|
rblz.|1|
Kamerstukken II
1991-1992, 22 495
Wijziging
van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Algemene
wet bestuursrecht, de Wet
op de Raad van State, de Beroepswet, de
Ambtenarenwet 1929 en
andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak
overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Algemene
beschouwingen |
| 1.1 |
Oogmerk
en inhoud van het wetsvoorstel |
| 1.2 |
Opbouw
van de memorie van toelichting |
| 1.3 |
De
herziening van de rechterlijke organisatie |
| 1.4 |
Het
stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming |
| 1.5 |
Plaatsbepaling
van het wetsvoorstel |
| 1.6 |
Opbouw
van het wetsvoorstel |
| 1.7 |
Voorbereiding
van het wetsvoorstel |
| 2 |
Uniform
bestuursprocesrecht |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Bestuursrecht
en bestuursprocesrecht |
| 2.3 |
Uitgangspunten
voor het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht |
| 2.4 |
Bestuursprocesrecht
en burgerlijk procesrecht |
| 2.5 |
Systematiek
van het nieuwe bestuursprocesrecht |
| 2.6 |
Enkele
rechtsvergelijkende opmerkingen |
| 3 |
Definitieve
voorzieningen in kroongeschillen |
| 3.1 |
Algemeen |
| 3.2 |
Vervanging
van beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve
rechter |
| 3.3 |
Welke
administratieve rechter? |
| 3.4 |
Het
vervallen van de mogelijkheid van centrale sturing en de
compensatie daarvoor |
| 3.5 |
Ambtsberichten |
| 3.6 |
Bevoegdheden
TwK-rechter |
| 4 |
Rechtseenheidsvoorziening |
| 4.1 |
Algemeen |
| 4.2 |
Het
bereik van de rechtseenheidsvoorziening |
| 4.3 |
De
vormgeving van de rechtseenheidsvoorziening |
| 4.4 |
Het
prejudiciële stelsel |
| 5 |
Personele,
financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van
State en de rechterlijke organisatie |
| 5.1 |
Algemeen |
| 5.2 |
Personele
en financiële consequenties voor de Raad van State en de
rechterlijke organisatie |
| 5.3 |
Organisatorische
consequenties voor de rechtbanken |
| 6 |
Gevolgen
voor het bestuur |
| 7 |
Deregulering |
| xArtikelsgewijs |
| 2.
Algemene wet bestuursrecht |
| I |
Voorstel
voor een Algemene wet bestuursrecht (artt. 1.1 t/m 8.4.1) |
| 3.
Wijziging van rechtstreeks betrokken institutionele en
processuele wetten |
| IIIx |
Beroepswet
(artt. 1 t/m 28) |
| 6.
Overgangs- en slotbepalingen (artt. I t/m VII) |
rblz.|8|
Algemeen
1.
Algemene beschouwingen
1.1. Oogmerk en
inhoud van het wetsvoorstel
De totstandkoming
van de thans voorgestelde wet zal mogen worden beschouwd
als een mijlpaal in de ontwikkeling van
de rechterlijke organisatie
in Nederland in het algemeen en van het
stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming in het bijzonder.
Het
wetsvoorstel bevat primair de wettelijke
voorzieningen ter voltooiing
van de eerste fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie:
-
het instellen van algemeen bevoegde
enkelvoudige en meervoudige administratieve
kamers bij de arrondissementsrechtbanken
voor het behandelen
en beslissen van bestuursrechtelijke
zaken in eerste aanleg;
-
het invoeren van administratieve
rechtspraak in twee instanties voor een
groot aantal bestuursrechtelijke zaken
die thans nog in één instantie bij
de Raad van State worden behandeld en
beslist;
-
het treffen van definitieve
voorzieningen in kroongeschillen;
-
het opnemen in de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) van een algemene
regeling van het bestuursprocesrecht;
-
het treffen van een voorlopige
voorziening binnen de rechtspraak ter verwezenlijking
van eenheid in de toepassing van het
recht binnen de bestuursrechtspraak
en tussen de bestuursrechtspraak, de
civiele rechtspraak
en de strafrechtspraak.
Het
wetsvoorstel bevat tevens de wijziging
van een aantal wetten ter aanpassing
aan het voorstel voor een Algemene wet
bestuursrecht (Kamerstukken II, 21 221), de zogenoemde
eerste
tranche van de Awb. Het
gaat daarbij om die wetten of onderdelen
van wetten die, in verband met
de samenhang met het onderhavige
wetsvoorstel, niet zijn aangepast
in het kader van het voorstel voor een
Aanpassingswet Awb (Kamerstukken II,
22 061) en de daarop aansluitende
aanpassingswetten.
1.2.
Opbouw van de memorie van toelichting
De
memorie van toelichting bestaat uit een
algemeen deel en de artikelsgewijze
toelichting. Het algemeen deel omvat
zeven onderdelen. Na
de algemene beschouwingen (1) wordt wat
uitgebreider aandacht besteed
aan drie belangrijke elementen van het
wetsvoorstel: het uniform
bestuursprocesrecht (2), de definitieve
voorzieningen in kroongeschillen (3) en de rechtseenheidsvoorziening
(4).
Daarna wordt aandacht
besteed aan de personele, financiële en
organisatorische consequenties
voor de Raad van State
en de
rechterlijke organisatie (5) en
aan de gevolgen voor het bestuur (6).
Onderdeel 7 ten slotte bevat de
dereguleringsparagraaf. De
artikelsgewijze toelichting bevat op een
belangrijk
aantal plaatsen uitwerkingen van in het
algemeen deel globaal aangeduide
punten, meestal door middel van een
algemene toelichting op
een afgerond deel van het wetsvoorstel.
1.3.
De herziening van de rechterlijke
organisatie
1.3.1.
Algemeen
In
het op 29 juni 1989 onder de titel
"Naar een nieuwe structuur van de
rechterlijke organisatie" aan de Tweede
Kamer aangeboden standpunt
over het Eindrapport van de Staatscommissie Herziening
rblz.|9|
Rechterlijke
Organisatie (deel I) (Kamerstukken II
1988-1989, 21 206, nr.
2) en het op 2 maart 1989 aan de Tweede
Kamer aangeboden standpunt over de invoering van Arob-rechtspraak
in twee instanties (Kamerstukken II 1988-1989, 21 048, nr. 2) heeft het
vorige kabinet zijn beleidsvoornemens
betreffende de herziening van de
rechterlijke organisatie
neergelegd. Dat kabinet had de intentie
met de Tweede Kamer ten gronde
van gedachten te wisselen over deze
beide nota's. Door de val van
dat kabinet heeft een dergelijke
gedachtenwisseling niet meer kunnen
plaatsvinden. Het nieuwe kabinet was
aanvankelijk voornemens met
een vervolgnota op de twee eerdere
nota's te komen. Bij nadere overweging
is er echter voor gekozen geen
definitieve beleidsvoornemens
te ontwikkelen voor de derde fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie. Daardoor ontviel ook de
grond aan een vervolgnota.
In plaats daarvan is gekozen voor een
aanpak waarin de discussie
met de Staten-Generaal over de
herziening van de rechterlijke organisatie
wordt gevoerd aan de hand van de
respectieve concrete wetsvoorstellen.
Bij brief van 22 juni 1990 (Kamerstukken
II 1989-1990,
21 048/21 206, nr. 3) is de Tweede Kamer
hiervan op de hoogte
gesteld. Een dergelijke keuze is alleen
dan uit een oogpunt van behoorlijke
en zorgvuldige regelgeving aanvaardbaar
als is verzekerd dat de wetgever bij de behandeling van die
wetsvoorstellen telkens in staat is om
de reikwijdte en de draagwijdte van de
te nemen beslissingen te overzien.
Dit uitgangspunt impliceert dat de
wetgever bij het tot stand brengen
van een bepaalde fase niet kan
preluderen op legislatieve beslissingen
met betrekking tot de volgende fasen.
Dat neemt niet weg dat het voor een goede beoordeling van elk
afzonderlijk wetsvoorstel gewenst is dat duidelijk is welke
doelstellingen met de herziening van de rechterlijke
organisatie als geheel worden nagestreefd en welke
concepties
daaraan ten grondslag liggen. Zo kan
immers de zelfstandige betekenis
van elk afzonderlijk wetsvoorstel mede
worden beoordeeld in het perspectief van de herziening van de
rechterlijke organisatie als geheel.
Het
wetgevingsproces ten aanzien van de
herziening van de rechterlijke
organisatie voldoet naar ons oordeel aan
de uit het hiervoor geformuleerde
uitgangspunt voortvloeiende normen. In
de memorie van toelichting,
de memorie van antwoord en de nota naar
aanleiding van het eindverslag
bij het voorstel van wet tot wijziging
van de Wet
op de rechterlijke organisatie, de Ambtenarenwet
1929, de
Beroepswet en enkele
andere wetten (integratie raden van
beroep/Ambtenarengerechten
en arrondissementsrechtbanken; vereenvoudiging regelingen
vorming
en bezetting kamers) (Kamerstukken II,
21 967) - het zogenoemde
wetsvoorstel voorintegratie - is immers
ten gronde ingegaan
op de doelstellingen en de
beleidsvoornemens van dit kabinet met
betrekking tot de herziening van de
rechterlijke organisatie als geheel
en de daaraan ten grondslag liggende concepties. Bij die
gelegenheid
zijn voor de eerste fase definitieve en
volledig geconcretiseerde
beleidsvoornemens gepresenteerd en is
uitgebreid ingegaan op de realisatiemogelijkheden daarvan. Voor de
tweede fase zijn definitieve maar
nog niet volledig geconcretiseerde
beleidsvoornemens geformuleerd.
Voor de derde fase is volstaan met het
aangeven van de onderwerpen
waarover in die fase besluitvorming moet
plaatsvinden en van mogelijke
oplossingsrichtingen. Voorts is in het
kader van het wetsvoorstel voorintegratie een uiteenzetting gegeven
van het tijdschema
en het wetgevingstraject. Daarbij is
tevens duidelijk gemaakt dat
de wetsvoorstellen die samen leiden tot
het tot stand brengen van de eerste fase een onlosmakelijk geheel vormen.
De wetgever kiest immers bij
aanvaarding van het wetsvoorstel
voorintegratie tevens voor aanvaarding
van in elk geval de conceptie van
integratie van de civiele rblz.|10|
rechtspraak,
de strafrechtspraak en de
bestuursrechtspraak aan de basis van
de rechterlijke organisatie en, mede in
verband daarmee, van de hoofdregel
van rechtspraak in twee feitelijke
instanties ook in bestuursrechtelijke
zaken. Tegelijkertijd is duidelijk
gemaakt dat aanvaarding van de
wetsvoorstellen voor de eerste fase niet
impliceert aanvaarding van de
beleidsvoornemens voor de tweede fase,
noch vooruitlopen op de beleidsvoornemens
voor de derde fase. Die komen pas aan de
orde bij de
parlementaire behandeling van de
wetsvoorstellen die moeten leiden tot
het tot stand brengen van die tweede en
die derde fase.
Met
het tot stand brengen van een nieuwe
structuur van de rechterlijke organisatie
worden drie doelstellingen nagestreefd:
-
het scheppen van voorwaarden voor het
verbeteren onderscheidenlijk
het in stand houden van de juridische
kwaliteit en het gehalte van de
rechtspraak. Dit kan worden bereikt door
het treffen van voorzieningen
die zijn gericht op de totstandkoming
van eenheid van recht en rechtspraak,
door een zodanige inrichting van de
rechterlijke organisatie dat,
in de regel, de mogelijkheid bestaat om
een in eerste instantie gegeven
rechterlijk oordeel in volle omvang in
hoger beroep te laten toetsen
en door waar nodig te voorzien in
concentratie van rechtsmacht;
-
het scheppen van voorwaarden voor het
verbeteren van de cliëntgerichtheid
van de rechtspleging. Daartoe dient
allereerst de rechterlijke organisatie
toegankelijker en doorzichtiger te
worden. Dat kan worden verwezenlijkt
door een heldere, eenvoudige structuur
van de rechterlijke organisatie,
door een goede bereikbaarheid van de
rechter in eerste aanleg
en door een lage drempel bij de toegang
tot de rechter. Ten tweede
moeten rechterlijke uitspraken sneller
beschikbaar komen. Behalve
invoering van rechtspraak in twee
instanties voor zaken die thans
nog in één instantie worden behandeld
en beslist, kunnen, naast uiteraard
een doeltreffende en doelmatige
bedrijfsvoering, processuele voorzieningen
daaraan bijdragen;
-
het scheppen van evenwicht in de
structuur van de rechterlijke organisatie.
Daartoe dient de inzet van mensen en
middelen binnen de rechterlijke
organisatie zodanig te worden gericht
dat elke zaak kan worden
behandeld en beslist op een wijze die is
toegesneden op haar aard
en zwaarte. In het kader van het
wetsvoorstel voorintegratie is hierop uitgebreid ingegaan.
1.3.2.
Fasering
De
herziening van de rechterlijke
organisatie zal in drie fasen tot stand worden
gebracht. Zij wordt daarbij niet als
één grote, ondeelbare operatie
gepresenteerd. Hiervoor zijn wij al ingegaan op de keuze voor
een
gefaseerde aanpak van de herziening van
de rechterlijke organisatie en
de vormgeving van de politieke
besluitvorming daarover. Daarbij is erop
gewezen dat aan de operatie als geheel
uiteraard bepaalde, samenhangende
concepties ten grondslag liggen. Daaruit
volgt dat de drie fasen
met elkaar samenhangen. Daaruit volgt
echter niet dat aanvaarding
van een eerdere fase rechtstreeks
impliceert aanvaarding van
of vooruitlopen op één of meer latere
fasen. In die zin is geen sprake van
een ondeelbare operatie.
In
de memorie van toelichting, de memorie
van antwoord en de nota naar
aanleiding van het eindverslag bij het
wetsvoorstel voorintegratie is ingegaan
op de inhoudelijke relatie tussen de
drie fasen. Die relatie heeft gevolgen
voor de opeenvolging van en de
tijdsruimte tussen die fasen.
De
eerste fase behelst enkele belangrijke
stappen op de weg naar de herstructurering
van het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming.
rblz.|11|
Zij
leidt tot de integratie van de
rechtspraak in eerste aanleg in
socialezekerheidszaken,
ambtenarenzaken, Arob-zaken en een deel
van de
geschillen op grond van de Tijdelijke wet Kroongeschillen
(TwK) en de kroongeschillen
binnen de rechtbanken, door middel van
het opdragen van
de rechtsmacht in die zaken aan de nieuw
in te stellen administratieve kamers bij de rechtbanken. De
rechtsmacht in hoger beroep in
socialezekerheidszaken
en ambtenarenzaken blijft in deze fase opgedragen
aan de Centrale Raad van
Beroep, terwijl
de rechtsmacht in hoger
beroep in Arob- en TwK- en
kroongeschillen in deze fase wordt opgedragen
aan de nieuw te vormen Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State. De toedeling van
rechtsmacht in die zaken die in eerste
en enige feitelijke instantie door de
Centrale Raad van Beroep worden
behandeld, zal thans nagenoeg geen wijziging ondergaan. Een
deel
van de TwK- en kroongeschillen zal
voorshands in eerste en enige feitelijke
instantie worden behandeld door de
Afdeling bestuursrechtspraak.
De
administratieve kamers van de rechtbanken, de
Afdeling bestuursrechtspraak,
de Centrale Raad van
Beroep en ook het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en het College van
beroep studiefinanciering zullen rechtspreken
volgens een nieuw, uniform
bestuursprocesrecht, opgenomen
in hoofdstuk 8
van de Awb.
Ten
slotte zal een - in afwachting van een
definitieve voorziening in de derde
fase voorlopige - voorziening binnen de
rechtspraak worden getroffen
ter verwezenlijking van eenheid in de
toepassing van het recht binnen
de bestuursrechtspraak en tussen de
bestuursrechtspraak, de civiele
rechtspraak en de strafrechtspraak.
De
tweede fase omvat de integratie van de
kantongerechten en de rechtbanken
en een definitieve regeling van het
hoger beroep in civiele zaken
en strafzaken.
De
derde en laatste fase omvat allereerst
de voltooiing van de herstructurering
van het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming.
Het gaat daarbij om de integratie van de
resterende administratieve
rechtspraak in eerste aanleg, een
definitieve oplossing
van het vraagstuk van één of twee
feitelijke instanties voor de berechting
van de verschillende categorieën
administratieve zaken, de definitieve
onderbrenging van de rechtspraak in
tweede feitelijke instantie
en een definitieve
rechtseenheidsvoorziening binnen de rechtspraak.
In de derde fase zal tevens de
herziening van de toegang tot de cassatieprocedure
aan de orde komen.
1.3.3.
Implementatie
De
eerste fase vangt zoals bekend aan met
de integratie van de raden van
beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken. De beoogde datum
van inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorintegratie is 1 juli
1992,
nadat aanvankelijk was gemikt op 1
januari 1992. Voor de voltooiing
van de eerste fase gingen de gedachten
aanvankelijk uit naar 1 januari
1993. Het vasthouden aan die datum is
echter niet langer reëel. Voor
het vaststellen van een nieuwe datum
moet rekening worden gehouden
met een aantal factoren.
Wij
stellen de dringende wenselijkheid
voorop van gelijktijdige inwerkingtreding
van de vijf onderdelen van het
onderhavige wetsvoorstel. rblz.|12|
Omwille
van de beperking van de implementatieproblematiek, met name
bij
de Raad van State, en ter beperking van
de belasting van het wetgevingstraject,
is het nodig de invoering van
Arob-rechtspraak in twee instanties
en het treffen van definitieve
voorzieningen in kroongeschillen, en
daarmee het instellen van algemeen
bevoegde administratieve kamers bij
de rechtbanken, op hetzelfde tijdstip te
laten plaatsvinden. De invoering
van een uniform bestuursprocesrecht kan
vervolgens daarvan weer
niet worden los gezien. Uitstel daarvan
zou betekenen dat de rechtbanken
gedurende een zekere tijd met drie
verschillende regelingen van bestuursprocesrecht
zouden moeten werken, waarvan er één
voor de rechtbanken
geheel nieuw zou zijn. Verder zou voor
een zekere tijd een nieuw
appelprocesrecht voor de Afdeling
bestuursrechtspraak moeten worden
ontworpen. Voor de voormalige TwK- en
kroongeschillen die in deze
fase in eerste en enige instantie door
de Afdeling bestuursrechtspraak
worden behandeld, zou eveneens voor een
zekere tijd een nieuw procesrecht
gelden. Deze consequenties zijn niet
aanvaardbaar. Het tot stand
brengen van een, voorlopige,
rechtseenheidsvoorziening ten slotte is
weer nauw verbonden met, onder meer, de
invoering van een uniform bestuursprocesrecht.
In dit verband is ook aandacht nodig
voor de eerste tranche
van de Awb. Gelet op de, inhoudelijke en
wetgevingstechnische, samenhang
tussen de hoofdstukken
1, 6 en 7 van
dat
wetsvoorstel en het
uniforme bestuursprocesrecht, alsook op
de onwenselijkheid van het in
korte tijd twee keer moeten wijzigen van
de bestaande regelingen van bestuursprocesrecht,
is het gewenst dat de eerste tranche van
de Awb op
hetzelfde tijdstip in werking treedt als
het onderhavige wetsvoorstel.
Verder
stellen wij andermaal vast dat het van
groot belang is dat de voltooiing
van de eerste fase zo spoedig mogelijk
haar beslag krijgt. De, ook
door de Raad van State
bepleite, noodzaak om te komen tot de
invoering
van Arob-rechtspraak in twee instanties
en de dringend noodzakelijke
aanpak van het steeds nijpender wordende
probleem van de werkvoorraden bij de Raad van State
dwingen hier reeds toe. Voorts speelt
het expireren van de TwK een belangrijke
rol. Weliswaar is een beperkte
verlenging van de werkingsduur niet
onaanvaardbaar (zie hierna),
een dergelijke verlenging moet echter,
om tegemoet te komen aan
de in de TwK uitgedrukte wil van de
wetgever, zo beperkt mogelijk zijn.
Verder wordt de personele,
organisatorische en financiële problematiek
verergerd naarmate de inwerkingtreding
verder naar achteren verschuift.
Anderzijds
is daar het vereiste van een maximale
voorspelbaarheid, beheersbaarheid
en zorgvuldigheid van het
wetgevingstraject en het implementatietraject.
Daaruit volgt onder meer dat bij het
vaststellen van
een nieuwe datum zekerheid moet bestaan
over de haalbaarheid daarvan
dat de beoogde datum van
inwerkingtreding ruim van tevoren vaststaat
en dat tussen de plaatsing in het
Staatsblad van de
wet, althans
tussen het moment waarop de tekst van de
wet vaststaat, en de inwerkingtreding
een periode van gewenning wordt
ingebouwd, een periode
die overigens in dit geval beperkt kan
blijven.
Gelet
op de hiervoor besproken factoren en op
de fase waarin het onderhavige
wetsvoorstel én de eerste tranche van
de Awb thans verkeren,
achten wij het gewenst de inwerkingtreding van beide
wetsvoorstellen
te laten plaatsvinden per 1 juli 1993,
althans niet later dan
per 1 januari 1994. Wij stellen ons voor na de indiening van dit wetsvoorstel
met de Staten-Generaal te komen tot
afspraken over de wijze
en het tijdstip van behandeling, opdat
aan de implementatie gestalte
kan worden gegeven, rekening houdend met
een nieuwe beoogde
datum van inwerkingtreding.
rblz.|13|
Uit
het voorgaande volgt dat per 1
januari 1993 een wettelijke regeling
in werking zal moeten treden die
voorziet in de gevolgen van het vervallen
van de TwK. Nu wordt voorgesteld het
onderhavige wetsvoorstel
op een later tijdstip in werking te doen
treden, is het nodig een
tussentijdse voorziening te treffen.
Daar wij van oordeel zijn dat het vanwege
de nauwe samenhang tussen de in dit
wetsvoorstel geregelde onderwerpen
en vanwege de noodzaak het
wetgevingstraject niet onnodig
te belasten, niet wenselijk is over te
gaan tot een verdere fasering
van de eerste fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie,
zal op korte termijn een wetsvoorstel in
procedure worden gebracht
dat ertoe strekt de werkingsduur van de
TwK te verlengen.
In
de eerste fase wordt een zeer belangrijk
deel van de bestuursrechtspraak
in eerste aanleg geïntegreerd.
Tegelijkertijd wordt de geïntegreerde
bestuursrechtspraak in eerste aanleg
geïntegreerd met een belangrijk
deel van de civiele en de
strafrechtspraak in eerste aanleg. Het complement
daarvan vormt de voltooiing van de
integratie van de civiele en de strafrechtspraak in eerste aanleg,
ofwel de integratie van de kantongerechten
en de rechtbanken. Daarmee wordt tevens
opnieuw een,
in belang en omvang groeiend, onderdeel van de bestuursrechtspraak
in eerste aanleg, namelijk de
rechtspraak op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, bij de
rechtbanken ondergebracht. Enerzijds is het voor een
goede implementatie van
de tweede fase van belang dat er een
behoorlijke tijdsruimte tussen de
voltooiing van de eerste fase en de tweede fase zit. Anderzijds is het
voor
de continuïteit van de herziening als
geheel, alsook in verband met de
wenselijkheid van een spoedige
stroomlijning van het burgerlijk procesrecht
binnen de rechtbank, van belang dat die
tijdsruimte zo beperkt
mogelijk is. Op basis van een analyse
van het wetgevingstraject en
het implementatietraject voor de tweede
fase heeft een tijdsruimte van
ongeveer twee jaar de voorkeur.
De
derde fase is minder urgent dan de
eerste en de tweede fase. Dat gegeven
maakt het mogelijk voldoende tijd te
besteden aan het formuleren
van beleidsvoornemens voor die derde
fase. Het is denkbaar dat in de
derde fase een nadere fasering wordt
aangebracht. In ieder geval gaan
de gedachten uit naar een tijdsruimte
van ongeveer drie jaar tussen de tweede fase en de (kern van de) derde
fase.
Natuurlijk
is het altijd mogelijk dat zich bij de
verwezenlijking van de verschillende
fasen en onderdelen van fasen in de
toekomst onvoorziene ontwikkelingen
en knelpunten voordoen. De gekozen
fasering laat toe in dergelijke
onverhoopte gevallen de planning
tussentijds bij te stellen.
Wij
hebben bij het formuleren van de
beleidsvoornemens en bij de vormgeving
van de fasering nadrukkelijk stilgestaan
bij het feit dat de herzieningsoperatie
moet worden doorgevoerd terwijl de
rechtspleging adequaat
voortgang moet vinden, en dat ook nog in
een situatie waarin de
werklast voor de rechterlijke
organisatie groot is en waarin op onderdelen
sprake is van, soms structurele,
achterstanden. Het staat vast dat die
werklast zonder het nemen van een scala
van maatregelen niet minder
zal worden en dat het voorkomen van
structurele achterstanden niet
mogelijk is zonder het nemen van
structurele maatregelen. Eén van die
maatregelen is de herziening van de
rechterlijke organisatie. Immers, voor
de werklastproblematiek kan geen
oplossing worden gevonden in het
inlopen van achterstanden alleen. Het
zou daarom zeer te betreuren zijn
indien van het bestaan van achterstanden
het verlammende effect zou
uitgaan dat noodzakelijke en wenselijke
maatregelen tot verbetering rblz.|14|
van
de structuur van de rechterlijke
organisatie niet op korte, althans binnen
afzienbare termijn zouden kunnen worden
genomen. Gevreesd zou
dan moeten worden voor het ontstaan van
een situatie waarin telkens
opnieuw door middel van extra
arbeidsplaatsen een - wellicht later
ook weer tijdelijk blijkende - oplossing
moet worden gevonden voor knelpunten,
zonder dat uitzicht op een structurele
oplossing wordt geboden.
Dat
is met name het geval in de situatie
waarop het onderhavige wetsvoorstel
betrekking heeft. In het kabinetsstandpunt over de invoering van
Arob-rechtspraak in twee instanties is uitgebreid ingegaan op de
problematische
gevolgen van het groeiende zaaksaanbod
bij vooral de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State. Voor
de nog steeds oplopende achterstand in de zaaksbehandeling, die
zich onder meer uit in
voor het bestuur en voor de burger
uitermate lange doorlooptijden en die
een gevolg is van het groeiende beroep
van de burger op de administratieve
rechter en van de structurele
onmogelijkheid voor de Afdeling rechtspraak
om de aanhangig gemaakte zaken binnen
aanvaardbare termijnen
te behandelen, heeft de Raad van State,
onder meer in zijn jaarverslagen,
al gedurende enige jaren met klem
aandacht gevraagd. De Raad
heeft in dat verband meermalen een
snelle besluitvorming over de invoering
van een stelsel van Arob-rechtspraak in
twee instanties bepleit. Door
de invoering van een eerste instantie,
ook waar het een deel van de huidige TwK- en kroongeschillen betreft, zal
het zaaksaanbod bij de Raad weer
een zodanige omvang kunnen aannemen dat
hij in staat zal zijn de zaken
binnen aanvaardbare termijnen af te
doen, terwijl tegelijkertijd meer
tijd kan worden vrijgemaakt voor de
advisering over zaken van wetgeving.
Deze taak lijkt thans in het gedrang te
komen door de rechtsprekende taken van de Raad. Bovendien kan alleen
op die wijze worden tegemoetgekomen
aan de wens van de regering en de Raad
om, onder meer
met het oog op het waarborgen van de rechtseenheid
op de aan de Raad
toevertrouwde rechtsgebieden, de omvang
van het aantal staatsraden
beperkt te houden. Omdat tussentijdse
door de Raad getroffen maatregelen
geen structurele oplossing hebben kunnen
bieden, heeft de invoering
van het onderhavige wetsvoorstel in geen
enkel opzicht aan urgentie
ingeboet.
Is
er gezien de werklastproblematiek bij de
Raad van State dus alle reden
om zo snel mogelijk te komen tot de
inwerkingtreding van het onderhavige
wetsvoorstel, niettemin moet zorgvuldig
worden bezien of de
rechterlijke organisatie in staat zal
zijn in een betrekkelijk kort tijdsbestek
de doorvoering van de eerste fase van de
herzieningsoperatie te verwerken.
Wij beschouwen de noodzaak om niet te
wachten met het bereiken
van een oplossing van de problematiek
bij de Raad van State tot
het moment waarop bij alle andere rechtsprekende colleges de
achterstanden
zijn weggewerkt, als een complicerende
factor voor het reorganisatieproces.
Om dit proces toch in goede banen te
kunnen leiden en om te bereiken dat de reorganisatie in
een relatief korte periode kan worden
doorgevoerd, is een beleid geïnitieerd,
gericht op het zodanig equiperen
van de rechterlijke organisatie dat zij
de extra inspanning kan leveren
die nodig is voor het doorvoeren van het
reorganisatieproces. Deze
basis is gelegd door het versterken van
de infrastructuur van de organisatie
(vooral door de substantiële
uitbreiding van het decentrale beheer,
gekoppeld aan de benoeming van een
directeur gerechtelijke ondersteuning
in elk arrondissement), door uitbreiding
van het aantal formatieplaatsen
en door de automatisering, terwijl ook
maatregelen zijn genomen
ter beperking van het zaaksaanbod.
Daarnaast zijn in het reorganisatieproces
zelf voorzieningen getroffen. Ten eerste
wijzen wij op
de welbewust aangebrachte fasering. Bij
de vormgeving van die rblz.|15|
fasering
is mede gelet op andere factoren die
tijdelijk werklastverhogend werken.
Een goed voorbeeld daarvan vormen de
invoering per 1 januari 1992
van belangrijke delen van het nieuwe Burgerlijk
Wetboek en de invoering van de nieuwe civiele
kantongerechtsprocedure, eveneens per 1
januari 1992. Deze drukken vooral op de
civiele sectoren, terwijl de eerste
fase van de herziening vooral drukt op
de administratieve sectoren.
Ten tweede wijzen wij op de
begeleidingsstructuur en de projectorganisatie
die zijn opgezet. Daarop is in het kader
van het wetsvoorstel
voorintegratie uitgebreid ingegaan.
Het
is onvermijdelijk zo dat de herziening
van de rechterlijke organisatie
een extra beroep zal doen op de
spankracht van degenen die binnen
en ten behoeve van de rechterlijke organisatie werkzaam zijn. In
die
zin komt elk tijdstip ongelegen. Er zijn
echter afdoende maatregelen genomen
om hieraan tegemoet te komen.
1.4.
Het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming
1.4.1.
Historische achtergronden
Het
bestaande stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming is
niet de
vrucht van een bewuste organisatorische
keuze op een zeker moment. Het
is eerder het resultaat van uiteenlopende rechtspolitieke en
maatschappelijke
ontwikkelingen. Daarbij is van belang
dat de vormgeving
van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming weliswaar een eigen weg is gegaan, maar toch niet geheel kan
worden los gezien van de
ontwikkeling van de "gewone"
rechterlijke organisatie. Het is
mogelijk noch
nodig hier in extenso op de historie in
te gaan. Wel is het van belang
kort en in grote hoofdlijnen aan te
geven welke tendensen bepalend
zijn geweest voor de huidige situatie.
Zo ontstaat ook een beter zicht op de hierna te bespreken knelpunten.
De
organisatie van de "gewone"
rechtspraak in het gecentraliseerde model
zoals Nederland dit thans kent, gaat
terug tot de Staatsregeling van
1798. Die kende op gemeentelijk niveau
vrederechters voor burgerlijke
zaken, op departementaal niveau rechtbanken
voor burgerlijke zaken en
gerechtshoven voor strafzaken en hoger
beroep in burgerlijke zaken, en
ten slotte op nationaal niveau het Hoog
Nationaal Gerechtshof, dat in het
bijzonder voor ambtsdelicten bevoegd
was. De Grondwet van 1815 bevatte
een regeling inzake een opperste
gerechtshof onder de naam Hoge
Raad der Nederlanden, alsmede
provinciale gerechtshoven, civiele rechtbanken,
criminele rechtbanken en kantongerechten. Bij de uiteindelijke
regeling van de rechterlijke organisatie
in 1838 werd vastgehouden aan
de sinds 1798 tot ontwikkeling gekomen
rechterlijke instellingen, waarbij
de civiele en de criminele rechtbanken
echter werden samengevoegd
in de arrondissementsrechtbanken.
Thans
kent Nederland 62 kantongerechten,
negentien arrondissementsrechtbanken,
vijf gerechtshoven en de
Hoge
Raad der Nederlanden.
Overigens zijn in deze op zichzelf heldere en eenvoudige opbouw
in
de loop der tijd verbijzonderingen
aangebracht. Zo is de taakverdeling tussen
de kantongerechten en de rechtbanken
met
name in civiele zaken allang niet meer gebaseerd op het
onderscheid lichte en eenvoudige versus
zware en moeilijke zaken. Ook zijn
binnen de gerechten specialisaties
ontstaan (zoals de kinderrechter en de
economische strafrechter) en
heeft in bepaalde gevallen concentratie
van rechtsmacht plaatsgevonden
(zoals bij de pachtkamer van het
gerechtshof te Arnhem en de ondernemingskamer
van het gerechtshof te
Amsterdam).
rblz.|16|
De "gewone" rechterlijke organisatie is
een toonbeeld van helderheid en
eenvoud vergeleken met het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
De Nederlandse wetgever is er namelijk
nimmer in geslaagd een
systematisch bepaalde keuze te maken
voor de vormgeving van een dergelijk
stelsel. In de afgelopen twee eeuwen
hebben naast, na en door elkaar
de volgende factoren de ontwikkelingen
bepaald.
Onder
invloed van de suprematie van de wet en
de conceptie van het bestuur
als - exclusieve - uitvoerder van die
wet ten tijde van de Staatsregeling
van 1798 vestigde zich al vroeg de
opvatting dat bestuursrechtelijke
geschillen per definitie door het
bestuur zelf moeten worden beslecht
en niet door een rechter. Het ging
immers om geschillen over de uitvoering en de uitleg van daden van
wetgeving, die in de toenmalige visie
per definitie geen aanleiding kunnen
geven tot rechtsgeschillen, maar
slechts tot beleidsgeschillen. Zo bezien
was daarvoor anders dan in civiele
en strafzaken dus geen rechter nodig en
diende de uitvoerende macht
de bevoegdheid tot het beslechten van
bestuursrechtelijke geschillen
aan zich te houden, waar de Grondwet
deze in civiele en strafzaken
aan de rechter had opgedragen. Het
antwoord op de vraag administratie
of rechter is voor zeer velen dan ook
gedurende zeer lange tijd
zeer gedecideerd geweest: de
administratie. De onderbouwing van dit
gelijkluidende antwoord is echter in de
loop der tijd veranderd. In het midden
van de negentiende eeuw groeide het
inzicht dat bestuursrechtelijke
geschillen (mede) rechtsgeschillen
(kunnen) zijn. Men achtte die rechtsgeschillen
echter van een dusdanig bijzonder
karakter dat deze niet
door de "gewone" rechter, maar door
organen binnen de administratie
moesten worden beslist. In deze context
is, in 1861, het kroonberoep
tot stand gekomen als een vorm van
bestuursrechtelijke geschillenbeslechting
door een bestuursorgaan, zij het door
middel van een met bijzondere
waarborgen omgeven procedure. In het
eerste kwart van de twintigste
eeuw is, vooral onder invloed van
Struycken, de argumentatie voor
de keuze voor de administratie
veranderd. Het wetsargument van het
begin van de negentiende eeuw werd
verdrongen door het democratieargument:
democratisch gelegitimeerde en
gecontroleerde bestuursorganen
kunnen en mogen in die visie niet
ondergeschikt worden
gemaakt aan een onafhankelijke en dus
niet democratisch gelegitimeerde
rechter. De rechter zou dan immers in de
plaats treden van
het bestuur, en daartoe is hij niet
geroepen. De keuze voor de administratie
werd voorts ingegeven door de overweging
dat het mogelijk
moest zijn, gegeven de steeds verder
gaande discretionaire bevoegdheid
van het bestuur, ook tot regelgeving,
niet alleen de rechtmatigheid,
maar ook de doelmatigheid van het
bestuurshandelen te toetsen.
Onder
de voorstanders van rechterlijke
geschillenbeslechting werd gestreden
over de vraag of naar één algemeen
bevoegde administratieve rechter
moest worden gestreefd of naar gespecialiseerde administratieve
rechters.
En onder de voorstanders van de eerste
optie werd weer gedisputeerd
over de vraag of die algemeen bevoegde
rechter de "gewone" rechter
moest zijn dan wel een specifiek
administratief rechtscollege. Deze
verdeeldheid is, naast de langdurige
tegenstand tegen welke vorm van
administratieve rechtspraak ook, één van
de belangrijkste oorzaken geweest
van het feit dat de administratieve
rechtspraak hier zo laat en dan
nog zo onsystematisch en verbrokkeld tot
ontwikkeling is gekomen.
Pas
nadat het kroonberoep was ingevoerd,
werden, vooral door toedoen
van Buys, stappen gezet in de richting
van de introductie van (algemene)
administratieve rechtspraak, nadat
eerdere, schuchtere pogingen
in het kader van de grondwetsherziening
van 1848 op niets rblz.|17|
waren
uitgelopen. Het verzet van de
tegenstanders van administratieve rechtspraak
leidde bij de grondwetsherziening van
1887 tot een compromis:
de wet kon, zo bepaalde het nieuwe
artikel 154 [oud, red.] van de Grondwet,
de beslissing van geschillen die niet
tot de exclusieve bevoegdheid
van de burgerlijke rechter behoren,
opdragen aan "hetzij de gewone
rechter, hetzij aan een college met
administratieve rechtspraak belast".
De wetgever kon nu dus kiezen voor het
wel of niet openen van de
mogelijkheid van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming anders dan door
de burgerlijke rechter, vervolgens
tussen administratief beroep en administratieve
rechtspraak en ten slotte tussen
opdracht van rechtsmacht
aan de "gewone" rechter als
administratieve rechter of aan een specifiek
administratief rechtscollege. Op basis
van artikel 154 van de Grondwet
1887 (thans artikel
112, tweede lid)
zijn gedurende vele tientallen
jaren pogingen ondernomen om te komen tot een algemeen
bevoegde
dan wel een algemeen aanvullende
administratieve rechter. Achtereenvolgens
leden schipbreuk de voorstellen van de
staatscommissie-Kappeyne
van de Coppello in 1894, de
wetsvoorstellen van minister
Loeff van 1905 en de voorstellen van de
commissie-Koolen in 1931.
Pas in 1963 zou, op basis van de
voorstellen van de commissie-De Monchy
van 1950, de Wet beroep administratieve
beschikkingen (Wet Bab)
tot stand komen. Daarin werd de Kroon
tot algemeen aanvullende administratieve
"rechter" gemaakt, met als opdracht de
rechtmatigheidstoetsing
(derhalve mede aan de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur)
van beschikkingen van organen van de centrale overheid. Deze
stap
is, via het rapport van de
commissie-Wiarda van 1967, uiteindelijk gevolgd
door de invoering van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen
(Wet Arob) per 1 juli 1976. Daarin werd
de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State als
algemeen aanvullende administratieve
rechter aangemerkt, overigens met de
nodige beperkingen.
Een
derde belangrijke tendens, samenhangend
met de vorige, is de neiging
om voor afzonderlijke rechts- en
beleidsterreinen afzonderlijke, gespecialiseerde
administratieve rechters aan te wijzen.
Lang voordat er gediscussieerd
werd over algemene of algemeen
aanvullende administratieve
rechtspraak, waren reeds
gespecialiseerde administratieve rechters
in
het leven geroepen, veelal op fiscaal
terrein. Toen duidelijk werd dat de
grondwetsherziening van 1887 niet tot
het instellen van algemene of algemeen
aanvullende administratieve rechtspraak
zou leiden, werd de neiging
om gespecialiseerde administratieve
rechters te creëren steeds sterker.
Zo ontstonden op fiscaal gebied aan het
eind van de negentiende eeuw
enkele nieuwe colleges. In 1902 kwamen
de raden van beroep en de Centrale Raad van
Beroep, ingesteld in
de
Beroepswet 1902 en eerst alleen
bevoegd in ongevallenzaken, tot stand.
Wat later werden onder andere
de Ambtenarengerechten (1929), het
Scheidsgerecht voor de voedselvoorziening
(1941) en het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven (1954) ingesteld.
De
motivering om telkens nieuwe
gespecialiseerde administratieve rechters
in het leven te roepen, is in de loop
der tijd niet meer zozeer bepaald
door het ontbreken van algemene administratieve rechtspraak
als
wel door andere redenen: hetzij omdat
men specialistische materie aan
een gespecialiseerde administratieve
rechter wilde opdragen, hetzij omdat men dacht zo sneller uitspraken te
krijgen, hetzij om budgettaire redenen,
hetzij door een zekere neiging tot
particularisme. Ook toen de Wet
Arob allang tot stand was gekomen, heeft deze tendens zich voortgezet.
Wij noemen hier de instelling van het College van
beroep studiefinanciering in 1986.
rblz.|18|
Overigens
heeft ook binnen de categorie van de
gespecialiseerde administratieve
rechters soms een zekere bundeling van
rechtsmacht op grotere
rechts- en beleidsterreinen plaatsgehad. Zo hebben de
raden van beroep
en de Centrale Raad van
Beroep
zich
ontwikkeld tot de
socialezekerheidsrechter,
heeft het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven
een eigen competentiesfeer gekregen op
het terrein van de sociaal-economische
ordening en is de rechtspraak in fiscale
zaken wat de
belastingen betreft uiteindelijk (via de
Raden van Beroep directe belastingen
in 1914) geconcentreerd bij de
gerechtshoven (in 1956) en wat
de invoerrechten en accijnzen betreft
bij de Tariefcommissie (in 1924).
Deze bundelingen kunnen mede worden
verklaard uit het ontbreken
van algemene administratieve
rechtspraak.
Voorts
is er het groeiende belang van de rol
van de burgerlijke rechter in
de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming. Van oudsher heeft de burgerlijke
rechter rechtsbescherming tegen
bestuurlijk optreden verleend,
de bevoegdheid daartoe ontlenend aan de
exclusieve opdracht in
de Grondwet
en artikel 2 van de Wet
op de rechterlijke organisatie (Wet RO) van de rechtspraak in geschillen
over "burgerlijke rechten en
schuldvorderingen".
Door de grondwetswijziging van 1887 leek
het erop dat
er algemene administratieve rechtspraak zou komen. Dat vooruitzicht,
en de redactie van het nieuwe artikel
154 [oud, red.] van de Grondwet, brachten
de burgerlijke rechter ertoe zich terug
te trekken van het terrein
van het overheidshandelen voor zover het
ging om geschillen waaraan
een publiekrechtelijke rechtsbetrekking
ten grondslag lag. Toen daarna
echter duidelijk werd dat er geen
algemene administratieve rechtspraak
zou komen, heeft de burgerlijke rechter
in 1915 zijn oorspronkelijke
bevoegdheid op basis van artikel 2 van
de Wet
RO in ere hersteld. Zo
heeft de burgerlijke rechter de
vangnetfunctie voor die bestuursrechtelijke
geschillen waarvoor geen (volwaardige)
administratiefrechtelijke voorziening
bestaat, bevestigd en in de loop der tijd verder uitgebouwd.
In
die hoedanigheid heeft de burgerlijke
rechter een uiterst belangrijke bijdrage
geleverd aan de ontwikkeling van het
(materiële) bestuursrecht. Deze
tendens is versterkt door het toenemende
beroep op de burgerlijke rechter
in geschillen met als inzet de (on)rechtmatigheid
van besluiten van
algemene strekking, met name algemeen verbindende voorschriften.
Afzonderlijke
vermelding verdient hier voorts de
partiële afschaffing van
het kroonberoep, geïnstigeerd door het
Benthem-arrest van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Sinds 1988 is ingevolge
de TwK de Afdeling voor de geschillen
van bestuur belast met rechtspraak
in het merendeel van de voormalige
kroongeschillen.
Aldus
heeft zich in heel grove lijnen het
huidige stelsel ontwikkeld van -
althans tot voor kort - enerzijds het
kroonberoep als eindvoorziening in een
groot aantal zaken (waaronder belangrijke categorieën als geschillen
op
het terrein van de ruimtelijke ordening
en milieugeschillen), anderzijds administratieve
rechtspraak hetzij door een
gespecialiseerde administratieve
rechter, hetzij door de algemeen
aanvullende administratieve rechter,
en ten slotte als sluitstuk de
restbevoegdheid van de burgerlijke rechter.
1.4.2.
Knelpunten
Het
Nederlandse stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming schiet
op een groot aantal punten tekort.
Ten
eerste is het stelsel in hoge mate
verbrokkeld en daardoor ondoorzichtig
en ontoegankelijk.
rblz.|19|
De
toekenning van rechtsmacht aan de
administratieve rechter is grillig.
Er is een groot aantal gespecialiseerde
administratieve rechters en daarnaast
een algemeen aanvullende administratieve
rechter. Daarnaast is
er nog het (restant van het)
kroonberoep.
De
rechtsmacht van de administratieve
rechters (en de Kroon) is bovendien
onvolledig. Zo zijn niet alle op
zichzelf daarvoor in aanmerking komende
besluiten vatbaar voor beroep op een
gespecialiseerde rechter (of
de Kroon). In die gevallen kan echter
vaak beroep bij de algemeen aanvullende
administratieve rechter, de Afdeling
rechtspraak, worden ingesteld.
Daardoor is de algemeen aanvullende
rechter actief op terreinen
waarop ook een gespecialiseerde rechter
werkzaam is. Soms ook
kunnen niet alle belanghebbenden bij een
bepaald besluit beroep instellen
bij de gespecialiseerde administratieve
rechter (of de Kroon). Ook
in die gevallen is er veelal sprake van
bevoegdheid van de algemeen aanvullende
administratieve rechter, waardoor
eenzelfde besluit door twee
verschillende instanties kan worden
beoordeeld. De bevoegdheid van
de Afdeling rechtspraak is echter ook
weer niet algemeen aanvullend:
er zijn nogal wat (soorten) handelingen
van bestuursorganen uitgesloten
van beroep op grond van de Wet Arob.
Voor die gevallen fungeert zoals gezegd de burgerlijke rechter als
sluitstuk van het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming,
waardoor de onoverzichtelijkheid
verder wordt vergroot. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als
het
gaat om de mogelijkheid van een
voorlopige voorziening. Slechts een deel
van de administratieve rechters is met
die bevoegdheid toegerust, zodat
in de overige gevallen de president in
kort geding in beeld komt. Het
voorgaande betekent dat voor elk
afzonderlijk geschil moet worden beoordeeld
welke voorziening voor welke
belanghebbende openstaat. Dat
is improduktieve arbeid, zowel voor de
bestuursorganen als voor de burgers
en de verschillende rechters. Weliswaar
zijn wettelijke voorzieningen
in voorbereiding die de burger de weg
wijzen (vgl. de artikelen 3.5.5 [3:45],
6.2.15 [6.23]
en 6.2.8 [6:15] van de Awb), maar het
moet toch bepaald wenselijk
worden geacht dat de burger, als hij
eenmaal op correcte wijze naar
een bepaalde instantie is verwezen, ook
begrijpt waarom hij juist bij die
instantie terecht moet. Bovendien blijft
het ook na invoering van de hierboven
genoemde artikelen aan het bestuur
onderscheidenlijk de rechter
om de burger de juiste weg te wijzen.
Ook daarmee zijn tijd en aandacht
gemoeid.
Als
er een administratieve rechter bevoegd
is, doet zich vervolgens het probleem
voor dat de uitspraakbevoegdheden van de
administratieve rechters
doorgaans geringer zijn dan die van de
burgerlijke rechter. Dat betekent
dat een geschil niet altijd bij de
administratieve rechter volledig kan
worden uitgeprocedeerd. Zo komt het vaak
voor dat de burgerlijke rechter
nog een beslissing moet geven over
schadevergoeding naar aanleiding
van onrechtmatige besluiten of dat een
afzonderlijk geding wordt
gevoerd over de in een procedure voor
een administratieve rechter gemaakte
proceskosten. Deze tweesporigheid leidt
tot extra procedures en
daarmee tot extra lasten voor bestuur,
burgers en rechterlijke macht.
In
het geval dat de burgerlijke rechter
aanvullende rechtsbescherming moet
verlenen, wreekt zich dat deze een ander
formeel beoordelingskader
heeft dan de administratieve rechter,
die immers een rechtmatigheidstoetsing
ex tunc uitvoert en in geval van
geconstateerde onrechtmatigheid
het besluit kan vernietigen.
Ten
tweede is het stelsel onevenwichtig.
De
regeling van de rechtsmiddelen is niet
consistent. Dan weer is er sprake
van rechtspraak in eerste en enige
aanleg, dan weer zijn er twee rblz.|20|
feitelijke
instanties, dan weer gaat het om één
feitelijke instantie gevolgd door
beroep in cassatie.
Daarmee
hangt samen dat de geografische
spreiding van de gerechten uiteenloopt.
Voor sommige categorieën zaken kunnen
partijen in eerste aanleg
slechts op één plaats in het land
terecht, voor andere op tien en voor
weer andere op vijf plaatsen.
De
samenstelling van de kamers van de
colleges is lang niet altijd afgestemd
op het kaliber van de zaak. Zo worden
veel zaken in eerste en enige
instantie door een enkelvoudige kamer
behandeld (bij voorbeeld bij de
Afdeling rechtspraak en het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven),
terwijl veel zaken waarin hoger beroep
mogelijk is, in eerste instantie door een meervoudige kamer worden
behandeld (bij voorbeeld tot
voor kort in socialezekerheidszaken en
nog steeds in ambtenarenzaken).
Ten
derde is van groot belang dat het
stelsel niet is afgestemd op het bewaken
van de met het oog op waarden als
gelijkheid en rechtszekerheid
zo belangrijke rechtseenheid.
Dat
geldt allereerst en evident voor de
eenheid binnen het bestuursrecht
zelf. Het grote aantal rechters dat in
laatste instantie oordeelt over (algemene)
vragen van bestuursrecht, bergt gevaren
in zich voor een evenwichtige
ontwikkeling van het (algemeen deel van
het) bestuursrecht.
Daarbij gaat het niet alleen om de
administratieve rechters, maar ook
- en zeker niet in de laatste plaats -
om de civiele rechter, die immers én bij het behandelen van zaken
betreffende privaatrechtelijke rechtshandelingen
van bestuursorganen én als sluitstuk
van de bestuursrechtelijke
rechtsbescherming met grote regelmaat
regels van bestuursrecht
toepast.
Ook
de eenheid van het recht als geheel is
in het geding. Zowel in het bestuursrecht,
het civiele recht als het strafrecht
kunnen dezelfde rechtsvragen
rijzen en kan toepassing van dezelfde
rechtsbeginselen aan de orde
zijn. Belangrijke vragen zijn die
betreffende de uitleg van regels van internationaal
recht. Het is onwenselijk als bij
voorbeeld de Hoge
Raad oordeelt
dat een bepaald verdragsartikel wel
directe werking heeft, terwijl
de Centrale Raad van
Beroep een andere
mening is toegedaan. Een
ander voorbeeld zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur,
die
op alle drie de rechtsgebieden een rol
spelen. Meer in het algemeen kan
worden gesteld dat het (materiële)
bestuursrecht en het privaatrecht (en
in mindere mate ook het strafrecht) meer
en meer naar elkaar toegroeien
en soms zelfs feitelijk in elkaar
overvloeien. Dit dient consequenties
te hebben voor de rechterlijke organisatie. Daarnaast is het
ongewenst
dat verschillende colleges naast elkaar
met de beslissing van identieke,
nauw verwante of gekoppelde rechtsvragen
worden belast. Dat doet zich nu bijvoorbeeld voor in de
verhouding kantonrechter - raad
van beroep, in de verhouding
gespecialiseerde administratieve rechter
- algemeen aanvullende administratieve rechter en in de
verhouding
administratieve rechter - burgerlijke
rechter, inclusief de president
in kort geding.
De
verbrokkeling van de administratieve
rechtspraak is ten slotte gepaard
gegaan met het tot stand komen van
talrijke en nogal uiteenlopende
regelingen van bestuursprocesrecht. Dat
betekent dat partijen, afhankelijk
van de rechter voor wie geprocedeerd
wordt, met uiteenlopend
procesrecht worden geconfronteerd. Het
betekent ook dat de ontwikkeling
van algemene leerstukken van
bestuursprocesrecht wordt rblz.|21|
belemmerd.
Voorts is het bestuursprocesrecht
nauwelijks gecoördineerd met
het burgerlijk procesrecht en is in meer
algemene zin tot dusverre te weinig
aandacht besteed aan de verhouding
tussen bestuursprocesrecht en
burgerlijk procesrecht.
Een
vierde knelpunt en een ernstig probleem
in de Nederlandse situatie
is de groeiende (over)belasting van de
administratieve rechters. Dit
is niet de plaats om uitgebreid op de oorzaken daarvan in te gaan.
Vaststaat wel dat de hoeveelheid en de aard
van de bestuursrechtelijke regelgeving,
het karakter van de aan de geschillen
ten grondslag liggende
- en soms tegenstrijdige - belangen en
de toegenomen assertiviteit
van de burger jegens het bestuur mede
bepalend zijn voor de grote toeloop
op de administratieve rechter. Vanaf het
begin van de jaren tachtig
heeft de wetgever getracht het groeiende
aantal zaken en daarmee
de toenemende (bovenmatige)
werkvoorraden het hoofd te bieden.
Getracht is het aantal door de rechter
te behandelen zaken te beperken,
onder meer door het versterken van de
rol van de bezwaarschriftprocedure
en het invoeren c.q. verhogen van
griffierechten. Ook is later
meer aandacht geschonken aan het
aanpakken van de bron: het terugdringen
van beroepsgevoelige regelgeving. Tevens
is gezocht naar mogelijkheden
in de processuele sfeer om aanhangige
zaken sneller te kunnen
verwerken: in meer gevallen
unusrechtspraak (ook in hoger beroep),
invoering van de mogelijkheid om al dan
niet met toestemming van
partijen zaken buiten zitting af te
doen, meer mogelijkheden om mondeling
uitspraak te doen en introductie van de
zogenoemde kortsluiting:
de rechter kan in bepaalde gevallen in
het kader van de behandeling
van een verzoek om een voorlopige
voorziening tevens het beroep
in de hoofdzaak afdoen. De inzet van al
deze middelen, hoe nuttig
op zichzelf ook, heeft echter niet
geleid tot het beoogde resultaat. De
groei van het aantal zaken is nog steeds
spectaculair, vooral zoals reeds
vermeld bij de Afdeling rechtspraak, en
ook in de civiele kortgedingrechtspraak
in vreemdelingenzaken. Dat gegeven
dwingt tot het
nemen van meer structurele wettelijke
maatregelen, naast organisatorische
maatregelen.
Ten
vijfde dient het Nederlandse stelsel
geheel in overeenstemming te worden
gebracht met de eisen die de artikelen 6
van het Europees verdrag
tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) en 14 van het
Internationaal verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten (IVBP) stellen.
Daarbij dient uiteraard allereerst te worden gedacht aan de definitieve
voorzieningen in kroongeschillen.
In dat kader wordt de wetgever,
misschien wel voor het laatst,
opnieuw geconfronteerd met de vraag: administratie of rechter.
Verder
zal in alle gevallen waarin sprake is
van een "criminal charge" in de
zin van artikel 14, vijfde lid, van het
IVBP rechtspraak in twee instanties mogelijk moeten zijn. De wetgever zal
bij de regeling van de rechtsmiddelen
dus nauwkeurig moeten nagaan of er in
geval van sancties
sprake is van een "criminal charge".
Bij dit alles geldt dat de wetgever
de internationale normen niet als
maximum behoeft te hanteren.
Wij wijzen er in dit verband op dat het
rechtsstatelijke uitgangspunt
dat elk bestuursrechtelijk geschil aan
een rechter moet kunnen
worden voorgelegd, met zich brengt dat
ook omtrent geschillen die
niet door artikel 6 van het EVRM worden
bestreken, het oordeel van een
rechter moet kunnen worden ingeroepen.
rblz.|22|
1.5.
Plaatsbepaling van het wetsvoorstel
1.5.1.
Twee dimensies van integratie
Kernpunt
in de herziening van de rechterlijke
organisatie is de notie integratie:
de organisatorische en personele
eenwording van de civiele rechtspraak,
de strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak als het
belangrijkste
middel ter verwezenlijking van de
hiervoor genoemde drie doelstellingen
van de herziening.
In
de eerste fase, die primair betrekking
heeft op het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming, zijn tegelijkertijd
twee dimensies van
het begrip integratie aan de orde. Ten eerste de integratie van een
zeer
belangrijk deel van de administratieve
rechtspraak in eerste aanleg. Ten
tweede die van de geïntegreerde
bestuursrechtspraak in eerste aanleg
en een belangrijk deel van de civiele
rechtspraak en de strafrechtspraak
in eerste aanleg. In de tweede fase zal
die laatste ontwikkeling
worden voltooid. In de derde fase zal
ook de rechtspraak in verdere
instanties aan de orde komen. Het
integrerende karakter van de eerste
fase wordt versterkt door de invoering
van een uniform bestuursprocesrecht
voor - onder meer - de geïntegreerde
bestuursrechtspraak in
eerste aanleg en door de invoering van
een voorlopige - rechtseenheidsvoorziening
binnen de rechtspraak, ondanks het feit dat in deze fase
nog
sprake is van rechtspraak in tweede
instantie door twee verschillende,
niet tot de "gewone" rechterlijke
macht behorende gerechten. Bij dit
alles is tevens de inwerkingtreding van
de eerste
tranche van de Awb van
belang.
1.5.2.
Betekenis en reikwijdte van de eerste
fase voor het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming
Het
onderhavige wetsvoorstel leidt ertoe
dat de hiervoor gereleveerde historische
strijdpunten grotendeels verleden tijd
worden en dat een aantal
van de gesignaleerde knelpunten in het
stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming geheel of ten dele
wordt opgelost, c.q. dat aanzetten
worden gegeven voor een definitieve
oplossing.
Daarbij
is van belang dat de in onderdeel 1.1
genoemde onderdelen van
het wetsvoorstel nauw met elkaar
samenhangen. Om die reden zijn zij
in één wetsvoorstel ondergebracht.
In
het wetsvoorstel voorintegratie wordt de
basis gelegd voor het optrekken
van de eerste fase van de bouw aan onze
nieuwe rechterlijke organisatie.
De totstandkoming van een organisatorische en personele
integratie
van de raden van
beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken
verschaft het fundament waarop de
voorzieningen die in het onderhavige wetsvoorstel worden getroffen, kunnen
worden opgetrokken.
Hierdoor wordt het noodzakelijke
organisatorische kader geschapen
waarbinnen de eerste fase van de
herziening verwezenlijkt kan
worden. De beoogde organisatorische en
personele integratie tussen gewone
en administratieve rechtspraak kan
daardoor reële gestalte krijgen.
De
eerste in historisch opzicht belangrijke
knoop die in dit wetsvoorstel
wordt doorgehakt, is de definitieve en
integrale beëindiging van
de beslechting van bestuursrechtelijke geschillen in laatste instantie
door
een bestuursorgaan. Ook in die gevallen
waarin ingevolge de TwK het
beroep op de Kroon werd gehandhaafd,
wordt nu gekozen voor administratieve
rechtspraak. Daarop wordt in onderdeel 3
uitgebreid rblz.|23|
ingegaan.
Op deze plaats is van belang de
constatering dat het antwoord op
de vraag administratie of rechter uiteindelijk over de hele linie is:
rechter.
Dat wil niet zeggen dat bestuursorganen
geen rol meer spelen in het
stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming. Integendeel, de introductie
van een algemeen verplichte
bezwaarschriftprocedure in artikel 6.3.1a
[7:1] van de
Awb laat zien dat die rol
er wel degelijk is en ook moet
zijn. Ook is in bepaalde gevallen administratief beroep opengesteld.
In
beide gevallen gaat het echter
nadrukkelijk om bestuurlijke voorprocedures,
die voorafgaan aan een mogelijk beroep
op de rechter.
Voorts
wordt nu, in aansluiting op het
wetsvoorstel voorintegratie, een expliciete
en definitieve keuze gemaakt voor één
algemeen bevoegde administratieve
rechter in eerste aanleg. Door de
instelling van algemeen bevoegde
administratieve kamers bij de rechtbanken
wordt het bestaande
stelsel van een aantal gespecialiseerde
rechters met een eigen competentiesfeer, aangevuld door een
algemeen aanvullende administratieve
rechter, ten principale verlaten, ten
gunste van een stelsel
waarin de rechtsmacht in eerste aanleg wordt toegekend aan één
administratieve
rechter. Deze ontwikkeling zal zich
weliswaar geleidelijk voltrekken,
maar de keuze wordt nu gemaakt. Met de
invoering van algemene administratieve rechtspraak zal ook een
halt kunnen worden toegeroepen
aan de neiging om gespecialiseerde
administratieve rechters
voor bijzondere terreinen van het bestuursrecht in te stellen. De
Wet
Arob heeft wat dat betreft overigens al
een belangrijke voortrekkersrol
vervuld.
Tegelijkertijd
en in samenhang daarmee wordt gekozen
voor een geïntegreerd
stelsel van bestuursrechtspraak en
civiele en strafrechtspraak,
in overeenstemming met de steeds verder
gaande materieelrechtelijke
integratie tussen het bestuursrecht
enerzijds en met name het civiele
recht anderzijds. Deze keuze geeft
tevens in belangrijke mate richting
aan het streven naar een doorzichtige en
doelmatige structuur van
de rechterlijke organisatie.
Zo
ontstaat, samen met de in de tweede fase
voorziene integratie van de rechtbanken
en de kantongerechten, het
beeld van één bevoegde rechter
voor de behandeling van alle civiele
zaken, strafzaken en bestuursrechtelijke
zaken in eerste aanleg. Deze opzet biedt
belangrijke voordelen,
zowel voor de bestuursrechtspraak als
voor de rechtspraak in het algemeen, en maakt het bovendien
mogelijk binnen die geïntegreerde
organisatie voorzieningen te treffen om
bestaande knelpunten weg
te nemen. Bij dit alles geldt dat de beoogde voordelen in deze
eerste
fase nog niet ten volle worden
gerealiseerd. In verband met de zowel
op grond van wetgevings- en
implementatieoverwegingen als in verband
met de nog te nemen beslissingen
aangaande de derde fase noodzakelijke
fasering blijft de integratie in deze
fase immers beperkt tot het
geding in eerste aanleg.
Het
verbrokkelde, ondoorzichtige en
ontoegankelijke stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming wordt aanmerkelijk
vereenvoudigd
en enkele bestaande onevenwichtigheden
in het stelsel worden geheel
of ten dele opgeruimd. Zo wordt een
belangrijke stap gezet op de weg
die ertoe moet leiden dat er
uiteindelijk één adres zal zijn waartoe
men
zich kan wenden met een
bestuursrechtelijk geschil. Verder
worden de
verschillen in de bevoegdheid om beroep
in te stellen weggenomen: in
beginsel staat voor elke belanghebbende
beroep open, en wel bij dezelfde
rechter. Concurrerende rechtsgangen zijn
daarmee geëlimineerd.
Ook is het beginsel dat geschillen op
grond van één wet ook door één
rechter worden beslecht verder
doorgevoerd. Verder wordt thans de rblz.|24|
bevoegdheid
van de administratieve rechter geheel
geschoeid op de leest
van het besluitbegrip, met uitzondering
van besluiten inhoudende algemeen
verbindende voorschriften en
beleidsregels en daarmee gelijk te
stellen besluiten, en besluiten ter
voorbereiding van een privaatrechtelijke
rechtshandeling en daarmee gelijk te
stellen besluiten. In dit verband
moet ook de slechting van de negatieve
lijst op grond van artikel 6
van de Wet Arob worden genoemd. Met dit
alles is overigens niet gezegd
dat de aanvullende rol van de
burgerlijke rechter in bestuursrechtelijke
geschillen is uitgespeeld, maar de
competentieverdeling tussen administratieve
en burgerlijke rechter wordt in elk
geval duidelijker. In de toelichting
op afdeling 8.1.1 van de Awb
wordt op de
competentietoedeling
uitgebreid ingegaan. In dit verband
wijzen wij ook op de uitbreiding
van het bestuursrechtelijke kort geding.
Ten slotte is hier van belang
dat de uitspraakbevoegdheden van de
administratieve rechter worden
verruimd. Zo zal hij de bevoegdheid
krijgen een proceskostenveroordeling
uit te spreken en worden de
mogelijkheden voor het toekennen van
schadevergoeding uitgebreid.
In
het onderhavige wetsvoorstel wordt een
bijdrage geleverd aan een evenwichtiger
opzet van het stelsel van
rechtsbescherming. Daartoe wordt
in de eerste fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie voor
de huidige Arob-zaken en een deel van de
TwK- en kroongeschillen rechtspraak
in twee feitelijke instanties ingevoerd.
Aan invoering van rechtspraak
in twee instanties liggen twee
hoofdoverwegingen ten grondslag.
In de eerste plaats wordt daarmee een
voor onze rechterlijke organisatie
geldende hoofdregel gevolgd dat de
mogelijkheid dient te bestaan
om een in eerste aanleg gegeven
rechterlijk oordeel in volle omvang
in hoger beroep te laten toetsen. De
algemene motieven die daaraan
ten grondslag liggen, zijn het
bevorderen van de kwaliteit van de rechtspraak
en de mogelijkheid van het herstellen
van fouten (naast de mogelijkheid
van controle op het werk van de rechter
in eerste aanleg ook
de mogelijkheid van herstel van
misslagen van partijen), het versterken
van het vertrouwen van de burger in de
rechtspraak en het tot stand
brengen van een geografische spreiding
van de rechtspraak in eerste
aanleg De tweede hoofdoverweging is
gelegen in de noodzaak de structureel
hoge werkbelasting bij de beide rechtsprekende afdelingen
van
de Raad van State, in het bijzonder bij
de Afdeling rechtspraak, te verminderen.
Aldus levert dit wetsvoorstel ook een
belangrijke bijdrage aan
het terugdringen van de werklast en de
werkdruk. Daarop wordt in onderdeel
5.1 nader ingegaan.
Wij
hebben in deze eerste fase niet
gestreefd naar de verwezenlijking van
een volstrekt uniform systeem. Wel
hebben wij gestreefd naar de totstandkoming
van een stelsel dat enerzijds uit een
oogpunt van rechterlijke
organisatie evenwichtig is en recht doet
aan het door ons gekozen
uitgangspunt en anderzijds doelmatig en
praktisch is met het oog
op een goede en verantwoorde invoering
van deze eerste fase en de beheersbaarheid
van het aantal zaken en rekening houdt
met bestuurlijke belangen.
Van
de hoofdregel van rechtspraak in twee
feitelijke instanties moet soms
worden afgeweken. Naar onze mening zijn
er voor bepaalde categorieën
van zaken zodanige indicaties tegen
rechtspraak in twee feitelijke
instanties dat deze in deze fase
voorshands zwaarder moet wegen
dan de met die rechtspraak beoogde
voordelen. Het bestaan en het
gewicht van deze indicaties hebben ertoe
geleid dat in het thans gepresenteerde
stelsel een relatief groot aantal zaken
voorshands zal worden
afgedaan in één instantie. Aan die
keuze liggen in hoofdzaak praktische
overwegingen ten grondslag. Voor een
verantwoorde, rblz.|25|
gefaseerde
herstructurering van onze rechterlijke
organisatie dient rekening
te worden gehouden met de grote en
specifieke ervaring van de reeds
bestaande rechterlijke colleges van
eerste en enige aanleg met de afdoening
van bepaalde categorieën van zaken en met de
noodzaak de
problemen
die in verband met de implementatie
kunnen ontstaan bij de Raad van State, waar zaken weggaan, en bij de
rechtbanken, waar zaken bijkomen, te beperken. Dat komt de beheersbaarheid
van het reorganisatieproces
ten goede. Voorts wijzen wij op zaken
die kort als kwetsbare zaken
zouden kunnen worden aangeduid. Wij doelen daarbij op zaken
waar
grote en tegengestelde belangen op het
spel staan en waarin met het
oog op een zorgvuldige afweging van die
belangen uitgebreide voorbereidingsprocedures
voorafgaan aan de bestuurlijk
besluitvorming. Juist
in die zaken dient het geheel van
procedures niet te lang te duren. Nu
onzeker is in welke mate juist in dit
soort geschillen zal worden doorgeprocedeerd
in geval van het openstellen van de
mogelijkheid van hoger
beroep, is het prudent om in dit eerste
stadium van de herziening in die gevallen te kiezen voor rechtspraak
in één instantie.
Als
gevolg van de in het onderhavige
wetsvoorstel gedane voorstellen verdwijnt
de Arob-zaak als species van een geschil
tussen bestuur en burger.
Met het verdwijnen van Arob-rechtspraak
als een afzonderlijke tak
van administratieve rechtspraak komt de
Wet Arob te vervallen. Hiermee
wordt een cruciale fase in de
ontwikkeling van ons stelsel van rechtsbescherming
van de burger tegenover het bestuur
afgesloten. Arob-rechtspraak
als een aanvullende bestuursrechterlijke
voorziening verdwijnt
en gaat op in algemene bestuursrechtspraak in eerste aanleg
bij
de rechtbanken. Dat is een markant
omslagpunt. De grote verworvenheden
van de Wet Arob verdwijnen niet. Daarop
wordt voortgebouwd in het
nieuwe stelsel.
De
invoering van een uniform
bestuursprocesrecht maakt een einde aan
de onnodige versplintering van het
bestuursprocesrecht. Het nieuwe bestuursprocesrecht
stelt de rechter in staat om op soepele,
adequate wijze
de aan hem voorgelegde
bestuursrechtelijke geschillen te beslissen.
Het voorkomt dat tijd en aandacht moeten
worden besteed aan procedurele kwesties die buiten het
eigenlijke, materieelrechtelijke conflict
staan. Bij de vormgeving van het
bestuursprocesrecht is gestreefd
naar afstemming op en harmonisatie met
het burgerlijk procesrecht,
dat overigens zelf ook aan belangrijke
wijzigingen onderhevig is en,
met name in de tweede fase van de
herziening, zal zijn. Ook het strafprocesrecht
is in de beschouwingen betrokken. De
tijd is thans nog niet
rijp om ten gronde te bezien of een,
meer of minder vergaande, integratie
tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk
procesrecht wenselijk en
haalbaar is. Daarop wordt in onderdeel 2
nader ingegaan.
In
het kader van het nieuwe
bestuursprocesrecht wordt ook de verdeling
van zaken over enkelvoudige en
meervoudige kamers uniform geregeld.
In beginsel is in eerste aanleg sprake
van enkelvoudige rechtspraak,
met dien verstande dat een zaak altijd
naar een meervoudige kamer
kan worden verwezen. In hoger beroep is
in beginsel sprake van meervoudige
rechtspraak.
Het
in het oog springende gebrek aan
garanties voor eenheid in de toepassing
van het recht in het algemeen en het
bestuurs(proces)recht in het
bijzonder wordt in deze fase van de
herziening in belangrijke mate weggenomen
door de invoering van een prejudicieel
stelsel voor de beantwoording
door de Hoge
Raad van door de
administratieve rechters in hoogste ressort aan hem voor te leggen
rechtsvragen die van belang zijn
voor de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling in het algemeen.
rblz.|26|
Zo
bezien vormen de vijf onderdelen van dit
wetsvoorstel, in samenhang
met het wetsvoorstel voorintegratie, een
grote sprong voorwaarts
in de ontwikkeling van de Nederlandse rechterlijke organisatie
in het algemeen en het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming
in het bijzonder.
In
het vervolg van dit algemeen deel van de
toelichting en in de artikelsgewijze
toelichting zullen de hiervoor
gememoreerde algemene noties
worden geconcretiseerd en verder uitgewerkt.
1.6.
Opbouw van het wetsvoorstel
De
wettelijke voorzieningen ten behoeve van
de voltooiing van de eerste
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie en de in dit wetsvoorstel
opgenomen aanpassingswetgeving aan de
eerste tranche van
de Awb vergen de wijziging van een zeer
groot aantal wetten. Ter bevordering
van de inzichtelijkheid is het
wetsvoorstel daarom zoveel mogelijk
systematisch ingedeeld. Dat heeft geleid
tot de volgende opzet.
Het
wetsvoorstel bestaat uit zes, met
Arabische cijfers aangeduide, thematisch
afgebakende onderdelen waarin, met
uitzondering van onderdeel
6, dat overgangs- en slotbepalingen
bevat, de wijziging van een
kleiner of groter aantal wetten wordt
voorgesteld. Vanzelfsprekend komt
een bepaalde wet maar in één van de
onderdelen voor, en wel in het
meest daarvoor in aanmerking komende
onderdeel. In de toelichting bij
de diverse onderdelen wordt nader op de
rubricering ingegaan.
In
de aanpassingsoperatie zijn allereerst
betrokken alle relevante bestaande wetten, met uitzondering van wetten die
vóór of op 1 juli 1993
worden ingetrokken of die op 1 juli 1993
feitelijk zijn uitgewerkt. Verder
zijn die relevante bij de Tweede Kamer
aanhangige wetsvoorstellen
meegenomen die vóór of op 1 juli 1993 in
werking zullen treden. Voor
de wetgeving van het ministerie van
Onderwijs en Wetenschappen geldt
dat uitsluitend bij de Eerste Kamer
aanhangige wetsvoorstellen zijn meegenomen.
De
Vreemdelingenwet is voorshands buiten de
aanpassing gebleven. Thans
is een wetsvoorstel bij de Raad van State
aanhangig dat een ingrijpende
herziening van de Vreemdelingenwet
bevat, onder meer op het
punt van het stelsel van
rechtsbescherming. Dat wetsvoorstel zal,
zo is
de bedoeling, eerder in werking treden
dan het onderhavige
wetsvoorstel.
In dat geval zal de aanpassing van de
aldus herziene Vreemdelingenwet te gelegener tijd bij nota van wijziging
in dit wetsvoorstel
worden ingebracht.
De
aanpassing van het stelsel van
rechtsbescherming in de Algemene Bijstandswet,
de Ioaw en de
Ioaz aan het algemene
stelsel in socialezekerheidszaken
zal om praktische redenen worden
opgenomen in
het, eveneens bij de Raad van State
aanhangige, voorstel van wet herinrichting
Algemene Bijstandswet onderscheidenlijk
in de bijbehorende
invoeringswet.
Voor deze werkwijze is gekozen nu
uitgangspunt is dat de inwerkingtreding
daarvan zal plaatsvinden tegelijk met
het onderhavige wetsvoorstel.
De
zes onderdelen van het wetsvoorstel
zijn:
1.
Rechterlijke organisatie (de instelling
van administratieve kamers bij de rechtbanken; de
rechtseenheidsvoorziening; technische
aanpassingen).
rblz.|27|
2.
Algemene wet bestuursrecht (invoering
uniform bestuursprocesrecht
en de daaruit, alsmede uit de
aanpassingswetgeving aan de eerste tranche
voortvloeiende aanpassingen).
3.
Wijziging van rechtstreeks betrokken
institutionele en processuele wetten (Wet
op de Raad van State c.a.,
Beroepswet c.a., Ambtenarenwet
1929,
Wet administratieve rechtspraak
bedrijfsorganisatie (Wet Arbo), Wet
op de studiefinanciering), alsmede
intrekking van de Wet Arob.
4.
Wijziging van bijzondere wetten in
verband met de te treffen definitieve
voorzieningen in kroongeschillen.
5.
Wijziging van overige institutionele,
processuele en bijzondere wetten.
6.
Overgangs- en slotbepalingen.
Bij
de redactie van de desbetreffende
bepalingen is ervan uitgegaan dat
het wetsvoorstel voorintegratie en het,
thans nog bij de Raad van State
aanhangige, voorstel voor een Algemene
wet erkenning EG-hogeronderwijsdiploma's eerder in werking treden dan
het
onderhavige wetsvoorstel.
Behalve
de nodige wetten in formele zin zullen
ook diverse algemene maatregelen
van bestuur en andere regelingen moeten
worden gewijzigd.
Daarin zal tijdig worden voorzien.
1.7.
Voorbereiding van het wetsvoorstel
Bij
de voorbereiding van dit omvangrijke
wetsvoorstel is dankbaar gebruik
gemaakt van de inbreng van deskundigen
uit de praktijk en de wetenschap,
van de adviezen van adviesorganen en van
de uitkomsten van evaluatieonderzoeken. Verder heeft over
de beleidsmatige uitgangspunten
van de voltooiing van de eerste fase van
de herziening van de rechterlijke
organisatie uiteraard intensief overleg
plaatsgevonden met de Raad van State
als direct betrokkene en
met de functionele geledingen
binnen de rechterlijke macht en de
Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. In de verschillende
onderdelen van de toelichting wordt
waar nodig nader op de voorbereiding
ingegaan.
Op
deze plaats verdient bijzondere
vermelding de werkwijze ten aanzien
van het nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht. Een klankbordgroep,
bestaande uit leden van de meest betrokken rechterlijke colleges,
een
hoogleraar in het bestuursrecht, een in
het bestuursrecht gespecialiseerde
advocaat en de regeringscommissaris voor
de algemene regels van bestuursrecht, heeft actief en intensief
aan het voorbereidingsproces deelgenomen.
Ook is enkele malen de Commissie
wetgeving algemene regels
van bestuursrecht geraadpleegd. Het is
uiterst vruchtbaar gebleken
dat bij de voorbereiding van een
regeling als de onderhavige reeds
in een vroeg stadium kan worden
geprofiteerd van externe kennis van
en ervaring met het betrokken
rechtsgebied. Bij de vormgeving van het
nieuwe bestuursprocesrecht is tevens
gebruik gemaakt van twee
evaluatieonderzoeken
naar het functioneren van de TwK. Het
eerste onderzoek,
verricht in opdracht van onze
ambtsvoorgangers door de vakgroep
bestuursrecht en bestuurskunde van de
Rijksuniversiteit Groningen,
is neergelegd in het rapport
Kroongeschillen en bestuursprocesrecht
(Ter Brugge, Veltman, Bröring,
Schuiling en Scheltema, Deventer,
1991). Het tweede onderzoek, verricht in
opdracht van de toenmalige
Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(VROM) door de vakgroep staats- en
bestuursrecht van de Rijksuniversiteit
Utrecht, is neergelegd in het rapport
Bestuursrechtspraak
in milieugeschillen (Widdershoven,
Jurgens, Addink en Van Buuren,
Zwolle, 1991). Een eerste concept van
het nieuwe bestuursprocesrecht rblz.|28|
is, toen de werkzaamheden ongeveer
halverwege waren, ter consultatie
voorgelegd aan de functionele geledingen
binnen de rechterlijke
macht en de Raad van State
en aan de VNG [Vereniging van Nederlandse
Gemeenten, red.], het IPO [Interprovinciaal Overleg, red.]
en de Unie van Waterschappen.
Later is dit eerste concept ook
voorgelegd aan de RARO [Raad van Advies
voor de Ruimtelijke ordening, red.] en
de CRMH [Centrale Raad voor de
Milieuhygiëne, red.]. Een tweede concept is vervolgens nog aan een aantal van
de
respondenten op het eerste concept
voorgelegd alsook aan de SER [Sociaal-Economische
Raad, red.], de
Onderwijsraad, de Ziekenfondsraad en de
SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.]. Het tweede concept heeft
- en dat is verheugend - tot een groot
aantal reacties in de literatuur
aanleiding gegeven. Wij vermelden in het
bijzonder de NJB-special [NJB:
Nederlands Juristenblad, red.] over het uniform bestuursprocesrecht (NJB,
1991, nr. 36). Ook
vermelden wij de preadviezen voor de NJV
[Nederlandse Juristen Vereniging, red.] in 1991 van Brenninkmeijer,
Van Wijmen en Blaauw over de
harmonisatie van procesrecht bij integratie
van rechtspraak. Tevens is een aantal
studiebijeenkomsten aan het
nieuwe bestuursprocesrecht gewijd. Ook
daardoor is het werk van de ontwerpers
vergemakkelijkt en de kwaliteit van het
wetsvoorstel verder bevorderd.
Meer
in het algemeen verheugt het ons te
kunnen constateren dat de in
dit wetsvoorstel vervatte voorstellen in
het algemeen in zeer brede kring
op instemming kunnen rekenen.
De
hiervoor genoemde adviezen worden
gelijktijdig met de indiening van
dit wetsvoorstel afzonderlijk ter kennis
van de Tweede Kamer gebracht.
2.
Uniform bestuursprocesrecht
2.1.
Algemeen
Reeds
in de nota "Naar een nieuwe structuur
van de rechterlijke organisatie"
werd aangekondigd dat in samenhang met
de herziening van
de rechterlijke organisatie een begin zou worden gemaakt met de
wenselijke
harmonisatie en unificatie van het
bestuursprocesrecht. De gedachte
was toen nog in de eerste fase een min
of meer voorlopige regeling tot stand te brengen van het door de
administratieve kamers van de rechtbanken
toe te passen procesrecht in
eerste aanleg in socialezekerheidszaken,
ambtenarenzaken, Arob-zaken en
vreemdelingenzaken.
Deze zou, zo was de gedachte, worden
opgenomen in de Wet Arob.
In
de memorie van toelichting bij de eerste
tranche van de Awb
werd, voortbouwend
op de voornemens van het toenmalige
kabinet aangaande de
herziening van de rechterlijke organisatie, de opneming in de Awb
aangekondigd
van een definitieve regeling van het
bestuursprocesrecht, toe
te passen door alle administratieve
rechters. Dit zou moeten geschieden
in de laatste fase van de herziening.
Daarbij werd gemotiveerd
waarom het de voorkeur heeft in het
bestuursrecht tot één, ongedeelde
codificatie van materieel bestuursrecht
en bestuursprocesrecht
te komen. Voor het bestuursprocesrecht
werd in de structuur van de
Awb al een plaats ingeruimd: hoofdstuk 8, Bijzondere bepalingen over beroep
op een administratieve rechter. De
gedachte was een nieuw in te stellen
projectgroep onder voorzitterschap van
de regeringscommissaris voor
de algemene regels van bestuursrecht te
belasten met het tot stand brengen
van een voorontwerp voor de definitieve
en algemene regeling van
het bestuursprocesrecht.
Inmiddels
zijn de bakens enigszins verzet. Zoals
in de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel voorintegratie al
is aangekondigd, zal rblz.|29|
reeds
het in de eerste fase tot stand te brengen nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht
worden opgenomen in hoofdstuk 8
van de Awb, getiteld:
Beroep bij de rechtbank. Dit uniforme
bestuursprocesrecht zal niet
alleen worden toegepast door de
(administratieve kamers van de) rechtbanken,
maar ook door de in deze fase optredende
appelrechters - de
Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van
Beroep - en door
het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en het College van
beroep studiefinanciering. De regeling draagt
ook een veel minder voorlopig
karakter dan aanvankelijk de bedoeling
was. Hetgeen thans voorligt,
is een nieuw doordachte, modern
opgezette regeling voor de procesvoering
bij de administratieve rechter. In
beginsel is die blijvend. Wel
is ten aanzien van enkele punten
terughoudendheid betracht bij de vernieuwing,
hetzij vanwege de stand van de
rechtsontwikkeling (bijvoorbeeld
de slechts beperkte
competentie-uitbreiding van de administratieve
rechter, waardoor in deze fase nog
steeds een belangrijke rol voor
de burgerlijke rechter zal zijn
weggelegd), hetzij omdat de voltooiing van
de herstructurering van het stelsel van
bestuursrechtelijke rechtsbescherming
in de derde fase moet of beter kan
worden afgewacht (bijvoorbeeld
het toekennen aan de administratieve
rechter van een exclusieve
bevoegdheid tot het toekennen van
schadevergoeding).
Het
nu in de Awb
op te nemen hoofdstuk 8 is
de voorloper van en de wegbereider
voor het toekomstige hoofdstuk 8, dat
betrekking zal hebben
op alle bestuursrechterlijke procedures.
In het kader van de voorbereiding
van onder meer de derde fase van de
herziening van de rechterlijke
organisatie zal een evaluatie van het
uniforme bestuursprocesrecht
plaatsvinden, gekoppeld aan een studie
naar enkele specifieke vernieuwingsmogelijkheden.
Deze evaluatie staat los van de - nu nog
- in artikel 7.2a [11:1]
van de Awb
opgenomen verplichting
om periodiek aan de Staten-Generaal
verslag uit te brengen van de toepassing
van de Awb. Deze
zal - zo wordt in het nieuw voorgestelde
artikel 7.1 [11:1] bepaald - geen betrekking
hebben op de in de Awb opgenomen
voorschriften betreffende
beroep bij een administratieve rechter.
Wij verwijzen voorts naar onderdeel
2.2.
De
wenselijkheid van de totstandkoming van
een uniform bestuursprocesrecht
wordt alom erkend. Het is van groot
belang dat bestuursrechtelijke
geschillen tussen overheid en burger
volgens eenvormige regels van bestuursprocesrecht
worden beslecht. De algemene
overwegingen die aan
de totstandkoming van algemene regels
van bestuursrecht ten grondslag
liggen, gelden ook voor het
bestuursprocesrecht. Wij verwijzen
naar de algemene beschouwingen daarover
in de memorie van toelichting
bij de eerste tranche van de Awb.
Eenheid in het (geschreven) bestuursprocesrecht
verhoogt de kwaliteit van de
rechtsbescherming. Zij dient
de rechtszekerheid en voorkomt
rechtsongelijkheid. Uniform bestuursprocesrecht
bevordert een goede procesvoering. Het
maakt het procederen
voor partijen eenvoudiger en
vergemakkelijkt de behandeling en
afdoening van de zaak door de administratieve rechter. De totstandkoming
van een uniform bestuursprocesrecht is
mogelijk omdat de omstandigheid
dat (thans) onderscheiden typen van
bestuursrechtelijke zaken
bestaan - zoals ambtenarenzaken,
socialezekerheidszaken, Arob-zaken,
TwK-zaken, zaken op het terrein van de
sociaal-economische
ordening en belastingzaken - niet noopt
tot afdoening volgens een
op de verschillende zaken specifiek
toegesneden procesrecht. Voor een
uiteenlopend bestuursprocesrecht zou
slechts plaats zijn indien er principiële
verschillen tussen de verschillende
bestuursrechtelijke zaken zouden
bestaan die zouden noodzaken tot een
verschillende inrichting van
de procedure. Dergelijke principiële
verschillen zijn er echter niet. Invoering
van een uniform bestuursprocesrecht is
daarom geboden, voor rblz.|30|
zover
één rechter wordt belast met de
behandeling van zaken die voorheen
door onderscheiden rechters volgens een
eigen procesrecht werden
afgedaan. De verwezenlijking van een
uniform bestuursprocesrecht
is wenselijk, ongeacht de inrichting van
het stelsel van bestuursrechtelijke
rechtsbescherming. Het is dus een goede
zaak dat het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en het College van
beroep studiefinanciering,
die niet zijn betrokken in deze eerste
fase van de herziening
van de rechterlijke organisatie, het
nieuwe uniforme bestuursprocesrecht
toch nu reeds gaan toepassen. Bezien zal
worden of het mogelijk
is dat ook de belastingrechter nog
vóór de (voltooiing van de) derde
fase van de herziening over het nieuwe
procesrecht zal beschikken.
Indien
dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven,
zal het onderscheiden procesrecht
zoals dat thans nog is geregeld in de Wet
op de Raad van State,
de Wet Arob, de Ambtenarenwet
1929, de
Beroepswet, de Wet Arbo en de Wet
op de studiefinanciering kunnen vervallen. Er bestaan
zoals gezegd geen principiële
verschillen tussen de verschillende bestuursrechtelijke
zaken. Dat blijkt reeds uit een
vergelijking van de hierboven
vermelde procesrechten. Zij regelen
allemaal hetzelfde, maar op
onderdelen net iets verschillend, zonder
dat daarvoor - althans nu nog -
goede gronden zijn. Zo mag de
TwK-rechter zelf in de zaak voorzien, terwijl
de Afdeling rechtspraak die bevoegdheid
nog niet heeft. De ambtenarenrechter
heeft, geconfronteerd met een onwillig
bestuur, slechts
de mogelijkheid de zaak financieel op te
lossen. Het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven zou het nog
steeds kunnen beleven, althans
volgens artikel 74 van de Wet Arbo, dat
de Kroon bepaalt dat aan
een uitspraak van het College wegens
strijd met het algemeen belang
geheel of gedeeltelijk het beoogde
effect wordt ontnomen. Door het
thans voorliggende wetsvoorstel worden
deze en andere nodeloze en daarmee
ongerechtvaardigde verschillen
geëcarteerd.
Bij
de opstelling van het procesrecht zoals
dat thans voorligt, is vanzelfsprekend
geput uit richtinggevende bronnen.
Allereerst dient te worden
gewezen op de bestaande proceswetten.
Daarbij moesten uiteraard
soms keuzen worden gemaakt tussen
uiteenlopende voorliggende
oplossingen. Voorts is gebruik gemaakt
van het rapport van de Werkgroep
harmonisatie administratief procesrecht
van de Afdeling administratieve
rechtspraak van de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak
van 1983. Verder is het één en ander
ontleend aan het rapport van
de Commissie herziening Beroepswet en
Ambtenarenwet 1929 van 1968,
waarin is opgenomen een voorstel voor
een Wet administratieve rechtspleging
sociale en ambtenarenwetgeving, met
memorie van toelichting.
Niettemin is sprake van een nieuwe
regeling, toegesneden op de
doelstellingen en de gewenste karakteristieken van het nieuwe
procesrecht.
Op de wijze van voorbereiding van het
nieuwe bestuursprocesrecht
en de rol van de verschillende adviezen
is in onderdeel 1.7 reeds ingegaan.
2.2.
Bestuursrecht en bestuursprocesrecht
2.2.1. Algemeen
In
(de klassieke visie op) het
bestuursrecht staat van oudsher centraal
de
conceptie dat het bestuurshandelen moet
worden gekwalificeerd en benaderd
als het eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie.
Als zodanig werd en wordt het
bestuurshandelen beschouwd als de
laatste schakel in de keten van
publiekrechtelijke rechtsvorming. De zogenoemde
gebonden beschikking kan, ook
historisch, worden rblz.|31|
beschouwd
als het prototype van deze wijze van het
eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie,
waarbij het bestuursorgaan zich
kan beperken tot de zuivere uitvoering
van door de (formele) wetgever
gestelde regels en waarbij van het
afwegen van belangen in het algemeen
of in concreto geen sprake is. In latere
fasen van de ontwikkeling
van het bestuursrecht zijn steeds meer
taken aan bestuursorganen gegeven.
Daarbij zijn ook andere typen van
bestuurshandelen tot ontwikkeling
gekomen. Zo zijn met het toenemen van de
hoeveelheid beleidsinstrumentele
wetgeving de nodige discretionaire
bevoegdheden aan bestuursorganen
toegekend. Veel meer dan bij de gebonden
beschikking kreeg
het bestuur daarbij manoeuvreerruimte
bij het vaststellen van wat in
het concrete geval rechtens is. Hoewel
het ook in deze gevallen gaat om
het eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie, vragen
deze bevoegdheden van het bestuur een
andere wijze van besluitvorming,
waarbij meer gewicht moet worden
toegekend aan de gerechtvaardigde
belangen van de betrokken burgers.
De
conceptie van eenzijdigheid heeft
belangrijke gevolgen gehad voor het
vaststellen van de doelstellingen en
daarmee van de vormgeving van het
klassieke bestuursprocesrecht.
In
dat licht is het begrijpelijk dat de
inzet van het bestuursrechtelijk geding
van meet af aan is geweest de toetsing
van de rechtmatigheid van
het bestuurshandelen (op deze plaats
kunnen buiten beschouwing
blijven de in onderdeel 1.4.1 behandelde
discussie omtrent het
opdragen van die toetsing aan het
bestuur of aan de rechter en de daarmee samenhangende, eveneens in
onderdeel
1.4.1 behandelde, verhouding
tussen rechtmatigheidstoetsing en
doelmatigheidstoetsing). De
rechtmatigheidstoetsing van het bestuurshandelen - en daarmee het
(klassieke)
bestuursrechtelijke geding - heeft twee
doelstellingen.
De,
historisch, eerste doelstelling is de
handhaving van het objectieve
publïekrecht. Gelet op de conceptie van
eenzijdigheid ligt het voor
de hand dat als oogmerk van een bestuursrechtelijke procedure
aanvankelijk
vooral werd beschouwd de controle van de
wijze waarop het desbetreffende
bestuursorgaan zich had gekweten van de
aan hem opgedragen
uitvoering van door de (formele)
wetgever vastgestelde regels.
Die controle diende primair het algemeen
belang. Hiermee hangt samen
dat die rechtmatigheidstoetsing was
gericht op het concrete, rechtsvaststellende
handelen van het bestuur. Wij tekenen
overigens aan
dat in de loop van de tijd de
doelstelling handhaving van het objectieve
publiekrecht ruimer is uitgelegd.
Daaraan zijn noties als rechtszekerheid,
duidelijkheid en slagvaardig
bestuursoptreden verbonden.
Met
het feit dat de rechtmatigheidstoetsing
was gericht op het concrete
rechtsvaststellende handelen van het
bestuur, was nauw verbonden
de keuze voor een toetsing ex tunc.
De
tweede doelstelling is het bieden van
rechtsbescherming. Gelet op
de eenzijdigheid van het
bestuurshandelen en de daarmee gepaard gaande
ongelijkheid in de verhouding
bestuursorgaan-burger, ligt het
evenzeer
voor de hand dat een bestuursrechtelijke
procedure mede tot doel
had het bieden van rechtsbescherming aan
de burger tegen het eenzijdige
optreden van de - machtige(r) -
overheid. Daarmee is onverbrekelijk
het begrip ongelijkheidscompensatie
verbonden, waarmee wordt
geduid op het feit dat door de inrichting van het bestuursprocesrecht
en het optreden van de administratieve
rechter daarin tegenwicht werd
geboden tegen de voorsprong die het
bestuursorgaan ten opzichte van
de burger geacht werd te hebben, en vaak
ook had. Wij merken op rblz.|32|
dat
het onderkennen van deze tweede
doelstelling in de meeste gevallen heeft
geleid tot een stelsel waarin het recht
om het handelen van het bestuur
ter toetsing aan de rechter voor te
leggen, is toegekend aan degene
wiens belang rechtstreeks bij dat
handelen was betrokken. Slechts in enkele gevallen heeft de wetgever
gekozen voor een zogenoemde
actio popularis.
Het
onderscheiden van deze beide
doelstellingen betekent overigens
geenszins
dat zij ook daadwerkelijk van elkaar
kunnen worden gescheiden.
Dat blijkt al uit het feit dat de handhaving van het objectieve
recht
van begin af aan toch meestal geschiedt
via de ingang van de rechtsbescherming.
Niettemin heeft het om analytische
redenen zin dit onderscheid
te maken.
2.2.2.
Karakteristieken van het (klassieke)
bestuursprocesrecht
In
de loop van de tijd heeft zich een
aantal karakteristieken van het (klassieke)
bestuursprocesrecht ontwikkeld. Het is
overigens niet zo dat al
deze karakteristieken zijn terug te vinden in alle thans bestaande
regelingen
van bestuursprocesrecht. Daarvoor is de
historische ontwikkeling
te divers geweest en beslaat zij een te
lange periode. Voorts verschilt de uitwerking van een bepaalde
karakteristiek nogal eens van regeling
tot regeling. Verder merken wij op deze
plaats alvast op dat de aanwezigheid
van bepaalde karakteristieken in de
huidige regelingen van bestuursprocesrecht
niet impliceert dat deze ook aan het
nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht zouden moeten worden
toegekend.
In
een bestuursrechtelijke procedure gaat
het, zoals hiervoor gememoreerd,
om een rechtmatigheidstoetsing ex tunc
van het bestuurshandelen,
op instigatie van één of meer belanghebbenden. Dat bestuurshandelen
kent verschillende juridische
verschijningsvormen. In de meeste bestuursrechtelijke
wetgeving, waaronder ook de Awb, is
gekozen voor aanknoping
bij het besluit als meest
karakteristieke verschijningsvorm.
Als
eerste karakteristiek van het
bestuursprocesrecht kan derhalve worden
genoemd het centraal stellen van de
rechtmatigheidstoetsing ex
tunc van een besluit.
Een
tweede belangrijke karakteristiek is het
voorschrijven van korte beroepstermijnen.
Zij vloeit voort uit de doelstelling van
het handhaven van
het objectieve publiekrecht en is ook uit een oogpunt van rechtsbescherming
van belang. Essentieel daarbij is dat -
behoudens de mogelijkheid
van toetsing bij wege van exceptie in
geval van een besluit van
algemene strekking - binnen betrekkelijk
korte termijn zekerheid wordt
verkregen over de (on)rechtmatigheid van
een besluit. Het leerstuk van
de formele rechtskracht is daarmee
verbonden.
Een
derde belangrijke karakteristiek van het
bestuursprocesrecht is het zoeken
naar de materiële waarheid. Zij
vertaalt zich in een aantal kenmerken,
die soms voortvloeien uit beide
doelstellingen van het bestuursprocesrecht
en soms het gevolg zijn van slechts één
van die doelstellingen.
Een
wezenlijk kenmerk is dat de rechter, op
zoek naar de relevante feiten,
in belangrijke mate het verloop van de
procedure bepaalt en niet alleen
verplicht is ambtshalve de rechtsgronden
aan te vullen, maar ook nadrukkelijk
bevoegd is op basis van eigen onderzoek
tijdens het vooronderzoek
en tijdens het onderzoek ter zitting
ambtshalve de feiten aan
te vullen. Men spreekt veelal van de
actieve rechter of van de rechter rblz.|33|
als
dominus litis. Dit kenmerk hangt zowel
samen met het handhaven van het
objectieve publiekrecht als met het
bieden van rechtsbescherming.
In
het verlengde van de actief
onderzoekende attitude van de rechter ligt
het vrijwel ontbreken van regels van
materieel bewijsrecht in het bestuursprocesrecht.
Onder meer daarmee hangt samen dat het bestuursrechtelijke
geding als een eenheid wordt beschouwd,
leidend tot één
einduitspraak, en niet, zoals de
dagvaardingsprocedure in het burgerlijk
procesrecht, is geconstrueerd als een
reeks van - in beginsel appellabele
- tussenvonnissen, uiteindelijk gevolgd
door een eindvonnis.
Eveneens
in het verlengde van de rechterlijke
attitude in het bestuursprocesrecht
ligt het gewicht dat van oudsher is
toegekend aan het onderzoek
ter zitting. De mondelinge behandeling
kan een belangrijke bijdrage
leveren aan het op tafel krijgen van de
relevante feiten en omstandigheden.
Zij kan verder bijdragen aan de
compensatie van de ongelijkheid
tussen partijen. Ten slotte kan zij
fungeren als correctief op het
hierna te memoreren gegeven dat in het
bestuursprocesrecht geen sprake
is van verplichte procesvertegenwoordiging of verplichte
rechtsbijstand.
Een
opvallend kenmerk van het klassieke
bestuursprocesrecht, voortvloeiend
uit de doelstelling van het handhaven
van het objectieve publiekrecht,
is de bevoegdheid, ja soms zelfs de
verplichting, van de rechter
om bij de toetsing van het bestreden
besluit buiten de grenzen van
het beroepschrift te treden, het
zogenoemde ultra petita gaan (vgl.
artikel 69 [oud, red.], eerste lid, van de
Beroepswet). Daarmee is verwant de
mogelijkheid om de indiener van het
beroepschrift in een slechtere positie
te brengen dan vóór het instellen van beroep, de zogenoemde
reformatio
in peius (vgl. artikel
69 [oud, red.], tweede
lid, van de
Beroepswet).
Als
vierde karakteristiek, volgend uit de
rechtsbeschermingsfunctie, noemen wij dat het bestuursprocesrecht voor de
burger laagdrempelig is.
Dat betekent dat het bestuursprocesrecht
de belanghebbende burger in
staat moet stellen om door middel van
een eenvoudige rechtsingang, tegen
betrekkelijk geringe kosten en met een
betrekkelijk gering kostenrisico,
zonder verplichte
procesvertegenwoordiging of verplichte
rechtsbijstand
maar wel met de mogelijkheid van
vertegenwoordiging of bijstand,
en in een betrekkelijk informele
procedure, de rechtmatigheid van
een besluit van een bestuursorgaan in
rechte aan te vechten.
2.2.3.
Ontwikkelingen in het
bestuursprocesrecht
Hiervoor
is benadrukt dat de conceptie van het
eenzijdig jegens de burger
vaststellen van diens rechtspositie door
bestuursorganen, in hoge mate
bepalend is geweest voor de ontwikkeling
van het bestuursprocesrecht.
Die ontwikkeling kent uiteraard een
zekere dynamiek. In verband met
de door ons gehanteerde, hierna uiteen
te zetten, criteria bij het opstellen
van het uniforme bestuursprocesrecht en
de daarbij gemaakte keuzen
is het van belang daaraan op deze plaats
aandacht te besteden.
De
toetsing van veel van het
bestuurshandelen vindt thans op een andere
wijze plaats dan aan het begin van deze
eeuw, toen - afgezien van
de rechtspraak in belastingzaken - de eerste administratieve rechters
hun
intrede deden. In lijn met de
toentertijd doorgaans aan bestuursorganen
toegekende gebonden
beschikkingsbevoegdheden bleef de toetsing
beperkt tot de vaststelling van de
feiten en de controle van de wetmatigheid
van het bestuurshandelen. De hiervoor al
gememoreerde snelle
groei van de bestuursinstrumentele wetgeving, met name in de
rblz.|34|
periode
na 1945, ging gepaard met toenemende
discretionaire bevoegdheden
van de bestuursorganen. Daardoor groeide
de behoefte aan een juridische normering van de
uitoefening van die
discretionaire bevoegdheden,
zowel bij de procedurele voorbereiding
van een besluit als bij de aan
een besluit ten grondslag liggende belangenafweging, zowel in
abstracto
als in concreto. Als gevolg daarvan
zijn, in een voortdurende wisselwerking
tussen rechtspraak en literatuur, de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot ontwikkeling
gebracht. Deze vonden in het geschreven
recht een eerste, indirecte erkenning
door het formuleren van
beroepsgronden (of beter: toetsingsgronden) in de meeste
regelingen
van bestuursprocesrecht. In de Awb
zullen enkele belangrijke algemene
beginselen van behoorlijk bestuur worden
gecodificeerd. Met het
volwassen worden van dit leerstuk heeft
ook de feitelijke en de juridische
verhouding tussen bestuursorgaan en
burger een wijziging ondergaan.
Weliswaar is in geval van besluiten
formeel nog steeds sprake
van eenzijdige rechtsvaststelling door
het bestuur, materieel is, ook
door de veranderende verhouding tussen
burger en bestuur, een onmiskenbare
tendens naar een meer wederkerige wijze
van rechtsvaststelling
ontstaan. In de memorie van toelichting
bij de eerste tranche van de
Awb zijn onze ambtsvoorgangers daarop
ingegaan. Zij signaleren daar onder meer dat de verhouding tussen
bestuursorgaan en burger in toenemende
mate als een rechtsbetrekking moet worden aangemerkt,
met
wederzijdse rechten en plichten. Deze
ontwikkeling, die nog lang niet
volledig is uitgekristalliseerd, is ook
van invloed op het bepalen van de doelstellingen en de vormgeving van het
bestuursprocesrecht.
Wij
signaleren dat als gevolg van de
hiervoor kort geschetste ontwikkeling,
in de afgelopen jaren het primaat van de
functie van het handhaven
van het objectieve publiekrecht heeft plaatsgemaakt voor het
primaat
van de rechtsbeschermingsfunctie. Als
gevolg van het toekennen van
een groter gewicht aan de notie van de
rechtsbetrekking is deze ontwikkeling gepaard gegaan met een - gelijktijdige -
relativering van de gedachte
van de ongelijkheidscompensatie. Wij
zijn van oordeel dat deze
ontwikkelingen in het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht tot
uitdrukking
moeten komen.
Het
is niet uitgesloten dat deze
ontwikkelingen in de verdere toekomst zullen
leiden tot een wezenlijk andere
benadering van het bestuursprocesrecht.
Staat nu nog de rechtmatigheidstoetsing
ex tunc van een besluit
centraal, denkbaar is dat, zoals dat ook
in het burgerlijk procesrecht
het geval is, de rechtsbetrekking ex
nunc de inzet van de procedure wordt,
waarbij ook aan het betrokken
bestuursorgaan een actie toekomt. Als
dat inderdaad te zijner tijd wenselijk
blijkt te zijn, zal de verhouding tussen
administratieve rechter en civiele
rechter, en a fortiori tussen bestuursprocesrecht
en burgerlijk procesrecht, opnieuw
moeten worden doordacht.
Verschillende
keuzen zijn dan denkbaar. De meest
vergaande keuze die kan
worden gemaakt, is het ook processueel
integreren van bestuursrechtspraak
en civiele rechtspraak, eventueel met
bijzondere voorzieningen
voor procedures waarin een
bestuursorgaan partij is. In die opzet vervalt
het onderscheid zowel naar object als
naar subject met het burgerlijk
procesrecht en zijn derhalve een
afzonderlijk bestuursprocesrecht
en een afzonderlijk burgerlijk
procesrecht overbodig. In dat verband
verdient eveneens aandacht dat in recente jurisprudentie is
vastgesteld
dat bestuursrechtelijke onrechtmatigheid
tevens civielrechtelijke
onrechtmatigheid impliceert (Hoge
Raad 31 mei
1991, RvdW 1991, 143, Van Gog-Nederweert) en dat evenzeer
vaststaat dat bestuursorganen, ook
als zij gebruik maken van het burgerlijk
recht, zijn gebonden aan de rblz.|35|
algemene
beginselen van behoorlijk bestuur (Hoge
Raad 27
maart 1987, NJ 1987,
727, m.nt. MS, en AB 1987, 273, m.nt.
FHvdB en Amsterdam-lkon).
Een andere, iets minder vergaande,
mogelijkheid is dan
de administratieve rechter bevoegd te
maken voor alle geschillen over
rechtsbetrekkingen waarin één van de
partijen een bestuursorgaan is,
dus ook als het bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van een aan
het
burgerlijk recht ontleende bevoegdheid.
In die opzet, waarin het object
maximaal wordt verruimd, blijft een
afzonderlijk bestuursprocesrecht
nodig, eventueel met bijzondere, aan het
burgerlijk procesrecht ontleende
voorzieningen. In een nog iets minder
vergaande variant wordt de
administratieve rechter bevoegd voor al
het publiekrechtelijke handelen
van bestuursorganen. De civiele rechter
blijft dan bevoegd in de
gevallen waarin een civielrechtelijke
rechtsbetrekking aan de orde is. Ook
in die optie, waarin de verruiming van
het object wel groot maar niet maximaal
is, is uiteraard een apart
bestuursprocesrecht nodig.
Hoe
interessant deze bespiegelingen ook
zijn, het zal duidelijk zijn dat het
thans te vroeg is om daaraan
operationele gevolgen te verbinden.
2.3.
Uitgangspunten voor het nieuwe, uniforme
bestuursprocesrecht
In
onderdeel 2.1 is uiteengezet waarom de
voorkeur uitgaat naar één, uniform
bestuursprocesrecht. Daarvan uitgaande,
dienen de normen te worden
geformuleerd waaraan het uniforme
bestuursprocesrecht moet voldoen.
Allereerst
zijn de doelstellingen van het
bestuursprocesrecht van belang.
In overeenstemming met en als
consequentie van de in onderdeel
2.2 geschetste ontwikkeling kiezen wij voor de rechtsbeschermingsfunctie
als de rechtsbeschermingsfunctie als
primaire doelstelling van
het bestuursprocesrecht. Het
bestuursprocesrecht dient derhalve een adequaat
kader te bieden voor het bindend
beslechten van een rechtsgeschil
in de verhouding tussen burger en
bestuursorgaan.
Eén
en ander betekent dat die kenmerken van
de bestaande regelingen
van bestuursprocesrecht die uitsluitend
dienstbaar kunnen zijn
aan het verwezenlijken van de
doelstelling van het handhaven van het
objectieve publiekrecht, in de nieuwe
opzet niet terugkeren. Het betekent ook dat de keuze van de wetgever voor
de primaire doelstelling onder omstandigheden voor de rechter
redengevend kan zijn bij de uitleg en
de toepassing van het
bestuursprocesrecht. Uit het voorgaande
volgt overigens niet dat het handhaven van het
objectieve publiekrecht in het geheel
geen rol meer speelt. Voor elke regeling
van procesrecht - die immers
uit de aard der zaak dienstbaar is aan
het geldend maken van aan het materiële recht ontleende
aanspraken - geldt dat haar toepassing
leidt tot het handhaven van het
objectieve recht. Dat is voor het
bestuursprocesrecht niet anders. Waar
het om gaat, is dat als gevolg van
de veranderde verhouding tussen
bestuursorgaan en burger de handhaving
van het objectieve publiekrecht niet
langer een zelfstandige, laat
staan de primaire, doelstelling van het
bestuursprocesrecht kan zijn. Maar
ook voor de rechtsbeschermingsfunctie
geldt dat onder ogen moet worden
gezien in hoeverre de gewijzigde verhouding tussen bestuursorgaan
en burger vraagt om veranderingen in het
op basis van die doelstelling
op te stellen bestuursprocesrecht. Met
andere woorden: er dient
een nieuw evenwicht te worden gevonden.
Bij dat laatste denken wij
nadrukkelijk ook aan het, algemene,
belang dat is gemoeid met een zo
spoedig mogelijke afdoening van bestuursrechtelijke geschillen.
Daarmee
verwant is het uitgangspunt van de
proceseconomie. Zowel bij rblz.|36|
het
opstellen van regels van procesrecht als
bij de uitleg en de toepassing daarvan dient het gezichtspunt van
efficiency en effectiviteit nadrukkelijk
te worden betrokken. Het is immers zowel
voor partijen als voor
de rechter van belang dat het bestuursprocesrecht zelf geen
belemmeringen
opwerpt voor een adequate beslechting
van geschillen in de
verhouding tussen burger en
bestuursorgaan. Het uitgangspunt van de proceseconomie mag echter niet
prevaleren boven het streven naar de
handhaving en de verdere verbetering van
de juridische kwaliteit en het
gehalte van de rechtspraak.
Tegen
de achtergrond van deze doelstellingen
heeft het door ons voorgestelde
uniforme bestuursprocesrecht de volgende
karakteristieken.
Ook
in de nieuwe opzet staat de
rechtmatigheidstoetsing ex tunc van
een besluit centraal. Uit een oogpunt
van rechtsbescherming, maar evenzeer
uit een oogpunt van doelmatige en
doeltreffende geschillenbeslechting,
dienen de nadelige consequenties van het
noodzakelijkerwijs thans
handhaven van deze benadering zoveel
mogelijk te worden geredresseerd.
Dit leidt ertoe de rechter de
bevoegdheid te geven om, waar
dat mogelijk is, zelf in de zaak te
voorzien. De rechter kan en zal daarbij
rekening houden met na het instellen van
het beroep opgekomen feiten
en omstandigheden. Daarbij geldt
uiteraard in beginsel de grens dat
de rechter slechts dan zelf in de zaak
mag voorzien als na de vernietiging
rechtens maar één beslissing mogelijk
is (zie verder de toelichting op
artikel 8.2.6.6 van de Awb). In dit
verband komt ook betekenis toe aan
het feit dat, voorafgaand aan maar ook
tijdens de zitting, meer en meer
contacten tussen partijen plaatshebben,
al dan niet op initiatief van de
rechter. Het voorgaande leidt er
eveneens toe dat een vernietiging waarmee
partijen niets opschieten, dient te
worden vermeden (vgl. artikel
6.2.14 [6:22]
van de Awb). Ten slotte dienen
aan de rechter, onderscheidenlijk
aan partijen, adequate middelen ten
dienste te staan om de naleving
van rechterlijke uitspraken af te
dwingen. Het nieuwe bestuursprocesrecht
voorziet in dit alles, daarmee een einde
makend aan de bestaande
uiteenlopende en op onderdelen lacuneuze
uitspraakbevoegdheden
van de verschillende administratieve
rechters. Het biedt aldus aan de
rechter alle ruimte om te komen tot een
materiële oplossing van het geschil.
Het
uitgangspunt van de korte beroepstermijnen is, vooral vanwege het
centraal blijven stellen van de
rechtmatigheidstoetsing van een besluit,
gehandhaafd.
Het
streven naar het zoeken van de
materiële waarheid blijft in de nieuwe
opzet overeind, maar is in zijn
uitwerking belangrijk gerelativeerd.
Een
belangrijke relativering is dat de
rechter in beginsel is gebonden aan
de omvang van het geschil zoals door de
indiener van het beroepschrift
- en mogelijke derden-belanghebbenden -
aan hem voorgelegd. Meer
is, gelet op de
rechtsbeschermingsfunctie van het
bestuursrechtelijk
geding en het gegeven van het bestaan
van een rechtsbetrekking tussen
partijen, niet nodig en ook niet
gewenst. De rechter behoort derhalve
niet buiten de omvang van het
voorgelegde geschil te treden, niet
ultra petita te gaan. Dit is neergelegd
in het voorgestelde artikel 8.2.6.4 [8:69],
eerste lid, van de Awb.
Een
tweede, daarmee samenhangende en
eveneens uit artikel 8.2.6.4 [8:69], eerste
lid, voortvloeiende relativering is
dat de mogelijkheid van reformatio
in peius in strikte zin verdwijnt (zie
de toelichting op artikel 8.2.6.4 [8:69],
eerste lid).
rblz.|37|
Wat
blijft, is de actieve rechter, en
daarmee de verplichting van de rechter
om ambtshalve de rechtsgronden aan te
vullen (artikel 8.2.6.4 [8:69], tweede
lid) en de bevoegdheid om ambtshalve de
feiten aan te vullen (artikel 8.2.6.4 [8:69], derde lid). Met name het
laatste punt kan worden gezien als
een specifiek kenmerk van het
bestuursprocesrecht. Het volgt rechtstreeks
uit de ongelijkheidscompensatie. Daarmee
dient de rechter bij de toepassing
rekening te houden: naarmate de
ongelijkheid in casu minder is
(dat zou bijvoorbeeld kunnen in een
geschil tussen een groot bedrijf en
een kleine gemeente of tussen twee min
of meer gelijkwaardige bestuursorganen),
is er minder reden om van deze
bevoegdheid gebruik te
maken.
Wat
eveneens blijft, is het vrijwel
ontbreken van regels van materieel bewijsrecht.
Artikel 8.2.6.4 [8:69]
kan worden beschouwd als
het enige artikel waarin
materieel bewijsrecht is opgenomen: het
schrijft de rechter dwingend voor waarop hij zijn uitspraak zal
moeten baseren. In een stelsel
waarin de rechter de bevoegdheid heeft
ambtshalve de feiten aan te vullen, is aan een wettelijk stelsel van
materieel bewijsrecht niet of nauwelijks
behoefte. Dat neemt niet weg dat de
rechter, afhankelijk van onder
meer de verhouding tussen partijen, de
aard van het geschil en de in
het geding zijnde feiten naar
redelijkheid en billijkheid stelplicht
en bewijslast
over de partijen heeft te verdelen. Het
nieuwe bestuursprocesrecht
bevat uiteraard wel regels van formeel
bewijsrecht. Daarbij is gestreefd
naar harmonisatie met bepalingen uit het
Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek
van Strafvordering (voor een bespreking
ten gronde van de verhouding tussen het
bestuursprocesrecht
en het burgerlijk procesrecht verwijzen
wij naar onderdeel 2.4). In verband
met het voorgaande is ook de eenheid van
het bestuursrechtelijk geding
gehandhaafd. Dat betekent dat niet
zelfstandig kan worden geappelleerd
tegen beslissingen die de rechter in de
loop van het proces heeft
genomen. Gelet op de discretionaire aard
van de aan de rechter toegekende
processuele bevoegdheden en op het feit
dat niet in alle gevallen
hoger beroep openstaat, verdient het
aanbeveling dat de rechterlijke
colleges die het uniforme
bestuursprocesrecht toepassen, in goed
overleg - en uiteraard met behoud van
ieders onafhankelijkheid - beleid
ontwikkelen om een beredeneerd en
voorspelbaar gebruik van deze
discretionaire bevoegdheden te
bevorderen. In de gevallen waarin wel
hoger beroep openstaat, kan uiteraard
tegelijk met het hoger beroep tegen
de uitspraak worden geklaagd over
tussenbeslissingen. Voorts kan in
klemmende gevallen de rechtseenheidsvoorziening uitkomst
bieden.
Als
consequentie van het handhaven van de
actief onderzoekende attitude
van de rechter hebben wij ernaar
gestreefd de rechter een gedifferentieerd
instrumentarium te verschaffen om een
bij hem aanhangig
gemaakte zaak telkens te kunnen
behandelen op de wijze die voor
die zaak passend is. De rechter heeft
telkens de mogelijkheid te kiezen van welke processuele bevoegdheden hij
op een bepaald moment in
een concrete zaak gebruik wenst te
maken. Nadat de zaak aanhangig is
gemaakt, beslist derhalve de rechter -
zoals gezegd binnen de grenzen van
het aan hem voorgelegde geschil - hoe de
verdere gang van zaken zal
zijn. In die zin is hij dominus litis.
Zo bepaalt de rechter hoe uitvoerig het
vooronderzoek (afdeling
8.2.2) zal zijn
en of eventueel de procedure van
de versnelde behandeling (afdeling
8.2.3) wordt gevolgd. Ook kan de rechter
het initiatief nemen om te bewerkstelligen dat het vooronderzoek
niet
zal worden gevolgd door een onderzoek
ter zitting (afdeling
8.2.5). Daarbij
past overigens de kanttekening dat in
de meeste gevallen waarin een
zaak niet volgens de procedure van de
vereenvoudigde behandeling is
afgedaan (afdeling
8.2.4) of waarin
tijdens het vooronderzoek geen rblz.|38|
mondelinge
uitwisseling van standpunten heeft
plaatsgevonden, het onderzoek
ter zitting van groot gewicht zal
blijven, zeker in de gevallen waarin
de burger in persoon en zonder
rechtsbijstand procedeert. Onder omstandigheden
zal de rechter ook in andere gevallen
toch kunnen kiezen
voor een zitting, om zo de burger zijn
"day in court" niet te onthouden.
Voorts wijzen wij erop dat de rechter
alle mogelijkheden heeft
om desgeraden te trachten tot een
schikking tussen partijen te komen.
Het
zal duidelijk zijn dat ook het nieuwe
bestuursprocesrecht beoogt laagdrempelig
te zijn. Gehandhaafd zijn daarom de
eenvoudige rechtsingang,
de betrekkelijk geringe kosten voor het
instellen van beroep bij de
rechter in eerste aanleg, het niet
voorschrijven van procesvertegenwoordiging
of rechtsbijstand en de betrekkelijk
informele procedure. Op een tweetal punten zijn wijzigingen
aangebracht. Ten eerste wordt als uitvloeisel
van het toekennen van gewicht aan de
veranderde verhouding tussen
burger en bestuursorgaan in dit wetsvoorstel naast de
mogelijkheid
van een kostenveroordeling van het
bestuursorgaan ook een
kostenveroordeling van de burger
mogelijk gemaakt. Ten tweede wordt,
met het oog op het bevorderen van de
doelmatige en doeltreffende
beslechting van bestuursrechtelijke
geschillen, voor het instellen van
hoger beroep in beginsel een
substantieel hoger griffierecht gevraagd.
Wij
menen te mogen concluderen dat met het
nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht
een belangrijke bijdrage wordt geleverd
aan de handhaving
en de verdere verbetering van de juridische kwaliteit en het
gehalte
van de bestuursrechtspraak, aan de
vergroting van de cliëntgerichtheid
van de bestuursrechtspraak en aan de
verbetering van het evenwicht binnen de rechterlijke organisatie. De
meest in het oog springende
verdienste lijkt ons te zijn het
uniforme karakter van het nieuwe bestuursprocesrecht.
Als zodanig levert het een grote
bijdrage aan het deregulerende
karakter van dit
wetsvoorstel. Daarnaast
wijzen wij op het vooropstellen van de rechtsbeschermingsfunctie
van het bestuursproces,
op het opvullen van nogal wat in de
huidige regelingen van bestuursprocesrecht
bestaande lacunes, op het globale,
informele, eenvoudige
en gedifferentieerde karakter van het bestuursprocesrecht,
op
de gerichtheid op het adequaat
beslechten van bestuursrechtelijke geschillen
en op het begin van harmonisatie met het
burgerlijk procesrecht
en - in mindere mate - het
strafprocesrecht.
In
de toelichting op de afzonderlijke
artikelen zal waar nodig meer gedetailleerd
worden ingegaan op het hiervoor
gestelde.
2.4.
Bestuursprocesrecht en burgerlijk
procesrecht
De
vertrekpunten van het bestuursproces en
het burgerlijk proces zijn traditioneel
verschillend. In het bestuursproces
heeft van oudsher de rechtmatigheidstoetsing
ex tunc van het besluit, als produkt van
de eenzijdige
rechtsvaststelling door een
bestuursorgaan in een situatie van ongelijkwaardigheid,
centraal gestaan. Het burgerlijk proces
- wij beperken
ons voorshands tot de klassieke
dagvaardingsprocedure - is eertijds
opgezet als een kader voor de effectieve
beslechting van een rechtsstrijd
ex nunc tussen twee gelijkwaardige partijen in het kader van
de
tussen die partijen bestaande
rechtsbetrekking.
Deze
verschillende vertrekpunten hebben
geleid tot uiteenlopende karakteristieken
van de beide typen van procesrecht.
Zonder uitputtend te
willen zijn, wijzen wij op de volgende verschillen. Het uitgangspunt van
rblz.|39|
de
gelijkwaardigheid van partijen leidt
onder meer tot een grotere rol van de
partij-autonomie in het burgerlijk
procesrecht, de van oudsher als lijdelijk
aangemerkte attitude van de rechter, het
bestaan van een gedifferentieerd
stelsel van regels van materieel
bewijsrecht en daarmee van een
procesvorm die werkt met in beginsel
appellabele interlocutoire vonnissen,
en het beginsel van de
niet-kosteloosheid (substantieel griffierecht
en doorgaans imperatieve veroordeling in
de kosten van de in het ongelijk gestelde partij) van de
procedure. Het feit dat het burgerlijk proces
niet primair is gericht op de handhaving
van eenzijdig door een bestuursorgaan
jegens een burger vastgesteld recht
brengt onder meer mee
dat de inzet van de procedure is de
rechtsbetrekking tussen partijen en
dat door de rechter een beslissing
"op maat" wordt gegeven die ex nunc
de rechtsstrijd beslecht.
Zoals
het klassieke bestuursrechtelijke geding
zich in de tijd heeft ontwikkeld,
zo heeft ook het klassieke burgerlijk
proces zich verder ontwikkeld.
En ook daarvoor geldt dat die ontwikkeling nog lang niet is
uitgekristalliseerd.
Wij wijzen op enkele punten.
Naast
de traditionele dagvaardingsprocedure is
in het burgerlijk procesrecht
de - eigenlijke -
verzoekschriftprocedure (artikelen 429a
tot en
met 429r van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering) tot ontwikkeling
gekomen. Deze procedure, die met name is
bedoeld voor geschillen
over rechten die niet ter vrije bepaling
van partijen staan, wijkt op niet onbelangrijke onderdelen af van de
dagvaardingsprocedure en vertoont
belangrijke overeenkomsten met het
bestuursprocesrecht. Een voorbeeld
is het informele karakter van de
procedure en de pregnantere rol
van de mondelinge behandeling. Ook
wijzen wij op het feit dat artikel 176,
eerste lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering een relativering
bevat van de regel dat de rechter door
een partij gestelde en door
een andere partij niet of niet voldoende
betwiste feiten of rechten als
tussen partijen vaststaand moet beschouwen voor het geval het gaat
om
rechten die niet ter vrije bepaling van
partijen staan.
Maar
ook in de dagvaardingsprocedure zijn in
de loop van de tijd veranderingen
opgetreden. Daarvoor zijn twee
hoofdoorzaken aan te geven.
Ten eerste strookt het uitgangspunt van
de gelijkwaardigheid van partijen
lang niet altijd met de concrete
maatschappelijke werkelijkheid. Ten
tweede heeft zich, deels daarmee
samenhangend, meer en meer de noodzaak
opgedrongen om ook in burgerlijke
procedures tot snellere eindbeslissingen
te komen. Wij wijzen op enkele van de
als gevolg daarvan
opgetreden en optredende veranderingen.
Opvallend is de actievere
rol van de rechter en de daarmee
corresponderende beperking van
de partij-autonomie, onder meer tot
uitdrukking komend in de wettelijke regeling van de comparitie na antwoord
(artikel 141a van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering). Even
opvallend is de hoge vlucht
die het kort geding heeft genomen.
Verder wijzen wij op het recentelijk
ingevoerde nieuwe artikel 110 van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter meer
bevoegdheden toekent in "kleine"
zaken.
Uit
het voorgaande kunnen enkele conclusies
worden getrokken.
Ten
eerste dat het bestuursprocesrecht en
het burgerlijk procesrecht naar
elkaar toegroeien. Daarbij is sprake van
wederzijdse beweging en wederzijdse
beïnvloeding. Dit proces zal in
belangrijke mate kunnen worden
versterkt door de personele en
organisatorische integratie van de rechtspraak
in eerste aanleg in het kader van de
eerste fase - en straks in de tweede fase - van de herziening van
de rechterlijke organisatie. rblz.|40|
Daardoor
zal zeker sprake zijn van wederzijdse
beïnvloeding en bevruchting
van verschillende rechtsculturen. Wij tekenen hierbij wel
aan
dat niet mag worden vergeten dat op
onderdelen, juist door de verschillende
vertrekpunten, ook belangrijke
verschillen bestaan. Vooral het
materiële bewijsrecht in de
dagvaardingsprocedure is daarvan een voorbeeld.
Wij verwijzen naar de artikelen 176,
eerste lid, 177, 178 en 181,
eerste lid, van het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering.
Ten
tweede dat ook los daarvan en los van
elkaar het bestuursprocesrecht
en het burgerlijk procesrecht in
beweging zijn. Voor het bestuursprocesrecht
leidt dat tot een ingrijpende aanpassing
in het kader van de eerste
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie. Voor het burgerlijk
procesrecht zal dat, in het voetspoor
van reeds tot stand gebrachte en al in gang gezette aanpassingen in
het Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, leiden tot een
ingrijpende aanpassing van het
Eerste Boek in het kader van de tweede
fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie.
Voor
het onderhavige wetsvoorstel betekenen
deze twee waarnemingen
dat bij het opstellen van een nieuw,
uniform bestuursprocesrecht
terughoudendheid dient te worden betracht in het overnemen van
aan
het burgerlijk procesrecht ontleende
regels. Daarvoor is op onderdelen
nog steeds sprake van te grote
verschillen. Bovendien zijn niet alle regels
van burgerlijk procesrecht op dit moment
een voldoende rustig bezit.
Het voorgaande neemt echter niet weg
dat waar dat verantwoord leek,
is gestreefd naar harmonisatie. Sprekende voorbeelden daarvan zijn
het
van overeenkomstige toepassing verklaren
van regels van formeel bewijsrecht
en het volledig op elkaar stemmen van de
regeling van de wraking
en de verschoning. Dat laatste geldt
trouwens ook voor het Wetboek
van Strafvordering. Bij de aanpassing
van het burgerlijk procesrecht
in de tweede fase van de herziening van
de rechterlijke organisatie zal
een overeenkomstige gedragslijn worden
gevolgd. Pas in de derde fase
zal mogelijk een synthese in dit
welhaast dialektische proces tot stand
kunnen worden gebracht.
Tot
slot wijzen wij nog op twee punten die
ook in een latere fase de nodige
aandacht zullen vragen. Ten eerste zal,
gelet op het toenemende belang
van bestuursrechtelijke sancties, moeten
worden bezien of op dit punt
afstemming tussen het
bestuursprocesrecht en het
strafprocesrecht nodig
is. Ten tweede zal aandacht moeten
worden geschonken aan de vraag
of het wenselijk is te komen tot een
codificatie van algemene regels
van procesrecht.
2.5.
Systematiek van het nieuwe
bestuursprocesrecht
Bij
het opstellen van hoofdstuk 8
van de Awb
is consequent gestreefd naar
een heldere en logische systematiek
binnen het bestuursprocesrecht.
Aan de gekozen systematiek liggen drie
leidende principes ten grondslag.
Ten eerste dat de verschillende fasen -
en de verschillende afdoeningsmodaliteiten
binnen de procedure - in de structuur
tot uitdrukking
moeten komen. Ten tweede dat de
chronologie van de procedure
in de volgorde van de titels, afdelingen
en artikelen moet zijn terug
te vinden. Ten derde dat datgene wat
inhoudelijk bij elkaar hoort, ook
bij elkaar moet worden geplaatst. Deze
principes zijn in de praktijk vrijwel
steeds met elkaar verzoenbaar gebleken.
Een
bijzonder probleem daarbij is de relatie
tussen hoofdstuk 8
en hoofdstuk 6. Hoofdstuk 6 bevat algemene bepalingen
over bezwaar en beroep
(dat wil zeggen administratief beroep en
beroep bij een administratieve rblz.|41|
rechter). Voor deze opzet is indertijd
gekozen onder meer om aldus
op onderdelen de grote hoeveelheid
bestaande regelingen van bestuursprocesrecht
enigszins te harmoniseren. In de memorie
van toelichting
bij de eerste tranche van de Awb
is
aangegeven dat op het moment
dat in hoofdstuk 8
een algemene regeling
van bestuursprocesrecht
wordt opgenomen, hoofdstuk 6 zal worden
herzien, waarbij een deel
van de bepalingen zal worden
overgebracht naar hoofdstuk
7, onderscheidenlijk hoofdstuk 8. Nu reeds thans een
hoofdstuk 8 in de Awb
wordt opgenomen, dat bovendien door het
overgrote deel van de administratieve
rechters zal worden toegepast, zijn wij
geconfronteerd met
de vraag of de herziening van hoofdstuk
6 meteen nu al zou moeten worden
aangevat. Wij hebben besloten daarvan op
dit moment af te zien, vooral
omdat het gelet op de beoogde
gelijktijdige inwerkingtreding van de
eerste en de tweede tranche niet
aangewezen lijkt nu nog grote wijzigingen
in de eerste tranche aan te brengen.
Deze keuze heeft gevolgen voor
de verhouding tussen hoofdstuk 8
en
hoofdstuk 6. In zekere zin wordt
nu - tijdelijk - een bijzondere
regeling, namelijk die van het beroep bij
de rechtbank, in de Awb opgenomen. Dat
betekent dat hoofdstuk 8
steeds
in samenhang met hoofdstuk 6 moet worden
gelezen, alsmede dat
in hoofdstuk 6 bepalingen voorkomen
(zoals de artikelen
6.2.0 [6:4] en 6.2.0a
[6:5])
die voor zover het het beroep bij de
administratieve rechter betreft,
systematisch eigenlijk in hoofdstuk 8
thuishoren.
Verder
is in dezen van belang dat de Wet
RO bepalingen bevat die voor
alle zaken waarin de rechtbank
bevoegd
is - dus ook de civiele en de
strafzaken - van toepassing zijn, zoals
de besluitvormingsregeling van artikel
26 en de geheimhoudingsbepalingen van de
artikelen 28 en 28a. Ook
die dienen telkens in ogenschouw te
worden genomen.
Eén
en ander heeft geleid tot de volgende
opzet.
Hoofdstuk 8. Beroep bij de rechtbank
Titel
8.1. Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1. Bevoegdheid
Afdeling
8.1.2. Behandeling door een enkelvoudige
en een meervoudige
kamer
Afdeling
8.1.3. Verwijzing, voeging en splitsing
Afdeling
8.1.4. Wraking en verschoning van
rechters
Afdeling
8.1.5. Partijen
Afdeling
8.1.6. Getuigen, deskundigen en tolken
Afdeling
8.1.7. Verzending van stukken
Titel 8.2. Behandeling van het beroep
Afdeling
8.2.1. Griffierecht
Afdeling
8.2.2. Vooronderzoek
Afdeling
8.2.3. Versnelde behandeling
Afdeling
8.2.4. Vereenvoudigde behandeling
Afdeling
8.2.5. Onderzoek ter zitting
Afdeling
8.2.6. Uitspraak
Titel
8.3. Voorlopige voorziening en
onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Titel
8.4. Herziening.
De
stof van hoofdstuk 8
is dus verdeeld
over vier titels. Titel 1 bevat algemene
bepalingen die van belang zijn voor het
gehele hoofdstuk. De titels
2, 3 en
4 hebben betrekking op de wijze
waarop het beroep wordt behandeld (2), een afzonderlijke regeling voor de
voorlopige voorziening (3)
en een afzonderlijke regeling voor de
herziening (4).
rblz.|42|
Titel
8.1 bevat vier categorieën bepalingen.
Afdeling 8.1.1 bevat de regeling
voor de absolute en de relatieve
competentie. De afdelingen
8.1.2,
8.1.3 en 8.1.4 hebben primair betrekking
op de rechtbank
en de rechters.
De afdelingen 8.1.5 en
8.1.6 bevatten
algemene bepalingen over
de (overige) procesdeelnemers. Door
opneming in titel 8.1 wordt bereikt
dat deze bepalingen slechts één keer
behoeven te worden opgeschreven.
Afdeling 8.1.7 ten slotte regelt de
verzending van stukken.
Titel
8.2 is de kern van het bijzondere
gedeelte van hoofdstuk 8. Hierin wordt
de procedure in eerste aanleg van begin
tot eind chronologisch beschreven.
Afdeling 8.2.1 regelt het griffierecht.
Vervolgens komt het vooronderzoek,
de eerste fase van de behandeling, aan
de orde (afdeling
8.2.2).
In de regel wordt het vooronderzoek
volgens afdeling 8.2.2 afgewerkt
en volgt het onderzoek ter zitting (afdeling
8.2.5). Afdeling 8.2.3
biedt de mogelijkheid van versnelde
behandeling. Zij houdt in een beperking
dan wel verkorting van het vooronderzoek. Om die reden is
deze
afdeling direct na afdeling 8.2.2
geplaatst. Behalve de versnelde behandeling
is er ook nog de vereenvoudigde
behandeling (afdeling
8.2.4).
Zij houdt in dat de rechtbank
onder
omstandigheden het onderzoek
kan beëindigen en daarover uitspraak
doet zonder dat de zaak ter
zitting wordt behandeld. Ook deze
afdeling moet dus na afdeling 8.2.2
en voor afdeling 8.2.5 worden
geplaatst. In alle gevallen - gewone behandeling,
versnelde behandeling, vereenvoudigde
behandeling - eindigt de
zaak nadat het onderzoek is gesloten met
een uitspraak. De uitspraak is
geregeld in afdeling
8.2.6.
De
voorlopige voorziening is opgenomen in
een aparte titel
8.3. Het gaat
daarbij immers niet, afgezien van de
mogelijkheid van "kortsluiting" in
artikel 8.3.8 [8:86], om de behandeling van het
beroep. Uiteraard zijn waar mogelijk
de procedurele bepalingen van titel 8.2
van overeenkomstige toepassing
verklaard.
Titel
8.4 ten slotte houdt de mogelijkheid van
herziening in. Deze bijzondere
regeling dient eveneens in een
afzonderlijke titel te worden opgenomen.
2.6. Enkele
rechtsvergelijkende opmerkingen
2.6.1. Algemeen
In het onderstaande wordt
ingegaan op de regeling van een aantal belangrijke onderdelen van het
bestuursprocesrecht en het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de Bondsrepubliek Duitsland
en Frankrijk. Vergelijking van
de in het onderhavige voorstel van wet ontworpen regeling met die van
de stelsels van rechtsbescherming in ons omringende landen kan zinvol
zijn, al moet men uiteraard voorzichtig zijn met het verbinden van
conclusies aan een dergelijke exercitie. De regeling van de
rechtsbescherming in de verschillende landen is immers de resultante van de historische
ontwikkeling in die landen. Zo kan het hierna nog te vermelden feit dat
in Frankrijk veel procesrechtelijke normen uitsluitend tot de
jurisprudentie zijn te herleiden en niet in wetgeving zijn neergelegd,
wellicht mede worden verklaard uit het feit dat al sinds 1872 de Conseil
d'Etat als hoogste rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht
functioneert. De Conseil d'Etat verkeert daardoor in zekere zin in de
positie van wetgever-plaatsvervanger. In Duitsland daarentegen moest men
na 1945 als het ware geheel opnieuw beginnen.
rblz.|43|
Het onderhavige voorstel van wet
kan uiteraard op zijn beurt niet worden los gezien van de
historische ontwikkeling zoals die zich in Nederland heeft voltrokken.
Daarom is rechtsvergelijking, hoe inspirerend deze ook kan zijn,
slechts van betrekkelijke waarde bij de bepaling van de meest wenselijke
vormgeving van de rechtsbescherming hier te lande. Niettemin achten wij het
zinvol een korte beschrijving te geven van de stelsels in deze ons
omringende landen.
2.6.2. De regeling van het bestuursprocesrecht
In
Duitsland bestaan afzonderlijke procesregelingen voor de algemene
bestuursrechtspraak, de rechtspraak in socialezekerheidszaken en de
rechtspraak in belastingszaken. Het procesrecht voor de algemene
bestuursrechtspraak (organisatie, competentie en procedure) is geregeld
in de Verwaltungsgerichtsordnung (VwGO), Wet van 21 januari 1960, BGBI.
I, p. 17, dat voor de sociale-zekerheidsrechtspraak in het
Sozialgerichtsgesetz (SGG), Wet van 23 september 1975, BGBI. I, p. 2535,
en dat voor de belastingrechtspraak in de Finanzgerichtsordnung (FGO),
Wet van 6 oktober 1965, BGBI. I, p. 1477. Omdat tussen deze drie
procesregelingen vele overeenkomsten bestaan, zijn sinds de jaren
zeventig pogingen ondernomen om tot harmonisatie te komen. Deze pogingen
hebben geresulteerd in een Entwurf Verwaltungsprozessordnung (Drucksache
10/3437), dat weliswaar bij de Bondsdag is ingediend, maar dat in 1987
aan het einde van de tiende zittingsperiode van de Bondsdag van
rechtswege is vervallen. Het ontwerp zal niet opnieuw worden ingediend.
Een aantal bepalingen uit het ontwerp is recentelijk samengevoegd met
bepalingen uit het van 1978 daterende Entlastungsgesetz (Gesetz zur
Entlastung der Gerichte in der Verwaltungs- und Finanzgerichtbarkeit (EntlG),
Wet van 31 maart 1978, BGBI. I, p. 446). Laatstbedoelde wet strekt ertoe de werkdruk van de rechterlijke instanties te verlichten door
vereenvoudiging en versnelling van de procedures bij de gerechten. De
samengevoegde bepalingen zijn op 1 januari 1991 als vierde wijziging van
de VwGO in werking getreden. De kans op een verdere harmonisatie van het
bestuursprocesrecht wordt voor de komende tijd gering geacht (vgl.
Stelkens, Das Gesetz zur Neuregelung des verwaltungsgerichtlichen
Verfahrens (4. VwGOAndG) - das Ende einer Reform?, in: NVwZ 1991, p.
209). In Frankrijk ontbreekt een
algemene codificatie van het bestuursprocesrecht. Zelfs het procesrecht
voor de algemene administratieve rechtspraak vindt men verspreid over verschillende wettelijke regelingen. Veel
procesrechtelijke normen zijn
uitsluitend tot de jurisprudentie te herleiden.
2.6.3. De organisatie van de bestuursrechtspraak
De organisatie van de
bestuursrechtspraak in Frankrijk en Duitsland verschilt sterk. In Duitsland is eveneens een
organisatorische scheiding van de gewone rechterlijke macht en de
gerechten die met bestuursrechtspraak zijn belast, voltrokken. Hier
heeft het beginsel van de machtenscheiding er evenwel toe geleid dat de
rechtspraak in bestuursrechtelijke zaken niet werd opgedragen aan een
instantie die mede is belast met bestuurlijke advisering. Er bestaan naast een
rechterlijke kolom met een algemene bevoegdheid in
bestuursrechtelijke zaken (allgemeine Verwaltungsgerichtsbarkeit) ook verschillende
bijzondere bestuursrechtelijke kolommen (besondere Gerichtsbarkeiten)
met een naar beleidsterrein bepaalde rechtsmacht, met name bijzondere
gerechten waaraan de rechtspraak rblz.|44|
inzake de sociale zekerheid (de Sozialgerichtsbarkeit) en de rechtspraak in belastingzaken
(Finanzgerichtsbarkeit)
zijn opgedragen. Verder zijn er nog arbeidsgerechten, die
eveneens los staan van de gewone rechterlijke macht. Het stelsel van vijf
rechterlijke kolommen is verankerd in de Grondwet, die het instellen van hoogste bondsgerechten voor elk van
deze rechterlijke kolommen voorschrijft. In Duitsland is de algemene
administratieve rechtspraak in eerste aanleg opgedragen aan de
Verwaltungsgerichte. De Oberverwaltungsgerichte fungeren doorgaans als appelrechter
(Berufung), terwijl de cassatierechtspraak (Revision) bij
het Bundesverwaltungsgericht berust. Bij het Bundesverwaltungsgericht kan
men slechts klagen over schending van bondsrecht. Voor de
volledigheid dient te worden vermeld dat op grond van de VwGO het
Oberverwaltungsgericht bij landswet in bepaalde gevallen als Revisionsrechter kan worden
aangewezen. In enkele gevallen treden het
Oberverwaltungsgericht en het Bundesverwaltungsgericht op als
gerechten van eerste aanleg. Zo zijn de Oberverwaltungsgerichte
ingevolge het Entlastungsgesetz belast met de rechtspraak in eerste aanleg in
geschillen over grote projecten, zoals kerncentrales,
afvalverbrandingsinstallaties en vliegvelden. Ter compensatie van het verlies van een
feitelijke rechterlijke instantie en vanwege de bijzondere betekenis in
politiek, juridisch en economisch opzicht is bepaald dat de Oberverwaltungsgerichte over deze geschillen oordelen
in een uitgebreide
samenstelling. De bondsregering heeft ervan afgezien deze regeling over te nemen in
het Entwurf Verwaltungsprozessordnung. Zij was van mening dat juist bij
dergelijke complexe geschillen behandeling door twee feitelijke
instanties noodzakelijk kan zijn (Drucksache 10/3437, p. 87). Hoger beroep en cassatie zijn in
Duitsland in een aantal gevallen afhankelijk gemaakt van verlof.
Het Entlastungsgesetz heeft dat voor het hoger beroep bijvoorbeeld voorgeschreven voor alle geschillen waarvan
de geldswaarde een bepaald
bedrag niet te boven gaat. Het verlofvereiste geldt echter niet indien
de eerste rechter de zaak vereenvoudigd heeft afgedaan. Verder is
geregeld dat het verlof moet worden verleend indien het geschil van
principiële betekenis is dan wel berust op een afwijking van de jurisprudentie,
dan wel bijzondere moeilijkheden van feitelijke of juridische aard
oplevert. Verlof zou voorts moeten worden verleend in geval van een
proceduregebrek bij de behandeling van de zaak door de rechter van eerste
aanleg. Ook voor het cassatieberoep geldt in Duitsland in beginsel
het verlofvereiste. De toelatingsvereisten zijn in grote lijnen dezelfde
als die waren opgenomen in het Entwurf Verwaltungsprozessordnung. In het Franse model is de
rechtsbescherming van de burger tegen het bestuur in beginsel toevertrouwd
aan bijzondere - strikt van de gewone rechterlijke macht gescheiden - gerechten, die ressorteren onder de
Conseil d'Etat als hoogste
rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht. Ofschoon in
Frankrijk thans garanties bestaan voor de onafhankelijkheid en
onpartijdigheid van de bestuursrechtspraak, wordt de Conseil d'Etat er toch gezien
als een tot het bestuur behorend bifunctioneel orgaan, waarin de functies rechtspraak en bestuurlijke
advisering bij elkaar komen. De
lagere bestuursrechtspraak berust op hetzelfde model. Hierin wordt
een waarborg voor een evenwichtige rechterlijke afweging van
algemene en bijzondere belangen gezien. Naast de algemeen bevoegde
administratieve gerechten zijn er nog bestuursrechtelijke instanties met een
bijzondere bevoegdheid. Voorbeelden ervan treft men aan op het
gebied van de openbare financiën en de rblz.|45|
sociale zekerheid. Kenmerkend
voor deze jurisdictions spécialisées is dat cassatieberoep openstaat op de
Conseil d'Etat. In Frankrijk berust de algemene
bevoegdheid in bestuursrechtelijke zaken bij 31 administratieve
rechtbanken (tribunaux administratifs). Hun competentie wordt beperkt door
die van de bijzondere administratieve gerechten en de gewone
rechterlijke macht. In sommige gevallen - bijvoorbeeld bij geschillen over
besluiten inhoudende het vaststellen van algemeen verbindende
voorschriften (actes réglementaires) door organen van de centrale overheid
- is de Conseil d'Etat in eerste en enige aanleg bevoegd. Van het hoger beroep nemen sinds
1 januari 1989 vijf administratieve hoven van beroep (cours
administratives d'appèl) kennis. Als voorzitters van deze hoven fungeren leden
van de Conseil d'Etat. De hoven nemen kennis van in beginsel alle
beroepen ingesteld tegen uitspraken van de administratieve rechtbanken. Tot
de uitzonderingen behoren beroepen ingesteld tegen uitspraken
betreffende besluiten inhoudende het vaststellen van algemeen
verbindende voorschriften door een bestuursorgaan van de gedecentraliseerde
overheid, enkele kiesrechtgeschillen en door de burgerlijke rechter
prejudicieel opgeworpen verklaringen voor bestuursrecht. Vooralsnog,
totdat de regering bij decreet procesrechtelijke maatregelen zal hebben
genomen, blijft de kennisneming van het hoger beroep in zaken van
vernietigingsberoep voorbehouden aan de Conseil d'Etat. Tegen uitspraken van de
administratieve hoven van beroep kan bij de Conseil d'Etat cassatieberoep
worden ingesteld. Voor het cassatieberoep geldt het verlofvereiste. De toelating wordt geweigerd als het beroep
niet-ontvankelijk of kennelijk
ongegrond is. Eveneens sinds 1 januari 1989 heeft de Conseil d'Etat de
bevoegdheid om bij vernietiging van de bestreden uitspraak zelf een
beslissing ten gronde te geven.
2.6.4. De regeling van de
rechtsingang
Artikel 19, vierde lid, van de
Duitse Grondwet bepaalt - vrij vertaald - dat degene op wiens rechten
inbreuk wordt gemaakt toegang tot de rechter heeft. Als geen
bijzondere rechter is aangewezen, is de gewone rechter bevoegd. In de
literatuur wordt daaruit afgeleid (vgl. C.H. Ule, Verwaltungsprozessrecht, 9. Auflage, München 1987, p. 21) dat de Duitse Grondwet het maken van
een onderscheid tussen in rechte betwistbare en niet-betwistbare
bestuurshandelingen niet toelaat. Dit betekent dat de omvang van de rechtsbescherming tegen het bestuur
niet ter dispositie van de
wetgever staat. Desondanks staat de Grondwet
er niet aan in de weg dat de
wetgever de rechtsingang bij de administratieve rechter aan beperkingen
onderwerpt. Besluit hij daartoe over te gaan, dan is daarvan de
consequentie dat de bevoegdheidssfeer van de burgerlijke rechter wordt verruimd. Het genoemde grondwetsartikel
belichaamt dus een stelsel van
communicerende vaten. De competentie van de algemeen
bevoegde bestuursrechter is in Duitsland afhankelijk van de
aanwezigheid van een publiekrechtelijk geschil. Artikel 40 van de VwGO
luidt, voor zover hier van belang, als volgt: "-1. Der Verwaltungsrechtsweg
ist in allen öffentlich-rechtlichen Streitichkeiten nicht
verfassungsrechtlicher Art gegeben, soweit die Streitigkeiten nicht durch Bundesgesetz
einem anderen Gericht ausdrücklich zugewiesen sind.
rblz.|46|
-2. Für vermögensrechtliche
Ansprüche aus Aufopferung für die gemeine Wohl und aus
öffentlich-rechtlicher Verwahrung, sowie für Schadenersatzansprüche aus der
Verletzung öffentlich-rechtlicher Pflichten, die nicht auf
öffentlich-rechtlicher Vertrag beruhen, ist der ordentliche Rechtsweg
gegeben." Het daarin neergelegde stelsel
komt op het volgende neer.
1. Alleen publiekrechtelijke
geschillen behoren tot de bevoegdheid van de Verwaltungsgerichtsbarkeit;
voor privaatrechtelijke geschillen moet men bij de burgerlijke rechter terecht.
2. De competentie van een
bijzonder gerecht gaat voor op die van de algemene Verwaltungsgerichte.
Bijzondere competenties betreffen een gedeelte van de constitutionele rechtspraak, de belastingrechtspraak en
geschillen over de sociale
zekerheid.
3. Een aantal kwesties van
financiële aansprakelijkheid voor (on)rechtmatige overheidsdaad is
aan de gewone rechterlijke macht opgedragen, bijvoorbeeld die
inzake door ambtenaren gepleegde onrechtmatige daden. Op grond
van artikel 14, derde lid, van de Duitse Grondwet is de
schadeloosstelling voor onteigening aan de burgerlijke rechter voorbehouden. Het begrip
eigendom wordt zeer ruim geïnterpreteerd en omvat ook het maken van
inbreuk op andere vermogensrechten.
4. Geschillen over financiële
aansprakelijkheid van de overheid op grond van het schenden van
publiekrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit een
publiekrechtelijke overeenkomst behoren wel tot de competentiesfeer van de
Verwaltungsgerichte. In Frankrijk neemt de algemeen
bevoegde administratieve rechter in principe kennis van alle
geschillen over het handelen van het bestuur (actes administratifs). De
bijzondere competenties van de jurisdictions spécialisées gaan evenwel
voor. Niettemin is in een aantal gevallen het gewone privaatrecht van
toepassing. Voorts kan het zich voordoen dat de algemeen bevoegde
administratieve rechter geen rechtsbescherming wenst te verlenen, omdat het
geschil een zogenoemde acte du gouvernement betreft. Actes du gouvernement zijn tegenwoordig alleen nog
bestuurshandelingen verricht in
de verhouding tussen het bestuur en het parlement, zoals de uitoefening
van het recht van initiatief, en bestuurshandelingen verricht in relatie
tot vreemde mogendheden, zoals het onderhandelen over en het
sluiten van verdragen en sommige bestuursbesluiten waarbij verdragen
worden toegepast. Is op het bestuurshandelen het
gewone privaatrecht van toepassing, dan is de burgerlijke rechter
bevoegd. In verband daarmee heeft zich een genuanceerde jurisprudentie ontwikkeld over de afgrenzing van publiekrecht en privaatrecht. Net als
in Duitsland en Nederland is de juridische wetenschap er nimmer in geslaagd
een sluitende theorie tot stand te brengen waaruit de gehele
rechtspraak kan worden verklaard.
2.6.5. Uitspraakbevoegdheden
Ofschoon de rechtsingang bij de
algemeen bevoegde administratieve rechter in Duitsland wordt
bepaald door de notie publiekrechtelijk geschil, is de aard van het
bestuurlijk handelen dat tot het geschil heeft geleid van belang voor de
rechterlijke uitspraakbevoegdheden; dat wil zeggen voor de bevoegdheden
waarover de rechter beschikt om, zo hij onrechtmatigheid aan de zijde
van het bestuur vaststelt, de gevolgen daarvan te kunnen redresseren. In
Duitsland is het alleen mogelijk een vernietigingsberoep (Anfechtsklage)
aanhangig te maken indien het geschil een Verwaltungsakt betreft. rblz.|47|
Artikel 35 van het Verwaltungsverfahrensgesetz (VwVfG) geeft daarvan de
volgende definitie: "-1. Verwaltungsakt ist
jede Verfügung, Entscheidung oder andere hoheitliche Massnahme, die
eine Behörde zur Regelung eines Einzellfalles auf dem Gebiet des
öffentlichen Rechts trifft und die auf unmittelbare Rechtswirkung nach
aussen gerichtet ist.
-2. Allgemeinverfügung ist eine Verwaltungsakt, der sich an einen nach
allgemeinen Merkmalen bestimmten Personenkreis richtet oder die
öffentlich-rechtliche Eigenschaft einer Sache oder ihre Benützung
durch die Allgemeinheit betrifft." Een
voorbeeld van een Allgemeinverfügung is de verkeersmaatregel. Zowel
tegen een concreet als tegen een abstract (algemeen) bestuursbesluit
staat in Duitsland het vernietigingsberoep open.
Vergelijkbaar is de vordering tot
nietigverklaring (Normenkontrollverfahren) van een regeling van lagere
rang. De beslissing tot nietigverklaring werkt jegens een ieder. Die tot
verwerping van het beroep niet. Het rechterlijk gebod (bevel:
Verpflichtungsklage) staat ter beschikking indien het geschil een
afwijzende Verwaltungsakt (Vornahmeklage) dan wel het uitblijven ervan
(Untatigkeitsklage) betreft. De rechter heeft in deze gevallen niet de
bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien, maar wel om het bestuur te
bevelen tot het alsnog afgeven van een (positieve) Verwaltungsakt. De
bevelsbevoegdheid bestaat uitsluitend indien de zaak "spruchreif"
is, dat is wanneer het recht het bestuur geen andere keuze meer toelaat.
Dat is het geval bij strikt gebonden bevoegdheden en bij vrije
bevoegdheden indien het "freies Ermessen" geen rol meer kan
spelen (Ermessensschrumpfung auf Null) omdat het nemen van een andere
beslissing rechtens niet meer mogelijk is. Een
bijzondere variant van het rechterlijk bevel lijkt de algemene
veroordeling tot het leveren van een bepaalde prestatie (allgemeine
Leistungsklage) te zijn. Zij is gericht op het verkrijgen van een andere
prestatie dan het alsnog verrichten van een Verwaltungsakt.
De algemene Leistungsklage ontbreekt in de VwGO,
maar wordt in rechtspraak en doctrine algemeen aanvaard. Zij strekt
ertoe de nakoming te kunnen afdwingen van publiekrechtelijke
overeenkomsten, dan wel om schade vergoed te krijgen indien een
publiekrechtelijke overeenkomst niet, of niet behoorlijk, wordt
uitgevoerd. Voorts wordt deze Klage gebruikt om het bestuur tot het
verrichten of nalaten van een feitelijk handelen te bewegen.
Schadevergoeding ter zake van (on)rechtmatig feitelijk handelen behoort
echter weer tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Bij
het declaratoir (Feststellungsklage) gaat het om het verkrijgen van een
declaratoir vonnis inzake het al dan niet bestaan van een
rechtsverhouding of de nietigheid (ex lege) van een Verwaltungsakt. In
Frankrijk is de vorm van het bestuurshandelen dat voorwerp van geschil
vormt van belang voor de te kiezen procedure. De twee verreweg
belangrijkste procedures zijn het algemeen vernietigingsberoep (recours
pour excés de pouvoir) en het vol beroep (recours de pleine juridiction). Het
vernietigingsberoep en het vol beroep zijn naar hun aard verschillende
procedures. Het vernietigingsberoep is een zogeheten recours objectif
(objectief beroep), waarvoor kenmerkend is dat de rechter het tot zijn
taak rekent om te onderzoeken of de bestreden bestuursbeslissing al dan
niet strijdig is met het objectieve bestuursrecht. Wanneer hij tot de
conclusie komt dat de beslissing daarmee niet te verenigen rblz.|48|
valt,
vernietigt hij haar. Het vol beroep is een recours subjectif (subjectief
beroep). De appellant vraagt de rechter om vaststelling van een
subjectief recht, welk recht, naar hij stelt, door de administratie is
geschonden. Voorts vraagt hij om het treffen van passende maatregelen om
de situatie weer in evenwicht te brengen.
Procedureel gezien is het recours pour excès de pouvoir gemakkelijker
toegankelijk wegens de lage ontvankelijkheidsdrempels en het in de regel
ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging. De verschuldigde
griffierechten worden laag gehouden. Het
algemene vernietigingsberoep staat uitsluitend open tegen een
bestuurshandelen dat als nadeel toebrengende beslissing (décision
faisant grief) kan worden aangemerkt. Uit de rechtspraak kan worden
afgeleid dat het vernietigingsberoep alleen openstaat tegen eenzijdige
publiekrechtelijke rechtshandelingen van bestuursorganen.
Geschillen met het bestuur over (de nakoming van) publiekrechtelijke
overeenkomsten (contrats administratifs) en feitelijke handelingen
(aansprakelijkheid voor "faute" en "sans faute", dat
wil zeggen voor onrechtmatige en rechtmatige overheidsdaad) staan
eveneens ter kennisneming van de administratieve rechter. Zij worden
berecht in de procedure voor vol beroep (contentieux de pleine
juridiction). Daarin beschikt de rechter over de volheid van zijn
rechterlijke bevoegdheden. Wat die volheid omvat, heeft hij tot dusverre
zelf uitgemaakt. De Conseil d'Etat heeft uit het beginsel van de
machtenscheiding afgeleid dat het de administratieve rechter in principe
niet vrijstaat te veroordelen tot herstel in de oude toestand, maar dat
hij in dat geval moet volstaan met het toekennen van schadevergoeding.
In uitzonderingsgevallen is de administratieve rechter bereid te
veroordelen tot schadevergoeding onder bepaling dat de administratie
daaraan kan ontkomen door herstel.
Ofschoon tegen een contrat administratif geen vernietigingsberoep kan
worden ingesteld, kan soms wel in beroep worden gegaan tegen een
bestuursbesluit dat daarmee nauw samenhangt: de acte détachable. Een
voorbeeld is het besluit waarbij de gemeenteraad de burgemeester
machtigt tot het aangaan van een contract. Dergelijke besluiten kunnen
in de Franse benadering worden los gedacht van het contract zelf en
daarom zelf voorwerp zijn van vernietigingsberoep. De oplostheorie van
de Afdeling rechtspraak van de Raad van State
in Nederland wordt er dus
niet gehanteerd. 3. Definitieve
voorzieningen in kroongeschillen
3.1. Algemeen
Op 1 januari 1988
is de TwK in werking getreden. De TwK is tot stand gekomen naar
aanleiding van het Benthem-arrest van 23 oktober 1985 (NJ 1986, 102,
m.nt. EAA, en AB 1986, 1, m.nt. E.M.H. Hirsch Ballin), waarin het EHRM
oordeelde dat het beroep op de Kroon niet is een beroep op een
onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie in de zin van
artikel 6 van het EVRM. De TwK voorziet als hoofdregel in omzetting van
het kroonberoep in beroep op de Afdeling voor de geschillen van bestuur
van de Raad van State als rechter. Ingevolge artikel 1, tweede lid, zijn
van de omzetting uitgezonderd geschillen betreffende besluiten van
algemene strekking alsmede geschillen die uitsluitend door openbare
lichamen of bestuursorganen, hetzij door het instellen van beroep, hetzij
op een andere wijze, aan de beslissing van de rblz.|49|
Kroon kunnen worden
onderworpen (hierna te noemen: bestuursgeschillen).
Het
kroonberoep biedt vanouds mogelijkheden tot rechtsbescherming en
sturing. Via het kroonberoep bestaat voor de rijksoverheid de
mogelijkheid bepaalde besluiten van decentrale overheden te
beïnvloeden, zulks ter behartiging van rijksbelangen. Een niet
onbelangrijk deel van de Nederlandse wetgeving bevat bepalingen waarin
beroep wordt opengesteld op de Kroon. Dit hangt samen met het feit dat
het kroonberoep is ontstaan in een tijd waarin andere vormen van
rechtsbescherming tegen bestuursbesluiten nog nauwelijks bestonden.
Keuzemogelijkheden, zoals thans tot uitdrukking komend in de
"Richtlijnen voor de keuze tussen Arob-beroep en beroep op de
Kroon", ontbraken voorheen veelal. Ook is soms beroep op de Kroon
opengesteld in gevallen waarin niet zozeer het motief voorzat te
voorzien [lees: het motief voorzag, red.] in rechtsbescherming, doch een vorm van sturing of toezicht
nodig werd geoordeeld. Aan
de in dit wetsvoorstel voorgestelde definitieve voorzieningen in
kroongeschillen liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:
- Het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming - derhalve ook de
rechtsbescherming tegen besluiten die nu nog aan TwK- en kroonberoep
zijn onderworpen - dient onbetwistbaar in overeenstemming te zijn met de
eisen van het EVRM en het IVBP.
- De voorzieningen moeten passen in de herziening van de rechterlijke
organisatie als geheel en moeten aansluiten bij het begrippenkader en
de systematiek van de
Awb.
- Waar nodig wordt voorzien in een alternatief voor de centrale
sturingsmogelijkheid die het kroonberoep thans biedt.
- Het afschaffen van het kroonberoep mag niet leiden tot een
vermindering van rechtsbescherming. Waar thans kroonberoep openstaat, zal
in de toekomst steeds een voorziening bij de administratieve rechter
mogelijk moeten zijn. Deze uitgangspunten hebben een
aantal consequenties, die in het navolgende nader worden uitgewerkt. Op 11 juli 1991 is een notitie
aan de Tweede Kamer aangeboden waarin onze beleidsvoornemens
met betrekking tot de te treffen definitieve voorzieningen in
kroongeschillen reeds zijn uiteengezet (Kamerstukken II 1990-1991, 21 048/21
206, nr. 5).
3.2.
Vervanging van beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve
rechter
3.2.1. Algemeen
De essentie van de te treffen
definitieve voorzieningen in kroongeschillen wordt gevormd door de
vervanging over de gehele linie van het beroep op de Kroon door beroep
bij een administratieve rechter. Aan dit voorstel tot vervanging van het
kroonberoep liggen de volgende algemene overwegingen ten grondslag. Het beslechten van geschillen
die bepalend zijn voor de vaststelling van burgerlijke rechten en
verplichtingen dient ingevolge artikel 6 van het EVRM uiteindelijk te
geschieden door een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het EHRM geeft een
zelfstandige, materiële uitleg aan het begrip "burgerlijke rechten en
verplichtingen". Het EHRM heeft dit begrip zo uitgelegd dat ook
bestuursrechtelijke geschillen onder de rblz.|50|
werking van artikel 6 kunnen
vallen. Dat geldt zowel voor geschillen inzake beschikkingen (zie het
Benthem-arrest) als voor geschillen inzake besluiten van algemene strekking
(zie het Jacobsson-arrest van 25 oktober 1989, AB 1990, 334, m.nt. R.M. van Male). Het EHRM
stelt in laatstgenoemde uitspraak vast
dat ook een geschil over een besluit van algemene strekking (in casu een
bouwverbod voor een bepaald gebied in de Zweedse gemeente Salem) is
aan te merken als een geschil dat rechtstreeks de vaststelling van een
"burgerlijk recht" in de zin van artikel 6 van het EVRM betreft, waarbij
uiteindelijk de toegang tot de onafhankelijke rechter moet openstaan. Ook los van de eisen die het
EVRM ter zake stelt, zijn wij van mening dat het een rechtsstatelijke eis
is dat geschillen inzake besluiten van bestuursorganen uiteindelijk aan een onafhankelijke rechter kunnen
worden voorgelegd. Dat betekent
dat ook ter zake van die geschillen die niet onder artikel 6 van het
EVRM vallen, toch het oordeel van de onafhankelijke rechter moet
kunnen worden ingeroepen. Ter zake van de drie
categorieën geschillen die de TwK onderscheidt, hebben de volgende meer
specifieke overwegingen een rol gespeeld.
3.2.2. TwK-geschillen
De geschillen die thans
ingevolge artikel 1, eerste lid, van de TwK door de Afdeling voor de
geschillen van bestuur van de Raad van State
als onafhankelijke rechter
worden beslecht en die bepalend zijn voor de vaststelling van burgerlijke
rechten en verplichtingen, zullen ingevolge artikel 6 van het EVRM uiteraard
blijvend door een onafhankelijke rechter moeten worden beslist. Niet alle geschillen die thans
door de Afdeling voor de geschillen van bestuur worden beslecht, vallen
onder artikel 6 van het EVRM, in die zin dat zij rechtstreeks betrekking hebben op de
vaststelling van burgerlijke
rechten en verplichtingen. Het
is, onder meer vanwege de dynamische (en ruime) uitleg die het EHRM
geeft aan "burgerlijke rechten en verplichtingen", echter lang
niet altijd mogelijk dat ondubbelzinnig vast te stellen. Mede gelet op de
uitgangspunten dat het stelsel van rechtsbescherming onbetwistbaar in overeenstemming moet zijn met het EVRM
en dat voor ieder
bestuursrechtelijk geschil een onafhankelijke rechter beschikbaar moet zijn, wordt
daarom voorgesteld de beslechting van alle geschillen waarover thans
de Afdeling voor de geschillen van bestuur oordeelt ook structureel te
doen plaatsvinden door een administratieve rechter.
3.2.3. Besluiten van algemene strekking
Besluiten van algemene strekking vallen op grond van de TwK buiten de
competentie van de Afdeling voor de geschillen van bestuur als
onafhankelijke rechter. Gelet op het hierboven reeds genoemde
Jacobsson-arrest in combinatie met het Benthem-arrest kan worden gesteld dat het kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking
onvoldoende is in verband met artikel 6 van het EVRM. Dit zou impliceren dat na een kroonberoep tegen een besluit van algemene
strekking alsnog de weg naar de burgerlijke rechter (in drie instanties)
openligt, waarbij opnieuw de rechtmatigheid van het bestreden besluit
ten principale aan de orde kan worden gesteld. Het behoeft geen betoog
dat dit uit het gezichtspunt van een doelmatige rechtsbescherming een
hoogst ongelukkige situatie is. Mede gelet op het uitgangspunt dat het
vervallen van het kroonberoep niet mag leiden tot vermindering van rblz.|51|
administratieve rechtsbescherming ligt het daarom in de rede het
kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking te vervangen door
beroep bij de administratieve rechter. Ook de situatie in ons omringende
landen wijst in deze richting. Zie in dit verband ook de toelichting op
artikel 8.1.1.1 van de Awb. Vervanging van het kroonberoep tegen
besluiten van algemene strekking impliceert dat ook tegen de goedkeuring
van een bestemmingsplan beroep op de administratieve rechter zal komen
open te staan (vgl. ook onderdeel 3.4).
3.2.4. Bestuursgeschillen
Als
derde categorie van besluiten onderscheidt de TwK de bestuursgeschillen. Het
begrip "bestuursgeschil" zoals gehanteerd in de TwK heeft een
formeel karakter: bepalend is of alleen bestuursorganen een geschil
aanhangig kunnen maken. Is dat het geval, dan is er sprake van een
bestuursgeschil in de zin van artikel 1, tweede lid, van de TwK. Wij
menen dat er geen aanleiding is om voor deze categorie van geschillen
het kroonberoep te handhaven. Zoals reeds aangegeven, is het criterium
voor bestuursgeschillen louter formeel. Daarachter gaan naar hun aard
zeer uiteenlopende soorten geschillen schuil, waarvan men niet kan
zeggen dat deze zich bij uitstek lenen voor beoordeling door één
bepaalde instantie, bijvoorbeeld de Kroon. Ook in de huidige situatie
worden niet alle bestuursgeschillen beslecht door de Kroon. Naast het
kroonberoep komt het voor dat dit soort geschillen wordt beslecht door
een minister of door gedeputeerde staten. Soms is de Afdeling
rechtspraak belast met de beslechting van geschillen tussen
bestuursorganen (vgl. in dit verband het vervallen van artikel 5,
onderdeel j, van de Wet Arob per 1 januari 1989). Ook kan nog
worden gewezen op de aanvullende rol van de burgerlijke rechter ter zake
van de rechtsbescherming tegen besluiten van bestuursorganen. Daarnaast
zijn de bevoegdheid van de administratieve rechter en diens
toetsingsmaatstaven niet zodanig beperkt dat daarin een argument gelegen
zou kunnen zijn het kroonberoep voor bepaalde bestuursgeschillen te
handhaven. Ten slotte is het aantal geschillen waarvoor het kroonberoep
eventueel zou kunnen worden gehandhaafd te klein om een dergelijke
voorziening te kunnen rechtvaardigen. Onderscheiden moet worden tussen
de zogenoemde verticale en horizontale bestuursgeschillen.
Onder verticale bestuursgeschillen verstaan wij: bestuursgeschillen die
worden aangebracht door het instellen van beroep tegen een bepaald
besluit. In dat besluit krijgt de gezagsuitoefening van het ene
bestuursorgaan jegens het andere gestalte. De meest voorkomende
beroepsprocedures op grond van verticale geschillenregelingen betreffen
artikel 245a van de Gemeentewet
en artikel 42 van de Wet
Werkloosheidsvoorziening. Waar in het bestuursprocesrecht beroep tegen
besluiten met uitzondering van algemeen verbindende voorschriften en
beleidsregels zal worden opengesteld, zal voor deze geschillen de weg
naar de administratieve rechter openliggen zonder dat daarvoor een
nadere voorziening nodig is. Voor zover tegen de besluiten inhoudende
algemeen verbindende voorschriften en de besluiten die daarmee op één
lijn zijn te stellen thans kroonberoep mogelijk is, wordt door middel
van enumeratie beroep bij de administratieve rechter opengesteld.
rblz.|52|
Horizontale bestuursgeschillen
zijn bestuursgeschillen tussen twee bestuursorganen die zich in een
positie van nevenschikking bevinden. Het gaat daarbij niet om een gezagsbesluit van het ene bestuursorgaan
jegens het andere, maar om een
handelen of nalaten waarvan het laatstgenoemde bestuursorgaan nadelige
gevolgen ondervindt. De voornaamste categorie
horizontale geschillen is die van de domiciliegeschillen in de Algemene
Bijstandswet. Een algemene regeling voor deze geschillen die de administratieve rechter bevoegd zou maken, achten wij
thans niet aangewezen. Een
dergelijke regeling behoeft nadere studie in het kader van een in de verdere
toekomst mogelijke uitbreiding van de bevoegdheid van de
administratieve rechter. In afwachting daarvan wordt thans het volgende stelsel
voorgesteld. Waar horizontale bestuursgeschillen per definitie onder
artikel 136 van de Grondwet kunnen vallen en de betrokken bestuursorganen
zich bovendien tot de burgerlijke rechter kunnen wenden, is er
geen behoefte meer om regelingen in de bijzondere wetgeving waarin de
beslechting van deze bestuursgeschillen expliciet aan de Kroon is opgedragen te handhaven. Dit geldt te meer vanwege het zeer geringe aantal
zaken dat zich in de praktijk voordoet. Dit betekent dat bestuursorganen
in die gevallen kunnen kiezen tussen een gang naar de civiele rechter
of een gang naar de Kroon. Voor dit laatste wordt thans een
voorziening in de Wet
op de Raad van State opgenomen. Voor alle
duidelijkheid: hier is dus geen sprake van beroep op de Kroon, maar van een vorm
van (publiekrechtelijke) arbitrage door de Kroon, op de grondslag van
artikel 136 van de Grondwet.
3.3.
Welke administratieve rechter?
Eén van de
uitgangspunten die hierboven werden geformuleerd, is dat de definitieve
voorzieningen in kroongeschillen moeten passen in en aansluiten bij de
herziening van de rechterlijke organisatie als geheel. Het ligt in dit
verband voor de hand om niet meer rechterlijke instanties in het leven
te roepen c.q. te handhaven dan met het oog op de aard van de materie en
een goed verloop van het reorganisatieproces nodig is. Mede daarom
achten wij een structurele aanwezigheid van twee rechterlijke colleges
bij de Raad van State onwenselijk. Voorts kan de tijdelijke aanwijzing
van de Afdeling voor de geschillen van bestuur als rechter in
TwK-geschillen geen reden zijn voor een definitieve voorziening bij dit
college. Bovendien komt de toetsing door de Afdeling voor de geschillen
van bestuur in grote lijnen overeen met die door andere administratieve
rechters (vgl. de conclusies in het rapport Kroongeschillen en
bestuursprocesrecht). Dit heeft geleid tot ons voornemen om één
rechtsprekende afdeling van de Raad van State als administratieve
rechter (in tweede instantie) voor de voormalige Arob- en TwK- en
kroongeschillen te doen fungeren: de Afdeling
bestuursrechtspraak. Er
vindt aldus een bundeling plaats van in de beide afdelingen opgebouwde
expertise.
Hiervoor is betoogd dat het beroep op de Kroon dient te worden
vervangen door beroep bij een administratieve rechter. Voorgesteld wordt de TwK- en kroongeschillen toe te delen aan de in de huidige
situatie daarvoor in aanmerking komende administratieve rechters. Dat
wil zeggen dat in beginsel de TwK- en kroongeschillen gaan behoren
tot de competentie van de administratieve kamers van de rechtbanken
met
hoger beroep op de Afdeling
bestuursrechtspraak onderscheidenlijk de Centrale Raad van
Beroep, al naargelang de aard van de materie. In een
enkel geval wordt daar waar het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven reeds over bepaalde geschillen oordeelt, de competentie om
over kroongeschillen op dat terrein te oordelen aan het College
toegekend. Tot
de uitgangspunten van de herziening van de rechterlijke organisatie
behoort dat deze organisatie zodanig is ingericht dat in de regel de rblz.|53|
mogelijkheid bestaat om een in eerste instantie gegeven rechterlijk
oordeel in volle omvang in hoger beroep te laten toetsen. Invoering van
rechtspraak in twee instanties kan daarnaast een belangrijke bijdrage
leveren aan het verminderen van de structurele overbelasting van de Raad van State. Op rechtspraak in twee instanties is in
onderdeel 1.5.2 nader
ingegaan. Daar is ook vermeld dat in deze fase een relatief groot aantal
zaken voorshands in één instantie zal worden afgedaan en zijn de
redenen daarvoor uiteengezet.
Op grond daarvan stellen wij voor voorshands
de volgende kroon- en TwK-geschillen in eerste en enige instantie te
doen beslechten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State: geschillen op grond van de Wet
op de Ruimtelijke Ordening voor
zover betrekking hebbend op bestemmingsplannen, milieugeschillen en
bepaalde geschillen op grond van: de onderwijswetgeving, de Ontgrondingenwet, de Natuurbeschermingswet, de landinrichtingswetgeving,
de Dienstplichtwet, de Wet
gewetensbezwaren militaire dienst, de Wet op
de bejaardenoorden, de Wet ziekenhuisvoorzieningen, de Ziekenfondswet
en
de AWBZ. Nadat de rechtspraak in twee
instanties stevig wortel heeft geschoten, zal in het kader van de derde
fase van de herziening van de rechterlijke organisatie kunnen worden bepaald in hoeverre de geschillen waarvan
wij voorstellen dat deze
voorshands door één instantie worden beslecht, in aanmerking moeten worden
gebracht voor rechtspraak in twee feitelijke instanties.
3.4. Het
vervallen van de mogelijkheid van centrale sturing en de compensatie
daarvoor
Eén van de kenmerken van het
kroonberoep en tevens één van de redenen waarom het in
Straatsburg is gesneuveld, is dat het een mogelijkheid biedt voor centrale
sturing. De Kroon kan immers haar opvatting omtrent het gewenste
beleid in de plaats stellen van het bestuursorgaan welks besluit
wordt getoetst. Indien het onderhavige wetsvoorstel wordt aanvaard, zal
de centrale sturingsmogelijkheid die het kroonberoep biedt, komen te
vervallen. De vraag rijst dan of voor het vervallen van deze
sturingsmogelijkheid specifieke compensatie moet worden geboden.
In het algemeen menen wij dat
deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Veelal is het beroep
op de Kroon niet het enige sturingsinstrument dat de centrale
overheid op een bepaald beleidsterrein tot haar beschikking heeft, maar vormt
het veeleer het sluitstuk op een reeks van beïnvloedingsinstrumenten, die
vooral bestaan in het kunnen aangeven van het kader waarbinnen de
besluitvorming van de lagere overheden zich mag afspelen. Dit kader is
tevens een juridisch kader, over de overschrijding waarvan een rechter zich heel wel kan uitspreken. De
afschaffing van het kroonberoep
heeft zo gezien alleen maar tot gevolg dat de centrale overheid langs
deze weg niet meer kan aangeven wat er binnen de door de centrale
overheid gegeven kaders op het gedecentraliseerde niveau precies moet
gebeuren. Het bovenstaande kan slechts
uitzondering lijden in die gevallen waarin de - in niet-bindende centraal
geformuleerde beleidskaders tot uitdrukking gebrachte - belangen
van de centrale overheid bij de besluitvorming in concreto preponderant
zijn. Dat is naar onze mening het geval bij de bestemmingsplanprocedure.
Op deze grond heeft het kabinet gemeend te moeten voorzien in
een alternatief sturingsinstrument voor de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer: rblz.|54|
de bevoegdheid van de Minister
van VROM om zijn beslissing ter zake van de goedkeuring van een
bestemmingsplan in de plaats te stellen van die van het college van
gedeputeerde staten. Tegen die beslissing staat uiteraard beroep op de
administratieve rechter open. Een uitgebreide beschouwing over dit instrument
is opgenomen in de toelichting op de wijzigingen in de Wet
op de Ruimtelijke Ordening (onderdeel
4, onderdeel H, onder 7) [niet opgenomen in deze webpagina, red.]. Voor het overige zijn wij van
oordeel dat er geen aanleiding is te voorzien in alternatieve
sturingsinstrumenten. In het overgrote deel van de gevallen is dat niet
bezwaarlijk gebleken. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het
openstellen van kroonberoep lang niet altijd werd ingegeven door de behoefte
aan centrale sturing. Vaak was - zeker in oudere wetgeving - het bieden
van een vorm van rechtsbescherming het enige motief.
3.5.
Ambtsberichten
Voor zover in een geding een
kwestie aan de orde is die de aan de centrale overheid toevertrouwde
belangen rechtstreeks raakt (vgl. artikel
1.2 [1:2], tweede lid, van de Awb),
zal ingevolge het nieuwe uniforme bestuursprocesrecht de minister
wie het aangaat, hetzij op zijn verzoek, hetzij ambtshalve, door de rechtbank
als partij in het geding kunnen worden geroepen. In dat
bestuursprocesrecht, dat ook de wijze van beslechten van de voormalige TwK
en kroongeschillen zal beheersen, zal niet worden voorzien in een aparte positie van de ministers om in die
gevallen waarin hun dat
wenselijk voorkomt de rechter ongevraagd van advies te dienen. Dat betekent
niet dat wij het niet wenselijk achten dat de rechter onder omstandigheden
aan de minister wie het aangaat, als deze geen partij is, met
toepassing van artikel 8.2.2.4 [8:45]
van de Awb kan vragen zijn visie op de zaak te
geven. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij technisch
ingewikkelde richtlijnen op milieugebied of indien van de centrale overheid
afkomstige regelgeving in het geding is en een toelichting daarop de
rechter nuttig lijkt. Ook kan de rechter op grond van artikel 8.2.2.6 [8:47]
onderscheidenlijk artikel 8.2.5.5 [8:60]
een deskundigenbericht vragen. Het dient
echter de rechter te zijn die, al dan niet op instigatie van partijen, de
centrale overheid bij de zaak betrekt. Een meer geprononceerde positie van de
centrale overheid in dezen zou in strijd komen met enkele van de
kenmerken van het voorgestelde procesrecht, namelijk dat het proces een
rechtsstrijd tussen belanghebbenden is en dat de rechter bepaalt welke
instructie van de zaak nodig is.
Voor enkele categorieën van TwK- en kroongeschillen geldt thans dat
standaard advies wordt ingewonnen. Dat betreft bestemmingsplangeschillen
en, zij het in mindere mate, milieugeschillen. Deze adviezen worden
uitgebracht door respectievelijk de Adviseur ten behoeve van de Raad van State
en de Adviseur beroepen milieubeheer. Met volledige erkenning van
de belangrijke bijdrage die de respectieve adviseurs hebben geleverd en
leveren aan de oordeelsvorming van de Raad van State op het terrein van
de milieugeschillen en de bestemmingsplangeschillen, menen wij dat het
aan de rechter moet worden overgelaten in hoeverre hij gebruik wil maken
van de bij de adviseurs aanwezige expertise. Wij willen er hierbij
uitdrukkelijk op wijzen dat het voorgestelde procesrecht geen enkele
belemmering opwerpt voor het handhaven van de bestaande praktijk, die
overigens evenmin op enig expliciet wettelijk fundament rust. De wijze
waarop in de praktijk onder het nieuwe bestuursprocesrecht van het
inwinnen van ambtsberichten gebruik zal worden gemaakt door de
administratieve rechters zal overigens, naar wij aannemen, één van de
onderwerpen zijn van overleg tussen de betrokken rechterlijke colleges. rblz.|55|
3.6.
Bevoegdheden TwK-rechter
Artikel 5, eerste
lid, van de TwK bepaalt dat indien de uitspraak van de Afdeling voor de
geschillen van bestuur strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging
van een besluit, de Afdeling desgeraden zelf in de zaak kan voorzien.
Deze bevoegdheid, die thans ook al aan andere administratieve rechters
toekomt, zal ingevolge het wetsvoorstel inzake de Arob- en de
Arbo-bezwaarschriftprocedure (Kamerstukken II, 21 659) ook worden
toegekend aan de Afdeling rechtspraak als Arob-rechter. Deze bevoegdheid
wordt nu meer in het algemeen neergelegd in het uniform
bestuursprocesrecht. Hierin zal niet worden neergelegd de in artikel 6
van de TwK geregelde bevoegdheid van de Afdeling voor de geschillen van
bestuur om tegelijk met haar uitspraak aan het overheidsorgaan advies te
geven met betrekking tot de wijze waarop naar haar oordeel nader zou
moeten worden gehandeld in verband met het aan haar oordeel onderworpen
geschil. Uit het rapport Kroongeschillen en bestuursprocesrecht is
gebleken dat geen enkele behoefte bestaat aan deze bevoegdheid. Deze uit
het kroonberoep stammende bevoegdheid kan dus voor de administratieve
rechter worden gemist.
4. Rechtseenheidsvoorziening
4.1. Algemeen
Eén van de in
onderdeel 1.3 gememoreerde hoofddoelstellingen van de herziening van de
rechterlijke organisatie is het scheppen van voorwaarden voor het
verbeteren onderscheidenlijk het in stand houden van de juridische
kwaliteit en het gehalte van de rechtspraak. Daaruit volgt onder meer
dat aan een adequate rechterlijke organisatie de eis moet worden gesteld dat zij de eenheid van recht en rechtspraak mogelijk maakt.
Deze norm ziet zowel op de eenheid binnen de civiele rechtspraak, de
strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak als op de eenheid tussen die
rechtsgebieden en daarmee op de eenheid van het recht als geheel. Het is
zoals gezegd de bedoeling in de derde fase van de herziening een
definitieve voorziening ter zake te treffen.
Wij zijn echter van mening dat het nodig is in
deze fase van de herziening een - noodzakelijkerwijs voorlopige -
voorziening te treffen.
Bij
gelegenheid van de eerste fase van de herziening zal het nieuwe,
uniforme bestuursprocesrecht in werking treden. Ook de eerste
tranche van de Awb, die een belangrijk deel van het materiële deel van het
bestuursrecht unificeert, codificeert en harmoniseert, zal geldend recht
worden. Het is voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het
terrein van het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht van groot
belang dat een eenvormige toepassing en interpretatie van deze
belangrijke stukken nieuw recht van meet af aan is verzekerd. Daarbij is
allereerst relevant dat de desbetreffende wetgeving door een groot
aantal administratieve rechters zal worden toegepast, zonder dat is
voorzien in één appelcollege of in verschillende appelcolleges met
daarna de mogelijkheid van beroep in cassatie. Het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het
College van
beroep studiefinanciering oordelen in eerste en enige aanleg. De
(administratieve kamers van de) rechtbanken hebben in deze fase van de
herziening te maken met twee verschillende appelcolleges, die in hoogste
ressort over dezelfde algemene rechtsvragen van bestuursrecht en
bestuursprocesrecht oordelen. Tegen uitspraken van de (belastingkamers
van de) rblz.|56|
gerechtshoven en van de kantongerechten
op grond van de Wet
administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften staat beroep
in cassatie open. Deze opsomming maakt duidelijk dat zonder het treffen
van een voorziening de eenheid van recht en rechtspraak binnen de
bestuursrechtspraak niet kan worden verzekerd. Tevens is relevant dat
algemene regels van bestuursrecht zoals gecodificeerd in de eerste
tranche van de Awb ook, en in toenemende mate, aan de orde komen in
civiele zaken en in strafzaken. Dat betekent dat ook de civiele rechter
en de strafrechter (kantongerechten, rechtbanken, gerechtshoven en Hoge
Raad) algemene rechtsvragen van bestuursrecht hebben te beantwoorden.
Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het
ongeschreven bestuursrecht en, zij het in mindere mate, het ongeschreven
bestuursprocesrecht. Daaruit volgt dat ook de eenheid van recht en
rechtspraak tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak en de
strafrechtspraak zonder het treffen van een voorziening niet kan worden
gewaarborgd. Wij zijn daarom van mening dat het treffen van een
rechtseenheidsvoorziening binnen de bestuursrechtspraak, complementair
aan de bestaande cassatievoorzieningen in civiele zaken, strafzaken en
bestuursrechtelijke zaken, bij gelegenheid van de voltooiing van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie nodig is. Wij
zijn voorts van oordeel - en dat is de tweede vraag die moet worden
beantwoord - dat die voorziening een institutionele voorziening moet
zijn. Daaraan liggen de volgorde overwegingen ten grondslag. Naar ons oordeel is het, gelet
op de in het geding zijnde belangen, die wezenlijk zijn voor het adequaat
functioneren van de democratische en sociale rechtsstaat, principieel niet
juist als de wetgever voor het
waarborgen van de eenheid van
recht en rechtspraak uitsluitend zou vertrouwen op het zelfregulerend
vermogen van de betrokken rechterlijke instanties. Het gaat hier immers
om de uitoefening van een categorie van overheidsbevoegdheden waar van
vrijwillige terugtred van de wetgever geen sprake mag zijn. Anders gezegd: de rechterlijke taak om te voorzien
in de eenheid van recht en
rechtspraak behoeft een wettelijk fundament. Daarmee wordt enerzijds deze
rechterlijke activiteit democratisch gelegitimeerd en wordt anderzijds
gegarandeerd dat deze essentiële taak ook werkelijk wordt uitgeoefend.
Deze normatieve opstelling impliceert dat het bestaan van informele
samenwerkingsverbanden, onder meer gericht op het coördineren van
jurisprudentie, en van andere mechanismen die de rechtseenheid bevorderen,
niet kan leiden tot de conclusie dat de wetgever van een institutionele
voorziening zou moeten afzien. De bestaande informele
samenwerkingsverbanden zijn zinvol en vruchtbaar. Wij menen zelfs - maar het is
uiteraard aan de betrokken instanties zelf om daarover te oordelen - dat de
kring van betrokken colleges wellicht voor uitbreiding vatbaar zou
zijn. Thans vindt immers slechts gestructureerd informeel overleg plaats
tussen de voorzitters van de beide rechtsprekende afdelingen van de Raad van State, de voorzitter van de
Centrale Raad van Beroep, de
voorzitter van het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven en de
fungerende voorzitter(s) van de belastingkamer van de Hoge
Raad. Ook is door
middel van het uiteindelijk op elkaar afstemmen van jurisprudentie op
bepaalde punten voorkomen dat blijvend verschil in
jurisprudentie tussen in hoogste ressort oordelende administratieve rechters en ook
tussen deze rechters en de Hoge Raad is ontstaan en zijn bestaande
verschillen weggenomen. Daar staat overigens tegenover dat op
andere punten sprake is van blijvend verschil in jurisprudentie.
rblz.|57|
Daar komt nog een ander
principieel punt bij. Het verdient aanbeveling dat rechterlijke colleges,
vooral als het gaat om praktische processuele kwesties en het beleid met betrekking tot discretionaire processuele
bevoegdheden, informeel overleg
met elkaar voeren om tot afstemming op deze punten te komen. Daarbij
gaat het niet om concrete individuele zaken, maar om algemene kwesties.
Hiervoor is in algemene zin uiteengezet op welke rechtsvragen de
voorgestelde rechtseenheidsvoorziening betrekking heeft. In onderdeel
4.2 wordt dit verder geconcretiseerd. Daarbij gaat het om meer dan
alleen (processuele) vragen die om een praktische dan wel een
beleidsmatige afstemming vragen, los van een concrete individuele zaak. In
veel gevallen zal het juist gaan om een (materieelrechtelijke) rechtsvraag, die rijst in een concrete individuele zaak. In dat geval ligt de zaak
wezenlijk anders. Gelet op de onder meer in artikel 6 van het EVRM
gepositiveerde beginselen van behoorlijke rechtspraak, met name het
beginsel van de openbaarheid, zou het immers bepaald onjuist zijn als
een uitspraak in een concrete individuele zaak tot stand zou komen na
informeel overleg tussen twee of meer rechterlijke colleges, een
overleg dat voor partijen niet kenbaar en controleerbaar is en waarop zij
ook geen invloed kunnen uitoefenen. Wij verwijzen naar het recente
arrest van het EHRM in de zaak-Borgers (EHRM 30 oktober 1991, Series A,
Vol 214-A). Daarin besliste het EHRM onder meer dat de (Belgische)
praktijk bij het Hof van Cassatie waarin de verdachte niet in de
gelegenheid wordt gesteld te reageren op de conclusie van de
procureur-generaal, in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Informeel overleg kan
en
mag in concrete individuele zaken dus niet het middel zijn om tot
rechtseenheid te komen. De praktijk waarin rechtseenheid tot stand komt
door het uiteindelijk op elkaar afstemmen van jurisprudentie op
essentiële punten, waarbij het oordeel van de meest gerede rechter de doorslag
geeft, kan al evenmin structureel soelaas bieden. Nog afgezien van
het feit dat niet altijd vaststaat welke de meest gerede rechter is, is
hiermee immers in elk geval veel tijd gemoeid. Wij vinden het niet
bezwaarlijk
dat de vormgeving van de thans tot stand te brengen voorziening een
voorlopig karakter draagt. Aldus wordt immers niet vooruitgelopen op de nog te formuleren beleidsvoornemens
voor de derde fase en behoudt de
wetgever volledig zijn vrijheid van handelen. Het vraagstuk van de
rechtseenheidsvoorziening is één van de onderwerpen geweest die in het
overleg met de Raad van State als direct betrokkene aan de orde zijn
geweest. Over deze materie is voorts op de voet van artikel 22 van de Wet
RO advies gevraagd aan de Hoge
Raad en de procureur-generaal bij de
Hoge Raad. Het gezamenlijke advies van de Hoge Raad en de
procureur-generaal wordt gelijktijdig met de indiening van dit wetsvoorstel
afzonderlijk ter kennis van de Tweede Kamer gebracht.
4.2. Het
bereik van de rechtseenheidsvoorziening
Allereerst rijst de
vraag voor
welke rechtsvragen de gewenste institutionele voorziening moet gelden
en, in verband daarmee, hoe de wettelijke maatstaf moet luiden.
In onderdeel 4.1 is uiteengezet
dat het primair gaat om rechtsvragen van bestuurs(proces)recht die
van belang zijn voor de eenheid van recht en rechtspraak binnen het bestuursrecht en tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak
en de strafrechtspraak. Maar behalve rechtsvragen van bestuurs(proces)recht
zijn er ook nog andere belangrijke rechtsvragen die in alle
takken van rechtspraak aan de orde kunnen rblz.|58|
komen. Enkele voorbeelden van
rechtsvragen waarop de rechtseenheidsvoorziening betrekking heeft,
illustreren het voorgaande. Als eerste noemen wij uiteraard
de uitleg van het bestuurs(proces)recht in de Awb
en de uitleg en
de verdere ontwikkeling van de algemene beginselen van behoorlijk
bestuur, ook voor zover niet in deze wet [lees: die
wet, red.] geformuleerd, en het ongeschreven
bestuursprocesrecht. Voorts is van groot belang de
uitleg van grondrechten, voor zover deze voorkomen in een ieder
verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, dan wel in de
Grondwet. Er
kan hier een belangrijke
overloop bestaan met het hiervoor aangeduide rechtsterrein. Zo zullen de
grondrechten, vervat in de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het IVBP, van
groot belang kunnen zijn voor de uitleg van geschreven en ongeschreven
bestuursprocesrecht, en zal de inhoud van het bestuursrecht mede
kunnen worden bepaald door het recht op de persoonlijke levenssfeer,
vervat in de artikelen 8 van het EVRM en 10 van de
Grondwet. Ook kunnen
algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeilijk worden los
gedacht van het gelijkheidsbeginsel, vervat in artikel 1 van de
Grondwet, en
van het discriminatieverbod van de artikelen 14 van het EVRM en 26
van het IVBP. Verder kunnen aan de orde komen
de verenigbaarheid van lagere wetgeving met het geschreven en
het ongeschreven bestuursrecht en de verenigbaarheid van alle
algemeen verbindende voorschriften met de hiervoor bedoelde grondrechten,
dit laatste thans uiteraard nog met de beperking van artikel 120 van de
Grondwet. Ook zal het kunnen gaan om
bepalingen die als burgerlijk recht zijn gecodificeerd, maar die hetzij
krachtens de schakelbepalingen (als de artikelen 3:59, 3:79 en 3:326)
van het BW, hetzij omdat zij een weerslag vormen van algemene beginselen
die ook buiten het burgerlijk recht gelden, voor overeenkomstige
toepassing door de administratieve rechter in aanmerking komen.
Opmerking verdient dat de schakelbepalingen van het BW en de
bepalingen van de Awb op enkele belangrijke plaatsen bewust op elkaar zijn
afgestemd. Ten slotte zijn er bijzondere
rechtsgebieden die bij alle takken van rechtspraak aan de orde kunnen
komen. Een sprekend voorbeeld daarvan is het nationaliteitsrecht. Ook hiervoor
geldt dat het gewenst is dat een
eenvormige uitleg wordt verzekerd. Eén
en ander impliceert dat moet worden gezocht naar een algemene maatstaf
die rechtstreeks is afgestemd op het belang van de rechtseenheid en de
rechtsontwikkeling, daar waar rechtspraak - en dus per definitie in
beginsel divergerende rechtspraak - van verschillende in hoogste
instantie oordelende rechters mogelijk is. De voorziening hoeft geen
betrekking te hebben op rechtsvragen die zich slechts bij één tak van
administratieve rechtspraak kunnen voordoen omdat er één hoogste
feitelijke gerecht is dat binnen die tak van administratieve rechtspraak
de rechtseenheid reeds voldoende waarborgt. Wij noemen bijvoorbeeld de Centrale Raad van
Beroep voor zover optredend als hoogste rechter in
socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken, het
College van Beroep voor
het bedrijfsleven op het terrein van de sociaal-economische ordening en
de Tariefcommissie in zaken betreffende invoerrechten en accijnzen. Met
andere woorden: het moet gaan om de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling in het algemeen. rblz.|59|
Evenmin hoeft de voorziening
betrekking te hebben op rechtsvragen die in de desbetreffende procedure
in cassatie aan de orde kunnen worden gesteld.
4.3. De
vormgeving van de rechtseenheidsvoorziening
Op zichzelf zou het goed
denkbaar zijn in aansluiting op de bestaande cassatievoorzieningen de
mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge
Raad open te stellen tegen alle in hoogste ressort gegeven
uitspraken van administratieve
rechters. Op die wijze zou ook optimaal recht worden gedaan aan de
hiervoor gereleveerde doelstellingen. Deze mogelijkheid is echter thans
niet te verwezenlijken. Ten eerste zou, mede gelet op de onwenselijkheid van
forse uitbreidingen bij de Hoge Raad en zijn parket, de extra werkbelasting te groot zijn, nu in het kader van de
eerste fase nog geen sprake zal
zijn van een beperking van de toegang tot de cassatieprocedure. Ten
tweede is de positie van de Raad van State van belang: de Raad heeft
er, in het kader van het overleg met de Raad als direct betrokkene bij
de herziening van de rechterlijke organisatie, meermalen op gewezen dat
zijn positie als Hoog College van Staat zich niet verdraagt met een
stelsel waarin rechterlijke uitspraken van de Raad van State door een andere
rechter kunnen worden beoordeeld en waarin de Raad van State dus
niet meer per definitie in laatste instantie oordeelt. Wij willen dit
standpunt van de Raad van State respecteren. Dat betekent dat met
inachtneming van het doel van de beoogde rechtseenheidsvoorziening naar andere
wegen moet worden gezocht. Daartoe bestaan in essentie twee mogelijkheden.
De eerste denkbare mogelijkheid
is die van het invoeren van cassatie in het belang der wet, in te
stellen door de procureur-generaal bij de Hoge
Raad, tegen uitspraken van administratieve rechters waartegen
geen gewoon rechtsmiddel (meer)
openstaat. Aldus zou in elk geval de werklastproblematiek bij de Hoge
Raad in vergelijking met een volledig cassatiestelsel aanzienlijk
worden beperkt. Ook zou naar ons oordeel, althans ten dele, worden
tegemoetgekomen aan het standpunt van de Raad van State. Aan het inzetten van het middel
cassatie in het belang der wet als exclusief middel voor het
bereiken van rechtseenheid zijn echter, ook in algemene zin, bezwaren
verbonden. In de eerste plaats zou dit tot gevolg hebben dat op de
procureur-generaal een wezenlijk andere taak wordt gelegd dan hij met betrekking
tot dit rechtsmiddel thans heeft. Anders dan nu wordt immers aldus de
sleutel tot elke rechtsvormende taak van de cassatierechter in handen van
de procureur-generaal gelegd, die aan de cassatierechter rechtsvragen
kan voorleggen, maar ook onthouden. In verband daarmee valt tevens te
vrezen dat de druk van buiten op de procureur-generaal om dit
rechtsmiddel in te stellen niet alleen zal toenemen, maar ook een zekere
eenzijdigheid zal gaan vertonen. Verwacht mag namelijk worden
dat deze druk in het bijzonder zal komen van bestuursorganen. De
uitspraak op een vordering tot cassatie in het belang der wet is immers niet
van invloed op de rechtsverhouding die voor partijen door de bestreden uitspraak is ontstaan. Het belang van
partijen - van wier initiatief
de procureur-generaal voor zijn kennis van voor cassatie in het belang der
wet in aanmerking komende uitspraken in de eerste plaats afhankelijk is
- bij een dergelijke vordering is daarom beperkt tot de invloed daarvan
op toekomstige zaken. Een dergelijke belang zal het bestuursorgaan
vaker hebben dan de burger. Indien een uitspraak door het bestuur als
gunstig, doch door de burger als ongunstig wordt ervaren, zal
deze laatste bij gebreke van een concreet eigen belang slechts zelden de
procureur-generaal benaderen om een rblz.|60|
rechtsvraag aan de
cassatierechter voor te leggen. Een belangrijk bezwaar is verder dat de
cassatierechter het in geval van cassatie in het belang der wet moet stellen
zonder de voorlichting die naar voren pleegt te komen uit het debat tussen de
raadslieden van partijen, die vaak meer mogelijkheden hebben om de
feitelijke en maatschappelijke gevolgen van een in aanmerking komende
rechtsregel te belichten dan de procureur-generaal. Dit brengt
mee dat behoeften aan rechtsvernieuwing die in de kring van partijen of
van de lagere rechters leven ook om deze reden minder kans krijgen om tot
de cassatierechter door te dringen. Daarmee nemen tevens de
mogelijkheden voor de cassatierechter zelf af om in redelijke mate een op deze
behoeften afgestemd beleid te ontwikkelen. De
conclusie moet zijn dat de mogelijkheid van cassatie in het belang der
wet na afweging van de voor- en nadelen daarvan niet kan worden
beschouwd als een adequate voorlopige rechtseenheidsvoorziening. De tweede mogelijkheid voor een
voorlopige rechtseenheidsvoorziening is die van het invoeren
van een zogenoemd prejudicieel stelsel binnen de administratieve
rechtspraak. Dat houdt in dat administratieve rechters die worden
geconfronteerd met een rechtsvraag waarvan de beantwoording in het belang is
van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling in het algemeen, deze
rechtsvraag ter beantwoording voorleggen aan één rechter. Gelet op de
taak die de Hoge
Raad op het gebied van de rechtseenheid en de
rechtsontwikkeling in onze rechtsorde heeft en op de aard en de reikwijdte van
de rechtsvragen waarvoor het stelsel moet gelden, ligt het voor de
hand die taak aan de Hoge Raad op te dragen. In een dergelijk stelsel
wordt de werklastproblematiek bij de Hoge Raad aanzienlijk beperkt.
Het heeft bovendien het voordeel dat naar ons oordeel wordt
tegemoetgekomen aan het standpunt van de Raad van State. Een prejudicieel
stelsel houdt immers niet in dat de rechter zijn uitspraken
onderworpen ziet aan heroverweging door een andere (hogere) rechter en
kenmerkt zich dan ook niet door een hiërarchische verhouding tussen de
rechter die de vragen stelt en de rechter die de antwoorden geeft. Dit kan
worden geïllustreerd aan de hand van de opvatting die het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen koestert omtrent het in artikel
177 van het EEG-verdrag neergelegde stelsel van prejudiciële
vragen. Daartoe verwijzen wij naar een arrest van het Hof van Justitie van 1
december 1965, volgens welk arrest de bedoeling van dit stelsel is: "een rechterlijke samenwerking waarbij de nationale rechter en het Hof van
Justitie - elk volgens hun eigen competentie - geroepen zijn om rechtstreeks en wederzijds bij te dragen tot het
vinden van een beslissing
waardoor de uniforme toepassing van het Gemeenschapsrecht in alle
Lid-Staten wordt gewaarborgd" (HvJEG 1 december 1965, zaak 16/65, Jur.
1965, p. 1117, SEW 1966, p. 36, m.nt. P.J.G. Kapteyn).
Vergeleken met cassatie in het
belang der wet heeft een prejudicieel stelsel het voordeel dat
partijen de mogelijkheid hebben binnen het kader van hun geding en door het geven van voorlichting aan de rechter,
deze tot het stellen van
bepaalde prejudiciële vragen te bewegen. Dit vergroot de kans dat de
rechtsvragen waar het om gaat inderdaad bij de Hoge Raad terechtkomen. Daar
komt bij dat, anders dan bij cassatie in het belang der wet, een
prejudicieel stelsel partijen de mogelijkheid kan bieden hun standpunten omtrent
de door de Hoge Raad op de prejudiciële vragen te geven
antwoorden voor dit college te doen toelichten door rechtsgeleerde raadslieden.
Verder heeft dit stelsel het voordeel dat voor de procureur-generaal de
taak blijft om in zijn conclusie mede op grond van de door (de
raadslieden van) partijen verschafte gegevens en inzichten - onafhankelijk van
partijen en objectief - de Hoge Raad in het rblz.|61|
openbaar van advies te dienen.
Op deze wijze is de voorlichting voor de Hoge Raad volledig. Evenals bij
het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en bij het
Benelux-Gerechtshof kan een dergelijk advies, ook met het oog op een
efficiënte werkwijze van de Hoge Raad, bezwaarlijk worden gemist. Gelet op het voorgaande achten
wij de mogelijkheid van een prejudicieel stelsel wel adequaat als
voorlopige rechtseenheidsvoorziening. Deze is dan ook in het
onderhavige wetsvoorstel opgenomen, en wel in de voorgestelde artikelen 107a
tot en met 107j van de Wet
RO. Wij hebben ons beraden op de
vraag of het wellicht aanbeveling zou verdienen de beantwoording van
de prejudiciële vragen niet op te dragen aan de Hoge
Raad, maar aan een zogenoemde gemeenschappelijke
kamer van in elk geval de Hoge
Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van
Beroep.
Nog afgezien van de onwenselijkheid van het instellen van nieuwe
rechterlijke organen en de gewrongenheid van een constructie waarin leden
van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep
deelnemen aan de beantwoording van door de eigen colleges voorgelegde
vragen, is aan die variant echter het doorslaggevende nadeel verbonden dat zij leidt tot de paradoxale situatie van twee hoogste
rechters (de Hoge Raad als cassatierechter en de gemeenschappelijke kamer). !n
een dergelijk stelsel zou immers de cassatierechter zich (hebben te)
richten naar de uitspraken van deze gemeenschappelijke kamer, die
immers bevoegd zou zijn ten aanzien van rechtsvragen die ook - in het gewone stelsel van rechtsmiddelen - door
de cassatierechter worden
beantwoord. De conclusie moet daarom zijn dat ook in een prejudicieel
stelsel geen andere keuze mogelijk is dan het opdragen van deze taak aan de
Hoge Raad. De hier overwogen variant is daarom door ons verworpen.
4.4. Het
prejudiciële stelsel
Bij het opzetten van een
prejudicieel stelsel moeten enkele keuzen worden gemaakt.
De eerste betreft de vraag voor
welke rechtsvragen het stelsel moet gelden. In onderdeel 4.2 is
geconcludeerd dat het moet gaan om rechtsvragen waarvan de beantwoording in het belang is van de rechtseenheid
en de rechtsontwikkeling in het
algemeen en waarvoor in de desbetreffende procedure niet reeds een
cassatievoorziening bestaat. In onderdeel 4.3 is aan de orde
gesteld de vraag welke rechter de prejudiciële vragen moet
beantwoorden. Geconcludeerd is dat het voor de hand ligt de Hoge
Raad daarmee te belasten. De derde keuze heeft betrekking
op de vraag of alle administratieve rechters vragen moeten kunnen
stellen of alleen de in hoogste ressort oordelende administratieve
rechters. In een prejudicieel stelsel verdient het in beginsel de voorkeur dat
een rechtsvraag die uiteindelijk door een prejudiciële beslissing zal
moeten worden beantwoord, in een zo vroeg mogelijk stadium kan worden
voorgelegd aan de instantie die deze beslissing moet geven. Dat
stelsel heeft Nederland in internationaal verband dan ook steeds voorgestaan. In de onderhavige nationale
context is de noodzaak om alle
administratieve gerechten de bevoegdheid te geven een
prejudiciële beslissing te vragen echter minder klemmend. Het gaat immers
om een voorlopige voorziening die bovendien, nu binnen Nederland
met een prejudicieel stelsel geen ervaring bestaat,
noodzakelijkerwijs in zekere mate een experimenteel rblz.|62|
karakter heeft. Daarom is het gewenst het aantal gevallen waarin een prejudiciële beslissing wordt
gevraagd in te dammen. Het is waarschijnlijk dat beperking
van de bevoegdheid tot het vragen van een dergelijke beslissing tot de
hoogste feitelijke instanties daartoe zal bijdragen. Daarmee wordt tevens het risico vermeden dat is verbonden
aan het stellen van vragen in
eerste aanleg, namelijk dat die vragen in hoger beroep door een andere
vaststelling van de feiten niet meer relevant blijken te zijn voor de
eindbeslissing van het geding. Aldus wordt ook de positie van de in hoger
beroep oordelende colleges als bewakers van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het bij uitstek aan hen
toevertrouwde terrein beter
geaccentueerd en wordt interferentie tussen rechtsvragen op het specifieke
rechtsterrein en algemene rechtsvragen vermeden. De
vierde keuze ten slotte betreft de vraag wanneer er in een concrete zaak
aanleiding is om een prejudiciële vraag te stellen. De meest extreme
varianten zijn een volledig verplicht en een volledig facultatief
stelsel. Aan beide varianten zijn evidente nadelen verbonden. Een
volledig verplicht stelsel laat de administratieve rechters in hoogste
ressort te weinig ruimte, waardoor het stelsel star wordt. Aan een
stelsel waaraan het verplichte karakter ontbreekt, kleeft daarentegen
het risico van een te grote vrijblijvendheid. Daardoor zou afbreuk
kunnen worden gedaan aan het bereiken van de doelstelling van de
rechtseenheidsvoorziening. Wij hebben gekozen voor een stelsel waarin in
beginsel sprake is van een verplichting, maar waarin niettemin aan de
administratieve rechters in hoogste ressort de nodige manoeuvreerruimte
wordt gelaten. De
wettelijke criteria zijn neergelegd in het voorgestelde artikel 107a,
eerste lid, van de Wet
RO. Daarin wordt het in het voorgaande in meer
algemene zin vermelde nader uitgewerkt. Wij verwijzen naar de
toelichting op dat artikel [niet opgenomen in deze webpagina, red.]. Wij
zijn van mening dat met de introductie van een prejudicieel stelsel
zoals hiervoor omschreven een belangrijke stap wordt gezet op de weg
naar het verwezenlijken van een belangrijke doelstelling van de
herziening van de rechterlijke organisatie, te weten het verzekeren van
de eenheid van recht en rechtspraak.
5. Personele,
financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van State en de
rechtelijke organisatie
5.1. Algemeen
De invoering van
het onderhavige wetsvoorstel is een omvangrijke operatie met ingrijpende
gevolgen voor zowel de Raad van State als de rechterlijke organisatie.
De invoering van een eerste instantie voor de Arob-zaken en voor een
deel van de TwK- en kroongeschillen bij de rechtbanken leidt tot een
vermindering van de formatie bij de Raad van State en tot een
uitbreiding van de formatie van de administratieve sectoren bij de
rechtbanken. Vooropstaat dat de afslanking van de Raad van State
enerzijds en de verdere uitbouw van de administratieve sectoren bij de
rechtbanken anderzijds op een zowel rechtspositioneel, financieel als
organisatorisch verantwoorde wijze moeten geschieden.
In het standpunt van het vorige
kabinet met betrekking tot de invoering van Arob-rechtspraak in twee
instanties werd al gewezen op de complexiteit van de operatie.
Inmiddels is duidelijk geworden dat zij rblz.|63|
wordt verzwaard door het feit
dat de Raad van State een aanzienlijke werkvoorraad heeft. Beliep de
voorraad bij de Afdeling rechtspraak in 1988 nog ongeveer een jaar,
inmiddels is deze zeer sterk gestegen. Deze stijging is veroorzaakt doordat
de Raad van State de afgelopen jaren is geconfronteerd met een sterk gegroeid zaaksaanbod, terwijl de formatie
en de produktiviteit van de Raad
geen gelijke tred hebben gehouden met die gestegen instroom. Hoewel
een zo sterke stijging van het zaaksaanbod een paar jaar geleden
niet werd voorzien en ook niet kon worden voorzien, werd door een
ambtelijke projectgroep in 1987 al gewezen op het stijgende werkaanbod van de
Afdeling rechtspraak, terwijl er tevens op werd gewezen dat de gewenste
omvang van de Raad grenzen stelt aan zijn verwerkingscapaciteit. Gezien de voorraad en de
onaanvaardbare consequenties voor de behandelingsduur is een
onverwijlde aanpak noodzakelijk. De omvang van de problematiek bij de Raad van State
is dusdanig dat bij de doorvoering van de eerste fase
van de herziening van de rechterlijke organisatie een nauwe relatie
moet worden gelegd tussen het oplossen van de bestaande
voorraadproblematiek en de implementatie van de eerste fase. Bij het oplossen
van de voorraadproblematiek is uitgangspunt dat de voorraden
door de Raad zelf worden weggewerkt. Overheveling van zaken uit die
voorraden naar de rechtbanken achten wij ondoelmatig. Berekend
is dat
met het wegwerken van de eind 1992 bij de Raad van State bestaande
voorraden ongeveer 500 mensjaren zullen zijn gemoeid. Met
inachtneming van overwegingen van financiële en organisatorische aard
wordt ernaar gestreefd de voorraden bij de Raad van State
vóór 1997
weg te werken. Daartoe zal de formatie van de Raad vanaf de datum van
inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet ineens, maar geleidelijk
worden verkleind, zodat gedurende enige jaren capaciteit beschikbaar
blijft die kan worden ingezet voor het wegwerken van de voorraden.
Tevens kan aanvankelijk de structureel bij de Raad van State blijvende
en voor de tweede aanleg bedoelde capaciteit bij het wegwerken van de
voorraden worden ingezet. Immers, eerst na ongeveer een jaar zullen
zaken in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State aanhangig worden gemaakt. Aan de Raad van State is inmiddels
extra formatieruimte toegekend, teneinde in elk geval te voorkomen dat
de voorraad nog verder groeit. In samenwerking met de Raad van State is
in dit kader vastgesteld dat, rekening houdend met de bij de Raad van
State aanwezige maximale opname- en begeleidingscapaciteit van nieuw
personeel, een eenmalige uitbreiding van gemiddeld 30 formatieplaatsen -
die gedurende enige jaren wordt gehandhaafd - dient plaats te vinden.
Met de Raad van State zijn nadere afspraken gemaakt over de gefaseerde
beschikbaarstelling van de extra capaciteit. Om te voorkomen dat de
uitbreiding van de ondersteuning nauwelijks soelaas zou bieden omdat
zonder aanvullende maatregelen de zittingscapaciteit dezelfde zou
blijven, dient het aantal staatsraden in buitengewone dienst te
worden uitgebreid. Door de Wet van 20 november 1991, Stb. 1991,
633, biedt de Wet
op de Raad van State daartoe thans de mogelijkheid. Met de gekozen aanpak kan worden
voorkomen dat de Raad van State, die uiteindelijk moet worden
afgeslankt, eerst aanzienlijk zou moeten worden uitgebreid voor het wegwerken van de voorraden. Het vorenstaande leidt
ertoe dat bij de
Raad van State gefaseerd kan worden toegewerkt naar de uiteindelijk
structureel benodigde formatie, terwijl de administratieve sectoren bij de rechtbanken geleidelijk kunnen worden opgebouwd. Dit
veranderingsproces wordt aldus voor een belangrijk deel rblz.|64|
bepaald door de inzet
van
beschikbare menskracht op het juiste tijdstip en op de juiste plaats. Bij de
rechtbanken zullen de uitbreidingen gepaard moeten gaan met de
opbouw van kennis en ervaring met de behandeling van de van de Raad
van State overkomende zaken. Meer specifiek voor de rechterlijke
macht doet zich nog een verzwarende omstandigheid voor, te weten de
noodzaak om tijdig de rechterscapaciteit uit te breiden. De
Commissie aantrekken leden rechterlijke macht is erop voorbereid dat in de
komende jaren jaarlijks een groot aantal potentiële leden van de
rechterlijke macht - gestreefd wordt naar ongeveer 50 - moet worden
aangetrokken. De overkomst van gekwalificeerde juristen van de Raad van
State is daarbij van groot belang. Daarnaast worden ook in dit
verband mogelijkheden onderzocht voor het meer dan thans feitelijk
opdragen van werkzaamheden van rechters aan de ondersteuning, met name aan
de gerechtssecretarissen. De uitkomsten van dat onderzoek
zullen naar verwachting leiden tot een andere dan de thans in de rechterlijke organisatie bestaande en historisch gegroeide verhouding
tussen rechtsgeleerd en ondersteunend personeel en tot een andere
opbouw van die ondersteuning. Met de uitvoering van de
voorgenomen reorganisatie wordt op verschillende manieren een
bijdrage geleverd aan het beperken van de werklast en de werkdruk.
Allereerst door het wegwerken van de achterstanden bij met name de Afdeling
rechtspraak van de Raad van State. Voorts is uitgangspunt dat bij
invoering van de eerste fase zowel bij de rechtbanken als bij de
Raad van State voldoende (extra) personeel beschikbaar zal zijn om de zaken
binnen een redelijke termijn af te werken. Bovendien biedt een
stelsel van rechtspraak in twee instanties meer mogelijkheden voor
beheersing van de werklast dan het huidige stelsel. Daardoor zullen de
doorlooptijden van de zaken in positieve zin worden beïnvloed. Een gunstig
effect op de doorlooptijden zou vooral bij de kleinere rechtbanken ook
kunnen uitgaan van de schaalvergroting die een gevolg is van de integratie, omdat schaalvergroting, en daardoor
specialisatie en bundeling van
deskundigheid, een betere werkverdeling en een betere opvang bij
afwezigheid mogelijk maken. Daarnaast heeft ook de invoering van een
verplichte bezwaarschriftprocedure in het bestuursrecht positieve gevolgen
voor de werklast.
5.2.
Personele en financiële consequenties voor de Raad van State en de
rechterlijke organisatie
5.2.1. Algemeen
Met
het oog op de in het standpunt van het vorige kabinet met betrekking tot
de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties toegezegde
herberekening zijn in de tweede helft van 1990 de personele en de
financiële consequenties van het onderhavige wetsvoorstel in kaart
gebracht door een werkgroep die bestond uit medewerkers van de ministeries van
Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Financiën en
uit vertegenwoordigers van de rechterlijke organisatie, de Raad van State, de Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State en de
Bijzondere Commissie van Overleg Gerechten. Onderzocht is welke
personele capaciteit de eerste en de tweede aanleg in de nieuwe opzet
nodig hebben voor de afdoening van de huidige Arob- en TwK- en
kroongeschillen. Voorts zijn de mogelijkheden bezien van een
werkgelegenheidsgarantie voor de medewerkers van de Raad van State.
Daarnaast zijn de incidentele en de structurele kosten van deze operatie
in kaart gebracht, terwijl tevens de kosten die zijn verbonden aan de
integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken zijn gepreciseerd. rblz.|65|
5.2.2. De benodigde personele capaciteit Bij de vaststelling van de voor
de eerste en de tweede aanleg benodigde capaciteit is
uitgegaan van het zaaksaanbod van de Raad van State
in 1989 en is rekening
gehouden met de invoering van de algemeen geldende verplichte
bezwaarschriftprocedure in de Awb. Bij de capaciteitsvaststelling is er
voorts van uitgegaan dat - anders dan thans het geval is bij de Raad van
State - beide rechterlijke instanties het zaaksaanbod van een jaar ook
volledig in ongeveer een jaar kunnen verwerken. Berekend is dat voor
de eerste en de tweede instantie rekening moet worden gehouden
met een capaciteit van ongeveer 450 formatieplaatsen, terwijl voor
de geschillenbeslechting in enige aanleg bij de Raad van State een
capaciteitsbehoefte van 130 formatieplaatsen zal bestaan. Dit betekent dat het
aantal arbeidsplaatsen in de nieuwe structuur groter is dan in de
huidige, namelijk ongeveer 180 formatieplaatsen. Anders dan bij de
totstandkoming van het vorige kabinetsstandpunt nog werd gedacht, zal
de operatie dus structureel extra capaciteit vragen. Een niet
onaanzienlijk deel van die extra capaciteit hangt samen met het opheffen van
het in de huidige situatie reeds bestaande capaciteitstekort bij
de Raad van State. Het wegwerken van dat tekort in het kader van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie zal ook
inhouden dat de doorlooptijden voor de behandeling van zaken weer
aanvaardbare proporties zullen aannemen. Rekening moet worden gehouden
met een trendmatige groei in het zaaksaanbod, vooral in de sfeer
van wat thans de Arob-zaken zijn. Veranderingen in het zaaksaanbod bij het rechterlijk apparaat kunnen hun
oorzaak vinden in nieuwe
regelgeving c.q. intensivering van beleid (op basis van bestaande
regelgeving). Bij de totstandkoming van die regelgeving of voorafgaande aan de
beoogde beleidsintensiveringen dienen de verwachte gevolgen voor het
zaaksaanbod in kaart te worden gebracht. Op die manier kan
tevoren een beeld worden verkregen over de mogelijke gevolgen van de
nieuwe regelgeving of de beleidsintensivering voor de werklast van het
rechterlijk apparaat. Deze aanpak moet worden gezien tegen de
achtergrond van artikel 15 van de Comptabiliteitswet 1976, de Aanwijzingen
voor de wetgevingstechniek (117) en de Aanwijzingen inzake de toetsing van ontwerpen van wet en van algemene
maatregel van bestuur (17). Deze
laatste aanwijzing brengt mee dat zo nauwkeurig mogelijk moet worden
aangegeven welke (financiële) gevolgen een regeling heeft voor
het met geschillenbeslechting belaste apparaat, waarbij onder meer
moet worden gedacht aan de administratieve rechtspraak en het
kroonberoep, aldus aanwijzing 17. Anders dan op het terrein van het civiele
en het strafrecht, is in het verleden niet altijd de hand gehouden aan deze
aanwijzingen bij het tot stand komen van bestuursrechtelijke
regelgeving, hetgeen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de situatie
waarin geen financiële ruimte beschikbaar was voor het voorkomen van de
onaanvaardbare achterstandssituatie bij de Raad van State. Om een
dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen, dienen ook bij het
voorbereiden van bestuursrechtelijke regelingen en beleidsmaatregelen
de kosten voor het rechterlijk apparaat zorgvuldig door het ministerie
van Justitie en, voor zover de Raad van State in het geding is, door het
ministerie van Binnenlandse Zaken, in nauw overleg met het departement
dat primair verantwoordelijk is voor de regeling of de
beleidsmaatregel, in kaart te worden gebracht, terwijl tevens een voorstel tot
financiering zal moeten worden gedaan. Op die manier kan de ministerraad
telkens besluiten of, en zo ja, op welke wijze de veranderingen in de
werkbelasting van het rechterlijk apparaat worden gecompenseerd. rblz.|66|
5.2.3. De garantie tegen gedwongen
werkloosheid Wij hebben eind 1990 de
medewerkers van de Raad van State die bij de Raad per 31 december 1992 in
vaste dienst zijn een garantie tegen gedwongen werkloosheid geboden. Uitgangspunt
is dat de overgang
van personeel van de Raad van State naar de rechtbanken zal
geschieden zonder onduidelijkheid over de individuele rechtspositie. De garantie houdt
in dat plaatsing in een
functie van gelijk niveau vooropstaat en dat in die gevallen waarin dat niet mogelijk is, geen plaatsing
zal geschieden in een functie die meer dan één schaal lager is dan de
oorspronkelijke functieschaal. Indien een medewerker in een zogenoemde
aanloopschaal zit, behoudt betrokkene uitzicht op de functieschaal
indien hij in een met die schaal overeenstemmende functie wordt
geplaatst. Tot tevredenheid kan worden geconstateerd dat met de
Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State overeenstemming is bereikt
over de aanpak van de personele en de rechtspositionele gevolgen, met
uitzondering van alleen de kwestie van het behoud van de volledige
carrièreperspectieven. Door een interdepartementale werkgroep is een
integraal sociaal statuut voor de onderhavige operatie opgesteld en wordt
gewerkt aan de oplossing van andere rechtspositionele problemen die
samenhangen met de onderhavige operatie. Het sociaal statuut
zal naar verwachting binnenkort definitief kunnen worden vastgesteld.
5.2.4. Financiële consequenties
De berekeningen wijzen, zoals
gezegd, uit dat aan het beoogde systeem van rechtspraak in twee
instanties waardoor aan de zich aandienende werklast binnen
aanvaardbare termijnen het hoofd kan worden geboden, structureel extra
kosten zijn verbonden. Het vorige kabinet was nog van oordeel dat de invoering
van Arob-rechtspraak in twee instanties structureel gezien welhaast
budgettair neutraal zou kunnen geschieden. Thans is duidelijk dat vanwege
het sterk gestegen zaaksaanbod en het daardoor ontstane capaciteitstekort de kosten hoger zijn. Bovendien zijn
de produktiviteitsaannamen
aangepast aan de gemiddeld genomen gestegen ingewikkeldheid van de zaken. Een werkgroep die was
samengesteld uit medewerkers van de ministeries van
Justitie, van
Binnenlandse Zaken en van Financiën en uit medewerkers van de
Raad van State, heeft in de loop van 1990 de kosten die zijn verbonden aan
het nieuwe systeem van rechtspraak in twee instanties berekend.
Berekend is dat de structurele kosten ongeveer ƒ17 á ƒ18 miljoen hoger
zijn dan die van het huidige systeem. Hierbij moet het volgende voor
ogen worden gehouden. In de eerste plaats is in deze kosten
verdisconteerd dat zowel de eerste als de tweede instantie van voldoende
personeel en middelen wordt voorzien om het zaaksaanbod binnen een jaar te
verwerken. Aldus is het zich bij de Raad van State voordoende
capaciteitstekort in de berekeningen verwerkt. De omvang van het capaciteitstekort
is door de werkgroep vastgesteld op 73 formatieplaatsen bij de Afdeling rechtspraak en vier formatieplaatsen
bij de Afdeling voor de
geschillen van bestuur. Inclusief de overhead gaat het om in totaal 83
formatieplaatsen, hetgeen overeenkomt met een bedrag van ongeveer ƒ7 miljoen, exclusief de huisvestingskosten. In de tweede plaats is een deel
van de meerkosten (ƒ3 miljoen) het gevolg van de veronderstelde
aanzuigende werking als gevolg van rechtspraak in twee instanties,
waarbij de eerste instantie geografisch dichter bij de burger komt te staan. Bij
de berekeningen is uitgegaan van 10% rblz.|67|
aanzuigende werking. In de derde
plaats zijn de meerkosten een gevolg van een extra instantie door de
invoering van een systeem van rechtspraak in twee instanties. Met
een verwacht appelpercentage van 35% van voor hoger beroep vatbare
uitspraken zijn de extra kosten daarvan ongeveer ƒ6 miljoen. Tot
slot zijn in de vierde plaats, beperkte, structurele kosten verbonden aan
de voorintegratie en treden structurele meerkosten op in het kader van
de van overheidswege gefinancierde rechtshulp (totaal ƒ1,6 miljoen). Overeenkomstig de tussen alle
betrokkenen gemaakte afspraken wordt aangenomen dat de invoering van
het systeem van rechtspraak in twee instanties uiteindelijk gepaard gaat met de overheveling van minimaal
212 formatieplaatsen (en het
daarmee corresponderende bedrag) van de Raad van State
naar de
rechterlijke organisatie. De aan de eerste fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie verbonden structurele en incidentele meerkosten zijn
met inachtneming van die afspraak als volgt begroot [x ƒ1 miljoen, red.]:
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| Voorraadproblematiek
Raad van State (inclusief staatsraden
i.b.d.) |
3,1x |
3,1x |
3,1x |
3,1x |
3,1x |
–x |
| Voorintegratie |
3,6x |
1,4x |
0,9x |
0,9x |
0,9x |
0,9x |
| Voorbereiding
Arob-rechtspraak in twee instanties |
6,9x |
2,3x |
–x |
–x |
–x |
16,1x |
| Overheveling eerste
aanleg |
–x |
15,4x |
15,7x |
16,1x |
16,1x |
–x |
| Rechtshulp |
–x |
0,7x |
0,7x |
0,7x |
0,7x |
0,7x |
| Overige (incidentele)
kosten |
1,0x |
2,9x |
2,0x |
0,5x |
–x |
–x |
| Totale
meerkosten |
14,6x |
25,8x |
22,4x |
21,3x |
20,8x |
17,7x |
De kosten die zijn verbonden aan
het wegwerken van de voorraden betreffen naast de in het
overzicht genoemde (getotaliseerde) ƒ15,5 miljoen ook die welke
een gevolg zijn van de vertraagde afslanking van de Raad van State, als gevolg waarvan nog eens in totaal 294 formatieplaatsen bij de Raad
kunnen worden ingezet voor het wegwerken van de voorraden.
Hiermee is een bedrag gemoeid van totaal ruim ƒ24 miljoen. Strikt
genomen gaat het derhalve om ƒ39,5 miljoen, die nodig is
voor het oplossen van de voorraadproblematiek.
In het onderstaande overzicht
worden de meerkosten voor de Raad van State
en begrotingshoofdstuk
VI weergegeven [x ƒ1 miljoen, red.]. Tevens zijn de kosten van de
functiewaarderingsoperatie voor de rechterlijke macht, die eveneens uit de grote
efficiency-operatie worden gefinancierd, in het overzicht opgenomen. Bij het
bepalen van de structurele kosten van de eerste fase (exclusief de
verwachte, geringe meerkosten voor de rechtseenheidsvoorziening) is ervan
uitgegaan dat, zoals gezegd, uiteindelijk minimaal 212 formatieplaatsen (en het daarmee corresponderende
bedrag) worden overgeheveld van
de Raad van State naar de rechterlijke organisatie. rblz.|68|
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| I.
Meerkosten eerste fase |
| A.
Raad van State |
| Personeel |
2,52 |
2,94 |
–3,49 |
–10,01 |
–10,51 |
–13,04 |
| Materieel |
0,55 |
0,30 |
–1,22 |
–2,75 |
–2,75 |
–3,31 |
| Subtotaal |
3,08 |
3,24 |
–4,71 |
–12,77 |
–13,27 |
–16,35 |
| B.
Justitie |
| Personeel |
7,29 |
16,34 |
20,91 |
27,57 |
27,57 |
27,57 |
| Materieel |
4,28 |
5,49 |
5,52 |
5,76 |
5,76 |
5,76 |
| Rechtshulp |
– |
0,71 |
0,71 |
0,71 |
0,71 |
0,71 |
| Subtotaal |
11,56 |
22,54 |
27,14 |
34,04 |
34,04 |
34,04 |
| Totaal |
14,64 |
25,79 |
22,43 |
21,27 |
20,77 |
17,69 |
| II.
Functiewaardering |
10,3 |
9,8 |
9,8 |
9,8 |
9,8 |
9,8 |
| Totale kosten l + ll |
24,9 |
35,6 |
32,2 |
31,1 |
30,6 |
27,5 |
| Financiering |
| Extra griffierechten |
– |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
1,7 |
| Grote efficiency |
27,5 |
35,0 |
35,0 |
38,0 |
38,0 |
38,0 |
| Kasverschuiving |
–2,5 |
1,0 |
–2,5 |
4,5 |
4,5 |
– |
| Totaal |
25,0 |
37,7 |
34,2 |
44,2 |
44,2 |
39,7 |
|
| Financieringssaldo |
0,1 |
2,1 |
2,0 |
13,1 |
13,6 |
12,2 |
Het berekende financieringssaldo
is benodigd voor de financiering van de tweede en de derde fase van
de herziening (vanaf 1995), waarvan de kosten thans op structureel ƒ10 miljoen
worden geraamd. Het dan
nog resterende saldo zal worden
aangewend ter financiering van de beoogde herziene
rechtsbeschermingsregeling in de Algemene Bijstandswet c.a., alsmede van
de rechtseenheidsvoorziening. Voorts is ruimte geschapen voor de dekking
van de incidentele kosten die in de tweede fase zullen optreden.
Ter adstructie volgt hier een
overzicht van de samenstelling van de geraamde kosten van de tweede en
de derde fase van de herziening [x ƒ1 miljoen, red.].
| Meerkostenrtweederenrderderfasexxxxxxxxxxxxxxxxx |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
| Integratie
kantongerechten |
– |
– |
4,0 |
4,0 |
4,0 |
| Appelrechtspraak |
– |
– |
2,0 |
2,0 |
2,0 |
| Afronding
herstructurering administratieve rechtspraak |
– |
– |
4,0 |
4,0 |
4,0 |
| Totaal |
– |
– |
10,0 |
10,0 |
10,0 |
De kosten van de eerste
inrichting en de huisvesting van de gerechten zijn in de hiervoor
gepresenteerde cijferopstelling niet betrokken. Voor de rechterlijke organisatie zijn
deze afzonderlijk in beschouwing genomen in het kader van het
project huisvesting justitiële diensten (Kamerstukken II, 21 840).
Indien men de totale verwachte kosten van dit project, die overigens mede
worden bepaald door het wegwerken van reeds bestaande achterstanden op
huisvestingsterrein, afzet tegen het aantal te huisvesten formatieplaatsen, kan worden geconstateerd dat op
investeringsbasis rekening moet
worden gehouden met ongeveer ƒ0,1 miljoen per
formatieplaats. De eerste fase van de herzieningsoperatie rblz.|69|
gaat bij de rechterlijke
organisatie gepaard met een uitbreiding van ongeveer 400 formatieplaatsen.
De in dit onderdeel
gepresenteerde cijfers zijn onder meer gebaseerd op het zaaksaanbod zoals dat
zich in 1989 voordeed bij de Raad van State
en op de verwerkingscapaciteit van de Raad in dat jaar. Het is de bedoeling de voorliggende
resultaten in de loop van 1992, wanneer de cijfers over 1991 uit het
jaarverslag van de Raad van State bekend zijn, te actualiseren. Daarbij zal
tevens rekening worden gehouden met de produktiviteitsontwikkelingen
zoals deze kunnen blijken uit de resultaten van de werkgroep die de optimale
werkwijze van de administratieve kamers in kaart brengt, nieuwe
inzichten in de verwerkingscapaciteit bij de gerechten op basis van de
ervaringen met de werklastmeting en mogelijkerwijze ook de
resultaten van een bij de Raad van State te verrichten onderzoek naar de
overhead in de ambtelijke ondersteuning, waarover thans overleg
plaatsvindt met de Raad. Op die manier kan worden bewerkstelligd dat niet
alleen een actualisering van de zaakscijfers plaatsvindt, maar ook
van het voor de berekeningen gebruikte capaciteitsmodel.
Uit bovenstaande berekeningen
blijkt dat uit de voor het ministerie van Justitie uit de grote
efficiency-operatie ten behoeve van de herziening van de rechterlijke organisatie
aangewezen gelden de financiering van de incidentele kosten (inclusief
het wegwerken van de bij de Raad van State bestaande voorraden) en de
structurele kosten kan geschieden. De uit de grote efficiency-operatie ten
behoeve van de herziening van de rechterlijke organisatie toegewezen
gelden zijn toereikend voor het wegwerken van het zich thans voordoende
capaciteitstekort en bieden - samen met de extra gelden die in het kader
van het asielbeleid aan de Raad van State zijn verstrekt - de
mogelijkheid om de voorraden bij de Raad van State weg te werken. Van de uit
de grote efficiency-operatie beschikbaar komende gelden zal ƒ16 miljoen structureel beschikbaar moeten blijven om de gevolgen van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie te
financieren. Aanvullend op deze gelden zal het nodig zijn dat de verwachte
extra opbrengsten uit het griffierecht als gevolg van de invoering van het
onderhavige wetsvoorstel eveneens voor de herzieningsoperatie
beschikbaar komen. De meeropbrengsten worden geschat op ƒ1,7 miljoen per jaar. De resterende opbrengsten van de grote efficiency-operatie
zullen worden aangewend voor de financiering van de latere onderdelen
van de herziening van de rechterlijke organisatie en van de gevolgen
van de functiewaarderingsoperatie.
Met betrekking tot de
financiering van de herziening rechterlijke organisatie uit de opbrengsten
van deze operatie merken wij voor de goede orde nog het volgende op.
Zelfs indien de grote efficiency-operatie minder zou
opbrengen dan beoogd - daargelaten de omvang daarvan - betekent dat
nog niet dat de financiering van de herziening van de rechterlijke
organisatie in gevaar komt. Ten eerste is van belang dat slechts een zeer
beperkt deel van de opbrengsten uit de grote efficiency-operatie is
bestemd voor de herziening van de rechterlijke organisatie. Ten tweede is
in het kabinet afgesproken dat, als de opbrengsten onverhoopt minder
zouden zijn dan geraamd, de gelden die voor onder meer de herziening
van de rechterlijke organisatie nodig zijn, in het uiterste geval via
generale compensatie beschikbaar komen, zodat slechts een klein deel van de tekorten binnen de begroting van het
ministerie van Justitie moet worden
opgevangen.
rblz.|70|
5.3.
Organisatorische consequenties voor de rechtbanken
De invoering van het onderhavige
wetsvoorstel zal buiten de consequenties voor de Raad van State
(instelling van één Afdeling bestuursrechtspraak met verschillende
taken, met de bijbehorende gevolgen voor de ondersteunende afdelingen)
ingrijpende consequenties hebben voor de werkwijzen binnen de
(administratieve sectoren van de) rechtbanken. Met inachtneming van de door de
Raad van State toegepaste werkmethoden wordt onder meer onderzocht in hoeverre werk door de rechterlijke macht feitelijk kan worden
opgedragen aan het gerechtssecretariaat en werk van het
gerechtssecretariaat aan de administratie. Thans worden voorstellen ontwikkeld met
betrekking tot die werkwijzen. In onderdeel 5.1 werd hierop reeds ingegaan.
In verband met de tijdelijke
werklastverhoging die reorganisatieprocessen met zich kunnen brengen,
dient te worden beklemtoond dat, om de extra werklast als gevolg van
de veranderingen te beperken, ervoor is gekozen om waar mogelijk
veranderingen die de rechterlijke organisatie raken zo in te voeren dat wordt
voorkomen dat ze gelijktijdig op dezelfde onderdelen van de rechterlijke
organisatie betrekking hebben. Zo vindt de - terdege voorbereide en in
termen van structurele extra werklast op basis van de berekeningen van de
commissie-Van Schendel meevallende - invoering van het nieuwe BW
plaats op het moment dat de voorbereidingen voor de herziening van de bestuursrechtspraak plaatsvinden. Wij
wijzen er in dit verband op dat
in de opeenvolgende fasen van de herziening telkens andere
onderdelen van de rechterlijke organisatie zijn betrokken. Deze gefaseerde
aanpak biedt tevens de mogelijkheid de verschillende delen van de
herzieningsoperatie in een relatief kort tijdsbestek door te voeren, zodat de
medewerkers van de desbetreffende onderdelen niet nodeloos lang
worden geconfronteerd met veranderingsprocessen.
Belangrijk is voorts dat met de implementatie van de herzieningsvoorstellen,
ook wat de eerste fase betreft, is gewacht totdat op het niveau van de
arrondissementen voorwaarden zijn gecreëerd die voor een succesvolle
implementatie nodig zijn. Het gaat daarbij om de versterking van het
management op het niveau van het arrondissement, het treffen van
voorzieningen gericht op een optimale verdeling en benutting van de
beschikbare mensen en middelen en waar nodig een uitbreiding van de
capaciteit. Aan dit beleid is en wordt samen met het versterkte lokale
beheersmanagement vormgegeven door het werken met een planning- en
controlsysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van een werklastmetingssysteem,
het verbeteren van de interne organisatie, het ontwikkelen en gebruik maken
van moderne werkwijzen en andere delegatiepatronen, automatisering,
versterking van de ondersteuning en verbetering van de huisvesting van de
gerechten. De uitvoering van het hier geschetste beleid maakt gestage
voortgang en begint haar vruchten af te werpen. Belangrijk in dit verband is
dat het lokale beheersmanagement, onder leiding van de directeur
gerechtelijke ondersteuning, in overeenstemming met de functionele
autoriteiten, zich verantwoordelijk weet voor de implementatie van de
herzieningsvoorstellen, waarbij overigens zo nodig een beroep kan worden
gedaan op het ministerie van Justitie of op externe organisatiedeskundigheid. Inmiddels zijn belangrijke stappen gezet om de
integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken,
die zoals bekend voorafgaat aan de voltooiing van de eerste fase, inderdaad
te kunnen invoeren als het wetsvoorstel - dat gereed is voor mondelinge
behandeling in de Tweede Kamer - het Staatsblad heeft bereikt.
rblz.|71|
Bovendien is en wordt bewerkstelligd dat tijdig over extra personeel kan worden beschikt, terwijl
voorafgaand aan de implementatie ook extra financiële middelen worden verstrekt. Ter voorbereiding op de voorintegratie zijn in de loop van 1991
extra formatieplaatsen en financiële middelen aan de raden van
beroep/Ambtenarengerechten beschikbaar gesteld. In de loop van 1992 zal
dat eveneens gebeuren ter voorbereiding op de voltooiing van de
eerste fase. Per 1 juli 1992 zullen in dat verband 52 formatieplaatsen
extra beschikbaar worden gesteld. Bij dit gegeven dient men bovendien voor
ogen te houden dat de invoering van rechtspraak in twee instanties
niet gepaard gaat met de overdracht van de bij de Raad van State
bestaande voorraden, zodat de zaken op de voor de rechterlijke organisatie
nieuwe rechtsterreinen geleidelijk aanhangig zullen worden gemaakt.
Voorts
wordt bewerkstelligd dat zowel voor het rechtsgeleerd personeel als voor
het gerechtssecretariaat mogelijkheden worden gecreëerd voor scholing en,
indien zij dat wensen, om praktische ervaring op te doen met de behandeling
van Arob-, TwK- en kroonzaken. In overleg met de Stichting Studiecentrum
Rechtspleging wordt ervoor zorg gedragen dat tijdig de benodigde aanvullende
cursussen worden verzorgd. In aanvulling op deze theoretische vorming
worden, in goede samenwerking met de Raad van State, voor de leden van de
rechterlijke macht en medewerkers uit de rechterlijke organisatie de
mogelijkheden verkend om door middel van het volgen van stages bij de Raad
aldaar praktische ervaring op te doen. Op die wijze wordt bewerkstelligd dat
de rechterlijk organisatie in 1993 ook beschikt over eigen personeel dat in
staat is het zich geleidelijk aandienende zaaksaanbod op een nieuw terrein
te behandelen.
Ten
slotte kan erop worden gewezen dat bij de verdere ontwikkeling van het
Gerbera-automatiseringssysteem rekening wordt gehouden met de behandeling
van Arob-, TwK- en kroonzaken, terwijl voor de invoering van dat systeem
tijdelijk extra formatieruimte beschikbaar wordt gesteld voor zogenoemde
invoeringsteams.
Teneinde te bewerkstelligen dat de inbreng van alle betrokken partijen in
iedere fase van het reorganisatieproces verzekerd is, is een
projectstructuur ingesteld waarin voor ieder onderdeel van de uitwerking van
de herzieningsvoorstellen alle betrokken instanties zijn vertegenwoordigd.
Daarnaast is ten behoeve van de Justitieorganisatie een projectteam in het
leven geroepen dat is belast met de coördinatie en de begeleiding van alle
activiteiten die in het kader van de reorganisatie moeten worden verricht.
Tevens draagt het projectteam ervoor zorg dat alle voor de rechterlijke
instanties relevante ontwikkelingen telkens, voor ieder onderdeel van het
herzieningsproces, in samenhang worden beschouwd. Een speciale plaats in dit
geheel neemt de Adviesraad herziening rechterlijke organisatie in. De
adviesraad, die onder voorzitterschap staat van de president van de Hoge
Raad en waarin alle geledingen van de rechterlijke macht en de
Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak zijn vertegenwoordigd en waarin tevens de Raad van State
participeert, heeft tot taak de advisering van de kant van de
rechterlijke autoriteiten over alle met de herzieningsoperatie samenhangende
onderwerpen te coördineren en te integreren.
rblz.|72|
6. Gevolgen voor
het bestuur
De in dit wetsvoorstel
voorgestelde maatregelen hebben verreweg de meest ingrijpende gevolgen voor
de Raad van State en de rechterlijke organisatie zelf. Maar uiteraard
laat het wetsvoorstel ook de bestuurlijke omgeving niet onberoerd. De
vraag die in dit onderdeel in verband hiermee aan de orde komt is of,
en zo ja, in hoeverre extra bestuurslasten aan het nieuwe stelsel
van administratieve rechtspraak zijn verbonden.
Wat de
lasten in bredere zin betreft, merken wij het volgende op. In een
adviesaanvraag van de regering van 20 juni 1991 aan de WRR
[Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, red.] over de
verkorting van besluitvormingsprocedures wordt gewezen op de schadelijke
gevolgen van lange procedures: "Zij leiden tot onnodig hoge
bestuurlijke en maatschappelijke en economische lasten. In de eerste plaats
ontstaat veelal kostbare duplicatie van werkzaamheden, bijvoorbeeld door
besluitvormings- en inspraakprocedures en rechtsbescherming waarin enige
malen in wezen dezelfde bezwaren aan de orde komen. Dit leidt tot lasten
voor de overheid, maar ook voor burgers, bedrijven en andere particuliere
organisaties. Ten tweede worden de aanleg van infrastructuur en de
totstandkoming van bouwwerken, bedrijfsvestigingen en nieuwe economische
activiteiten door de lange besluitvormingsprocedures belemmerd."
Uiteraard dienen bij het ontwerpen van het rechtsbeschermingsstelsel de
effecten op de lengte van het bestuurlijke besluitvormingstraject in de
beschouwing te worden betrokken. Een stelsel dat zou leiden tot verlenging
van de besluitvorming in het algemeen zou heel onaantrekkelijk zijn. Wij
willen er in dit verband op wijzen dat het stelsel van rechtspraak in twee
instanties juist mede is ingegeven door de wens sneller een rechterlijk
oordeel te kunnen verkrijgen. Oogmerk is immers onder meer een einde te
maken aan de overbelasting van de met rechtspraak belaste afdelingen van de Raad van State. Een overbelasting die tot gevolg heeft dat het thans soms
wel heel lang duurt voordat een uitspraak over het geschil ten gronde kan
worden verkregen. Door de verdere doorvoering van het stelsel van
rechtspraak in twee instanties, die tot gevolg heeft dat er een betere
spreiding van het zaaksaanbod is, alsmede dat meer rechters beschikbaar
zijn, zal de uitspraak in eerste instantie sneller beschikbaar zijn dan in
de huidige situatie, waarin door de met rechtspraak belaste afdelingen van
de Raad in eerste en enige instantie recht wordt gesproken. Daardoor neemt
de gemiddelde duur van de besluitvormingsprocedures substantieel af.
Ditzelfde effect wordt overigens al in een eerdere fase van het
besluitvormingsproces bewerkstelligd door de bezwaarschriftprocedure. Wij
verwijzen voor dat punt naar hetgeen daarover in het kader van de eerste
tranche van de Awb
is opgemerkt. Bij dit alles verwachten wij dat het
aantal zaken waarin in hoger beroep wordt doorgeprocedeerd, beperkt zal
zijn. Deze verwachting is onder meer gebaseerd op de appelpercentages in de
takken van rechtspraak waar het stelsel van rechtspraak in twee instanties
reeds geldt. Indien al hoger beroep wordt ingesteld, betekent dat vervolgens
nog niet dat de beslissing in appel moet worden afgewacht alvorens tot
uitvoering van het bestreden besluit kan worden overgegaan. Het appel heeft
immers in beginsel geen schorsende werking. Nu daarenboven de mogelijkheid
van een voorlopige voorziening in appel wordt voorgesteld, zal het
bestuursorgaan in het kader van een dergelijke
voorlopigevoorzieningsprocedure op korte termijn een grote mate van
zekerheid kunnen verkrijgen over de vraag of het besluit in appel in stand
zal blijven. Wij wijzen voorts nog op de mogelijkheid dat de appelrechter
tegelijk met de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening
uitspraak doet in het hoger beroep in het bodemgeschil.
rblz.|73|
Overigens is het wellicht goed
in dit verband eraan te herinneren dat een aantal categorieën van
besluiten voorshands van rechtspraak in twee instanties zal worden uitgezonderd. Een belangrijk criterium hiervoor is
de onzekerheid over de vraag of
bij die categorieën geschillen inderdaad slechts in beperkte mate zal
worden doorgeprocedeerd. Door het uitzonderen van deze geschillen is het
risico dat de introductie van rechtspraak in twee instanties op onderdelen
tot verlenging van de besluitvormingsprocedures zal leiden
aanzienlijk beperkt.
Ten slotte willen wij erop
wijzen dat de tijd die met de rechtsbescherming is gemoeid in hoge
mate volgend is ten opzichte van (de gecompliceerdheid van) de
primaire besluitvorming. Naar de mate waarin het streven naar vereenvoudiging
van de primaire besluitvormingsprocedure succes zal hebben, zal
dit kunnen leiden tot een vermindering van het aantal
rechtsbeschermingsprocedures en van de tijd die met deze procedures is gemoeid.
Wij achten het derhalve
aannemelijk dat het voorliggende wetsvoorstel wat de lasten in
bredere zin betreft eerder zal bijdragen aan een verlichting dan aan een
verzwaring daarvan.
Wij hebben gestreefd naar het
geven van een zo nauwkeurig mogelijk algemeen beeld van de te
verwachten wijzigingen in de bestuurslasten. Wij beschouwen echter het opstellen van een operationeel betrouwbare
kwantitatieve analyse ex ante
van de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel
voor de
bestuurslasten als een vrijwel ondoenlijke opgave. Vooreerst wijzen wij erop dat
het een uitermate ingewikkelde opgave is om een betrouwbare voorspelling
te doen van de ontwikkeling van bestuurslasten louter als gevolg
van het onderhavige wetsvoorstel. Deze ene factor zou dan immers moeten
worden geïsoleerd van andere factoren die van invloed zijn op
het brede scala van bestuurlijke activiteiten. Wijzigingen in de
regelgeving of bij de uitvoering op het niveau van de organisatie (kunnen)
leiden tot (veelal ingrijpende) wijzigingen in bestuurslasten. Bij een
beoordeling van de te verwachten effecten van dit wetsvoorstel is niet exact
na te gaan of het wetsvoorstel daarnaast wellicht ook werkt als een
katalysator of als een remmende factor op het geheel van de bestuurslasten.
Voor zover ons bekend, zijn ter zake nauwelijks onderzoeksgegevens
voorhanden (uitgezonderd de bezwaarschriftprocedure; vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 221,
nrs. 5 en 8 en de bijbehorende rapporten).
Daarenboven is de uitvoeringspraktijk mede bepalend voor de bestuurslasten en kan niet in het algemeen
worden gesteld dat aan de
introductie van een bepaalde nieuwe regel bepaalde van te voren nauwkeurig
aangegeven extra bestuurslasten zijn verbonden. Zo blijkt de
toepassing van een wet door verschillende uitvoeringsorganen afhankelijk
van de wijze van uitvoering door die organen tot uiteenlopende
hoeveelheden klachten en beroepschriften te leiden (vgl. G.S.A. Dijkstra,
Wetgeving en omvang van het gebruik van rechtsbescherming, Deventer,
1991). Voorts is het de vraag of de bestuurlijke omgeving als een
gegeven grootheid moet worden geaccepteerd in de analyse van
mogelijke extra bestuurslasten. Rechtsbeschermingsvoorzieningen kunnen er
immers ook toe leiden dat tekortkomingen aan het licht komen en dat
mogelijkheden worden aangereikt voor verbetering binnen de bestaande
financiële kaders. In situaties waarin thans nog sprake is van een
rechtsbeschermingstekort kunnen de extra lasten wellicht als onevenredig zwaar
worden ervaren, doch de omvang van deze lasten kan niet volledig op
het conto van de onderhavige voorstellen worden geschreven.
rblz.|74|
Wellicht ten overvloede merken
wij nog op dat ook de baten van dit wetsvoorstel in de beschouwingen
dienen te worden betrokken. Niet uit het oog mag worden verloren dat
de verhoogde rechtsbescherming die dit wetsvoorstel althans op
sommige onderdelen biedt, in beginsel alle rechtzoekenden, inclusief
bestuursorganen, in Nederland dient. Noch met een almaar toenemende
werklast bij de Raad van State en alle daarmee verbonden problemen,
noch met een nieuw, onevenwichtig opgebouwd systeem van rechtsbescherming zijn de rechtzoekenden en
de rechtspraktijk gediend.
Uiteraard is bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel rekening
gehouden met gerechtvaardigde belangen van het bestuur. Doch deze
dienen echter niet zodanig overheersend te zijn dat daardoor de vormgeving
van de voorgestelde herziening van de rechterlijke organisatie
ondergeschikt zou worden gemaakt aan bestuurlijke belangen. Het bestuur is
er tenslotte voor de burgers, en niet andersom. Wij wijzen in dit
verband andermaal op het belangrijke effect dat in het nieuwe stelsel onder
meer door de verdere doorvoering van rechtspraak in twee instanties
en door de mogelijkheid van "kortsluiting" tussen voorlopige voorziening en
bodemprocedure gemiddeld genomen sneller uitspraken in eerste
instantie (en vaak ook in tweede instantie) beschikbaar zijn. Daardoor
bestaat sneller rechtszekerheid bij burgers en bestuursorganen en kunnen bijvoorbeeld
projecten eerder in uitvoering worden genomen. Deze voordelen
lenen zich echter niet gemakkelijk voor kwantificering.
De hierboven geplaatste
kanttekeningen impliceren niet dat het onmogelijk is een voorspelling
te doen over de bestuurslasten die bepaalde onderdelen van een
regeling met zich brengen. Afhankelijk van de aard van een bepaalde
maatregel en de bestuurlijke en maatschappelijke context waarin deze moet
worden geïmplementeerd, kunnen meer of minder betrouwbare indicaties
worden gegeven van de effecten waarmee rekening moet worden
gehouden.
Op onderdelen zal voor sommige
bestuursorganen sprake kunnen zijn van een stijging van de
bestuurslasten. Zo zal rechtspraak in twee instanties, waar deze tot nu toe
in één instantie plaatsvond, in die gevallen waarin wordt
doorgeprocedeerd tot hogere bestuurslasten kunnen leiden. Hoe hoog die
lasten zullen zijn, is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de
bewerkelijkheid van het hoger beroep (is sprake van slechts een herhaling van
zetten of is een hernieuwde beoordeling nodig; komt er een zitting of
niet), de mate waarin appellen worden ingetrokken, de vraag of de
burger dan wel het bestuursorgaan in appel gaat, de duur van de totale
rechterlijke procedure en de inschakeling van professionele rechtsbijstand. In
welke categorieën van geschillen meer of minder dan gemiddeld zal worden
doorgeprocedeerd en dus bij welke (onderdelen van de) ministeries
zich exact de, naar onze opvatting overigens beperkte, extra lasten
zullen voordoen, valt niet te voorspellen. Rechtspraak in twee instanties
zoals voorgesteld, betekent ook dat de rechtspraak in eerste aanleg op
negentien verschillende plaatsen in het land zal plaatsvinden. Dat heeft
voor de burger en voor decentrale en gedeconcentreerde
bestuursorganen het voordeel van de betere bereikbaarheid, doch voor
bestuursorganen van de centrale overheid kunnen daaruit extra lasten
voortvloeien. Daar staat tegenover dat een verhoging van de bestuurslasten
onder meer is beperkt doordat nadrukkelijk ten aanzien van bepaalde
geschillen is voorgesteld in deze fase van de herziening van de
rechterlijke organisatie voorshands rechtspraak in één instantie te handhaven.
Ter illustratie geven wij
onderstaand meer in concreto een overzicht van de aantallen Arob-zaken die
in het nieuwe stelsel in eerste aanleg en rblz.|75|
in hoger beroep zullen worden behandeld. Aan de hand daarvan kan ook
een concreter beeld ontstaan van
de extra bestuurslasten ten gevolge van de eerste fase van de
herziening van de rechterlijke organisatie. Deze gegevens zijn ontleend aan
berekeningen die in oktober 1990 zijn opgesteld van de gevolgen van de
eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voor in
het bijzonder de Raad van State en de rechtbanken. Wij vermelden hier
als gezegd de gegevens ten aanzien van de huidige Arob-rechtspraak. Het
gaat daar immers om het grootste aantal geschillen en om de meest
ingrijpende wijziging in het stelsel.
In 1989 werden
20 471
Arob-geschillen aangebracht. In 15 480 zaken ging het om hoofdzaken. Bijna
5000 zaken betroffen verzoeken om schorsing en/of voorlopige
voorziening. Na correctie voor de zeefwerking die - volgens berekeningen
gebaseerd op de huidige praktijk van artikel 11 van de Wet Arob - van de
algeheel verplichte bezwaarschriftprocedure inzake geschillen tegen
de centrale overheid uitgaat, resteren 10 330 zaken die in eerste
aanleg zullen worden behandeld door de administratieve kamers van de rechtbanken en die ook in beginsel in aanmerking komen voor
rechtspraak in twee instanties. Indien rekening wordt gehouden met een
aanzuigende werking van 10%, gaat het om 11 360 zaken. Hierbij is van belang dat slechts ongeveer 40% van de ingekomen hoofdzaken leidt tot
een voor hoger beroep vatbare uitspraak na een behandeling ter
zitting; 30% wordt namelijk buiten zitting afgedaan en ongeveer 30%
wordt ingetrokken of op een andere wijze afgedaan. Op basis van een
appelpercentage van 35% van de voor hoger beroep vatbare uitspraken
betekent dat dat in ongeveer 1550 zaken hoger beroep zal worden
ingesteld. Voor de goede orde zij hierbij aangetekend dat in deze
berekeningen nog geen rekening kon worden gehouden met enerzijds de
voorgestane rechtspraak in één instantie in geschillen op grond van de
Vreemdelingenwet (in 1989 ongeveer 2100 aangebrachte geschillen) en
anderzijds het sinds 1989 gestegen aantal ingekomen zaken (in 1990
ongeveer 2500 extra hoofdzaken).
Uit deze gegevens kunnen voor de
te verwachten extra bestuurslasten de volgende conclusies worden
getrokken.
Anders dan thans zal in 1550
(voormalige Arob-)zaken een hogerberoepsprocedure moeten worden
gevoerd. Daarbij komt dat in een deel van deze gevallen hangende hoger beroep nog een voorlopige
voorziening zal worden gevraagd.
Evenals
thans zijn bestuurslasten verbonden aan behandeling van geschillen in eerste
aanleg. Deze zijn, met één - hierna te bespreken - uitzondering, niet
hoger dan thans. Zoals bekend, zullen, anders dan nu, geschillen niet
geconcentreerd op één plaats in het land worden behandeld, doch verspreid
over negentien rechtbanken. Voor bestuursorganen die niet tot de centrale
overheid behoren, zal dat in die gevallen waarin er een zitting wordt
gehouden tot een besparing (reistijd) leiden. Voor bestuursorganen van de
centrale overheid geldt dat in die gevallen waarin beroepen tegen besluiten
van de Kroon of een minister in eerste aanleg niet meer te 's-Gravenhage
worden behandeld extra bestuurslasten optreden. Zorgen over de omvang
daarvan dienen echter in belangrijke mate te worden gerelativeerd. In totaal
zullen in eerste aanleg ongeveer 5300 zittingen in hoofdzaken (waaronder 550
verzetzaken) worden gehouden en ongeveer 2590
voorlopigevoorzieningszittingen worden gedaan. Er kan van worden uitgegaan
dat de centrale overheid in een derde deel van deze zaken als verweerder zal
optreden. Een deel van de Arob-zaken tegen bestuursorganen van de centrale
overheid bestaat uit beroepen tegen besluiten van gedeconcentreerde
ambtenaren waaraan rblz.|76|
de bevoegdheid tot het nemen van bepaalde besluiten is geattribueerd. In die gevallen treedt voor de centrale overheid juist een
vermindering van die bestuurslasten op, aangezien de desbetreffende
ambtenaren dan veelal dichter bij hun werkplek terecht kunnen dan thans het
geval is. Als wij aannemen dat in ongeveer een derde deel van deze geschillen
sprake is van gedeconcentreerde diensten, betekent dat dat in ongeveer 1750
geschillen meer lasten voor de centrale overheid zullen optreden. Daarbij is
dan nog geen rekening gehouden met de in artikel 8.3.8 [8:86]
van de Awb geregelde
mogelijkheid van kortsluiting tussen voorlopige voorziening en hoofdzaak. De
omvang van deze meerkosten wordt nog verder beperkt, namelijk in de gevallen
waarin het wél gaat om besluiten van de Kroon of een minister. Daarbij zal
door louter demografische oorzaken in 46% van de gevallen sprake zijn van
geen of slechts beperkte extra bestuurslasten. Wij doelen op de gevallen
waarin de appellant woonachtig is in het arrondissement 's-Gravenhage (11%),
onderscheidenlijk in één van de arrondissementen op korte reisafstand van
's-Gravenhage (Dordrecht 2%, Rotterdam 7%, Haarlem 6%,
Amsterdam 11% en Utrecht 9%). Bovendien wijzen wij op de
toenemende tendens tot decentralisatie. Deze zal ertoe kunnen leiden dat in
meer gevallen dan thans besluiten worden genomen door bestuursorganen van de
decentrale overheden. Voorts achten wij het van belang dat de rechtbanken
waar mogelijk de behandeling van zaken die één (onderdeel van een)
bestuursorgaan betreffen zoveel mogelijk voor behandeling op één zitting
plannen. Wij menen dat ook langs die weg praktische oplossingen kunnen
worden getroffen om extra bestuurslasten zo beperkt mogelijk te houden.
Wij
concluderen dat invoering
van rechtspraak in twee instanties met name voor de centrale overheid
meer bestuurslasten met zich zal brengen, doch wij zijn tevens
van oordeel dat deze in het licht van de gevolgen van de eerste fase van
de herziening van de rechterlijke organisatie voor het tot stand komen
van onherroepelijke overheidsbeslissingen niet moeten worden overschat.
Het gaat om beperkte extra lasten, verbonden aan het voeren van
gedingen in hoger beroep en - slechts voor zover het de centrale
overheid (althans de ministeries) betreft - aan het bijwonen van zittingen in
eerste aanleg op negentien verschillende plaatsen in het land.
Naast eventuele bestuurslasten
voortvloeiende uit het stelsel van rechtspraak in twee instanties
is het ook mogelijk dat enige extra bestuurslasten voortvloeien uit
de voorgestelde uitbreiding van de competentie van de
administratieve rechter ten gevolge van de slechting van de negatieve lijst bij de
Wet Arob. Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor beroep bij de
administratieve rechter enigermate worden uitgebreid. Deze
uitbreiding zal tot een zekere stijging van de bestuurslasten leiden. Het
gelijktijdig met de expiratie van de TwK vervallen van de negatieve lijst
is een uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer. Over de omvang van de
stijging kunnen wij thans het volgende vermelden. Door de hernieuwde
vaststelling in 1988 is het aantal beschikkingen waarop de lijst
betrekking heeft belangrijk beperkt. Reeds om die reden zal de stijging van
bestuurslasten beperkt blijven. Bij een nadere beschouwing van de in
1988 overgebleven besluiten is gebleken dat dat inderdaad zo is. Zo
hebben de achttien op de lijst vermelde zogenoemde garantieregelingen
Indische pensioenen betrekking op een qua omvang beperkte populatie.
Bovendien betreft het veelal besluiten waartegen thans al de redelijk
functionerende mogelijkheid van administratief beroep bestaat. De
gevolgen van de schrapping van de op de negatieve lijst vermelde
wetgeving van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen kunnen niet goed
worden getaxeerd. Met betrekking tot r |