen op grond van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening voor
zover betrekking hebbend op bestemmingsplannen, milieugeschillen en
bepaalde geschillen op grond van: de onderwijswetgeving, de Ontgrondingenwet, de Natuurbeschermingswet, de landinrichtingswetgeving,
de Dienstplichtwet, de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst, de Wet op
de bejaardenoorden, de Wet ziekenhuisvoorzieningen, de Ziekenfondswet
en
de AWBZ. Nadat de rechtspraak in twee
instanties stevig wortel heeft geschoten, zal in het kader van de derde
fase van de herziening van de rechterlijke organisatie kunnen worden bepaald in hoeverre de geschillen waarvan
wij voorstellen dat deze
voorshands door één instantie worden beslecht, in aanmerking moeten worden
gebracht voor rechtspraak in twee feitelijke instanties.
3.4. Het
vervallen van de mogelijkheid van centrale sturing en de compensatie
daarvoor
Eén van de kenmerken van het
kroonberoep en tevens één van de redenen waarom het in
Straatsburg is gesneuveld, is dat het een mogelijkheid biedt voor centrale
sturing. De Kroon kan immers haar opvatting omtrent het gewenste
beleid in de plaats stellen van het bestuursorgaan welks besluit
wordt getoetst. Indien het onderhavige wetsvoorstel wordt aanvaard, zal
de centrale sturingsmogelijkheid die het kroonberoep biedt, komen te
vervallen. De vraag rijst dan of voor het vervallen van deze
sturingsmogelijkheid specifieke compensatie moet worden geboden.
In het algemeen menen wij dat
deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Veelal is het beroep
op de Kroon niet het enige sturingsinstrument dat de centrale
overheid op een bepaald beleidsterrein tot haar beschikking heeft, maar vormt
het veeleer het sluitstuk op een reeks van beïnvloedingsinstrumenten, die
vooral bestaan in het kunnen aangeven van het kader waarbinnen de
besluitvorming van de lagere overheden zich mag afspelen. Dit kader is
tevens een juridisch kader, over de overschrijding waarvan een rechter zich heel wel kan uitspreken. De
afschaffing van het kroonberoep
heeft zo gezien alleen maar tot gevolg dat de centrale overheid langs
deze weg niet meer kan aangeven wat er binnen de door de centrale
overheid gegeven kaders op het gedecentraliseerde niveau precies moet
gebeuren. Het bovenstaande kan slechts
uitzondering lijden in die gevallen waarin de - in niet-bindende centraal
geformuleerde beleidskaders tot uitdrukking gebrachte - belangen
van de centrale overheid bij de besluitvorming in concreto preponderant
zijn. Dat is naar onze mening het geval bij de bestemmingsplanprocedure.
Op deze grond heeft het kabinet gemeend te moeten voorzien in
een alternatief sturingsinstrument voor de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer: rblz.|54|
de bevoegdheid van de Minister
van VROM om zijn beslissing ter zake van de goedkeuring van een
bestemmingsplan in de plaats te stellen van die van het college van
gedeputeerde staten. Tegen die beslissing staat uiteraard beroep op de
administratieve rechter open. Een uitgebreide beschouwing over dit instrument
is opgenomen in de toelichting op de wijzigingen in de Wet
op de Ruimtelijke Ordening (onderdeel
4, onderdeel H, onder 7) [niet opgenomen in deze webpagina, red.]. Voor het overige zijn wij van
oordeel dat er geen aanleiding is te voorzien in alternatieve
sturingsinstrumenten. In het overgrote deel van de gevallen is dat niet
bezwaarlijk gebleken. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het
openstellen van kroonberoep lang niet altijd werd ingegeven door de behoefte
aan centrale sturing. Vaak was - zeker in oudere wetgeving - het bieden
van een vorm van rechtsbescherming het enige motief.
3.5.
Ambtsberichten
Voor zover in een geding een
kwestie aan de orde is die de aan de centrale overheid toevertrouwde
belangen rechtstreeks raakt (vgl. artikel
1.2 [1:2], tweede lid, van de Awb),
zal ingevolge het nieuwe uniforme bestuursprocesrecht de minister
wie het aangaat, hetzij op zijn verzoek, hetzij ambtshalve, door de rechtbank
als partij in het geding kunnen worden geroepen. In dat
bestuursprocesrecht, dat ook de wijze van beslechten van de voormalige TwK
en kroongeschillen zal beheersen, zal niet worden voorzien in een aparte positie van de ministers om in die
gevallen waarin hun dat
wenselijk voorkomt de rechter ongevraagd van advies te dienen. Dat betekent
niet dat wij het niet wenselijk achten dat de rechter onder omstandigheden
aan de minister wie het aangaat, als deze geen partij is, met
toepassing van artikel 8.2.2.4 [8:45]
van de Awb kan vragen zijn visie op de zaak te
geven. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij technisch
ingewikkelde richtlijnen op milieugebied of indien van de centrale overheid
afkomstige regelgeving in het geding is en een toelichting daarop de
rechter nuttig lijkt. Ook kan de rechter op grond van artikel 8.2.2.6 [8:47]
onderscheidenlijk artikel 8.2.5.5 [8:60]
een deskundigenbericht vragen. Het dient
echter de rechter te zijn die, al dan niet op instigatie van partijen, de
centrale overheid bij de zaak betrekt. Een meer geprononceerde positie van de
centrale overheid in dezen zou in strijd komen met enkele van de
kenmerken van het voorgestelde procesrecht, namelijk dat het proces een
rechtsstrijd tussen belanghebbenden is en dat de rechter bepaalt welke
instructie van de zaak nodig is.
Voor enkele categorieën van TwK- en kroongeschillen geldt thans dat
standaard advies wordt ingewonnen. Dat betreft bestemmingsplangeschillen
en, zij het in mindere mate, milieugeschillen. Deze adviezen worden
uitgebracht door respectievelijk de Adviseur ten behoeve van de Raad van State
en de Adviseur beroepen milieubeheer. Met volledige erkenning van
de belangrijke bijdrage die de respectieve adviseurs hebben geleverd en
leveren aan de oordeelsvorming van de Raad van State op het terrein van
de milieugeschillen en de bestemmingsplangeschillen, menen wij dat het
aan de rechter moet worden overgelaten in hoeverre hij gebruik wil maken
van de bij de adviseurs aanwezige expertise. Wij willen er hierbij
uitdrukkelijk op wijzen dat het voorgestelde procesrecht geen enkele
belemmering opwerpt voor het handhaven van de bestaande praktijk, die
overigens evenmin op enig expliciet wettelijk fundament rust. De wijze
waarop in de praktijk onder het nieuwe bestuursprocesrecht van het
inwinnen van ambtsberichten gebruik zal worden gemaakt door de
administratieve rechters zal overigens, naar wij aannemen, één van de
onderwerpen zijn van overleg tussen de betrokken rechterlijke colleges. rblz.|55|
3.6.
Bevoegdheden TwK-rechter
Artikel 5, eerste
lid, van de TwK bepaalt dat indien de uitspraak van de Afdeling voor de
geschillen van bestuur strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging
van een besluit, de Afdeling desgeraden zelf in de zaak kan voorzien.
Deze bevoegdheid, die thans ook al aan andere administratieve rechters
toekomt, zal ingevolge het wetsvoorstel inzake de Arob- en de
Arbo-bezwaarschriftprocedure (Kamerstukken II, 21 659) ook worden
toegekend aan de Afdeling rechtspraak als Arob-rechter. Deze bevoegdheid
wordt nu meer in het algemeen neergelegd in het uniform
bestuursprocesrecht. Hierin zal niet worden neergelegd de in artikel 6
van de TwK geregelde bevoegdheid van de Afdeling voor de geschillen van
bestuur om tegelijk met haar uitspraak aan het overheidsorgaan advies te
geven met betrekking tot de wijze waarop naar haar oordeel nader zou
moeten worden gehandeld in verband met het aan haar oordeel onderworpen
geschil. Uit het rapport Kroongeschillen en bestuursprocesrecht is
gebleken dat geen enkele behoefte bestaat aan deze bevoegdheid. Deze uit
het kroonberoep stammende bevoegdheid kan dus voor de administratieve
rechter worden gemist.
4. Rechtseenheidsvoorziening
4.1. Algemeen
Eén van de in
onderdeel 1.3 gememoreerde hoofddoelstellingen van de herziening van de
rechterlijke organisatie is het scheppen van voorwaarden voor het
verbeteren onderscheidenlijk het in stand houden van de juridische
kwaliteit en het gehalte van de rechtspraak. Daaruit volgt onder meer
dat aan een adequate rechterlijke organisatie de eis moet worden gesteld dat zij de eenheid van recht en rechtspraak mogelijk maakt.
Deze norm ziet zowel op de eenheid binnen de civiele rechtspraak, de
strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak als op de eenheid tussen die
rechtsgebieden en daarmee op de eenheid van het recht als geheel. Het is
zoals gezegd de bedoeling in de derde fase van de herziening een
definitieve voorziening ter zake te treffen.
Wij zijn echter van mening dat het nodig is in
deze fase van de herziening een - noodzakelijkerwijs voorlopige -
voorziening te treffen.
Bij
gelegenheid van de eerste fase van de herziening zal het nieuwe,
uniforme bestuursprocesrecht in werking treden. Ook de eerste
tranche van de Awb, die een belangrijk deel van het materiële deel van het
bestuursrecht unificeert, codificeert en harmoniseert, zal geldend recht
worden. Het is voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het
terrein van het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht van groot
belang dat een eenvormige toepassing en interpretatie van deze
belangrijke stukken nieuw recht van meet af aan is verzekerd. Daarbij is
allereerst relevant dat de desbetreffende wetgeving door een groot
aantal administratieve rechters zal worden toegepast, zonder dat is
voorzien in één appelcollege of in verschillende appelcolleges met
daarna de mogelijkheid van beroep in cassatie. Het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het
College van
beroep studiefinanciering oordelen in eerste en enige aanleg. De
(administratieve kamers van de) rechtbanken hebben in deze fase van de
herziening te maken met twee verschillende appelcolleges, die in hoogste
ressort over dezelfde algemene rechtsvragen van bestuursrecht en
bestuursprocesrecht oordelen. Tegen uitspraken van de (belastingkamers
van de) rblz.|56|
gerechtshoven en van de kantongerechten
op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften staat beroep
in cassatie open. Deze opsomming maakt duidelijk dat zonder het treffen
van een voorziening de eenheid van recht en rechtspraak binnen de
bestuursrechtspraak niet kan worden verzekerd. Tevens is relevant dat
algemene regels van bestuursrecht zoals gecodificeerd in de eerste
tranche van de Awb ook, en in toenemende mate, aan de orde komen in
civiele zaken en in strafzaken. Dat betekent dat ook de civiele rechter
en de strafrechter (kantongerechten, rechtbanken, gerechtshoven en Hoge
Raad) algemene rechtsvragen van bestuursrecht hebben te beantwoorden.
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
ongeschreven bestuursrecht en, zij het in mindere mate, het ongeschreven
bestuursprocesrecht. Daaruit volgt dat ook de eenheid van recht en
rechtspraak tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak en de
strafrechtspraak zonder het treffen van een voorziening niet kan worden
gewaarborgd. Wij zijn daarom van mening dat het treffen van een
rechtseenheidsvoorziening binnen de bestuursrechtspraak, complementair
aan de bestaande cassatievoorzieningen in civiele zaken, strafzaken en
bestuursrechtelijke zaken, bij gelegenheid van de voltooiing van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie nodig is. Wij
zijn voorts van oordeel - en dat is de tweede vraag die moet worden
beantwoord - dat die voorziening een institutionele voorziening moet
zijn. Daaraan liggen de volgorde overwegingen ten grondslag. Naar ons oordeel is het, gelet
op de in het geding zijnde belangen, die wezenlijk zijn voor het adequaat
functioneren van de democratische en sociale rechtsstaat, principieel niet
juist als de wetgever voor het
waarborgen van de eenheid van
recht en rechtspraak uitsluitend zou vertrouwen op het zelfregulerend
vermogen van de betrokken rechterlijke instanties. Het gaat hier immers
om de uitoefening van een categorie van overheidsbevoegdheden waar van
vrijwillige terugtred van de wetgever geen sprake mag zijn. Anders gezegd: de rechterlijke taak om te voorzien
in de eenheid van recht en
rechtspraak behoeft een wettelijk fundament. Daarmee wordt enerzijds deze
rechterlijke activiteit democratisch gelegitimeerd en wordt anderzijds
gegarandeerd dat deze essentiële taak ook werkelijk wordt uitgeoefend.
Deze normatieve opstelling impliceert dat het bestaan van informele
samenwerkingsverbanden, onder meer gericht op het coördineren van
jurisprudentie, en van andere mechanismen die de rechtseenheid bevorderen,
niet kan leiden tot de conclusie dat de wetgever van een institutionele
voorziening zou moeten afzien. De bestaande informele
samenwerkingsverbanden zijn zinvol en vruchtbaar. Wij menen zelfs - maar het is
uiteraard aan de betrokken instanties zelf om daarover te oordelen - dat de
kring van betrokken colleges wellicht voor uitbreiding vatbaar zou
zijn. Thans vindt immers slechts gestructureerd informeel overleg plaats
tussen de voorzitters van de beide rechtsprekende afdelingen van de Raad van State, de voorzitter van de
Centrale Raad van Beroep, de
voorzitter van het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en de
fungerende voorzitter(s) van de belastingkamer van de Hoge
Raad. Ook is door
middel van het uiteindelijk op elkaar afstemmen van jurisprudentie op
bepaalde punten voorkomen dat blijvend verschil in
jurisprudentie tussen in hoogste ressort oordelende administratieve rechters en ook
tussen deze rechters en de Hoge Raad is ontstaan en zijn bestaande
verschillen weggenomen. Daar staat overigens tegenover dat op
andere punten sprake is van blijvend verschil in jurisprudentie.
rblz.|57|
Daar komt nog een ander
principieel punt bij. Het verdient aanbeveling dat rechterlijke colleges,
vooral als het gaat om praktische processuele kwesties en het beleid met betrekking tot discretionaire processuele
bevoegdheden, informeel overleg
met elkaar voeren om tot afstemming op deze punten te komen. Daarbij
gaat het niet om concrete individuele zaken, maar om algemene kwesties.
Hiervoor is in algemene zin uiteengezet op welke rechtsvragen de
voorgestelde rechtseenheidsvoorziening betrekking heeft. In onderdeel
4.2 wordt dit verder geconcretiseerd. Daarbij gaat het om meer dan
alleen (processuele) vragen die om een praktische dan wel een
beleidsmatige afstemming vragen, los van een concrete individuele zaak. In
veel gevallen zal het juist gaan om een (materieelrechtelijke) rechtsvraag, die rijst in een concrete individuele zaak. In dat geval ligt de zaak
wezenlijk anders. Gelet op de onder meer in artikel 6 van het EVRM
gepositiveerde beginselen van behoorlijke rechtspraak, met name het
beginsel van de openbaarheid, zou het immers bepaald onjuist zijn als
een uitspraak in een concrete individuele zaak tot stand zou komen na
informeel overleg tussen twee of meer rechterlijke colleges, een
overleg dat voor partijen niet kenbaar en controleerbaar is en waarop zij
ook geen invloed kunnen uitoefenen. Wij verwijzen naar het recente
arrest van het EHRM in de zaak-Borgers (EHRM 30 oktober 1991, Series A,
Vol 214-A). Daarin besliste het EHRM onder meer dat de (Belgische)
praktijk bij het Hof van Cassatie waarin de verdachte niet in de
gelegenheid wordt gesteld te reageren op de conclusie van de
procureur-generaal, in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Informeel overleg kan
en
mag in concrete individuele zaken dus niet het middel zijn om tot
rechtseenheid te komen. De praktijk waarin rechtseenheid tot stand komt
door het uiteindelijk op elkaar afstemmen van jurisprudentie op
essentiële punten, waarbij het oordeel van de meest gerede rechter de doorslag
geeft, kan al evenmin structureel soelaas bieden. Nog afgezien van
het feit dat niet altijd vaststaat welke de meest gerede rechter is, is
hiermee immers in elk geval veel tijd gemoeid. Wij vinden het niet
bezwaarlijk
dat de vormgeving van de thans tot stand te brengen voorziening een
voorlopig karakter draagt. Aldus wordt immers niet vooruitgelopen op de nog te formuleren beleidsvoornemens
voor de derde fase en behoudt de
wetgever volledig zijn vrijheid van handelen. Het vraagstuk van de
rechtseenheidsvoorziening is één van de onderwerpen geweest die in het
overleg met de Raad van State als direct betrokkene aan de orde zijn
geweest. Over deze materie is voorts op de voet van artikel 22 van de Wet
RO advies gevraagd aan de Hoge
Raad en de procureur-generaal bij de
Hoge Raad. Het gezamenlijke advies van de Hoge Raad en de
procureur-generaal wordt gelijktijdig met de indiening van dit wetsvoorstel
afzonderlijk ter kennis van de Tweede Kamer gebracht.
4.2. Het
bereik van de rechtseenheidsvoorziening
Allereerst rijst de
vraag voor
welke rechtsvragen de gewenste institutionele voorziening moet gelden
en, in verband daarmee, hoe de wettelijke maatstaf moet luiden.
In onderdeel 4.1 is uiteengezet
dat het primair gaat om rechtsvragen van bestuurs(proces)recht die
van belang zijn voor de eenheid van recht en rechtspraak binnen het bestuursrecht en tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak
en de strafrechtspraak. Maar behalve rechtsvragen van bestuurs(proces)recht
zijn er ook nog andere belangrijke rechtsvragen die in alle
takken van rechtspraak aan de orde kunnen rblz.|58|
komen. Enkele voorbeelden van
rechtsvragen waarop de rechtseenheidsvoorziening betrekking heeft,
illustreren het voorgaande. Als eerste noemen wij uiteraard
de uitleg van het bestuurs(proces)recht in de Awb
en de uitleg en
de verdere ontwikkeling van de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, ook voor zover niet in deze wet [lees: die
wet, red.] geformuleerd, en het ongeschreven
bestuursprocesrecht. Voorts is van groot belang de
uitleg van grondrechten, voor zover deze voorkomen in een ieder
verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, dan wel in de
Grondwet. Er
kan hier een belangrijke
overloop bestaan met het hiervoor aangeduide rechtsterrein. Zo zullen de
grondrechten, vervat in de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het IVBP, van
groot belang kunnen zijn voor de uitleg van geschreven en ongeschreven
bestuursprocesrecht, en zal de inhoud van het bestuursrecht mede
kunnen worden bepaald door het recht op de persoonlijke levenssfeer,
vervat in de artikelen 8 van het EVRM en 10 van de
Grondwet. Ook kunnen
algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeilijk worden los
gedacht van het gelijkheidsbeginsel, vervat in artikel 1 van de
Grondwet, en
van het discriminatieverbod van de artikelen 14 van het EVRM en 26
van het IVBP. Verder kunnen aan de orde komen
de verenigbaarheid van lagere wetgeving met het geschreven en
het ongeschreven bestuursrecht en de verenigbaarheid van alle
algemeen verbindende voorschriften met de hiervoor bedoelde grondrechten,
dit laatste thans uiteraard nog met de beperking van artikel 120 van de
Grondwet. Ook zal het kunnen gaan om
bepalingen die als burgerlijk recht zijn gecodificeerd, maar die hetzij
krachtens de schakelbepalingen (als de artikelen 3:59, 3:79 en 3:326)
van het BW, hetzij omdat zij een weerslag vormen van algemene beginselen
die ook buiten het burgerlijk recht gelden, voor overeenkomstige
toepassing door de administratieve rechter in aanmerking komen.
Opmerking verdient dat de schakelbepalingen van het BW en de
bepalingen van de Awb op enkele belangrijke plaatsen bewust op elkaar zijn
afgestemd. Ten slotte zijn er bijzondere
rechtsgebieden die bij alle takken van rechtspraak aan de orde kunnen
komen. Een sprekend voorbeeld daarvan is het nationaliteitsrecht. Ook hiervoor
geldt dat het gewenst is dat een
eenvormige uitleg wordt verzekerd. Eén
en ander impliceert dat moet worden gezocht naar een algemene maatstaf
die rechtstreeks is afgestemd op het belang van de rechtseenheid en de
rechtsontwikkeling, daar waar rechtspraak - en dus per definitie in
beginsel divergerende rechtspraak - van verschillende in hoogste
instantie oordelende rechters mogelijk is. De voorziening hoeft geen
betrekking te hebben op rechtsvragen die zich slechts bij één tak van
administratieve rechtspraak kunnen voordoen omdat er één hoogste
feitelijke gerecht is dat binnen die tak van administratieve rechtspraak
de rechtseenheid reeds voldoende waarborgt. Wij noemen bijvoorbeeld de Centrale Raad van
Beroep voor zover optredend als hoogste rechter in
socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken, het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven op het terrein van de sociaal-economische ordening en
de Tariefcommissie in zaken betreffende invoerrechten en accijnzen. Met
andere woorden: het moet gaan om de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling in het algemeen. rblz.|59|
Evenmin hoeft de voorziening
betrekking te hebben op rechtsvragen die in de desbetreffende procedure
in cassatie aan de orde kunnen worden gesteld.
4.3. De
vormgeving van de rechtseenheidsvoorziening
Op zichzelf zou het goed
denkbaar zijn in aansluiting op de bestaande cassatievoorzieningen de
mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge
Raad open te stellen tegen alle in hoogste ressort gegeven
uitspraken van administratieve
rechters. Op die wijze zou ook optimaal recht worden gedaan aan de
hiervoor gereleveerde doelstellingen. Deze mogelijkheid is echter thans
niet te verwezenlijken. Ten eerste zou, mede gelet op de onwenselijkheid van
forse uitbreidingen bij de Hoge Raad en zijn parket, de extra werkbelasting te groot zijn, nu in het kader van de
eerste fase nog geen sprake zal
zijn van een beperking van de toegang tot de cassatieprocedure. Ten
tweede is de positie van de Raad van State van belang: de Raad heeft
er, in het kader van het overleg met de Raad als direct betrokkene bij
de herziening van de rechterlijke organisatie, meermalen op gewezen dat
zijn positie als Hoog College van Staat zich niet verdraagt met een
stelsel waarin rechterlijke uitspraken van de Raad van State door een andere
rechter kunnen worden beoordeeld en waarin de Raad van State dus
niet meer per definitie in laatste instantie oordeelt. Wij willen dit
standpunt van de Raad van State respecteren. Dat betekent dat met
inachtneming van het doel van de beoogde rechtseenheidsvoorziening naar andere
wegen moet worden gezocht. Daartoe bestaan in essentie twee mogelijkheden.
De eerste denkbare mogelijkheid
is die van het invoeren van cassatie in het belang der wet, in te
stellen door de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, tegen uitspraken van administratieve rechters waartegen
geen gewoon rechtsmiddel (meer)
openstaat. Aldus zou in elk geval de werklastproblematiek bij de Hoge
Raad in vergelijking met een volledig cassatiestelsel aanzienlijk
worden beperkt. Ook zou naar ons oordeel, althans ten dele, worden
tegemoetgekomen aan het standpunt van de Raad van State. Aan het inzetten van het middel
cassatie in het belang der wet als exclusief middel voor het
bereiken van rechtseenheid zijn echter, ook in algemene zin, bezwaren
verbonden. In de eerste plaats zou dit tot gevolg hebben dat op de
procureur-generaal een wezenlijk andere taak wordt gelegd dan hij met betrekking
tot dit rechtsmiddel thans heeft. Anders dan nu wordt immers aldus de
sleutel tot elke rechtsvormende taak van de cassatierechter in handen van
de procureur-generaal gelegd, die aan de cassatierechter rechtsvragen
kan voorleggen, maar ook onthouden. In verband daarmee valt tevens te
vrezen dat de druk van buiten op de procureur-generaal om dit
rechtsmiddel in te stellen niet alleen zal toenemen, maar ook een zekere
eenzijdigheid zal gaan vertonen. Verwacht mag namelijk worden
dat deze druk in het bijzonder zal komen van bestuursorganen. De
uitspraak op een vordering tot cassatie in het belang der wet is immers niet
van invloed op de rechtsverhouding die voor partijen door de bestreden uitspraak is ontstaan. Het belang van
partijen - van wier initiatief
de procureur-generaal voor zijn kennis van voor cassatie in het belang der
wet in aanmerking komende uitspraken in de eerste plaats afhankelijk is
- bij een dergelijke vordering is daarom beperkt tot de invloed daarvan
op toekomstige zaken. Een dergelijke belang zal het bestuursorgaan
vaker hebben dan de burger. Indien een uitspraak door het bestuur als
gunstig, doch door de burger als ongunstig wordt ervaren, zal
deze laatste bij gebreke van een concreet eigen belang slechts zelden de
procureur-generaal benaderen om een rblz.|60|
rechtsvraag aan de
cassatierechter voor te leggen. Een belangrijk bezwaar is verder dat de
cassatierechter het in geval van cassatie in het belang der wet moet stellen
zonder de voorlichting die naar voren pleegt te komen uit het debat tussen de
raadslieden van partijen, die vaak meer mogelijkheden hebben om de
feitelijke en maatschappelijke gevolgen van een in aanmerking komende
rechtsregel te belichten dan de procureur-generaal. Dit brengt
mee dat behoeften aan rechtsvernieuwing die in de kring van partijen of
van de lagere rechters leven ook om deze reden minder kans krijgen om tot
de cassatierechter door te dringen. Daarmee nemen tevens de
mogelijkheden voor de cassatierechter zelf af om in redelijke mate een op deze
behoeften afgestemd beleid te ontwikkelen. De
conclusie moet zijn dat de mogelijkheid van cassatie in het belang der
wet na afweging van de voor- en nadelen daarvan niet kan worden
beschouwd als een adequate voorlopige rechtseenheidsvoorziening. De tweede mogelijkheid voor een
voorlopige rechtseenheidsvoorziening is die van het invoeren
van een zogenoemd prejudicieel stelsel binnen de administratieve
rechtspraak. Dat houdt in dat administratieve rechters die worden
geconfronteerd met een rechtsvraag waarvan de beantwoording in het belang is
van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling in het algemeen, deze
rechtsvraag ter beantwoording voorleggen aan één rechter. Gelet op de
taak die de Hoge
Raad op het gebied van de rechtseenheid en de
rechtsontwikkeling in onze rechtsorde heeft en op de aard en de reikwijdte van
de rechtsvragen waarvoor het stelsel moet gelden, ligt het voor de
hand die taak aan de Hoge Raad op te dragen. In een dergelijk stelsel
wordt de werklastproblematiek bij de Hoge Raad aanzienlijk beperkt.
Het heeft bovendien het voordeel dat naar ons oordeel wordt
tegemoetgekomen aan het standpunt van de Raad van State. Een prejudicieel
stelsel houdt immers niet in dat de rechter zijn uitspraken
onderworpen ziet aan heroverweging door een andere (hogere) rechter en
kenmerkt zich dan ook niet door een hiërarchische verhouding tussen de
rechter die de vragen stelt en de rechter die de antwoorden geeft. Dit kan
worden geïllustreerd aan de hand van de opvatting die het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen koestert omtrent het in artikel
177 van het EEG-verdrag neergelegde stelsel van prejudiciële
vragen. Daartoe verwijzen wij naar een arrest van het Hof van Justitie van 1
december 1965, volgens welk arrest de bedoeling van dit stelsel is: "een rechterlijke samenwerking waarbij de nationale rechter en het Hof van
Justitie - elk volgens hun eigen competentie - geroepen zijn om rechtstreeks en wederzijds bij te dragen tot het
vinden van een beslissing
waardoor de uniforme toepassing van het Gemeenschapsrecht in alle
Lid-Staten wordt gewaarborgd" (HvJEG 1 december 1965, zaak 16/65, Jur.
1965, p. 1117, SEW 1966, p. 36, m.nt. P.J.G. Kapteyn).
Vergeleken met cassatie in het
belang der wet heeft een prejudicieel stelsel het voordeel dat
partijen de mogelijkheid hebben binnen het kader van hun geding en door het geven van voorlichting aan de rechter,
deze tot het stellen van
bepaalde prejudiciële vragen te bewegen. Dit vergroot de kans dat de
rechtsvragen waar het om gaat inderdaad bij de Hoge Raad terechtkomen. Daar
komt bij dat, anders dan bij cassatie in het belang der wet, een
prejudicieel stelsel partijen de mogelijkheid kan bieden hun standpunten omtrent
de door de Hoge Raad op de prejudiciële vragen te geven
antwoorden voor dit college te doen toelichten door rechtsgeleerde raadslieden.
Verder heeft dit stelsel het voordeel dat voor de procureur-generaal de
taak blijft om in zijn conclusie mede op grond van de door (de
raadslieden van) partijen verschafte gegevens en inzichten - onafhankelijk van
partijen en objectief - de Hoge Raad in het rblz.|61|
openbaar van advies te dienen.
Op deze wijze is de voorlichting voor de Hoge Raad volledig. Evenals bij
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en bij het
Benelux-Gerechtshof kan een dergelijk advies, ook met het oog op een
efficiënte werkwijze van de Hoge Raad, bezwaarlijk worden gemist. Gelet op het voorgaande achten
wij de mogelijkheid van een prejudicieel stelsel wel adequaat als
voorlopige rechtseenheidsvoorziening. Deze is dan ook in het
onderhavige wetsvoorstel opgenomen, en wel in de voorgestelde artikelen 107a
tot en met 107j van de Wet
RO. Wij hebben ons beraden op de
vraag of het wellicht aanbeveling zou verdienen de beantwoording van
de prejudiciële vragen niet op te dragen aan de Hoge
Raad, maar aan een zogenoemde gemeenschappelijke
kamer van in elk geval de Hoge
Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van
Beroep.
Nog afgezien van de onwenselijkheid van het instellen van nieuwe
rechterlijke organen en de gewrongenheid van een constructie waarin leden
van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep
deelnemen aan de beantwoording van door de eigen colleges voorgelegde
vragen, is aan die variant echter het doorslaggevende nadeel verbonden dat zij leidt tot de paradoxale situatie van twee hoogste
rechters (de Hoge Raad als cassatierechter en de gemeenschappelijke kamer). !n
een dergelijk stelsel zou immers de cassatierechter zich (hebben te)
richten naar de uitspraken van deze gemeenschappelijke kamer, die
immers bevoegd zou zijn ten aanzien van rechtsvragen die ook - in het gewone stelsel van rechtsmiddelen - door
de cassatierechter worden
beantwoord. De conclusie moet daarom zijn dat ook in een prejudicieel
stelsel geen andere keuze mogelijk is dan het opdragen van deze taak aan de
Hoge Raad. De hier overwogen variant is daarom door ons verworpen.
4.4. Het
prejudiciële stelsel
Bij het opzetten van een
prejudicieel stelsel moeten enkele keuzen worden gemaakt.
De eerste betreft de vraag voor
welke rechtsvragen het stelsel moet gelden. In onderdeel 4.2 is
geconcludeerd dat het moet gaan om rechtsvragen waarvan de beantwoording in het belang is van de rechtseenheid
en de rechtsontwikkeling in het
algemeen en waarvoor in de desbetreffende procedure niet reeds een
cassatievoorziening bestaat. In onderdeel 4.3 is aan de orde
gesteld de vraag welke rechter de prejudiciële vragen moet
beantwoorden. Geconcludeerd is dat het voor de hand ligt de Hoge
Raad daarmee te belasten. De derde keuze heeft betrekking
op de vraag of alle administratieve rechters vragen moeten kunnen
stellen of alleen de in hoogste ressort oordelende administratieve
rechters. In een prejudicieel stelsel verdient het in beginsel de voorkeur dat
een rechtsvraag die uiteindelijk door een prejudiciële beslissing zal
moeten worden beantwoord, in een zo vroeg mogelijk stadium kan worden
voorgelegd aan de instantie die deze beslissing moet geven. Dat
stelsel heeft Nederland in internationaal verband dan ook steeds voorgestaan. In de onderhavige nationale
context is de noodzaak om alle
administratieve gerechten de bevoegdheid te geven een
prejudiciële beslissing te vragen echter minder klemmend. Het gaat immers
om een voorlopige voorziening die bovendien, nu binnen Nederland
met een prejudicieel stelsel geen ervaring bestaat,
noodzakelijkerwijs in zekere mate een experimenteel rblz.|62|
karakter heeft. Daarom is het gewenst het aantal gevallen waarin een prejudiciële beslissing wordt
gevraagd in te dammen. Het is waarschijnlijk dat beperking
van de bevoegdheid tot het vragen van een dergelijke beslissing tot de
hoogste feitelijke instanties daartoe zal bijdragen. Daarmee wordt tevens het risico vermeden dat is verbonden
aan het stellen van vragen in
eerste aanleg, namelijk dat die vragen in hoger beroep door een andere
vaststelling van de feiten niet meer relevant blijken te zijn voor de
eindbeslissing van het geding. Aldus wordt ook de positie van de in hoger
beroep oordelende colleges als bewakers van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het bij uitstek aan hen
toevertrouwde terrein beter
geaccentueerd en wordt interferentie tussen rechtsvragen op het specifieke
rechtsterrein en algemene rechtsvragen vermeden. De
vierde keuze ten slotte betreft de vraag wanneer er in een concrete zaak
aanleiding is om een prejudiciële vraag te stellen. De meest extreme
varianten zijn een volledig verplicht en een volledig facultatief
stelsel. Aan beide varianten zijn evidente nadelen verbonden. Een
volledig verplicht stelsel laat de administratieve rechters in hoogste
ressort te weinig ruimte, waardoor het stelsel star wordt. Aan een
stelsel waaraan het verplichte karakter ontbreekt, kleeft daarentegen
het risico van een te grote vrijblijvendheid. Daardoor zou afbreuk
kunnen worden gedaan aan het bereiken van de doelstelling van de
rechtseenheidsvoorziening. Wij hebben gekozen voor een stelsel waarin in
beginsel sprake is van een verplichting, maar waarin niettemin aan de
administratieve rechters in hoogste ressort de nodige manoeuvreerruimte
wordt gelaten. De
wettelijke criteria zijn neergelegd in het voorgestelde artikel 107a,
eerste lid, van de Wet
RO. Daarin wordt het in het voorgaande in meer
algemene zin vermelde nader uitgewerkt. Wij verwijzen naar de
toelichting op dat artikel [niet opgenomen in deze webpagina, red.]. Wij
zijn van mening dat met de introductie van een prejudicieel stelsel
zoals hiervoor omschreven een belangrijke stap wordt gezet op de weg
naar het verwezenlijken van een belangrijke doelstelling van de
herziening van de rechterlijke organisatie, te weten het verzekeren van
de eenheid van recht en rechtspraak.
5. Personele,
financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van State en de
rechtelijke organisatie
5.1. Algemeen
De invoering van
het onderhavige wetsvoorstel is een omvangrijke operatie met ingrijpende
gevolgen voor zowel de Raad van State als de rechterlijke organisatie.
De invoering van een eerste instantie voor de Arob-zaken en voor een
deel van de TwK- en kroongeschillen bij de rechtbanken leidt tot een
vermindering van de formatie bij de Raad van State en tot een
uitbreiding van de formatie van de administratieve sectoren bij de
rechtbanken. Vooropstaat dat de afslanking van de Raad van State
enerzijds en de verdere uitbouw van de administratieve sectoren bij de
rechtbanken anderzijds op een zowel rechtspositioneel, financieel als
organisatorisch verantwoorde wijze moeten geschieden.
In het standpunt van het vorige
kabinet met betrekking tot de invoering van Arob-rechtspraak in twee
instanties werd al gewezen op de complexiteit van de operatie.
Inmiddels is duidelijk geworden dat zij rblz.|63|
wordt verzwaard door het feit
dat de Raad van State een aanzienlijke werkvoorraad heeft. Beliep de
voorraad bij de Afdeling rechtspraak in 1988 nog ongeveer een jaar,
inmiddels is deze zeer sterk gestegen. Deze stijging is veroorzaakt doordat
de Raad van State de afgelopen jaren is geconfronteerd met een sterk gegroeid zaaksaanbod, terwijl de formatie
en de produktiviteit van de Raad
geen gelijke tred hebben gehouden met die gestegen instroom. Hoewel
een zo sterke stijging van het zaaksaanbod een paar jaar geleden
niet werd voorzien en ook niet kon worden voorzien, werd door een
ambtelijke projectgroep in 1987 al gewezen op het stijgende werkaanbod van de
Afdeling rechtspraak, terwijl er tevens op werd gewezen dat de gewenste
omvang van de Raad grenzen stelt aan zijn verwerkingscapaciteit. Gezien de voorraad en de
onaanvaardbare consequenties voor de behandelingsduur is een
onverwijlde aanpak noodzakelijk. De omvang van de problematiek bij de Raad van State
is dusdanig dat bij de doorvoering van de eerste fase
van de herziening van de rechterlijke organisatie een nauwe relatie
moet worden gelegd tussen het oplossen van de bestaande
voorraadproblematiek en de implementatie van de eerste fase. Bij het oplossen
van de voorraadproblematiek is uitgangspunt dat de voorraden
door de Raad zelf worden weggewerkt. Overheveling van zaken uit die
voorraden naar de rechtbanken achten wij ondoelmatig. Berekend
is dat
met het wegwerken van de eind 1992 bij de Raad van State bestaande
voorraden ongeveer 500 mensjaren zullen zijn gemoeid. Met
inachtneming van overwegingen van financiële en organisatorische aard
wordt ernaar gestreefd de voorraden bij de Raad van State
vóór 1997
weg te werken. Daartoe zal de formatie van de Raad vanaf de datum van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet ineens, maar geleidelijk
worden verkleind, zodat gedurende enige jaren capaciteit beschikbaar
blijft die kan worden ingezet voor het wegwerken van de voorraden.
Tevens kan aanvankelijk de structureel bij de Raad van State blijvende
en voor de tweede aanleg bedoelde capaciteit bij het wegwerken van de
voorraden worden ingezet. Immers, eerst na ongeveer een jaar zullen
zaken in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State aanhangig worden gemaakt. Aan de Raad van State is inmiddels
extra formatieruimte toegekend, teneinde in elk geval te voorkomen dat
de voorraad nog verder groeit. In samenwerking met de Raad van State is
in dit kader vastgesteld dat, rekening houdend met de bij de Raad van
State aanwezige maximale opname- en begeleidingscapaciteit van nieuw
personeel, een eenmalige uitbreiding van gemiddeld 30 formatieplaatsen -
die gedurende enige jaren wordt gehandhaafd - dient plaats te vinden.
Met de Raad van State zijn nadere afspraken gemaakt over de gefaseerde
beschikbaarstelling van de extra capaciteit. Om te voorkomen dat de
uitbreiding van de ondersteuning nauwelijks soelaas zou bieden omdat
zonder aanvullende maatregelen de zittingscapaciteit dezelfde zou
blijven, dient het aantal staatsraden in buitengewone dienst te
worden uitgebreid. Door de Wet van 20 november 1991, Stb. 1991,
633, biedt de Wet
op de Raad van State daartoe thans de mogelijkheid. Met de gekozen aanpak kan worden
voorkomen dat de Raad van State, die uiteindelijk moet worden
afgeslankt, eerst aanzienlijk zou moeten worden uitgebreid voor het wegwerken van de voorraden. Het vorenstaande leidt
ertoe dat bij de
Raad van State gefaseerd kan worden toegewerkt naar de uiteindelijk
structureel benodigde formatie, terwijl de administratieve sectoren bij de rechtbanken geleidelijk kunnen worden opgebouwd. Dit
veranderingsproces wordt aldus voor een belangrijk deel rblz.|64|
bepaald door de inzet
van
beschikbare menskracht op het juiste tijdstip en op de juiste plaats. Bij de
rechtbanken zullen de uitbreidingen gepaard moeten gaan met de
opbouw van kennis en ervaring met de behandeling van de van de Raad
van State overkomende zaken. Meer specifiek voor de rechterlijke
macht doet zich nog een verzwarende omstandigheid voor, te weten de
noodzaak om tijdig de rechterscapaciteit uit te breiden. De
Commissie aantrekken leden rechterlijke macht is erop voorbereid dat in de
komende jaren jaarlijks een groot aantal potentiële leden van de
rechterlijke macht - gestreefd wordt naar ongeveer 50 - moet worden
aangetrokken. De overkomst van gekwalificeerde juristen van de Raad van
State is daarbij van groot belang. Daarnaast worden ook in dit
verband mogelijkheden onderzocht voor het meer dan thans feitelijk
opdragen van werkzaamheden van rechters aan de ondersteuning, met name aan
de gerechtssecretarissen. De uitkomsten van dat onderzoek
zullen naar verwachting leiden tot een andere dan de thans in de rechterlijke organisatie bestaande en historisch gegroeide verhouding
tussen rechtsgeleerd en ondersteunend personeel en tot een andere
opbouw van die ondersteuning. Met de uitvoering van de
voorgenomen reorganisatie wordt op verschillende manieren een
bijdrage geleverd aan het beperken van de werklast en de werkdruk.
Allereerst door het wegwerken van de achterstanden bij met name de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State. Voorts is uitgangspunt dat bij
invoering van de eerste fase zowel bij de rechtbanken als bij de
Raad van State voldoende (extra) personeel beschikbaar zal zijn om de zaken
binnen een redelijke termijn af te werken. Bovendien biedt een
stelsel van rechtspraak in twee instanties meer mogelijkheden voor
beheersing van de werklast dan het huidige stelsel. Daardoor zullen de
doorlooptijden van de zaken in positieve zin worden beïnvloed. Een gunstig
effect op de doorlooptijden zou vooral bij de kleinere rechtbanken ook
kunnen uitgaan van de schaalvergroting die een gevolg is van de integratie, omdat schaalvergroting, en daardoor
specialisatie en bundeling van
deskundigheid, een betere werkverdeling en een betere opvang bij
afwezigheid mogelijk maken. Daarnaast heeft ook de invoering van een
verplichte bezwaarschriftprocedure in het bestuursrecht positieve gevolgen
voor de werklast.
5.2.
Personele en financiële consequenties voor de Raad van State en de
rechterlijke organisatie
5.2.1. Algemeen
Met
het oog op de in het standpunt van het vorige kabinet met betrekking tot
de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties toegezegde
herberekening zijn in de tweede helft van 1990 de personele en de
financiële consequenties van het onderhavige wetsvoorstel in kaart
gebracht door een werkgroep die bestond uit medewerkers van de ministeries van
Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Financiën en
uit vertegenwoordigers van de rechterlijke organisatie, de Raad van State, de Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State en de
Bijzondere Commissie van Overleg Gerechten. Onderzocht is welke
personele capaciteit de eerste en de tweede aanleg in de nieuwe opzet
nodig hebben voor de afdoening van de huidige Arob- en TwK- en
kroongeschillen. Voorts zijn de mogelijkheden bezien van een
werkgelegenheidsgarantie voor de medewerkers van de Raad van State.
Daarnaast zijn de incidentele en de structurele kosten van deze operatie
in kaart gebracht, terwijl tevens de kosten die zijn verbonden aan de
integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken zijn gepreciseerd. rblz.|65|
5.2.2. De benodigde personele capaciteit Bij de vaststelling van de voor
de eerste en de tweede aanleg benodigde capaciteit is
uitgegaan van het zaaksaanbod van de Raad van State
in 1989 en is rekening
gehouden met de invoering van de algemeen geldende verplichte
bezwaarschriftprocedure in de Awb. Bij de capaciteitsvaststelling is er
voorts van uitgegaan dat - anders dan thans het geval is bij de Raad van
State - beide rechterlijke instanties het zaaksaanbod van een jaar ook
volledig in ongeveer een jaar kunnen verwerken. Berekend is dat voor
de eerste en de tweede instantie rekening moet worden gehouden
met een capaciteit van ongeveer 450 formatieplaatsen, terwijl voor
de geschillenbeslechting in enige aanleg bij de Raad van State een
capaciteitsbehoefte van 130 formatieplaatsen zal bestaan. Dit betekent dat het
aantal arbeidsplaatsen in de nieuwe structuur groter is dan in de
huidige, namelijk ongeveer 180 formatieplaatsen. Anders dan bij de
totstandkoming van het vorige kabinetsstandpunt nog werd gedacht, zal
de operatie dus structureel extra capaciteit vragen. Een niet
onaanzienlijk deel van die extra capaciteit hangt samen met het opheffen van
het in de huidige situatie reeds bestaande capaciteitstekort bij
de Raad van State. Het wegwerken van dat tekort in het kader van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie zal ook
inhouden dat de doorlooptijden voor de behandeling van zaken weer
aanvaardbare proporties zullen aannemen. Rekening moet worden gehouden
met een trendmatige groei in het zaaksaanbod, vooral in de sfeer
van wat thans de Arob-zaken zijn. Veranderingen in het zaaksaanbod bij het rechterlijk apparaat kunnen hun
oorzaak vinden in nieuwe
regelgeving c.q. intensivering van beleid (op basis van bestaande
regelgeving). Bij de totstandkoming van die regelgeving of voorafgaande aan de
beoogde beleidsintensiveringen dienen de verwachte gevolgen voor het
zaaksaanbod in kaart te worden gebracht. Op die manier kan
tevoren een beeld worden verkregen over de mogelijke gevolgen van de
nieuwe regelgeving of de beleidsintensivering voor de werklast van het
rechterlijk apparaat. Deze aanpak moet worden gezien tegen de
achtergrond van artikel 15 van de Comptabiliteitswet 1976, de Aanwijzingen
voor de wetgevingstechniek (117) en de Aanwijzingen inzake de toetsing van ontwerpen van wet en van algemene
maatregel van bestuur (17). Deze
laatste aanwijzing brengt mee dat zo nauwkeurig mogelijk moet worden
aangegeven welke (financiële) gevolgen een regeling heeft voor
het met geschillenbeslechting belaste apparaat, waarbij onder meer
moet worden gedacht aan de administratieve rechtspraak en het
kroonberoep, aldus aanwijzing 17. Anders dan op het terrein van het civiele
en het strafrecht, is in het verleden niet altijd de hand gehouden aan deze
aanwijzingen bij het tot stand komen van bestuursrechtelijke
regelgeving, hetgeen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de situatie
waarin geen financiële ruimte beschikbaar was voor het voorkomen van de
onaanvaardbare achterstandssituatie bij de Raad van State. Om een
dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen, dienen ook bij het
voorbereiden van bestuursrechtelijke regelingen en beleidsmaatregelen
de kosten voor het rechterlijk apparaat zorgvuldig door het ministerie
van Justitie en, voor zover de Raad van State in het geding is, door het
ministerie van Binnenlandse Zaken, in nauw overleg met het departement
dat primair verantwoordelijk is voor de regeling of de
beleidsmaatregel, in kaart te worden gebracht, terwijl tevens een voorstel tot
financiering zal moeten worden gedaan. Op die manier kan de ministerraad
telkens besluiten of, en zo ja, op welke wijze de veranderingen in de
werkbelasting van het rechterlijk apparaat worden gecompenseerd. rblz.|66|
5.2.3. De garantie tegen gedwongen
werkloosheid Wij hebben eind 1990 de
medewerkers van de Raad van State die bij de Raad per 31 december 1992 in
vaste dienst zijn een garantie tegen gedwongen werkloosheid geboden. Uitgangspunt
is dat de overgang
van personeel van de Raad van State naar de rechtbanken zal
geschieden zonder onduidelijkheid over de individuele rechtspositie. De garantie houdt
in dat plaatsing in een
functie van gelijk niveau vooropstaat en dat in die gevallen waarin dat niet mogelijk is, geen plaatsing
zal geschieden in een functie die meer dan één schaal lager is dan de
oorspronkelijke functieschaal. Indien een medewerker in een zogenoemde
aanloopschaal zit, behoudt betrokkene uitzicht op de functieschaal
indien hij in een met die schaal overeenstemmende functie wordt
geplaatst. Tot tevredenheid kan worden geconstateerd dat met de
Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State overeenstemming is bereikt
over de aanpak van de personele en de rechtspositionele gevolgen, met
uitzondering van alleen de kwestie van het behoud van de volledige
carrièreperspectieven. Door een interdepartementale werkgroep is een
integraal sociaal statuut voor de onderhavige operatie opgesteld en wordt
gewerkt aan de oplossing van andere rechtspositionele problemen die
samenhangen met de onderhavige operatie. Het sociaal statuut
zal naar verwachting binnenkort definitief kunnen worden vastgesteld.
5.2.4. Financiële consequenties
De berekeningen wijzen, zoals
gezegd, uit dat aan het beoogde systeem van rechtspraak in twee
instanties waardoor aan de zich aandienende werklast binnen
aanvaardbare termijnen het hoofd kan worden geboden, structureel extra
kosten zijn verbonden. Het vorige kabinet was nog van oordeel dat de invoering
van Arob-rechtspraak in twee instanties structureel gezien welhaast
budgettair neutraal zou kunnen geschieden. Thans is duidelijk dat vanwege
het sterk gestegen zaaksaanbod en het daardoor ontstane capaciteitstekort de kosten hoger zijn. Bovendien zijn
de produktiviteitsaannamen
aangepast aan de gemiddeld genomen gestegen ingewikkeldheid van de zaken. Een werkgroep die was
samengesteld uit medewerkers van de ministeries van
Justitie, van
Binnenlandse Zaken en van Financiën en uit medewerkers van de
Raad van State, heeft in de loop van 1990 de kosten die zijn verbonden aan
het nieuwe systeem van rechtspraak in twee instanties berekend.
Berekend is dat de structurele kosten ongeveer ƒ17 á ƒ18 miljoen hoger
zijn dan die van het huidige systeem. Hierbij moet het volgende voor
ogen worden gehouden. In de eerste plaats is in deze kosten
verdisconteerd dat zowel de eerste als de tweede instantie van voldoende
personeel en middelen wordt voorzien om het zaaksaanbod binnen een jaar te
verwerken. Aldus is het zich bij de Raad van State voordoende
capaciteitstekort in de berekeningen verwerkt. De omvang van het capaciteitstekort
is door de werkgroep vastgesteld op 73 formatieplaatsen bij de Afdeling rechtspraak en vier formatieplaatsen
bij de Afdeling voor de
geschillen van bestuur. Inclusief de overhead gaat het om in totaal 83
formatieplaatsen, hetgeen overeenkomt met een bedrag van ongeveer ƒ7 miljoen, exclusief de huisvestingskosten. In de tweede plaats is een deel
van de meerkosten (ƒ3 miljoen) het gevolg van de veronderstelde
aanzuigende werking als gevolg van rechtspraak in twee instanties,
waarbij de eerste instantie geografisch dichter bij de burger komt te staan. Bij
de berekeningen is uitgegaan van 10% rblz.|67|
aanzuigende werking. In de derde
plaats zijn de meerkosten een gevolg van een extra instantie door de
invoering van een systeem van rechtspraak in twee instanties. Met
een verwacht appelpercentage van 35% van voor hoger beroep vatbare
uitspraken zijn de extra kosten daarvan ongeveer ƒ6 miljoen. Tot
slot zijn in de vierde plaats, beperkte, structurele kosten verbonden aan
de voorintegratie en treden structurele meerkosten op in het kader van
de van overheidswege gefinancierde rechtshulp (totaal ƒ1,6 miljoen). Overeenkomstig de tussen alle
betrokkenen gemaakte afspraken wordt aangenomen dat de invoering van
het systeem van rechtspraak in twee instanties uiteindelijk gepaard gaat met de overheveling van minimaal
212 formatieplaatsen (en het
daarmee corresponderende bedrag) van de Raad van State
naar de
rechterlijke organisatie. De aan de eerste fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie verbonden structurele en incidentele meerkosten zijn
met inachtneming van die afspraak als volgt begroot [x ƒ1 miljoen, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| Voorraadproblematiek
Raad van State (inclusief staatsraden
i.b.d.) |
3,1x |
3,1x |
3,1x |
3,1x |
3,1x |
–x |
| Voorintegratie |
3,6x |
1,4x |
0,9x |
0,9x |
0,9x |
0,9x |
| Voorbereiding
Arob-rechtspraak in twee instanties |
6,9x |
2,3x |
–x |
–x |
–x |
16,1x |
| Overheveling eerste
aanleg |
–x |
15,4x |
15,7x |
16,1x |
16,1x |
–x |
| Rechtshulp |
–x |
0,7x |
0,7x |
0,7x |
0,7x |
0,7x |
| Overige (incidentele)
kosten |
1,0x |
2,9x |
2,0x |
0,5x |
–x |
–x |
| Totale
meerkosten |
14,6x |
25,8x |
22,4x |
21,3x |
20,8x |
17,7x |
De kosten die zijn verbonden aan
het wegwerken van de voorraden betreffen naast de in het
overzicht genoemde (getotaliseerde) ƒ15,5 miljoen ook die welke
een gevolg zijn van de vertraagde afslanking van de Raad van State, als gevolg waarvan nog eens in totaal 294 formatieplaatsen bij de Raad
kunnen worden ingezet voor het wegwerken van de voorraden.
Hiermee is een bedrag gemoeid van totaal ruim ƒ24 miljoen. Strikt
genomen gaat het derhalve om ƒ39,5 miljoen, die nodig is
voor het oplossen van de voorraadproblematiek.
In het onderstaande overzicht
worden de meerkosten voor de Raad van State
en begrotingshoofdstuk
VI weergegeven [x ƒ1 miljoen, red.]. Tevens zijn de kosten van de
functiewaarderingsoperatie voor de rechterlijke macht, die eveneens uit de grote
efficiency-operatie worden gefinancierd, in het overzicht opgenomen. Bij het
bepalen van de structurele kosten van de eerste fase (exclusief de
verwachte, geringe meerkosten voor de rechtseenheidsvoorziening) is ervan
uitgegaan dat, zoals gezegd, uiteindelijk minimaal 212 formatieplaatsen (en het daarmee corresponderende
bedrag) worden overgeheveld van
de Raad van State naar de rechterlijke organisatie. rblz.|68|
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| I.
Meerkosten eerste fase |
| A.
Raad van State |
| Personeel |
2,52 |
2,94 |
–3,49 |
–10,01 |
–10,51 |
–13,04 |
| Materieel |
0,55 |
0,30 |
–1,22 |
–2,75 |
–2,75 |
–3,31 |
| Subtotaal |
3,08 |
3,24 |
–4,71 |
–12,77 |
–13,27 |
–16,35 |
| B.
Justitie |
| Personeel |
7,29 |
16,34 |
20,91 |
27,57 |
27,57 |
27,57 |
| Materieel |
4,28 |
5,49 |
5,52 |
5,76 |
5,76 |
5,76 |
| Rechtshulp |
– |
0,71 |
0,71 |
0,71 |
0,71 |
0,71 |
| Subtotaal |
11,56 |
22,54 |
27,14 |
34,04 |
34,04 |
34,04 |
| Totaal |
14,64 |
25,79 |
22,43 |
21,27 |
20,77 |
17,69 |
| II.
Functiewaardering |
10,3 |
9,8 |
9,8 |
9,8 |
9,8 |
9,8 |
| Totale kosten l + ll |
24,9 |
35,6 |
32,2 |
31,1 |
30,6 |
27,5 |
| Financiering |
| Extra griffierechten |
– |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
| Grote efficiency |
27,5 |
35,0 |
35,0 |
38,0 |
38,0 |
38,0 |
| Kasverschuiving |
–2,5 |
1,0 |
–2,5 |
4,5 |
4,5 |
– |
| Totaal |
25,0 |
37,7 |
34,2 |
44,2 |
44,2 |
39,7 |
|
| Financieringssaldo |
0,1 |
2,1 |
2,0 |
13,1 |
13,6 |
12,2 |
Het berekende financieringssaldo
is benodigd voor de financiering van de tweede en de derde fase van
de herziening (vanaf 1995), waarvan de kosten thans op structureel ƒ10 miljoen
worden geraamd. Het dan
nog resterende saldo zal worden
aangewend ter financiering van de beoogde herziene
rechtsbeschermingsregeling in de Algemene Bijstandswet c.a., alsmede van
de rechtseenheidsvoorziening. Voorts is ruimte geschapen voor de dekking
van de incidentele kosten die in de tweede fase zullen optreden.
Ter adstructie volgt hier een
overzicht van de samenstelling van de geraamde kosten van de tweede en
de derde fase van de herziening [x ƒ1 miljoen, red.].
| Meerkostenrtweederenrderderfasexxxxxxxxxxxxxxxxx |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| Integratie
kantongerechten |
– |
– |
4,0 |
4,0 |
4,0 |
| Appelrechtspraak |
– |
– |
2,0 |
2,0 |
2,0 |
| Afronding
herstructurering administratieve rechtspraak |
– |
– |
4,0 |
4,0 |
4,0 |
| Totaal |
– |
– |
10,0 |
10,0 |
10,0 |
De kosten van de eerste
inrichting en de huisvesting van de gerechten zijn in de hiervoor
gepresenteerde cijferopstelling niet betrokken. Voor de rechterlijke organisatie zijn
deze afzonderlijk in beschouwing genomen in het kader van het
project huisvesting justitiële diensten (Kamerstukken II, 21 840).
Indien men de totale verwachte kosten van dit project, die overigens mede
worden bepaald door het wegwerken van reeds bestaande achterstanden op
huisvestingsterrein, afzet tegen het aantal te huisvesten formatieplaatsen, kan worden geconstateerd dat op
investeringsbasis rekening moet
worden gehouden met ongeveer ƒ0,1 miljoen per
formatieplaats. De eerste fase van de herzieningsoperatie rblz.|69|
gaat bij de rechterlijke
organisatie gepaard met een uitbreiding van ongeveer 400 formatieplaatsen.
De in dit onderdeel
gepresenteerde cijfers zijn onder meer gebaseerd op het zaaksaanbod zoals dat
zich in 1989 voordeed bij de Raad van State
en op de verwerkingscapaciteit van de Raad in dat jaar. Het is de bedoeling de voorliggende
resultaten in de loop van 1992, wanneer de cijfers over 1991 uit het
jaarverslag van de Raad van State bekend zijn, te actualiseren. Daarbij zal
tevens rekening worden gehouden met de produktiviteitsontwikkelingen
zoals deze kunnen blijken uit de resultaten van de werkgroep die de optimale
werkwijze van de administratieve kamers in kaart brengt, nieuwe
inzichten in de verwerkingscapaciteit bij de gerechten op basis van de
ervaringen met de werklastmeting en mogelijkerwijze ook de
resultaten van een bij de Raad van State te verrichten onderzoek naar de
overhead in de ambtelijke ondersteuning, waarover thans overleg
plaatsvindt met de Raad. Op die manier kan worden bewerkstelligd dat niet
alleen een actualisering van de zaakscijfers plaatsvindt, maar ook
van het voor de berekeningen gebruikte capaciteitsmodel.
Uit bovenstaande berekeningen
blijkt dat uit de voor het ministerie van Justitie uit de grote
efficiency-operatie ten behoeve van de herziening van de rechterlijke organisatie
aangewezen gelden de financiering van de incidentele kosten (inclusief
het wegwerken van de bij de Raad van State bestaande voorraden) en de
structurele kosten kan geschieden. De uit de grote efficiency-operatie ten
behoeve van de herziening van de rechterlijke organisatie toegewezen
gelden zijn toereikend voor het wegwerken van het zich thans voordoende
capaciteitstekort en bieden - samen met de extra gelden die in het kader
van het asielbeleid aan de Raad van State zijn verstrekt - de
mogelijkheid om de voorraden bij de Raad van State weg te werken. Van de uit
de grote efficiency-operatie beschikbaar komende gelden zal ƒ16 miljoen structureel beschikbaar moeten blijven om de gevolgen van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie te
financieren. Aanvullend op deze gelden zal het nodig zijn dat de verwachte
extra opbrengsten uit het griffierecht als gevolg van de invoering van het
onderhavige wetsvoorstel eveneens voor de herzieningsoperatie
beschikbaar komen. De meeropbrengsten worden geschat op ƒ1,7 miljoen per jaar. De resterende opbrengsten van de grote efficiency-operatie
zullen worden aangewend voor de financiering van de latere onderdelen
van de herziening van de rechterlijke organisatie en van de gevolgen
van de functiewaarderingsoperatie.
Met betrekking tot de
financiering van de herziening rechterlijke organisatie uit de opbrengsten
van deze operatie merken wij voor de goede orde nog het volgende op.
Zelfs indien de grote efficiency-operatie minder zou
opbrengen dan beoogd - daargelaten de omvang daarvan - betekent dat
nog niet dat de financiering van de herziening van de rechterlijke
organisatie in gevaar komt. Ten eerste is van belang dat slechts een zeer
beperkt deel van de opbrengsten uit de grote efficiency-operatie is
bestemd voor de herziening van de rechterlijke organisatie. Ten tweede is
in het kabinet afgesproken dat, als de opbrengsten onverhoopt minder
zouden zijn dan geraamd, de gelden die voor onder meer de herziening
van de rechterlijke organisatie nodig zijn, in het uiterste geval via
generale compensatie beschikbaar komen, zodat slechts een klein deel van de tekorten binnen de begroting van het
ministerie van Justitie moet worden
opgevangen.
rblz.|70|
5.3.
Organisatorische consequenties voor de rechtbanken
De invoering van het onderhavige
wetsvoorstel zal buiten de consequenties voor de Raad van State
(instelling van één Afdeling bestuursrechtspraak met verschillende
taken, met de bijbehorende gevolgen voor de ondersteunende afdelingen)
ingrijpende consequenties hebben voor de werkwijzen binnen de
(administratieve sectoren van de) rechtbanken. Met inachtneming van de door de
Raad van State toegepaste werkmethoden wordt onder meer onderzocht in hoeverre werk door de rechterlijke macht feitelijk kan worden
opgedragen aan het gerechtssecretariaat en werk van het
gerechtssecretariaat aan de administratie. Thans worden voorstellen ontwikkeld met
betrekking tot die werkwijzen. In onderdeel 5.1 werd hierop reeds ingegaan.
In verband met de tijdelijke
werklastverhoging die reorganisatieprocessen met zich kunnen brengen,
dient te worden beklemtoond dat, om de extra werklast als gevolg van
de veranderingen te beperken, ervoor is gekozen om waar mogelijk
veranderingen die de rechterlijke organisatie raken zo in te voeren dat wordt
voorkomen dat ze gelijktijdig op dezelfde onderdelen van de rechterlijke
organisatie betrekking hebben. Zo vindt de - terdege voorbereide en in
termen van structurele extra werklast op basis van de berekeningen van de
commissie-Van Schendel meevallende - invoering van het nieuwe BW
plaats op het moment dat de voorbereidingen voor de herziening van de bestuursrechtspraak plaatsvinden. Wij
wijzen er in dit verband op dat
in de opeenvolgende fasen van de herziening telkens andere
onderdelen van de rechterlijke organisatie zijn betrokken. Deze gefaseerde
aanpak biedt tevens de mogelijkheid de verschillende delen van de
herzieningsoperatie in een relatief kort tijdsbestek door te voeren, zodat de
medewerkers van de desbetreffende onderdelen niet nodeloos lang
worden geconfronteerd met veranderingsprocessen.
Belangrijk is voorts dat met de implementatie van de herzieningsvoorstellen,
ook wat de eerste fase betreft, is gewacht totdat op het niveau van de
arrondissementen voorwaarden zijn gecreëerd die voor een succesvolle
implementatie nodig zijn. Het gaat daarbij om de versterking van het
management op het niveau van het arrondissement, het treffen van
voorzieningen gericht op een optimale verdeling en benutting van de
beschikbare mensen en middelen en waar nodig een uitbreiding van de
capaciteit. Aan dit beleid is en wordt samen met het versterkte lokale
beheersmanagement vormgegeven door het werken met een planning- en
controlsysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van een werklastmetingssysteem,
het verbeteren van de interne organisatie, het ontwikkelen en gebruik maken
van moderne werkwijzen en andere delegatiepatronen, automatisering,
versterking van de ondersteuning en verbetering van de huisvesting van de
gerechten. De uitvoering van het hier geschetste beleid maakt gestage
voortgang en begint haar vruchten af te werpen. Belangrijk in dit verband is
dat het lokale beheersmanagement, onder leiding van de directeur
gerechtelijke ondersteuning, in overeenstemming met de functionele
autoriteiten, zich verantwoordelijk weet voor de implementatie van de
herzieningsvoorstellen, waarbij overigens zo nodig een beroep kan worden
gedaan op het ministerie van Justitie of op externe organisatiedeskundigheid. Inmiddels zijn belangrijke stappen gezet om de
integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken,
die zoals bekend voorafgaat aan de voltooiing van de eerste fase, inderdaad
te kunnen invoeren als het wetsvoorstel - dat gereed is voor mondelinge
behandeling in de Tweede Kamer - het Staatsblad heeft bereikt.
rblz.|71|
Bovendien is en wordt bewerkstelligd dat tijdig over extra personeel kan worden beschikt, terwijl
voorafgaand aan de implementatie ook extra financiële middelen worden verstrekt. Ter voorbereiding op de voorintegratie zijn in de loop van 1991
extra formatieplaatsen en financiële middelen aan de raden van
beroep/Ambtenarengerechten beschikbaar gesteld. In de loop van 1992 zal
dat eveneens gebeuren ter voorbereiding op de voltooiing van de
eerste fase. Per 1 juli 1992 zullen in dat verband 52 formatieplaatsen
extra beschikbaar worden gesteld. Bij dit gegeven dient men bovendien voor
ogen te houden dat de invoering van rechtspraak in twee instanties
niet gepaard gaat met de overdracht van de bij de Raad van State
bestaande voorraden, zodat de zaken op de voor de rechterlijke organisatie
nieuwe rechtsterreinen geleidelijk aanhangig zullen worden gemaakt.
Voorts
wordt bewerkstelligd dat zowel voor het rechtsgeleerd personeel als voor
het gerechtssecretariaat mogelijkheden worden gecreëerd voor scholing en,
indien zij dat wensen, om praktische ervaring op te doen met de behandeling
van Arob-, TwK- en kroonzaken. In overleg met de Stichting Studiecentrum
Rechtspleging wordt ervoor zorg gedragen dat tijdig de benodigde aanvullende
cursussen worden verzorgd. In aanvulling op deze theoretische vorming
worden, in goede samenwerking met de Raad van State, voor de leden van de
rechterlijke macht en medewerkers uit de rechterlijke organisatie de
mogelijkheden verkend om door middel van het volgen van stages bij de Raad
aldaar praktische ervaring op te doen. Op die wijze wordt bewerkstelligd dat
de rechterlijk organisatie in 1993 ook beschikt over eigen personeel dat in
staat is het zich geleidelijk aandienende zaaksaanbod op een nieuw terrein
te behandelen.
Ten
slotte kan erop worden gewezen dat bij de verdere ontwikkeling van het
Gerbera-automatiseringssysteem rekening wordt gehouden met de behandeling
van Arob-, TwK- en kroonzaken, terwijl voor de invoering van dat systeem
tijdelijk extra formatieruimte beschikbaar wordt gesteld voor zogenoemde
invoeringsteams.
Teneinde te bewerkstelligen dat de inbreng van alle betrokken partijen in
iedere fase van het reorganisatieproces verzekerd is, is een
projectstructuur ingesteld waarin voor ieder onderdeel van de uitwerking van
de herzieningsvoorstellen alle betrokken instanties zijn vertegenwoordigd.
Daarnaast is ten behoeve van de Justitieorganisatie een projectteam in het
leven geroepen dat is belast met de coördinatie en de begeleiding van alle
activiteiten die in het kader van de reorganisatie moeten worden verricht.
Tevens draagt het projectteam ervoor zorg dat alle voor de rechterlijke
instanties relevante ontwikkelingen telkens, voor ieder onderdeel van het
herzieningsproces, in samenhang worden beschouwd. Een speciale plaats in dit
geheel neemt de Adviesraad herziening rechterlijke organisatie in. De
adviesraad, die onder voorzitterschap staat van de president van de Hoge
Raad en waarin alle geledingen van de rechterlijke macht en de
Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak zijn vertegenwoordigd en waarin tevens de Raad van State
participeert, heeft tot taak de advisering van de kant van de
rechterlijke autoriteiten over alle met de herzieningsoperatie samenhangende
onderwerpen te coördineren en te integreren.
rblz.|72|
6. Gevolgen voor
het bestuur
De in dit wetsvoorstel
voorgestelde maatregelen hebben verreweg de meest ingrijpende gevolgen voor
de Raad van State en de rechterlijke organisatie zelf. Maar uiteraard
laat het wetsvoorstel ook de bestuurlijke omgeving niet onberoerd. De
vraag die in dit onderdeel in verband hiermee aan de orde komt is of,
en zo ja, in hoeverre extra bestuurslasten aan het nieuwe stelsel
van administratieve rechtspraak zijn verbonden.
Wat de
lasten in bredere zin betreft, merken wij het volgende op. In een
adviesaanvraag van de regering van 20 juni 1991 aan de WRR
[Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, red.] over de
verkorting van besluitvormingsprocedures wordt gewezen op de schadelijke
gevolgen van lange procedures: "Zij leiden tot onnodig hoge
bestuurlijke en maatschappelijke en economische lasten. In de eerste plaats
ontstaat veelal kostbare duplicatie van werkzaamheden, bijvoorbeeld door
besluitvormings- en inspraakprocedures en rechtsbescherming waarin enige
malen in wezen dezelfde bezwaren aan de orde komen. Dit leidt tot lasten
voor de overheid, maar ook voor burgers, bedrijven en andere particuliere
organisaties. Ten tweede worden de aanleg van infrastructuur en de
totstandkoming van bouwwerken, bedrijfsvestigingen en nieuwe economische
activiteiten door de lange besluitvormingsprocedures belemmerd."
Uiteraard dienen bij het ontwerpen van het rechtsbeschermingsstelsel de
effecten op de lengte van het bestuurlijke besluitvormingstraject in de
beschouwing te worden betrokken. Een stelsel dat zou leiden tot verlenging
van de besluitvorming in het algemeen zou heel onaantrekkelijk zijn. Wij
willen er in dit verband op wijzen dat het stelsel van rechtspraak in twee
instanties juist mede is ingegeven door de wens sneller een rechterlijk
oordeel te kunnen verkrijgen. Oogmerk is immers onder meer een einde te
maken aan de overbelasting van de met rechtspraak belaste afdelingen van de Raad van State. Een overbelasting die tot gevolg heeft dat het thans soms
wel heel lang duurt voordat een uitspraak over het geschil ten gronde kan
worden verkregen. Door de verdere doorvoering van het stelsel van
rechtspraak in twee instanties, die tot gevolg heeft dat er een betere
spreiding van het zaaksaanbod is, alsmede dat meer rechters beschikbaar
zijn, zal de uitspraak in eerste instantie sneller beschikbaar zijn dan in
de huidige situatie, waarin door de met rechtspraak belaste afdelingen van
de Raad in eerste en enige instantie recht wordt gesproken. Daardoor neemt
de gemiddelde duur van de besluitvormingsprocedures substantieel af.
Ditzelfde effect wordt overigens al in een eerdere fase van het
besluitvormingsproces bewerkstelligd door de bezwaarschriftprocedure. Wij
verwijzen voor dat punt naar hetgeen daarover in het kader van de eerste
tranche van de Awb
is opgemerkt. Bij dit alles verwachten wij dat het
aantal zaken waarin in hoger beroep wordt doorgeprocedeerd, beperkt zal
zijn. Deze verwachting is onder meer gebaseerd op de appelpercentages in de
takken van rechtspraak waar het stelsel van rechtspraak in twee instanties
reeds geldt. Indien al hoger beroep wordt ingesteld, betekent dat vervolgens
nog niet dat de beslissing in appel moet worden afgewacht alvorens tot
uitvoering van het bestreden besluit kan worden overgegaan. Het appel heeft
immers in beginsel geen schorsende werking. Nu daarenboven de mogelijkheid
van een voorlopige voorziening in appel wordt voorgesteld, zal het
bestuursorgaan in het kader van een dergelijke
voorlopigevoorzieningsprocedure op korte termijn een grote mate van
zekerheid kunnen verkrijgen over de vraag of het besluit in appel in stand
zal blijven. Wij wijzen voorts nog op de mogelijkheid dat de appelrechter
tegelijk met de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening
uitspraak doet in het hoger beroep in het bodemgeschil.
rblz.|73|
Overigens is het wellicht goed
in dit verband eraan te herinneren dat een aantal categorieën van
besluiten voorshands van rechtspraak in twee instanties zal worden uitgezonderd. Een belangrijk criterium hiervoor is
de onzekerheid over de vraag of
bij die categorieën geschillen inderdaad slechts in beperkte mate zal
worden doorgeprocedeerd. Door het uitzonderen van deze geschillen is het
risico dat de introductie van rechtspraak in twee instanties op onderdelen
tot verlenging van de besluitvormingsprocedures zal leiden
aanzienlijk beperkt.
Ten slotte willen wij erop
wijzen dat de tijd die met de rechtsbescherming is gemoeid in hoge
mate volgend is ten opzichte van (de gecompliceerdheid van) de
primaire besluitvorming. Naar de mate waarin het streven naar vereenvoudiging
van de primaire besluitvormingsprocedure succes zal hebben, zal
dit kunnen leiden tot een vermindering van het aantal
rechtsbeschermingsprocedures en van de tijd die met deze procedures is gemoeid.
Wij achten het derhalve
aannemelijk dat het voorliggende wetsvoorstel wat de lasten in
bredere zin betreft eerder zal bijdragen aan een verlichting dan aan een
verzwaring daarvan.
Wij hebben gestreefd naar het
geven van een zo nauwkeurig mogelijk algemeen beeld van de te
verwachten wijzigingen in de bestuurslasten. Wij beschouwen echter het opstellen van een operationeel betrouwbare
kwantitatieve analyse ex ante
van de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel
voor de
bestuurslasten als een vrijwel ondoenlijke opgave. Vooreerst wijzen wij erop dat
het een uitermate ingewikkelde opgave is om een betrouwbare voorspelling
te doen van de ontwikkeling van bestuurslasten louter als gevolg
van het onderhavige wetsvoorstel. Deze ene factor zou dan immers moeten
worden geïsoleerd van andere factoren die van invloed zijn op
het brede scala van bestuurlijke activiteiten. Wijzigingen in de
regelgeving of bij de uitvoering op het niveau van de organisatie (kunnen)
leiden tot (veelal ingrijpende) wijzigingen in bestuurslasten. Bij een
beoordeling van de te verwachten effecten van dit wetsvoorstel is niet exact
na te gaan of het wetsvoorstel daarnaast wellicht ook werkt als een
katalysator of als een remmende factor op het geheel van de bestuurslasten.
Voor zover ons bekend, zijn ter zake nauwelijks onderzoeksgegevens
voorhanden (uitgezonderd de bezwaarschriftprocedure; vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 221,
nrs. 5 en 8 en de bijbehorende rapporten).
Daarenboven is de uitvoeringspraktijk mede bepalend voor de bestuurslasten en kan niet in het algemeen
worden gesteld dat aan de
introductie van een bepaalde nieuwe regel bepaalde van te voren nauwkeurig
aangegeven extra bestuurslasten zijn verbonden. Zo blijkt de
toepassing van een wet door verschillende uitvoeringsorganen afhankelijk
van de wijze van uitvoering door die organen tot uiteenlopende
hoeveelheden klachten en beroepschriften te leiden (vgl. G.S.A. Dijkstra,
Wetgeving en omvang van het gebruik van rechtsbescherming, Deventer,
1991). Voorts is het de vraag of de bestuurlijke omgeving als een
gegeven grootheid moet worden geaccepteerd in de analyse van
mogelijke extra bestuurslasten. Rechtsbeschermingsvoorzieningen kunnen er
immers ook toe leiden dat tekortkomingen aan het licht komen en dat
mogelijkheden worden aangereikt voor verbetering binnen de bestaande
financiële kaders. In situaties waarin thans nog sprake is van een
rechtsbeschermingstekort kunnen de extra lasten wellicht als onevenredig zwaar
worden ervaren, doch de omvang van deze lasten kan niet volledig op
het conto van de onderhavige voorstellen worden geschreven.
rblz.|74|
Wellicht ten overvloede merken
wij nog op dat ook de baten van dit wetsvoorstel in de beschouwingen
dienen te worden betrokken. Niet uit het oog mag worden verloren dat
de verhoogde rechtsbescherming die dit wetsvoorstel althans op
sommige onderdelen biedt, in beginsel alle rechtzoekenden, inclusief
bestuursorganen, in Nederland dient. Noch met een almaar toenemende
werklast bij de Raad van State en alle daarmee verbonden problemen,
noch met een nieuw, onevenwichtig opgebouwd systeem van rechtsbescherming zijn de rechtzoekenden en
de rechtspraktijk gediend.
Uiteraard is bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel rekening
gehouden met gerechtvaardigde belangen van het bestuur. Doch deze
dienen echter niet zodanig overheersend te zijn dat daardoor de vormgeving
van de voorgestelde herziening van de rechterlijke organisatie
ondergeschikt zou worden gemaakt aan bestuurlijke belangen. Het bestuur is
er tenslotte voor de burgers, en niet andersom. Wij wijzen in dit
verband andermaal op het belangrijke effect dat in het nieuwe stelsel onder
meer door de verdere doorvoering van rechtspraak in twee instanties
en door de mogelijkheid van "kortsluiting" tussen voorlopige voorziening en
bodemprocedure gemiddeld genomen sneller uitspraken in eerste
instantie (en vaak ook in tweede instantie) beschikbaar zijn. Daardoor
bestaat sneller rechtszekerheid bij burgers en bestuursorganen en kunnen bijvoorbeeld
projecten eerder in uitvoering worden genomen. Deze voordelen
lenen zich echter niet gemakkelijk voor kwantificering.
De hierboven geplaatste
kanttekeningen impliceren niet dat het onmogelijk is een voorspelling
te doen over de bestuurslasten die bepaalde onderdelen van een
regeling met zich brengen. Afhankelijk van de aard van een bepaalde
maatregel en de bestuurlijke en maatschappelijke context waarin deze moet
worden geïmplementeerd, kunnen meer of minder betrouwbare indicaties
worden gegeven van de effecten waarmee rekening moet worden
gehouden.
Op onderdelen zal voor sommige
bestuursorganen sprake kunnen zijn van een stijging van de
bestuurslasten. Zo zal rechtspraak in twee instanties, waar deze tot nu toe
in één instantie plaatsvond, in die gevallen waarin wordt
doorgeprocedeerd tot hogere bestuurslasten kunnen leiden. Hoe hoog die
lasten zullen zijn, is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de
bewerkelijkheid van het hoger beroep (is sprake van slechts een herhaling van
zetten of is een hernieuwde beoordeling nodig; komt er een zitting of
niet), de mate waarin appellen worden ingetrokken, de vraag of de
burger dan wel het bestuursorgaan in appel gaat, de duur van de totale
rechterlijke procedure en de inschakeling van professionele rechtsbijstand. In
welke categorieën van geschillen meer of minder dan gemiddeld zal worden
doorgeprocedeerd en dus bij welke (onderdelen van de) ministeries
zich exact de, naar onze opvatting overigens beperkte, extra lasten
zullen voordoen, valt niet te voorspellen. Rechtspraak in twee instanties
zoals voorgesteld, betekent ook dat de rechtspraak in eerste aanleg op
negentien verschillende plaatsen in het land zal plaatsvinden. Dat heeft
voor de burger en voor decentrale en gedeconcentreerde
bestuursorganen het voordeel van de betere bereikbaarheid, doch voor
bestuursorganen van de centrale overheid kunnen daaruit extra lasten
voortvloeien. Daar staat tegenover dat een verhoging van de bestuurslasten
onder meer is beperkt doordat nadrukkelijk ten aanzien van bepaalde
geschillen is voorgesteld in deze fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie voorshands rechtspraak in één instantie te handhaven.
Ter illustratie geven wij
onderstaand meer in concreto een overzicht van de aantallen Arob-zaken die
in het nieuwe stelsel in eerste aanleg en rblz.|75|
in hoger beroep zullen worden behandeld. Aan de hand daarvan kan ook
een concreter beeld ontstaan van
de extra bestuurslasten ten gevolge van de eerste fase van de
herziening van de rechterlijke organisatie. Deze gegevens zijn ontleend aan
berekeningen die in oktober 1990 zijn opgesteld van de gevolgen van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voor in
het bijzonder de Raad van State en de rechtbanken. Wij vermelden hier
als gezegd de gegevens ten aanzien van de huidige Arob-rechtspraak. Het
gaat daar immers om het grootste aantal geschillen en om de meest
ingrijpende wijziging in het stelsel.
In 1989 werden
20 471
Arob-geschillen aangebracht. In 15 480 zaken ging het om hoofdzaken. Bijna
5000 zaken betroffen verzoeken om schorsing en/of voorlopige
voorziening. Na correctie voor de zeefwerking die - volgens berekeningen
gebaseerd op de huidige praktijk van artikel 11 van de Wet Arob - van de
algeheel verplichte bezwaarschriftprocedure inzake geschillen tegen
de centrale overheid uitgaat, resteren 10 330 zaken die in eerste
aanleg zullen worden behandeld door de administratieve kamers van de rechtbanken en die ook in beginsel in aanmerking komen voor
rechtspraak in twee instanties. Indien rekening wordt gehouden met een
aanzuigende werking van 10%, gaat het om 11 360 zaken. Hierbij is van belang dat slechts ongeveer 40% van de ingekomen hoofdzaken leidt tot
een voor hoger beroep vatbare uitspraak na een behandeling ter
zitting; 30% wordt namelijk buiten zitting afgedaan en ongeveer 30%
wordt ingetrokken of op een andere wijze afgedaan. Op basis van een
appelpercentage van 35% van de voor hoger beroep vatbare uitspraken
betekent dat dat in ongeveer 1550 zaken hoger beroep zal worden
ingesteld. Voor de goede orde zij hierbij aangetekend dat in deze
berekeningen nog geen rekening kon worden gehouden met enerzijds de
voorgestane rechtspraak in één instantie in geschillen op grond van de
Vreemdelingenwet (in 1989 ongeveer 2100 aangebrachte geschillen) en
anderzijds het sinds 1989 gestegen aantal ingekomen zaken (in 1990
ongeveer 2500 extra hoofdzaken).
Uit deze gegevens kunnen voor de
te verwachten extra bestuurslasten de volgende conclusies worden
getrokken.
Anders dan thans zal in 1550
(voormalige Arob-)zaken een hogerberoepsprocedure moeten worden
gevoerd. Daarbij komt dat in een deel van deze gevallen hangende hoger beroep nog een voorlopige
voorziening zal worden gevraagd.
Evenals
thans zijn bestuurslasten verbonden aan behandeling van geschillen in eerste
aanleg. Deze zijn, met één - hierna te bespreken - uitzondering, niet
hoger dan thans. Zoals bekend, zullen, anders dan nu, geschillen niet
geconcentreerd op één plaats in het land worden behandeld, doch verspreid
over negentien rechtbanken. Voor bestuursorganen die niet tot de centrale
overheid behoren, zal dat in die gevallen waarin er een zitting wordt
gehouden tot een besparing (reistijd) leiden. Voor bestuursorganen van de
centrale overheid geldt dat in die gevallen waarin beroepen tegen besluiten
van de Kroon of een minister in eerste aanleg niet meer te 's-Gravenhage
worden behandeld extra bestuurslasten optreden. Zorgen over de omvang
daarvan dienen echter in belangrijke mate te worden gerelativeerd. In totaal
zullen in eerste aanleg ongeveer 5300 zittingen in hoofdzaken (waaronder 550
verzetzaken) worden gehouden en ongeveer 2590
voorlopigevoorzieningszittingen worden gedaan. Er kan van worden uitgegaan
dat de centrale overheid in een derde deel van deze zaken als verweerder zal
optreden. Een deel van de Arob-zaken tegen bestuursorganen van de centrale
overheid bestaat uit beroepen tegen besluiten van gedeconcentreerde
ambtenaren waaraan rblz.|76|
de bevoegdheid tot het nemen van bepaalde besluiten is geattribueerd. In die gevallen treedt voor de centrale overheid juist een
vermindering van die bestuurslasten op, aangezien de desbetreffende
ambtenaren dan veelal dichter bij hun werkplek terecht kunnen dan thans het
geval is. Als wij aannemen dat in ongeveer een derde deel van deze geschillen
sprake is van gedeconcentreerde diensten, betekent dat dat in ongeveer 1750
geschillen meer lasten voor de centrale overheid zullen optreden. Daarbij is
dan nog geen rekening gehouden met de in artikel 8.3.8 [8:86]
van de Awb geregelde
mogelijkheid van kortsluiting tussen voorlopige voorziening en hoofdzaak. De
omvang van deze meerkosten wordt nog verder beperkt, namelijk in de gevallen
waarin het wél gaat om besluiten van de Kroon of een minister. Daarbij zal
door louter demografische oorzaken in 46% van de gevallen sprake zijn van
geen of slechts beperkte extra bestuurslasten. Wij doelen op de gevallen
waarin de appellant woonachtig is in het arrondissement 's-Gravenhage (11%),
onderscheidenlijk in één van de arrondissementen op korte reisafstand van
's-Gravenhage (Dordrecht 2%, Rotterdam 7%, Haarlem 6%,
Amsterdam 11% en Utrecht 9%). Bovendien wijzen wij op de
toenemende tendens tot decentralisatie. Deze zal ertoe kunnen leiden dat in
meer gevallen dan thans besluiten worden genomen door bestuursorganen van de
decentrale overheden. Voorts achten wij het van belang dat de rechtbanken
waar mogelijk de behandeling van zaken die één (onderdeel van een)
bestuursorgaan betreffen zoveel mogelijk voor behandeling op één zitting
plannen. Wij menen dat ook langs die weg praktische oplossingen kunnen
worden getroffen om extra bestuurslasten zo beperkt mogelijk te houden.
Wij
concluderen dat invoering
van rechtspraak in twee instanties met name voor de centrale overheid
meer bestuurslasten met zich zal brengen, doch wij zijn tevens
van oordeel dat deze in het licht van de gevolgen van de eerste fase van
de herziening van de rechterlijke organisatie voor het tot stand komen
van onherroepelijke overheidsbeslissingen niet moeten worden overschat.
Het gaat om beperkte extra lasten, verbonden aan het voeren van
gedingen in hoger beroep en - slechts voor zover het de centrale
overheid (althans de ministeries) betreft - aan het bijwonen van zittingen in
eerste aanleg op negentien verschillende plaatsen in het land.
Naast eventuele bestuurslasten
voortvloeiende uit het stelsel van rechtspraak in twee instanties
is het ook mogelijk dat enige extra bestuurslasten voortvloeien uit
de voorgestelde uitbreiding van de competentie van de
administratieve rechter ten gevolge van de slechting van de negatieve lijst bij de
Wet Arob. Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor beroep bij de
administratieve rechter enigermate worden uitgebreid. Deze
uitbreiding zal tot een zekere stijging van de bestuurslasten leiden. Het
gelijktijdig met de expiratie van de TwK vervallen van de negatieve lijst
is een uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer. Over de omvang van de
stijging kunnen wij thans het volgende vermelden. Door de hernieuwde
vaststelling in 1988 is het aantal beschikkingen waarop de lijst
betrekking heeft belangrijk beperkt. Reeds om die reden zal de stijging van
bestuurslasten beperkt blijven. Bij een nadere beschouwing van de in
1988 overgebleven besluiten is gebleken dat dat inderdaad zo is. Zo
hebben de achttien op de lijst vermelde zogenoemde garantieregelingen
Indische pensioenen betrekking op een qua omvang beperkte populatie.
Bovendien betreft het veelal besluiten waartegen thans al de redelijk
functionerende mogelijkheid van administratief beroep bestaat. De
gevolgen van de schrapping van de op de negatieve lijst vermelde
wetgeving van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen kunnen niet goed
worden getaxeerd. Met betrekking tot rblz.|77|
de Lageronderwijswet 1920
merken wij op dat deze goeddeels is vervangen door de Wet op het
basisonderwijs. De mogelijkheid van extra bestuurslasten op het terrein
van de desbetreffende onderwijswetten worden overigens gemitigeerd
door het uitstel (tot drie jaar na inwerkingtreding van dit
wetsvoorstel)
dat artikel 2 van hoofdstuk XIV van de Aanpassingswet Awb op het stuk
van de bezwaarschriftprocedure biedt. Geconcludeerd kan worden dat de
omvang van de stijging beperkt is. Bovendien dienen besluiten die
de rechtspositie van de burger raken en die zich lenen voor bestuursrechtelijke
rechtsbescherming, in beginsel
voor beroep bij de
administratieve rechter vatbaar te zijn.
Uitsluiting van beroep van
besluiten bij de administratieve rechter zou haaks staan op het streven om
leemten in de rechtsbescherming op te vullen. Ook hier geldt hetgeen
in algemene zin van belang is, namelijk dat door zodanige uitsluiting
het beroep op de burgerlijke rechter kan toenemen en meer klachten kunnen
binnenkomen bij de Koningin, de Commissies voor de
Verzoekschriften en de Nationale ombudsman.
Voor de goede orde merken wij
met betrekking tot de bestuurslasten die samenhangen met de
bezwaarschriftprocedure, hoewel deze materie grotendeels door de eerste tranche van de
Awb wordt bestreken, nog het
volgende op.
Dit wetsvoorstel voorziet in
samenhang met de eerste tranche van de Awb in invoering van de
bezwaarschriftprocedure op terreinen waarvoor deze thans nog niet geldt. Zo wordt de voor beroep vatbare beslissing op
het terrein van de sociale
zekerheid vervangen door de bezwaarschriftprocedure. Hoewel op dat terrein
reeds in de vorm van die voor beroep vatbare beslissing een (lichte)
voorprocedure bestaat, is ook daarbij rekening gehouden met extra
bestuurslasten, en wel in die zin dat met betrekking tot de in artikel IV
van onderdeel 6 van het wetsvoorstel genoemde geschillen de
bezwaarschriftprocedure de eerste drie jaren na inwerkingtreding van deze wet
achterwege blijft.
Daarnaast betekent de vervanging
van het kroonberoep door beroep op de administratieve rechter
dat in beginsel ook daar een bezwaarschriftprocedure gaat gelden.
Hierop zijn echter belangrijke uitzonderingen. Artikel 6.3.1a
[7:1] van de Awb
bepaalt immers onder meer dat indien sprake is van een bestuurlijke
voorprocedure als administratief beroep of goedkeuring, geen
bezwaarschriftprocedure wordt gevolgd. Op het belangrijkste terrein waarvoor
nog kroonberoep openstaat - de bestemmingsplanprocedure - is sprake
van een goedkeuringsprocedure, zodat daar niet behoeft te worden
gevreesd voor extra bestuurslasten.
Mutatis mutandis geldt het
bovenstaande ook voor die gevallen waarin tot nu toe sprake is van een
beperkte kring van beroepsgerechtigden. Het beginsel dat het beroepsrecht slechts toekomt aan
bijvoorbeeld de
geadresseerde van de beschikking
en niet aan anderen die door het desbetreffende besluit evenzeer
rechtstreeks in hun belang worden getroffen, is niet meer van deze
tijd. In modernere wetgeving wordt dienovereenkomstig het
beroepsrecht toegekend aan belanghebbenden. In het voorliggende wetsvoorstel
wordt deze lijn doorgetrokken. Ook de hieruit eventueel voortvloeiende
stijging van de bestuurslasten zal onzes inziens moeten worden aanvaard.
Naar wij verwachten, zal deze stijging overigens van beperkte omvang
zijn, mede omdat in een groot deel van de bestaande bestuursrechtelijke
wetgeving de kring van beroepsgerechtigden reeds samenvalt met de
belanghebbenden.
Op grond van het bovenstaande
zijn wij van oordeel dat ceteris paribus een zekere stijging van
de bestuurslasten kan optreden. Wij rblz.|78|
menen dat deze gevolgen beperkt
zullen zijn, mede gelet op het feit dat het stelsel van rechtspraak in
twee instanties voorshands niet over de gehele linie zal worden
ingevoerd.
Wij stellen ons op het
standpunt dat voor de stijging van de bestuurslasten in beginsel geen extra
middelen behoeven te worden gereserveerd. Ter motivering van dit
standpunt kan het volgende dienen. De besluitvorming door het bestuur
kan de vraag naar rechtsbescherming uitlokken. De bron van alle
beroepszaken wordt gevormd door de onderliggende regelgeving. Bestaande
en toekomstige regelingen die beroepen kunnen genereren,
moeten worden getoetst op conflictopwekkend vermogen. Juridische normering, vermindering van het aantal
beslismomenten binnen de
primaire besluitvorming en eenvoudige beslissingen kunnen bijdragen
tot vermindering van het aantal beroepen. Het is van groot belang dat
opstellers van algemeen verbindende voorschriften en van
beleidsregels zich realiseren dat besluiten die uit die regels voortvloeien veelal
vatbaar zullen zijn voor beroep bij de administratieve rechter.
Ten slotte wordt erop
gewezen
dat zorgvuldige primaire besluitvorming het beroep dat op de
voorzieningen van rechtsbescherming wordt gedaan, doet verminderen,
en daardoor tevens de bestuurskosten en de kosten van het rechterlijk
apparaat.
Wij menen dat het, gelet op het
bovenstaande, in zekere zin te gemakkelijk zou zijn om thans extra
middelen te reserveren voor eventuele kosten voortvloeiend uit de
nieuwe voorzieningen van rechtsbescherming. Eerst zal moeten
worden afgewacht of er sprake zal zijn van een zodanige stijging van
bestuurslasten dat er extra (financiële) maatregelen moeten worden getroffen.
Voorts zal moeten worden beproefd of met andere middelen de omvang
van het gebruik van de voorzieningen van rechtsbescherming kan worden
teruggedrongen.
Het bovenstaande laat
onverlet
dat onder bijzondere omstandigheden toch bijzondere voorzieningen
nodig kunnen blijken te zijn. Onder bijzondere omstandigheden
verstaan wij bijvoorbeeld de situatie dat de omvang van het gebruik van de
voorzieningen van rechtsbescherming zich geheel of vrijwel geheel
aan de invloed van het bestuursorgaan onttrekt. In dat geval ligt
overigens niet alleen de optie voor om extra middelen ter beschikking te
stellen, ook een tijdelijke of definitieve afwijking van het voorgestelde
stelsel van administratieve rechtspraak is dan een optie. In enkele
gevallen is daartoe thans dan ook overgegaan. Daarvan wordt in de artikelsgewijze
toelichting melding gemaakt.
Mogelijke effecten zullen, zo is
de slotsom, door elk organisatieonderdeel worden opgevangen
binnen het bestaande budget en de bestaande personeelsformatie.
Indien uit de evaluatie zou blijken dat zich bij bepaalde onderdelen
onevenredige voordelen respectievelijk knelpunten voordoen, zullen in
lijn met hetgeen hiervoor is vermeld uiteraard maatregelen moeten
worden getroffen.
7. Deregulering
In de onderdelen 1 tot en met 6
zijn de hoofddoelstellingen van het wetsvoorstel uiteengezet en zijn
de gemaakte keuzen op hoofdonderdelen verantwoord. In de
artikelsgewijze toelichting wordt nader ingegaan op onderdelen van het
wetsvoorstel, zijn in concreto gemaakte rblz.|79|
keuzen verantwoord en zijn op
verschillende plaatsen varianten onder ogen gezien.
In dit onderdeel wordt in
aanvulling op hetgeen reeds in de hieraan voorafgaande thematische
onderdelen naar voren is gebracht, algemeen samenvattend ingegaan op alternatieven en varianten die bij het
ontwerpen van de onderhavige
regeling zijn overwogen en op de gevolgen voor het bestuurlijke
en het justitiële apparaat.
Het
onderhavige wetsvoorstel bevat vijf hoofdonderdelen, die nauw met elkaar
samenhangen: de instelling bij de rechtbanken van algemeen bevoegde
meervoudige en enkelvoudige kamers voor de behandeling van
bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg; de invoering van
bestuursrechtspraak in twee instanties voor Arob-zaken en een deel van de
voormalige TwK- en kroongeschillen; een definitieve regeling voor de
beslechting van kroongeschillen; de totstandkoming van een nieuw uniform
bestuursprocesrecht; de totstandkoming van een voorlopige
rechtseenheidsvoorziening.
Wij stellen
voorop dat het
wetsvoorstel uit een oogpunt van deregulering grote voordelen heeft. De
voorgestelde voorzieningen leveren een belangrijke bijdrage aan de vereenvoudiging van de rechterlijke organisatie en het bestuursprocesrecht
en daardoor aan de verbetering van de kwaliteit van de rechtspraak in
het algemeen en de bestuursrechtspraak in het bijzonder. Met name door
de uniformering van het bestuursprocesrecht neemt het aantal
regelingen substantieel af. Dat komt ten goede aan de kwaliteit van het
recht en het openbaar bestuur en maakt de samenleving beter
bestuurbaar.
De rechterlijke organisatie
wordt verbeterd en vereenvoudigd. Het aantal rechterlijke colleges
neemt af. Op de organisatorische en personele integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de
rechtbanken volgt een verdergaande
integratie. Een groot deel van de bestuursrechtspraak aan de basis
wordt geïntegreerd en er vindt een integratie plaats van de
bestuursrechtspraak, de burgerlijke rechtspraak en de strafrechtspraak. De aldus
te verwezenlijken integratie vormt de grondslag voor de verdere herstructurering van onze rechterlijke organisatie. Een alternatief voor de
voorgestelde integratie, het zogenoemde tweekolommenstelsel - één
kolom voor civiele en strafrechtspraak en één kolom voor
bestuursrechtspraak -, wordt daarmee voor de eerste aanleg verworpen, omdat daardoor
onvoldoende recht zou worden gedaan aan de doelstellingen van
de herziening van de rechterlijke organisatie. De herstructurering
van de rechtspraak is erop gericht de rechtspraak beter, eenvoudiger
en doelmatiger te maken, opdat de rechtsgenoten - ten dezen
overheid en belanghebbenden - goed, snel en tegen niet te hoge kosten hun
recht kunnen verkrijgen en het rechterlijk apparaat ook in de komende jaren
voor zijn taak berekend blijft.
Bestuursrechtspraak in twee
instanties strekt ertoe de kwaliteit van de rechtspraak te verbeteren,
doordat het draagvlak voor de ontwikkeling van het bestuursrecht wordt verbreed en fouten en misslagen kunnen
worden geredresseerd.
Geografisch gespreide rechtspraak brengt het recht dichter bij de burger en
in veel gevallen ook dichter bij de bestuursorganen. Lasten voor de
burger en lasten voor die bestuursorganen nemen daardoor af.
Belangrijk winstpunt is dat sneller een uitspraak van de rechter in
eerste aanleg beschikbaar komt. Niet genoeg kan worden benadrukt hoe
belangrijk het uit een oogpunt van lastenverlichting voor bestuur en burger
is dat op korte termijn beschikt kan worden over een oordeel van de
onafhankelijke rechter over de rechtmatigheid van een besluit van een
bestuursorgaan. Hierdoor kan een rblz.|80|
bijdrage worden geleverd aan de terugbrenging van de duur van procedures, waardoor projecten eerder
in uitvoering kunnen worden genomen. Daarmee komen wij op een tweede
hoofddoelstelling van rechtspraak in twee instanties: het bieden van
de enige afdoende structurele oplossing voor de werklastproblematiek van
een structureel overbelast college dat recht spreekt in enige aanleg.
Vermindering van de permanent te hoge werkbelasting van de Raad van State
is zeer urgent. Daarmee komt tevens meer capaciteit
beschikbaar voor de advisering over zaken van wetgeving.
Op het voorgestelde uitgangspunt
van rechtspraak in twee instanties worden voorshands uitzonderingen
gemaakt. Het maken van zulke uitzonderingen doet weliswaar
afbreuk aan het stelsel van rechtspraak in twee instanties en vermindert de
daarmee beoogde effecten, niettemin achten wij het in deze fase van
de herziening verantwoord dat een deel van de TwK-geschillen wordt
beslecht door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State.
Zulks is doelmatig en praktisch met het oog op een goede en verantwoorde
invoering van de eerste fase en de in het geding zijnde bestuurlijke
belangen bij die geschillen. Daarnaast kunnen specifieke omstandigheden
nopen tot rechtspraak in enige aanleg.
In het algemeen merken wij over
de in de eerste tranche van de Awb geregelde
bezwaarschriftprocedure nog het volgende op. De bezwaarschriftprocedure speelt een
belangrijke rol bij de oplossing van het conflict buiten rechte en bij de
ordening van een zaak voorafgaande aan een eventueel beroep op de
rechter. Zij is derhalve zinvol, ongeacht de inrichting van het daaropvolgende stelsel van rechtsbescherming. Rechtspraak in twee instanties
is niet minder zinvol indien aan het beroep op de rechter in eerste
aanleg een voorprocedure voorafgaat. Wij erkennen evenwel dat een
zwaar en langdurig bestuurlijk voortraject en de mogelijkheid van
rechtspraak in twee instanties in bepaalde typen van zaken bezwaren kunnen
opleveren. Mede op basis van de evaluatie van de door ons voorgestelde
voorzieningen kunnen definitieve keuzen worden gedaan.
Verdragsrechtelijke en
rechtsstatelijke verplichtingen dwingen tot een definitieve regeling van de
beslechting van kroongeschillen. Nu het kroonberoep (blijvend) wordt
vervangen door beroep op een administratieve rechter, dient een
definitieve voorziening van kroongeschillen te worden ingepast in de thans in
gang gezette herziening van de rechterlijke organisatie. In dit
verband brengen wij de vorming van de Afdeling bestuursrechtspraak ter sprake.
Wij achten het met de Raad van State uit een oogpunt van doelmatige rechtspleging gewenst dat binnen de
Raad van State één afdeling
wordt belast met bestuursrechtspraak.
De totstandkoming van uniform
bestuursprocesrecht is wenselijk, ongeacht de organisatie van de
bestuursrechtspraak. Er bestaat geen wezenlijk onderscheid tussen de diverse typen van bestuursrechtelijke
zaken. Er is derhalve geen
rechtvaardiging voor het voortbestaan van verschillende proceswetten. De
bestaansgrond voor verschillende proceswetten vervalt wanneer de rechtbank
de algemeen bevoegde rechter wordt voor de
behandeling van bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg die thans nog
volgens die proceswetten door verschillende administratieve rechters worden
afgedaan.
De wenselijkheid van de
totstandkoming van een uniform bestuursprocesrecht is boven iedere twijfel
verheven. Zijn aan een uniform bestuursrecht als zodanig louter
voordelen verbonden, omtrent de inrichting rblz.|81|
daarvan moeten keuzen worden
gemaakt, waarover vanzelfsprekend verschillend kan worden gedacht.
Wij menen dat het thans voorgestelde bestuursprocesrecht bij de
huidige stand van de rechtsontwikkeling en in deze fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie een goed evenwicht vormt tussen wat wenselijk is en wat verantwoord is. Wij
willen kort ingaan op de
volgende hoofdonderdelen van het bestuursprocesrecht: rechtsingang, het
eigenlijke procesrecht, de uitspraakbevoegdheden en hoger beroep.
De regeling van het uniform
bestuursprocesrecht wordt neergelegd in de Awb, gelet op de nauwe
samenhang tussen bestuursrecht en bestuursprocesrecht. Algemene
regels omtrent bezwaar en beroep zijn ook al opgenomen in hoofdstuk 6
van de Awb. Hiermee wordt dus afgeweken van de regelingen van
het burgerlijk procesrecht en het strafprocesrecht, welke in
afzonderlijke wetboeken zijn opgenomen.
Wat de rechtsingang betreft, kan
het volgende worden opgemerkt. Hoofdregel is dat de
belanghebbende bij de rechtbank, dat is de algemeen bevoegde
administratieve rechter in eerste aanleg, beroep kan instellen tegen een besluit van
een bestuursorgaan, tenzij een andere rechter bevoegd is. Object van
de rechtmatigheidstoetsing door de rechter is dus een besluit.
Daarmee wordt het toetsingsbereik van de administratieve rechter
enigermate uitgebreid. Een aantal categorieën van besluiten zoals algemeen
verbindende voorschriften en beleidsregels wordt van beroep uitgezonderd.
Consequentie daarvan is dat geschillen daarover zullen kunnen worden
voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Met het gebruik van de
kernbegrippen besluit, belanghebbende en bestuursorgaan wordt aansluiting
gezocht bij de Awb. Bevoegd is de rechtbank binnen wier
rechtsgebied de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Indien
het beroep wordt ingesteld door een niet in Nederland wonende appellant,
wordt aangeknoopt bij de zetel van het bestuursorgaan. Zou als
hoofdregel worden aangeknoopt bij de zetel van een bestuursorgaan, dan zou de
bestaande competentie in socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken drastisch worden gewijzigd
en zou bovendien de rechtbank te
's-Gravenhage alle zaken tegen de Kroon of een minister moeten
behandelen. Die rechtbank zou alsdan in absolute en relatieve zin te
groot worden en een aantal andere rechtbanken te klein.
Aan het beroep op de
administratieve rechter gaat in de regel een bezwaarschriftprocedure vooraf,
tenzij op andere wijze is voorzien in een bestuurlijke heroveroverweging
van het bestreden primaire besluit. Ter beperking van de
invoeringsproblematiek is op een aantal beleidsterreinen de
bezwaarschriftprocedure voor enkele jaren uitgesloten.
De toegang tot de rechter is
laagdrempelig. Er wordt in eerste aanleg een laag griffierecht geheven en
verplichte procesvertegenwoordiging of rechtsbijstand ontbreekt. De regeling van de proceskostenveroordeling
en de vooronderstelde toepassing
daarvan zijn zodanig dat een belanghebbende niet zal afzien van het
instellen van een steekhoudend beroep uit vrees met een veroordeling
in de kosten te worden geconfronteerd.
Het eigenlijke
bestuursprocesrecht is globaal en niet gedetailleerd van opzet. Het geeft de rechter de
mogelijkheid om de zaak af te doen op de wijze die voor die concrete zaak
passend is. Het geeft de partijen voldoende mogelijkheden om de
positie in de procedure in te nemen die in hun belang is. De rechter is
actief. Hij instrueert de zaak. Dat is van groot belang uit een oogpunt van
rechtsbescherming de belanghebbende tegenover een bestuursorgaan -
en doelmatige rechtspleging [lees: Dat is van groot belang uit een oogpunt van
rechtsbescherming van de belanghebbende tegenover een bestuursorgaan en uit
een oogpunt van doelmatige rechtspleging, red.]. Hoofdregel rblz.|82|
is dat de enkelvoudige kamer van de rechtbank de zaak behandelt.
Indien de zaak niet geschikt is
of blijkt voor afdoening door één rechter, volgt behandeling door een
meervoudige kamer.
De rechter toetst het besluit op
rechtmatigheid. Hij toetst het besluit ex tunc. Met nieuwe voor de
afdoening van de zaak relevante feiten en omstandigheden kan in zoverre worden rekening
gehouden dat de
rechter een op basis daarvan
genomen nieuw besluit in de aanhangige procedure kan betrekken. Indien
het beroep ontvankelijk en gegrond is, vernietigt de rechter de
bestreden beslissing. Hij kan zo nodig zelf in de zaak voorzien, hetgeen uit een
oogpunt van effectieve conflictoplossing praktisch is. Hij kan desgevraagd een schadevergoeding toekennen. Wij
hebben het niet prudent geacht
de administratieve rechter exclusief met deze bevoegdheid te belasten. De
burgerlijke rechter blijft derhalve bevoegd
schadevergoedingskwesties te behandelen. Wij verwachten dat de burgerlijke rechter zich ten
dezen terughoudend zal opstellen. De administratieve rechter krijgt
een exclusieve bevoegdheid om desgevraagd een
proceskostenveroordeling uit te spreken. Uitsluiting van de mogelijkheid om een in het
ongelijk gestelde partij in de kosten te verwijzen, zou ertoe leiden dat
deze kosten door middel van een schadevergoeding worden vergoed,
tenzij de wet zou bepalen dat onder de kosten die via een
schadevergoeding voor vergoeding in aanmerking komen niet vallen de kosten die
een partij moet maken om haar gelijk in een bestuursrechtelijke procedure te verkrijgen of te behouden. Een
dergelijke uitsluiting achten
wij ongewenst.
Tijdens de aan het beroep op de
rechter voorafgaande voorprocedure, tijdens het aanhangige beroep en
het hoger beroep bestaat de mogelijkheid om de president van
de rechtbank dan wel de voorzitter van het appelcollege te verzoeken om
een voorlopige voorziening. Daarbij kan kortsluiting plaatsvinden
van de voorlopigevoorzieningsprocedure en de bodemprocedure bij de
rechter. Wij achten het thans niet aangewezen om de connexiteit tussen
de bodemprocedure enerzijds en de voorlopigevoorzieningsprocedure anderzijds los te laten.
Tegen een einduitspraak van de
rechtbank staat hoger beroep open bij de Afdeling
bestuursrechtspraak,
tenzij de Centrale Raad van Beroep bevoegd is verklaard. Sommige uitspraken zijn van hoger beroep uitgezonderd: de uitspraak op het
verzet tegen een uitspraak waarbij de zaak wegens haar eenvoud buiten
zitting is afgedaan en de uitspraak van de president op een verzoek om een
voorlopige voorziening.
De appelrechter beschikt over de
dezelfde processuele bevoegdheden als de rechtbank. Wij hebben
overwogen om de mogelijkheid om ook in hoger beroep een voorlopige voorziening te vragen uit te sluiten. Wij
menen dat aan dergelijke
voorziening een daadwerkelijke, zij het beperkte behoefte zal bestaan.
Invoering van de mogelijkheid is uit een oogpunt van rechtsbescherming
wenselijk en uit een oogpunt van werkbelasting verantwoord.
Van de
aard van de zaak hangt af of de appelrechter de behandeling van de zaak
geheel overdoet, dan wel zich zal beperken tot een toetsing van de bestreden
uitspraak, al dan niet uitsluitend aan de hand van daartegen aangevoerde
grieven. Van de attitude van de appelrechter hangt mede af in welke mate zal
worden doorgeprocedeerd. Wij verwachten dat belanghebbenden in veruit de
meeste gevallen geen behoefte zullen gevoelen een oordeel van het
appelcollege te vernemen.
Sluitstuk van het stelsel is de voorlopige
rechtseenheidsvoorziening. Wij achten het noodzakelijk dat een dergelijke
voorziening reeds nu rblz.|83|
beschikbaar komt. Bij de invoering van zoveel nieuw
recht is het van groot belang voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling dat overstijgende rechtsvragen die door de onderscheiden
(administratieve) rechters in verschillende zin (kunnen) worden beantwoord,
door één rechter worden beantwoord. Het ontbreken van een dergelijke
voorziening leidt ertoe dat de eenheid van het recht zou moeten worden
bereikt door overleg of door aansluiting van de ene rechter in hoogste
instantie bij de rechtspraak van een andere rechter in hoogste instantie.
Wij menen dat het niet wenselijk is de verwezenlijking van de eenheid van
het recht over te laten aan al dan niet gestructureerd coördinerend overleg
tussen de hoogste rechters - hoe zinvol zulk overleg ook zou kunnen zijn
voor een zekere afstemming -, dan wel afhankelijk te doen zijn van de
bereidheid van rechters elkaars jurisprudentie te volgen. In ons voorstel
wordt de Hoge
Raad belast met de beantwoording van prejudiciële
vragen aan
hem gesteld door de administratieve rechters in hoogste ressort. Naar ons
oordeel is deze oplossing in deze fase van de herziening de beste.
Het onderhavige wetsvoorstel
heeft gevolgen voor het rechterlijk en het bestuurlijk apparaat. Die
gevolgen zijn uitgebreid en gedetailleerd uiteengezet in de onderdelen 5
en 6. Het is niet zinvol daarop op deze plaats nog eens uitgebreid in te
gaan.
De voorstellen zijn nodig om het
rechterlijk apparaat in staat te stellen zijn zware taak ook in de
komende jaren adequaat te verrichten.
De voorstellen zullen naar onze verwachting als geheel de bestuurlasten die samenhangen met een
stelsel van voorzieningen van rechtsbescherming tegen optreden van
bestuursorganen, doen verminderen. Deze vermindering zal niet
terstond op alle beleidsterreinen zichtbaar zijn. In de gevallen waarin
invoering van onderdelen van ons voorstel ineens tot te grote fricties zou
leiden, zijn specifieke oplossingen gevonden.
Al en met al concluderen
wij
dat het onderhavige wetsvoorstel ook een belangrijke bijdrage levert
aan het streven van het kabinet naar eenvoudiger en doorzichtiger regelgeving.
Artikelsgewijs
(...)
rblz.|89|
2. Algemene wet
bestuursrecht
Artikel I
(voorstel voor een
Algemene wet bestuursrecht)
Onderdeel A
(artikel 1.1 [1:1], derde lid)
Deze
wijziging hangt samen met het vervallen van titel II van de huidige Ambtenarenwet
1929. Zie de toelichting op artikel 2 van de Ambtenarenwet
[niet opgenomen in deze webpagina, red.].
Onderdeel B
(artikel 1.4 [1:4], tweede lid)
De
functie van artikel 1.4 [1:4], tweede lid, is het bepalen van de reikwijdte van de
hoofdstukken 6 en 7 van de Awb voor zover het de tot de rechterlijke
macht behorende gerechten betreft. Deze hoofdstukken dienen niet van
toepassing te zijn in de gevallen waarin de rechterlijke macht optreedt als
administratieve rechter die desondanks het burgerlijk procesrecht -
eventueel met aanpassingen - toepast. De formulering van deze bepaling dient te worden
aangepast aan het feit dat de bevoegdheid van de rechterlijke
macht als administratieve rechter is (Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften) en zal worden uitgebreid (in
het
onderhavige wetsvoorstel).
Onderdeel C
(artikel 2.1.2 [2:2])
Aan vermelding van procureurs
bestaat naast de vermelding van advocaten geen behoefte.
Onderdeel D
(artikel 3.5.5 [3:45])
Dit artikel wordt terminologisch
geharmoniseerd met de nieuwe bepalingen in afdeling 8.1.1 en
de corresponderende artikelen in de andere processuele wetten.
Onderdeel E
(artikel 6.2.2 [6:8])
Het voorgestelde tweede lid is
ontleend aan artikel 9, derde lid, van de Wet Arob. De bepaling hangt
samen met artikel 8.1.1.4 [-], tweede lid. Daarin is onder meer bepaald dat
geen beroep bij de rechtbank openstaat tegen een besluit dat
nog vatbaar is voor administratief beroep. Nu komt het nog steeds voor dat een wet het recht tot het
rblz.|90|
instellen van administratief
beroep tegen een besluit toekent aan één of meer bepaalde belanghebbenden.
De belanghebbende die van administratief beroep is uitgesloten,
kan beroep instellen hetzij tegen het in administratief beroep genomen
besluit, hetzij tegen de oorspronkelijke beslissing indien van de
mogelijkheid tot het instellen van administratief beroep geen gebruik is gemaakt.
Ingevolge artikel 6.3.1a [7:1]
kan in het eerste geval direct beroep
worden ingesteld, terwijl in het tweede geval eerst bezwaar moet worden
gemaakt. Voor dat laatste geval voorziet de voorgestelde bepaling in een
termijnregeling.
Het voorgestelde derde lid geeft
een termijnregeling voor het instellen van beroep tegen een besluit dat
nog aan goedkeuring onderhevig is. De beroepstermijn gaat pas lopen
nadat het besluit is goedgekeurd.
Onderdeel F
(artikel 6.2.5 [6:11])
Artikel 6.2.5
[6:11] wordt redactioneel
geharmoniseerd met het nieuwe artikel 8.2.1.1 [8:41]
en de daarmee
corresponderende artikelen in de Awb
en de andere processuele wetten.
Onderdeel G
(artikel 6.2.6a [6:13])
Dit artikel beperkt het
beroepsrecht tegen op bezwaar respectievelijk in administratief beroep genomen
besluiten in zoverre dat het recht om door te procederen in beginsel
slechts toekomt aan de belanghebbende die daadwerkelijk gebruik heeft
gemaakt van de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen dan
wel administratief beroep in te stellen. Hiermee wordt een efficiënte
geschilbeslechting bevorderd. Aldus wordt immers voorkomen dat
belanghebbenden pas in een latere procedurele fase met hun bezwaren komen. Dat
betekent bijvoorbeeld dat derde-belanghebbende A, die geen
bezwaar heeft gemaakt tegen een voor hem ongunstig primair besluit, niet
gerechtigd is tot het instellen van beroep tegen een beslissing op bezwaar
waarbij het bezwaar van derde-belanghebbende B ongegrond is
verklaard. A heeft verzuimd tijdig zijn bezwaren kenbaar te maken. Hij
dient niet in de gelegenheid te worden gesteld op grond van een door
een andere belanghebbende uitgelokte beslissing op bezwaar door te
procederen. Daarentegen dient belanghebbende C, die geen bezwaar
heeft gemaakt tegen een voor hem gunstig oorspronkelijk besluit,
vanzelfsprekend de mogelijkheid te hebben om beroep in te stellen
tegen een door derde-belanghebbende D uitgelokte beslissing op bezwaar
waarbij het oorspronkelijke besluit is vernietigd. Immers, aan C kan
niet worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de
primaire beslissing. Door artikel 6.2.16
[6:24] geldt de onderhavige regeling
ook voor het appelrecht.
Onderdeel H
(artikel 6.2.16 [6.24])
Wij zijn van oordeel dat
afdeling 6.2 eveneens van toepassing dient te zijn op het verzet. Dat betekent
onder meer dat de termijn voor het doen van verzet zes weken wordt en
dat het verzetschrift moet worden gemotiveerd.
Onderdelen
I, J en K
(artikelen 6.3.9 [7:4], 6.3.18
[7:13] en
6.4.9 [7.18])
De wijzigingen vloeien voort uit
artikel 8.2.5.3 [8:58], tweede lid. Daar is bepaald dat partijen in de
uitnodiging voor de zitting worden gewezen op de bevoegdheid tot tien dagen
vóór de zitting nog nadere stukken in te dienen. De artikelen 6.3.9
[7:4] en
6.4.9 [7:18] en de verwijzing in artikel 6.3.18
[7:13] worden hiermee in
overeenstemming gebracht.
rblz.|91|
Onderdeel L
(artikel 6.4.15 [7:24])
De wijziging betreft een
redactionele harmonisatie met de nieuwe bepalingen in hoofdstuk 8.
Onderdeel M
(artikel 6.4.20 [7:29])
Deze bepaling moet vervallen
vanwege het vervallen van het beroep op de Kroon.
Onderdeel N
Hoofdstuk
8. Beroep bij de
rechtbank
Titel
8.1. Algemene bepalingen
Afdeling
8.1.1. Bevoegdheid
Deze afdeling bevat de
bepalingen die de absolute (artikelen 8.1.1.1 tot en met 8.1.1.6 [8:1
t/m 8:5]) en de
relatieve (artikel 8.1.1.7 [8:7]) bevoegdheid van de
rechtbank ter zake van bestuursrechtelijke geschillen regelen, alsmede
een regeling voor de oplossing
van bevoegdheidsconflicten tussen de rechtbanken (artikel 8.1.1.8
[8:9]).
De rechtbank
wordt de algemeen
bevoegde rechter in eerste aanleg ter zake van bestuursrechtelijke
geschillen, zij het dat op onderdelen (vooralsnog) een aantal andere
rechters eveneens een taak heeft op het gebied van de rechtsbescherming
tegen de overheid.
Artikel 8.1.1.1, eerste lid
[8:1]
Artikel
8.1.1.1 [8:1], eerste lid,
regelt waartegen bij de rechtbank beroep kan worden ingesteld (het
voorwerp van beroep), alsmede door wie beroep kan worden ingesteld (de
kring van beroepsgerechtigden).
Het voorwerp van beroep
De rechtbank
oordeelt na de
voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke
organisatie over geschillen die voorheen door een reeks van colleges
werden beslecht, te weten: de Afdeling rechtspraak, de Afdeling voor de
geschillen van bestuur, de Kroon, de raden van beroep en de
Ambtenarengerechten. De competentie van deze colleges is op uiteenlopende
wijze omschreven. De rechtsmacht van de Afdeling rechtspraak strekt zich
uit over beschikkingen; de Afdeling voor de geschillen van bestuur heeft rechtsmacht met betrekking tot die
beslissingen waartegen voorheen
kroonberoep openstond en die niet betreffen besluiten van algemene
strekking of bestuursgeschillen; de rechtsmacht van de Kroon strekt
zich, spiegelbeeldig aan die van de Afdeling voor de geschillen van
bestuur, uit over bepaalde besluiten van algemene strekking en bestuursgeschillen; de raden van beroep oordelen
over die beslissingen die in de socialezekerheidswetgeving bij wege van enumeratie voor beroep vatbaar
zijn verklaard; de ambtenarenrechter ten slotte is bevoegd te oordelen
over besluiten en handelingen ten aanzien van ambtenaren als zodanig
genomen onderscheidenlijk verricht. De wijze waarop de rechtsmacht voor
de rechtbank in bestuursrechtelijke zaken moet worden bepaald,
vloeit derhalve niet als vanzelfsprekend voort uit die van haar
voorgangers. Eén van de hoofdvragen die bij de onderhavige herziening van de
rechterlijke organisatie moeten worden rblz.|92|
beantwoord, is dan ook de vraag
aan welke vorm van bestuursoptreden de competentie van de algemeen
bevoegde administratieve rechter in algemene zin dient te worden
gerelateerd.
Als uitgangspunt hebben wij
gekozen voor het begrip besluit als centraal object van toetsing van
bestuursoptreden door de administratieve rechter. Aan de keuze voor
het begrip besluit als grondslag voor rechtsingang bij de
administratieve rechter ligt een aantal overwegingen ten grondslag.
In de Awb
is gekozen voor het
begrip besluit als centrale vorm van bestuurshandelen die door de in
de Awb uitgewerkte algemene regels van bestuursrecht nader wordt
genormeerd. Die keuze is indertijd gemaakt, ongeacht de
rechterlijke competentieverdeling. Wij verwijzen naar de toelichting op artikel
1.3 van de Awb. Nu de bevoegdheidsverdeling tussen civiele rechter en
administratieve rechter aan de orde is, achten wij de tijd rijp om de in
de Awb getrokken lijn door te trekken en ook wat de competentie van de
administratieve rechter betreft aan te sluiten bij het begrip besluit,
in artikel 1.3 [1:3]
van de Awb gedefinieerd als een schriftelijke beslissing van
een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het stelsel van
bestuursrechtelijke
rechtsbescherming wordt
eenvoudiger, doorzichtiger en beter indien de administratieve rechter in de
regel bevoegd is een aldus gedefinieerd besluit van een bestuursorgaan
op zijn rechtmatigheid te toetsen. Ons voorstel houdt in dat de
administratieve rechter niet alleen van geschillen inzake beschikkingen - in de
definitie van artikel 1.3 [1:3]
van de Awb een besluit dat niet van algemene
strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan - kennisneemt, maar ook van geschillen inzake de zogenoemde besluiten
van algemene strekking, met uitzondering van twee belangrijke
categorieën besluiten van algemene strekking, namelijk algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels.
Onder de niet-uitgezonderde
besluiten van algemene strekking vallen bijvoorbeeld de vaststelling van
(een op rechtsgevolg gericht) plan, (doorgaans) de aanwijzing van
een terrein en de plaatsing van verkeersborden.
Reeds thans maken vele
tientallen wetten het mogelijk om tegen bepaalde besluiten van algemene
strekking beroep op de Kroon in te stellen. Daarnaast verdient het aandacht dat de burgerlijke rechter in het laatste decennium steeds
veelvuldiger is geadieerd ter zake van besluiten van algemene strekking.
Voordeel van het openstellen van
beroep tegen een besluit in plaats van tegen een beschikking is dat
belanghebbende, bestuursorgaan en rechter niet meer worden belast
met de beantwoording van de vraag of het bestreden bestuurshandelen
kan worden aangemerkt als een beschikking. Het onderscheid
tussen een beschikking en een besluit van algemene strekking leidt thans
nogal eens tot ontvankelijkheidskwesties. Wij verwachten daarentegen dat
de administratieve rechter het onderscheid tussen voor beroep
vatbare besluiten (van algemene strekking) enerzijds en algemeen
verbindende voorschriften en beleidsregels anderzijds wel gemakkelijk zal kunnen
maken.
Als gezegd, stellen wij niet
voor de mogelijkheid van beroep tegen algemeen verbindende
voorschriften en beleidsregels (hierna te noemen regels) open te stellen. Met
betrekking tot deze uitsluiting merken wij het volgende op.
Wij wijzen er allereerst
op dat
thans aan de civiele rechter ten principale een oordeel kan
worden gevraagd over de rechtmatigheid van rblz.|93|
regels op grond van de stelling
dat de regel een onrechtmatige overheidsdaad is. De
administratieve rechter moet soms een regel op rechtmatigheid beoordelen als
voorvraag bij de toetsing van een beschikking die op basis van die
regel is genomen. Op zich zou het uit een oogpunt van eenheid van
rechtspraak aantrekkelijk zijn als het oordeel bij een rechtstreekse
actie tegen een regel door dezelfde rechter, namelijk de administratieve
rechter, kan worden gegeven als het oordeel in geval van een zogenoemd
exceptief verweer. Alsdan zou op korte termijn het gezaghebbend oordeel
van de administratieve rechter over de regel kunnen worden verkregen.
Aan een dergelijk beroep is echter ook een aantal problemen verbonden
die te maken hebben met het karakter van een regel.
Regels onderscheiden zich in
zoverre van andere besluiten dat de formele rechtskracht een
afwijkende betekenis heeft. Dit wordt duidelijk indien men zich realiseert dat
de algemene strekking van een regel verband kan (maar niet per
definitie moet) houden met de herhaalde toepasbaarheid van dat besluit.
Dat houdt in dat de regel iedere keer kan, of moet, worden toegepast
indien zich de in het voorschrift bedoelde situatie voordoet.
Indien bijvoorbeeld in een gemeentelijke verordening is bepaald dat voor
het maken van muziek op straat vergunning nodig is, betekent
dit dat iedere keer een beslissing nodig is wanneer iemand op straat muziek
wenst te maken en daarvoor vergunning vraagt. Bij de beantwoording van de vraag of het verlenen of
het weigeren van een vergunning
rechtmatig is, zal de rechter in de eerste plaats acht slaan op het
bepaalde in de verordening, een algemeen verbindend voorschrift.
Dit bepaalt in beginsel de rechtmatigheid van de
vergunningverlening. Indien voor de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid
beleidsregels zijn opgesteld, vormen zij vervolgens eveneens een
toetsingskader. Niettemin zal de rechter ook voor de vraag kunnen worden
gesteld of de verordening, respectievelijk de beleidsregel, wel rechtmatig
en daarom verbindend is. Deze verbindendheid is immers een
noodzakelijke voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van de
vergunningverlening. Karakteristiek nu voor de toetsing van uitvoeringsbesluiten
is dat
de rechter iedere keer voor de vraag kan staan of de onderliggende regel
rechtmatig en daarom verbindend moet worden geoordeeld. Iedere keer,
omdat een regel voor herhaalde toepassing of uitvoering in de
vorm van besluiten met een meer concrete strekking (vaak beschikkingen)
vatbaar kan zijn, tegen welke uitvoeringsbesluiten beroep bij de
administratieve rechter mogelijk is.
Het ongebruikt verstrijken van
de beroepstermijn in geval van een beschikking betekent naar
geldend recht dat deze beschikking in rechte onaantastbaar is geworden. Dit
betekent dat de rechter in latere procedures in de regel van de
rechtmatigheid van de desbetreffende beschikking zal uitgaan.
Dezelfde formele rechtskracht is verbonden aan een onherroepelijk geworden
rechterlijke uitspraak over een beschikking. De vraag rijst of dit ook
behoort te gelden voor regels indien daartegen beroep zou worden opengesteld.
Aan de rechtszekerheid van belanghebbenden zou te zeer tekort worden gedaan indien na het ongebruikt verstrijken van de
beroepstermijn van zes weken in geval van een besluit inhoudende de vaststelling van
een voor herhaalde toepassing vatbaar besluit van algemene strekking,
ten overstaan van de rechter geen beroep meer zou kunnen worden
gedaan op de onrechtmatigheid daarvan. Dat zou betekenen dat
aan de belanghebbende bij een uitvoeringsbesluit in het algemeen zou
kunnen worden tegengeworpen dat hij heeft verzuimd gebruik te maken
van de mogelijkheid van beroep tegen de onderliggende regel. Dit zou
naar wij menen echter een aanzuigende rblz.|94|
werking hebben, in die zin dat
velen, teneinde verkorting van rechten te voorkomen, geneigd zouden zijn
veiligheidshalve beroep in te stellen tegen elke relevante
onderliggende regel. Bovendien geldt dat niet een ieder die belang heeft bij de
toetsing van een regel die jegens hem wordt uitgevoerd, al tijdens de
beroepstermijn belanghebbende is in de zin van de Awb
en dus in dat stadium ontvankelijk zou zijn, terwijl nadien wel
belang is ontstaan of verkregen
bij toetsing. Ten slotte wijzen wij erop dat regels deel uitmaken van een
dynamische rechtsorde. Goed denkbaar is dat een voor herhaalde
toepassing vatbaar besluit rechtmatig is ten tijde van zijn totstandkoming,
maar door latere ontwikkelingen - bijvoorbeeld door de doorwerking van verdragsrecht - onrechtmatig is
geworden. Ook in die situatie
zou de rechtmatigheid van een onderliggend besluit van algemene
strekking dat in rechte onaantastbaar is geworden, in die zin dat het
niet meer kan worden vernietigd, door de rechter moeten kunnen worden
beoordeeld. Eén en ander zou betekenen dat erin zou moeten worden voorzien dat de formele rechtskracht van
besluiten van algemene strekking
die vatbaar zijn voor herhaalde toepassing zwakker is dan van
beschikkingen.
Juist dit karakter van regels
maakt dat aan het openen van de mogelijkheid van beroep veel
onzekerheden zijn verbonden.
De kans is
aanwezig dat van de
mogelijkheid van beroep bij de administratieve rechter tegen
regels, meer gebruik zou worden gemaakt dan van de thans openstaande
rechtsgang bij de civiele rechter.
Voorts wijzen wij
erop dat niet
zeker is of de invoering van de mogelijkheid van een
rechtstreeks beroep tegen regels zou leiden tot minder zaken, doordat tegenover
het aantal nieuwe beroepen tegen regels, minder beroepen tegen
uitvoeringsbeschikkingen zouden worden ingesteld en minder
onrechtmatigedaadsacties zouden worden ingesteld bij de burgerlijke rechter. Wij
achten het wenselijk het risico van extra zaken in deze fase te vermijden.
Dat geldt te meer in een periode waarin de administratieve rechter toch
al wordt geconfronteerd met de nieuwe ontwikkelingen die voortvloeien
uit de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie.
Ten slotte kan in dit verband
nog de vraag worden gesteld of door de mogelijkheid van het openen van
een rechtstreeks beroep tegen regels het bestuur niet te zeer in de
uitvoering van zijn beleid zou worden belemmerd omdat onzekerheid
bestaat over de rechtsgeldigheid van dat beleid. Dit zou gelden gedurende
de beroepstermijn, waarin onduidelijk is of al dan niet beroep zal
worden ingesteld, en tevens voor de fase waarin beroep bij de rechter is
ingesteld maar deze nog geen uitspraak heeft gedaan. Weliswaar bestaat
deze onzekerheid ook nu al indien een procedure bij de civiele rechter
aanhangig is gemaakt, maar niet uitgesloten is dat van de
rechtstreekse beroepsmogelijkheid bij de administratieve rechter veelvuldiger
gebruik zou worden gemaakt, waardoor de onzekerheid zou kunnen toenemen.
Ten aanzien van beleidsregels
merken wij nog het volgende op. Meer nog dan bij algemeen verbindende
voorschriften rijst bij beleidsregels de vraag in hoeverre
belanghebbenden daadwerkelijke behoefte zullen gevoelen om rechtstreeks op te
komen tegen een (onderdeel van een) beleidsregel. Onzeker is ook of,
en zo ja, in welke mate een uitspraak van de administratieve rechter
waarbij het beroep tegen een (onderdeel van een) beleidsregel ongegrond
wordt verklaard beroepen tegen een uitvoeringsbeschikking zal
wegzeven. Dat heeft te maken met het rechtskarakter van beleidsregels.
Beleidsregels zijn besluiten van algemene rblz.|95|
strekking zonder wettelijke
grondslag, waarbij in min of meer uitgewerkte vorm het beleid voor de toekomst
wordt uiteengezet. Bij de toepassing van de beleidsregel in concreto
gaat het niet zelden om de vraag of er in het concrete geval aanleiding is ten gunste van de belanghebbende van de beleidsregel af te wijken. In
dergelijke gevallen betreft het geschil veelal niet de rechtmatigheid
van de beleidsregel als zodanig, maar vrijwel steeds de vraag of het
bestuursorgaan in de met toepassing van de beleidsregel genomen
uitvoeringsbeschikking had moeten afwijken van deze beleidsregel. In die
gevallen zal er veelal geen aanleiding zijn om rechtstreeks op te komen
tegen de onderliggende beleidsregel, hoewel wellicht in het bijzonder
belangenorganisaties behoefte zullen gevoelen om als rechtstreeks
belanghebbende beroep tegen de beleidsregel in te stellen. Een
dergelijk beroep zou evenwel minder zeefwerking hebben, voor zover het
bestuursorgaan bij de uitoefening van zijn bevoegdheid om in concreto van
een beleidsregel af te wijken een (andere) belanghebbende
rechtstreeks treft in zijn rechtspositie.
Gelet op de onzekerheden die
zijn verbonden aan het openstellen van beroep tegen algemeen
verbindende voorschriften en beleidsregels, achten wij het niet gewenst om
thans dit beroep open te stellen. Daarbij is er ook nog een praktische
reden om beroep tegen regels uit te sluiten. Die vindt haar oorzaak in het
belang in deze eerste fase van de herziening van de rechterlijke
organisatie niet te veel overhoop te halen. Bij het opzetten van een
definitieve regeling van de competentieverdeling kan gebruik worden gemaakt van
de effecten van en de ervaringen met de thans voorgestelde
competentieverdeling.
Naast de vraag of beperkingen
moeten worden aangebracht op de competentie van de rechtbank
om
over besluiten te oordelen, hebben wij uiteraard ook de vraag onder
ogen gezien of de competentie van de rechter zich verder zou moeten
uitstrekken dan tot besluiten. Gelet op het feit dat in de eerste fase
al een aantal ingrijpende veranderingen wordt voorgesteld, menen wij dat
er thans onvoldoende aanleiding is om bijvoorbeeld de competentie van
de administratieve rechter met uitsluiting van de civiele
rechter uit te breiden met de feitelijke handelingen of zelfs tot de afdoening
van alle geschillen die uit de rechtsbetrekking tussen overheid en
burger kunnen voortvloeien, ongeacht de vorm van het bestuurshandelen.
Het bovenstaande
betekent dat
feitelijke handelingen in beginsel (zie in dit verband artikel 8.1.1.1 [8:1],
tweede lid, en de toelichting daarop) buiten de bevoegdheid van de administratieve kamer van de
rechtbank zullen
vallen. Zij blijven vooralsnog
behoren tot het domein van de civiele kamer. Uit de jurisprudentie van
de Afdeling rechtspraak blijkt dat het hier een in het algemeen
werkbaar onderscheid betreft, zodat thans niet om die reden behoeft te worden
overwogen de administratieve kamer ook ter zake van feitelijke bestuurshandelingen bevoegd te maken.
Privaatrechtelijke
rechtshandelingen van het bestuur blijven vooralsnog eveneens buiten het bereik van
de administratieve kamer.
Anders dan in de Wet Arob
behoeven rechtshandelingen naar burgerlijk recht als zodanig
niet uitdrukkelijk van beroep op de administratieve kamer van de rechtbank
te worden uitgezonderd. Op grond van artikel 1.3
[1:3] zijn immers
uitsluitend publiekrechtelijke rechtshandelingen besluiten in de zin van de Awb.
Voor besluiten ter voorbereiding van rblz.|96|
een privaatrechtelijke
rechtshandeling wordt in artikel 8.1.1.3 [8:3]
voorgesteld deze uit te sluiten van
beroep op de administratieve kamer, tenzij het de weigering (de onthouding)
van de goedkeuring van een dergelijk besluit betreft. Zie de
toelichting op dat artikel.
Wij hechten
eraan in dit
verband erop te wijzen dat de uitsluitende competentie van de civiele
rechter ter zake van rechtshandelingen naar burgerlijk recht en datgene wat
daaraan voorafgaat, geenszins betekent dat daarmee het
bestuursrechtelijke kader waarbinnen de privaatrechtelijke bevoegdheidsuitoefening
dient plaats te vinden, achter de horizon verdwijnt. Dat blijkt ook uit de
jurisprudentie van de burgerlijke rechter (Hoge
Raad 27 maart 1987, NJ 1987, 727, m.nt. MS, en AB 1987, 273, m.nt. FHvdB,
Amsterdam/lkon). Artikel
3:14 van het nieuwe BW, waarin is bepaald dat een
privaatrechtelijke bevoegdheid niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven
of ongeschreven regels van publiekrecht, sluit iedere twijfel uit.
Overigens zal, naar wij verwachten, ook de thans voorgestelde integratie van
administratieve en civiele rechtspraak aan de wederzijds doordringing van bestuursrecht en burgerlijk recht een
belangrijke bijdrage leveren.
Ten slotte willen wij ter zake
van de afbakening tussen het besluit en de rechtshandeling naar
burgerlijk recht nog ingaan op een wat meer specifiek probleem. Ingevolge de
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
in ambtenarenzaken is
het voor de ambtenaar mogelijk om een zogenoemd zuiver
schadebesluit uit te lokken. Dit houdt in dat hij het bestuursorgaan kan vragen om
vergoeding van de schade die hij in zijn hoedanigheid van ambtenaar
heeft geleden. De beslissing op een dergelijk verzoek wordt
aangemerkt als een besluit waartegen de rechtsgang van de Ambtenarenwet
1929 openstaat. Hetzelfde geldt voor het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven. Ook deze administratieve rechter oordeelt over zuivere
schadebesluiten. Bij de Afdeling rechtspraak ligt dat anders. Deze
administratieve rechter merkt een beslissing van een bestuursorgaan inzake
een verzoek om schadevergoeding in beginsel aan als een
rechtshandeling naar burgerlijk recht. Een beschikking wordt wel aangenomen
als de beslissing berust op een algemeen verbindend voorschrift,
dan wel een publiekrechtelijke titel kan worden gevonden in beleidsregels
waaraan door het bevoegde orgaan algemene bekendheid is gegeven
in een geautoriseerde publikatie, bijvoorbeeld de Staatscourant (AR
18 november 1987, AB 1987, nr. 554, m.nt. P.C.E. van Wijmen). Er is
dus enige divergentie tussen de jurisprudentie van deze rechters, die
overigens gelet op het bepaalde in de Ambtenarenwet 1929 en de Wet
Arbo enerzijds en de Wet Arob anderzijds te verklaren is. Wij menen dat in abstracto moeilijk is aan te geven waar in dit opzicht precies de
grens moet lopen tussen het besluit en de rechtshandeling naar burgerlijk
recht; dit dient aan de rechtspraak te worden overgelaten. Wel menen wij dat waar de ambtenaar thans bij de ambtenarenrechter
terechtkan,
deze zich ook in de toekomst zal moeten kunnen blijven wenden tot de
administratieve rechter. Evenmin zien wij reden voor wijziging van de
rechtspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven ter zake.
De kring van beroepsgerechtigden
Het beroepsrecht komt ingevolge
het eerste lid toe aan belanghebbenden. Onder belanghebbende
dient conform artikel 1.2 [1:2]
van de Awb te worden verstaan: degene wiens
belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
rblz.|97|
Op de rechtsgebieden waarop het
uniform bestuursprocesrecht in deze fase van toepassing zal
zijn, is tot nu toe de beroepsgerechtigdheid op uiteenlopende wijze geregeld.
Op het terrein van de sociale zekerheid komt het beroepsrecht veelal toe
aan de geadresseerde van een beschikking, dat wil zeggen aan
degene voor wie de beschikking in het bijzonder rechten en
verplichtingen in het leven roept. In de Wet Arob wordt bepaald dat degene die
rechtstreeks in zijn belang is getroffen beroep kan instellen. In een
enkel geval (bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure) is er sprake van
een zogenoemde actio popularis: een ieder is bevoegd beroep in te
stellen. In het algemeen zijn er geen goede gronden deze verschillen in
beroepsgerechtigdheid op de onderscheiden rechtsgebieden te handhaven.
Integendeel: in aanmerking moet immers worden genomen dat degene die
van beroep bij een administratieve rechter is uitgesloten, maar
niettemin rechtstreeks door een besluit in zijn belang is getroffen, een
actie heeft bij de burgerlijke rechter. Het verdient uiteraard de voorkeur
dat de onderscheiden belanghebbenden bij dezelfde rechter terechtkunnen.
De toekenning van het
beroepsrecht aan belanghebbenden zal op sommige terreinen tot een zekere
uitbreiding van de kring van beroepsgerechtigden kunnen leiden. Toch
moet dat niet worden overschat. Waar de wetgever bijvoorbeeld op het
terrein van de sociale zekerheid het beroepsrecht in materiële zin
beperkte tot de geadresseerde, vindt dat mede zijn verklaring in het feit dat de wetgever van oordeel was dat uitsluitend deze rechtstreeks
door een beslissing zou kunnen worden getroffen en dat het belang van
anderen te ver was verwijderd om een beroepsrecht voor hen te kunnen
rechtvaardigen. Wij zijn van oordeel dat ook onder het nieuwe stelsel
veelal uitsluitend de geadresseerde van een socialezekerheidsbeschikking dan wel een parallelle belanghebbende
(bijvoorbeeld de partner
van de aanvrager van kinderbijslag) als belanghebbende zal kunnen worden aangemerkt en dat aan derden in de
regel geen beroepsrecht zal
toekomen, omdat zij slechts een afgeleid belang hebben en derhalve niet
rechtstreeks in hun belang worden getroffen. Om een ongewenste
uitbreiding van het belanghebbendebegrip in de jurisprudentie de
pas af te snijden en derhalve de huidige kring van beroepsgerechtigden te handhaven, zulks met inbegrip van
degenen die op grond van
erfopvolging daartoe worden gerekend, is niettemin op een aantal plaatsen
in de socialezekerheidswetgeving het belanghebbendebegrip
geconcretiseerd, namelijk door te expliciteren dat alleen degene om wiens
aanspraken (op uitkering of voorziening) of verplichtingen (onder meer tot premiebetaling) het
gaat belanghebbende is.
Gelet ook op de bestaande
jurisprudentie zal de kring van beroepsgerechtigden vanwege de aard van
de materie ruimer dan wel enger zijn. Zo is duidelijk dat op het
terrein van het milieurecht en het ruimtelijkeordeningsrecht de kring van
personen die rechtstreeks door een bepaald besluit in hun belang worden
getroffen ruimer zal zijn dan die in socialezekerheidszaken en
ambtenarenzaken. Het feit dat thans één en dezelfde rechter ter zake van
deze kwesties bevoegd wordt, doet hieraan niet af. In dit verband kan
worden gewezen op de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak, die in
bouwvergunningskwesties uitgaat van een ruime kring van
beroepsgerechtigden, maar in subsidiezaken uitgaat van een enge kring van
beroepsgerechtigden.
Met betrekking tot de
beroepsgerechtigdheid in ambtenarenzaken merken wij meer specifiek nog
het volgende op. De ambtenarenrechter gaat er in zijn jurisprudentie
van uit dat een ambtenaar nimmer rechtstreeks in zijn belang wordt
getroffen door een besluit ten aanzien van een andere ambtenaar. Zo kan een
ambtenaar die meende voor een rblz.|98|
bepaalde bevordering in
aanmerking te komen, niet opkomen tegen het in plaats daarvan genomen
besluit een ander te bevorderen. Wel kan deze ambtenaar opkomen tegen de
impliciete weigering hem te bevorderen, blijkend uit de positieve
beslissing ten opzichte van de ander. Alleen via deze constructie is
het onder de thans geldende jurisprudentie van de ambtenarenrechter voor de
niet-bevorderde ambtenaar mogelijk om rechtsbescherming te
verkrijgen. In de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak is aanvaard dat
concurrenten onder omstandigheden belanghebbende zijn. Ook hier
lijkt derhalve sprake te zijn van een zekere divergentie in de rechtspraak,
waarvoor door de rechtspraak een oplossing zal moeten worden
gevonden.
Artikel 8.1.1.1, tweede lid
[8:1]
Eén van de uitgangspunten bij de
integratie van de bij de eerste fase betrokken administratieve
rechters en de daarbij behorende uniformering van het procesrecht is, zoals in
het algemeen deel van de toelichting is uiteengezet, dat de omvang van
de rechtsbescherming die thans door de administratieve rechters en de
Kroon op de onderscheiden terreinen kan worden geboden zoveel mogelijk
intact dient te blijven. Met het oog hierop wordt in het tweede lid
van dit artikel bepaald dat de competentie van de rechtbank
zich ook uitstrekt over andere handelingen ten
aanzien van ambtenaren dan
besluiten. Hiermee wordt bereikt dat ambtenaren, evenals dat thans
bij de ambtenarenrechter het geval is, bij de rechtbank ook in beroep
kunnen komen tegen mondelinge beslissingen en feitelijke handelingen
die hen in hun belang als ambtenaar rechtstreeks raken.
Onder ambtenaar wordt verstaan
de ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet. Daaronder
vallen dus ook de militaire ambtenaren en de gewezen en de gepensioneerde (militaire) ambtenaren. Om
de bestaande situatie te
continueren, was het nodig de dienstplichtigen expliciet in die bepaling op te
nemen. Daardoor is tevens verzekerd dat al het zogenoemde reservepersoneel
der krijgsmacht (militaire ambtenaren en dienstplichtigen) onder het
bereik van de bepaling valt.
De thans nog geldende
uitsluiting van een aantal ambtenaren van beroep op de ambtenarenrechter,
die haar betekenis voor de mogelijkheid van beroep op een
administratieve rechter reeds had verloren door de
inwerkingtreding van de Wet Arob, wordt in het onderhavige wetsvoorstel geschrapt.
Aldus staat voor alle ambtenaren - met uitzondering van gevallen als bijvoorbeeld
bedoeld in de artikelen 11 tot en met 13b van de Wet
RO -
beroep bij de rechtbank met hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep open. Zie ook het voorgestelde nieuwe artikel
18, eerste lid,
onderdeel a, van de Beroepswet.
Artïkel 8.1.1.1, derde lid
[8:1]
Tegen de onthouding van
goedkeuring aan een besluit van algemene strekking is op grond van de
bijzondere wetgeving vaak beroep mogelijk. De onthouding van goedkeuring
aan een besluit van algemene strekking is echter niet een besluit in de
zin van artikel 1.3 [1:3]
van de Awb. Slechts met betrekking tot afwijzende
beschikkingen is in artikel 1.3 [1:3]
bepaald dat deze eveneens als beschikkingen
moeten worden aangemerkt. Negatieve besluiten van algemene
strekking, zoals de weigering een algemeen verbindend voorschrift vast te
stellen, maar ook de onthouding van goedkeuring aan een besluit van
algemene strekking, vallen derhalve buiten het besluitbegrip. Gelet
op het reeds meermalen vermelde uitgangspunt dat het vervallen
van het kroonberoep niet mag leiden tot rblz.|99|
verlies van rechtsbescherming,
stonden wij voor de keuze hetzij bij wege van enumeratie beroep mogelijk
te maken tegen die beslissingen tot onthouding van goedkeuring aan
besluiten van algemene strekking op de administratieve rechter
waartegen thans krachtens de bijzondere wetgeving beroep mogelijk is,
hetzij in het algemeen beroep mogelijk te maken tegen deze categorie van
beslissingen Wij hebben voor dit laatste gekozen, daarbij in
aanmerking nemende dat de mogelijkheid van rechtsbescherming belangrijke
waarborgen biedt voor het aan toezicht onderworpen bestuursorgaan en
dat er geen reden is deze mogelijkheid van rechtsbescherming niet over
de gehele linie te bieden. Derhalve is in het derde lid van dit artikel
bepaald dat de schriftelijke beslissing inhoudende de weigering een besluit
goed te keuren, wordt gelijkgesteld met een besluit. Tegen deze
beslissingen kan dus beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel
6.1.3 [6:2] geldt dat tevens beroep mogelijk is tegen de schriftelijke weigering
een dergelijke beslissing te nemen, alsmede tegen het niet tijdig
beslissen op een verzoek om goedkeuring.
Artikel 8.1.1.2
[8:2]
In de toelichting op artikel
8.1.1.1, eerste lid, kwam reeds tot uitdrukking dat geen beroep bij
de rechtbank openstaat tegen algemeen verbindende voorschriften of
beleidsregels. Hierboven is reeds gezegd dat het onderscheid tussen
enerzijds algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels -
waartegen geen beroep zal openstaan - en anderzijds de overige
besluiten - waartegen wel een beroepsrecht wordt geopend - gemakkelijker
zal zijn te maken dan het thans nog beslissende onderscheid tussen
beschikking en besluit van algemene strekking.
Het begrip algemeen verbindend
voorschrift is in het recht nauwkeurig afgebakend. Voor het begrip
beleidsregels kan thans hetzelfde worden gezegd: recente litteratuur en
enige arresten van de Hoge
Raad hebben daaraan sterk bijgedragen. Uit
het systeem van de Awb, dat in hoofdstuk 4 een plaats voor de
beleidsregel heeft ingeruimd, volgt reeds dat een beleidsregel tot stand komt als
een bepaald soort besluit. Dit betekent dat eerst van een beleidsregel
kan worden gesproken indien het gaat om een schriftelijk vastgelegde en overeenkomstig
afdeling 3.5 [3.6]
bekendgemaakte regel. Indien deze regel
geen algemeen verbindend voorschrift is, maar wel de uitoefening van een
bestuursbevoegdheid betreft en is vastgesteld door het
bestuursorgaan dat die bevoegdheid bezit of voor de uitoefening daarvan
verantwoordelijk is, moet van een beleidsregel worden gesproken. Men vergelijke
de begripsbepaling die in het voorontwerp voor de derde
tranche van de Awb is opgenomen als vierde lid van artikel
1.3 [1:3]. Gezien de
inhoudelijke en redactionele samenhang van deze begripsomschrijving met de
in hetzelfde voorontwerp opgenomen regeling van de beleidsregel
wordt nu niet voorgesteld deze begripsbepaling reeds in de wet op te
nemen. Nodig is dat ook niet, omdat bij de toepassing van artikel 8.1.1.2 [8:2]
op dit punt geen onduidelijkheid zal bestaan, nu ook de Hoge Raad tot
materieel dezelfde omgrenzing van het begrip komt. Hij spreekt van
door een bestuursorgaan binnen zijn bevoegdheid vastgestelde en
behoorlijk bekendgemaakte regels omtrent de uitoefening van zijn beleid
die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende
voorschriften omdat zij niet krachtens enige bevoegdheid zijn gegeven, maar
die het bestuursorgaan wel op grond van enig algemeen beginsel van
behoorlijk bestuur binden en die zich naar hun inhoud en strekking
ertoe lenen jegens de bij de desbetreffende regeling betrokkenen als
rechtsregel te worden toegepast (zie Hoge Raad 29 maart 1990, NJ 1991, 119,
m.nt. M.S.). Interne leidraden en circulaires vallen hier derhalve niet onder.
Voor de goede orde merken wij overigens rblz.|100|
op dat tegen laatstgenoemde
categorie geen beroep bij de administratieve rechter openstaat, omdat
interne leidraden en circulaires niet als een besluit in de zin van
artikel 1.3 [1:3] van de Awb zijn aan te merken.
Deze uitsluiting
betekent dat
voor de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie,
evenals onder het huidige recht, voor de administratieve rechter slechts
bij wijze van exceptie de onverbindendheid van een algemeen
verbindend voorschrift of een beleidsregel kan worden ingeroepen, dat wil
zeggen dat slechts in het kader van een procedure tegen een
uitvoeringsbesluit de verbindendheid van een - daaraan ten grondslag liggend -
algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel aan de orde kan
worden gesteld. De belanghebbende die rechtstreeks een algemeen
verbindend voorschrift of een beleidsregel wil aantasten, zal zich vooralsnog
tot de burgerlijke rechter moeten blijven wenden.
In onderdeel a is geregeld dat
geen beroep kan worden ingesteld tegen besluiten inhoudende
algemeen verbindende voorschriften of beleidsregels.
De in de onderdelen b en
c
vermelde besluiten zijn zo nauw verknoopt met het onderliggende algemeen
verbindende voorschrift c.q. de beleidsregel dat beroep tegen deze besluiten zou neerkomen op een rechtstreeks beroep tegen de
onderliggende algemeen verbindende voorschriften of de
beleidsregels. Zij dienen derhalve met de besluiten inhoudende algemeen verbindende
voorschriften of beleidsregels op één lijn te worden gesteld en zijn
daarom van beroep op de rechtbank uitgezonderd. De negatieve
beslissingen, bijvoorbeeld de weigering een algemeen verbindend voorschrift
vast te stellen, behoeven niet uitdrukkelijk te worden uitgezonderd,
omdat deze beslissingen geen besluiten in de zin van de Awb
zijn. Zie
daarvoor de toelichting op artikel 8.1.1.1, derde
lid.
Ten slotte zij nog
vermeld dat
voor zover in de bijzondere wetgeving is voorzien in beroep tegen
specifieke besluiten, behorende tot de hier in algemene zin uitgezonderde categorieën van besluiten, deze beroepsmogelijkheid daar is gehandhaafd,
zij het dat uiteraard het beroep op de Kroon is vervangen door beroep
bij een administratieve rechter.
Artikel 8.1.1.3
[8:3]
In dit artikel worden de
besluiten ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling van
beroep bij de administratieve rechter uitgesloten.
Men kan bij de besluiten ter
voorbereiding van een rechtshandeling naar burgerlijk recht
onderscheiden tussen extern en intern vereiste besluiten voor het verrichten
van deze rechtshandelingen.
Met betrekking tot de intern
vereiste besluiten geldt dat daarop de bestuursrechtelijke normstelling
in vergaande mate van toepassing is. Zo zal bijvoorbeeld een
gemeenteraad bij het nemen van een beslissing om een geldlening aan te gaan het
algemeen belang tot uitgangspunt moeten nemen, welk belang hij
vervolgens moet afwegen tegen de betrokken bijzondere belangen
van één of meer burgers. Het bevoegd maken van de administratieve
rechter ter zake van deze besluiten zou echter tot ongewenste
complicaties in de competentieverdeling tussen de burgerlijke en de
administratieve rechter kunnen leiden, omdat het omslagpunt waarbij de
rechterlijke competentie overgaat van de rblz.|101|
administratieve naar de burgerlijke
rechter soms moeilijk te traceren zal zijn. Daarbij komt dat het ook
overigens weinig gelukkig is als twee rechters kunnen worden betrokken in de
beoordeling van eenzelfde besluitvormingsketen. Daarom heeft het de voorkeur dat deze besluiten uitdrukkelijk worden uitgezonderd van
het beroep op de rechtbank.
Tot de extern vereiste besluiten
behoort de goedkeuring die ter zake van rechtshandelingen naar
burgerlijk recht in bijzondere wetgeving soms is voorgeschreven. Met
betrekking tot de besluiten inhoudende de goedkeuring van een
rechtshandeling naar burgerlijk recht stellen wij ons op het standpunt dat deze
evenmin vatbaar dienen te zijn voor beroep bij de administratieve
kamer van de rechtbank. Hiervoor gelden overeenkomstige argumenten als
voor de uitsluiting van het beroep tegen de goedkeuring van
algemeen verbindende voorschriften: het mogelijk maken van beroep tegen
het goedkeuringsbesluit komt neer op het mogelijk worden van beroep
tegen de te verrichten rechtshandeling. Anders oordelen wij over de
mogelijkheid van beroep tegen de onthouding van goedkeuring. Wij
menen dat de hiervoor genoemde complicaties in de
competentieverdeling tussen administratieve rechter en civiele rechter zich hier
niet of nauwelijks zullen voordoen. Ook thans staat reeds in een aanzienlijk
aantal bijzondere wetten beroep open tegen de onthouding van goedkeuring. Totdat de administratieve rechter
heeft geoordeeld, gebeurt er
civielrechtelijk niets. Het negatieve besluit kan heel goed worden losgemaakt
van de overige besluitvorming. Daarom menen wij dat ter zake
van deze besluiten de hoofdregel - namelijk dat beroep openstaat
bij de rechtbank - onverkort van toepassing kan zijn.
Artikel 8.1.1.4
[-]
Voor de wetstechnische
afbakening van de rechtsmacht van de administratieve kamer van de rechtbank
in relatie tot de andere administratieve rechters is het
systeem van de Wet Arob gevolgd. Dit houdt in dat de algemene bevoegdheid van
de rechtbank, neergelegd in artikel 8.1.1.1 [8:1], eerste lid, niet geldt
indien een andere administratieve rechter bevoegd is om van het geschil
kennis te nemen (artikel 8.1.1.4 [-], eerste lid). De rechtbank lijkt, zo
gezien, aanvullend op te treden. Een dergelijke voorstellingswijze zou echter de
werkelijkheid geweld aandoen. Door de integratie van de raden van
beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken en de introductie van de
rechtbank als eerste instantie voor de huidige Arob-geschillen en een
deel van de TwK- en kroongeschillen dient de rechtbank, zoals
hiervoor reeds werd opgemerkt, als de algemene administratieve rechter
te worden gekwalificeerd, zij het dat op onderdelen (vooralsnog) een
aantal andere, gespecialiseerde administratieve rechters eveneens een
taak heeft op het gebied van de rechtsbescherming tegen de overheid.
Er zij op
gewezen dat de
uitbreiding van de competentie van de administratieve kamers tot
besluiten van algemene strekking anders dan algemeen verbindende
voorschriften en beleidsregels, tot een overeenkomstige aanpassing van de
competentie van de overige administratieve rechters heeft geleid en ook
moest leiden, voor zover de administratieve kamers aanvullende
rechtsbescherming zouden kunnen geven op de gebieden waarvoor deze
administratieve rechters competent zijn. Bij het niet aanpassen van de
competentie van de andere administratieve rechters zou zonder nadere
voorziening de rechtbank immers bevoegd worden te oordelen over
besluiten van algemene strekking, niet zijnde algemeen verbindende
voorschriften of beleidsregels, op een rechtsgebied waarop overigens de
gespecialiseerde administratieve rechter rblz.|102|
bevoegd is kennis te nemen van
geschillen over beschikkingen. Dit achten wij een ongelukkige
consequentie, die moet worden vermeden. In het onderhavige wetsvoorstel is
er derhalve in voorzien dat ook de gespecialiseerde administratieve
rechter de bevoegdheid krijgt te oordelen over besluiten van
algemene strekking, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften of
beleidsregels.
Uit het eerste lid
volgt dat
indien beroep is opengesteld bij een andere administratieve rechter, de rechtbank
niet bevoegd is van een dergelijk geschil kennis te nemen, ook
niet indien beroep zou worden ingesteld door een belanghebbende voor wie
geen beroep openstond op die gespecialiseerde rechter. In
heel bijzondere omstandigheden is het denkbaar dat de
beroepsgerechtigdheid bij de gespecialiseerde administratieve rechter wordt beperkt.
Het is dan niet wenselijk dat de uitgesloten belanghebbenden zich wel
tot de algemene administratieve rechter zouden kunnen wenden.
Dat zou immers betekenen dat over hetzelfde besluit bij
verschillende administratieve rechters zou kunnen worden geprocedeerd. Overigens
laat het bovenstaande uiteraard onverlet dat de uitgesloten
belanghebbende een actie kan instellen bij de burgerlijke rechter. Wij gaven
hiervoor reeds aan dit weinig gelukkig te achten. Dit onderstreept dat er
buitengewoon goede redenen moeten zijn om bepaalde belanghebbenden
van beroep uit te sluiten.
Ingevolge het tweede lid zal de
belanghebbende die de mogelijkheid heeft van administratief beroep
eerst van deze mogelijkheid gebruik dienen te maken alvorens hij, of
een andere belanghebbende, de rechtbank kan
adiëren.
Op deze plaats is het
goed
eraan te herinneren dat ook buiten de situatie van administratief
beroep een besluit nimmer rauwelijks aan het oordeel van de administratieve
rechter kan worden onderworpen. Artikel 6.3.1a
[7:1] bepaalt immers dat degene
aan wie het recht is toegekend om tegen een besluit beroep in te
stellen, daartegen eerst bezwaar moet maken.
Nu naast de algemeen verplichte
bezwaarschriftprocedure tevens in de Awb het beroep op de
rechtbank als algemeen bevoegde administratieve rechter wordt geregeld, zou het denkbaar zijn
geweest bij de regeling
van de rechtsingang aan te
knopen bij de bezwaarschriftprocedure. Dat is immers de
administratiefrechtelijke voorziening die in de keten van de opeenvolgende
administratiefrechtelijke procedures vooropstaat. In dat geval zou de rechtsgang in
chronologische zin worden beschreven. Dat zou het belang en het zelfstandige karakter van de bezwaarschriftprocedure als
administratiefrechtelijke voorziening onderstrepen. Bij zo een opzet zou eerst worden geregeld
welk besluit vatbaar is voor bezwaar en vervolgens worden bepaald dat
tegen de beslissing op bezwaar beroep openstaat bij de rechtbank,
tenzij in een bijzondere wet is bepaald dat tegen een beslissing op bezwaar
beroep bij een andere administratieve rechter openstaat. Overigens zou
ook bij een dergelijke regeling voor het antwoord op de vraag welke
besluiten vatbaar zijn voor bezwaar bepalend zijn geweest welke
beslissingen op bezwaar vatbaar dienen te zijn voor beroep bij een
administratieve rechter.
Hoewel voor de keuze voor het
primaat van het bezwaar goede argumenten voorhanden zijn,
geven wij er om twee redenen de voorkeur aan de huidige systematiek te
handhaven en derhalve wat de vormgeving van de competentie betreft aan
te haken bij het beroep. Daarmee wordt allereerst tot uitdrukking
gebracht dat het bij de administratiefrechtelijke rechtsbescherming uiteindelijk
gaat om de mogelijkheid voor een rblz.|103|
belanghebbende een besluit van een
bestuursorgaan ter beoordeling voor te leggen aan een onafhankelijke administratieve rechter. Ten tweede is een
dergelijke regeling, mede
vanwege het aantal modaliteiten in de verschillende rechtsgangen, op dit
moment wetstechnisch eenvoudiger van aard.
Artikel 8.1.1.5
[8:4]
In dit artikel wordt een aantal
categorieën van besluiten, deels meer algemeen, deels meer specifiek,
van beroep op de rechtbank uitgezonderd. De uitzonderingen zijn
ontleend aan artikel 5 van de Wet Arob, zij het dat de uitzonderingen in
vergelijking met de Wet Arob enigszins zijn beperkt en waar nodig zijn
aangepast aan de in vergelijking met de Afdeling rechtspraak ruimere
competentie van de rechtbank. In het algemeen gaat het hier óf om besluiten die zich naar hun aard niet of minder goed lenen voor beroep,
dan wel om het uitsluiten van beroep bij de rechtbank van
wetgevingscomplexen waarin overigens beroep bij een andere rechter is opengesteld.
Voor de goede orde merken wij
nogmaals op dat de zogenoemde negatieve lijst op grond van
artikel 6 van de Wet Arob definitief is vervallen.
Over de
niet-overgenomen
uitzonderingen in artikel 5 zij het volgende opgemerkt.
In artikel 5, onderdeel a, van
de Wet Arob zijn uitgezonderd de beschikkingen waarover krachtens
wettelijk voorschrift de Raad van State of de Afdeling voor de
geschillen van bestuur is gehoord. Wij stellen voor deze uitzondering
niet over te nemen. Thans komt het voor dat de Afdeling rechtspraak zich
in het kader van het beroep tegen een beschikking geplaatst ziet voor
de noodzaak de rechtmatigheid en daarmee de verbindendheid van
een onderliggend algemeen verbindend voorschrift te beoordelen
waarover de Raad van State is gehoord. Dat blijkt in de praktijk niet tot
bijzondere problemen aanleiding te geven. Naar het ons voorkomt, zal de
Afdeling bestuursrechtspraak ook heel wel in staat zijn de rechtmatigheid
te beoordelen van een besluit waarover in een eerder stadium door de Raad
van State is geadviseerd. Niet uitgesloten is dat de positie van de
Raad van State als juridisch adviseur hierdoor wordt versterkt. Dit
kan men bezwaarlijk een nadeel noemen.
De Wet Arob sluit ook
beschikkingen van beroep uit waarover krachtens wettelijk voorschrift
de rechterlijke macht is gehoord (artikel 5, onderdeel e). Wij menen dat er
op overeenkomstige gronden als hiervoor genoemd evenmin reden is deze
algemene uitzondering te handhaven. Dit voorstel heeft overigens
niet tot gevolg dat tegen besluiten inzake gratie beroep komt open te
staan. Dat zijn besluiten omtrent de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke
beslissingen. Ingevolge artikel 1.6
[1:6] is de Awb
niet van toepassing op
dergelijke besluiten.
Nu voor het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven het procesrecht zoals neergelegd in
hoofdstuk 8 zal gaan gelden en daarmee de bevoegdheid van de Kroon om op
grond van artikel 74 van de Wet Arbo te bepalen dat een uitspraak
geen of niet volledig gevolg zal hebben - een bevoegdheid waarvan de Kroon
overigens nimmer gebruik heeft gemaakt - komt te vervallen,
ontvalt tevens de grond aan de thans nog gemaakte uitzondering in artikel
5, onderdeel f, van de Wet Arob ter zake van beschikkingen op grond van
voornoemd artikel.
rblz.|104|
Omdat in artikel 1.6 [1:6]
van de
Awb wordt bepaald dat de Awb
niet van toepassing is op de opsporing en
vervolging van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van
strafrechtelijke beslissingen, behoeft in dit artikel niet meer een uitzondering als
geformuleerd in artikel 5, onderdeel g, van de Wet Arob te worden opgenomen.
De huidige onderdelen r en
s van
artikel 5 zonderen beschikkingen inzake toestemming voor het
beëindigen van een arbeidsverhouding (op grond van artikel 6 van het
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945) onderscheidenlijk
beschikkingen op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften uit. Deze, uit een bepaalde wet voortvloeiende,
uitzonderingen worden opgenomen in de bij artikel 8.1.1.6 [8:5]
behorende
negatieve lijst.
Ter zake van de wel, al dan niet
in aangepaste vorm, overgenomen uitzonderingen merken wij voor
zover nodig nog het volgende op.
Onderdeel a
In dit onderdeel wordt conform
het geldende recht beroep op de administratieve rechter tegen
spontane schorsings- en vernietigingsbesluiten nog uitgesloten. Wij
zijn echter voornemens om het spontane schorsings- en
vernietigingsrecht op een andere leest te schoeien en te gelegener tijd te voorzien in de
mogelijkheid van bestuursrechterlijke rechtsbescherming tegen schorsings- en vernietigingsbesluiten.
Onderdeel b
In de notitie over de uitvoering
door de wetgever van artikel 103 van de
Grondwet inzake
uitzonderingstoestanden (Kamerstukken II 1986-1987, 20 028, nr. 2) wordt
geconstateerd dat er alle aanleiding is om de in de noodwetgeving
gehanteerde terminologie voor de omstandigheden waaronder zij in
werking kan worden gesteld te verbeteren. In de notitie wordt voorgesteld in
de noodwetgeving systematisch het begrip "buitengewone omstandigheden" te gebruiken. In dit onderdeel wordt daarop geanticipeerd. Het
verzamelbegrip "buitengewone omstandigheden" komt derhalve in de
plaats van de nog in de Wet Arob gehanteerde begrippen "oorlog,
oorlogsgevaar, daaraan verwante of daarmede verband houdende buitengewone
omstandigheden, watersnood of andere rampen of dringend of
dreigend gevaar daarvoor". In dit onderdeel zijn derhalve de
huidige onderdelen h, j en k van artikel 5 van de Wet Arob samengevoegd.
Onderdeel d
Nu de rechtbank
in eerste aanleg
ook bevoegd is te oordelen in ambtenarenzaken, is de uitzondering
zoals geformuleerd in artikel 5, onderdeel I, van de Wet Arob niet zonder meer bruikbaar. Indien het bevoegd
gezag weigert een ambtenaar te
bevorderen, dient deze daartegen bij de rechtbank te kunnen opkomen. Wel
wordt ook voor het komende recht aan de rechtbank de bevoegdheid
ontzegd te oordelen over besluiten tot benoeming of aanstelling dan wel
de weigering daarvan. Het belang van een potentiële ambtenaar zou nauwelijks worden gediend met de
mogelijkheid van beroep tegen
dit soort besluiten in het algemeen. Waar het gaat om de beoordeling van
specifieke onderdelen van het aanstellingsbeleid, zoals de vraag of
wordt voldaan aan de wettelijke eisen van gelijke behandeling, is reeds
voorzien in rechterlijke toetsing. Overigens bepaalt een veelheid van redenen
veelal de voorkeur van de werkgever voor de ene boven de andere
kandidaat. Deze lenen zich niet of nauwelijks voor rechterlijke toetsing.
rblz.|105|
Een uitzondering op deze
uitzondering is naar onze mening op haar plaats indien het gaat om een
besluit inhoudende een benoeming of een aanstelling ten aanzien van
een ambtenaar als zodanig. Het kan zijn dat een bepaalde benoeming past
in de loopbaan van een ambtenaar. Materieel is dan een bevordering
aan de orde. In dat geval wordt de ambtenaar door het besluit hem
niet of nog niet te benoemen rechtstreeks in zijn belang als
ambtenaar getroffen. Ingevolge de Ambtenarenwet
1929 staat thans tegen
een dergelijk besluit beroep open. Wij zijn van mening dat deze
rechtsbeschermingsmogelijkheid moet worden gehandhaafd. Dit geldt ook voor
dienstplichtigen (vgl. de toelichting op artikel
8.1.1.1, tweede lid).
Onderdeel e
Indertijd werd deze uitzondering
in de wet opgenomen op de grond dat het "duidelijk" is dat
beslissingen inhoudende een examenuitslag of een uitslag op elke andere wijze
van toetsen van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling "zich niet lenen voor beoordeling door de administratieve
rechter".
Hoewel deze stelling enige nuancering behoeft (men denke aan de colleges van
beroep voor de examens bij de universiteiten), menen wij dat de
uitzondering van dit soort besluiten van beroep op de administratieve rechter
moet worden gehandhaafd. Voor alle duidelijkheid zij nog vermeid
dat aan deze uitzondering geen wijdere strekking dient te worden
toegekend dan zij thans onder de Wet Arob heeft. Derhalve is de
beoordeling van "het kennen of kunnen", bijvoorbeeld in het kader van de
uitvoering van de arbeidsongeschiktheidswetgeving, niet uitgezonderd van
beroep op de rechtbank. Dat betekent dat alleen die gevallen zijn
uitgezonderd waarin iemand is "opgegaan" voor een proef of een examen.
Onderdeel g
De redactie van dit onderdeel
(thans onderdeel o van artikel 5 van de Wet Arob) is aangepast ter
verzekering van de competentie van de rechtbanken in geschillen betreffende
de heffing van premies voor werknemersverzekeringen en de inning
van premies voor vrijwillige volksverzekeringen.
Artikel 8.1.1.6
[8:5]
In de bijlage
op grond van dit
artikel worden enkele wetten en enkele specifieke besluiten van beroep
op de rechtbank uitgesloten. Aan deze uitsluiting ligt een aantal
overwegingen ten grondslag: het desbetreffende besluit leent zich naar
zijn aard niet of minder goed voor beroep; het besluit is genomen op grond
van een regeling waarin overigens beroep bij een andere rechter is
opengesteld; het in overwegende mate indicatieve karakter van het
desbetreffende besluit; de aanwezigheid van andere beslissingen in het
geheel van het bestuurlijke besluitvormingstraject die op rechtsgevolg zijn
gericht, de positie van de rechtsgenoten raken en reeds vatbaar zijn voor
beroep; het belang dat het besluitvormingsproces als geheel niet
wordt belast met procedures die enerzijds wegens tijds- en
arbeidstoeslag tot vertraagde besluitvorming zullen leiden en anderzijds weinig
reële rechtsbescherming kunnen bieden. Voor een meer specifieke
toelichting op deze uitzonderingen zij verwezen naar de toelichting
op de bijlage.
Het zonder uitzondering van
toepassing doen zijn van het in dit wetsvoorstel neergelegde stelsel
van rechtsbescherming zou in een rblz.|106|
aantal gevallen om uiteenlopende
redenen tot onaanvaardbare consequenties leiden. In sommige
gevallen kunnen deze consequenties wellicht ongedaan worden gemaakt
door de onderliggende wetgeving aan te passen, bijvoorbeeld door in wetgeving die vele beslismomenten
bevat het aantal beslismomenten
te beperken. Dit zou echter de huidige wetgevingsoperatie, waarbij de
herziening van de rechterlijke organisatie het hoofddoel is, zodanig
complex maken dat deze praktisch onuitvoerbaar wordt. Met het oog op
de realisering van dit doel is het naar onze mening onontkoombaar dat
vooralsnog de in bijlage genoemde besluiten van beroep blijven
uitgesloten.
Voor de goede orde merken wij
nog het volgende op. In deze bepaling en in vele andere bepalingen van
dit wetsvoorstel worden de woorden gebruikt "een besluit, genomen
op grond van.... Hiermee wordt niet alleen gedoeld op besluiten die
hun basis rechtstreeks in de desbetreffende wetsbepalingen vinden,
maar ook op besluiten genomen ter uitvoering van krachtens die
wetsbepalingen vastgestelde regelingen, en beleidsregels inzake de
toepassing van die wet of die uitvoeringsregelingen. Ook besluiten genomen
op grond van een uitvoeringsregeling die nog niet in werking is getreden
maar waaraan terugwerkende kracht wordt verleend, vallen
hieronder.
Artikel 8.1.1.7
[8:7]
In dit artikel is de relatieve
competentie van de rechtbanken geregeld.
Bepalend voor het in dit artikel
neergelegde stelsel is primair geweest de gedachte dat de appellerende
burger als regel in het eigen arrondissement terecht moet kunnen (woonplaatsaanknoping). Dat
uitgangspunt,
dat al was neergelegd in het
kabinetsstandpunt over de invoering van Arob-rechtspraak in twee
instanties, vloeit rechtstreeks voort uit één van de hoofddoelstellingen van de
herziening van de rechterlijke organisatie, te weten het scheppen van
voorwaarden voor het verbeteren van de cliëntgerichtheid van de rechtspraak. In de memorie van antwoord bij het
wetsvoorstel voorintegratie is
dit, mede naar aanleiding van vragen in het voorlopig verslag, andermaal
benadrukt. Artikel 8.1.1.7 [8:7] bevat een correctie op dit uitgangspunt.
Deze betreft het geval van beroep door een niet-ingezetene. Er zijn
nogal wat zaken, met name socialezekerheidszaken, waarin de appellant
in het buitenland woonachtig is. Artikel 81 [oud, red.] van de
Beroepswet kiest in
dat geval voor zetelaanknoping. Aangezien in de arrondissementen Amsterdam
en Utrecht veel uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid zijn
gevestigd, komen die zaken bij de rechtbanken te Amsterdam en
te
Utrecht terecht. Het is ongewenst dit te veranderen, ook omdat anders
zonder noodzaak extra zaken bij de rechtbank te 's-Gravenhage
zouden belanden. Daarom verdient in geval van een in het buitenland
woonachtige appellant zetelaanknoping de voorkeur. Voor de goede orde
merken wij op dat aldus de rechtbank te 's-Gravenhage bevoegd blijft
voor door niet-ingezetenen ingestelde beroepen tegen besluiten van de
Kroon of van een minister.
Wij hebben
overwogen of het
aanbeveling zou verdienen te kiezen voor een integraal stelsel van
zetelaanknoping. Het gevolg daarvan zou zijn dat alle beroepen tegen
besluiten van de Kroon of een minister bij de rechtbank te 's-Gravenhage
zouden belanden.
Aan een dergelijke keuze is een
tweetal (mogelijke) voordelen verbonden. Ten eerste zou de in
onderdeel 6 gereleveerde beperkte stijging van de bestuurslasten
bij de ministeries als gevolg van het stelsel van woonplaatsaanknoping zich
niet voordoen. Ten tweede is daar het rblz.|107|
punt van de mogelijke
verschillen in rechtstoepassing in eerste aanleg. Uiteraard is het zo dat
verschillende rechters in eerste aanleg verschillende beslissingen kunnen nemen.
Daarom bestaat, als hoofdregel, binnen de rechterlijke
organisatie het rechtsmiddel van hoger beroep. Dit stelsel functioneert, bijvoorbeeld
in de praktijk van de rechtspraak in socialezekerheidszaken en in
ambtenarenzaken, inhoudelijk tot tevredenheid. Er zijn geen redenen om
aan te nemen dat dit stelsel niet adequaat zou zijn in geval van
(andere) besluiten van bestuursorganen van de centrale overheid. Tot
slot verwijzen wij nog naar de mogelijkheden die artikel 8.1.3.1 [8:13]
biedt.
Aan een keuze voor een stelsel
van zetelaanknoping zijn echter ook, belangrijke, nadelen verbonden.
Ten eerste zou een grote verschuiving in de feitelijke verdeling van de rechtsmacht in
socialezekerheidszaken en
in ambtenarenzaken daarvan het
gevolg zijn. De Beroepswet en de Ambtenarenwet
1929 gaan immers
thans uit van woonplaatsaanknoping onderscheidenlijk standplaats-
en woonplaatsaanknoping. Zou dat veranderen in zetelaanknoping, dan
zou een groot deel van de socialezekerheidszaken overgaan naar de rechtbanken te Amsterdam en
Utrecht, omdat zoals gezegd in die
arrondissementen veel uitvoeringsorganen zijn gevestigd, en zouden
ambtenarenzaken tegen de Kroon of een minister altijd bij de rechtbank te 's-Gravenhage
belanden. Daardoor zou in de hier bedoelde
socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken de geografische bereikbaarheid van de
rechtspraak voor de burger er veelal op achteruitgaan. Een alternatief
zou zijn voor socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken het bestaande
stelsel te handhaven. Dat zou echter leiden tot een regeling die uit
een oogpunt van eenvoud onwenselijk moet worden geacht. Zij zou ook
afbreuk doen aan het streven naar een grotere doorzichtigheid en
toegankelijkheid van het stelsel.
In de tweede plaats is er het
probleem van de omvang van de rechtbank te 's-Gravenhage.
Reeds op basis van de huidige plannen zal de rechtbank te 's-Gravenhage,
samen met de rechtbank te Amsterdam, bij de voltooiing van de eerste
fase van de herziening van de rechterlijke organisatie de grootste
rechtbank van Nederland zijn, met ongeveer 327 formatieplaatsen, waarvan
ongeveer 127 (Amsterdam: ongeveer 110) in de administratieve sector.
Onderbrenging van alle daarvoor in aanmerking komende Arob-, TwK-
en kroongeschillen over besluiten van de Kroon of een minister bij de
rechtbank te 's-Gravenhage zou een uitbreiding betekenen tot
ongeveer 515 formatieplaatsen, waarvan ongeveer 316 in de
administratieve sector. Een dergelijke omvang moet om redenen van
bedrijfsorganisatorische aard als buitengewoon onwenselijk worden beschouwd,
aangezien zij leidt tot een organisatie die onvoldoende beheersbaar is.
Aldus zou, nog afgezien van te verwachten problemen voor de rechtseenheid,
het gevaar kunnen ontstaan dat één van de belangrijkste
doelstellingen van de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties niet
wordt gehaald, namelijk het veel sneller dan thans beschikbaar komen van
een uitspraak in eerste aanleg. Het spiegelbeeld van de forse
uitbreiding van de rechtbank te 's-Gravenhage die in geval van zetelaanknoping
noodzakelijk zou zijn, is een verkleining van de administratieve sectoren
van de andere rechtbanken. Voor de grote(re) rechtbanken is een
dergelijke ontwikkeling geen probleem. In het geval van Amsterdam zou zij bijvoorbeeld
leiden tot een omvang van de rechtbank van ongeveer 303
formatieplaatsen, waarvan ongeveer 87 in de administratieve sector.
Voor nogal wat kleine(re) rechtbanken zou zij echter betekenen dat de
administratieve sectoren zo klein zouden worden dat niet meer kan worden
gesproken van een voldoende draagvlak voor kwalitatief
hoogwaardige bestuursrechtspraak. Enkele voorbeelden. In geval van
woonplaatsaanknoping zouden bij de rblz.|108|
rechtbanken te Almelo, Assen en
Dordrecht ongeveer acht formatieplaatsen beschikbaar zijn voor de
rechtspraak in Arob-, TwK- en kroongeschillen en in geval van zetelaanknoping
slechts ongeveer drieënhalf. Voor de rechtbanken te
Alkmaar, Middelburg en
Zwolle zou het gaan om een teruggang van ongeveer zestien naar
ongeveer zeven formatieplaatsen.
Onze conclusie
is dat een
integraal stelsel van zetelaanknoping voordelen heeft, maar dat bij
het afwegen van alle betrokken belangen moet worden geconstateerd dat
daaraan in vergelijking met een stelsel van woonplaatsaanknoping
doorslaggevende nadelen zijn verbonden.
Het derde lid bevat een
voorziening voor het geval dat tegen hetzelfde besluit door meer dan één
belanghebbende beroep is ingesteld en op grond van het eerste lid meer
dan één rechtbank bevoegd zou zijn. Die situatie doet zich voor als
sprake is van meer appellanten (doorgaans de geadresseerde van het besluit en
één of meer derden-belanghebbenden) die niet allen in hetzelfde
arrondissement wonen. Het beginsel van de woonplaatsaanknoping kan dan
niet overeind blijven. De bepaling voorziet erin dat in een
dergelijk geval toch slechts één rechtbank bevoegd is en wel de rechtbank
binnen welker rechtsgebied het bestuursorgaan zijn zetel heeft.
Indien bijvoorbeeld een aannemer te Arnhem bij de rechtbank te
Arnhem beroep instelt tegen de aan een door de gemeente Breda afgegeven
bouwvergunning verbonden voorwaarden en de bewoner van het
naastgelegen perceel bij de rechtbank te Breda beroep instelt tegen de
verlening van de bouwvergunning, is op grond van deze bepaling uitsluitend de
rechtbank te Breda, de rechtbank binnen welker rechtsgebied het
bestuursorgaan zijn zetel heeft, bevoegd. De rechtbank te Arnhem dient op
grond van artikel 6.2.8 [6:15]
het beroepschrift door te zenden aan de
rechtbank te Breda. De onbevoegde rechtbank zal in de praktijk
veelal door het bestuursorgaan, dat immers op de hoogte wordt gesteld van
alle beroepschriften, worden geattendeerd op het feit dat ook bij een andere rechtbank beroep is ingesteld.
Overigens maakt de regeling het
ook mogelijk dat de belanghebbende die weet dat door een andere
belanghebbende al beroep is ingesteld bij de rechtbank binnen welker
rechtsgebied het bestuursorgaan zijn zetel heeft, rechtstreeks beroep
instelt bij die rechtbank.
De keuze voor de
rechtbank binnen welker rechtsgebied het bestuursorgaan zijn zetel heeft
in
plaats van bijvoorbeeld een keuze voor de rechtbank van het als eerste
ingediende beroepschrift, is vooral ingegeven door de wens de
bestuurslasten voor de bestuursorganen waar mogelijk te beperken. In
deze gevallen wordt de zaak immers behandeld door de rechtbank in
het arrondissement van het bestuursorgaan. Dat geldt zowel voor de
centrale overheid als voor de decentrale overheden. De gemaakte keuze
heeft verder het voordeel dat niet - zoals in de andere overwogen
varianten - sprake is van een in zekere zin arbitraire uitkomst van de regel
in het concrete geval.
Wij wijzen er nog
op dat de
bepaling niet ziet op de situatie waarin bij meer dan één rechtbank
tegen
meer dan één besluit beroep is ingesteld. Artikel 8.1.3.1
[8:13]
voorziet voor
die situatie in de mogelijkheid van verwijzing, waardoor de
verschillende zaken door één rechtbank kunnen worden behandeld. Zie daarvoor
de toelichting op afdeling 8.1.3 en op
artikel 8.1.3.1.
rblz.|109|
Artikel 8.1.1.8
[8:9]
Jurisdictiegeschillen tussen
administratieve rechters zullen zelden voorkomen. Niettemin is het
wenselijk dat de wet voorziet in de oplossing daarvan. In de
toelichting op artikel 88, onderdeel 5º, van de Wet
RO is reeds naar voren
gebracht dat de Hoge
Raad wordt belast met de beslechting van
jurisdictiegeschillen tussen de administratieve rechters, tenzij een andere
administratieve rechter bevoegd is. De beslechting van
jurisdictiegeschillen tussen de rechtbanken is ingevolge het onderhavige artikel
opgedragen aan de Afdeling bestuursrechtspraak en de
Centrale Raad van Beroep.
De competentie van deze colleges in dezen is gerelateerd aan hun
rechtsmacht in hoger beroep. Het zijn de rechtbanken zelf die hun geschil
voorleggen aan het bevoegde appelcollege.
Afdeling
8.1.2.
Behandeling door
een enkelvoudige en een meervoudige kamer
Artikel 8.1.2.1
[8:10]
In artikel
55c, tweede lid, van
de Wet
RO wordt het primaat voor de gewone behandeling van zaken in
eerste aanleg gelegd bij de unus iudex. Dit primaat wordt vastgelegd in
het eerste lid. Van de organisatie van de desbetreffende rechtbank
hangt
af op welke wijze de zaken over de onderscheiden enkelvoudige
kamers worden verdeeld.
Het tweede lid voorziet in
verwijzing van de enkelvoudige kamer naar een meervoudige kamer. Indien
een zaak naar het oordeel van de unus iudex niet geschikt is voor
behandeling door één rechter, volgt steeds verwijzing naar de meervoudige
kamer. De tweede volzin voorziet in de mogelijkheid van verwijzing van
zaken die behoren tot een categorie van zaken ten aanzien waarvan de rechtbank
als beleid heeft vastgesteld dat deze in de regel door een
meervoudige kamer worden behandeld.
Het derde lid voorziet in
verwijzing door de meervoudige kamer naar een enkelvoudige kamer. Het kan
in een enkel geval praktisch zijn om een zaak die in behandeling bij
de meervoudige kamer is, te verwijzen naar de unus als deze bij nader
inzien of door nieuw opgekomen omstandigheden geschikt blijkt
voor afdoening door één rechter.
Artikel 8.1.2.2
[8:11]
In de regeling van het
procesrecht worden allerlei bevoegdheden en taken aan de rechtbank
bij de
behandeling van een zaak toebedeeld. Met rechtbank wordt gedoeld op de
unus of op de meervoudige kamer die met de behandeling van de
desbetreffende zaak is belast. Bevoegdheden en taken die aan de voorzitter
van de meervoudige kamer zijn toegekend, komen evenzo toe aan de unus iudex. Als voorbeeld kan worden
gewezen op artikel 8.2.6.12 [8:77],
derde lid, waarin onder meer is bepaald dat de uitspraak wordt ondertekend
door de voorzitter van de meervoudige kamer. Ingevolge artikel 8.1.2.2 [8:11], tweede lid, behoeft in
artikel
8.2.6.12 [8:77], derde lid, niet meer te worden
bepaald dat een uitspraak van de enkelvoudige kamer wordt ondertekend
door degene die daarin zitting had.
Artikel 8.1.2.3
[8:12]
Deze bepaling maakt het mogelijk
dat één van de leden van een rechterlijk college wordt belast
met de instructie van een zaak.
In het algemeen zal alleen een
meervoudige kamer behoefte hebben rblz.|110|
aan instructie door een rechter-commissaris. Het is evenwel niet uitgesloten dat ook degene die
zitting heeft in een enkelvoudige kamer één van de andere rechters een
onderzoeksopdracht geeft.
Ook de huidige
bestuursrechtelijke procesregelingen kennen deze figuur. Zo bepalen de artikelen
33 en 70 van de Wet
op de Raad van State voor respectievelijk de
procedure bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur en die bij de
Afdeling rechtspraak dat een staatsraad als rapporteur in de zaak wordt
aangewezen. Deze heeft ingevolge de artikelen 45 juncto 71 tot taak
op de zitting verslag te doen "van de zaak en haar verloop". De Beroepswet
bepaalt in artikel 104 [oud, red.] dat het voorbereidend onderzoek kan worden
opgedragen aan de voorzitter of de griffier, terwijl artikel 46a
van de Wet Arbo in dit verband spreekt over het lid-commissaris. Ook de Ambtenarenwet
1929 kent een lid-commissaris. Ingevolge artikel 39 mag
deze echter niet deelnemen aan de behandeling van de zaak ter
zitting.
In de voorgestelde bepaling is
gekozen voor de benaming "rechter-commissaris". Aldus wordt
aangesloten bij de in het burgerlijk en het strafprocesrecht gebruikelijke
terminologie.
Het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering bevatten een
uitvoeriger regeling over de positie en taak van de rechter-commissaris. Dit
hangt samen met het gegeven dat diens beslissingen veelal zelfstandig
voor hoger beroep vatbaar zijn. In het bestuursprocesrecht ligt dit
anders. Het uitgangspunt dat het bestuursrechtelijke proces als een
geheel moet worden gezien, staat in de weg aan het openstellen van
voorzieningen tegen in het voorbereidend onderzoek genomen beslissingen. In navolging van de hiervoor al
genoemde bestuursrechtelijke
procesregelingen bevat het onderhavige wetsvoorstel dan ook geen uitvoerige regeling van de figuur van de
rechter-commissaris.
Ook de keuze om in afwijking van
de artikelen 268 van het Wetboek
van Strafvordering en 39 van de Ambtenarenwet
1929 de rechter-commissaris niet uit te sluiten
van de behandeling ter zitting, is ingegeven door het eigen
karakter van het bestuursrechtelijke proces. Het uitsluiten van de rechter
die het voorbereidend onderzoek heeft verricht, verdraagt zich immers
niet goed met de in het bestuursprocesrecht geldende vrije bewijsleer.
Ook een efficiënte, vlotte procesvoering is gebaat met deelname van de rechter-commissaris aan het onderzoek
ter zitting. Bij deze keuze
heeft ten slotte een rol gespeeld dat de rechter die met het voorbereidend
onderzoek is belast de mogelijkheid heeft zich te verschonen, terwijl
partijen op hun beurt ingevolge artikel 8.1.4.1 [8:15]
de mogelijkheid hebben om een
rechter die de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen te wraken.
Afdeling
8.1.3. Verwijzing,
voeging en splitsing
Algemeen
De huidige bestuursrechtelijke
procesregelingen bevatten veelal geen omvattende regeling van de
verwijzing, voeging en splitsing. Alleen de artikelen 56 van de Ambtenarenwet
1929 en 80 [oud, red.] van de Beroepswet
vormen in dit opzicht een
uitzondering, maar beperken zich daarbij tot de voeging en de splitsing. Daarmee
wil overigens niet zonder meer gezegd zijn dat de bestaande
proceswetten op dit punt een omissie bevatten. Zo bestaat in de procedure bij de
Afdeling voor de geschillen van bestuur minder behoefte aan een regeling
van dit onderwerp, gezien het feit dat rblz.|111|
de Afdeling in enige instantie
rechtspreekt over een reeks van enumeratief opgesomde besluiten. Nu
de absolute competentie van de rechter ingevolge artikel 8.1.1.1 [8:1]
van de Awb afhankelijk wordt gesteld van het
besluitbegrip in de zin van de
Awb en deze rechtsmacht bovendien, uitzonderingen daargelaten,
wordt verdeeld over de rechtbanken, is een omvattende regeling van de
verwijzing, voeging en splitsing echter onontbeerlijk uit een oogpunt
van een goede procesvoering. Afdeling
8.1.3 beoogt daarin te voorzien.
Artikel 8.1.3.1
[8:13]
Deze bepaling voorziet in de
mogelijkheid dat zaken die op enigerlei wijze met elkaar samenhangen en
die bij verschillende rechtbanken zijn aangebracht, door één
rechtbank worden behandeld. Het gaat hierbij om verwijzing om redenen van
doelmatigheid van een zaak of met het oog op het verkrijgen van
gelijkluidende beslissingen in eerste aanleg - al dan niet op verzoek van partijen -
van het bevoegde college naar een college dat op zich niet bevoegd is tot
kennisneming van die zaak. Het spreekt vanzelf dat hierbij met de belangen van de partijen wordt rekening
gehouden. Indien een partij niet
instemt met deze verwijzing, kan in die omstandigheid aanleiding worden
gevonden van de verwijzing af te zien. Uitdrukkelijk is bepaald dat de
rechtbank waarnaar zal worden verwezen met de verwijzing zal moeten
instemmen.
De mogelijkheid voor een partij
om de rechtbank te verzoeken tot verwijzing over te gaan, is
onder meer van belang voor bestuursorganen die worden geconfronteerd met
van diverse appellanten afkomstige beroepschriften, gericht tegen
gelijksoortige besluiten.
Artikel 8.1.3.2
[8:14]
Deze bepaling voorziet in de
mogelijkheid van één, gevoegde behandeling van zaken die met elkaar
samenhangen. Een gevoegde behandeling van zaken door de
bevoegde rechtbank waarin hetzelfde besluit in geschil is dan wel waarin
besluiten in geschil zijn die sterk met elkaar zijn verweven, kan een doelmatige
procesvoering ten goede komen. Omgekeerd is voorzien in de
mogelijkheid dat de behandeling van gevoegde zaken wordt gesplitst.
Wij wijzen erop dat deze
bepaling niet ziet op het geval waarin meer dan één rechtbank
ten aanzien
van hetzelfde besluit bevoegd zou zijn. Daarin voorziet artikel 8.1.1.7 [8:7],
derde lid. Wij verwijzen naar de toelichting op die
bepaling.
Afdeling
8.1.4. Wraking en
verschoning van rechters
Algemeen
Een regeling van het procesrecht
is niet compleet zonder een sluitende voorziening voor de wraking en
de verschoning van rechters. Alle processuele wetten voor de
verschillende administratieve rechters bevatten een meer of minder uitgewerkte
regeling. Het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering bevatten beide een algemene regeling voor het
burgerlijk procesrecht onderscheidenlijk het strafprocesrecht.
Om de rechterlijke
onpartijdigheid te waarborgen, is, zoals gezegd, een regeling van de wraking en de
verschoning onmisbaar. Dat wil overigens niet zeggen dat van de bestaande regelingen op dat punt veelvuldig
rblz.|112|
gebruik wordt gemaakt.
Integendeel, zij vinden slechts zelden toepassing, mede omdat bij de
toewijzing van zaken aan de leden van een rechterlijk college
doorgaans al rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat op een bepaald
lid de schijn van partijdigheid van toepassing is.
Gezien de fundamentele betekenis
van het vereiste van onpartijdigheid kan niet worden volstaan met een
al te globale regeling. Ook het ontbreken van een zelfstandig
rechtsmiddel tegen de beslissing op het wrakingsverzoek noopt tot een
zorgvuldige inrichting van de wrakings- en verschoningsprocedure. De nu
voorgestelde afdeling is in dit opzicht dan ook uitvoeriger van opzet dan
sommige van de nu geldende regelingen. De Wet
op de Raad van State bijvoorbeeld bevat slechts een summiere regeling. Artikel 70 van die
wet -
welke bepaling alleen betrekking heeft op de Afdeling rechtspraak
- beperkt zich tot het toekennen aan belanghebbenden van de
bevoegdheid tot wraking. Daarnaast geeft artikel 121 de leden van zowel
de Afdeling voor de geschillen van bestuur als de Afdeling
rechtspraak de mogelijkheid van verschoning. Deze bepalingen bevatten echter
nauwelijks procedurele voorschriften over de wijze van behandeling
van het verzoek om wraking of verschoning. Ten opzichte van
sommige andere bestuursrechtelijke procesregelingen brengen de nu voorgestelde bepalingen daarentegen
een zekere vereenvoudiging mee.
Te denken valt aan artikel 37 van de Ambtenarenwet
1929, waarin elf
situaties worden onderscheiden op grond waarvan een verzoek om
wraking of verschoning kan worden gedaan, en aan een bepaling over
de uitsluiting van rechters zoals het hiervoor al genoemde artikel 39
van de Ambtenarenwet 1929. In plaats daarvan hebben wij gekozen voor
het opnemen in artikel 8.1.4.1 [8:15] van een materieel criterium, te weten
het zich voordoen van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit criterium stemt overeen met
dat van de Wet op de Raad van State, de Beroepswet
en de Wet Arbo.
Afdeling
8.1.4 bevat een nieuw
opgezette, moderne regeling voor de wraking en de verschoning van
rechters in bestuursrechtelijke zaken. Bij het ontwerpen daarvan is
nadrukkelijk gestreefd naar eenvormigheid in verhouding tot het burgerlijk en
het strafprocesrecht. Het kan en mag immers niet zo zijn dat binnen
een geïntegreerde rechterlijke macht verschillende normen en
procedures gelden voor de wraking en de verschoning van dezelfde
personen, namelijk de rechters die oordelen over zowel civiele, straf- als
bestuursrechtelijke zaken. De nieuwe opzet heeft tevens geleid tot
wijziging van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en van het Wetboek
van Strafvordering in dezen, waarvoor afdeling 8.1.4 model heeft
gestaan. Ook in de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (Warb) en
de Tariefcommissiewet is een overeenkomstige regeling getroffen.
Deze wijzigingen zijn opgenomen in onderdeel 5.5 van
het wetsvoorstel.
In samenhang met het voorgaande
is bezien of er nog langer aanleiding is om een meer of
minder gedetailleerd stelsel van verboden processuele handelingen en
hoedanigheden van bij de rechtspraak betrokken ambtenaren voor bij
het eigen college aanhangige gedingen te handhaven. Zo geldt thans veelal
de regel dat een rechter niet als gemachtigde mag optreden in een
bestuursrechtelijke zaak die bij het eigen college wordt behandeld.
En zo bevat het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering een zeer
gedetailleerd stelsel voor civiele zaken. Naar ons oordeel is er, in lijn met
de in gang gezette sanering van de regeling van de incompatibiliteiten voor
en de nevenfuncties van rechterlijke ambtenaren en gelet op de
mogelijkheden die de wraking en de rblz.|113|
verschoning bieden, geen
behoefte meer aan een stelsel van verboden processuele handelingen en
hoedanigheden. Daar komt bij dat een dergelijk stelsel onnodig
bevoogdend is en in zekere zin een vorm van geïnstitutionaliseerd
wantrouwen impliceert. Daarom is in het uniforme bestuursprocesrecht niet een
dergelijk stelsel opgenomen en worden de beperkingen in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering in
dit wetsvoorstel geschrapt.
Artikel 8.1.4.1
[8:15]
De ratio van het instituut van
de wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke
onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid. Dit
wordt tot uitdrukking gebracht in de in dit artikel geformuleerde norm:
feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid
schade zou kunnen lijden. Het recht om wraking van een rechter te
verzoeken, is toegekend aan partijen. Een dergelijk verzoek kan in
beginsel in elke stand van het geding worden gedaan. Een verzoek om wraking
kan uiteraard evenzeer betrekking hebben op een
rechter-commissaris.
Artikel 8.1.4.2
[8:16]
Dit artikel regelt de vereisten
waaraan een verzoek moet voldoen. Het bevat onder meer de nodige
waarborgen tegen chicaneus gebruik van de bevoegdheid van partijen. Dat is
in het belang van een goede voortgang van de procedure en van een
faire bejegening van de betrokken rechter.
In het eerste lid is neergelegd
dat een verzoek moet worden gedaan zodra de daaraan ten grondslag
te leggen feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn
geworden.
Om praktische redenen maakt het
tweede lid het mogelijk dat, in afwijking van de hoofdregel, een
verzoek mondeling geschiedt bij die gelegenheden waarbij sprake is
van persoonlijk contact tussen partijen en de rechters, te weten ter
zitting en bij het horen van partijen en getuigen in het vooronderzoek
(dat niet ter zitting plaatsvindt).
Het derde lid verplicht tot het
geconcentreerd voordragen van alle feiten of omstandigheden. In
verband daarmee bepaalt het vierde lid dat een volgend verzoek om wraking
van dezelfde rechter niet in behandeling wordt genomen als niet aan het
derde lid is voldaan. In geval van nova ligt de zaak uiteraard anders.
Het vijfde lid legt
vast dat
als een verzoek ter zitting geschiedt, het onderzoek ter zitting wordt
geschorst. Vervolgens wordt de procedure van artikel 8.1.4.4 [8:18]
gevolgd,
tenzij artikel 8.1.4.3 [8:17] toepassing vindt.
Artikel 8.1.4.3
[8:17]
Dit artikel maakt het mogelijk
dat de rechter wiens wraking is verzocht, afziet van een debat over de
gegrondheid van het verzoek. In dat geval berust hij in de wraking, worden
de aangevoerde feiten of omstandigheden niet onderzocht en neemt
de betrokken rechter aan de verdere behandeling van de zaak geen
deel.
rblz.|114|
Artikel 8.1.4.4
[8:18]
Dit artikel bevat de procedure
voor de behandeling van verzoeken om wraking. Essentieel is dat op
het verzoek wordt beslist door een meervoudige kamer, waarin
bovendien de betrokken rechter geen zitting heeft. Alleen op die wijze kan
een beslissing worden verkregen die voor alle betrokkenen althans uit
procedureel oogpunt geen twijfels oproept. Hiervoor is al opgemerkt dat
het ontbreken van een zelfstandig rechtsmiddel tegen de beslissing op
het wrakingsverzoek een gevolg is van het uitgangspunt dat het bestuursrechtelijke proces een geheel vormt.
De huidige procesregelingen kennen
dan ook evenmin een rechtsmiddel tegen deze beslissing. Dit
betekent overigens niet dat de verzoeker geen enkele mogelijkheid meer heeft
om zich teweer te stellen tegen de beslissing inzake de wraking.
Hij kan in het kader van het hoger beroep tegen de rechterlijke uitspraak
ook de beslissing op het wrakingsverzoek ter discussie stellen. Daarnaast
kan hij op de voet van de artikelen 14a e.v. van de Wet
RO de
procureur-generaal bij de Hoge
Raad verzoeken een vordering bij de Hoge Raad
in te stellen tot het doen van een onderzoek naar de wijze waarop
een rechterlijk ambtenaar zich in de uitoefening van zijn functie jegens hem heeft gedragen.
Het vanzelfsprekende recht op
hoor en wederhoor is neergelegd in het tweede lid. In het belang van de
persoonlijke levenssfeer en de orde bij de behandeling kan de rechtbank
bepalen dat het horen niet in elkaars
aanwezigheid geschiedt.
Het derde lid regelt de formele
afronding van de procedure. Zij mondt uit in een rechterlijke
beslissing.
Het vierde lid biedt de
rechtbank een effectief middel om misbruik tegen te gaan. De bepaling kan
zowel dienst doen bij herhaalde verzoeken om wraking jegens een
zelfde rechter op grond van gepretendeerde nova alsook bij
gelijktijdige of opeenvolgende verzoeken ten aanzien van meer rechters.
Derhalve is aan een meer specifieke bepaling als het huidige artikel 38 van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering geen behoefte.
In het vijfde lid is voor alle
zekerheid en duidelijkheid bepaald dat tegen een beslissing inzake
wraking geen rechtsmiddel openstaat.
Artikel 8.1.4.5
[8:19]
Geschiedt de wraking op
initiatief van een partij, een rechter kan ook zelf het initiatief nemen om van
het verder behandelen van een zaak te worden verschoond. Soms zal hij
dit ook moeten doen om niet in strijd te komen met het beginsel van de
rechterlijke onpartijdigheid (zie bijvoorbeeld Centrale Raad van
Beroep 19 december 1972,
AB 1974, nr. 86). Voor de verschoning geldt dezelfde norm
als voor de wraking. Aldus is de verschoning het spiegelbeeld van
de wraking. Gekozen is voor een stelsel waarin de rechtbank
op een
gevraagde verschoning moet beslissen. Niet voldoende is dus dat de rechter
stelt dat hij zich verschoont. Een dergelijk stelsel zou op
gespannen voet staan met het verbod van rechtsweigering. Overigens zal een
verzoek om verschoning zich in de praktijk niet vaak voordoen: doorgaans
weet men, voordat men als rechter de behandeling van een zaak
daadwerkelijk ter hand neemt, of er termen zijn om van het behandelen van
die concrete zaak af te zien, bijvoorbeeld omdat er familieleden
of kennissen bij zijn betrokken, de rechter zelf een belang in de
zaak heeft of er, bijvoorbeeld door eerdere contacten, reden is om aan de
eigen onbevangenheid te twijfelen dan rblz.|115|
wel om andere redenen rekening
moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de schijn van
partijdigheid wordt opgewekt. Heeft de behandeling echter een aanvang
genomen, dan zal een formeel verzoek om verschoning moeten worden gedaan. Het artikel sluit aan bij
artikel
8.1.4.2 [8:16].
Artikel 8.1.4.6
[8:20]
De behandeling van een verzoek
om verschoning geschiedt op dezelfde wijze als die van een
verzoek om wraking (vgl. artikel 8.1.4.4 [8:18]).
Afdeling
8.1.5. Partijen
Algemeen
Deze afdeling bevat een aantal
algemene bepalingen over partijen die in de gehele procedure een rol
spelen. Zij kunnen in vier groepen worden verdeeld:
a. voorschriften over
vertegenwoordiging en bijstand (de artikelen 8.1.5.1 tot en met 8.1.5.5 [8:21
t/m 8:25]);
b. voorschriften over het in het
geding roepen van partijen (artikel 8.1.5.6 [8:26]);
c. voorschriften over
verplichtingen van partijen en over de sancties bij niet-nakoming daarvan (de
artikelen 8.1.5.7 tot en met 8.1.5.11 [8:27 t/m
8;31]); en
d. voorschriften over de
kennisneming van stukken niet door een partij zelf, maar door een gemachtigde
(artikel 8.1.5.12 [8:32]).
In het onderhavige wetsvoorstel
is geen verplichte procesvertegenwoordiging of verplichte
rechtsbijstand voorgeschreven. In afdeling 8.1.5 is in aansluiting op
afdeling
2.1 van de Awb een algemene regeling opgenomen inzake bijstand en
vertegenwoordiging in het geding. Daarbij is aangesloten bij de bestaande
bestuursprocesrechtelijke wetten. Zij stemmen, met uitzondering van de
Warb voor zover het gaat om het in cassatie pleiten voor de Hoge
Raad, alle overeen op het punt van de afwezigheid van verplichte procesvertegenwoordiging. Daaraan ligt ten
grondslag de overweging dat het
bestuursprocesrecht laagdrempelig moet zijn en dat daarom de
kosten voor rechtzoekenden in beginsel beperkt moeten worden gehouden.
De mogelijkheid om zich ook in
bestuursrechtelijke geschillen te voorzien van gefinancierde
rechtshulp voor die gevallen waarin dat nodig is, completeert een
laagdrempelige toegang tot de administratieve rechter. De actief onderzoekende
attitude van de administratieve rechter vormt voorts afdoende
compensatie voor het mogelijk nadelige effect van het ontbreken van
rechtsbijstand. Ook in de praktijk is niet gebleken van een behoefte aan invoering
van verplichte procesvertegenwoordiging. Voorts heeft een rol
gespeeld dat invoering van verplichte procesvertegenwoordiging zou
leiden tot een verhoging van de bestuurslasten en van de kosten van de
gefinancierde rechtsbijstand. Wij hebben al met al geen reden gezien om
met het uitgangspunt van niet-verplichte procesvertegenwoordiging te
breken.
Daarbij wordt - daargelaten dat
in deze fase van de herziening van de rechterlijke organisatie het
nieuwe bestuursprocesrecht nog niet voor alle administratieve rechters zal
gelden en ook rechtspraak in twee instanties zeker nog geen regel zonder
uitzondering is - geen onderscheid gemaakt tussen het geding in eerste
aanleg en dat in hoger beroep. Een dergelijke opzet zou immers het gezag van
de rechter in eerste aanleg kunnen aantasten.
rblz.|116|
Op het punt van de verplichte
procesvertegenwoordiging blijft derhalve een verschil bestaan
met het burgerlijk procesrecht, waar het beginsel van de verplichte procesvertegenwoordiging wel geldt, zij het
dat dit beginsel niet over de
gehele linie is doorgevoerd.
Artikel 8.1.5.1
[8:21]
Het eerste lid
regelt de
processuele positie van partijen die naar burgerlijk recht onbekwaam zijn
om in rechte te staan. Gekozen is voor een genuanceerd en
gedifferentieerd stelsel dat op onderdelen afwijkt van het burgerlijk procesrecht
en van de regeling neergelegd in de artikelen 44 [oud, red.], eerste lid, van de Beroepswet, 27, eerste lid, van de
Ambtenarenwet1929 en 31, eerste lid,
van de Wet Arbo.
Hoofdregel is dat onbekwame
natuurlijke personen niet zelf in het geding optreden, maar in het
geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar
burgerlijk recht. De regel uit het burgerlijk recht dat de vertegenwoordigers naar
burgerlijk recht daarvoor toestemming van de kantonrechter nodig
hebben, is voor het bestuursprocesrecht niet overgenomen.
In afwijking van de hoofdregel
wordt in het tweede lid - anders dan in het burgerlijk procesrecht en in
de hiervoor genoemde regelingen - voorzien in de mogelijkheid dat handelingsonbekwamen (minderjarigen
en ondercuratelegestelden) en
personen van wie goederen onder bewind zijn gesteld, zelf in het
geding kunnen optreden indien zij tot redelijke waardering van hun
belangen ter zake in staat kunnen worden geacht. Zulks is in lijn met de
jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak, die - bij het ontbreken van een regeling ter zake in de Wet Arob en de
Wet op de Raad
van State - de
vraag of een minderjarige zelfstandig als procespartij mag optreden, onder
omstandigheden bevestigend beantwoordt. Aan dit stelsel ligt de
gedachte ten grondslag dat waar onbekwame natuurlijke personen
geadresseerde van of anderszins belanghebbende bij een besluit
kunnen zijn, zij zo enigszins mogelijk ook in persoon moeten kunnen
optreden in een geding daarover.
Het derde lid bevat een
bijzondere voorziening voor het geval geen wettelijke vertegenwoordiger
aanwezig is (bijvoorbeeld indien een feitelijk onbekwame persoon met
spoed in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen) of deze niet
beschikbaar is (bijvoorbeeld wegens verblijf in het buitenland). Als de zaak
spoedeisend is, kan de rechtbank ambtshalve of op verzoek een
voorlopige vertegenwoordiger benoemen. Deze regeling is geïnspireerd op
artikel 45 [oud, red.] van de Beroepswet.
Het artikel bevat geen regeling
over de vertegenwoordiging in het geding van rechtspersonen.
Anders dan voor natuurlijke personen is dit niet nodig, omdat de (wettelijke
en statutaire) vertegenwoordigingsregels voor rechtspersonen niet alleen
in het burgerlijk recht van toepassing zijn.
Artikel 8.1.5.2
[8:22]
Dit artikel is de pendant van de
regeling in de Faillissementswet
voor het al of niet voortzetten van
aanhangige civielrechtelijke gedingen en de vertegenwoordiging in het geding
in geval van faillietverklaring of surséance van betaling.
rblz.|117|
Artikel 8.1.5.3
[8:23]
Dit artikel regelt, voor zover
dat nodig is, de vertegenwoordiging in het geding van bestuursorganen. Het
moet worden gelezen in samenhang met artikel 1.1
[1:1] van de Awb. Als
een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon in het geding
optreedt, is zoals gezegd geen regeling nodig: de (wettelijke of
statutaire) vertegenwoordigingsregels voor die rechtspersoon gelden ook in het
bestuursprocesrecht. Deze regels zijn echter niet van toepassing
indien het bestuursorgaan zelf partij is. Als het bestuursorgaan een persoon
is, geldt als vanzelfsprekend dat deze persoon het ambt
vertegenwoordigt. Aldus is alleen een regeling nodig voor het geval het
bestuursorgaan een college is. Die is neergelegd in het eerste lid.
Het tweede lid bevat een
specifieke voorziening voor de Kroon.
Artikel 8.1.5.4
[8:24]
Deze bepaling komt vrijwel
overeen met artikel 2.1.1 [2:1]. De voorgestelde bepaling veronderstelt dat wordt
geprocedeerd door een partij of door de gemachtigde die haar vertegenwoordigt. Wettelijke of statutaire
vertegenwoordigers worden
derhalve niet aangemerkt als gemachtigde. Deze gaan op in de partij die
zij vertegenwoordigen.
Artikel 8.1.5.5
[8:25]
Deze bepaling komt vrijwel
overeen met artikel 2.1.2 [2:2]. Zij strekt
ertoe partijen te beschermen tegen
gemachtigden of raadslieden van wie moet worden aangenomen dat hun optreden ernstige schade kan toebrengen.
Het spreekt vanzelf dat de rechtbank terughoudend zal zijn in dezen. Partijen dienen immers in beginsel vrij te zijn in de keuze van degenen aan wie zij de behartiging van
hun belangen wensen toe te vertrouwen. Advocaten kunnen niet op de voet
van deze bepaling worden geweigerd. De Advocatenwet
voorziet in de
mogelijkheid van uitsluiting als tuchtrechtelijke sanctie. Het spreekt
vanzelf dat de betrokken partij in de gelegenheid wordt gesteld
desgewenst de geweigerde persoon te vervangen.
Artikel 8.1.5.6
[8:26]
Uitgangspunt
is dat in de
procedure uitsluitend kan worden opgetreden door partijen. Er kan
onderscheid worden gemaakt tussen de indiener van het beroepschrift,
het verwerend bestuursorgaan en de overige belanghebbenden die
gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid als partij aan het
geding deel te nemen. Appellant en verweerder zijn terstond partij.
Andere belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen later
in de procedure betrokken raken. Zo kan de door het oorspronkelijke
besluit begunstigde A er belang bij hebben te participeren in het geding
dat aanhangig is gemaakt door derde-belanghebbende B wiens bezwaren
tegen dit besluit ongegrond zijn verklaard. Evenzo kan derde-belanghebbende C wiens bezwaar gegrond
wordt verklaard behoefte
gevoelen deel te nemen in een procedure die door de aanvankelijk begunstigde
D in gang is gezet. Indien het bestreden besluit in
administratief beroep is genomen, kan het bestuursorgaan dat het oorspronkelijk
besluit heeft genomen, als zelfstandige partij meedoen in het geding.
Het spreekt vanzelf dat het
artikel niet beoogt te voorzien in participatie door belanghebbenden die
geen gebruik hebben gemaakt van de rblz.|118|
mogelijkheid beroep in te
stellen dan wel niet-ontvankelijk zouden zijn in hun beroep (vgl. in dit verband
artikel 6.2.6a [6:13]).
Consequentie van het
uitgangspunt dat uitsluitend partijen kunnen deelnemen aan de procedure moet
zijn dat voor een bepaling als artikel 32c van de Wet
op de Raad van State geen plaats is. Dat artikel voorziet in de mogelijkheid dat de
minister/niet-partij wie het aangaat in de gelegenheid wordt gesteld zijn
standpunt uiteen te zetten. Daartoe schrijft artikel 32c voor dat
aan de minister mededeling wordt gedaan van het verzoek om een
verweerschrift en dat bestuursorganen waaraan een verweerschrift is gevraagd,
dit via de minister aan de Afdeling voor de geschillen van bestuur
zenden. De minister/niet-partij die aldus op de hoogte raakt van het bestaan van
een geschil kan vervolgens een eigen standpuntbepaling daarover aan
de Afdeling doen toekomen. In het kroonberoep was het
vanzelfsprekend dat de minister deze gelegenheid had, gezien het feit dat de
uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de uitspraak bij de Kroon lag. Het
ligt dan immers voor de hand dat de betrokken minister van zijn
standpunt over het geschil kon laten blijken, zodat de Afdeling voor de
geschillen van bestuur als adviserende instantie daarmee rekening kon
houden. In geval van rechtspraak is dit echter anders. Daarin zal de
minister, als de uitkomst van een procedure de hem toevertrouwde belangen
rechtstreeks treft, als partij aan het geding moeten deelnemen (vgl.
artikel 1.2 [1:2], tweede lid, van de Awb). Dat kan hetzij op eigen verzoek,
hetzij ambtshalve daartoe uitgenodigd door de rechter.
Bij onze keuze om in het
voorgestelde procesrecht een bepaling als artikel 32c niet op te nemen,
hebben ook de bevindingen van de evaluatierapporten over de TwK
een rol gespeeld. Daaruit blijkt dat de minister/niet-partij slechts
sporadisch gebruik maakt van de mogelijkheid om in de procedure een eigen
standpuntbepaling in te brengen. Bovendien wordt in deze
rapporten geconcludeerd dat dergelijke standpuntbepalingen geen aanwijsbare
invloed hebben op de uitkomst van de procedure. In vrijwel alle
gevallen is de regeling van artikel 32c, waarbij (een deel van) de
correspondentie tussen rechter en verweerder via de minister plaatsvindt, derhalve
omslachtig, terwijl zij bovendien aanleiding kan geven tot vertraging van de
procedure. Wat dit laatste betreft, kan worden gewezen op artikel 29,
vijfde lid, van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening, waarin wordt bepaald
dat in afwijking van artikel 32c van de Wet
op de Raad van State het
verweerschrift rechtstreeks aan de Afdeling voor de geschillen van
bestuur wordt gestuurd. Artikel 29, vijfde lid, werd ingevoegd bij Wet van
21 november 1986, Stb. 1986, 623, ter versnelling van de beroepsgang
bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur.
Het vorenstaande heeft ook tot
gevolg dat met artikel 32c vergelijkbare bepalingen in de
bestaande procesregelingen niet zijn overgenomen in dit
wetsvoorstel. Te
denken valt aan de artikelen 38, derde lid, en 75 van de Wet
op de Raad van State, waarin voor de procedure bij respectievelijk de Afdeling voor
de geschillen van bestuur en de Afdeling rechtspraak wordt bepaald dat de
minister/niet-partij zich bij de behandeling ter zitting kan laten
vertegenwoordigen door een departementale ambtenaar.
Het bovenstaande sluit niet
uit
dat de bijzondere wet hierin kan voorzien indien behoefte
bestaat aan het verzekeren van de mogelijkheid voor een dergelijke
ministeriële interventie. Overigens biedt het onderhavige wetsvoorstel de
mogelijkheid dat een minister in de gelegenheid wordt gesteld als partij te
participeren in een procedure waarvan de uitkomst de hem toevertrouwde
belangen rechtstreeks kan treffen.
rblz.|119|
Artikel 8.1.5.7
[8:27]
De rechtbank
kan er behoefte aan hebben partijen in persoon dan wel in persoon of bij gemachtigde
voor zich te doen verschijnen, zowel in de aan de zitting voorafgaande fase
van het vooronderzoek als op de zitting. De door de rechtbank verlangde
aanwezigheid van partijen strekt doorgaans tot het verschaffen
van mondelinge informatie. De verschijning van partijen kan
ook zijn gericht op het beproeven van een schikking of het bijwonen van
een getuigenverhoor.
De oproeping van partijen is
geregeld in de afdelingen 8.2.2 (vooronderzoek) en
8.2.5 (onderzoek ter
zitting). Het is wenselijk in de onderhavige afdeling uitdrukkelijk te
bepalen dat partijen gehouden zijn aan de oproeping gevolg te geven.
Zij worden (bij de oproeping) gewezen op hun plichten en op de eventuele
consequenties die de rechtbank aan de niet-nakoming daarvan kan
verbinden.
Het verdient
aanbeveling
uitdrukkelijk in de wet vast te leggen dat de rechtbank
de bij oproeping van
een partij die rechtspersoon is dan wel van een bestuursorgaan dat een
college is, bevoegd is één of meer bepaalde bestuurders van die
rechtspersoon dan wel één of meer bepaalde leden van dat college
op te roepen. Daartoe strekt het tweede lid.
Artikel 8.1.5.8
[8:28]
In dit artikel is uitdrukkelijk
vastgelegd dat partijen verplicht zijn gevolg te geven aan een verzoek van de
rechtbank tot het geven van schriftelijke informatie. Ook hier dienen
partijen op hun plicht en op de consequenties van de niet-nakoming
daarvan te worden gewezen. Het tweede lid strekt daartoe.
Artikel 8.1.5.9
[8:29]
De informatieplicht van partijen
kan niet onder alle omstandigheden onverkort zijn. Tegenover de
plicht van partijen tot het geven van informatie dient voor hen de
mogelijkheid te bestaan, indien daarvoor gewichtige redenen zijn,
bepaalde inlichtingen niet te verstrekken of bepaalde stukken niet over te
leggen dan wel deze te verstrekken of over te leggen onder de voorwaarde
dat uitsluitend de rechtbank daarvan kennisneemt.
Hierbij speelt een aantal
belangen. Het gaat allereerst om bescherming van het belang dat partijen over
en weer beschikken over de relevante informatie om de door hen
gewenste positie in de procedure in te nemen. Het gaat eveneens om
bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle
informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en
zorgvuldige wijze af te doen. Maar het gaat ook om bescherming van het belang dat
bepaalde gegevens niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar
worden. De voorgestelde bepaling beoogt aan deze uiteenlopende belangen
recht te doen.
Het eerste lid geeft aan dat het
criterium is of er in het concrete geval gewichtige redenen bestaan die
tot absolute of relatieve geheimhouding nopen. Dit criterium is ontleend
aan de artikelen 6.3.9 [7:4], zesde lid, en
6.4.9 [7:18], zesde lid, van de Awb.
rblz.|120|
In een procedure voor de
administratieve rechter behoort het niet ter vrije beslissing van partijen te
staan de omvang van hun informatieplicht te bepalen. Dat is een taak voor
de rechter. Hij dient na afweging van bovengenoemde belangen een
beslissing hierover te nemen. De rechter zal erop toezien dat het
evenwicht tussen de posities van partijen niet wordt verstoord. Wanneer een
bestuursorgaan op deze bepaling een beroep doet, vindt de rechter in
de criteria van de Wet
openbaarheid van bestuur (Wob) een ondergrens. Overeenkomstig de
artikelen 6.3.9 [7:4],
achtste lid, en 6.4.9 [7:18], achtste
lid, is in het tweede lid bepaald dat een gewichtige reden voor het
bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig is voor zover het ingevolge de
Wob verplicht zou zijn tot het geven van informatie. De omstandigheid dat
een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van die
wet zou kunnen afwijzen, kan echter niet zonder meer doorslaggevend zijn
in een procedure tussen partijen.
Als de rechtbank
van oordeel is
dat de weigering niet gerechtvaardigd is, dient de informatie te
worden gegeven. Zou een partij persisteren bij haar weigering, dan kan de
rechtbank daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.
Als de rechtbank
de weigering
gerechtvaardigd acht, is de partij ontslagen van haar verplichting
de desbetreffende informatie te geven of het stuk over te leggen. Nadeel
zou kunnen zijn dat de rechtbank in sommige gevallen kennis heeft
gedragen van de desbetreffende gegevens - dat is niet steeds
nodig voor een zorgvuldige beslissing in dezen - en deze vervolgens
buiten beschouwing zal moeten laten. Wij verwachten evenwel niet dat dit
voor de rechter tot problemen zal leiden.
Het derde en vierde lid voorzien
in het voorgaande.
Als de rechtbank
van oordeel is
dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan
uitsluitend zij - naast de partij die om beperkte geheimhouding heeft verzocht -
kennisnemen van de desbetreffende informatie. Aan deze bepaling,
opgenomen in het vijfde lid, liggen de navolgende overwegingen ten
grondslag. Het is enerzijds een eis van zorgvuldige rechtspleging dat de
rechter en de procespartijen beschikken over dezelfde informatie. Het is
anderzijds een eis dat de rechter kennis krijgt van voor de afdoening van een zaak relevante informatie. De vraag
rijst of aanvaardbaar is dat de
rechter kennis draagt van voor de zaak relevante gegevens die slechts
bekend zijn bij de partij die om beperkte geheimhouding heeft verzocht, en
mede op die gegevens de zaak afdoet. Wij beantwoorden die vraag
bevestigend, omdat de administratieve rechter een actieve rol in het geding speelt en het tot zijn taak behoort
het evenwicht tussen partijen te
bewaken. Omdat het voor partijen en voor derden zoveel mogelijk
duidelijk moet zijn op welke wijze de rechter tot zijn oordeel is gekomen,
menen wij echter wel dat het goed is dat de partij die de gegevens niet kent zich omtrent het gebruik van die gegevens door de rechter kan uiten. Er is daarom voor gekozen om aan
te sluiten bij de regeling zoals
die geldt voor de procedure bij de Afdeling rechtspraak (artikel 77 van de Wet
op de Raad van State), bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur
(artikel 4 van de TwK) en bij het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven (artikel 41, tweede lid, van de Wet
Arbo). De regeling zoals de
Afdeling voor de geschillen van bestuur die voor het kroonberoep kende en
waarbij het aan de Afdeling werd overgelaten om te bepalen in hoeverre
zij stukken die de wederpartij niet kent bij haar oordeelsvorming betrok,
is om deze reden niet gehandhaafd.
rblz.|121|
Artikel 8.1.5.10
[8:30]
In artikel 8.2.2.6
[8:47] is het
deskundigenbericht in het vooronderzoek geregeld. Het onderhavige
artikel verplicht partijen hun medewerking te verlenen aan een dergelijk
onderzoek. Het zal veelal, doch niet uitsluitend, gaan om een medisch
onderzoek. Uiteraard zal de belasting die een dergelijk onderzoek met
zich kan brengen in een redelijke verhouding moeten staan tot de
daarvan te verwachten resultaten. Is dat niet het geval, dan zal het
onderzoek achterwege moeten worden gelaten, dan wel op een minder
belastende wijze moeten worden verricht. Partijen worden
gewezen op hun plicht en op de mogelijke consequenties van de
niet-nakoming daarvan.
Artikel 8.1.5.11
[8:31]
Het verdient naar onze mening
geen aanbeveling dat de rechtbank, zoals thans in artikel 52
[oud, red.] van de Beroepswet voor de socialezekerheidsrechter is bepaald, wordt beperkt in haar
mogelijkheden op passende wijze te reageren indien degene die het
beroep heeft ingesteld, zonder deugdelijke grond niet voldoet aan de
hem door de rechtbank opgelegde verplichtingen. Ingevolge
artikel 52 [oud, red.], eerste lid, van de Beroepswet kan thans de appellant in zo'n geval
slechts niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wij geven voorts de voorkeur aan
een regeling die geldt voor alle partijen. Het thans voorgestelde
artikel geeft de rechtbank de mogelijkheid die gevolgen aan
de niet-naleving van een verschijnings-, inlichtingen- of
mededelingsplicht te verbinden die haar passend voorkomen. Zo zal een
bestuursorgaan kunnen worden geconfronteerd met een gegrondverklaring van
het ingestelde beroep, al dan niet gepaard gaande met een
veroordeling tot schadevergoeding, alsmede met een veroordeling in de
proceskosten. Ten aanzien van de appellant geldt dat het beroep
niet-ontvankelijk kan worden verklaard of dat het beroep ongegrond kan worden
verklaard, terwijl onder deze omstandigheden niet uitgesloten moet
worden geacht dat de appellant in de proceskosten wordt veroordeeld.
Artikel 8.1.5.12
[8:32]
Onder omstandigheden zou de
kennisneming van bepaalde stukken door een partij haar
lichamelijke of geestelijke gezondheid kunnen schaden. Het eerste lid voorziet
erin dat de rechtbank kan beslissen dat de desbetreffende stukken
uitsluitend mogen worden ingezien door een gemachtigde die advocaat of arts
is dan wel door een andere gemachtigde die van de rechtbank
daarvoor toestemming heeft gekregen. Het spreekt vanzelf dat van deze
bepaling een terughoudend gebruik zal moeten worden gemaakt.
In het tweede lid wordt voorzien
in de mogelijkheid dat van op de zaak betrekking hebbende gegevens
inzake de persoonlijke levenssfeer van een persoon - dat behoeft niet
een partij in de procedure te zijn - niet wordt kennisgenomen door een
partij als zulks de persoonlijke levenssfeer van deze persoon
onevenredig zou schaden. De rechtbank kan dan bepalen dat de kennisneming
daarvan blijft voorbehouden aan een gemachtigde als voornoemd.
Tot slot vermelden
wij dat deze
bepaling is geënt op de artikelen 87, vierde lid, van de Ambtenarenwet
1929 en 111 [oud, red.], vierde lid, van de rblz.|122|
Beroepswet. De overige
procesregelingen bevatten op dit punt geen expliciete bepalingen.
Afdeling
8.1.6. Getuigen,
deskundigen en tolken
Algemeen
Deze afdeling bevat enkele
algemene bepalingen over de positie van getuigen, deskundigen en tolken
in de procedure. De eerste drie artikelen geven voor respectievelijk de
getuige, de deskundige en de tolk onder andere aan welke consequenties
voortvloeien uit een oproeping c.q. benoeming en geven enkele
vormvereisten waaraan een oproeping moet voldoen. Het vierde artikel
regelt de vergoeding voor een door de rechtbank opgeroepen getuige,
deskundige of tolk. Ook hier is het streven erop gericht een
algemene regeling te maken, waardoor wordt voorkomen dat een onderdeel dat
verscheidene malen in de procedure opkomt steeds opnieuw moet
worden uitgeschreven. De afdelingen over het vooronderzoek (8.2.2) en het
onderzoek ter zitting (8.2.5) bevatten meer specifieke bepalingen over
getuigen, deskundigen en tolken.
Artikel 8.1.6.1
[8:33]
De getuigen die door de
rechtbank zijn opgeroepen, dienen op grond van het eerste lid aan die
oproeping gevolg te geven en getuigenis af te leggen.
Een groot aantal artikelen uit
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering inzake getuigen is in het
derde lid van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat
betekent onder meer dat de opgeroepen getuige die niet verschijnt, of
de verschenen getuige die weigert de eed of belofte af te leggen, kan
worden veroordeeld in de vergeefs aangewende kosten (artikel 204 van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering).
In het vierde lid is voorzien in
de mogelijkheid dat getuigen de eed of belofte afleggen. De rechtbank
bepaalt of van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt.
Artikel 8.1.6.2
[8:34]
Het is niet
juist zonder meer
een plicht voor een deskundige te creëren. Het creëren daarvan
is aanvaardbaar indien de deskundige zijn benoeming heeft aanvaard. Alsdan
is hij verplicht zijn opdracht onpartijdig en naar beste weten te
vervullen. De omschrijving van deze verplichting in het eerste lid
is rechtstreeks ontleend aan de bestaande procesregelingen.
Aan de wijze waarop
deskundigenadvisering plaatsvindt, is in de evaluatierapporten over de TwK
uitvoerig aandacht besteed. Daarbij werd allereerst geconstateerd
dat gebruikmaking van deskundige voorlichting aanzienlijke
voordelen kan hebben uit een oogpunt van rechtsbescherming en
proceseconomie, daar de rechter daardoor in staat is tot een meer
inhoudelijk en afgewogen oordeel te komen. Daarnaast werden echter ook voor
de TwK-rechtspraak enige kritische kanttekeningen geplaatst bij de
praktische gang van zaken, met name waar het het vereiste van
onpartijdigheid betreft. Deze hadden betrekking op het feit dat de
instanties waarbij deskundige informatie werd ingewonnen in veel gevallen nauwe banden hadden met hetzij het
betrokken ministerie, hetzij het
verwerend bestuursorgaan. Te denken valt aan de advisering door de
Adviseur ten behoeve van de Raad van State rblz.|123|
en de Adviseur beroepen
milieubeheer. Beide instanties maken deel uit van het ministerie van
VROM en hebben als belangrijkste taak de advisering in respectievelijk
bestemmingsplangeschillen en milieugeschillen. In beide rapporten
werd overigens ook geconstateerd dat er geen aanwijzingen waren dat bij
deze advisering bestuursbelangen zwaarder wegen dan de belangen
van de appellerende burger. De conclusie was dan ook dat er
geen aanleiding is om de rechter voor te schrijven zijn deskundige
informatie alleen in te winnen bij onafhankelijke instanties. In onderdeel 3.5
is hierover al opgemerkt dat het onderhavige wetsvoorstel geen
belemmeringen opwerpt voor het handhaven van de bestaande praktijk. Dit
doet echter niet af aan het feit dat de rechter erop moet kunnen
vertrouwen dat de door hem ingewonnen deskundige informatie deugdelijk
is en geen vooringenomen karakter draagt. Het wetsvoorstel bevat
verschillende bepalingen die daarvoor een waarborg bieden. Naast de
onderhavige bepaling, waarin dit uitgangspunt is verwoord, kan
onder meer worden gewezen op de artikelen 8.2.2.6
[8:47] en
8.2.5.8 [8:63],
eerste lid, die beogen de deskundige voorlichting voor partijen
controleerbaar te maken. Verder kunnen partijen zelf deskundigen
inschakelen en heeft de rechter vanzelfsprekend altijd de mogelijkheid
om, in geval van twijfel over de validiteit van een aan hem uitgebracht
deskundigenrapport, elders deskundige informatie in te winnen.
Ook aan een deskundige die zijn
benoeming door de rechtbank heeft aanvaard, komt een
verschoningsrecht toe. Het tweede lid voorziet daarin, voor zover de deskundige
zich beroept op zijn ambts- of beroepsgeheim of op zijn vrees voor een
strafrechtelijke veroordeling van hemzelf of bepaalde bloed- en
aanverwanten.
Artikel
8.2.5.5 [8:60], tweede lid,
bevat een aanvullende specifieke bepaling over de positie van de
deskundige die voor het onderzoek ter zitting is opgeroepen. Daarin is onder meer
bepaald dat de deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard aan
een oproeping van de rechtbank gevolg dient te
geven en bij
niet-verschijning kan worden voorgeleid.
Artikel 8.1.6.3
[8:35]
In dit artikel wordt een aantal
verplichtingen geregeld van een tolk die zijn benoeming heeft aanvaard.
Alleen de Wet
op de Raad van State regelt de positie van de tolk
expliciet, zowel voor de procedure bij de Afdeling voor de geschillen van
bestuur als bij de Afdeling rechtspraak. Dit in tegenstelling tot de
overige procesregelingen, waarin op dit punt een leemte bestaat. Een verschil
met de regeling in de Wet op de Raad van State is dat het
voorliggende wetsvoorstel het ook mogelijk maakt voor partijen om gebruik te
maken van een zelf meegebrachte tolk.
Artikel 8.1.6.4
[8:36]
Bij de vergoeding van de kosten
van getuigen, deskundigen en tolken wordt een onderscheid gemaakt
tussen de getuigen, deskundigen en tolken die door de rechtbank
zijn opgeroepen en degenen die zijn meegebracht door partijen.
De kosten van getuigen,
deskundigen en tolken die door de rechtbank zijn ingeschakeld, komen voor
rekening van het Rijk overeenkomstig de regeling in de Wet
tarieven in burgerlijke zaken. Kosten van getuigen en
deskundigen die door partijen
zelf zijn ingeschakeld, komen voor hun rekening overeenkomstig
voornoemde regeling. Er kan aanleiding zijn deze kosten te betrekken bij een
proceskostenveroordeling.
rblz.|124|
De voorgestelde regeling komt
qua strekking overeen met de bestaande wetten. Een belangrijk
verschil is dat de Wet
tarieven in burgerlijke zaken van toepassing
wordt op de hoogte van de vergoeding. Dit heeft tot gevolg dat een
einde komt aan de bestaande verschillen op dit punt in de diverse
administratiefrechterlijke procedures. Nu worden dergelijke vergoedingen veelal
vastgesteld aan de hand van ingevolge de verschillende proceswetten
vastgestelde algemene maatregelen van bestuur.
Afdeling
8.1.7. Verzending van
stukken
Artikel 8.1.7.1
[8:37]
Hoofdregel
is dat de vanwege de
rechtbank aan partijen te verzenden stukken door de griffier worden
gezonden bij gewone brief. Bij een paar cruciale momenten in de
procedure dient met het oog op de op het spel staande belangen zekerheid te
bestaan dat de brief te bestemder plaatse is aangekomen. Alsdan is in
beginsel verzending bij aangetekende brief voorgeschreven. Het gaat om de
oproeping van partijen, getuigen, deskundigen en tolken en anderen
die door de rechtbank zijn opgeroepen, om de uitnodiging
aan partijen om ter zitting van de rechtbank te verschijnen en om
de toezending van de uitspraak aan partijen. De rechtbank kan
bepalen dat van verzending bij aangetekende brief wordt afgezien. Zij zal
dat alleen doen als aan de alsdan te kiezen andere wijze van mededeling
dezelfde waarborgen kunnen worden ontleend. Zo kan in geval van
schorsing voor de oproeping van de nadere zitting worden volstaan met een
mondelinge aanzegging van de nadere zitting. Wij wijzen erop dat de
rechtbank ook kan bepalen dat, hoewel niet verplicht, in bepaalde gevallen toch verzending bij aangetekende
brief plaatsvindt. Dat kan onder
omstandigheden zinvol zijn, bijvoorbeeld in geval van de mededeling,
bedoeld in artikel 8.2.1.1 [8:41], tweede lid.
Artikel 8.1.7.2
[8:38]
Deze bepaling komt overeen met
artikel 6 van het Besluit oproepingen, mededelingen en zendingen
verzoekschriftprocedure (Stb. 1986, 578).
Artikel 8.1.7.3
[8:39]
In het eerste lid is in algemene
zin bepaald dat de griffier alle voor partijen bestemde stukken zo
spoedig mogelijk aan hen toezendt. Dit geldt zowel voor de stukken die
van de rechtbank zelf afkomstig zijn als voor de stukken waarbij de
griffier als doorgeleider van stukken fungeert.
Vanzelfsprekend dient de
griffier acht te slaan op hetgeen de rechtbank heeft beslist omtrent
geheimhouding, beperkte kennisneming door de rechtbank of
kennisneming door een gemachtigde met uitsluiting van de partij die
hij vertegenwoordigt (vgl. de artikelen 8.1.5.9
[8:29] en
8.1.5.12 [8:32]).
Er zijn stukken die zo
omvangrijk zijn dat van de griffie van de rechtbank, mede gelet op de
daarbij overigens betrokken belangen, redelijkerwijs niet kan worden
verlangd dat deze worden gekopieerd, of die niet goed zijn te
vermenigvuldigen. Deze stukken liggen op grond van het tweede lid bij de rechtbank
ter inzage. Voor het overige bestaat er geen behoefte aan de
mogelijkheid van inzage, nu alle overige stukken aan partijen worden
toegezonden.
rblz.|125|
Het derde lid voorziet in de
mogelijkheid dat gedeelten van deze stukken in kopie voor
belanghebbenden beschikbaar komen. In aansluiting op artikel 8.2.6.14 [8:79],
tweede lid, is een regeling opgenomen voor de vergoeding van de
gemaakte kosten voor de desbetreffende afschriften en uittreksels.
Titel
8.2. Behandeling van het
beroep
Afdeling
8.2.1. Griffierecht
Algemeen
Wij stellen voor om in
afdeling
8.2.1 een regeling van een uniform, laag griffierecht op te nemen.
Aan deze regeling liggen de volgende overwegingen ten grondslag. Het
is redelijk dat degene die gebruikmaakt van een door de overheid
geopende essentiële voorziening als het beroep op de (administratieve)
rechter een deel van de daaraan verbonden kosten draagt. Het
recht mag echter niet zo hoog zijn dat aan bepaalde groepen rechtzoekenden
in feite de toegang tot de rechter wordt ontnomen. Het heffen van
griffierecht kan bijdragen tot een zorgvuldiger afweging van het
belang en de zin van het instellen van een procedure tegenover de aan het
verkrijgen van een rechterlijke uitspraak verbonden inspanningen en kosten. Voorts dienen de perceptiekosten
van de uitvoering van de
grïffierechtenregeling niet onevenredig hoog te zijn in verhouding tot het
beoogde doel. Een gedifferentieerd stelsel met verminderingen en vrijstellingen
zou niet alleen kostbaar zijn, maar ook te veel tijd en arbeid in beslag
nemen van de griffies.
Het huidige tarief voor
griffierecht verschilt sterk. In Arob-, TwK- en kroonprocedures bedraagt het
ƒ150,- (met de mogelijkheid van vermindering tot ƒ75,- of ƒ0,-), in
ambtenarenzaken is het ƒ7,50 (in hoger beroep ƒ15,-) en in socialezekerheidszaken ƒ25,- (in hoger
beroep ƒ50,-). Ten aanzien van de hoogte van
het griffierecht stellen wij uniformering voor. Deze uniformering leidt
tot een verhoging voor de ene categorie en verlaging voor een andere.
Voorgesteld wordt een
griffierecht te heffen van ƒ50,- van degene die beroep instelt bij de
administratieve rechter in eerste aanleg. Aldus wordt een uniform laag tarief
ingevoerd. Het bedrag van ƒ50,- wordt voorgesteld mede op grond van
een beperkte evaluatie van de financiële aspecten van de in 1987
ingevoerde regeling van het verhoogde griffierecht bij de Raad van State. Op
grond van kostenberekeningen kon worden vastgesteld dat een
stelsel met als uitgangspunt een griffierecht van ƒ150,- met de mogelijkheid
van vermindering met ƒ75,- en van volledige vrijstelling, in
vergelijking tot een eenvoudig stelsel met een uniform laag griffierechttarief
wat betreft de Raad van State budgettair neutraal is. Het in 1987
ingevoerde stelsel is gebleken administratief zeer bewerkelijk en arbeidsintensief
te zijn. Vanwege de doelmatigheid en het uitgangspunt van een ruime
toegang tot de rechter geven wij, uiteraard binnen de randvoorwaarde dat dit
niet mag leiden tot een verhoging van de collectieve uitgaven voor
administratieve rechtspraak, de voorkeur aan een uniform, laag tarief. Hierbij is voor ons ook een
belangrijk gegeven dat blijkens onderzoek
een verlaging of verhoging van het griffierecht slechts een beperkt
effect heeft op de mate waarin meer of minder beroepen worden ingesteld (vgl. F. van Tulder en S. Janssen, De
prijs van de weg naar het recht,
Sociaal en Cultureel Planbureau 1988, nr. 45; dezelfde, De prijsgevoeligheid van rechtshulp, Justitiële verkenningen 1987,
nr. 9, blz. 46-65).
Hoewel het gekozen tarief een substantiële verhoging inhoudt ten
opzichte van het huidig tarief in ambtenaren- rblz.|126|
en ook in socialezekerheidszaken, ligt het bedrag aanmerkelijk lager dan in
bijvoorbeeld Arob-zaken.
Wij menen dat de nadelen
verbonden aan verhoging in eerstgenoemde zaken in evenwicht zijn met de
voordelen verbonden aan de verlaging in laatstgenoemde zaken. Daar komt
bij dat het griffierecht in ambtenarenzaken, dat sinds jaren her nooit
is aangepast, een wel zeer laag, zelfs symbolisch bedrag is. Wij zijn
van oordeel dat ƒ50,- een alleszins billijk bedrag is dat in beginsel van
iedere rechtzoekende mag worden gevergd. Het heeft ook niet tot gevolg
dat rechtzoekenden belemmerd zouden worden in hun toegang tot de
rechter.
Het is echter wenselijk om één
nuancering aan te brengen op het principe van een algeheel
verplicht griffierecht van ƒ50,- in eerste aanleg voor bestuursrechtelijke zaken
die vallen onder de reikwijdte van de Awb. Deze nuancering betreft beroepen
die zich richten tegen besluiten genomen op grond van de
Vreemdelingenwet, inzake asielverzoeken. Bij asielzoekers gaat het in de
regel om personen met een zodanig geringe draagkracht dat van de
betrokken rechtzoekenden het voldoen van het griffierecht in redelijkheid
niet mag worden gevraagd. Wij achten slechts voor deze categorie gevallen een
uitzondering gerechtvaardigd op het beginsel dat door iedere
appellant griffierecht moet worden betaald.
Tot slot wijzen wij
erop dat in
eerste aanleg voor de voorlopigevoorzieningsprocedure
en de herzieningsprocedure een gelijk recht zal worden geheven als in
de desbetreffende hoofdzaak. Zie ook de toelichting op artikel 8.3.2
en,
voor het griffierecht in appel, op de artikelen 40 en 41 van de Wet
op de Raad van State en op de artikelen 21 en 22 van de Beroepswet.
Artikel 8.2.1.1
[8:41]
In de tweede volzin van het
eerste lid is een regeling opgenomen voor het geval meer personen samen
een beroepschrift tegen hetzelfde besluit indienen. Doet zich het
geval voor waarin door één of meer appellanten beroep wordt ingesteld
tegen meer besluiten, dan is evenzovele malen griffierecht verschuldigd.
Het tweede lid bepaalt in de
eerste volzin dat de indiener van het beroepschrift wordt gewezen op
de verschuldigdheid van het griffierecht. In de tweede volzin is bepaald
dat de rechter de indiener van het beroepschrift niet-ontvankelijk
verklaart indien het griffierecht niet is betaald binnen vier weken nadat
de griffier hem schriftelijk heeft gewezen op de verschuldigdheid
tot betaling, behoudens het in de wet aangeduide geval van
verschoonbare termijnoverschrijding.
In verband met de in het derde
lid en in artikel 8.2.6.8 [8:74] opgenomen terugbetalingsverplichtingen kan
de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort voor betaling
worden aangesproken. Wij gaan ervan uit dat overheidsinstanties zo
spoedig mogelijk tot terugbetaling zullen overgaan wanneer de
omstandigheden, genoemd in deze bepalingen, zich voordoen.
Afdeling
8.2.2. Vooronderzoek
Algemeen
Deze afdeling regelt de
bevoegdheden van de rechtbank die nodig zijn om tot een behoorlijke
instructie van de zaak te komen.
rblz.|127|
Uitgangspunt is dat de rechter,
binnen de grenzen van de omvang van het geschil, dominus litis is.
Het verloop van de procedure wordt niet bepaald door partijen, maar door
de rechter. Deze bepaalt na kennisneming van het beroepschrift
grotendeels het verloop van het vooronderzoek.
Uiteraard dienen de beslissingen
van de rechter in het vooronderzoek voor partijen controleerbaar en
kritiseerbaar te zijn. Daarom voorziet een aantal bepalingen in deze
afdeling in betrokkenheid van partijen bij het vooronderzoek.
De procedure moet echter wel zo
eenvoudig mogelijk blijven. Daarom voorziet het onderhavige
wetsvoorstel, zoals in onderdeel 2.3 al is vermeld, niet in de mogelijkheid
om tegen de beslissingen van de rechtbank in het vooronderzoek
los van de (eind)uitspraak hoger beroep aan te tekenen. De beslissingen
genomen in het vooronderzoek kunnen dus slechts aan de orde komen in
een eventueel hoger beroep tegen de (eind)uitspraak.
De voorgestelde globale regeling
van het (voor)onderzoek geeft de rechters vrijheid in de
uitoefening van hun processuele bevoegdheden en zal daardoor kunnen leiden tot
verscheidenheid in de toepassing daarvan. Verscheidenheid in de toepassing
van het recht kan betrekking hebben op rechtsvragen en op
beleidsvragen. Bij de uitoefening van discretionaire processuele
bevoegdheden spelen beleidsvragen in het bijzonder een rol. Wij stellen
voorop dat
verscheidenheid in de toepassing van het (proces)recht een normaal verschijnsel is in een rechterlijke organisatie
waarin verschillende
bestuursrechtelijke rechtsgangen naast elkaar bestaan. Verscheidenheid is
eveneens een gewoon verschijnsel bij rechtspraak in meer dan één
instantie waarbij de rechtspraak in eerste aanleg verspreid over het land wordt
uitgeoefend. Dit verschijnsel behoeft op zichzelf niet bedenkelijk te
zijn. Verscheidenheid aan de basis kan immers de kwaliteit van de
rechtspraak en de rechtsontwikkeling ten goede komen. Verscheidenheid in
de toepassing van het recht is een nuttig middel voor de ontwikkeling van goed recht, juist als dit recht nieuw is. Het is van belang dat
deze ontwikkelingen de gelegenheid krijgen uit te kristalliseren.
In dit verband wijzen wij ook op de rol van de evaluatie van het
bestuursprocesrecht. Anderzijds is van belang dat wordt gewaakt tegen
rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid. Er zijn drie instrumenten waardoor
onnodige verscheidenheid kan worden voorkomen en uniformiteit kan
worden bevorderd.
In de eerste plaats zal
zelfregulering op het niveau van de rechtbanken, in de vorm van het uitwisselen
van ervaringen en het regelmatig plegen van overleg, kunnen leiden tot
het tegengaan van onnodige verscheidenheid en tot het tot stand
komen van beleidsafstemming. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de
rechterlijke colleges die in eerste en laatste aanleg oordelen en voor
de appelcolleges. Hierbij zal het vooral gaan om praktische processuele
kwesties en het beleid ten aanzien van discretionaire processuele bevoegdheden. Het spreekt voor
zich dat een dergelijk informeel overleg geen
betrekking kan hebben op individuele gevallen.
In de tweede plaats kunnen de
beide appelcolleges eenheid in de toepassing van het procesrecht
binnen hun rechtsmacht bevorderen.
Ten slotte kan als sluitstuk zo
nodig door middel van de rechtseenheidsvoorziening eenheid in de
toepassing van het procesrecht worden verzekerd indien tussen de onderscheiden rechtsgangen niettemin niet
aanvaardbare divergenties zouden
optreden.
rblz.|128|
Bij de actieve rol van de
rechter past dat deze de termijnen vaststelt waarbinnen partijen hun
processuele handelingen dienen te verrichten. Wij gaan ervan uit dat deze
termijnen betrekkelijk kort kunnen zijn. Men denke in dit verband aan het
feit dat aan de procedure bij de rechtbank in het overgrote deel van de
gevallen reeds een bezwaarschriftprocedure vooraf is gegaan. In beginsel
wordt ervan uitgegaan dat partijen zich zullen houden aan de
voorgeschreven termijnen. Indien zulks niet het geval is, zal het gevolg van het
gebrek aan medewerking van een partij kunnen zijn dat de rechtbank
een uitspraak doet waarbij de onwillige partij geconfronteerd wordt met
de consequenties van haar processuele houding.
In de afdelingen 8.2.2 en
8.2.5
wordt aan de rechtbank een aantal bevoegdheden gegeven om bepaalde
handelingen in het (voor)onderzoek te verrichten. Deze bevoegdheid
is gegoten in de vorm: "De rechtbank kan..." (zie bijvoorbeeld artikel 8.2.2.6 [8:47]). Hiermee wordt bedoeld dat de rechtbank zowel ambtshalve als
op verzoek van één van de partijen van deze bevoegdheid gebruik kan
maken.
Artikel 8.2.2.1
[8:42]
Artikel
6.2.0 [6:4], derde lid, van de
Awb bepaalt dat het instellen van beroep op een administratieve
rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de
rechter. Op grond van artikel 6.2.7
[6:14] zal de
rechtbank een
ontvangstbevestiging aan de indiener van het beroepschrift moeten zenden en zal zij
het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen van het
ingestelde beroep zo spoedig mogelijk op de hoogte dienen te stellen.
Tenzij het de rechtbank reeds aanstonds blijkt dat het beroep kennelijk (on)gegrond dan
wel kennelijk niet-ontvankelijk is, dan wel dat zij
kennelijk onbevoegd is (afdeling
8.2.4), zal het vooronderzoek een aanvang nemen
met het vragen van een verweerschrift aan het bestuursorgaan,
alsmede het verzoek de op de zaak betrekking hebbende stukken aan
de rechtbank te zenden. Uiteraard is er geen bezwaar tegen en ligt het
zelfs in de rede dat deze handelingen worden gecombineerd met de
mededeling aan het bestuursorgaan dat een beroep aanhangig is, mits
het maar snel gebeurt.
Ingevolge het bepaalde in dit
artikel dient het bestuursorgaan altijd een verweerschrift in te dienen.
Het behoeft geen betoog dat het afhankelijk is van de aard van de
zaak en de inhoud van het beroepschrift of het verweer uitvoerig moet zijn
of dat met een summier verweer kan worden volstaan, zoals een
verwijzing naar de beslissing op het bezwaarschrift indien in het
beroepschrift geen nieuwe gronden worden aangevoerd.
De termijn van vier weken voor
een bestuursorgaan voor het inzenden van de processtukken en het
indienen van het verweerschrift gaat in na verzending van het beroepschrift
aan het bestuursorgaan. Wij zijn van mening dat het aanbeveling
verdient om in de regel met de toezending van het beroepschrift te wachten
totdat het griffierecht is ontvangen. De vereiste spoed kan evenwel
aanleiding vormen dat niet te doen.
Uit artikel 8.2.2.1
[8:42] vloeit voort
dat het bestuursorgaan ook de op de zaak betrekking hebbende
medische stukken aan de rechtbank dient toe te zenden.
Voor de goede orde merken wij
hier op dat de in het Burgerlijk
Wetboek op te nemen titel inzake
de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Kamerstukken II, 21
561) niet van toepassing zal worden op rblz.|129|
artsen werkzaam bij
bestuursorganen (Kamerstukken II, 21 561, nr. 3, blz. 27). Wanneer een
bestuursorgaan verplicht is aan de rechtbank medische gegevens afkomstig van
een in dienst zijnde verzekeringsarts te verstrekken, is het bevoegd
daartoe over te gaan zonder dat daarvoor een afzonderlijke toestemming
van de belanghebbende is vereist. Voor zover het gaat om
persoonsgegevens afkomstig uit persoonsregistraties als bedoeld in de Wet
persoonsregistraties, is artikel 8.2.2.1 [8:42]
te beschouwen als een wettelijk
voorschrift in de zin van artikel 11, eerste lid, van die wet. Ingevolge die
bepaling is de houder van een persoonsregistratie ook bevoegd persoonsgegevens te verstrekken zonder
toestemming van de geregistreerde.
Artikel 8.2.2.2
[8:43]
Veelal zal na wisseling van
beroep- en verweerschrift de zaak in haar algemeenheid, mede gelet op de
daaraan voorafgaande bezwaarschriftprocedure, wel zo duidelijk
liggen dat aan een nadere schriftelijke uitwisseling van standpunten geen
behoefte zal bestaan. In de huidige procesregelingen is dan ook in het
algemeen een expliciete mogelijkheid van repliek en dupliek niet
opgenomen. Een uitzondering hierop vormt artikel 40 van de Wet Arbo, dat in geval
van bijzondere omstandigheden repliek en dupliek mogelijk maakt. Een
dergelijke beperking is in het onderhavige wetsvoorstel niet overgenomen,
met name omdat zoals gezegd op zichzelf al verwacht mag worden
dat van deze mogelijkheid een spaarzaam gebruik zal worden
gemaakt. Het valt echter niet uit te sluiten dat in bepaalde
gevallen toch behoefte zal bestaan aan een nadere uitwisseling van
standpunten. Te denken valt aan de situatie dat in het verweerschrift nieuwe
feiten en omstandigheden worden vermeld waarop de indiener van het
beroepschrift moet kunnen reageren. De mogelijkheid van repliek en
dupliek biedt bovendien meer gelegenheid voor partijen om zich nader met
elkaar te verstaan over het tussen hen bestaande geschil. Dit kan tot
gevolg hebben dat zij tot overeenstemming raken, waardoor een
rechterlijke uitspraak niet meer nodig is. Door het opnemen van een
uitdrukkelijk voorschrift wordt tot uitdrukking gebracht dat een nadere
uitwisseling van standpunten in gevallen als hierboven geschetst een goede
bijdrage kan leveren aan de oplossing van het geschil. Tevens wordt in dit artikel
veiliggesteld dat derden-belanghebbenden in processuele zin in ieder
geval één keer de gelegenheid hebben hun visie op de zaak schriftelijk
uiteen te zetten.
Artikel 8.2.2.3
[8:44] De Beroepswet
(artikel 102a [oud, red.]), de
Wet Arbo (artikel 46a) en de Ambtenarenwet
1929 (artikel 79)
bevatten een soortgelijke bepaling als de hier voorgestelde. Deze bepalingen
hebben echter alleen betrekking op het verstrekken van inlichtingen
door partijen. Het onderhavige artikel kan ook worden toegepast als de
rechter de kans aanwezig acht dat partijen hun geschil in der minne zullen
kunnen regelen. Daarmee sluit dit artikel nauw aan bij de uit het
burgerlijk procesrecht bekende schikkingscomparitie (vgl. artikel 19 van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering). Uiteraard kan het ook zo zijn
dat de rechter in dit stadium van het vooronderzoek behoefte heeft aan
een mondelinge toelichting door partijen. rblz.|130|
Artikel 8.2.2.4
[8:45] Dit
artikel verschaft de rechter
de bevoegdheid partijen en anderen - men denke bij dit laatste aan
een ander bestuursorgaan dan dat partij is, bijvoorbeeld een minister, maar
ook aan een particulier - te vragen schriftelijke inlichtingen te
verstrekken en onder hen berustende stukken in te zenden. Voor partijen
geldt ingevolge het bepaalde in artikel 8.1.5.8 [8:28]
dat zij verplicht zijn de
gevraagde inlichtingen te verstrekken. Dat geldt op grond van het tweede en derde
lid van dit artikel eveneens voor bestuursorganen en werkgevers
van partijen die geen partij zijn (vgl. artikel 101 [oud, red.], tweede lid, van de Beroepswet). Het zou onzes inziens te ver gaan om voor anderen aan wie
door de rechtbank wordt gevraagd inlichtingen te
verstrekken een
wettelijke verplichting op te nemen aan het desbetreffende verzoek te
voldoen. Wij gaan er overigens van uit dat ook zonder deze wettelijke verplichting de gevraagde informatie in het
algemeen zal worden gegeven.
Indien onverhoopt niet aan het verzoek van de rechtbank wordt voldaan
en de rechtbank van oordeel is dat de gevraagde informatie essentieel
is voor haar oordeelsvorming, dan heeft zij de mogelijkheid degene die
weigerachtig blijft de gevraagde inlichtingen te verstrekken, als getuige op te roepen om een verklaring af te
leggen en door middel van de
sterke arm te dwingen te verschijnen.
Indien de rechtbank besluit om
inlichtingen in te winnen bij een arts, kan de arts deze, tenzij hij
daartoe wettelijk verplicht is (vgl. artikel 8.2.2.4 [8:45], tweede lid, juncto
artikel 1653l, eerste lid, derde volzin, van het BW
zoals opgenomen in het
wetsvoorstel inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst),
slechts verstrekken met toestemming van de betrokkene. Voor zover
betrokkene partij is, is hij overigens ingevolge het hierboven al genoemde
artikel 8.1.5.8 [8:28] verplicht schriftelijk inlichtingen te geven. Veelal is dit
de belanghebbende die beroep bij de rechter heeft ingesteld. In
dergelijke gevallen zal hij zijn toestemming vrijwel altijd verlenen. Geeft
hij deze niet, dan zal de rechter daaruit zodanige gevolgtrekking maken
als hem geraden voorkomt (artikel 8.1.5.11 [8:31]) en tot een uitspraak
(moeten) komen op grond van de beschikbare gegevens.
Artikel 8.2.2.5
[8:46] Voor een goed verloop van het
vooronderzoek kan het wenselijk zijn dat getuigen worden gehoord. Dit
artikel geeft de rechtbank daartoe de bevoegdheid. Een goede
procesorde eist dat partijen in de gelegenheid worden gesteld bij het verhoor
van de getuige(n) aanwezig te zijn. De
vanovereenkomstigetoepassingverklaring
van artikel 205, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering verzekert dat partijen de getuige kunnen confronteren
met hun vragen. Is de rechter van oordeel dat de
aanwezigheid van partijen noodzakelijk is, dan zal hij deze met
gebruikmaking van de bevoegdheid in artikel 8.2.2.3 [8:44]
kunnen oproepen.
Artikel 8.2.2.6
[8:47] Tijdens het vooronderzoek kan
blijken dat het voor het vormen van een oordeel over het voorgelegde
geschil noodzakelijk is om het oordeel van een deskundige in te winnen.
Men denke bijvoorbeeld aan een onderzoek door een arts naar de
vraag of, en zo ja, in hoeverre sprake is van arbeidsongeschiktheid of
door een scheikundige naar de vraag of bij een bepaald produktieproces al
dan niet giftige stoffen vrijkomen.
Het onderhavige artikel voorziet
in de mogelijkheid voor de rechtbank een dergelijk onderzoek te doen
instellen.
rblz.|131|
Bij de benoeming dient ingevolge
het tweede lid te worden aangegeven welke de opdracht van de
deskundige is. Het kan daarbij gaan om een in algemene bewoordingen gestelde onderzoeksopdracht, doch ook
bijzondere te onderzoeken
aangelegenheden kunnen worden vermeld. Zo kan (in aanvulling op artikel
8.2.2.7 [8:48], eerste lid) de rechter in zijn opdracht voorschrijven dat de medisch
deskundige verplicht is de behandelend sector in de gelegenheid te
stellen zijn oordeel te geven. Zoals onder meer blijkt uit de
evaluatierapporten over de TwK, is een deskundigenonderzoek in veel
gevallen in hoge mate bepalend voor het oordeel van de rechtbank. Juist daarom is het van
belang dat partijen
niet alleen de gelegenheid wordt
geboden om hun visie te geven op de resultaten van het onderzoek,
maar ook hun wensen te uiten over de formulering van de
onderzoeksopdracht. De rechter zal vaak, al was het maar omdat hij de situatie ter
plaatse niet voldoende kent, moeten volstaan met een enigszins
globale onderzoeksopdracht. Het is in dergelijke gevallen juist uit
proceseconomisch oogpunt nuttig als partijen zich ook kunnen uitspreken over de
onderzoeksopdracht. Deze kan daardoor immers meer specifiek worden
geformuleerd, waardoor enerzijds in bepaalde gevallen wordt
voorkomen dat partijen zelf deskundigen inzetten en anderzijds de rechtbank in een later stadium van de
procedure niet alsnog een tweede
onderzoeksopdracht hoeft te formuleren. Een meer specifieke
onderzoeksopdracht brengt bovendien een inperking mee van de taak van de
deskundige, wat eveneens uit een oogpunt van proceseconomie
aantrekkelijk is. Indien standaard advies wordt
ingewonnen met betrekking tot een bepaald onderwerp, zoals thans
het geval is met betrekking tot bestemmingsplangeschillen en milieugeschillen, en het om een open adviesaanvraag gaat, staat het derde lid
van dit artikel er niet aan in de weg dat de deskundige zijn onderzoek begint
voordat partijen hun eventuele wensen ter zake naar voren hebben gebracht. Wanneer de
rechtbank ingevolge
artikel 8.2.2.7 [8:48] een onderzoeksopdracht verstrekt aan een medisch
deskundige, blijft uiteraard gelden dat voor de inlichtingen die de
deskundige van de betrokkene zal willen verkrijgen en voor het
verrichten van onderzoekshandelingen toestemming van betrokkene is
vereist. Ingevolge artikel 1653t van het BW
zoals opgenomen in het
wetsvoorstel inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst zal de
desbetreffende regeling, waarvan het toestemmingsvereiste deel
uitmaakt (artikel 1653d), voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich
daartegen niet verzet, bij inwerkingtreding van overeenkomstige toepassing
zijn op medische deskundigen die in de uitoefening van een zelfstandige
praktijk medisch onderzoek verrichten als bedoeld in artikel 8.2.2.7 [8:48]. Een partij is verplicht aan het
onderzoek door een medisch deskundige mee te werken (artikel 8.1.5.10 [8:30]). Ingeval een betrokken partij, ondanks haar
medewerkingsplicht, geen
toestemming verleent (vgl. in dit verband ook artikel 1653t, tweede lid),
dan zal de deskundige in het geheel niet of slechts ten dele in staat zijn
het onderzoek te verrichten en zal de rechter daaruit zodanige gevolgtrekking
maken als hem geraden voorkomt (artikel 8.1.5.11 [8:31]) en tot een
uitspraak (moeten) komen op grond van de beschikbare gegevens. Mutatis
mutandis geldt hetzelfde wanneer een partij gedurende het onderzoek
haar medewerking staakt. rblz.|132|
Artikel 8.2.2.7
[8:48] De medische deskundige kan zich
wenden tot de behandelend sector, de verzekeringsarts of de
adviserend arts van het bestuursorgaan. Zij zijn op grond van het tweede lid
verplicht de gevraagde inlichtingen te verstrekken voor zover daardoor
de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig wordt geschaad. Ingevolge
(artikel 1653t juncto) artikel 1653l, eerste lid, derde volzin,
[van het
BW,
red.] zal de
behandelend sector bevoegd zijn om ook zonder uitdrukkelijke
toestemming van de betrokkene de gevraagde inlichtingen te verstrekken. Aan
de verzekeringsarts en de adviserend arts komt een gelijke
bevoegdheid toe (vgl. in dit verband ook de toelichting op artikel 8.2.2.1).
Voor de normering voor het aldus verstrekken van inlichtingen is
in het tweede lid aangesloten bij de Wet persoonsregistraties.
Artikel 8.2.2.9
[8:50] De Wet
op de Raad van State (artikel 52), de Ambtenarenwet
1929 (artikel 79) en de
Beroepswet (artikel 104 [oud, red.]) kennen thans in de fase van het vooronderzoek uitdrukkelijk
de mogelijkheid van een bezichtiging ter plaatse. Bij andere
administratieve rechtsgangen kan evenwel ook een dergelijk onderzoek plaatsvinden,
zij het via een omweg: de bezichtiging vindt dan plaats door een
instantie of een persoon aan wie door de voorzitter van het
desbetreffende gerecht om een ambtsbericht of deskundigenbericht is gevraagd. Hoewel de bezichtiging ter
plaatse niet een veel gebruikt middel is, lijkt het ons niettemin gewenst dat de
rechtbank, indien zij daartoe tijdens het vooronderzoek aanleiding
ziet, zelf de situatie ter plekke kan opnemen. In de tweede volzin van het
eerste lid is aangesloten bij de algemene regeling inzake het binnentreden
van woningen. De Algemene
wet op het binnentreden zal hier overigens
van toepassing zijn.
Afdeling
8.2.3. Versnelde
behandeling
Algemeen
Afdeling 8.2.3 opent de
mogelijkheid van een versnelde behandeling indien een uitspraak in de
bodemprocedure op korte termijn beschikbaar dient te zijn. Van de bestaande
bestuursrechtelijke proceswetten kennen alleen de Beroepswet, de Wet Arbo en de
Wet op de
Raad van State de mogelijkheid de behandeling van
een beroep te versnellen. Elk overigens op een uiteenlopende wijze. De
Wet op de Raad van State bepaalt dat een versnelde behandeling alleen
op verzoek van de appellant kan worden gevolgd. De versnelling
wordt in die wet
vooral gezocht in een beperking van de omvang van het
vooronderzoek, onder andere door het inwinnen van ambtsberichten en
andere schriftelijke stukken achterwege te laten. De Beroepswet en de
Wet Arbo daarentegen leggen het accent op het bekorten van de
verschillende termijnen die in de procedure bij de rechter gelden (respectievelijk
de artikelen 126 [oud, red.] en 127 [oud, red.] en artikel 40, derde lid). Een ander verschil
met de Wet op de Raad van State is dat deze wetten ook de rechter en de verweerder de bevoegdheid geven om
een versnelde behandeling te entameren. In het onderhavige wetsvoorstel
is ervoor gekozen om de versnelde behandeling gestalte te geven
door zowel de omvang van het vooronderzoek rblz.|133|
te beperken als de
procedurele termijnen in te korten. Het eerste aspect, de beperking van de
omvang van het vooronderzoek, staat grotendeels ter vrije beslissing
van de rechter. Die bepaalt immers in belangrijke mate de omvang van
het vooronderzoek, zoals het al dan niet inwinnen van een
deskundigenbericht of het al dan niet benoemen van een rechter-commissaris. Het
accent ligt in de voorgestelde regeling dan ook op het tweede aspect, de
bekorting van de wettelijk voorgeschreven termijnen. Voor de reikwijdte
van de voorgestelde regeling is aangesloten bij de regelingen in de Beroepswet
en de Wet Arbo. Alle partijen, dus niet slechts de appellant,
kunnen verzoeken om een versnelde behandeling. Bovendien kan de rechter ook ambtshalve beslissen het
verzoek versneld te behandelen.
Het verzoek om een versnelde behandeling zal doorgaans tegelijkertijd met het indienen van het beroepschrift of het verweerschrift worden
gedaan. De voorgestelde regeling sluit evenwel niet uit dat het verzoek
tijdens de procedure wordt gedaan indien de spoedeisendheid in een
later stadium optreedt. Ook in dit opzicht is de regeling ruimer
dan die in de Wet
op de Raad van State. De beslissing op het verzoek om
versnelde behandeling is een tussenbeslissing, waartegen geen
zelfstandige voorziening openstaat. Het uitgangspunt dat de procedure
als een eenheid wordt beschouwd, staat daaraan in de weg.
Artikel 8.2.3.1
[8:52] Het eerste lid bepaalt dat de
zaak spoedeisend moet zijn om voor versnelde behandeling in
aanmerking te kunnen komen. De rechtbank zal bij de beslissing op het verzoek
een afweging moeten maken tussen het belang dat de verzoeker heeft
bij een versnelde behandeling van zijn zaak en de belangen van andere in het
geding betrokken partijen. Het belang van de verzoeker zal bijvoorbeeld op het financiële vlak kunnen liggen (Afdeling rechtspraak 14
september 1976, AB 1976, 283 m.nt. FHvdB, en 14 augustus 1980, AB 1981, 197
m.nt. vdV). Bij de belangen van andere partijen kan worden
gedacht aan het belang dat zij hebben bij het in voldoende mate naar voren
kunnen brengen van hun standpunt. In het bijzonder zal de mate van
complexiteit van het voorliggende geschil dan in de afweging moeten worden
betrokken. Zoals gezegd, ligt wat de
wettelijke regeling van de versnelde behandeling betreft het accent op de
bekorting van de wettelijk voorgeschreven termijnen. Deze worden
in de onderdelen a, b en e van het tweede lid opgesomd. Het betreft
achtereenvolgens de termijn waarbinnen het griffierecht
dient te zijn betaald, de termijn waarbinnen het bestuursorgaan zijn
verweerschrift en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken
dient te hebben ingezonden en ten slotte de termijn waarbinnen partijen
op het verslag van een deskundigenonderzoek moeten reageren. Andere
termijnen in de procedure worden door de rechter vastgesteld,
zodat er geen reden is de mogelijkheid van een bekorting daarvan in deze
bepaling te regelen.
De beperking van de omvang van
het vooronderzoek kan grotendeels aan de rechter worden
overgelaten. Dit geldt niet voor het voorschrift van artikel 8.2.2.2 [8:43], tweede lid,
waarin dwingend is voorgeschreven dat andere partijen dan verweerder
en appellant in de gelegenheid moeten worden gesteld een schriftelijke
uiteenzetting van hun visie op de zaak te geven. Daarom wordt in het
tweede lid, onderdeel c, bepaald dat dit voorschrift geheel of
gedeeltelijk buiten toepassing kan worden gelaten. Dit betekent niet dat andere
partijen door het volgen van de versnelde behandeling buitenspel komen te
staan. Het beperkte en korte vooronderzoek rblz.|134|
leidt er slechts toe
dat het accent van de behandeling van het beroep in hoge mate komt te
liggen op het onderzoek ter zitting. Aldaar kunnen ingevolge artikel 8.1.5.6
[8:26] ook andere partijen dan verweerder en appellant hun standpunt naar voren brengen. Het tweede lid, onderdeel
d, voorziet in de mogelijkheid
dat de rechter het bepaalde in artikel 8.2.2.6 [8:47], derde lid, geheel of
gedeeltelijk achterwege laat. Een dergelijke voorziening is van belang in
zaken waarin vaak en veelal met vaste deskundigen een standaardonderzoek wordt gelast. Wij verwijzen in dit verband naar het voorgestelde
artikel 75 van de Ziektewet, dat de versnelde behandeling van een
geschil van geneeskundige aard omtrent het al dan niet bestaan of
voortbestaan van de geschiktheid tot werken verplicht stelt. Het derde lid legt vast dat na
afronding van het vooronderzoek de zaak zo spoedig mogelijk ter zitting
moet worden behandeld. In verband met de daarin opgenomen termijn
dient artikel 8.2.5.1 [8:56] niet van toepassing te
zijn.
Artikel 8.2.3.2
[8:53] Het beperken van het
vooronderzoek bergt zekere risico's in zich voor een zorgvuldige rechterlijke
oordeelsvorming en is dan ook alleen gerechtvaardigd zolang het
belang bij een snelle uitspraak in de bodemprocedure het zwaarste weegt. Op
het moment dat dit niet meer het geval is, hetzij omdat er geen
sprake meer is van spoedeisendheid, hetzij omdat belangen van andere
partijen door de versnelde procedure onevenredig zouden worden
geschaad, zal de zaak verder op de gewone wijze moeten worden behandeld. Verwacht mag
worden dat de
rechtbank en partijen heel wel
in staat zullen zijn om te bepalen wanneer tot een gewone behandeling van
het beroep moet worden overgegaan. Er is daarom van afgezien om in
de onderhavige bepaling een criterium op te nemen zoals in artikel
118, derde lid, van de Wet
op de Raad van State. Daarin is bepaald dat een zaak die wegens spoed versneld in
behandeling is genomen, alsnog
op de gewone wijze wordt behandeld indien ter zitting blijkt dat
een versnelde behandeling een onevenredig nadeel met zich zou brengen in
verhouding tot de daardoor te dienen belangen. Dit criterium is
scherper dan het in artikel 8.2.3.2 [8:53] vermelde criterium, inhoudende dat de
zaak een gewone behandeling vordert. Wij geven er de voorkeur aan de
rechter bij de bepaling van de gewenste afdoening in dezen wat meer
armslag te geven. Wij ontveinzen ons evenwel niet dat de beslissing
dat de zaak een gewone behandeling vordert vaak zal voortkomen uit
de vaststelling dat een versnelde behandeling een onevenredig nadeel
met zich zou brengen in verhouding tot de belangen die door een
spoedbehandeling worden gediend.
Afdeling
8.2.4. Vereenvoudigde
behandeling
Algemeen
In een aantal gevallen zal het
reeds in een vroeg stadium van de behandeling van het beroep
duidelijk zijn hoe de uitspraak op het ingestelde beroep moet luiden.
Het is dan uit zowel een oogpunt van rechtszekerheid als van
proceseconomie weinig aantrekkelijk indien de rechtbank
het onderzoek zou
moeten voortzetten. In dergelijke gevallen, waarin de rechtbank concludeert
dat zij kennelijk onbevoegd is, dan wel dat het beroep kennelijk
niet-ontvankelijk, kennelijk gegrond of kennelijk ongegrond is, kan zij de
bepalingen van deze afdeling toepassen en daarmee het ingestelde beroep op
een vereenvoudigde wijze afdoen.
rblz.|135|
Deze wijze van afdoening is niet
nieuw. Ook de bestaande procesregelingen kennen alle een
vergelijkbare regeling, die met name in de procedure bij de
socialezekerheidsrechter en de beide rechtsprekende
afdelingen van de Raad van State veelvuldig toepassing vindt. De nu voorgestelde regeling is geënt
op de artikelen 105 en 106 van de Wet
op de Raad van State en 37 en 38
van de Wet Arbo. Andere vergelijkbare regelingen zijn de artikelen 68
en 69 juncto 108 en 101a en 101b juncto 108 van de Ambtenarenwet
1929 en
94 [oud, red.] en 95 [oud, red.] juncto 148 [oud, red.]
en 128 [oud, red.] en 129 [oud, red.] juncto 152a en 141 [oud, red.]
en 142 [oud, red.] van de Beroepswet. Het vereenvoudigd afdoen van een
ingesteld beroep houdt in dat meteen na ontvangst van het
beroepschrift of na een, eventueel beperkte, schriftelijke
voorbereiding een uitspraak volgt. In beginsel kan dit ertoe leiden dat tekort
wordt gedaan aan de eisen die aan rechtsbescherming moeten worden gesteld.
Zo hebben partijen in geval van een vereenvoudigde afdoening minder
gelegenheid op elkaars standpunten te reageren en ontbreekt een
mondelinge behandeling. Daardoor is het mogelijk dat bepaalde feiten en zienswijzen die van belang hadden
kunnen zijn voor de rechterlijke
oordeelsvorming daarbij niet worden betrokken. Aan deze bezwaren
wordt in het voorstel op tweeërlei wijze
tegemoetgekomen. In de eerste plaats is het aan
de rechtbank om te bepalen of een beroep langs de weg van de
vereenvoudigde behandeling wordt afgedaan. Verwacht mag worden
dat de rechtbank van deze bevoegdheid een prudent gebruik
zal maken. Het criterium dat de wet haar hier geeft, namelijk dat de
te geven uitspraak kennelijk moet zijn, wat wil zeggen dat daarover in
redelijkheid geen twijfel mogelijk is, noopt daar ook toe. Verder staat
het de rechtbank vrij om, ook al ligt een zaak op zichzelf volstrekt
duidelijk, toch te besluiten om een zaak ter zitting te behandelen, bijvoorbeeld
omdat zij in een bepaald geval het belang dat een partij "his day
in court" heeft zwaar wil laten wegen. In de tweede plaats is de
positie van partijen gewaarborgd, doordat tegen de toepassing van de
vereenvoudigde afdoening verzet openstaat. De belanghebbende partij die het verzet heeft gedaan, wordt daarbij
desverzocht gehoord, terwijl het
verzet bovendien wordt beoordeeld door een meervoudige kamer waarvan
degene die de uitspraak heeft gedaan geen deel uitmaakt. Wordt het
verzet gegrond verklaard, dan zal het beroep alsnog via de normale
procedure moeten worden beoordeeld. De keuze om het verzet te doen
beoordelen door een meervoudige kamer is ingegeven door het ingevolge de
voorgestelde artikelen 37, derde lid, van de Wet
op de Raad van State en 18, derde lid, van de
Beroepswet ontbreken van hoger beroep tegen
de uitspraak op het verzet. Het vertrouwen van de rechtsgenoten
in de rechtspraak en de aanvaardbaarheid van de beslissing op het verzet worden aldus
vergroot. De in de artikelen 101a en 101b van de
Ambtenarenwet 1929 en de artikelen 128
[oud, red.] en 129 [oud, red.] van de
Beroepswet gegeven regeling voor de afdoening bij zogenoemde zware beschikking komt te vervallen. Naar ons
oordeel bestaat aan deze
afdoening geen behoefte meer, nu unusrechtspraak in eerste
aanleg wordt doorgevoerd, wordt voorzien in de mogelijkheid om een zaak
tijdens het vooronderzoek vereenvoudigd af te doen en wordt voorzien in de
mogelijkheid dat een onderzoek ter zitting met toestemming van
partijen achterwege blijft. Wij wijzen er nog
op dat uit
het stelsel van de wet (zie onderdeel
2.5) volgt dat op de uitspraak
waarbij het beroep vereenvoudigd wordt afgedaan en op de uitspraak op
het verzet afdeling 8.2.6 van toepassing is. rblz.|136| Artikel 8.2.4.1
[8:54] De vereenvoudigde afdoening
wordt gekenmerkt door het achterwege laten van de behandeling ter
zitting. Er is daarom voor gekozen om de rechtbank
de mogelijkheid te
bieden om in elk stadium van het daaraan voorafgaande onderzoek het
beroep af te doen langs de weg van de vereenvoudigde behandeling
indien zij van oordeel is dat verder onderzoek wegens één van de in
de onderdelen a tot en met d genoemde redenen niet nodig is. In het
algemeen deel van de
toelichting op deze afdeling is al opgemerkt dat de onderhavige
bepalingen ontleend zijn aan onder andere artikel 105 van de Wet
op de Raad van State. Op een verschilpunt moet hier nog
worden gewezen. Ingevolge artikel 105 kan vereenvoudigde afdoening ook
plaatsvinden indien het bestreden besluit door het betrokken bestuursorgaan is ingetrokken of gewijzigd en dit
orgaan daarbij kennelijk aan de
bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Er is van afgezien om
deze situatie als een aparte grond voor vereenvoudigde afdoening op te
nemen in de onderhavige bepaling, omdat aan het opnemen daarvan
naast artikel 8.2.4.1 [8:54], eerste lid, onderdeel b, geen zelfstandige
behoefte meer bestaat (zie de toelichting op artikel 8.2.6.5).
Artikel 8.2.4.2
[8:55] De termijn van zes weken voor
het doen van verzet betekent ten opzichte van de bestaande
regelingen die een termijn van veertien dagen kennen, een verlenging met vier
weken. De reden voor de betrekkelijk korte termijn van veertien dagen
is blijkens de toelichting op artikel 95 [oud, red.] van de
Beroepswet (Kamerstukken II 1953-1954, 3349, nr. 3), waarnaar
in de wetsgeschiedenis van de
andere procesregelingen wordt verwezen, dat de op dat moment in de
socialezekerheidswetgeving geldende beroepstermijn veertien dagen
bedroeg. Kennelijk zag de wetgever geen reden om daarvan af te wijken
waar het de termijn voor het doen van verzet betrof. Ook wij zien
daarvoor geen reden, zodat in het onderhavige wetsvoorstel aansluiting is
gezocht bij de in artikel 6.2.1 [6:7]
voorgestelde beroepstermijn. Zoals gezegd,
wordt in artikel 6.2.16 [6:24]
voorgesteld afdeling 6.2 ook op het verzet
van toepassing te doen zijn. Op diens verzoek zal de
rechtbank de indiener van het verzetschrift moeten horen. De
vanzelfsprekende uitzondering daarop is de situatie dat de rechtbank van oordeel is
dat het verzet gegrond is. De verplichting tot horen vloeit
onder meer voort uit artikel 6 van het EVRM. Wel zal in het verzetschrift
daartoe een verzoek moeten worden gedaan. De reden daarvoor is dat
appellanten vaak verwachten dat de behandeling van hun verzet tevens een behandeling van hun beroep ten gronde
zal inhouden. Te denken valt aan
een verzet gericht tegen een kennelijke niet-ontvankelijkverklaring
wegens termijnoverschrijding. Bij de beoordeling daarvan staat dan niet de
hoofdzaak ter discussie, maar de vraag of er sprake is van een
termijnoverschrijding en, zo ja, of die overschrijding verschoonbaar is.
Om te voorkomen dat de indiener teleurgesteld raakt in zijn
verwachtingen over de behandeling van het verzet, lijkt het beter om het
horen afhankelijk te maken van een uitdrukkelijk verzoek daartoe. Alsdan
mag ook eerder worden aangenomen dat de indiener van het verzet op de
hoogte is van de beperkte functie van de verzetprocedure.
rblz.|137|
Indien het verzet ontvankelijk
is, komt de gegrondheid daarvan aan de orde. Alsdan gaat het om
beantwoording van de vraag of er inderdaad sprake is geweest van kennelijke onbevoegdheid van de
rechtbank, van
een kennelijk niet-ontvankelijk
beroep of een kennelijk (on)gegrond beroep. Het verzet treft dus doel indien de rechtbank weliswaar aannemelijk acht dat het beroep
ongegrond is, maar niettemin het beroep niet kennelijk ongegrond acht.
Afdeling
8.2.5. Onderzoek ter
zitting
Artikel 8.2.5.1
[8:56]
Nadat het vooronderzoek is
voltooid, worden partijen uitgenodigd om op een zitting van de rechtbank
te verschijnen ten einde op die zitting hun standpunt mondeling toe te lichten. Partijen zijn niet verplicht om
aan deze uitnodiging gevolg te
geven. Niettemin lijkt het ons bepaald in het belang van partijen om wel
te verschijnen, gelet op de meerwaarde die een mondelinge uitwisseling
van standpunten kan hebben naast de schriftelijke wisseling van
stukken, zeker nu de bestuursrechtelijke procedure, anders dan de civiele
procedure, geen procedure is die in de regel geheel door professionals
wordt gevoerd. Indien de zitting
slechts op een
bepaald onderdeel van het beroep betrekking zal hebben, kan dat
in de uitnodiging worden vermeld. De uitnodiging voor de zitting
wordt ten minste drie weken tevoren aan partijen gezonden. Deze termijn
is overgenomen uit artikel 110 [oud, red.] van de Beroepswet. Bij het vaststellen
van de onderhavige termijn is rekening gehouden met de in artikel
8.2.5.3 [8:58] genoemde termijn.
Artikel 8.2.5.2
[8:57] Het kan zijn dat de rechter geen
gebruik wil maken van de mogelijkheid de zaak
vereenvoudigd af te doen, maar toch van oordeel is dat een zitting naar alle
waarschijnlijkheid weinig zin zal hebben. Voor dat geval voorziet deze bepaling
erin dat de rechtbank aan partijen de vraag kan voorleggen of zij
ermee kunnen instemmen dat geen onderzoek ter zitting
plaatsvindt. Niet alleen na, maar ook reeds tijdens het vooronderzoek kan blijken
dat een openbare behandeling van de zaak weinig zal kunnen toevoegen. Ook
in dat stadium kan aan partijen worden gevraagd of zij kunnen
instemmen met het achterwege laten van het onderzoek ter zitting.
Veelal zal er sprake zijn van een schriftelijk verzoek van de rechtbank, waarop
door partijen schriftelijk moet worden gereageerd. Het verzoek kan
echter ook mondeling worden gedaan bij een verschijning van partijen
tijdens het vooronderzoek. Soortgelijke bepalingen zijn
vervat in de artikelen 110a [oud, red.] van de Beroepswet
en 38a en 79 Wet
op de Raad van State.
Artikel 8.2.5.3
[8:58] Om een behoorlijk verloop van de
procedure te waarborgen, is het gewenst een termijn te stellen
waarbinnen in het algemeen nog stukken bij de rechtbank
kunnen worden ingediend. Aldus krijgen zowel partijen
als de rechtbank voldoende
gelegenheid om zich voor te bereiden op de zitting. De bepaling sluit niet
uit dat nadien op de zitting nadere feiten en omstandigheden aan de orde
komen die in een eerder stadium van de procedure nog niet aan de orde
zijn geweest. Zo is het heel goed denkbaar dat de rechter op de zitting alsnog voor de uitspraak relevante,
maar niet eerder gebleken feiten
en omstandigheden boven tafel krijgt, rblz.|138|
hetzij op eigen initiatief,
hetzij doordat een partij zich eerst tijdens de zitting de relevantie van een
bepaald feit of een bepaalde omstandigheid realiseert. Dergelijke feiten en
omstandigheden moeten in de procedure een rol kunnen spelen, zij het
dat de rechter zal moeten waarborgen dat een andere partij daardoor niet
onredelijk in haar procesvoering wordt bemoeilijkt.
Artikel 8.2.5.4
[8:59] Aan
artikel
8.2.5.1 [8:56], dat de
hoofdregel bevat dat partijen worden uitgenodigd op de zitting te
verschijnen, is geen verplichting verbonden. Onder omstandigheden kan echter
de aanwezigheid c.q. de verklaring van een partij tijdens de
zitting noodzakelijk zijn om tot een goede beoordeling van het voorgelegde
geschil te komen (zie bijvoorbeeld Ambtenarengerecht Rotterdam, 3 april
1984, Tijdschrift voor Ambtenarenrecht 1984, nr. 114). Daarom wordt in
dit artikel voorzien in de mogelijkheid een partij te verplichten om te verschijnen. Daarbij wordt dan nog weer
onderscheiden in de verplichting
om in persoon, eventueel vergezeld van een raadsman, te verschijnen en
de verplichting om als partij te verschijnen, dat wil zeggen naar
keuze van de partij hetzij in persoon, hetzij bij gemachtigde.
Artikel 8.2.5.5
[8:60] Dit artikel geeft in het eerste
lid de rechtbank de bevoegdheid ook in deze fase van de procedure
getuigen op te roepen en deskundigen en tolken te benoemen. Van de door
de rechtbank opgeroepen getuigen en deskundigen wordt op grond van
het derde lid mededeling gedaan in de uitnodiging om op de zitting te
verschijnen. Voor partijen zijn er twee
mogelijkheden om de verschijning van getuigen en deskundigen te
bewerkstelligen, namelijk via een verzoek aan de rechtbank
om de
betrokkenen op te roepen of rechtstreeks door dezen ter zitting mee te brengen
dan wel hen bij deurwaardersexploit of aangetekende brief op te roepen.
Uiteraard mogen, indien een partij de rechtstreekse methode verkiest,
de rechtbank en de andere partij(en) daardoor niet worden overvallen.
Daarom schrijft het vierde lid voor dat van deze getuigen en deskundigen uiterlijk
één week voorafgaande aan
de dag van de zitting de namen
en woonplaatsen moeten zijn meegedeeld aan de rechtbank en de
andere partij(en). Ingevolge artikel 115 [oud, red.], tweede lid, van de
Beroepswet dient dit uiterlijk vier dagen vóór de zitting te zijn meegedeeld. De
Wet op de
Raad van State daarentegen bepaalt slechts dat daarvan
tijdig mededeling wordt gedaan. Een termijn van vier dagen zal naar ons
oordeel partijen en de rechtbank in sommige gevallen te weinig gelegenheid
bieden om zich adequaat te prepareren op de verschijning van
deskundigen en getuigen.
Artikel 8.2.5.6
[8:61] Dit artikel bevat het "reglement van
orde" voor de gang van zaken tijdens de zitting. De
verschillende onderdelen spreken voor zich. Met betrekking tot het derde lid zij
nog opgemerkt dat dit aansluit bij de veel voorkomende praktijk dat een
proces-verbaal van de zitting pas wordt opgesteld indien hoger beroep
is ingesteld. Evenwel zal aanstonds door de griffier een proces-verbaal
moeten worden opgesteld indien de rechtbank dat bepaalt of
één van
de partijen daar om vraagt. rblz.|139| Artikel 8.2.5.7
[8:62] In het eerste lid van dit
artikel wordt het beginsel bevestigd dat de zitting openbaar is. Dit vloeit
voort uit artikel 121 van de Grondwet, dat bepaalt dat de terechtzittingen
in het openbaar plaatsvinden, met uitzondering van de gevallen bij de
wet bepaald. Ook artikel 6 van het EVRM geeft een recht op een openbare
behandeling. De openbaarheid heeft een belangrijke functie. Zij
maakt het rechterlijk optreden inzichtelijk en controleerbaar. In het tweede lid wordt de
mogelijkheid geopend om vanwege de daar genoemde zwaarwegende redenen -
die ingevolge artikel 8.2.5.6 [8:61], vijfde lid, in het proces-verbaal van
de zitting moeten worden vermeld - het onderzoek ter zitting geheel of
gedeeltelijk met gesloten deuren te doen plaatsvinden. Hoewel de openbare
behandeling van groot gewicht is, zijn er omstandigheden denkbaar dat
het belang van de openbaarheid moet wijken voor een ander in het
concrete geval nog zwaarder wegend belang. Deze belangen zijn uitdrukkelijk vermeld.
Artikel 121 van de Grondwet
brengt immers mee dat
de redenen die kunnen leiden tot een zitting met gesloten deuren,
meer specifiek dan thans het geval is, moeten worden neergelegd in de
wet. Voor de omschrijving van de onderdelen a tot en met d hebben
wij aansluiting gezocht bij de criteria vermeld in artikel 6 van het
EVRM en artikel 14 van het IVBP. In onderdeel c wordt in aansluiting
op artikel 10, eerste lid, van de Grondwet
het begrip "eerbiediging van de persoonlijke
levenssfeer" gebezigd. Onderdeel d brengt mee
dat niet de verwachting van de rechtbank dat enige schade zal
optreden als maatstaf heeft te gelden, doch dat slechts kan worden
afgeweken van het beginsel van de openbaarheid van de zitting
indien er andere dan de in de onderdelen a tot en met c genoemde
omstandigheden zijn die het belang van een goede rechtspleging ernstig
zouden schaden.
Artikel 8.2.5.8
[8:63] De rechtbank
moet een middel
hebben om door partijen meegebrachte of opgeroepen getuigen of
deskundigen die naar haar oordeel niet aan de oordeelsvorming kunnen bijdragen,
"buiten de deur" te houden. Het
tweede lid voorziet daartoe in
de mogelijkheid dat wordt afgezien van het verhoor van deze getuigen en
deskundigen.
Artikel 8.2.5.9
[8:64] Tijdens het onderzoek ter
zitting kan blijken dat het voor het vellen van een oordeel over de zaak
noodzakelijk is nog een getuige te horen, een onderzoek te doen verrichten en
dergelijke. Met het oog daarop verschaft het onderhavige
artikel de rechtbank de bevoegdheid het onderzoek ter zitting tot een
nader tijdstip te schorsen, zodat in de tussentijd het nodige kan worden
verricht. Het onderzoek ter zitting wordt
hervat in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing
bevond. De rechtbank kan echter besluiten dat het onderzoek opnieuw wordt
aangevangen. Partijen moeten in beginsel de
gelegenheid hebben zich uit te laten over hetgeen hangende de
schorsing naar voren komt. Het kan echter zijn dat zulks weinig zinvol
is. In dat geval kan de rechtbank partijen vragen akkoord te gaan met het
achterwege laten van de nadere zitting. rblz.|140| Artikel 8.2.5.10
[8:65] Dit artikel voorziet
erin dat
partijen als laatsten (nogmaals) het woord mogen voeren voordat het
onderzoek ter zitting wordt gesloten. Aldus wordt hun de gelegenheid gegeven
hun standpunt uiteen te zetten over al hetgeen tijdens de zitting is
voorgevallen.
Afdeling
8.2.6. Uitspraak
Algemeen
Bij het opstellen van deze
afdeling heeft ons voor ogen gestaan dat de rechtbank
een breed scala van
bevoegdheden ter beschikking moet staan om de aan haar voorgelegde rechtsstrijd effectief te kunnen beslechten.
Daarbij heeft vooral een rol gespeeld dat moet worden vermeden dat onnodig veel tijd verloren gaat
met het voeren van bestuursrechtelijke procedures. Het voeren van een
dergelijke procedure kost tijd. Het is zowel in het belang van de
justitiabele als van het bestuur dat de gevoerde procedure een
definitief resultaat oplevert. Zulks betekent onzes inziens dat een
vernietiging waarmee de justitiabele niets opschiet zoveel mogelijk moet
worden vermeden. Het bepaalde in artikel 6.2.14
[6:22] van de Awb, inhoudende
dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of (administratief)
beroep is ingesteld ondanks schending van een vormvoorschrift in stand kan
worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet
zijn benadeeld, vormt hiervan een uitvloeisel. Het gezichtspunt
dat de procedure niet langer dan strikt noodzakelijk moet duren, leidt
er eveneens toe de rechter de bevoegdheid te geven om, waar
dat mogelijk is, zelf in de zaak te voorzien. Daarbij geldt
uiteraard in beginsel de grens dat de rechter slechts dan zelf in de zaak kan
voorzien indien na de vernietiging rechtens slechts één
beslissing mogelijk is. In beginsel, omdat wij ons kunnen voorstellen dat partijen,
met het oog op het belang dat zij erbij hebben dat er een eind aan de
procedure komt, aan de rechter vragen zelf in de zaak te voorzien, ook
wanneer daarbij nog een zekere discretie aanwezig is. Wij menen dat in
een dergelijk geval de rechter onder omstandigheden aan een dergelijk
verzoek tegemoet zou kunnen komen, vooropgesteld dat daardoor geen
ontoelaatbaar nadeel wordt toegebracht aan de rechtspositie van
derden-belanghebbenden. Gelet op de traditie van de rechterlijke
toetsing, zoals die in Nederland bestaat, menen wij dat er geen gevaar is
dat de rechter de hem in deze afdeling toegekende uitspraakbevoegdheden
zal aangrijpen om feitelijk de positie van het bestuur in te nemen.
Overigens betekent het bovenstaande geenszins dat het door het
bestuur in de zaak voorzien met inachtneming van de rechterlijke
uitspraak op de achtergrond zou raken. In veel gevallen heeft de rechtsstrijd
immers slechts betrekking op één van de elementen die bij een nieuw
besluit moeten worden betrokken. In die gevallen kan uiteraard de
rechter niet zelf in de zaak voorzien en zal het bestuur een nieuw besluit moeten
nemen.
Artikel 8.2.6.1
[8:66] In dit artikel wordt de termijn
bepaald waarbinnen na de sluiting van het onderzoek uitspraak moet
worden gedaan. De termijn bedraagt zes weken. Wij menen dat het in het algemeen in redelijkheid mogelijk moet
zijn binnen deze termijn
uitspraak te doen. Onder bijzondere omstandigheden kan de rechtbank
de
termijn met een maximum van zes weken verlengen. Van deze verlenging
moeten partijen uiteraard op de hoogte worden gesteld.
rblz.|141|
De in dit artikel genoemde
termijnen zijn termijnen van orde. Op de overschrijding daarvan is geen
sanctie gesteld.
Artikel 8.2.6.2
[8:67] Het is
denkbaar dat tijdens de
zitting blijkt dat een zaak dermate duidelijk ligt dat het geschil
door de rechtbank (vrijwel) aanstonds na de zitting kan worden beslist. Zo
is het mogelijk dat de verklaring van een getuige of deskundige ter
zitting zonder meer doorslaggevend moet worden geacht of kan omgekeerd
tijdens de zitting blijken dat aan de verklaring van een getuige geen
enkele waarde kan worden toegekend.
Ook is denkbaar dat een partij
een verklaring aflegt waardoor de afloop van de zaak wel vaststaat. In
dit soort gevallen dient de rechtbank te beschikken over een middel om de zaak snel en zonder overbodige
werkzaamheden te kunnen afdoen.
Hierin wordt voorzien door het bieden van de mogelijkheid van het doen
van een mondelinge uitspraak. Onder omstandigheden kan dit voor
partijen ook een signaal zijn dat de zaak kennelijk zo duidelijk ligt dat
verder procederen geen zin heeft. De rechtbank
kan de uitspraak
voor ten hoogste één week verdagen. Dit kan onder omstandigheden
praktisch zijn. Van de mondelinge uitspraak
wordt een proces-verbaal opgemaakt. Het ligt in de aard van de zaak besloten dat dit proces-verbaal een beknopt, maar daarom niet minder overtuigend karakter draagt. Indien
toch hoger beroep wordt
ingesteld, zal de appelrechter aan dit proces-verbaal van de zitting voldoende
gegevens kunnen ontlenen om de uitspraak in eerste aanleg
adequaat te kunnen behandelen. Ingevolge artikel 8.2.6.14 [8:79]
wordt het
proces-verbaal binnen veertien dagen na de dagtekening van de uitspraak aan partijen
toegezonden.
Artikel 8.2.6.3
[8:68]
Bij de voorbereiding van de
uitspraak kan de rechtbank blijken dat een bepaald voor de uitspraak
relevant punt onopgehelderd is gebleven en dat derhalve het onderzoek niet volledig is geweest. In dat geval kan zij
het onderzoek heropenen en het
onderzoek voortzetten op de wijze die haar het meest adequaat voorkomt.
Artikel 8.2.6.4
[8:69] Over de omvang van het geschil
waarover de rechter een oordeel moet geven, merken wij op dat deze in
beginsel wordt bepaald door de omvang van het ingestelde beroep (vgl. in dit verband
artikel 6.3.16 [7:11], inhoudende dat het
bestuursorgaan heroverweegt op de grondslag van het bezwaar). Gelet op de
primaire functie van het bestuursrechtelijke geding, namelijk het bieden van
rechtsbescherming, is er geen reden voor de rechter om buiten de
vordering te treden. Daarnaast zou het uit het oogpunt van de
rechtszekerheid van de bij het besluit betrokkenen bepaald ongelukkig zijn als de
rechter buiten de grenzen van het aan hem gepresenteerde geschil zou
kunnen treden. Uit het bovenstaande vloeit in
de eerste plaats voort dat die onderdelen van het besluit waartegen
niet wordt opgekomen, door de rechter buiten beschouwing moeten worden gelaten. Wel past hier de
kanttekening dat de rechter niet
zonder meer zal kunnen afgaan op de in het beroepschrift geformuleerde
grieven. Uit het ontbreken van bepaalde stellingen in het beroepschrift
kan men immers niet zonder meer afleiden dat de appellant welbewust
bepaalde gebreken niet aan de orde heeft willen stellen en derhalve in
deze gebreken zou willen berusten. Het past rblz.|142|
goed bij de actieve rol die de
rechter in de procedure heeft dat deze de appellant in de gelegenheid
stelt zich hieromtrent nader uit te laten. In de tweede plaats mag het
instellen van het beroep er niet toe leiden dat de indiener van het
beroepschrift in een slechtere positie komt. Een reformatio in peius in
strikte zin is derhalve niet mogelijk. Indien het bestuursorgaan op
grond van in de procedure gebleken nieuwe feiten en omstandigheden
bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van
appellant te wijzigen, is er echter onzes inziens geen bezwaar tegen als
de rechter in een dergelijk geval zelf in de zaak voorziet, ondanks het
feit dat dit voor de appellant per saldo tot een verslechtering leidt. Overeenkomstig artikel 48 van
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering is in het tweede lid
bepaald dat de rechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult. Het derde lid
bepaalt dat de
rechter ambtshalve de feiten mag aanvullen. De betekenis van dit
laatste ligt vooral hierin dat anders dan in het burgerlijk proces de
rechter zich in beginsel niet hoeft neer te leggen bij de feiten zoals deze
door partijen worden gepresenteerd. De rechter kan doorvragen. De
bevoegdheid de feitelijke gronden aan te vullen, gaat niet zover dat de
rechter feiten aan zijn uitspraak ten grondslag kan leggen waarover
partijen zich in de procedure niet hebben kunnen uitlaten. De onderhavige
bevoegdheid laat derhalve de regel van het eerste lid onverlet. Mocht
eerst in raadkamer blijken van feiten die voor de uitspraak van
substantiële betekenis zijn, dan is de aangewezen weg dat de rechtbank
het
onderzoek heropent en partijen in de gelegenheid stelt zich
hieromtrent alsnog te uiten.
Artikel 8.2.6.5
[8:70] In dit artikel worden de dicta
genoemd die de rechtbank ter beschikking staan. Deze dicta
betreffen de beslissing van de rechtbank op het ingestelde beroep. Het dictum onbevoegdverklaring
is aan de orde indien het aan de rechtbank voorgelegde geschil
niet door haar, maar door een ander gerecht dient te worden beslist.
Dit is bijvoorbeeld het geval als bij de rechtbank beroep wordt ingesteld
tegen een besluit waartegen op grond van de Wet Arbo, of enige andere wet, beroep is opengesteld bij het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven. Overigens zal het, naar wij verwachten, niet vaak voorkomen
dat de rechtbank zich bij een formele uitspraak onbevoegd zal
verklaren, omdat in artikel 6.2.8
[6:15] wordt bepaald dat een bij een onbevoegde
administratieve rechter ingediend beroep zo spoedig mogelijk dient te worden
doorgezonden aan de wel bevoegde instantie. Wij stellen ons voor
dat de rechtbank het beroepschrift in klaarblijkelijke gevallen
doorzendt zonder een formele uitspraak te doen. In lastiger zaken zal echter
niet altijd aan het doen van uitspraak kunnen worden ontkomen. Uiteraard zal
van doorzending geen sprake kunnen zijn wanneer elke mogelijkheid
van administratieve rechtsbescherming ontbreekt. In dat geval is
weliswaar in beginsel de burgerlijke rechter bevoegd om van de zaak kennis te
nemen, maar het aanhangig maken bij deze rechter stelt eigen
procedurele vereisten. De civiele procedure kan niet worden ingeleid door middel
van het indienen van een - doorgezonden - beroepschrift. Deze
gang van zaken is niet bevredigend. Daarom zal worden onderzocht of het
mogelijk is alsnog een doelmatige en doeltreffende legislatieve
oplossing te treffen.
rblz.|143|
De rechtbank zal het beroep
niet-ontvankelijk verklaren als zij weliswaar bevoegd is, maar
niettemin geen inhoudelijk oordeel in de zaak zal kunnen vellen. Dit doet
zich bijvoorbeeld voor indien het verschuldigde griffierecht niet - tijdig
- is betaald, de beroepstermijn is overschreden of de indiener van
het beroepschrift geen belanghebbende blijkt te zijn. In de praktijk zal zich de vraag
kunnen voordoen of de rechtbank zich bij een in het geheel niet voor
beroep vatbare beslissing - het betreft bijvoorbeeld een beslissing die
geen besluit in de zin van de Awb
is - onbevoegd moet verklaren of het
beroep niet-ontvankelijk moet verklaren. Wij menen dat een
onbevoegdverklaring de voorkeur verdient, omdat het besluitbegrip in het
stelsel van deze wet de bevoegdheid van de rechtbank bepaalt. In de praktijk is wel behoefte
gevoeld aan een dictum inhoudende dat het beroep buiten verdere
behandeling wordt gelaten indien hangende de procedure het belang bij een beslissing van de zaak ten gronde
verloren is gegaan (zie bijvoorbeeld KB 3 april 1985, AB 1985, 407). Onzes inziens is in dat geval
het dictum niet-ontvankelijk heel wel bruikbaar. De appellant heeft
immers geen belang meer. Om die reden hebben wij besloten het dictum
buiten verdere behandeling laten van het beroep niet in de wet op te nemen. Overigens zij hier nog
opgemerkt dat
niet te snel mag worden
aangenomen dat de appellant geen belang meer heeft. Zo kan het zijn dat een
appellant, ondanks het feit dat hij hangende de procedure de door
hem verlangde vergunning heeft verkregen, door het gedurende
enige tijd uitblijven daarvan schade heeft geleden. Uiteraard heeft hij dan
belang bij de verdere behandeling van
het door hem ingestelde beroep (vgl.
artikel 6.2.12 [6:19], derde lid, van de Awb). De rechtbank
zal het beroep
ongegrond verklaren indien de aangevoerde grieven geen doel treffen
en zij ook ambtshalve geen onrechtmatigheid heeft kunnen
vaststellen. Zij geeft daarmee te kennen dat het instellen van beroep ongegrond
is gebleken. Voor ongegrondverklaring is dus niet alleen plaats als de
aangevoerde gronden ondeugdelijk worden geacht. Ook als ambtshalve geen
rechtmatigheidsgebreken kunnen worden vastgesteld, verklaart de
rechtbank het beroep ongegrond. De rechtbank
zal het beroep
gegrond moeten verklaren indien zij het bestreden besluit op één of meer
van de aangevoerde gronden, dan wel ambtshalve, onrechtmatig acht.
Het dictum gegrondheid van het beroep blijft dus niet beperkt tot de
aangevoerde gronden. Wij achten het niet verhelderend om het beroep
ongegrond te verklaren om vervolgens de bestreden beslissing - ambtshalve - te vernietigen.
Artikel 8.2.6.6
[8:72] De enkele gegrondverklaring van
het beroep overeenkomstig artikel 8.2.6.5 [8:70], onderdeel d, zou
slechts de waarde van een declaratoir hebben (zie over de wenselijkheid om de
rechter de bevoegdheid te geven een declaratoire uitspraak te doen
het slot van de toelichting op dit artikel). Er komt door vast te staan dat
aan het aangevochten besluit een (rechtmatigheids)gebrek kleeft.
Enige redressering van het door dat gebrek ontstane nadeel heeft
daardoor (nog) niet plaatsgevonden. In het onderhavige artikel is
aangegeven over welke bevoegdheden de rechter beschikt om het nadeel weg te
nemen of te beperken. Daarbij hebben wij beoogd de administratieve
rechter uit te rusten met de nodige, adequate bevoegdheden, zodat ter zake van
het wegnemen van het nadeel in beginsel geen civielrechtelijke
rechtsgang meer behoeft te worden rblz.|144|
gevolgd. Wij achten het uit een oogpunt van efficiënte rechtsbescherming
ongewenst dat ter
zake van in wezen hetzelfde geschil bij verschillende rechters moet
worden geprocedeerd om volledige genoegdoening te kunnen verkrijgen. Omdat het voorwerp van beroep
bij de rechtbank een besluit is, is het vernietigen van het bestreden
besluit in beginsel hét middel om de door de rechtbank geconstateerde onrechtmatigheid te redresseren. De
vernietiging heeft tot gevolg
dat het besluit geacht moet worden in juridische zin nooit te hebben
bestaan en dat de daaraan verbonden rechtsgevolgen met terugwerkende
kracht ongedaan worden gemaakt. Vernietiging werkt dus ex tunc.
De feitelijke gevolgen van een besluit worden uit hun aard niet door
een vernietigingsbesluit geraakt. In dit verband zij gewezen op het
standaardarrest van de Hoge
Raad inzake het Woerdense parochiehuis
(Hoge Raad 28 februari 1975, NJ 1975, nr.423, m.nt. W.F. Prins). Wel komen door de
vernietiging de feitelijke gevolgen van een besluit in een ander
juridisch licht te staan. Hetgeen met vergunning was gebouwd, blijkt bijvoorbeeld
achteraf zonder vergunning te zijn gebouwd. Het bestuur zal in die
situatie verplicht kunnen zijn - maar dat behoeft niet altijd zo te zijn - de feitelijke gevolgen van het vernietigde besluit ongedaan te maken.
Indien er deugdelijke gronden zijn om dat niet te doen, zal het nadeel
onder omstandigheden op een andere wijze, bijvoorbeeld door het aanbieden en betalen van een schadevergoeding
in geld of natura, dienen te
worden gecompenseerd. Uitsluitend de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit worden derhalve rechtstreeks door de vernietiging getroffen.
Dit is in het tweede lid van het onderhavige artikel tot uitdrukking
gebracht. Het derde lid verschaft de
rechtbank de bevoegdheid om te bepalen dat de gevolgen van het
vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Een dergelijke
bevoegdheid komt op dit moment voor in de artikelen 5, derde lid, van de TwK,
58b, derde lid, en 99, tweede lid, van
de Wet op de
Raad van State, 59
van de Wet Arbo en 48 van de Ambtenarenwet
1929. De socialezekerheidsrechter en de belastingrechter kennen deze bevoegdheid niet,
wat vermoedelijk samenhangt met het feit dat zij oordelen over financiële besluiten waarvan de gevolgen
geredresseerd kunnen worden en
waarbij belangen van derden zelden een rol spelen. De rechtbank
zal deze
bevoegdheid in de eerste plaats kunnen gebruiken op grond van
proceseconomische overwegingen, namelijk in de situatie dat de indiener van
een beroepschrift met een vernietiging niets opschiet. Men denke
bijvoorbeeld aan het geval dat door een bestuursorgaan een ingediend
bezwaarschrift ten onrechte ontvankelijk is geacht en vervolgens
ongegrond is verklaard (zie bijvoorbeeld Afdeling rechtspraak 16 maart
1978, AB 1979, nr. 9). In een dergelijk geval is het overigens ook
mogelijk dat de rechtbank, na vernietiging zelf in de zaak voorziend, het
ingediende bezwaarschrift alsnog niet-ontvankelijk verklaart. Daarnaast kan
de rechtbank er ook voor kiezen om onder toepassing van artikel 6.2.14
[6:22] van de Awb het bestreden besluit in stand te
laten indien de vernietiging
haar grondslag zou vinden in de schending van een vormvoorschrift. Niet alleen op grond van
proceseconomische overwegingen, maar ook met het oog op de feitelijke
gevolgen die een besluit al heeft gehad, zal men er soms toch niet aan ontkomen de rechtsgevolgen van een besluit
geheel of gedeeltelijk in stand
te laten. Men kan hier denken aan het in stand laten van de gevolgen van
een ontslagbesluit indien de rechter, alle belangen in aanmerking
genomen, moet oordelen dat het daadwerkelijk terugplaatsen van de
ambtenaar geen adequate reactie is op de rblz.|145|
geconstateerde onrechtmatigheid (Centrale Raad van
Beroep 1 november 1984, TAR 1985, nr. 8,
en 26 mei 1987, TAR 1987, nr. 166). Uit een oogpunt van individuele
rechtsbescherming moge dit weinig aantrekkelijk lijken, uit een
oogpunt van evenwichtige belangenafweging kan dit evenwel gewenst of
geboden zijn. Het ligt dan uiteraard wel voor de hand dat het geleden nadeel
door middel van een vergoeding in geld of natura wordt gecompenseerd
(Centrale Raad van Beroep 15 april 1977, AB 1977, nr. 259, en 7 juli
1983, TAR 1984, nr. 3). Voorwerp van geschil voor de
rechtbank is, enkele uitzonderingen daargelaten, de door het
bestuursorgaan genomen beslissing op het bezwaarschrift. Dit betekent dat
er na de vernietiging - anders dan het geval zou zijn indien het
primaire besluit voorwerp van beroep zou zijn - vrijwel altijd nog wat moet
gebeuren. Indien de beslissing op een bezwaarschrift wordt vernietigd,
ligt immers strikt genomen een bezwaarschrift voor waarop nog
niet is beslist. Op het ingediende bezwaarschrift moet derhalve een
nieuwe beslissing worden genomen. Gebeurt dat niet, dan ontstaat
na verloop van enige tijd een fictieve weigering een beslissing op het
bezwaarschrift te nemen. Het vierde lid voorziet in drie mogelijkheden
om na vernietiging de zaak af te ronden: de rechtbank draagt het
bestuursorgaan op een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift te nemen, de
rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het
vernietigde besluit of volstaat met vernietiging van het besluit. De toetsing door de
rechtbank van de beslissing op het bezwaarschrift draagt een
ex-tunckarakter. De
vraag die de rechtbank bij de toetsing heeft te beantwoorden, is of het besluit toen het werd genomen, in
overeenstemming was met het
recht. Bij het opnieuw voorzien in de zaak en overigens ook bij de
beoordeling van de vraag of de gevolgen van een vernietigd besluit in stand
dienen te blijven, geldt dat in beginsel moet worden uitgegaan van de ten
tijde van de nieuwe beslissing geldende feiten en omstandigheden, alsmede het op dat moment geldende recht.
Bij het opnieuw voorzien in de
zaak kan derhalve met nieuwe feiten en omstandigheden worden rekening
gehouden.
Wij zijn echter van mening dat
zulks niet altijd mogelijk zal zijn. Zo zal niet ieder nieuw feit dat ex-nuncweigering van een vergunning zou
rechtvaardigen zonder meer tot weigering van die vergunning mogen
leiden. Wij denken daarbij aan
het geval dat de beslissing op bezwaarschrift vernietigd wordt omdat
het besluit inhoudende de weigering om een vergunning te verlenen op
ondeugdelijke gronden berust. Aldan zou aan de rechtsbescherming van de
aanvrager van de vergunning in het algemeen tekort worden gedaan indien bij het voorzien in de zaak acht
wordt geslagen op eerst na de
bestreden beslissing ontstane feiten en omstandigheden die een
deugdelijke weigeringsgrond kunnen opleveren. Wij zijn van oordeel dat
dergelijke feiten en omstandigheden wel in de nieuwe besluitvorming kunnen
worden betrokken indien het bestuursorgaan rechtens bevoegd zou zijn
de aanvankelijke beslissing in te trekken. Met betrekking tot de vraag in
welke gevallen de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien, wordt in de
eerste plaats verwezen naar hetgeen wij daaromtrent in het algemeen gedeelte van de toelichting bij deze
afdeling hebben opgemerkt.
Daaraan zij op deze plaats nog het volgende toegevoegd. Nu aan de rechtbank
de bevoegdheid is toegekend zelf in de zaak te voorzien, kan langs
deze weg het primaire besluit van zijn rechtskracht worden beroofd. Bij
de Afdeling rechtspraak, die thans niet de bevoegdheid heeft zelf in de zaak te voorzien, heeft dit punt in het
verleden tot problemen geleid.
Als voorbeeld kan de volgende casuspositie dienen.
rblz.|146|
Derden dienen een bezwaarschrift
in tegen een door burgemeester en wethouders verleende
bouwvergunning. Het bezwaarschrift wordt ongegrond verklaard. Vervolgens
wordt tegen deze beslissing op bezwaarschrift beroep ingesteld
bij de rechtbank. Deze komt tot de conclusie dat sprake is van
strijd met het bestemmingsplan en vernietigt het bestreden besluit, dat wil
zeggen in het systeem van deze wet: de beslissing op bezwaarschrift.
Alsdan rijst de vraag naar de rechtspositie van de vergunninghouder. Is zijn
vergunning - de oorspronkelijke beslissing - nog van kracht of
is dat niet het geval, omdat de beslissing op bezwaarschrift tot vervanging
van de primaire beslissing strekt (devolutieve werking)? In de
Arob-jurisprudentie werd in het verleden voor eerstgenoemde mogelijkheid
gekozen, waardoor de vergunninghouder de vergunde handelingen
mocht verrichten. Daardoor was het toepassen van bestuursdwang niet
geoorloofd. Met name wanneer de reden voor de vernietiging
gelegen is in het feit dat de bouwvergunning niet verleend had mogen worden,
wordt deze opvatting over de rechterlijke vernietiging als weinig
bevredigend ervaren. In meer recente rechtspraak is de Arob-rechter ertoe overgegaan niet alleen de bestreden
beslissing, maar ook de
oorspronkelijke beslissing te vernietigen (bijvoorbeeld AR 23 juni 1987, AB
1987, 527). Doordat aan de rechtbank de bevoegdheid toekomt zelf in
de zaak te voorzien, zal de oplossing voor dit soort gevallen in de
toekomst zijn dat de rechtbank de beslissing op het bezwaarschrift vernietigt en
zelf in de zaak voorziet door de beslissing op het bezwaarschrift
te nemen, inhoudende dat de bouwvergunning alsnog wordt geweigerd.
Hetzelfde geldt indien een goedkeuringsbesluit wordt vernietigd en
de rechtbank van oordeel is dat de gevraagde goedkeuring rechtens
behoort te worden geweigerd. In vee! gevallen zal de rechter
niet zelf in de zaak kunnen voorzien, maar zal door het bestuursorgaan
een nieuwe beslissing met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank
moeten worden genomen. Dit zal zich onder meer voordoen
indien ook een beoordeling van andere feiten en omstandigheden nodig
is dan die welke in de procedure in verband met het punt van geschil
een rol hebben gespeeld. Het zou ondoenlijk zijn indien in die
situatie de rechter zou worden belast met een beoordeling van dergelijke
feiten en omstandigheden. In dat geval zal de rechter kunnen volstaan
met de enkele vernietiging. Over de termijn waarbinnen het
bestuursorgaan een nieuwe beslissing moet nemen, kan in het algemeen worden
opgemerkt dat deze zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is, moet
worden genomen. Vaak zal een nieuwe beslissing ruim binnen de
termijn die staat voor het beslissen op een bezwaarschrift kunnen worden
genomen. Als dat kan, moet het ook. De in het gelijk gestelde partij
heeft immers al veel te lang op de juiste beslissing moeten wachten. Soms
zal er echter niet aan te ontkomen zijn dat het nemen van een nieuwe
beslissing meer tijd in beslag neemt. Dit zal zich in het bijzonder
voordoen indien het geschil waarover de rechtbank een uitspraak heeft
gedaan slechts een onderdeel vormt van de voor de uiteindelijke
beslissing van het bestuursorgaan noodzakelijke besluitvorming. Indien bijvoorbeeld
aan iemand een uitkering is geweigerd op de door de rechter
onjuist geachte grond dat hij niet is verzekerd, zullen ons inziens
voor de vervolgstappen die nodig zijn om tot een besluit omtrent de uitkering
te komen de termijnen gelden die van toepassing zijn voor de primaire
besluitvorming, zij het dat, zoals gezegd, betrokkene er ons inziens
aanspraak op kan maken dat het bestuursorgaan ten aanzien van hem met
bijzondere voortvarendheid te werk gaat. Het vijfde en zesde lid van dit
artikel waarborgen dat de rechtbank, indien zij dit nodig oordeelt,
de naleving van de uitspraak door het bestuursorgaan op effectieve
wijze kan afdwingen. Zij kan een termijn rblz.|147|
stellen voor het opnieuw
voorzien in de zaak, eventueel versterkt met een dwangsom. In het geval de
rechtbank wel een dwangsom zou opleggen, maar geen termijn zou stellen
voor het nemen van een nieuw besluit, hetgeen wij overigens weinig
waarschijnlijk achten, moet het tijdstip waarop de dwangsom verbeurd zou worden, worden gesteld op het
moment waarop de termijn voor
het nemen van een primair besluit in dat geval afloopt. Dit gelet op de
rechtszekerheid waarop ook het bestuursorgaan aanspraak heeft en op
hetgeen wij hiervoor stelden met betrekking tot de termijn
waarbinnen het bestuursorgaan een nieuw besluit moet nemen. Naar onze mening maakt deze
regeling een aparte voorziening voor het niet-gevolg geven aan de
uitspraak overbodig. Immers, indien de rechtbank
in eerste instantie
heeft afgezien van het stellen van een termijn en het opleggen van een
dwangsom en het bestuursorgaan voert de uitspraak niet binnen een
redelijke termijn uit, zal de belanghebbende beroep kunnen instellen bij de
rechtbank, stellende dat een fictieve weigering om op het
bezwaarschrift te beslissen voorligt en dat deze weigering onrechtmatig is. De
rechtbank zal er onder die omstandigheden weinig moeite mee hebben
de fictieve weigering te vernietigen en door het stellen van een
termijn, versterkt met een dwangsom, de uitspraak kracht bij te zetten.
Ook indien het bestuursorgaan na de rechterlijke uitspraak wel een
nieuwe beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen, maar de
belanghebbende van mening is dat deze niet in overeenstemming is met de
uitspraak van de rechtbank, zal deze daarover het oordeel van de
rechtbank kunnen uitlokken. De rechtbank kan dan beoordelen of de klacht
gegrond is en zo nodig een dwangsom opleggen om naleving te verzekeren. Het schrappen van de aparte
voorziening voor het niet-gevolg geven aan de uitspraak heeft onzes
inziens het voordeel dat daardoor beter tot uitdrukking komt dat het bestuur
gevolg dient te geven aan rechterlijke uitspraken (vgl. ook het rapport
van de Nationale ombudsman van 5 september 1989, AB 1989, 558).
Daarnaast zij er nog op gewezen dat de bestaande regelingen bestemd
voor de gevallen waarin geen gevolg wordt gegeven aan een uitspraak
van de administratieve rechter, in de praktijk zelden toepassing
vinden. Ten slotte heeft het ecarteren van een aparte voorziening voor het
niet-gevolg geven aan de uitspraak het voordeel dat daarmee de somtijds
lastige vraag of er inderdaad sprake is van het niet-gevolg geven aan de
uitspraak of "alleen maar" een besluit, waarmee de belanghebbende het
niet eens is, niet meer behoeft te worden beantwoord. Wij hebben nog overwogen of de
rechter de bevoegdheid zou moeten hebben een declaratoire
uitspraak te doen. Wij merken daarover het volgende op. De bestaande proceswetten kennen het zuivere declaratoir
niet. Er zijn weliswaar
situaties waarin een belanghebbende er behoefte aan heeft zekerheid te
verkrijgen omtrent zijn bestuursrechtelijke rechtspositie, maar in die behoefte
kan in de meeste gevallen adequaat worden voorzien. Wij denken daarbij aan
het geval dat onduidelijkheid bestaat over de vraag of wel een voor
beroep vatbaar besluit is verkregen, dan wel dat de rechtsgang bij de
burgerlijke rechter direct openstaat. In die situatie kan het oordeel van de
administratieve rechter over de ontvankelijkheid van het beroep de
gewenste duidelijkheid brengen. Ingewikkelder ligt het geval waarin een
belanghebbende zekerheid wenst te verkrijgen over zijn materiële
rechtspositie, bijvoorbeeld over de vraag of het gebruik dat hij wil gaan maken
van zijn bedrijfspand in overeenstemming is met de bij het bestemmingsplan horende voorschriften. Als wij het
goed zien, wordt de beslissing
van burgemeester en wethouders dat het voorgenomen gebruik rechtens
ongeoorloofd is geen beschikking in rblz.|148|
de zin van de Wet Arob geacht (AR 16 juni 1987, AB 1987, 403; VzAR 10 oktober 1987, BR 1988, p. 375).
De mededeling echter dat geen vergunning, vrijstelling of
ontheffing nodig is, zou daarentegen wel een beschikking worden gevonden (VzAR
29 april 1982, BR p. 785; VzAR 26 augustus 1982, tB/S V, 271, De
Gemeentestem 6726.5; AR 17 mei 1985, AB 1985, 561; AR 11
oktober 1985, AB 1986,365; BR 1986, p. 366; AR 16 juni 1987, AB 1987,
403; AR 29 december 1987, AB 1987, 400; AR 24 mei 1988, AB 1989,
249; AR 6 december 1988, AB 1989, 140; AR 31 maart 1989, AB 1989,
405; AR 5 september 1990, AB 1991, 372). Niettemin zijn in meer recente
jurisprudentie aanwijzingen te vinden voor nuancering. De Arob-rechter
heeft al eens beslist dat de mededeling dat een bepaald
toekomstig handelen in strijd zal zijn met de gebruiksvoorschriften van een
bestemmingsplan, als beschikking moet worden aangemerkt (AR 14
december 1989, AB 1990, 505). In gelijke zin, maar dan met betrekking tot
de toepassing van de Mediawet, werd geoordeeld in AR 7 april 1990,
AB 1991, 122, en AR 5 september 1990, AB 1991, 360 (geen buitenlandse omroepinstelling). Ampele overweging
van deze rechtspraak heeft ons
tot de conclusie geleid dat van het mogelijk maken van een
rechterlijk declaratoir in deze fase van de herziening van de rechterlijke
organisatie dient te worden afgezien. De gebleken behoefte aan
rechtszekerheid van burgers manifesteert zich namelijk met name in situaties
dat het bestuur nog geen besluit heeft genomen. Wij achten het
vooralsnog in strijd met de karakteristieken van het door ons voorgestelde
bestuurs(proces)recht, waarin het geven van rechtsoordelen omtrent de
toepasselijkheid van algemeen verbindende voorschriften primair tot de
verantwoordelijkheid van het bestuur behoort en waarin het besluit van een bestuursorgaan voorwerp van het geschil
bij de administratieve rechter vormt om de rechterlijke uitspraakbevoegdheden met het declaratoir uit te
breiden. Dit zou alleen zin hebben als er nog geen besluit is, welke
situatie evenwel thans buiten de bevoegdheid van de administratieve rechter
valt. Indien wel een besluit is genomen, ontgaat ons vooralsnog welke
betekenis het declaratoir zou kunnen hebben naast de vernietiging,
omdat de rechter kan bepalen dat de gevolgen van het vernietigde
besluit geheel of ten dele in stand kunnen blijven. Wij hebben daarbij mede
overwogen dat bij de vernietiging van een onzuiver schadebesluit,
omdat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen
van één of meer bepaalde belanghebbenden, gedektverklaring met
daaraan gekoppeld toekenning van een adequaat geachte
schadeloosstelling een passende rechterlijke reactie kan zijn.
Artikel 8.2.6.7
[8:73] Soms zal er aanleiding kunnen
zijn om naast de vernietiging van een besluit een schadevergoeding toe
te kennen als compensatie voor het nadeel geleden door het achteraf bezien onrechtmatige besluit. Dit
spreekt wel in het bijzonder
indien op grond van preponderante belangen van derden de gevolgen
van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand worden
gelaten. Maar ook daarbuiten kan schadevergoeding op haar plaats zijn.
Men denke bijvoorbeeld aan vertragingsschade. Daartoe wordt aan de rechtbank
de bevoegdheid gegeven om in
geval van gegrondverklaring van
het beroep op verzoek van de belanghebbende de door haar aangewezen
rechtspersoon tot vergoeding van geleden schade te veroordelen,
zo daartoe gronden zijn.
Het verzoek om schadevergoeding
kan in elke stand van het geding worden gedaan. In de bestaande
procesregelingen is deze bevoegdheid niet steeds opgenomen (de Beroepswet) en waar dit wel het geval is, is
zij vaak onder zekere
beperkingen verleend. Zo kent artikel 60 van de rblz.|149|
Wet Arbo naast de mogelijkheid
van een volledige schadevergoeding ook de mogelijkheid van een
tegemoetkoming in de schade en kan ingevolge de Ambtenarenwet
1929 alleen een
schadevergoeding worden toegekend indien het beroep zich
richt tegen een handeling (artikel 47, derde lid) dan wel indien de
rechter de gevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk
in stand laat (artikel 48). De artikelen 58b, vierde lid, en 99, derde lid,
van de Wet op
de Raad van State kennen dergelijke beperkingen niet. Wel
bevatten zij de clausule "onverminderd het recht van de belanghebbende
om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen". Naar onze indruk maken sommige
administratieve rechters, voor zover zij de bevoegdheid hebben
schadevergoeding toe te kennen, nog weinig gebruik van deze bevoegdheid en laten zij schadevergoedingskwesties bij
voorkeur over aan de burgerlijke
rechter. Het schadevergoedingsrecht is in Nederland in het bijzonder
ontwikkeld door de burgerlijke rechter. Het is naar onze mening uit het
oogpunt van efficiënte rechtsbedeling en rechtsbescherming aantrekkelijk
indien de burger in één en dezelfde procedure zijn schade vergoed
kan krijgen. Het is anderzijds naar onze mening juist gelet op de
bijzondere expertise die de burgerlijke rechter heeft op het terrein van het
schadevergoedingsrecht niet wenselijk de mogelijkheid van een
schadevergoedingsactie bij de burgerlijke rechter thans uit te sluiten. Wij
prefereren een geleidelijke ontwikkeling waarbij de administratieve rechter meer
en meer zelf het schadevergoedingsaspect afdoet. De integratie van
administratieve en civiele rechtspraak in eerste aanleg zal kunnen
bijdragen aan deze ontwikkeling.
Voor de goede orde: met de door
ons voorgestelde regeling wordt geen wijziging beoogd van het
geldende, materiële, schadevergoedingsrecht. In het onderhavige artikel is de
clausule "onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond
van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen" die
voorkomt in artikel 99 , derde lid, van de Wet
op de Raad van State niet
opgenomen. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de
civiele rechter naar ons oordeel in beginsel geen taak heeft indien de
administratieve rechter zich ten gronde heeft uitgelaten over de vraag of er
een aanspraak op schadevergoeding bestaat en, zo ja, hoeveel de
schadevergoeding dient te bedragen. Zowel de belanghebbende als de
administratieve kamer heeft echter de mogelijkheid het
schadevergoedingsaspect van de zaak in de procedure voor de administratieve kamer
buiten beschouwing te laten. De belanghebbende doordat hij achterwege
laat om schadevergoeding te vragen, de administratieve kamer door
uit te spreken dat de partij die om schadevergoeding heeft verzocht
zich ter zake tot de civiele kamer dient te wenden. In het tweede lid wordt voorzien
in de mogelijkheid dat een beslissing over de omvang van de
schadevergoeding niet tegelijkertijd wordt genomen met de uitspraak waarbij
het beroep gegrond wordt verklaard, maar bij een nadere uitspraak.
Alsdan wordt het mogelijk het schadevergoedingsaspect afzonderlijk te
bezien en bij een nadere uitspraak daarover een beslissing te
nemen. De rechtbank kan hiertoe ambtshalve beslissen, dan wel op verzoek
van een partij. Beide uitspraken zijn einduitspraken en derhalve
vatbaar voor hoger beroep. Wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen de
eerste uitspraak, verdient het aanbeveling dat de behandeling ter
vaststelling van de omvang van de schadevergoeding wordt aangehouden
totdat in hoger beroep uitspraak is gedaan. rblz.|150|
Artikel 8.2.6.9
[8:75] Uitgangspunt in de
administratieve rechtsgangen is altijd geweest en is nog steeds dat daarvoor geen
verplichte procesvertegenwoordiging geldt. In lijn hiermee is tot
nog toe in het algemeen in de verschillende proceswetten
- uitgezonderd
artikel 61 van de Wet Arbo - ook niet in een proceskostenveroordeling
voorzien. Onze ambtsvoorgangers hebben in een brief van 4 mei 1988
(Kamerstukken II 1987-1988, 20 550, nr. 1) de uitkomst neergelegd van een
nadere studie naar de wenselijkheid van invoering van de mogelijkheid
van een proceskostenvergoeding in het bestuursrecht. Daarin werd
geconcludeerd dat aan algehele invoering van een proceskostenveroordeling
waarbij een kostenveroordeling van de in het ongelijk gestelde partij
verplicht dan wel regel is, uit een oogpunt van rechtsbescherming
aanzienlijke bezwaren zijn verbonden. Uit dat oogpunt werd een regeling aanvaardbaar geacht waarbij aan de rechter
de bevoegdheid wordt gegeven een
in het ongelijk gestelde partij in de kosten te verwijzen. Invoering
van een kostenveroordeling kon naar hun oordeel eerst worden overwogen
wanneer uit evaluatie van maatregelen gericht op een zorgvuldig
gebruik van rechterlijke voorzieningen zou blijken dat deze onvoldoende
effect sorteren. Bij het ontwerpen van het nieuwe
uniforme bestuursprocesrecht hebben wij bezien of invoering
van een proceskostenverdeling in het bestuursprocesrecht wenselijk
is. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat zulks het geval is. Daaraan
hebben de volgende overwegingen ten grondslag gelegen. Wij zijn van
oordeel dat het in
het burgerlijk procesrecht geldende uitgangspunt dat de partij die
kosten heeft moeten maken om in rechte haar gelijk te krijgen dan wel
te behouden, (een deel van) deze kosten van haar wederpartij vergoed
krijgt dan wel kan krijgen, ook in het bestuursprocesrecht uitgangspunt
moet zijn. In geschillen tussen partijen is het immers niet onredelijk
dat de verliezende partij (een deel van) de kosten van de winnende partij
vergoedt. De kans op verlies is een normaal procesrisico. Wanneer dit risico zich verwerkelijkt, is het niet
redelijk dat de partij die door
de rechter in het gelijk is gesteld per definitie met al haar kosten
blijft zitten. De omstandigheid dat in het bestuursprocesrecht geen
verplichte procesvertegenwoordiging geldt, kan hooguit een verklaring
vormen voor het feit dat in de huidige proceswetten
in de regel een regeling
inzake de mogelijkheid van een kostenveroordeling van de burger
ontbreekt. Aan deze omstandigheid kan geen argument worden ontleend tegen
introductie van de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling van
de burger. Immers, de regeling van de proceskostenveroordeling in het
burgerlijk procesrecht geldt ook indien verplichte procesvertegenwoordiging (geheel of ten dele) ontbreekt
(vgl. artikel 57a van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering voor de contentieuze
kantongerechtsprocedure en artikel 429k, tweede lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering voor de verzoekschriftprocedure). Wij wijzen er voorts
op dat de wetgever in de Wet Arbo - een betrekkelijk recente proceswet - een regeling van de proceskostenveroordeling heeft opgenomen en
daarbij kennelijk van oordeel was dat een dergelijke regeling zich
verdraagt met het ook in de Wet Arbo neergelegde beginsel dat geen
verplichte procesvertegenwoordiging bestaat. Wij tekenen daarbij aan dat het
uitgangspunt dat de burger wordt geacht in alle gevallen zelf een
bestuursrechtelijke procedure te kunnen voeren, heden ten dage niet meer
onverkort kan gelden, omdat bestuursrechtelijke zaken soms zodanig gecompliceerd
zijn dat de belanghebbende er
verstandig aan kan doen zich te
verzekeren van juridische bijstand.
rblz.|151|
Wij zien derhalve geen
principiële redenen om in het bestuursprocesrecht af te zien van een
regeling voor de veroordeling in de proceskosten van bestuursorganen en
burgers. Het voorgaande neemt echter niet
weg dat er alle aanleiding is om, gelet op de eigen aard van het
bestuursrecht en het bestuursprocesrecht, een daarop toegesneden
regeling voor de proceskostenveroordeling te ontwerpen en niet
zonder meer aan te sluiten bij het - in beginsel imperatieve - stelsel
van het burgerlijk procesrecht. Daarbij is een aantal factoren van belang.
Zoals reeds eerder is gesteld, staat in een bestuursrechtelijk geding de
rechtmatigheid van een eenzijdig en in een situatie van een zekere
ongelijkheid door een bestuursorgaan vastgesteld besluit centraal. Het gaat dan
niet aan, de burger die de rechtmatigheid van een dergelijk besluit bij de
rechter aan de orde stelt per definitie de mogelijkheid van een vergoeding
van (een deel van) zijn proceskosten te onthouden. Het feit dat de
verhouding tussen bestuursorgaan en burger zich meer en meer ontwikkelt in de richting van een rechtsbetrekking
tussen partijen pleit ervoor
ook de mogelijkheid van een proceskostenveroordeling van de burger niet
uit te sluiten. Vervolgens rijst dan de vraag of het in dat geval om een
imperatieve of om een facultatieve regeling moet gaan. De wetgever
staat tevens voor de vraag welk bereik de kostenveroordeling moet
hebben en tot op welke hoogte in aanmerking komende kosten onder
de regeling moeten worden gebracht. Het vrijwel over de gehele linie
ontbreken van een regeling ter zake in het bestuursprocesrecht heeft
geleid tot jurisprudentie van de burgerlijke rechter op dit punt (Hoge
Raad 17 november 1989, NJ 1990, 746, m.nt. JBMV, en AB 1990, 81 m.nt.
G.P. Kleijn,
Velsen-De Waard; Hoge Raad 27 maart 1991, RvdW 1991, 143, Van Gog-Nederweert). Deze rechtspraak
houdt kort gezegd het volgende in. Als een
besluit van een bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende
door de administratieve rechter wordt vernietigd wegens strijd met het
recht, is dat bestuursorgaan in beginsel jegens die belanghebbende
aansprakelijk uit onrechtmatige daad en kan het door de burgerlijke rechter
tot vergoeding van de schade worden veroordeeld. Van de wegens
onrechtmatige daad te vergoeden schade kunnen deel uitmaken de kosten
van door de benadeelde ingeroepen rechtsbijstand in een bestuursrechtelijke procedure, voor zover het
inroepen van die rechtsbijstand
redelijk was en voor zover de daarmee gemoeide kosten redelijk zijn.
De burgerlijke rechter acht het derhalve juist en billijk dat in de
rechtsbetrekking tussen overheid en burger de overheid aansprakelijk kan
worden gehouden voor de schade, bestaande uit de redelijke kosten die een
belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken om een
onrechtmatige overheidsdaad in rechte te doen redresseren. Deze jurisprudentie noopt naar
ons oordeel tot een specifieke en eigensoortige wettelijke
regeling van de proceskostenveroordeling in het bestuursprocesrecht. Allereerst
zijn wij van oordeel dat, anders dan in de contentieuze procedure in het
burgerlijk procesrecht en in overeenstemming met de
verzoekschriftprocedure in het burgerlijk procesrecht, in het bestuursprocesrecht moet
worden gekozen voor een facultatieve regeling. Verder zijn wij van oordeel dat wat de hoogte van de kostenveroordeling betreft een niet te rechtvaardigen onderscheid wordt
gemaakt tussen burgerlijk
procesrecht en bestuursprocesrecht. In civiele zaken is sprake van een
begrensde kostenveroordeling, door middel van de zogenoemde
liquidatietarieven. In bestuursrechtelijke zaken is thans op grond van de genoemde
jurisprudentie van de burgerlijke rechter sprake van een integrale kostenveroordeling, zij het uiteraard met inachtneming van de zogenoemde dubbele
redelijkheidstoets. Alleen een wettelijke regeling kan daarin
verandering brengen. Ten tweede is het uit rblz.|152|
budgettair oogpunt niet verantwoord als in bestuursrechtelijke zaken sprake zou blijven van een
integrale kostenveroordeling. Onze conclusie is dat bij de invoering van een
algemene regeling van een proceskostenveroordeling in het
bestuursprocesrecht - de wenselijkheid daarvan kwam hiervoor reeds aan de orde
- moet worden gekozen voor een facultatieve regeling en voor
een begrenzing van de hoogte van de kosten. Voor de verhouding tussen een
specifieke wettelijke regeling in het bestuursprocesrecht en de
jurisprudentie van de burgerlijke rechter op grond van de algemene regeling
van de onrechtmatige daad verwijzen wij naar een recente uitspraak
van het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven (CBb
17 oktober
1991, no. 86/1463/60/099H, nog niet gepubliceerd). Het College komt
daarin tot de conclusie dat die civielrechtelijke jurisprudentie niet
van invloed is op de uitleg van de specifieke bestuursrechtelijke
regeling door de administratieve rechter. Wij zijn van mening dat het
nodig noch wenselijk is om in artikel 8.2.6.9 [8:75]
uitdrukkelijk een
onderscheid te maken tussen de positie van het bestuursorgaan en de positie van
de burger, in die zin dat een proceskostenveroordeling van de burger
slechts mogelijk is bij misbruik van procesrecht. Zo een legislatieve
differentiatie is niet nodig, omdat het aan de administratieve rechter
kan worden overgelaten om te beoordelen of het redelijk en billijk is om
in het concrete geval de burger in de kosten te veroordelen. Wij
verwachten niet dat de rechter van de mogelijkheid om de burger in de
kosten te veroordelen een zodanig gebruik zal maken dat de burger
ervan zal afzien om beroep in te stellen als hij meent dat daarvoor goede
gronden aanwezig zijn. Wij vinden daarvoor steun in de bestendige
jurisprudentie van het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven ten aanzien van artikel 61 van de Wet Arbo zoals gevestigd in
CBb
23
september 1959, SEW 385. Wij achten deze differentiatie ook niet
wenselijk, omdat er ook andere gevallen dan die waarin sprake is van misbruik
van procesrecht denkbaar zijn waarin het alleszins redelijk is om de
belanghebbende in de kosten te veroordelen. Wij menen derhalve dat een
ongeclausuleerde mogelijkheid van een beperkte kostenveroordeling
ingeval appellant in het ongelijk wordt gesteld, aanvaardbaar is. Wij
zijn overigens van oordeel dat zulks slechts een beperkte rem zal kunnen zijn
op het nodeloos procederen door belanghebbenden. Daarvoor zijn
andere en geschiktere instrumenten beschikbaar. Wij merken in dit verband
op
dat uit weliswaar beperkt wetenschappelijk onderzoek dat ter zake is
verricht, blijkt dat appellanten in het algemeen serieuze gronden hebben
om in beroep te gaan, maar ook dat de toepassing van hetzelfde
complex van regelgeving door het ene of het andere bestuursorgaan tot zeer
uiteenlopende beroepspercentages kan leiden. De wijze van optreden
van een bestuursorgaan kan - is de conclusie van dat onderzoek -
een belangrijke invloed hebben op het "beroepsgedrag" van de
burger. In dit verband is ook de bezwaarschriftprocedure van belang. De
in het algemeen hoge zeefwerking van de bezwaarschriftprocedure toont aan dat het goed mogelijk is de burger van verder procederen te
doen afzien, ook als de voor hem ongunstige beslissing blijft
gehandhaafd. Een precieze en nauwkeurige uitleg van het hoe en waarom van
het genomen besluit door een bestuursorgaan lijkt ons een
goede manier om nodeloos procederen tegen te gaan, waarbij wij erop
willen wijzen dat naarmate een bestuursorgaan de juridische aspecten
van een besluit beter heeft uiteengezet, de burger die toch doorzet, des te
gereder in de kosten kan worden veroordeeld, omdat hij in dat geval
redelijkerwijs kon weten dat verder procederen zinloos was.
rblz.|153|
Wij stellen voor om het bereik
van de proceskostenveroordeling te beperken tot de procedure bij de
administratieve rechter. In het burgerlijk recht wordt
onderscheiden tussen de eigenlijke proceskosten, die in rechtstreeks verband
staan met de bij de burgerlijke rechter aanhangige procedure - daaronder
vallen blijkens artikel 57, zesde lid, Rv
ook kosten ter voorbereiding
van de gedingstukken en ter instructie van de zaak - en de kosten die
een partij heeft gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
Deze laatste kosten komen, voor zover deze redelijk zijn ingevolge
artikel 6:96, tweede lid, onderdeel c, van het nieuwe BW
als vermogensschade
voor vergoeding in aanmerking. Denkbaar zou zijn om onder de
proceskosten ook te begrijpen de kosten van rechtsbijstand in een
aan het beroep op de administratieve rechter voorafgaande bezwaarschriftprocedure, nu
de wet in de regel
verplicht tot het doorlopen van
een voorprocedure, voordat de administratieve rechter kan worden geadieerd. Het karakter van de
bezwaarschriftprocedure rechtvaardigt
onzes inziens evenwel het uitgangspunt dat de kosten van rechtsbijstand
die daarin worden gemaakt in de regel voor rekening van de bezwaarde
belanghebbende blijven. De bezwaarschriftprocedure is primair
gericht op een bestuurlijke heroverweging van de bestreden primaire
beslissing. Mede op basis van de naar voren gebrachte bezwaren neemt het
bestuursorgaan een nieuwe beslissing naar de stand van zaken van dat
moment. De omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de bezwaren
van de belanghebbende is tegemoetgekomen, behoeft geenszins te
beteken dat het primaire besluit onrechtmatig was. De
bezwaarschriftprocedure is ook, juist omdat zij verlengde besluitvorming in gang zet,
zonder drempel. Er is geen recht verschuldigd. Voor het
administratief beroep geldt mutatis mutandis hetzelfde. Toekenning van een vergoeding van in een bestuurlijke voorprocedure gemaakte kosten zal
daarom naar ons oordeel uitzondering dienen te blijven. Wij achten
het derhalve wenselijk dat deze kosten buiten de regeling van artikel
8.2.6.9 [8:75] blijven. Dat beperkt ook de omvang van de bestuurslasten en
vermindert de werkbelasting van de administratieve rechter. Eén en ander
betekent dat vergoeding van deze kosten
slechts mogelijk is via de weg
van toekenning van schadevergoeding door de administratieve rechter
of de burgerlijke rechter. Aldus wordt in dezen ook geen onderscheid
gemaakt tussen bezwaarschriftprocedures die wel en
bezwaarschriftprocedures die niet leiden tot een procedure bij de administratieve
rechter.
Indien zou blijken dat de administratieve rechter of de burgerlijke
rechter anders dan wij verwachten in de regel een vergoeding van kosten van
rechtsbijstand gemaakt in een bestuurlijke voorprocedure zou
toewijzen, is er aanleiding te bezien of deze kosten eveneens onder bereik van
de regeling van de proceskostenvergoeding moeten worden gebracht
om aldus tot een wettelijke begrenzing daarvan te komen. Wij betoogden
reeds dat een
wettelijke begrenzing van de kosten met het oog op de gelijkheid in
dezen tussen burgerlijk procesrecht en bestuursrecht niet kan worden
gemist. Een beoordeling in ieder individueel geval op grond van de
dubbele redelijkheidstoetsing zou bovendien een te grote verzwaring van de
werklast van de rechter betekenen. Deze normering zal worden gegeven in
een algemene maatregel van bestuur [zie Besluit
proceskosten bestuursrecht, red.]. Het gevolg van de gegeven
normering is dat de rechter nog slechts zal behoeven te beoordelen of er reden is voor een proceskostenveroordeling. De taakverzwaring die
hieruit voor de rechter voortvloeit, achten wij beperkt.
rblz.|154|
Met betrekking tot de
financiële gevolgen na de voorgestelde proceskostenveroordeling merken wij
op dat deze in geen geval aan dit wetsvoorstel kunnen worden
toegeschreven. De groei van de uitgaven op dit punt vloeit voort uit het
thans reeds geldende recht, zoals dat is geformuleerd door de Hoge
Raad in zijn bovengenoemde arrest. Op grond daarvan worden ook nu
reeds aan appellanten proceskosten vergoed. Daarmee wordt immers
een procedure bij de burgerlijke rechter over de proceskosten voorkomen.
Wel kan worden vastgesteld dat dit wetsvoorstel de
overheidsuitgaven op dit punt geen halt toeroept, afgezien van de nadere normering
die in de hiervoor bedoelde algemene maatregel van bestuur zal worden
neergelegd. De redenen hiervoor zijn in het voorgaande uiteengezet. In het eerste lid is bepaald dat
de rechtbank bij uitsluiting van een andere rechter de bevoegdheid
heeft de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te veroordelen.
Consequentie daarvan is dat in de gevallen dat de rechtbank geen termen
aanwezig acht voor een kostenveroordeling, de kosten van juridische
bijstand niet via een onrechtmatigedaadsactie kunnen worden vergoed. Wij achten een
proceskostenveroordeling slechts mogelijk indien een partij daarom - op enig moment
in de procedure - uitdrukkelijk heeft gevraagd. In de woorden "redelijkerwijs
heeft moeten maken" wordt tot uitdrukking gebracht dat niet
slechts de kosten zelf redelijk moeten zijn om voor vergoeding in aanmerking
te komen, maar ook dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk moet
zijn geweest. Wij stellen als gezegd voor om
in een algemene maatregel van bestuur een specifieke tarifiëring op
te nemen van de kosten met betrekking tot de onderscheiden processuele handelingen tijdens de procedure bij de
rechtbank. Hierbij kan rekening
worden gehouden met de aard van de zaken en verschillende typen van
procedures. In het tweede lid is een
regeling opgenomen voor de kostenveroordeling van een partij die
procedeert tegen een partij die in aanmerking is gebracht voor door de Staat
gefinancierde rechtsbijstand. In dat geval dient het bedrag tot betaling
waarvan de in het ongelijk gestelde is veroordeeld, voldaan te worden
aan de griffier van de rechtbank. Deze verdeelt het bedrag vervolgens
overeenkomstig de volgorde van artikel 57b van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. In het derde lid is een regeling opgenomen voor het
geval dat het beroep wordt ingetrokken. Indien de
intrekking het gevolg is van de omstandigheid dat geheel of gedeeltelijk aan de
bezwaren van de appellant is tegemoetgekomen, kan deze een
kostenveroordeling bij afzonderlijke uitspraak uitlokken.
Artikel 8.2.6.10
[8:76] Deze bepaling komt overeen met
artikel 99, vierde lid, van de Wet
op de Raad van State en artikel 62
van de Wet Arbo.
Artikel 8.2.6.11
[-] Bij de regeling van het
bestuursprocesrecht is uitgangspunt dat de uitspraak van de rechtbank
terstond effect sorteert. Dit uitgangspunt dient de rechtszekerheid, komt
de slagvaardigheid van het openbaar bestuur ten goede en dient de
belangen van degenen voor wie de uitspraak van de rechter
positief is. Een dergelijke regeling is in het rblz.|155|
algemeen verantwoord ten
opzichte van degene voor wie de rechterlijke uitspraak ongunstig uitvalt. Er
zijn evenwel bijzondere omstandigheden denkbaar waarbij het wenselijk
is dat de status quo na de uitspraak gehandhaafd blijft gedurende de
termijn voor het instellen van hoger beroep of, wanneer hoger beroep
is ingesteld, totdat de appelrechter uitspraak heeft gedaan. Het gaat
dan om zaken waarbij het bijzonder of algemeen belang ermee gediend is
dat zich geen feiten kunnen voltrekken die na een van de
uitspraak van de rechter in eerste aanleg afwijkende uitspraak van de
appelrechter niet meer kunnen worden teruggedraaid. Ter voorkoming
van grote schaden dient de status quo gehandhaafd te blijven. Als
voorbeelden kunnen worden genoemd: het (nog) niet bouwen van een groot
bouwwerk of het (nog) niet afbreken daarvan. De voorgestelde
bepaling geeft de rechtbank de bevoegdheid om een voorziening te treffen
voor de duur van de appeltermijn of, wanneer hoger beroep is
ingesteld, totdat de appelrechter uitspraak heeft gedaan. Wij wijzen erop
dat in hoger beroep de voorzitter van het appelcollege desgevraagd de door
de rechtbank gegeven voorziening kan opheffen of wijzigen.
Enige voorbeelden: Wanneer de
rechtbank het beroep tegen een beslissing op beroep waarbij het
beroep tegen een weigering van een bouwvergunning ongegrond was verklaard gegrond acht, kan zij de voorziening treffen dat de
bouwvergunning nog niet wordt afgegeven, totdat haar uitspraak
onherroepelijk is geworden dan wel bij uitspraak op een verzoek om een voorlopige
voorziening in hoger beroep anders wordt beslist. Evenzo kan de
rechter die een beslissing op bezwaar vernietigt, inhoudende de
ongegrondverklaring van een bezwaar tegen de weigering tot de uitoefening van
politiedwang, bepalen dat nog niet tot de uitoefening van politiedwang
kan worden overgegaan. Als de rechter het beroep tegen een beslissing
op beroep waarbij de bouwvergunning na een aanvankelijke weigering
alsnog wordt afgegeven ongegrond acht, kan hij bepalen dat de bouwvergunning geschorst blijft totdat zijn
uitspraak onherroepelijk is
geworden dan wel bij uitspraak op een verzoek om een voorlopige
voorziening in hoger beroep anders wordt beslist. Naar ons oordeel verzekert dit
samenstel van regels - de uitvoerbaarheid bij voorraad van de
uitspraak van de rechtbank ex lege en de bevoegdheid van dezelfde
rechtbank om een voorziening te treffen totdat haar uitspraak onherroepelijk is
geworden dan wel de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in
hoger beroep - een evenwichtige afweging van de op het spel staande
belangen in het concrete geval.
Artikel 8.2.6.12
[8:77] In dit artikel worden de
elementen opgesomd die de uitspraak dient te bevatten. Zij spreken in het
algemeen voor zichzelf. De formulering van onderdeel e van het eerste lid
is ontleend aan artikel 3.5.5 [3:45]
van de Awb. In het tweede lid wordt
voorgeschreven dat bij gegrondverklaring van het beroep in de uitspraak moet
worden aangegeven welk algemeen verbindend voorschrift of welk
algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geacht. Hiermee beogen wij
de rechtszekerheid, alsmede de verdere rechtsontwikkeling te
bevorderen. Dit voorschrift sluit aan bij het bepaalde in de bestaande proceswetten: artikel 63, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Arbo, artikel 58,
tweede lid, van de Ambtenarenwet
1929 en artikel 8, tweede lid, van de
Wet Arob. In afwijking van het in die wetten bepaalde achten wij het
gewenst dat wordt voorgeschreven dat de uitspraak in het voorkomende
geval ook aangeeft welk algemeen verbindend voorschrift is
geschonden. Met de term algemeen rechtsbeginsel hebben wij willen
aangeven dat de administratieve rechter niet alleen wegens strijd met een
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur rblz.|156|
kan vernietigen, maar tevens
wanneer hij strijd constateert met een algemeen rechtsbeginsel dat ook
buiten de sfeer van het bestuursrecht gelding heeft. Daardoor wordt
tevens treffender tot uitdrukking gebracht dat de rechterlijke taak bestaat
uit het toetsen van bestuursbeslissingen aan rechtsnormen. In aanmerking
is genomen dat de verwevenheid van het bestuursrecht, het strafrecht en het burgerlijk recht in de bestuurspraktijk is toegenomen. In
verband daarmee is het ongewenst het tweede lid van artikel 8.2.6.12 [8:77]
te
beperken tot (algemeen verbindende voorschriften en) algemene
beginselen van behoorlijk bestuur. Deze overweging lag mede ten
grondslag aan de wijziging in 1984 van artikel 58, eerste lid, onderdeel d, van
de Ambtenarenwet 1929. Daarin is sedertdien als toetsingsgrond vastgelegd strijd met een algemeen
rechtsbeginsel of een algemeen
beginsel van behoorlijk bestuur. Tot de algemene rechtsbeginselen
die niet direct of uitsluitend voor het bestuur zijn geschreven,
maar in het bestuursrecht wel gelding behoren te hebben, rekenen wij
het beginsel ne bis in idem, het beginsel dat een sanctie evenredig
behoort te zijn aan de ernst van het feit en het beginsel dat hetgeen ten
onrechte als betaling is ontvangen, dient te worden terugbetaald.
Artikel 8.2.6.13
[8:78] Deze bepaling schrijft voor dat
de rechtbank het dictum - dat is de kern van haar uitspraak - in het
openbaar uitspreekt. Het is dus niet nodig dat de gehele uitspraak in het openbaar wordt uitgesproken. Zulks is in
overeenstemming met de in
artikel 6 van het EVRM daaromtrent gestelde eisen (zie het arrest
van het EHRM in de gevoegde zaken 8603, 8723 en 8729/79, Crociani e.a.,
en het arrest van 8 december 1983, Pretto, Series A, Vol. 71-A).
Artikel 8.2.6.14
[8:79] De uitspraak of het
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak dient op korte termijn - kosteloos
- voor partijen beschikbaar te zijn. Het is van groot belang dat zij spoedig na
de openbaarmaking van de uitslag van de procedure kunnen beschikken over
de gehele uitspraak. Het beginsel van openbaarheid van de uitspraak
brengt met zich dat ook anderen dan partijen - tegen vergoeding - een
afschrift van de uitspraak kunnen verkrijgen. De eerbiediging van de
persoonlijke levenssfeer brengt mee dat onder omstandigheden volstaan moet
worden met het verstrekken van een uittreksel.
Artikel 8.2.6.15
[8:80] In deze bepaling is de
bekendmaking van de uitspraak geregeld, voor zover de uitspraak van de rechtbank
ingevolge artikel 8.2.6.6 [8:72], vierde lid, in de plaats treedt van het
vernietigde besluit. Deze bepaling is ontleend aan de artikelen 60g en 114 van
de Wet op de
Raad van State (die alleen zagen op de
voorlopigevoorzieningsprocedure) en sluit aan op artikel 6.4.17
[7:26] juncto afdeling 3.5
[3.6] van
de Awb. rblz.|157|
Titel
8.3. Voorlopige voorziening
en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Algemeen
In titel 8.3 is de regeling
inzake voorlopige voorziening opgenomen. Deze sluit voor een belangrijk
deel aan bij de artikelen 107 tot en met 116 van de Wet
op de Raad van State. In de praktijk heeft deze regeling bewezen te
voldoen. Uitgangspunt van de regeling is
het thans bestaande bestuursrechtelijke systeem, inhoudende dat
het beroep op de administratieve rechter in het algemeen geen schorsende werking heeft. Omdat met de afhandeling van een dergelijk beroep
geruime tijd gemoeid kan zijn, heeft een rechtzoekende niet zelden belang
bij een snelle beslissing. Voorkomen moet immers worden dat het
beroep op de rechter illusoir wordt, omdat feitelijke omstandigheden een
uitspraak ten gronde zinledig hebben gemaakt. Een voorlopige voorziening is
- hoezeer zij ook tot effect kan
hebben dat het geschil feitelijk
gezien definitief wordt beslist - een ordemaatregel voor in beginsel
de duur van het bestuursrechtelijk geding ten principale. Hoewel dus een voorlopige
voorziening het geschil niet ten gronde kan beslissen, kan het gewenst zijn
dat de rechter in de voorlopigevoorzieningsprocedure over de
bevoegdheid beschikt om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het is
om proceseconomische redenen ongewenst partijen langer op een
uitspraak te laten wachten dan strikt noodzakelijk is. Daarom hebben
wij besloten de zakelijke inhoud van het huidige artikel 116 van de Wet
op de Raad van State over te nemen in het onderhavige
voorstel. In deze titel wordt, in
aansluiting op artikel 65 van de Wet Arbo en artikel 102 van de Ambtenarenwet
1929, een enigszins van de Wet
op de Raad van State afwijkende terminologie gebruikt: het begrip
voorlopige voorziening ziet
tevens op de schorsing. Een voorlopige voorziening kan verschillende
maatregelen inhouden: een (gehele of gedeeltelijke) schorsing, een
andere voorzieningsmaatregel, dan wel beide. Voorts is de formulering
van artikel 8.3.1 [8:81] beter afgestemd op artikel 289 van het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Van een verdere afstemming op
het civielrechtelijke kort geding is in dit stadium van de herziening
van de rechterlijke organisatie afgezien. Wij zijn van oordeel dat het
thans nog te vroeg is om het zogenaamde connexiteitsprincipe, inhoudende
dat een voorlopige voorziening uitsluitend kan worden verkregen
hangende een bodemprocedure, los te laten. De rechtsmacht van de
administratieve rechter die aanknoopt bij het besluitbegrip, de
bezwaarschriftprocedure en het administratief beroep, alsmede de korte
beroepstermijn in bestuursrechtelijke zaken, staan eraan in de weg het
bestuursrechtelijk kort geding thans op dezelfde wijze te regelen als
zijn burgerrechtelijke pendant. De
voorlopigevoorzieningsprocedure zal openstaan hangende de behandeling van het geding in de
hoofdzaak, dat wil zeggen: tijdens de bezwaarschriftenprocedure, het administratief beroep
- zulks in afwijking
van het stelsel van de Wet
op de Raad van State -, het geding in eerste aanleg bij de rechtbank
en het
geding in hoger beroep. rblz.|158| Artikel 8.3.1
[8:81] Partijen, alsmede de indieners
van een bezwaar- of beroepschrift kunnen zich tot de president van
de rechtbank wenden om een voorlopige voorziening te
verkrijgen. Een gelijk recht komt toe aan de belanghebbende die - in verband
met de eventueel beperkt omschreven kring van beroepsgerechtigden in
administratief beroep - geen recht heeft op het instellen van
administratief beroep. Hiermee is beoogd te voorkomen dat laatstgenoemde
categorie terug zou moeten vallen op artikel 289 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 8.3.1 [8:81]
is dus in vergelijking met
het huidige artikel 107 van de Wet
op de Raad van State wat het
toepassingsbereik betreft uitgebreid tot alle zogeheten bestuurlijke
voorprocedures. In artikel 8.3.1
[8:81] is
uitdrukkelijk neergelegd dat de bevoegdheid van de president is afgeleid van de
bevoegdheid van het rechterlijk college dat in eerste aanleg bevoegd is om
van de zaak kennis te nemen. Verzoeken om voorlopige voorziening worden
in het algemeen behandeld door de voorzitter van de
administratieve kamer van de rechtbank. In deze procedure zal in het
kader van de vereiste belangenafweging in de regel centraal staan de
spoedeisendheid van de (gevraagde) voorziening, veelal vanwege de onmogelijkheid de eventuele gevolgen
van (de uitvoering van) het
besluit nog te herstellen. De uitspraak van de president komt tot stand op
grond van een afweging van enerzijds het belang van betrokkenen dat een
onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de
onmiddellijke uitvoering of niet-uitvoering van een besluit te dienen belang. In
artikel 8.3.6 [-] is de mogelijkheid geschapen om opheffing of
wijziging van de voorlopige voorziening te verkrijgen. De spoedeisendheid van het
geding is gelegen in de wenselijkheid van rechtsbescherming ten aanzien
van een eventuele onmiddellijke uitvoering van het bestreden
besluit. Bij zijn belangenafweging zal de president mede acht kunnen slaan
op de (on)rechtmatigheid van het bestreden besluit (vgl. Hoge
Raad 25
november 1977, AB 1978, 1, Plassenschap Loosdrecht). De praktijk heeft
geleerd dat de onwenselijkheid van een onmiddellijke uitvoering gegeven is indien naar voorlopig oordeel tot onrechtmatigheid van het in
geding zijnde besluit moet worden besloten. Per definitie
geldt dat de
uitspraak van de president slechts betekenis heeft totdat in de
bodemprocedure is beslist. De uitspraak in de bodem vervangt de uitspraak van de
president volledig. Zo zal een door de president geschorst besluit tot
beëindiging van een subsidie dat door de rechtbank
rechtmatig wordt
geoordeeld, geacht moeten worden in werking te zijn getreden op het moment dat het besluit werd
bekendgemaakt. Achteraf bezien moet in
dat geval worden geconstateerd dat er voor voortzetting van de subsidiëring geen grond was. Het als gevolg van
de schorsing betaalde kan dan
als onverschuldigd betaald door het bestuursorgaan worden teruggevorderd.
Artikel 8.3.2
[8:82] Voor de behandeling van een
verzoek om voorlopige voorziening zal een griffierecht van ƒ50,- worden
geheven. Indien het verzoek wordt ingetrokken, dient de griffier
de indiener van het verzoekschrift het betaalde griffierecht geheel of
gedeeltelijk te vergoeden wanneer het bestuursorgaan of de
belanghebbende tot wie het besluit is gericht beslist niet tot onmiddellijke
uitvoering over te gaan. Het griffierecht kan in de overige gevallen waarin
het verzoek wordt ingetrokken, door het rblz.|159|
betrokken bestuursorgaan worden
vergoed. Deze regeling sluit aan op de algemene regeling van
terugbetaling van griffierecht, zoals opgenomen in afdeling
8.2.1. Artikel 8.3.3
[8:83] Het derde lid biedt de president
de mogelijkheid om, indien onverwijlde spoed daartoe noopt,
zonder behandeling van de zaak ter zitting, uitspraak te doen. Het spreekt
voor zich dat het hier moet gaan om bijzondere gevallen waarin
afgeweken wordt van het beginsel van hoor en wederhoor ter zitting. Ook
kan daarbij gedacht worden aan zaken waarin sprake is van kennelijke
onbevoegdheid. Overigens verwijzen wij naar artikel 8.3.2 [8:82], tweede lid,
juncto artikel 8.2.1.1 [8:41], tweede lid.
Artikel 8.3.4
[8:84] Indien gehele of gedeeltelijke
toewijzing van het verzoek schorsing van het bestreden besluit inhoudt,
werkt de schorsing terstond na de uitspraak van de president. Aan
de schorsing kan, evenals aan andere voorlopige voorzieningen, een
termijn worden verbonden (artikel 8.3.7 [8:85]). Ook kunnen aan de voorlopige
voorziening voorwaarden, voorschriften en beperkingen worden verbonden. Indien de voorlopige
voorzieningsprocedure een op bezwaar of in administratief beroep genomen
besluit betreft, zal de voorlopige voorziening in een aantal
gevallen mede het primaire besluit kunnen betreffen. Ingeval de
voorlopige voorziening het primaire besluit betreft en daarna in bezwaar of
administratief beroep een vergelijkbaar besluit wordt genomen, zal doorgaans
niet opnieuw om schorsing behoeven te worden gevraagd. In artikel
8.3.7 [8:85] is immers geregeld dat de voorlopige voorziening vervalt zodra
uitspraak in de bodemprocedure is gedaan. Het is alleen anders wanneer de rechtbank
ingevolge artikel 8.2.6.11 [-] het einde van de voorlopige
voorziening in die uitspraak op een ander tijdstip bepaalt. Uiteraard bestaat
steeds de mogelijkheid om de president te verzoeken de voorlopige
voorziening op te heffen of te wijzigen (artikel 8.3.6 [-]), welke weg
vanzelfsprekend ook openstaat voor een verwerend bestuursorgaan.
Artikel 8.3.5
[-] Deze bepaling maakt het mogelijk
dat de president aan de gegeven voorlopige voorziening een
dwangsom verbindt. Voor de executie daarvan is aangesloten bij de civielrechtelijke
bepalingen.
Artikel 8.3.6
[-] Voor de goede orde wordt
opgemerkt dat deze bepaling de president ook de mogelijkheid biedt om
alsnog te bepalen dat een dwangsom wordt opgelegd.
Artikel 8.3.7
[8:85] Onderdeel a van het tweede lid
is een aanvulling ten opzichte van het huidige artikel 113 van de Wet
op de Raad van State (vgl. Vz AR 29 april 1977, AB 287). Verwezen wordt voorts naar de
toelichting op artikel 8.3.4. rblz.|160|
Artikel 8.3.8
[8:86] In navolging van artikel 116 van
de Wet op de
Raad van State is geregeld dat de president in
bepaalde gevallen onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Deze bevoegdheid komt de president (anders dan
in het genoemde artikel 116)
alleen toe in zaken waarin al een zitting is gehouden. Zowel de
rechtsbescherming als proceseconomische belangen zijn daarmee gediend.
De bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te
doen, komt de president toe als hij van oordeel is dat nader onderzoek
redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het geschil ten
gronde. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in gevallen van
kennelijke niet-ontvankelijkheid, kennelijke gegrondheid of kennelijke
ongegrondheid. Nu onmiddellijk nadat een zitting is gehouden de uitspraak
volgt, is het niet nodig om, zoals in artikel 116, tweede lid, juncto artikel 106 van de
Wet op de
Raad van State, te voorzien in de
mogelijkheid van verzet bij afdoening wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid
en kennelijke (on)gegrondheid.
Titel
8.4. Herziening
Partijen dienen in de
gelegenheid te zijn herziening van een onherroepelijke einduitspraak van de
rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 en van de president van de
rechtbank als bedoeld in artikel 8.3.8
[8:86] te vragen indien deze uitspraak in het
licht van nieuw gebleken feiten van vóór deze uitspraak geen stand meer
kan houden. Nieuwe feiten die na de uitspraak opkomen en een ander
licht werpen op de zaak, kunnen niet tot herziening van de uitspraak
leiden. Indien bijvoorbeeld door nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen
blijkt dat er wel degelijk een causaal
verband is tussen bepaalde
arbeidsomstandigheden en een bepaalde ziekte, is dat geen reden die
tot herziening kan leiden. Het is immers de taak van de rechter te
beoordelen of een besluit van een bestuursorgaan rechtmatig is. Dat kan
uitsluitend worden beoordeeld aan de hand van hetgeen het bestuursorgaan bij
het nemen van het besluit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn.
Daartoe behoren bovengenoemde nieuwe feiten evident niet. Het
bovenstaande houdt uiteraard niet in dat aan deze nieuwe feiten geen
betekenis zou kunnen toekomen. Zij kunnen voor het bestuur aanleiding
vormen om al dan niet op verzoek van de belanghebbende terug te komen op
het eerder genomen besluit. Wij merken nog op dat het soms niet
eenvoudig is te beoordelen of het gaat om feiten die aanleiding kunnen
geven tot een verzoek om herziening dan wel om feiten die zouden
kunnen leiden tot een verzoek om terug te komen op een eerder genomen
besluit. In geval van twijfel daarover menen wij dat het in de rede
ligt niet de rechter te verzoeken zijn uitspraak te herzien, maar het
bestuursorgaan te vragen zijn eerdere besluit te heroverwegen.
Voor alle duidelijkheid zij nog
opgemerkt dat het rechtsmiddel van herziening evenmin kan worden
gebruikt voor het herstellen van processuele misslagen. De mogelijkheden voor een
succesvol gebruik van dit middel zijn derhalve beperkt.
Onderdelen
O,
P en
Q Deze wijzigingen houden verband
met het opnemen van een geïntegreerd overgangsrecht voor onder
meer de eerste tranche van de Awb in het onderhavige
wetsvoorstel. De vernummering in onderdeel Q is nodig
om te voorkomen dat de
desbetreffende artikelen spoedig na de definitieve nummering zouden moeten
worden vernummerd. rblz.|161|
Onderdeel R Het nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht zal, samen met de andere bepalingen van bestuursrecht in
de Awb, worden geëvalueerd in het kader van de voorbereiding van
de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie. Deze
voorschriften dienen daarom te worden uitgezonderd van de algemene
verslagleggingsverplichting.
Onderdeel S Bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht
Algemeen
In
aanvulling op de toelichting op artikel 8.1.1.6 wordt in het onderstaande per wet of wettelijke bepaling nader ingegaan op de achtergronden
van de uitzondering van beroep op de administratieve rechter ten aanzien van
de in die wettelijke bepalingen bedoelde besluiten. Ten aanzien van bepaalde
uitzonderingen is vanwege de samenhang met andere wijzigingen volstaan met
een verwijzing naar de toelichting op de desbetreffende wet, opgenomen in de
toelichting op onderdeel 4 van het wetsvoorstel
[niet opgenomen in deze webpagina, red.].
A. Ministerie van Justitie
1. Uitleveringswet
Uit
artikel 5, onderdeel e, van de Wet Arob vloeit thans voort dat tegen
besluiten op grond van de Uitleveringswet
geen beroep op de administratieve
rechter openstaat. Deze uitzondering ter zake van uitleveringsbesluiten is
gehandhaafd. Besluiten tot uitlevering - waarover van te voren de
rechterlijke macht wordt gehoord - zijn met zodanige waarborgen van
deugdelijkheid omgeven dat een beroep op de administratieve rechter
daartegen niet is aangewezen.
2. Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Het is
als gezegd om redenen van systematiek wenselijk om artikel 5, onderdeel s,
van de Wet Arob te verplaatsen naar deze negatieve lijst.
B. Ministerie van Binnenlandse Zaken
1. Financiële-Verhoudingswet 1984
Bij de
Wet van 29 september 1988, Stb. 1988, 473, tot wijziging van de Wet administratieve rechtspraak
overheidsbeschikkingen, vaststelling van een nieuwe bijlage als bedoeld in artikel 6 van die wet en wijziging van de
onteigeningswet inzake het horen
van de Raad van State, is uitdrukkelijk uitgezonderd het beroep op de
Arob-rechter tegen besluiten, bedoeld in het huidige artikel 34, tweede
lid, van de Financiële-Verhoudingswet 1984. Wij menen dat de redenen
om destijds een uitzondering op het Arob-beroep te maken thans nog
onverminderd gelden. De in artikel 34, tweede lid, onderdeel a, van die
wet opgenomen uitzondering voor de meetregels betreft algemeen
verbindende voorschriften als bedoeld in artikel 8.1.1.2 [8:2], onderdeel a,
van de Awb. Opneming van deze uitzondering in deze
bijlage
is
derhalve overbodig.
rblz.|162|
2. Algemene burgerlijke
pensioenwet
Op grond van de systematiek van
hoofdstuk 8 van de Awb in verband met artikel 6.3.1a
[7:1] van de
Awb moeten de in artikel S2 voor het bezwaar opgenomen uitzonderingen ook worden opgenomen in de lijst, bedoeld
in artikel 8.1.1.6 [8:5]. Anders zou
alsnog bezwaar openstaan.
3. Provinciewet
Voor de in artikel 233,
onderdeel a tot en met f, van het wetsvoorstel Provinciewet
(Kamerstukken 19 836) opgenomen
bedragen geldt mutatis mutandis hetzelfde als voor de in artikel
34, tweede lid, van de Financiële-Verhoudingswet 1984 opgenomen
uitzonderingen.
C. Ministerie van Onderwijs en
Wetenschappen
De in de artikelen 13, eerste
lid, tweede volzin, en 14, eerste lid, van de Wet op het wetenschappelijk
onderwijs bedoelde besluiten van de universiteitsraad zijn
uitgesloten van beroep op de Afdeling
bestuursrechtspraak. Wel kan beroep
worden ingesteld tegen het besluit van de Minister van Onderwijs en
Wetenschappen omtrent goedkeuring van het besluit van de
universiteitsraad. Daarmee is afdoende voorzien in de mogelijkheid van beroep op de
administratieve rechter. Hier zij voorts verwezen naar de
artikelsgewijze toelichting op die wet.
D. Ministerie van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
1. Onteigeningswet
De Onteigeningswet
kent thans
uitgebreide mogelijkheden van rechtsbescherming, inclusief de
toegang tot de rechter. De onverkorte toepassing van hoofdstuk 8
van Awb
op de Onteigeningswet zou het bestaande stelsel doorkruisen.
Derhalve is in deze fase van de herziening van de rechterlijke organisatie
voorzien in een uitzondering op deze toepasselijkheid.
2. Wet
op de Ruimtelijke Ordening
Van planologische
kernbeslissingen (zowel de ontwerp-PKB als de door de Staten-Generaal goedgekeurde
PKB) en streek- en structuurplannen is onduidelijk of zij moeten worden aangemerkt als besluiten in de zin van
artikel 1.3 [1:3] van de Awb. Het
betreft hier plannen met een naar hun aard overwegend indicatief karakter.
De uitwerking van deze plannen moet steeds plaatsvinden in het kader
van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan. De bedoelde
plannen bevatten allerlei onderdelen met een feitelijke of organisatorische strekking die zich niet goed lenen voor
beoordeling door een rechter.
Mede gelet op de wijze waarop daarna bij de totstandkoming van
bestemmingsplannen in en buiten rechte geprocedeerd moet worden, zou er
sprake zijn van een hypertrofie van de rechtsbescherming indien er ook
tegen de bedoelde ruimtelijkeordeningsplannen beroep op de
administratieve rechter zou worden opengesteld.
De in de artikelen 11, eerste
lid, 25, 29, eerste en achtste lid, en 40, eerste lid, bedoelde besluiten
zijn uitgezonderd van beroep op de rechtbank. In verband met de
samenhang wordt voor een toelichting op deze uitzonderingen verwezen
naar de toelichting op de desbetreffende onderdelen van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening in onderdeel 4 [niet opgenomen in deze
webpagina, red.] van deze memorie.
rblz.|163|
Tegen besluiten tot weigering
van het geven van een aanwijzing of uitnodiging op grond van de
artikelen 37 en 38 zal geen beroep openstaan op de Afdeling
bestuursrechtspraak ingevolge artikel 39, tweede lid (nieuw). Het betreft
hier een bestuurlijk toezichtsinstrument. Voorkomen moet worden dat in die
procedure een verschil van inzicht op het terrein van de ruimtelijke
ordening dat eerder in procedure naar voren is gebracht en behandeld
wederom ter discussie kan worden gesteld.
3. Wet
milieubeheer
Ten aanzien van de
milieubeleidsplannen van Rijk, provincies en gemeenten zal geen beroep
openstaan op de administratieve rechter. Deze plannen zijn opgenomen op
de onderhavige negatieve lijst. Anders dan bijvoorbeeld het
bestemmingsplan is het milieubeleidsplan vooral richtinggevend en vormt het
juridisch gezien niet een kernpunt in de besluitvorming. Het openstellen
van beroep op de administratieve rechter tegen dergelijke plannen is
gelet op de overigens aanwezige inspraak-, bezwaar- en beroepsmogelijkheden in het kader van de totstandkoming
van milieubeslissingen niet
aangewezen geacht.
Men zou zich kunnen afvragen of
het milieubeleidsplan wel uitdrukkelijk moet worden uitgesloten
van beroep op de administratieve rechter, omdat gelet op het indicatieve
karakter ervan onzeker is of het wel kan worden aangemerkt als een
besluit in de zin van de Awb. Teneinde iedere onzekerheid dienaangaande
weg te nemen, hebben wij gemeend de mogelijkheid van beroep tegen
deze plannen uitdrukkelijk te moeten uitsluiten.
Tegen de beschikkingen, bedoeld
in de artikelen 8.27, 8.34 en 8.37 van de Wet
milieubeheer, staat
ingevolge artikel 20.2, eerste lid, geen volledig beroep open op de Afdeling
bestuursrechtspraak. Ter voorkoming dat tegen die
beschikkingen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank
zijn die
beschikkingen eveneens opgenomen op de onderhavige bijlage.
E. Ministerie van Verkeer en
Waterstaat
1 en 2. Wet
verontreiniging oppervlaktewateren en Grondwaterwet
Tegen besluiten op grond van
deze wetten staat beroep open op de Afdeling
bestuursrechtspraak.
Evenals thans zal dit beroep niet openstaan tegen de onderhavige
besluiten. De onderhavige uitzondering beoogt te voorkomen dat tegen de
bedoelde besluiten alsnog beroep op de rechtbank
zou kunnen worden
ingesteld.
3. Wet op de
telecommunicatievoorzieningen
Tegen een aanwijzing van de
Minister van Verkeer en Waterstaat als bedoeld in artikel 28 dient geen
beroep op de rechtbank open te staan, nu deze aanwijzing ingevolge
artikel 42 van die wet eveneens is uitgezonderd van beroep op het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven.
F. Ministerie van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij
1, 2 en 3. Reconstructiewet
Midden-Delfland, Herinrichtingswet
Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën en Landinrichtingswet.
rblz.|164|
Voor de regeling van het beroep
op de rechter is aangesloten bij de in 1985 tot stand gekomen tekst van
de Landinrichtingswet. In
die wet is voorzien in een beperkt kroonberoep ter zake van het landinrichtingsplan
en het aanpassingsplan. In
onderdeel 4 van het wetsvoorstel wordt voorgesteld het kroonberoep te
vervangen door een aan dezelfde beperkingen onderworpen beroep op de rechtbank. Tegen de overige besluiten op grond van
die wet zal geen
beroep worden opengesteld op de administratieve rechter.
Voorts wordt geen wijziging
gebracht ten aanzien van die besluiten waartegen in de huidige
landinrichtingswetgeving beroep op de burgerlijke rechter openstaat.
Een uitgebreide toelichting op
deze bepalingen is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting,
onderdeel 4, onderdeel H, artikel 8 (Landinrichtingswet)
[niet opgenomen in deze webpagina, red.]. Ter wille
van de overzichtelijkheid vatten wij de aangegeven redenen voor deze
opzet hier alvast kort samen.
Ten eerste is voorzien in
afstemming met de ruimtelijke ordening. Het primaat in de besluitvorming
ligt bij de ruimtelijkeordeningsplannen. In het kader van de ruimtelijke
ordening is voorzien in toereikende rechtsbescherming. Herhaling van
rechtsbescherming in het kader van de landinrichting zou een zodanig
vertragende werking kunnen hebben dat de belangen van hen die overigens
bij de uitvoering van een landinrichtingsproject zijn betrokken te zeer
worden geschaad. Voorts is van belang dat de totstandkoming van het landinrichtingsplan slechts
één van de fasen
in de totale procedure is en dat
de vraag in hoeverre de rechtsbescherming voldoende gewaarborgd
is, in het licht van het hele samenstel van proceduremomenten dient te
worden beantwoord. Gewezen is reeds op de afstemming met de
ruimtelijke ordening. Daarnaast kan hier worden gewezen op de rechtsbescherming die wordt geboden in het
kader van de uitvoering van
landinrichtingswerken. Voor deze werken kunnen vergunningen zijn vereist
en tegen beslissingen inzake die vergunningen staat volledige
rechtsbescherming open.
Deze toelichting geldt mutatis
mutandis eveneens voor de andere planfiguren in het kader van de
landinrichting c.a. (zoals het voorbereidingsschema landinrichting, het aanpassingsplan en het begrenzingenplan).
G. Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid
1. Organisatiewet Sociale
Verzekering
In afwachting van de herziening
van de Organisatiewet Sociale Verzekering [zie Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997, red.] zal tegen besluiten op
grond van die wet geen beroep openstaan bij de administratieve rechter.
In het kader van de inrichting van de nieuwe wet zal worden bezien of,
en zo ja, op welke wijze tegen besluiten op grond van die wet
beroep bij de administratieve rechter zal worden opengesteld.
2. Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945
Het is als gezegd om
systematische redenen wenselijk om het bepaalde in artikel 5, onderdeel r, van de Wet Arob op te nemen in deze negatieve lijst.
(...)
rblz.|165|
3. Wijziging van
rechtstreeks betrokken institutionele en processuele wetten
(...)
rblz.|175| Artikel III
(Beroepswet)
Algemeen
Titel I van de Beroepswet bevat na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorintegratie
bepalingen over de rechtsmacht en de organisatie van de rechtbanken
en van de Centrale Raad van
Beroep in socialezekerheidszaken.
Titel
II bevat regels voor de behandeling van socialezekerheidszaken door de
rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep. Deze titels zullen een
aanzienlijke wijziging ondergaan. De bepalingen over de rechtsmacht
en de organisatie van de rechtspraak in eerste aanleg en het procesrecht
voor de behandeling van zaken in eerste aanleg dienen te
vervallen, omdat deze onderwerpen nu elders worden geregeld, en wel in de Wet
RO en hoofdstuk 8 van de Awb. Wat overblijft zijn in de nieuwe titel I
bepalingen over de organisatie van de Centrale Raad van Beroep (de
institutionele bepalingen) en in de nieuwe titel
II een regeling van de rechtsmacht en een regeling voor het voor de
procedures bij de Centrale Raad
van Beroep geldende procesrecht. Eerder is al naar voren gebracht
dat de beoogde integratie tussen de onderscheiden administratieve
rechtsgangen en tussen de administratieve rechtspraak en de civiele
en de strafrechtspraak in de eerste fase beperkt blijft tot het geding in
eerste aanleg. Tegen uitspraken van de rechtbank
in socialezekerheidszaken en in ambtenarenzaken staat hoger beroep open bij de
Centrale Raad van Beroep. Tegen de overige uitspraken van de rechtbank
staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State. Tevens is opgemerkt dat de Centrale Raad van Beroep
voorshands belast zal blijven met de behandeling van bepaalde pakketten
van zaken in eerste en enige aanleg. Wat het hoger beroep in
ambtenarenzaken betreft, hebben wij ervoor gekozen de
rechtsmachtomschrijving die was opgenomen in titel II van de Ambtenarenwet
1929 een plaats
te geven in de Beroepswet (artikel
18, eerste lid). Dit heeft als voordeel dat in de Ambtenarenwet
voor de Centrale Raad van Beroep geen
afzonderlijke institutionele en processuele bepalingen behoeven te
worden opgenomen. De Ambtenarenwet verkrijgt daardoor een welhaast
volledig materieelrechtelijke inhoud. Voorgesteld
wordt het
procesrecht dat geldt voor de procedures bij de administratieve kamers bij de
rechtbanken zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing te
verklaren op de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep.
Titel
I. De
Centrale Raad van Beroep
De nieuwe titel I
bevat
de institutionele bepalingen voor de Centrale Raad van
Beroep. Deze zijn
grotendeels overgenomen uit de geldende wettekst. Hier en daar is de
redactie gemoderniseerd en zijn gedateerde en overbodige bepalingen vervallen.
rblz.|176|
In lijn met het vervallen van
het huidige artikel 14 [oud, red.] van de Beroepswet voor de rechtspraak in eerste
aanleg in socialezekerheidszaken zijn ook voor de Centrale Raad van
Beroep de in het huidige artikel 37 [oud, red.], tweede
lid, voorkomende specifieke
onverenigbaarheden en verboden processuele hoedanigheden geschrapt.
Het in het huidige artikel 37 [oud, red.], eerste lid, bepaalde is vanzelfsprekend
gehandhaafd.
De volgorde van de artikelen is
gesystematiseerd. In het, nog in te dienen, wetsvoorstel waarin de
positie van de directeur gerechtelijke ondersteuning en de positie van
de griffier in de rechterlijke organisatie (opnieuw) worden geregeld, wordt
op die nieuwe systematiek voortgeborduurd.
Wij wijzen nog op twee punten.
De in artikel
10, tweede lid,
gebruikte termen leden en voorzitter zien niet op de verschillende
functionarissen bij de Centrale Raad van Beroep, maar op het fungeren ter zitting
als voorzitter onderscheidenlijk lid van een kamer.
De inlichtingen- en
adviesplicht van artikel 14, eerste lid (vgl. artikel 22 van de
Wet RO), vindt
vanzelfsprekend haar grenzen in de rechterlijke onafhankelijkheid.
Titel
II. Beroep
en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep
Artikel 17
Voor de
toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op artikel 36
van de Wet op
de Raad van State [niet opgenomen in deze webpagina, red.].
De
rechtsmacht van de Centrale Raad van Beroep, oordelend in eerste en enige
aanleg, is geregeld in de bijzondere wetten.
Artikel 18
De
rechtsmacht van de Centrale Raad van Beroep, oordelend in hoger beroep in
ambtenarenzaken, betreft allereerst uitspraken van de rechtbanken op
beroepen ter zake van de besluiten, genoemd in artikel
18, eerste lid,
onderdeel a. Het woord "besluit" omvat mede hetgeen daarmee ingevolge
artikel 8.1.1.1 [8:1], tweede lid, van de Awb
is gelijkgesteld. Voorts is de Centrale Raad van
Beroep in hoger beroep bevoegd ten aanzien van zaken van
met ambtenaren op één lijn gestelde personen. Daarmee wordt grotendeels op
de bestaande situatie voortgebouwd. Onderdeel A van de bijlage bij deze wet
[lees: bijlage bij de Beroepswet, red.]
somt daartoe de desbetreffende regelingen op (zie de toelichting op de
bijlage).
De
rechtsmacht van de Centrale Raad van Beroep, oordelend in hoger beroep in
socialezekerheidszaken, betreft uitspraken van de rechtbanken op beroepen
ter zake van besluiten op grond van wetten op het terrein van de sociale
zekerheid. De onderdelen B en C van de bijlage bij deze wet
[lees: bijlage bij de Beroepswet, red.]
sommen deze
regelingen op (zie de toelichting op de bijlage).
Voor de
toelichting op dit artikel wordt overigens verwezen naar de toelichting op
artikel 37 van de Wet
op de Raad van State [niet opgenomen in deze webpagina, red.].
Artikel 19
In deze
bepaling is geregeld dat, in afwijking van de algemene regel dat het verzet of het hoger
beroep geen schorsende werking heeft, de rblz.|177|
werking van de uitspraak van de rechtbank inzake besluiten op het terrein
van de sociale zekerheid is
opgeschort totdat de termijn voor het doen van verzet of het instellen van
hoger beroep is verstreken, dan wel indien verzet is gedaan of hoger beroep
is ingesteld, daarop is beslist. Daarmee wordt aangesloten bij het
bestaande stelsel in de sociale zekerheid. Vele besluiten inzake aanspraken
werken door in andere besluiten (bijvoorbeeld besluiten inzake de
verzekeringsplicht). De vernietiging van een uitspraak in eerste aanleg
kan derhalve verstrekkende gevolgen hebben. Bovendien leidt de
schorsende werking van het verzet of het appel ertoe dat problemen met
betrekking tot de terugvordering van - achteraf - ten onrechte toegekende uitkeringen worden voorkomen.
Uiteraard laat deze bepaling
onverlet de mogelijkheid dat de rechter in eerste aanleg bepaalt dat zijn
uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is (zie artikel 8.2.6.11 [-]
van de Awb).
Artikelen 20 tot en met 28
Voor de toelichting op deze
artikelen wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 38
tot en met 46 van de Wet
op de Raad van State [niet opgenomen in deze webpagina, red.].
Artikel
22, tweede lid, behoeft
een aanvullende toelichting. In die bepaling is opgenomen dat in de
daar aangeduide socialezekerheidszaken, in afwijking van het
algemene griffierecht in hoger beroep, een verminderd griffierecht van ƒ100,- wordt geheven. Dit geldt ook voor de overeenkomstige
socialezekerheidsregelingen voor ambtenaren en, wat het invaliditeitspensioen
betreft, ook voor arbeidscontractanten bij de overheid. Wij menen dat een
griffierecht van ƒ300,- voor de desbetreffende groepen rechtzoekenden te
hoog zou zijn. Het merendeel (ongeveer 80%) van hen heeft
immers aanspraak op een uitkering die niet hoger is dan het minimumniveau. Daartegenover
staat dat wij het
onjuist achten indien in dezen
een algehele vrijstelling van het betalen van griffierecht zou worden
voorgesteld. Dat zou in strijd komen met de doelstellingen die aan het
heffen van griffierecht ten grondslag liggen (zie de toelichting op afdeling
8.2.1 van de Awb). Voor de goede orde verwijzen wij hier nog naar
hetgeen in algemene zin over het griffierecht in appel is overwogen bij artikel
40 van de Wet
op de Raad van State [niet opgenomen in deze webpagina, red.]. Wij zijn van oordeel dat een bedrag
dat overeenkomt met een tweevoud van het tarief in eerste aanleg
evenwichtig en verantwoord is.
Bijlage bij de
Beroepswet
Onderdeel A
Op
grond van artikel 18, eerste lid, onderdeel
a, is de Centrale Raad van Beroep appelrechter in
ambtenarenzaken. Onderdeel A van de bijlage breidt deze rechtsmacht
uit tot appellen in zaken betreffende personen die met ambtenaren op
één lijn worden gesteld.
De onder 1 en 2 genoemde wetten
zijn opgenomen omdat niet al degenen die een pensioen of een
uitkering wegens vervroegd uittreden ontvangen ambtenaren zijn als
bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet.
De onder 3 tot en met 5 genoemde
wetten hebben betrekking op personen op wie in noodsituaties
een beroep wordt gedaan, bijvoorbeeld noodwachters.
rblz.|178|
Het opnemen van de onder 6
genoemde algemene maatregelen van bestuur strekt ertoe te
verzekeren dat uitsluitend de Centrale Raad van
Beroep bevoegd is om in hoger
beroep te oordelen over besluiten van de Minister van Onderwijs en
Wetenschappen die de rechtspositie van onderwijspersoneel betreffen, of
het nu gaat om personeel van openbare scholen of van bijzondere
scholen.
Onderdeel B
Ingevolge de Wet van 29
september 1988, Stb. 188, 473, zal de negatieve lijst bij de Wet Arob in ieder
geval vervallen met in gang van het tijdstip waarop de TwK vervalt. Op die
lijst staan onder meer vermeld een achttiental regelingen inzake de
zogenoemde Indische pensioenen. Zonder nadere regeling zou
beroep komen open te staan bij de rechtbanken en hoger beroep bij de
Afdeling bestuursrechtspraak. Een dergelijke rechtsmachttoedeling
achten wij gelet op de aard van de materie ongewenst. Het gaat hier om (ten
dele ambtelijke) socialezekerheidsaangelegenheden. Derhalve wordt
door plaatsing op de bijlage voorgesteld om hoger beroep open te stellen
bij de Centrale Raad van
Beroep.
Vanwege de specialistische
kennis en het aantal zaken wordt overigens het beroep in eerste aanleg
geconcentreerd bij de rechtbank te 's-Gravenhage (zie artikel XXV van
onderdeel 5.2 [niet opgenomen in
deze webpagina, red.]).
Onderdeel C
Dit onderdeel bevat de "gewone"
wetten op het terrein van de sociale zekerheid.
(...)
rblz.|268|
6.
Overgangs-
en
slotbepalingen
Artikel I In de
toelichting op de
onderdelen O, P en Q, van artikel I van onderdeel 2 (Algemene wet
bestuursrecht) is reeds naar voren gebracht dat het overgangsrecht in
hoofdstuk 9 [11]
van de Awb komt te vervallen en zal worden opgenomen in
artikel l
van onderdeel 6 van het onderhavige
wetsvoorstel. Artikel I bevat
een geïntegreerd overgangsrecht dat betrekking heeft op de eerste
tranche van de Awb, de Aanpassingswet Awb en dit
wetsvoorstel. Het
streven is zoals gezegd erop gericht dat deze wetten tegelijkertijd in
werking treden. Door één geïntegreerd overgangsrecht wordt bereikt dat
op één plaats duidelijkheid wordt geschapen over het toepasselijke
overgangsregime. In de algemene toelichting op hoofdstuk 9 van
de Awb is opgemerkt dat wat het overgangsrecht betreft drie
karaktertrekken van de Awb relevant zijn: de Awb codificeert en harmoniseert
in overwegende mate en heeft voornamelijk betrekking op regels van
formeel recht. Het overgangsrecht kan daardoor eenvoudig blijven. In het eerste lid is de inhoud
van het huidige artikel 7.1 [-] van de Awb overgenomen. Besluiten die
vóór
de inwerkingtreding van deze wet zijn aangevraagd, worden
overeenkomstig het oude recht tot stand gebracht. Afzonderlijke regeling behoeven
de ambtshalve te nemen beslissingen, omdat de voorbereiding daarvan
niet wordt gemarkeerd door een uniform beginpunt. Een termijn
van dertien weken na inwerkingtreding van deze wet stelt het
bestuursorgaan dat daarvóór de voorbereiding van een dergelijk besluit ter hand
heeft genomen in staat die voorbereiding af te wikkelen volgens het oude
recht. In het tweede lid wordt het
overgangsregime neergelegd ten aanzien van voorzieningen van
rechtsbescherming en de aanvang en de duur van de termijn waarbinnen van zo een
voorziening gebruik kan worden gemaakt. Het wetsvoorstel brengt
voor zover hier van belang globaal gesproken vier soorten
wijzigingen teweeg: 1. Verschuiving van rechtsmacht
van de burgerlijke rechter naar de administratieve rechter voor
zover tegen besluiten vóór inwerkingtreding geen en nadien wél beroep komt
open te staan bij de administratieve rechter (bijvoorbeeld
vervanging van "beschikking" door "besluit"; invoering van het begrip
belanghebbende; schrappen van de bij de Wet Arob behorende negatieve lijst).
2. Verschuiving van rechtsmacht
binnen het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming
(vervanging van kroonberoep door beroep op een administratieve rechter (rechtbank,
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State of
College van Beroep voor
het bedrijfsleven); invoering van rechtspraak in
twee instanties in voormalige Arob-, TwK- en kroongeschillen).
rblz.|269|
3. Invoering van een algeheel
verplichte bezwaarschriftprocedure.
4. Aanvang en duur van de
termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. In het tweede lid wordt
voorgesteld dat voor de mogelijkheid (en onmogelijkheid) om bezwaar te
maken of beroep (administratief beroep of beroep bij de administratieve
rechter) in te stellen tegen een besluit, cruciaal is het tijdstip van
bekendmaking van het bestreden besluit. Ten aanzien van besluiten
bekendgemaakt vóór onderscheidenlijk op of na het moment van
inwerkingtreding
is het oude recht onderscheidenlijk het nieuwe recht bepalend voor
het antwoord op de vraag of, en zo ja, welke voorziening openstaat en
wanneer de termijn ingaat en hoe lang deze is. Dit overgangsregime houdt voor
de hiervoor genoemde vier typen wijzigingen in concreto het
volgende in:
1. Tegen een vóór de datum van
inwerkingtreding bekendgemaakt besluit dat niet vatbaar is voor
Arob-beroep (of voor beroep op een andere administratieve rechter)
kan uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden opgekomen. Indien tegen
een van beroep uitgezonderd besluit op grond van afdeling 8.1.1 van
de Awb beroep komt open te staan bij de rechtbank, dan staat dat
beroep open tegen besluiten die op of na die datum van inwerkingtreding zijn
bekendgemaakt.
2. Hier geldt mutatis mutandis
hetzelfde als onder 1. Indien een besluit vatbaar is voor beroep
op de TwK-rechter of op de Kroon, staat tegen zo een vóór de datum van inwerkingtreding bekendgemaakt besluit
uitsluitend dat beroep open.
Vervanging van TwK- en kroonberoep door beroep op een administratieve
rechter kan uitsluitend betreffen besluiten die op of na die datum van
inwerkingtreding zijn bekendgemaakt.
3. Indien tegen een besluit geen
bezwaar kan worden gemaakt en daartegen rechtstreeks beroep op
de administratieve rechter kan worden ingesteld, vindt artikel 6.3.1a
[7:1] van de Awb
toepassing ten aanzien van besluiten die op of na de datum
van inwerkingtreding zijn bekendgemaakt.
4. Ten aanzien van een vóór de
datum van inwerkingtreding bekendgemaakt besluit geldt de oude
termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift. Het derde lid regelt het
toepasselijke procesrecht. Hier is bepalend of het bezwaar- of beroepschrift
is ingediend vóór dan wel op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet. Dit houdt in concreto het volgende in. Een voorprocedure die
vóór de
inwerkingtreding van deze wet in gang is gezet, wordt volgens het oude
recht afgewikkeld. Indien die voorprocedure niet voorziet in een
hoorplicht van de indiener van het bezwaarschrift, behoeft deze na
inwerkingtreding niet alsnog te worden gehoord. Indien na de datum van
inwerkingtreding een bezwaarschrift wordt ingediend tegen een besluit dat vóór die datum bekend is gemaakt, verloopt de
bezwaarschriftprocedure volgens de nieuwe procedureregels. Zoals in de toelichting op
artikel 7.2 van de Awb reeds is opgemerkt, dient het bestuursorgaan de
rechtmatigheid van het bestreden primaire besluit te beoordelen aan de
hand van het oude recht dat geldt voor het nemen van besluiten. Een op of na de datum van
inwerkingtreding ingediend beroepschrift wordt afgedaan volgens het
nieuwe procesrecht van hoofdstuk 8. Indien het beroep is gericht tegen een
vóór die datum bekendgemaakt besluit, vindt toetsing plaats aan de
hand van het recht dat gold vóór de totstandkoming van het besluit.
rblz.|270|
Een na inwerkingtreding van deze wet
ingesteld beroep tegen een beslissing op een bezwaarschrift die onder het oude recht tot stand is gekomen, wordt behandeld volgens
het nieuwe procesrecht. Dat betekent onder meer dat een
onder het oude recht uitgesproken voorlopige voorziening die
doorloopt na de beslissing op het bezwaarschrift, nadat tegen de
beslissing op het bezwaarschrift beroep is ingesteld, wordt beheerst door
het nieuwe recht. De gegeven voorlopige voorziening zal derhalve in
ieder geval een einde nemen op het moment dat de rechtbank
in de bodem een
uitspraak doet.
Een op het moment van
inwerkingtreding lopende procedure bij de rechtbank in een
socialezekerheidszaak wordt afgewikkeld volgens het procesrecht van de Beroepswet.
Tegen een uitspraak van de rechtbank in een dergelijke zaak kon en kan
hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van
Beroep.
Aangezien dit beroepschrift is ingediend na inwerkingtreding van deze wet,
doet de Centrale Raad de zaak af volgens hoofdstuk 8
van de Awb. Een op het tijdstip van
inwerkingtreding aanhangig kroonberoep, Arob-beroep of TwK-beroep wordt
afgedaan volgens het daarvoor geldende oude procesrecht. Nu de
Afdeling voor de geschillen van bestuur en de Afdeling
rechtspraak op dat tijdstip echter worden opgeheven, wordt voorgesteld dat
de Afdeling bestuursrechtspraak deze zaken verder behandelt. Bezwaar van het in het derde lid
gekozen regime zou kunnen zijn dat een procedure die op de datum
van inwerkingtreding nog in een pril stadium verkeert niettemin
geheel volgens het oude procesrecht wordt afgewikkeld en derhalve van de
voordelen die het nieuwe procesrecht biedt nog niet kan worden
geprofiteerd. Daarbij moet echter worden aangetekend dat datgene wat voor
de ene partij een voordeel is voor de andere een nadeel kan zijn. In
die zin draagt de keuze voor het ene of het andere overgangsregime altijd een wat arbitrair karakter. Bij de keuze
voor het onderhavige
overgangsregime heeft een belangrijke rol gespeeld dat het gewenst is
dat de rechtbanken geleidelijk met bestuursrechtelijke zaken worden
geconfronteerd. In het vierde lid is een
regeling opgenomen die overeenkomt met huidige artikel
7.2 [-], eerste lid,
onderdeel b, van de Awb. Indien tegen een "oud" besluit zowel
vóór als
op of na het moment van inwerkingtreding van de wet een bezwaar- of
beroepschrift is ingediend, worden beide procedures afgewikkeld volgens
het oude procesrecht.
Artikel III Ter verzekering dat alle in de
wetgeving opgenomen regelingen van het kroonberoep worden vervangen
door beroep op een administratieve rechter, is in het voorliggende wetsvoorstel een
vangnetbepaling
opgenomen. Het beroep dient te
worden ingesteld bij de rechtbank. Niet ondenkbaar is immers dat een
enkele bepaling waarin kroonberoep is opengesteld in deze omvangrijke
aanpassingsoperatie over het hoofd is gezien. Ook zijn er diverse
wetten of wettelijke bepalingen waarvan kan worden opgemerkt dat zij
feitelijk zijn uitgewerkt en derhalve geen kroongeschillen meer kunnen
opleveren. Die bepalingen zijn niet altijd aangepast in het voorliggende
wetsvoorstel. Voor zover er op grond van die bepalingen nochtans een
kroonberoep aanhangig gemaakt zou worden, verzekert deze
vangnetbepaling dat dat beroep moet worden ingesteld bij de rechtbank. De
bij dit wetsvoorstel onverhoopt niet aangepaste bepalingen zullen in
voorkomende gevallen uiteraard alsnog worden aangepast. rblz.|271|
Artikel IV Invoering van de verplichte
bezwaarschriftprocedure ten aanzien van geschillen op grond van de Ziektewet, de
AAW/WAO en ten aanzien van geschillen inzake verstrekkingen
en aanspraken op grond van de Ziekenfondswet en de
AWBZ blijft
gedurende drie jaar na inwerkingtreding van deze wet
achterwege. Deze
uitzondering geldt niet voor de voorzieningen op grond van artikel 57, eerste
lid, van de
AAW. Aan dit voorstel liggen de
volgende overwegingen ten grondslag. In de eerste plaats zijn aan
invoering van een bezwaarschriftprocedure in medische zaken aanzienlijke
bestuurslasten verbonden. Het gaat niet alleen om grote aantallen zaken, maar ook om de kosten die het gevolg
zijn van raadpleging van het
medische dossier en een eventuele herkeuring door een andere arts
dan de arts die bij de primaire besluitvorming is betrokken. In de tweede plaats is niet
zeker of de algemene zeefwerking van de bezwaarschriftprocedure de
verhouding tussen het aantal weggezeefde zaken en het aantal bezwaarschriften van 65% tot 75% ook in medische
zaken zal kunnen worden bereikt.
Het is mogelijk dat het conflictoplossend vermogen van de
bezwaarschriftprocedure in medische zaken aanmerkelijk lager is als gevolg
van de omstandigheid dat over een medische beoordeling vaak
verschil van inzicht kan bestaan, waardoor vaker wordt doorgeprocedeerd. In de derde plaats is de
uitvoeringsorganisatie de komende jaren aan een reorganisatie onderhevig. De
uitvoeringsorganen kunnen deze reorganisatie benutten om zich
voor te bereiden op integrale introductie van de bezwaarschriftprocedure. Door voor de
AAW-voorzieningen
wel nu al de verplichte bezwaarschriftprocedure in te voeren,
kan op een beperkt terrein met de bezwaarschriftprocedure in
medische zaken worden geëxperimenteerd. Door invoering van de
bezwaarschriftprocedure op het terrein van de sociale zekerheid in het
algemeen en door de beperkte invoering reeds nu van een
bezwaarschriftprocedure waarbij vaak een medisch aspect een rol speelt, worden de
effecten zichtbaar van de toepasselijkheid en de niet-toepasselijkheid van de
bezwaarschriftprocedure in geschillen van medische aard. Indien in de
periode van drie jaar na inwerkingtreding van deze wet
in het kader van
een evaluatie ter zake zou blijken dat de voordelen van een bezwaarschriftprocedure in medische zaken aanmerkelijk kleiner zijn dan
gebruikelijk, kan hernieuwde besluitvorming plaatsvinden en kunnen de uitkomsten
daarvan worden neergelegd in een wetsvoorstel.
Artikel VII
Het
onderhavige wetsvoorstel regelt een twaalfmaandentermijn voor de afhandeling
van beroepen door de Afdeling bestuursrechtspraak krachtens artikel 20.1 van
de Wet milieubeheer (vgl. het tweede lid van dat artikel). In verband met de
te treffen maatregelen ter verzekering dat milieugeschillen ook
daadwerkelijk binnen die termijn kunnen worden rblz.|272|
afgedaan, is in dit artikel
bepaald dat artikel 20.1, tweede lid, van de Wet
milieubeheer in werking
treedt op een afzonderlijk bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
C.I. Dales
|