St-AB.nl

 

 

 
     
 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

             

 

KAMERSTUKKEN

 

WET  VOLTOOIING  EERSTE  FASE  HERZIENING  RECHTERLIJKE  ORGANISATIE

(Tevens Tweede tranche Awb en herziene Beroepswet)

 

  
 

VOORSTEL VAN WET

rblz.|1| 

Kamerstukken II 1991-1992, 22 495

Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie)

 

Nr.r3 MEMORIE  VAN  TOELICHTING

 

Inhoudsopgave

xAlgemeen
1 Algemene beschouwingen
1.1 Oogmerk en inhoud van het wetsvoorstel
1.2 Opbouw van de memorie van toelichting
1.3 De herziening van de rechterlijke organisatie
1.4 Het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming
1.5 Plaatsbepaling van het wetsvoorstel
1.6 Opbouw van het wetsvoorstel
1.7 Voorbereiding van het wetsvoorstel
2 Uniform bestuursprocesrecht
2.1 Algemeen
2.2 Bestuursrecht en bestuursprocesrecht
2.3 Uitgangspunten voor het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht
2.4 Bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht
2.5 Systematiek van het nieuwe bestuursprocesrecht
2.6 Enkele rechtsvergelijkende opmerkingen
3 Definitieve voorzieningen in kroongeschillen
3.1 Algemeen
3.2 Vervanging van beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve rechter
3.3 Welke administratieve rechter?
3.4 Het vervallen van de mogelijkheid van centrale sturing en de compensatie daarvoor
3.5 Ambtsberichten
3.6 Bevoegdheden TwK-rechter
4 Rechtseenheidsvoorziening
4.1 Algemeen
4.2 Het bereik van de rechtseenheidsvoorziening
4.3 De vormgeving van de rechtseenheidsvoorziening
4.4 Het prejudiciële stelsel
5 Personele, financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van State en de rechterlijke organisatie
5.1 Algemeen
5.2 Personele en financiële consequenties voor de Raad van State en de rechterlijke organisatie
5.3 Organisatorische consequenties voor de rechtbanken
6 Gevolgen voor het bestuur
7 Deregulering
xArtikelsgewijs
2. Algemene wet bestuursrecht
I Voorstel voor een Algemene wet bestuursrecht (artt. 1.1 t/m 8.4.1)
3. Wijziging van rechtstreeks betrokken institutionele en processuele wetten
IIIx Beroepswet (artt. 1 t/m 28)
6. Overgangs- en slotbepalingen (artt. I t/m VII)
 

 

rblz.|8| 

Algemeen

 

1. Algemene beschouwingen


1.1. Oogmerk en inhoud van het wetsvoorstel


     De totstandkoming van de thans voorgestelde wet zal mogen worden beschouwd als een mijlpaal in de ontwikkeling van de rechterlijke organisatie in Nederland in het algemeen en van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in het bijzonder.

     Het wetsvoorstel bevat primair de wettelijke voorzieningen ter voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie:
- het instellen van algemeen bevoegde enkelvoudige en meervoudige administratieve kamers bij de arrondissementsrechtbanken voor het behandelen en beslissen van bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg;
- het invoeren van administratieve rechtspraak in twee instanties voor een groot aantal bestuursrechtelijke zaken die thans nog in één instantie bij de Raad van State worden behandeld en beslist;
- het treffen van definitieve voorzieningen in kroongeschillen;
- het opnemen in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van een algemene regeling van het bestuursprocesrecht;
- het treffen van een voorlopige voorziening binnen de rechtspraak ter verwezenlijking van eenheid in de toepassing van het recht binnen de bestuursrechtspraak en tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak.

     Het wetsvoorstel bevat tevens de wijziging van een aantal wetten ter aanpassing aan het voorstel voor een Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II, 21 221), de zogenoemde eerste tranche van de Awb. Het gaat daarbij om die wetten of onderdelen van wetten die, in verband met de samenhang met het onderhavige wetsvoorstel, niet zijn aangepast in het kader van het voorstel voor een Aanpassingswet Awb (Kamerstukken II, 22 061) en de daarop aansluitende aanpassingswetten.

 

1.2. Opbouw van de memorie van toelichting


     De memorie van toelichting bestaat uit een algemeen deel en de artikelsgewijze toelichting. Het algemeen deel omvat zeven onderdelen. Na de algemene beschouwingen (1) wordt wat uitgebreider aandacht besteed aan drie belangrijke elementen van het wetsvoorstel: het uniform bestuursprocesrecht (2), de definitieve voorzieningen in kroongeschillen (3) en de rechtseenheidsvoorziening (4). Daarna wordt aandacht besteed aan de personele, financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van State en de rechterlijke organisatie (5) en aan de gevolgen voor het bestuur (6). Onderdeel 7 ten slotte bevat de dereguleringsparagraaf. De artikelsgewijze toelichting bevat op een belangrijk aantal plaatsen uitwerkingen van in het algemeen deel globaal aangeduide punten, meestal door middel van een algemene toelichting op een afgerond deel van het wetsvoorstel.

 

1.3. De herziening van de rechterlijke organisatie


1.3.1. Algemeen

     In het op 29 juni 1989 onder de titel "Naar een nieuwe structuur van de rechterlijke organisatie" aan de Tweede Kamer aangeboden standpunt over het Eindrapport van de Staatscommissie Herziening rblz.|9| Rechterlijke Organisatie (deel I) (Kamerstukken II 1988-1989, 21 206, nr. 2) en het op 2 maart 1989 aan de Tweede Kamer aangeboden standpunt over de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties (Kamerstukken II 1988-1989, 21 048, nr. 2) heeft het vorige kabinet zijn beleidsvoornemens betreffende de herziening van de rechterlijke organisatie neergelegd. Dat kabinet had de intentie met de Tweede Kamer ten gronde van gedachten te wisselen over deze beide nota's. Door de val van dat kabinet heeft een dergelijke gedachtenwisseling niet meer kunnen plaatsvinden. Het nieuwe kabinet was aanvankelijk voornemens met een vervolgnota op de twee eerdere nota's te komen. Bij nadere overweging is er echter voor gekozen geen definitieve beleidsvoornemens te ontwikkelen voor de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie. Daardoor ontviel ook de grond aan een vervolgnota. In plaats daarvan is gekozen voor een aanpak waarin de discussie met de Staten-Generaal over de herziening van de rechterlijke organisatie wordt gevoerd aan de hand van de respectieve concrete wetsvoorstellen. Bij brief van 22 juni 1990 (Kamerstukken II 1989-1990, 21 048/21 206, nr. 3) is de Tweede Kamer hiervan op de hoogte gesteld. Een dergelijke keuze is alleen dan uit een oogpunt van behoorlijke en zorgvuldige regelgeving aanvaardbaar als is verzekerd dat de wetgever bij de behandeling van die wetsvoorstellen telkens in staat is om de reikwijdte en de draagwijdte van de te nemen beslissingen te overzien. Dit uitgangspunt impliceert dat de wetgever bij het tot stand brengen van een bepaalde fase niet kan preluderen op legislatieve beslissingen met betrekking tot de volgende fasen. Dat neemt niet weg dat het voor een goede beoordeling van elk afzonderlijk wetsvoorstel gewenst is dat duidelijk is welke doelstellingen met de herziening van de rechterlijke organisatie als geheel worden nagestreefd en welke concepties daaraan ten grondslag liggen. Zo kan immers de zelfstandige betekenis van elk afzonderlijk wetsvoorstel mede worden beoordeeld in het perspectief van de herziening van de rechterlijke organisatie als geheel.

     Het wetgevingsproces ten aanzien van de herziening van de rechterlijke organisatie voldoet naar ons oordeel aan de uit het hiervoor geformuleerde uitgangspunt voortvloeiende normen. In de memorie van toelichting, de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het eindverslag bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Ambtenarenwet 1929, de Beroepswet en enkele andere wetten (integratie raden van beroep/Ambtenarengerechten en arrondissementsrechtbanken; vereenvoudiging regelingen vorming en bezetting kamers) (Kamerstukken II, 21 967) - het zogenoemde wetsvoorstel voorintegratie - is immers ten gronde ingegaan op de doelstellingen en de beleidsvoornemens van dit kabinet met betrekking tot de herziening van de rechterlijke organisatie als geheel en de daaraan ten grondslag liggende concepties. Bij die gelegenheid zijn voor de eerste fase definitieve en volledig geconcretiseerde beleidsvoornemens gepresenteerd en is uitgebreid ingegaan op de realisatiemogelijkheden daarvan. Voor de tweede fase zijn definitieve maar nog niet volledig geconcretiseerde beleidsvoornemens geformuleerd. Voor de derde fase is volstaan met het aangeven van de onderwerpen waarover in die fase besluitvorming moet plaatsvinden en van mogelijke oplossingsrichtingen. Voorts is in het kader van het wetsvoorstel voorintegratie een uiteenzetting gegeven van het tijdschema en het wetgevingstraject. Daarbij is tevens duidelijk gemaakt dat de wetsvoorstellen die samen leiden tot het tot stand brengen van de eerste fase een onlosmakelijk geheel vormen. De wetgever kiest immers bij aanvaarding van het wetsvoorstel voorintegratie tevens voor aanvaarding van in elk geval de conceptie van integratie van de civiele rblz.|10| rechtspraak, de strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak aan de basis van de rechterlijke organisatie en, mede in verband daarmee, van de hoofdregel van rechtspraak in twee feitelijke instanties ook in bestuursrechtelijke zaken. Tegelijkertijd is duidelijk gemaakt dat aanvaarding van de wetsvoorstellen voor de eerste fase niet impliceert aanvaarding van de beleidsvoornemens voor de tweede fase, noch vooruitlopen op de beleidsvoornemens voor de derde fase. Die komen pas aan de orde bij de parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen die moeten leiden tot het tot stand brengen van die tweede en die derde fase.

     Met het tot stand brengen van een nieuwe structuur van de rechterlijke organisatie worden drie doelstellingen nagestreefd:
- het scheppen van voorwaarden voor het verbeteren onderscheidenlijk het in stand houden van de juridische kwaliteit en het gehalte van de rechtspraak. Dit kan worden bereikt door het treffen van voorzieningen die zijn gericht op de totstandkoming van eenheid van recht en rechtspraak, door een zodanige inrichting van de rechterlijke organisatie dat, in de regel, de mogelijkheid bestaat om een in eerste instantie gegeven rechterlijk oordeel in volle omvang in hoger beroep te laten toetsen en door waar nodig te voorzien in concentratie van rechtsmacht;
- het scheppen van voorwaarden voor het verbeteren van de cliëntgerichtheid van de rechtspleging. Daartoe dient allereerst de rechterlijke organisatie toegankelijker en doorzichtiger te worden. Dat kan worden verwezenlijkt door een heldere, eenvoudige structuur van de rechterlijke organisatie, door een goede bereikbaarheid van de rechter in eerste aanleg en door een lage drempel bij de toegang tot de rechter. Ten tweede moeten rechterlijke uitspraken sneller beschikbaar komen. Behalve invoering van rechtspraak in twee instanties voor zaken die thans nog in één instantie worden behandeld en beslist, kunnen, naast uiteraard een doeltreffende en doelmatige bedrijfsvoering, processuele voorzieningen daaraan bijdragen;
- het scheppen van evenwicht in de structuur van de rechterlijke organisatie. Daartoe dient de inzet van mensen en middelen binnen de rechterlijke organisatie zodanig te worden gericht dat elke zaak kan worden behandeld en beslist op een wijze die is toegesneden op haar aard en zwaarte. In het kader van het wetsvoorstel voorintegratie is hierop uitgebreid ingegaan.


1.3.2. Fasering

     De herziening van de rechterlijke organisatie zal in drie fasen tot stand worden gebracht. Zij wordt daarbij niet als één grote, ondeelbare operatie gepresenteerd. Hiervoor zijn wij al ingegaan op de keuze voor een gefaseerde aanpak van de herziening van de rechterlijke organisatie en de vormgeving van de politieke besluitvorming daarover. Daarbij is erop gewezen dat aan de operatie als geheel uiteraard bepaalde, samenhangende concepties ten grondslag liggen. Daaruit volgt dat de drie fasen met elkaar samenhangen. Daaruit volgt echter niet dat aanvaarding van een eerdere fase rechtstreeks impliceert aanvaarding van of vooruitlopen op één of meer latere fasen. In die zin is geen sprake van een ondeelbare operatie.

     In de memorie van toelichting, de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het eindverslag bij het wetsvoorstel voorintegratie is ingegaan op de inhoudelijke relatie tussen de drie fasen. Die relatie heeft gevolgen voor de opeenvolging van en de tijdsruimte tussen die fasen.

     De eerste fase behelst enkele belangrijke stappen op de weg naar de herstructurering van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming.
    
rblz.|11| Zij leidt tot de integratie van de rechtspraak in eerste aanleg in socialezekerheidszaken, ambtenarenzaken, Arob-zaken en een deel van de geschillen op grond van de Tijdelijke wet Kroongeschillen (TwK) en de kroongeschillen binnen de rechtbanken, door middel van het opdragen van de rechtsmacht in die zaken aan de nieuw in te stellen administratieve kamers bij de rechtbanken. De rechtsmacht in hoger beroep in socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken blijft in deze fase opgedragen aan de Centrale Raad van Beroep, terwijl de rechtsmacht in hoger beroep in Arob- en TwK- en kroongeschillen in deze fase wordt opgedragen aan de nieuw te vormen Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De toedeling van rechtsmacht in die zaken die in eerste en enige feitelijke instantie door de Centrale Raad van Beroep worden behandeld, zal thans nagenoeg geen wijziging ondergaan. Een deel van de TwK- en kroongeschillen zal voorshands in eerste en enige feitelijke instantie worden behandeld door de Afdeling bestuursrechtspraak.

     De administratieve kamers van de rechtbanken, de Afdeling bestuursrechtspraak, de Centrale Raad van Beroep en ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven en het College van beroep studiefinanciering zullen rechtspreken volgens een nieuw, uniform bestuursprocesrecht, opgenomen in hoofdstuk 8 van de Awb.

     Ten slotte zal een - in afwachting van een definitieve voorziening in de derde fase voorlopige - voorziening binnen de rechtspraak worden getroffen ter verwezenlijking van eenheid in de toepassing van het recht binnen de bestuursrechtspraak en tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak.

     De tweede fase omvat de integratie van de kantongerechten en de rechtbanken en een definitieve regeling van het hoger beroep in civiele zaken en strafzaken.

     De derde en laatste fase omvat allereerst de voltooiing van de herstructurering van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Het gaat daarbij om de integratie van de resterende administratieve rechtspraak in eerste aanleg, een definitieve oplossing van het vraagstuk van één of twee feitelijke instanties voor de berechting van de verschillende categorieën administratieve zaken, de definitieve onderbrenging van de rechtspraak in tweede feitelijke instantie en een definitieve rechtseenheidsvoorziening binnen de rechtspraak. In de derde fase zal tevens de herziening van de toegang tot de cassatieprocedure aan de orde komen.


1.3.3. Implementatie

     De eerste fase vangt zoals bekend aan met de integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken. De beoogde datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstel voorintegratie is 1 juli 1992, nadat aanvankelijk was gemikt op 1 januari 1992. Voor de voltooiing van de eerste fase gingen de gedachten aanvankelijk uit naar 1 januari 1993. Het vasthouden aan die datum is echter niet langer reëel. Voor het vaststellen van een nieuwe datum moet rekening worden gehouden met een aantal factoren.

     Wij stellen de dringende wenselijkheid voorop van gelijktijdige inwerkingtreding van de vijf onderdelen van het onderhavige wetsvoorstel. rblz.|12| Omwille van de beperking van de implementatieproblematiek, met name bij de Raad van State, en ter beperking van de belasting van het wetgevingstraject, is het nodig de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties en het treffen van definitieve voorzieningen in kroongeschillen, en daarmee het instellen van algemeen bevoegde administratieve kamers bij de rechtbanken, op hetzelfde tijdstip te laten plaatsvinden. De invoering van een uniform bestuursprocesrecht kan vervolgens daarvan weer niet worden los gezien. Uitstel daarvan zou betekenen dat de rechtbanken gedurende een zekere tijd met drie verschillende regelingen van bestuursprocesrecht zouden moeten werken, waarvan er één voor de rechtbanken geheel nieuw zou zijn. Verder zou voor een zekere tijd een nieuw appelprocesrecht voor de Afdeling bestuursrechtspraak moeten worden ontworpen. Voor de voormalige TwK- en kroongeschillen die in deze fase in eerste en enige instantie door de Afdeling bestuursrechtspraak worden behandeld, zou eveneens voor een zekere tijd een nieuw procesrecht gelden. Deze consequenties zijn niet aanvaardbaar. Het tot stand brengen van een, voorlopige, rechtseenheidsvoorziening ten slotte is weer nauw verbonden met, onder meer, de invoering van een uniform bestuursprocesrecht. In dit verband is ook aandacht nodig voor de eerste tranche van de Awb. Gelet op de, inhoudelijke en wetgevingstechnische, samenhang tussen de hoofdstukken 1, 6 en 7 van dat wetsvoorstel en het uniforme bestuursprocesrecht, alsook op de onwenselijkheid van het in korte tijd twee keer moeten wijzigen van de bestaande regelingen van bestuursprocesrecht, is het gewenst dat de eerste tranche van de Awb op hetzelfde tijdstip in werking treedt als het onderhavige wetsvoorstel.

     Verder stellen wij andermaal vast dat het van groot belang is dat de voltooiing van de eerste fase zo spoedig mogelijk haar beslag krijgt. De, ook door de Raad van State bepleite, noodzaak om te komen tot de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties en de dringend noodzakelijke aanpak van het steeds nijpender wordende probleem van de werkvoorraden bij de Raad van State dwingen hier reeds toe. Voorts speelt het expireren van de TwK een belangrijke rol. Weliswaar is een beperkte verlenging van de werkingsduur niet onaanvaardbaar (zie hierna), een dergelijke verlenging moet echter, om tegemoet te komen aan de in de TwK uitgedrukte wil van de wetgever, zo beperkt mogelijk zijn. Verder wordt de personele, organisatorische en financiële problematiek verergerd naarmate de inwerkingtreding verder naar achteren verschuift.

     Anderzijds is daar het vereiste van een maximale voorspelbaarheid, beheersbaarheid en zorgvuldigheid van het wetgevingstraject en het implementatietraject. Daaruit volgt onder meer dat bij het vaststellen van een nieuwe datum zekerheid moet bestaan over de haalbaarheid daarvan dat de beoogde datum van inwerkingtreding ruim van tevoren vaststaat en dat tussen de plaatsing in het Staatsblad van de wet, althans tussen het moment waarop de tekst van de wet vaststaat, en de inwerkingtreding een periode van gewenning wordt ingebouwd, een periode die overigens in dit geval beperkt kan blijven.

     Gelet op de hiervoor besproken factoren en op de fase waarin het onderhavige wetsvoorstel én de eerste tranche van de Awb thans verkeren, achten wij het gewenst de inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen te laten plaatsvinden per 1 juli 1993, althans niet later dan per 1 januari 1994. Wij stellen ons voor na de indiening van dit wetsvoorstel met de Staten-Generaal te komen tot afspraken over de wijze en het tijdstip van behandeling, opdat aan de implementatie gestalte kan worden gegeven, rekening houdend met een nieuwe beoogde datum van inwerkingtreding.

     rblz.|13| Uit het voorgaande volgt dat per 1 januari 1993 een wettelijke regeling in werking zal moeten treden die voorziet in de gevolgen van het vervallen van de TwK. Nu wordt voorgesteld het onderhavige wetsvoorstel op een later tijdstip in werking te doen treden, is het nodig een tussentijdse voorziening te treffen. Daar wij van oordeel zijn dat het vanwege de nauwe samenhang tussen de in dit wetsvoorstel geregelde onderwerpen en vanwege de noodzaak het wetgevingstraject niet onnodig te belasten, niet wenselijk is over te gaan tot een verdere fasering van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie, zal op korte termijn een wetsvoorstel in procedure worden gebracht dat ertoe strekt de werkingsduur van de TwK te verlengen.

     In de eerste fase wordt een zeer belangrijk deel van de bestuursrechtspraak in eerste aanleg geïntegreerd. Tegelijkertijd wordt de geïntegreerde bestuursrechtspraak in eerste aanleg geïntegreerd met een belangrijk deel van de civiele en de strafrechtspraak in eerste aanleg. Het complement daarvan vormt de voltooiing van de integratie van de civiele en de strafrechtspraak in eerste aanleg, ofwel de integratie van de kantongerechten en de rechtbanken. Daarmee wordt tevens opnieuw een, in belang en omvang groeiend, onderdeel van de bestuursrechtspraak in eerste aanleg, namelijk de rechtspraak op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, bij de rechtbanken ondergebracht. Enerzijds is het voor een goede implementatie van de tweede fase van belang dat er een behoorlijke tijdsruimte tussen de voltooiing van de eerste fase en de tweede fase zit. Anderzijds is het voor de continuïteit van de herziening als geheel, alsook in verband met de wenselijkheid van een spoedige stroomlijning van het burgerlijk procesrecht binnen de rechtbank, van belang dat die tijdsruimte zo beperkt mogelijk is. Op basis van een analyse van het wetgevingstraject en het implementatietraject voor de tweede fase heeft een tijdsruimte van ongeveer twee jaar de voorkeur.

     De derde fase is minder urgent dan de eerste en de tweede fase. Dat gegeven maakt het mogelijk voldoende tijd te besteden aan het formuleren van beleidsvoornemens voor die derde fase. Het is denkbaar dat in de derde fase een nadere fasering wordt aangebracht. In ieder geval gaan de gedachten uit naar een tijdsruimte van ongeveer drie jaar tussen de tweede fase en de (kern van de) derde fase.

     Natuurlijk is het altijd mogelijk dat zich bij de verwezenlijking van de verschillende fasen en onderdelen van fasen in de toekomst onvoorziene ontwikkelingen en knelpunten voordoen. De gekozen fasering laat toe in dergelijke onverhoopte gevallen de planning tussentijds bij te stellen.

     Wij hebben bij het formuleren van de beleidsvoornemens en bij de vormgeving van de fasering nadrukkelijk stilgestaan bij het feit dat de herzieningsoperatie moet worden doorgevoerd terwijl de rechtspleging adequaat voortgang moet vinden, en dat ook nog in een situatie waarin de werklast voor de rechterlijke organisatie groot is en waarin op onderdelen sprake is van, soms structurele, achterstanden. Het staat vast dat die werklast zonder het nemen van een scala van maatregelen niet minder zal worden en dat het voorkomen van structurele achterstanden niet mogelijk is zonder het nemen van structurele maatregelen. Eén van die maatregelen is de herziening van de rechterlijke organisatie. Immers, voor de werklastproblematiek kan geen oplossing worden gevonden in het inlopen van achterstanden alleen. Het zou daarom zeer te betreuren zijn indien van het bestaan van achterstanden het verlammende effect zou uitgaan dat noodzakelijke en wenselijke maatregelen tot verbetering rblz.|14| van de structuur van de rechterlijke organisatie niet op korte, althans binnen afzienbare termijn zouden kunnen worden genomen. Gevreesd zou dan moeten worden voor het ontstaan van een situatie waarin telkens opnieuw door middel van extra arbeidsplaatsen een - wellicht later ook weer tijdelijk blijkende - oplossing moet worden gevonden voor knelpunten, zonder dat uitzicht op een structurele oplossing wordt geboden.

     Dat is met name het geval in de situatie waarop het onderhavige wetsvoorstel betrekking heeft. In het kabinetsstandpunt over de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties is uitgebreid ingegaan op de problematische gevolgen van het groeiende zaaksaanbod bij vooral de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Voor de nog steeds oplopende achterstand in de zaaksbehandeling, die zich onder meer uit in voor het bestuur en voor de burger uitermate lange doorlooptijden en die een gevolg is van het groeiende beroep van de burger op de administratieve rechter en van de structurele onmogelijkheid voor de Afdeling rechtspraak om de aanhangig gemaakte zaken binnen aanvaardbare termijnen te behandelen, heeft de Raad van State, onder meer in zijn jaarverslagen, al gedurende enige jaren met klem aandacht gevraagd. De Raad heeft in dat verband meermalen een snelle besluitvorming over de invoering van een stelsel van Arob-rechtspraak in twee instanties bepleit. Door de invoering van een eerste instantie, ook waar het een deel van de huidige TwK- en kroongeschillen betreft, zal het zaaksaanbod bij de Raad weer een zodanige omvang kunnen aannemen dat hij in staat zal zijn de zaken binnen aanvaardbare termijnen af te doen, terwijl tegelijkertijd meer tijd kan worden vrijgemaakt voor de advisering over zaken van wetgeving. Deze taak lijkt thans in het gedrang te komen door de rechtsprekende taken van de Raad. Bovendien kan alleen op die wijze worden tegemoetgekomen aan de wens van de regering en de Raad om, onder meer met het oog op het waarborgen van de rechtseenheid op de aan de Raad toevertrouwde rechtsgebieden, de omvang van het aantal staatsraden beperkt te houden. Omdat tussentijdse door de Raad getroffen maatregelen geen structurele oplossing hebben kunnen bieden, heeft de invoering van het onderhavige wetsvoorstel in geen enkel opzicht aan urgentie ingeboet.

     Is er gezien de werklastproblematiek bij de Raad van State dus alle reden om zo snel mogelijk te komen tot de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel, niettemin moet zorgvuldig worden bezien of de rechterlijke organisatie in staat zal zijn in een betrekkelijk kort tijdsbestek de doorvoering van de eerste fase van de herzieningsoperatie te verwerken. Wij beschouwen de noodzaak om niet te wachten met het bereiken van een oplossing van de problematiek bij de Raad van State tot het moment waarop bij alle andere rechtsprekende colleges de achterstanden zijn weggewerkt, als een complicerende factor voor het reorganisatieproces. Om dit proces toch in goede banen te kunnen leiden en om te bereiken dat de reorganisatie in een relatief korte periode kan worden doorgevoerd, is een beleid geïnitieerd, gericht op het zodanig equiperen van de rechterlijke organisatie dat zij de extra inspanning kan leveren die nodig is voor het doorvoeren van het reorganisatieproces. Deze basis is gelegd door het versterken van de infrastructuur van de organisatie (vooral door de substantiële uitbreiding van het decentrale beheer, gekoppeld aan de benoeming van een directeur gerechtelijke ondersteuning in elk arrondissement), door uitbreiding van het aantal formatieplaatsen en door de automatisering, terwijl ook maatregelen zijn genomen ter beperking van het zaaksaanbod. Daarnaast zijn in het reorganisatieproces zelf voorzieningen getroffen. Ten eerste wijzen wij op de welbewust aangebrachte fasering. Bij de vormgeving van die rblz.|15| fasering is mede gelet op andere factoren die tijdelijk werklastverhogend werken. Een goed voorbeeld daarvan vormen de invoering per 1 januari 1992 van belangrijke delen van het nieuwe Burgerlijk Wetboek en de invoering van de nieuwe civiele kantongerechtsprocedure, eveneens per 1 januari 1992. Deze drukken vooral op de civiele sectoren, terwijl de eerste fase van de herziening vooral drukt op de administratieve sectoren. Ten tweede wijzen wij op de begeleidingsstructuur en de projectorganisatie die zijn opgezet. Daarop is in het kader van het wetsvoorstel voorintegratie uitgebreid ingegaan.

     Het is onvermijdelijk zo dat de herziening van de rechterlijke organisatie een extra beroep zal doen op de spankracht van degenen die binnen en ten behoeve van de rechterlijke organisatie werkzaam zijn. In die zin komt elk tijdstip ongelegen. Er zijn echter afdoende maatregelen genomen om hieraan tegemoet te komen.

 

1.4. Het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming


1.4.1. Historische achtergronden

     Het bestaande stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming is niet de vrucht van een bewuste organisatorische keuze op een zeker moment. Het is eerder het resultaat van uiteenlopende rechtspolitieke en maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij is van belang dat de vormgeving van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming weliswaar een eigen weg is gegaan, maar toch niet geheel kan worden los gezien van de ontwikkeling van de "gewone" rechterlijke organisatie. Het is mogelijk noch nodig hier in extenso op de historie in te gaan. Wel is het van belang kort en in grote hoofdlijnen aan te geven welke tendensen bepalend zijn geweest voor de huidige situatie. Zo ontstaat ook een beter zicht op de hierna te bespreken knelpunten.

     De organisatie van de "gewone" rechtspraak in het gecentraliseerde model zoals Nederland dit thans kent, gaat terug tot de Staatsregeling van 1798. Die kende op gemeentelijk niveau vrederechters voor burgerlijke zaken, op departementaal niveau rechtbanken voor burgerlijke zaken en gerechtshoven voor strafzaken en hoger beroep in burgerlijke zaken, en ten slotte op nationaal niveau het Hoog Nationaal Gerechtshof, dat in het bijzonder voor ambtsdelicten bevoegd was. De Grondwet van 1815 bevatte een regeling inzake een opperste gerechtshof onder de naam Hoge Raad der Nederlanden, alsmede provinciale gerechtshoven, civiele rechtbanken, criminele rechtbanken en kantongerechten. Bij de uiteindelijke regeling van de rechterlijke organisatie in 1838 werd vastgehouden aan de sinds 1798 tot ontwikkeling gekomen rechterlijke instellingen, waarbij de civiele en de criminele rechtbanken echter werden samengevoegd in de arrondissementsrechtbanken.

     Thans kent Nederland 62 kantongerechten, negentien arrondissementsrechtbanken, vijf gerechtshoven en de Hoge Raad der Nederlanden. Overigens zijn in deze op zichzelf heldere en eenvoudige opbouw in de loop der tijd verbijzonderingen aangebracht. Zo is de taakverdeling tussen de kantongerechten en de rechtbanken met name in civiele zaken allang niet meer gebaseerd op het onderscheid lichte en eenvoudige versus zware en moeilijke zaken. Ook zijn binnen de gerechten specialisaties ontstaan (zoals de kinderrechter en de economische strafrechter) en heeft in bepaalde gevallen concentratie van rechtsmacht plaatsgevonden (zoals bij de pachtkamer van het gerechtshof te Arnhem en de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam).

     rblz.|16| De "gewone" rechterlijke organisatie is een toonbeeld van helderheid en eenvoud vergeleken met het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. De Nederlandse wetgever is er namelijk nimmer in geslaagd een systematisch bepaalde keuze te maken voor de vormgeving van een dergelijk stelsel. In de afgelopen twee eeuwen hebben naast, na en door elkaar de volgende factoren de ontwikkelingen bepaald.

     Onder invloed van de suprematie van de wet en de conceptie van het bestuur als - exclusieve - uitvoerder van die wet ten tijde van de Staatsregeling van 1798 vestigde zich al vroeg de opvatting dat bestuursrechtelijke geschillen per definitie door het bestuur zelf moeten worden beslecht en niet door een rechter. Het ging immers om geschillen over de uitvoering en de uitleg van daden van wetgeving, die in de toenmalige visie per definitie geen aanleiding kunnen geven tot rechtsgeschillen, maar slechts tot beleidsgeschillen. Zo bezien was daarvoor anders dan in civiele en strafzaken dus geen rechter nodig en diende de uitvoerende macht de bevoegdheid tot het beslechten van bestuursrechtelijke geschillen aan zich te houden, waar de Grondwet deze in civiele en strafzaken aan de rechter had opgedragen. Het antwoord op de vraag administratie of rechter is voor zeer velen dan ook gedurende zeer lange tijd zeer gedecideerd geweest: de administratie. De onderbouwing van dit gelijkluidende antwoord is echter in de loop der tijd veranderd. In het midden van de negentiende eeuw groeide het inzicht dat bestuursrechtelijke geschillen (mede) rechtsgeschillen (kunnen) zijn. Men achtte die rechtsgeschillen echter van een dusdanig bijzonder karakter dat deze niet door de "gewone" rechter, maar door organen binnen de administratie moesten worden beslist. In deze context is, in 1861, het kroonberoep tot stand gekomen als een vorm van bestuursrechtelijke geschillenbeslechting door een bestuursorgaan, zij het door middel van een met bijzondere waarborgen omgeven procedure. In het eerste kwart van de twintigste eeuw is, vooral onder invloed van Struycken, de argumentatie voor de keuze voor de administratie veranderd. Het wetsargument van het begin van de negentiende eeuw werd verdrongen door het democratieargument: democratisch gelegitimeerde en gecontroleerde bestuursorganen kunnen en mogen in die visie niet ondergeschikt worden gemaakt aan een onafhankelijke en dus niet democratisch gelegitimeerde rechter. De rechter zou dan immers in de plaats treden van het bestuur, en daartoe is hij niet geroepen. De keuze voor de administratie werd voorts ingegeven door de overweging dat het mogelijk moest zijn, gegeven de steeds verder gaande discretionaire bevoegdheid van het bestuur, ook tot regelgeving, niet alleen de rechtmatigheid, maar ook de doelmatigheid van het bestuurshandelen te toetsen.

     Onder de voorstanders van rechterlijke geschillenbeslechting werd gestreden over de vraag of naar één algemeen bevoegde administratieve rechter moest worden gestreefd of naar gespecialiseerde administratieve rechters. En onder de voorstanders van de eerste optie werd weer gedisputeerd over de vraag of die algemeen bevoegde rechter de "gewone" rechter moest zijn dan wel een specifiek administratief rechtscollege. Deze verdeeldheid is, naast de langdurige tegenstand tegen welke vorm van administratieve rechtspraak ook, één van de belangrijkste oorzaken geweest van het feit dat de administratieve rechtspraak hier zo laat en dan nog zo onsystematisch en verbrokkeld tot ontwikkeling is gekomen.

     Pas nadat het kroonberoep was ingevoerd, werden, vooral door toedoen van Buys, stappen gezet in de richting van de introductie van (algemene) administratieve rechtspraak, nadat eerdere, schuchtere pogingen in het kader van de grondwetsherziening van 1848 op niets rblz.|17| waren uitgelopen. Het verzet van de tegenstanders van administratieve rechtspraak leidde bij de grondwetsherziening van 1887 tot een compromis: de wet kon, zo bepaalde het nieuwe artikel 154 [oud, red.] van de Grondwet, de beslissing van geschillen die niet tot de exclusieve bevoegdheid van de burgerlijke rechter behoren, opdragen aan "hetzij de gewone rechter, hetzij aan een college met administratieve rechtspraak belast". De wetgever kon nu dus kiezen voor het wel of niet openen van de mogelijkheid van bestuursrechtelijke rechtsbescherming anders dan door de burgerlijke rechter, vervolgens tussen administratief beroep en administratieve rechtspraak en ten slotte tussen opdracht van rechtsmacht aan de "gewone" rechter als administratieve rechter of aan een specifiek administratief rechtscollege. Op basis van artikel 154 van de Grondwet 1887 (thans artikel 112, tweede lid) zijn gedurende vele tientallen jaren pogingen ondernomen om te komen tot een algemeen bevoegde dan wel een algemeen aanvullende administratieve rechter. Achtereenvolgens leden schipbreuk de voorstellen van de staatscommissie-Kappeyne van de Coppello in 1894, de wetsvoorstellen van minister Loeff van 1905 en de voorstellen van de commissie-Koolen in 1931. Pas in 1963 zou, op basis van de voorstellen van de commissie-De Monchy van 1950, de Wet beroep administratieve beschikkingen (Wet Bab) tot stand komen. Daarin werd de Kroon tot algemeen aanvullende administratieve "rechter" gemaakt, met als opdracht de rechtmatigheidstoetsing (derhalve mede aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) van beschikkingen van organen van de centrale overheid. Deze stap is, via het rapport van de commissie-Wiarda van 1967, uiteindelijk gevolgd door de invoering van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Wet Arob) per 1 juli 1976. Daarin werd de Afdeling rechtspraak van de Raad van State als algemeen aanvullende administratieve rechter aangemerkt, overigens met de nodige beperkingen.

     Een derde belangrijke tendens, samenhangend met de vorige, is de neiging om voor afzonderlijke rechts- en beleidsterreinen afzonderlijke, gespecialiseerde administratieve rechters aan te wijzen. Lang voordat er gediscussieerd werd over algemene of algemeen aanvullende administratieve rechtspraak, waren reeds gespecialiseerde administratieve rechters in het leven geroepen, veelal op fiscaal terrein. Toen duidelijk werd dat de grondwetsherziening van 1887 niet tot het instellen van algemene of algemeen aanvullende administratieve rechtspraak zou leiden, werd de neiging om gespecialiseerde administratieve rechters te creëren steeds sterker. Zo ontstonden op fiscaal gebied aan het eind van de negentiende eeuw enkele nieuwe colleges. In 1902 kwamen de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep, ingesteld in de Beroepswet 1902 en eerst alleen bevoegd in ongevallenzaken, tot stand. Wat later werden onder andere de Ambtenarengerechten (1929), het Scheidsgerecht voor de voedselvoorziening (1941) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (1954) ingesteld.

     De motivering om telkens nieuwe gespecialiseerde administratieve rechters in het leven te roepen, is in de loop der tijd niet meer zozeer bepaald door het ontbreken van algemene administratieve rechtspraak als wel door andere redenen: hetzij omdat men specialistische materie aan een gespecialiseerde administratieve rechter wilde opdragen, hetzij omdat men dacht zo sneller uitspraken te krijgen, hetzij om budgettaire redenen, hetzij door een zekere neiging tot particularisme. Ook toen de Wet Arob allang tot stand was gekomen, heeft deze tendens zich voortgezet. Wij noemen hier de instelling van het College van beroep studiefinanciering in 1986.

     rblz.|18| Overigens heeft ook binnen de categorie van de gespecialiseerde administratieve rechters soms een zekere bundeling van rechtsmacht op grotere rechts- en beleidsterreinen plaatsgehad. Zo hebben de raden van beroep en de Centrale Raad van Beroep zich ontwikkeld tot de socialezekerheidsrechter, heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven een eigen competentiesfeer gekregen op het terrein van de sociaal-economische ordening en is de rechtspraak in fiscale zaken wat de belastingen betreft uiteindelijk (via de Raden van Beroep directe belastingen in 1914) geconcentreerd bij de gerechtshoven (in 1956) en wat de invoerrechten en accijnzen betreft bij de Tariefcommissie (in 1924). Deze bundelingen kunnen mede worden verklaard uit het ontbreken van algemene administratieve rechtspraak.

     Voorts is er het groeiende belang van de rol van de burgerlijke rechter in de bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Van oudsher heeft de burgerlijke rechter rechtsbescherming tegen bestuurlijk optreden verleend, de bevoegdheid daartoe ontlenend aan de exclusieve opdracht in de Grondwet en artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) van de rechtspraak in geschillen over "burgerlijke rechten en schuldvorderingen". Door de grondwetswijziging van 1887 leek het erop dat er algemene administratieve rechtspraak zou komen. Dat vooruitzicht, en de redactie van het nieuwe artikel 154 [oud, red.] van de Grondwet, brachten de burgerlijke rechter ertoe zich terug te trekken van het terrein van het overheidshandelen voor zover het ging om geschillen waaraan een publiekrechtelijke rechtsbetrekking ten grondslag lag. Toen daarna echter duidelijk werd dat er geen algemene administratieve rechtspraak zou komen, heeft de burgerlijke rechter in 1915 zijn oorspronkelijke bevoegdheid op basis van artikel 2 van de Wet RO in ere hersteld. Zo heeft de burgerlijke rechter de vangnetfunctie voor die bestuursrechtelijke geschillen waarvoor geen (volwaardige) administratiefrechtelijke voorziening bestaat, bevestigd en in de loop der tijd verder uitgebouwd. In die hoedanigheid heeft de burgerlijke rechter een uiterst belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het (materiële) bestuursrecht. Deze tendens is versterkt door het toenemende beroep op de burgerlijke rechter in geschillen met als inzet de (on)rechtmatigheid van besluiten van algemene strekking, met name algemeen verbindende voorschriften.

     Afzonderlijke vermelding verdient hier voorts de partiële afschaffing van het kroonberoep, geïnstigeerd door het Benthem-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Sinds 1988 is ingevolge de TwK de Afdeling voor de geschillen van bestuur belast met rechtspraak in het merendeel van de voormalige kroongeschillen.

     Aldus heeft zich in heel grove lijnen het huidige stelsel ontwikkeld van - althans tot voor kort - enerzijds het kroonberoep als eindvoorziening in een groot aantal zaken (waaronder belangrijke categorieën als geschillen op het terrein van de ruimtelijke ordening en milieugeschillen), anderzijds administratieve rechtspraak hetzij door een gespecialiseerde administratieve rechter, hetzij door de algemeen aanvullende administratieve rechter, en ten slotte als sluitstuk de restbevoegdheid van de burgerlijke rechter.


1.4.2. Knelpunten

     Het Nederlandse stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming schiet op een groot aantal punten tekort.

     Ten eerste is het stelsel in hoge mate verbrokkeld en daardoor ondoorzichtig en ontoegankelijk.

     rblz.|19| De toekenning van rechtsmacht aan de administratieve rechter is grillig. Er is een groot aantal gespecialiseerde administratieve rechters en daarnaast een algemeen aanvullende administratieve rechter. Daarnaast is er nog het (restant van het) kroonberoep.
     De rechtsmacht van de administratieve rechters (en de Kroon) is bovendien onvolledig. Zo zijn niet alle op zichzelf daarvoor in aanmerking komende besluiten vatbaar voor beroep op een gespecialiseerde rechter (of de Kroon). In die gevallen kan echter vaak beroep bij de algemeen aanvullende administratieve rechter, de Afdeling rechtspraak, worden ingesteld. Daardoor is de algemeen aanvullende rechter actief op terreinen waarop ook een gespecialiseerde rechter werkzaam is. Soms ook kunnen niet alle belanghebbenden bij een bepaald besluit beroep instellen bij de gespecialiseerde administratieve rechter (of de Kroon). Ook in die gevallen is er veelal sprake van bevoegdheid van de algemeen aanvullende administratieve rechter, waardoor eenzelfde besluit door twee verschillende instanties kan worden beoordeeld. De bevoegdheid van de Afdeling rechtspraak is echter ook weer niet algemeen aanvullend: er zijn nogal wat (soorten) handelingen van bestuursorganen uitgesloten van beroep op grond van de Wet Arob. Voor die gevallen fungeert zoals gezegd de burgerlijke rechter als sluitstuk van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming, waardoor de onoverzichtelijkheid verder wordt vergroot. Hetzelfde verschijnsel doet zich voor als het gaat om de mogelijkheid van een voorlopige voorziening. Slechts een deel van de administratieve rechters is met die bevoegdheid toegerust, zodat in de overige gevallen de president in kort geding in beeld komt. Het voorgaande betekent dat voor elk afzonderlijk geschil moet worden beoordeeld welke voorziening voor welke belanghebbende openstaat. Dat is improduktieve arbeid, zowel voor de bestuursorganen als voor de burgers en de verschillende rechters. Weliswaar zijn wettelijke voorzieningen in voorbereiding die de burger de weg wijzen (vgl. de artikelen 3.5.5 [3:45], 6.2.15 [6.23] en 6.2.8 [6:15] van de Awb), maar het moet toch bepaald wenselijk worden geacht dat de burger, als hij eenmaal op correcte wijze naar een bepaalde instantie is verwezen, ook begrijpt waarom hij juist bij die instantie terecht moet. Bovendien blijft het ook na invoering van de hierboven genoemde artikelen aan het bestuur onderscheidenlijk de rechter om de burger de juiste weg te wijzen. Ook daarmee zijn tijd en aandacht gemoeid.

     Als er een administratieve rechter bevoegd is, doet zich vervolgens het probleem voor dat de uitspraakbevoegdheden van de administratieve rechters doorgaans geringer zijn dan die van de burgerlijke rechter. Dat betekent dat een geschil niet altijd bij de administratieve rechter volledig kan worden uitgeprocedeerd. Zo komt het vaak voor dat de burgerlijke rechter nog een beslissing moet geven over schadevergoeding naar aanleiding van onrechtmatige besluiten of dat een afzonderlijk geding wordt gevoerd over de in een procedure voor een administratieve rechter gemaakte proceskosten. Deze tweesporigheid leidt tot extra procedures en daarmee tot extra lasten voor bestuur, burgers en rechterlijke macht.

     In het geval dat de burgerlijke rechter aanvullende rechtsbescherming moet verlenen, wreekt zich dat deze een ander formeel beoordelingskader heeft dan de administratieve rechter, die immers een rechtmatigheidstoetsing ex tunc uitvoert en in geval van geconstateerde onrechtmatigheid het besluit kan vernietigen.

     Ten tweede is het stelsel onevenwichtig.

     De regeling van de rechtsmiddelen is niet consistent. Dan weer is er sprake van rechtspraak in eerste en enige aanleg, dan weer zijn er twee rblz.|20| feitelijke instanties, dan weer gaat het om één feitelijke instantie gevolgd door beroep in cassatie.

     Daarmee hangt samen dat de geografische spreiding van de gerechten uiteenloopt. Voor sommige categorieën zaken kunnen partijen in eerste aanleg slechts op één plaats in het land terecht, voor andere op tien en voor weer andere op vijf plaatsen.

     De samenstelling van de kamers van de colleges is lang niet altijd afgestemd op het kaliber van de zaak. Zo worden veel zaken in eerste en enige instantie door een enkelvoudige kamer behandeld (bij voorbeeld bij de Afdeling rechtspraak en het College van Beroep voor het bedrijfsleven), terwijl veel zaken waarin hoger beroep mogelijk is, in eerste instantie door een meervoudige kamer worden behandeld (bij voorbeeld tot voor kort in socialezekerheidszaken en nog steeds in ambtenarenzaken).

     Ten derde is van groot belang dat het stelsel niet is afgestemd op het bewaken van de met het oog op waarden als gelijkheid en rechtszekerheid zo belangrijke rechtseenheid.

     Dat geldt allereerst en evident voor de eenheid binnen het bestuursrecht zelf. Het grote aantal rechters dat in laatste instantie oordeelt over (algemene) vragen van bestuursrecht, bergt gevaren in zich voor een evenwichtige ontwikkeling van het (algemeen deel van het) bestuursrecht. Daarbij gaat het niet alleen om de administratieve rechters, maar ook - en zeker niet in de laatste plaats - om de civiele rechter, die immers én bij het behandelen van zaken betreffende privaatrechtelijke rechtshandelingen van bestuursorganen én als sluitstuk van de bestuursrechtelijke rechtsbescherming met grote regelmaat regels van bestuursrecht toepast.

     Ook de eenheid van het recht als geheel is in het geding. Zowel in het bestuursrecht, het civiele recht als het strafrecht kunnen dezelfde rechtsvragen rijzen en kan toepassing van dezelfde rechtsbeginselen aan de orde zijn. Belangrijke vragen zijn die betreffende de uitleg van regels van internationaal recht. Het is onwenselijk als bij voorbeeld de Hoge Raad oordeelt dat een bepaald verdragsartikel wel directe werking heeft, terwijl de Centrale Raad van Beroep een andere mening is toegedaan. Een ander voorbeeld zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die op alle drie de rechtsgebieden een rol spelen. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het (materiële) bestuursrecht en het privaatrecht (en in mindere mate ook het strafrecht) meer en meer naar elkaar toegroeien en soms zelfs feitelijk in elkaar overvloeien. Dit dient consequenties te hebben voor de rechterlijke organisatie. Daarnaast is het ongewenst dat verschillende colleges naast elkaar met de beslissing van identieke, nauw verwante of gekoppelde rechtsvragen worden belast. Dat doet zich nu bijvoorbeeld voor in de verhouding kantonrechter - raad van beroep, in de verhouding gespecialiseerde administratieve rechter - algemeen aanvullende administratieve rechter en in de verhouding administratieve rechter - burgerlijke rechter, inclusief de president in kort geding.

     De verbrokkeling van de administratieve rechtspraak is ten slotte gepaard gegaan met het tot stand komen van talrijke en nogal uiteenlopende regelingen van bestuursprocesrecht. Dat betekent dat partijen, afhankelijk van de rechter voor wie geprocedeerd wordt, met uiteenlopend procesrecht worden geconfronteerd. Het betekent ook dat de ontwikkeling van algemene leerstukken van bestuursprocesrecht wordt rblz.|21| belemmerd. Voorts is het bestuursprocesrecht nauwelijks gecoördineerd met het burgerlijk procesrecht en is in meer algemene zin tot dusverre te weinig aandacht besteed aan de verhouding tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht.

     Een vierde knelpunt en een ernstig probleem in de Nederlandse situatie is de groeiende (over)belasting van de administratieve rechters. Dit is niet de plaats om uitgebreid op de oorzaken daarvan in te gaan. Vaststaat wel dat de hoeveelheid en de aard van de bestuursrechtelijke regelgeving, het karakter van de aan de geschillen ten grondslag liggende - en soms tegenstrijdige - belangen en de toegenomen assertiviteit van de burger jegens het bestuur mede bepalend zijn voor de grote toeloop op de administratieve rechter. Vanaf het begin van de jaren tachtig heeft de wetgever getracht het groeiende aantal zaken en daarmee de toenemende (bovenmatige) werkvoorraden het hoofd te bieden. Getracht is het aantal door de rechter te behandelen zaken te beperken, onder meer door het versterken van de rol van de bezwaarschriftprocedure en het invoeren c.q. verhogen van griffierechten. Ook is later meer aandacht geschonken aan het aanpakken van de bron: het terugdringen van beroepsgevoelige regelgeving. Tevens is gezocht naar mogelijkheden in de processuele sfeer om aanhangige zaken sneller te kunnen verwerken: in meer gevallen unusrechtspraak (ook in hoger beroep), invoering van de mogelijkheid om al dan niet met toestemming van partijen zaken buiten zitting af te doen, meer mogelijkheden om mondeling uitspraak te doen en introductie van de zogenoemde kortsluiting: de rechter kan in bepaalde gevallen in het kader van de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening tevens het beroep in de hoofdzaak afdoen. De inzet van al deze middelen, hoe nuttig op zichzelf ook, heeft echter niet geleid tot het beoogde resultaat. De groei van het aantal zaken is nog steeds spectaculair, vooral zoals reeds vermeld bij de Afdeling rechtspraak, en ook in de civiele kortgedingrechtspraak in vreemdelingenzaken. Dat gegeven dwingt tot het nemen van meer structurele wettelijke maatregelen, naast organisatorische maatregelen.

     Ten vijfde dient het Nederlandse stelsel geheel in overeenstemming te worden gebracht met de eisen die de artikelen 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBP) stellen. Daarbij dient uiteraard allereerst te worden gedacht aan de definitieve voorzieningen in kroongeschillen. In dat kader wordt de wetgever, misschien wel voor het laatst, opnieuw geconfronteerd met de vraag: administratie of rechter. Verder zal in alle gevallen waarin sprake is van een "criminal charge" in de zin van artikel 14, vijfde lid, van het IVBP rechtspraak in twee instanties mogelijk moeten zijn. De wetgever zal bij de regeling van de rechtsmiddelen dus nauwkeurig moeten nagaan of er in geval van sancties sprake is van een "criminal charge". Bij dit alles geldt dat de wetgever de internationale normen niet als maximum behoeft te hanteren. Wij wijzen er in dit verband op dat het rechtsstatelijke uitgangspunt dat elk bestuursrechtelijk geschil aan een rechter moet kunnen worden voorgelegd, met zich brengt dat ook omtrent geschillen die niet door artikel 6 van het EVRM worden bestreken, het oordeel van een rechter moet kunnen worden ingeroepen.

rblz.|22| 

1.5. Plaatsbepaling van het wetsvoorstel


1.5.1. Twee dimensies van integratie

     Kernpunt in de herziening van de rechterlijke organisatie is de notie integratie: de organisatorische en personele eenwording van de civiele rechtspraak, de strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak als het belangrijkste middel ter verwezenlijking van de hiervoor genoemde drie doelstellingen van de herziening.

     In de eerste fase, die primair betrekking heeft op het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming, zijn tegelijkertijd twee dimensies van het begrip integratie aan de orde. Ten eerste de integratie van een zeer belangrijk deel van de administratieve rechtspraak in eerste aanleg. Ten tweede die van de geïntegreerde bestuursrechtspraak in eerste aanleg en een belangrijk deel van de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak in eerste aanleg. In de tweede fase zal die laatste ontwikkeling worden voltooid. In de derde fase zal ook de rechtspraak in verdere instanties aan de orde komen. Het integrerende karakter van de eerste fase wordt versterkt door de invoering van een uniform bestuursprocesrecht voor - onder meer - de geïntegreerde bestuursrechtspraak in eerste aanleg en door de invoering van een voorlopige - rechtseenheidsvoorziening binnen de rechtspraak, ondanks het feit dat in deze fase nog sprake is van rechtspraak in tweede instantie door twee verschillende, niet tot de "gewone" rechterlijke macht behorende gerechten. Bij dit alles is tevens de inwerkingtreding van de eerste tranche van de Awb van belang.


1.5.2. Betekenis en reikwijdte van de eerste fase voor het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming

     Het onderhavige wetsvoorstel leidt ertoe dat de hiervoor gereleveerde historische strijdpunten grotendeels verleden tijd worden en dat een aantal van de gesignaleerde knelpunten in het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming geheel of ten dele wordt opgelost, c.q. dat aanzetten worden gegeven voor een definitieve oplossing.

     Daarbij is van belang dat de in onderdeel 1.1 genoemde onderdelen van het wetsvoorstel nauw met elkaar samenhangen. Om die reden zijn zij in één wetsvoorstel ondergebracht.

     In het wetsvoorstel voorintegratie wordt de basis gelegd voor het optrekken van de eerste fase van de bouw aan onze nieuwe rechterlijke organisatie. De totstandkoming van een organisatorische en personele integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken verschaft het fundament waarop de voorzieningen die in het onderhavige wetsvoorstel worden getroffen, kunnen worden opgetrokken. Hierdoor wordt het noodzakelijke organisatorische kader geschapen waarbinnen de eerste fase van de herziening verwezenlijkt kan worden. De beoogde organisatorische en personele integratie tussen gewone en administratieve rechtspraak kan daardoor reële gestalte krijgen.

     De eerste in historisch opzicht belangrijke knoop die in dit wetsvoorstel wordt doorgehakt, is de definitieve en integrale beëindiging van de beslechting van bestuursrechtelijke geschillen in laatste instantie door een bestuursorgaan. Ook in die gevallen waarin ingevolge de TwK het beroep op de Kroon werd gehandhaafd, wordt nu gekozen voor administratieve rechtspraak. Daarop wordt in onderdeel 3 uitgebreid rblz.|23| ingegaan. Op deze plaats is van belang de constatering dat het antwoord op de vraag administratie of rechter uiteindelijk over de hele linie is: rechter. Dat wil niet zeggen dat bestuursorganen geen rol meer spelen in het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Integendeel, de introductie van een algemeen verplichte bezwaarschriftprocedure in artikel 6.3.1a [7:1] van de Awb laat zien dat die rol er wel degelijk is en ook moet zijn. Ook is in bepaalde gevallen administratief beroep opengesteld. In beide gevallen gaat het echter nadrukkelijk om bestuurlijke voorprocedures, die voorafgaan aan een mogelijk beroep op de rechter.

     Voorts wordt nu, in aansluiting op het wetsvoorstel voorintegratie, een expliciete en definitieve keuze gemaakt voor één algemeen bevoegde administratieve rechter in eerste aanleg. Door de instelling van algemeen bevoegde administratieve kamers bij de rechtbanken wordt het bestaande stelsel van een aantal gespecialiseerde rechters met een eigen competentiesfeer, aangevuld door een algemeen aanvullende administratieve rechter, ten principale verlaten, ten gunste van een stelsel waarin de rechtsmacht in eerste aanleg wordt toegekend aan één administratieve rechter. Deze ontwikkeling zal zich weliswaar geleidelijk voltrekken, maar de keuze wordt nu gemaakt. Met de invoering van algemene administratieve rechtspraak zal ook een halt kunnen worden toegeroepen aan de neiging om gespecialiseerde administratieve rechters voor bijzondere terreinen van het bestuursrecht in te stellen. De Wet Arob heeft wat dat betreft overigens al een belangrijke voortrekkersrol vervuld.

     Tegelijkertijd en in samenhang daarmee wordt gekozen voor een geïntegreerd stelsel van bestuursrechtspraak en civiele en strafrechtspraak, in overeenstemming met de steeds verder gaande materieelrechtelijke integratie tussen het bestuursrecht enerzijds en met name het civiele recht anderzijds. Deze keuze geeft tevens in belangrijke mate richting aan het streven naar een doorzichtige en doelmatige structuur van de rechterlijke organisatie.

     Zo ontstaat, samen met de in de tweede fase voorziene integratie van de rechtbanken en de kantongerechten, het beeld van één bevoegde rechter voor de behandeling van alle civiele zaken, strafzaken en bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg. Deze opzet biedt belangrijke voordelen, zowel voor de bestuursrechtspraak als voor de rechtspraak in het algemeen, en maakt het bovendien mogelijk binnen die geïntegreerde organisatie voorzieningen te treffen om bestaande knelpunten weg te nemen. Bij dit alles geldt dat de beoogde voordelen in deze eerste fase nog niet ten volle worden gerealiseerd. In verband met de zowel op grond van wetgevings- en implementatieoverwegingen als in verband met de nog te nemen beslissingen aangaande de derde fase noodzakelijke fasering blijft de integratie in deze fase immers beperkt tot het geding in eerste aanleg.

     Het verbrokkelde, ondoorzichtige en ontoegankelijke stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming wordt aanmerkelijk vereenvoudigd en enkele bestaande onevenwichtigheden in het stelsel worden geheel of ten dele opgeruimd. Zo wordt een belangrijke stap gezet op de weg die ertoe moet leiden dat er uiteindelijk één adres zal zijn waartoe men zich kan wenden met een bestuursrechtelijk geschil. Verder worden de verschillen in de bevoegdheid om beroep in te stellen weggenomen: in beginsel staat voor elke belanghebbende beroep open, en wel bij dezelfde rechter. Concurrerende rechtsgangen zijn daarmee geëlimineerd. Ook is het beginsel dat geschillen op grond van één wet ook door één rechter worden beslecht verder doorgevoerd. Verder wordt thans de rblz.|24| bevoegdheid van de administratieve rechter geheel geschoeid op de leest van het besluitbegrip, met uitzondering van besluiten inhoudende algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels en daarmee gelijk te stellen besluiten, en besluiten ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling en daarmee gelijk te stellen besluiten. In dit verband moet ook de slechting van de negatieve lijst op grond van artikel 6 van de Wet Arob worden genoemd. Met dit alles is overigens niet gezegd dat de aanvullende rol van de burgerlijke rechter in bestuursrechtelijke geschillen is uitgespeeld, maar de competentieverdeling tussen administratieve en burgerlijke rechter wordt in elk geval duidelijker. In de toelichting op afdeling 8.1.1 van de Awb wordt op de competentietoedeling uitgebreid ingegaan. In dit verband wijzen wij ook op de uitbreiding van het bestuursrechtelijke kort geding. Ten slotte is hier van belang dat de uitspraakbevoegdheden van de administratieve rechter worden verruimd. Zo zal hij de bevoegdheid krijgen een proceskostenveroordeling uit te spreken en worden de mogelijkheden voor het toekennen van schadevergoeding uitgebreid.

     In het onderhavige wetsvoorstel wordt een bijdrage geleverd aan een evenwichtiger opzet van het stelsel van rechtsbescherming. Daartoe wordt in de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voor de huidige Arob-zaken en een deel van de TwK- en kroongeschillen rechtspraak in twee feitelijke instanties ingevoerd. Aan invoering van rechtspraak in twee instanties liggen twee hoofdoverwegingen ten grondslag. In de eerste plaats wordt daarmee een voor onze rechterlijke organisatie geldende hoofdregel gevolgd dat de mogelijkheid dient te bestaan om een in eerste aanleg gegeven rechterlijk oordeel in volle omvang in hoger beroep te laten toetsen. De algemene motieven die daaraan ten grondslag liggen, zijn het bevorderen van de kwaliteit van de rechtspraak en de mogelijkheid van het herstellen van fouten (naast de mogelijkheid van controle op het werk van de rechter in eerste aanleg ook de mogelijkheid van herstel van misslagen van partijen), het versterken van het vertrouwen van de burger in de rechtspraak en het tot stand brengen van een geografische spreiding van de rechtspraak in eerste aanleg De tweede hoofdoverweging is gelegen in de noodzaak de structureel hoge werkbelasting bij de beide rechtsprekende afdelingen van de Raad van State, in het bijzonder bij de Afdeling rechtspraak, te verminderen. Aldus levert dit wetsvoorstel ook een belangrijke bijdrage aan het terugdringen van de werklast en de werkdruk. Daarop wordt in onderdeel 5.1 nader ingegaan.

     Wij hebben in deze eerste fase niet gestreefd naar de verwezenlijking van een volstrekt uniform systeem. Wel hebben wij gestreefd naar de totstandkoming van een stelsel dat enerzijds uit een oogpunt van rechterlijke organisatie evenwichtig is en recht doet aan het door ons gekozen uitgangspunt en anderzijds doelmatig en praktisch is met het oog op een goede en verantwoorde invoering van deze eerste fase en de beheersbaarheid van het aantal zaken en rekening houdt met bestuurlijke belangen.

     Van de hoofdregel van rechtspraak in twee feitelijke instanties moet soms worden afgeweken. Naar onze mening zijn er voor bepaalde categorieën van zaken zodanige indicaties tegen rechtspraak in twee feitelijke instanties dat deze in deze fase voorshands zwaarder moet wegen dan de met die rechtspraak beoogde voordelen. Het bestaan en het gewicht van deze indicaties hebben ertoe geleid dat in het thans gepresenteerde stelsel een relatief groot aantal zaken voorshands zal worden afgedaan in één instantie. Aan die keuze liggen in hoofdzaak praktische overwegingen ten grondslag. Voor een verantwoorde, rblz.|25| gefaseerde herstructurering van onze rechterlijke organisatie dient rekening te worden gehouden met de grote en specifieke ervaring van de reeds bestaande rechterlijke colleges van eerste en enige aanleg met de afdoening van bepaalde categorieën van zaken en met de noodzaak de problemen die in verband met de implementatie kunnen ontstaan bij de Raad van State, waar zaken weggaan, en bij de rechtbanken, waar zaken bijkomen, te beperken. Dat komt de beheersbaarheid van het reorganisatieproces ten goede. Voorts wijzen wij op zaken die kort als kwetsbare zaken zouden kunnen worden aangeduid. Wij doelen daarbij op zaken waar grote en tegengestelde belangen op het spel staan en waarin met het oog op een zorgvuldige afweging van die belangen uitgebreide voorbereidingsprocedures voorafgaan aan de bestuurlijk besluitvorming. Juist in die zaken dient het geheel van procedures niet te lang te duren. Nu onzeker is in welke mate juist in dit soort geschillen zal worden doorgeprocedeerd in geval van het openstellen van de mogelijkheid van hoger beroep, is het prudent om in dit eerste stadium van de herziening in die gevallen te kiezen voor rechtspraak in één instantie.

     Als gevolg van de in het onderhavige wetsvoorstel gedane voorstellen verdwijnt de Arob-zaak als species van een geschil tussen bestuur en burger. Met het verdwijnen van Arob-rechtspraak als een afzonderlijke tak van administratieve rechtspraak komt de Wet Arob te vervallen. Hiermee wordt een cruciale fase in de ontwikkeling van ons stelsel van rechtsbescherming van de burger tegenover het bestuur afgesloten. Arob-rechtspraak als een aanvullende bestuursrechterlijke voorziening verdwijnt en gaat op in algemene bestuursrechtspraak in eerste aanleg bij de rechtbanken. Dat is een markant omslagpunt. De grote verworvenheden van de Wet Arob verdwijnen niet. Daarop wordt voortgebouwd in het nieuwe stelsel.

     De invoering van een uniform bestuursprocesrecht maakt een einde aan de onnodige versplintering van het bestuursprocesrecht. Het nieuwe bestuursprocesrecht stelt de rechter in staat om op soepele, adequate wijze de aan hem voorgelegde bestuursrechtelijke geschillen te beslissen. Het voorkomt dat tijd en aandacht moeten worden besteed aan procedurele kwesties die buiten het eigenlijke, materieelrechtelijke conflict staan. Bij de vormgeving van het bestuursprocesrecht is gestreefd naar afstemming op en harmonisatie met het burgerlijk procesrecht, dat overigens zelf ook aan belangrijke wijzigingen onderhevig is en, met name in de tweede fase van de herziening, zal zijn. Ook het strafprocesrecht is in de beschouwingen betrokken. De tijd is thans nog niet rijp om ten gronde te bezien of een, meer of minder vergaande, integratie tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht wenselijk en haalbaar is. Daarop wordt in onderdeel 2 nader ingegaan.

     In het kader van het nieuwe bestuursprocesrecht wordt ook de verdeling van zaken over enkelvoudige en meervoudige kamers uniform geregeld. In beginsel is in eerste aanleg sprake van enkelvoudige rechtspraak, met dien verstande dat een zaak altijd naar een meervoudige kamer kan worden verwezen. In hoger beroep is in beginsel sprake van meervoudige rechtspraak.

     Het in het oog springende gebrek aan garanties voor eenheid in de toepassing van het recht in het algemeen en het bestuurs(proces)recht in het bijzonder wordt in deze fase van de herziening in belangrijke mate weggenomen door de invoering van een prejudicieel stelsel voor de beantwoording door de Hoge Raad van door de administratieve rechters in hoogste ressort aan hem voor te leggen rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling in het algemeen.

     rblz.|26| Zo bezien vormen de vijf onderdelen van dit wetsvoorstel, in samenhang met het wetsvoorstel voorintegratie, een grote sprong voorwaarts in de ontwikkeling van de Nederlandse rechterlijke organisatie in het algemeen en het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in het bijzonder.

     In het vervolg van dit algemeen deel van de toelichting en in de artikelsgewijze toelichting zullen de hiervoor gememoreerde algemene noties worden geconcretiseerd en verder uitgewerkt.

 

1.6. Opbouw van het wetsvoorstel


     De wettelijke voorzieningen ten behoeve van de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie en de in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassingswetgeving aan de eerste tranche van de Awb vergen de wijziging van een zeer groot aantal wetten. Ter bevordering van de inzichtelijkheid is het wetsvoorstel daarom zoveel mogelijk systematisch ingedeeld. Dat heeft geleid tot de volgende opzet.

     Het wetsvoorstel bestaat uit zes, met Arabische cijfers aangeduide, thematisch afgebakende onderdelen waarin, met uitzondering van onderdeel 6, dat overgangs- en slotbepalingen bevat, de wijziging van een kleiner of groter aantal wetten wordt voorgesteld. Vanzelfsprekend komt een bepaalde wet maar in één van de onderdelen voor, en wel in het meest daarvoor in aanmerking komende onderdeel. In de toelichting bij de diverse onderdelen wordt nader op de rubricering ingegaan.

     In de aanpassingsoperatie zijn allereerst betrokken alle relevante bestaande wetten, met uitzondering van wetten die vóór of op 1 juli 1993 worden ingetrokken of die op 1 juli 1993 feitelijk zijn uitgewerkt. Verder zijn die relevante bij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstellen meegenomen die vóór of op 1 juli 1993 in werking zullen treden. Voor de wetgeving van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen geldt dat uitsluitend bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstellen zijn meegenomen.

     De Vreemdelingenwet is voorshands buiten de aanpassing gebleven. Thans is een wetsvoorstel bij de Raad van State aanhangig dat een ingrijpende herziening van de Vreemdelingenwet bevat, onder meer op het punt van het stelsel van rechtsbescherming. Dat wetsvoorstel zal, zo is de bedoeling, eerder in werking treden dan het onderhavige wetsvoorstel. In dat geval zal de aanpassing van de aldus herziene Vreemdelingenwet te gelegener tijd bij nota van wijziging in dit wetsvoorstel worden ingebracht.

     De aanpassing van het stelsel van rechtsbescherming in de Algemene Bijstandswet, de Ioaw en de Ioaz aan het algemene stelsel in socialezekerheidszaken zal om praktische redenen worden opgenomen in het, eveneens bij de Raad van State aanhangige, voorstel van wet herinrichting Algemene Bijstandswet onderscheidenlijk in de bijbehorende invoeringswet. Voor deze werkwijze is gekozen nu uitgangspunt is dat de inwerkingtreding daarvan zal plaatsvinden tegelijk met het onderhavige wetsvoorstel.

     De zes onderdelen van het wetsvoorstel zijn:
1. Rechterlijke organisatie (de instelling van administratieve kamers bij de rechtbanken; de rechtseenheidsvoorziening; technische aanpassingen).
rblz.|27| 2. Algemene wet bestuursrecht (invoering uniform bestuursprocesrecht en de daaruit, alsmede uit de aanpassingswetgeving aan de eerste tranche voortvloeiende aanpassingen).
3. Wijziging van rechtstreeks betrokken institutionele en processuele wetten (Wet op de Raad van State c.a., Beroepswet c.a., Ambtenarenwet 1929, Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (Wet Arbo), Wet op de studiefinanciering), alsmede intrekking van de Wet Arob.
4. Wijziging van bijzondere wetten in verband met de te treffen definitieve voorzieningen in kroongeschillen.
5. Wijziging van overige institutionele, processuele en bijzondere wetten.
6. Overgangs- en slotbepalingen.

     Bij de redactie van de desbetreffende bepalingen is ervan uitgegaan dat het wetsvoorstel voorintegratie en het, thans nog bij de Raad van State aanhangige, voorstel voor een Algemene wet erkenning EG-hogeronderwijsdiploma's eerder in werking treden dan het onderhavige wetsvoorstel.

     Behalve de nodige wetten in formele zin zullen ook diverse algemene maatregelen van bestuur en andere regelingen moeten worden gewijzigd. Daarin zal tijdig worden voorzien.

 

1.7. Voorbereiding van het wetsvoorstel


     Bij de voorbereiding van dit omvangrijke wetsvoorstel is dankbaar gebruik gemaakt van de inbreng van deskundigen uit de praktijk en de wetenschap, van de adviezen van adviesorganen en van de uitkomsten van evaluatieonderzoeken. Verder heeft over de beleidsmatige uitgangspunten van de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie uiteraard intensief overleg plaatsgevonden met de Raad van State als direct betrokkene en met de functionele geledingen binnen de rechterlijke macht en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. In de verschillende onderdelen van de toelichting wordt waar nodig nader op de voorbereiding ingegaan.

     Op deze plaats verdient bijzondere vermelding de werkwijze ten aanzien van het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht. Een klankbordgroep, bestaande uit leden van de meest betrokken rechterlijke colleges, een hoogleraar in het bestuursrecht, een in het bestuursrecht gespecialiseerde advocaat en de regeringscommissaris voor de algemene regels van bestuursrecht, heeft actief en intensief aan het voorbereidingsproces deelgenomen. Ook is enkele malen de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht geraadpleegd. Het is uiterst vruchtbaar gebleken dat bij de voorbereiding van een regeling als de onderhavige reeds in een vroeg stadium kan worden geprofiteerd van externe kennis van en ervaring met het betrokken rechtsgebied. Bij de vormgeving van het nieuwe bestuursprocesrecht is tevens gebruik gemaakt van twee evaluatieonderzoeken naar het functioneren van de TwK. Het eerste onderzoek, verricht in opdracht van onze ambtsvoorgangers door de vakgroep bestuursrecht en bestuurskunde van de Rijksuniversiteit Groningen, is neergelegd in het rapport Kroongeschillen en bestuursprocesrecht (Ter Brugge, Veltman, Bröring, Schuiling en Scheltema, Deventer, 1991). Het tweede onderzoek, verricht in opdracht van de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) door de vakgroep staats- en bestuursrecht van de Rijksuniversiteit Utrecht, is neergelegd in het rapport Bestuursrechtspraak in milieugeschillen (Widdershoven, Jurgens, Addink en Van Buuren, Zwolle, 1991). Een eerste concept van het nieuwe bestuursprocesrecht rblz.|28| is, toen de werkzaamheden ongeveer halverwege waren, ter consultatie voorgelegd aan de functionele geledingen binnen de rechterlijke macht en de Raad van State en aan de VNG [Vereniging van Nederlandse Gemeenten, red.], het IPO [Interprovinciaal Overleg, red.] en de Unie van Waterschappen. Later is dit eerste concept ook voorgelegd aan de RARO [Raad van Advies voor de Ruimtelijke ordening, red.] en de CRMH [Centrale Raad voor de Milieuhygiëne, red.]. Een tweede concept is vervolgens nog aan een aantal van de respondenten op het eerste concept voorgelegd alsook aan de SER [Sociaal-Economische Raad, red.], de Onderwijsraad, de Ziekenfondsraad en de SVr [Sociale Verzekeringsraad, red.]. Het tweede concept heeft - en dat is verheugend - tot een groot aantal reacties in de literatuur aanleiding gegeven. Wij vermelden in het bijzonder de NJB-special [NJB: Nederlands Juristenblad, red.] over het uniform bestuursprocesrecht (NJB, 1991, nr. 36). Ook vermelden wij de preadviezen voor de NJV [Nederlandse Juristen Vereniging, red.] in 1991 van Brenninkmeijer, Van Wijmen en Blaauw over de harmonisatie van procesrecht bij integratie van rechtspraak. Tevens is een aantal studiebijeenkomsten aan het nieuwe bestuursprocesrecht gewijd. Ook daardoor is het werk van de ontwerpers vergemakkelijkt en de kwaliteit van het wetsvoorstel verder bevorderd.

     Meer in het algemeen verheugt het ons te kunnen constateren dat de in dit wetsvoorstel vervatte voorstellen in het algemeen in zeer brede kring op instemming kunnen rekenen.

     De hiervoor genoemde adviezen worden gelijktijdig met de indiening van dit wetsvoorstel afzonderlijk ter kennis van de Tweede Kamer gebracht.

 

2. Uniform bestuursprocesrecht


2.1. Algemeen


     Reeds in de nota "Naar een nieuwe structuur van de rechterlijke organisatie" werd aangekondigd dat in samenhang met de herziening van de rechterlijke organisatie een begin zou worden gemaakt met de wenselijke harmonisatie en unificatie van het bestuursprocesrecht. De gedachte was toen nog in de eerste fase een min of meer voorlopige regeling tot stand te brengen van het door de administratieve kamers van de rechtbanken toe te passen procesrecht in eerste aanleg in socialezekerheidszaken, ambtenarenzaken, Arob-zaken en vreemdelingenzaken. Deze zou, zo was de gedachte, worden opgenomen in de Wet Arob.

     In de memorie van toelichting bij de eerste tranche van de Awb werd, voortbouwend op de voornemens van het toenmalige kabinet aangaande de herziening van de rechterlijke organisatie, de opneming in de Awb aangekondigd van een definitieve regeling van het bestuursprocesrecht, toe te passen door alle administratieve rechters. Dit zou moeten geschieden in de laatste fase van de herziening. Daarbij werd gemotiveerd waarom het de voorkeur heeft in het bestuursrecht tot één, ongedeelde codificatie van materieel bestuursrecht en bestuursprocesrecht te komen. Voor het bestuursprocesrecht werd in de structuur van de Awb al een plaats ingeruimd: hoofdstuk 8, Bijzondere bepalingen over beroep op een administratieve rechter. De gedachte was een nieuw in te stellen projectgroep onder voorzitterschap van de regeringscommissaris voor de algemene regels van bestuursrecht te belasten met het tot stand brengen van een voorontwerp voor de definitieve en algemene regeling van het bestuursprocesrecht.

     Inmiddels zijn de bakens enigszins verzet. Zoals in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voorintegratie al is aangekondigd, zal rblz.|29| reeds het in de eerste fase tot stand te brengen nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht worden opgenomen in hoofdstuk 8 van de Awb, getiteld: Beroep bij de rechtbank. Dit uniforme bestuursprocesrecht zal niet alleen worden toegepast door de (administratieve kamers van de) rechtbanken, maar ook door de in deze fase optredende appelrechters - de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep - en door het College van Beroep voor het bedrijfsleven en het College van beroep studiefinanciering. De regeling draagt ook een veel minder voorlopig karakter dan aanvankelijk de bedoeling was. Hetgeen thans voorligt, is een nieuw doordachte, modern opgezette regeling voor de procesvoering bij de administratieve rechter. In beginsel is die blijvend. Wel is ten aanzien van enkele punten terughoudendheid betracht bij de vernieuwing, hetzij vanwege de stand van de rechtsontwikkeling (bijvoorbeeld de slechts beperkte competentie-uitbreiding van de administratieve rechter, waardoor in deze fase nog steeds een belangrijke rol voor de burgerlijke rechter zal zijn weggelegd), hetzij omdat de voltooiing van de herstructurering van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de derde fase moet of beter kan worden afgewacht (bijvoorbeeld het toekennen aan de administratieve rechter van een exclusieve bevoegdheid tot het toekennen van schadevergoeding).

     Het nu in de Awb op te nemen hoofdstuk 8 is de voorloper van en de wegbereider voor het toekomstige hoofdstuk 8, dat betrekking zal hebben op alle bestuursrechterlijke procedures. In het kader van de voorbereiding van onder meer de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie zal een evaluatie van het uniforme bestuursprocesrecht plaatsvinden, gekoppeld aan een studie naar enkele specifieke vernieuwingsmogelijkheden. Deze evaluatie staat los van de - nu nog - in artikel 7.2a [11:1] van de Awb opgenomen verplichting om periodiek aan de Staten-Generaal verslag uit te brengen van de toepassing van de Awb. Deze zal - zo wordt in het nieuw voorgestelde artikel 7.1 [11:1] bepaald - geen betrekking hebben op de in de Awb opgenomen voorschriften betreffende beroep bij een administratieve rechter. Wij verwijzen voorts naar onderdeel 2.2.

     De wenselijkheid van de totstandkoming van een uniform bestuursprocesrecht wordt alom erkend. Het is van groot belang dat bestuursrechtelijke geschillen tussen overheid en burger volgens eenvormige regels van bestuursprocesrecht worden beslecht. De algemene overwegingen die aan de totstandkoming van algemene regels van bestuursrecht ten grondslag liggen, gelden ook voor het bestuursprocesrecht. Wij verwijzen naar de algemene beschouwingen daarover in de memorie van toelichting bij de eerste tranche van de Awb. Eenheid in het (geschreven) bestuursprocesrecht verhoogt de kwaliteit van de rechtsbescherming. Zij dient de rechtszekerheid en voorkomt rechtsongelijkheid. Uniform bestuursprocesrecht bevordert een goede procesvoering. Het maakt het procederen voor partijen eenvoudiger en vergemakkelijkt de behandeling en afdoening van de zaak door de administratieve rechter. De totstandkoming van een uniform bestuursprocesrecht is mogelijk omdat de omstandigheid dat (thans) onderscheiden typen van bestuursrechtelijke zaken bestaan - zoals ambtenarenzaken, socialezekerheidszaken, Arob-zaken, TwK-zaken, zaken op het terrein van de sociaal-economische ordening en belastingzaken - niet noopt tot afdoening volgens een op de verschillende zaken specifiek toegesneden procesrecht. Voor een uiteenlopend bestuursprocesrecht zou slechts plaats zijn indien er principiële verschillen tussen de verschillende bestuursrechtelijke zaken zouden bestaan die zouden noodzaken tot een verschillende inrichting van de procedure. Dergelijke principiële verschillen zijn er echter niet. Invoering van een uniform bestuursprocesrecht is daarom geboden, voor rblz.|30| zover één rechter wordt belast met de behandeling van zaken die voorheen door onderscheiden rechters volgens een eigen procesrecht werden afgedaan. De verwezenlijking van een uniform bestuursprocesrecht is wenselijk, ongeacht de inrichting van het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Het is dus een goede zaak dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven en het College van beroep studiefinanciering, die niet zijn betrokken in deze eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie, het nieuwe uniforme bestuursprocesrecht toch nu reeds gaan toepassen. Bezien zal worden of het mogelijk is dat ook de belastingrechter nog vóór de (voltooiing van de) derde fase van de herziening over het nieuwe procesrecht zal beschikken.

     Indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zal het onderscheiden procesrecht zoals dat thans nog is geregeld in de Wet op de Raad van State, de Wet Arob, de Ambtenarenwet 1929, de Beroepswet, de Wet Arbo en de Wet op de studiefinanciering kunnen vervallen. Er bestaan zoals gezegd geen principiële verschillen tussen de verschillende bestuursrechtelijke zaken. Dat blijkt reeds uit een vergelijking van de hierboven vermelde procesrechten. Zij regelen allemaal hetzelfde, maar op onderdelen net iets verschillend, zonder dat daarvoor - althans nu nog - goede gronden zijn. Zo mag de TwK-rechter zelf in de zaak voorzien, terwijl de Afdeling rechtspraak die bevoegdheid nog niet heeft. De ambtenarenrechter heeft, geconfronteerd met een onwillig bestuur, slechts de mogelijkheid de zaak financieel op te lossen. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven zou het nog steeds kunnen beleven, althans volgens artikel 74 van de Wet Arbo, dat de Kroon bepaalt dat aan een uitspraak van het College wegens strijd met het algemeen belang geheel of gedeeltelijk het beoogde effect wordt ontnomen. Door het thans voorliggende wetsvoorstel worden deze en andere nodeloze en daarmee ongerechtvaardigde verschillen geëcarteerd.

     Bij de opstelling van het procesrecht zoals dat thans voorligt, is vanzelfsprekend geput uit richtinggevende bronnen. Allereerst dient te worden gewezen op de bestaande proceswetten. Daarbij moesten uiteraard soms keuzen worden gemaakt tussen uiteenlopende voorliggende oplossingen. Voorts is gebruik gemaakt van het rapport van de Werkgroep harmonisatie administratief procesrecht van de Afdeling administratieve rechtspraak van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak van 1983. Verder is het één en ander ontleend aan het rapport van de Commissie herziening Beroepswet en Ambtenarenwet 1929 van 1968, waarin is opgenomen een voorstel voor een Wet administratieve rechtspleging sociale en ambtenarenwetgeving, met memorie van toelichting. Niettemin is sprake van een nieuwe regeling, toegesneden op de doelstellingen en de gewenste karakteristieken van het nieuwe procesrecht. Op de wijze van voorbereiding van het nieuwe bestuursprocesrecht en de rol van de verschillende adviezen is in onderdeel 1.7 reeds ingegaan.

 

2.2. Bestuursrecht en bestuursprocesrecht


2.2.1. Algemeen

     In (de klassieke visie op) het bestuursrecht staat van oudsher centraal de conceptie dat het bestuurshandelen moet worden gekwalificeerd en benaderd als het eenzijdig jegens de burger vaststellen van diens rechtspositie. Als zodanig werd en wordt het bestuurshandelen beschouwd als de laatste schakel in de keten van publiekrechtelijke rechtsvorming. De zogenoemde gebonden beschikking kan, ook historisch, worden rblz.|31| beschouwd als het prototype van deze wijze van het eenzijdig jegens de burger vaststellen van diens rechtspositie, waarbij het bestuursorgaan zich kan beperken tot de zuivere uitvoering van door de (formele) wetgever gestelde regels en waarbij van het afwegen van belangen in het algemeen of in concreto geen sprake is. In latere fasen van de ontwikkeling van het bestuursrecht zijn steeds meer taken aan bestuursorganen gegeven. Daarbij zijn ook andere typen van bestuurshandelen tot ontwikkeling gekomen. Zo zijn met het toenemen van de hoeveelheid beleidsinstrumentele wetgeving de nodige discretionaire bevoegdheden aan bestuursorganen toegekend. Veel meer dan bij de gebonden beschikking kreeg het bestuur daarbij manoeuvreerruimte bij het vaststellen van wat in het concrete geval rechtens is. Hoewel het ook in deze gevallen gaat om het eenzijdig jegens de burger vaststellen van diens rechtspositie, vragen deze bevoegdheden van het bestuur een andere wijze van besluitvorming, waarbij meer gewicht moet worden toegekend aan de gerechtvaardigde belangen van de betrokken burgers.

     De conceptie van eenzijdigheid heeft belangrijke gevolgen gehad voor het vaststellen van de doelstellingen en daarmee van de vormgeving van het klassieke bestuursprocesrecht.

     In dat licht is het begrijpelijk dat de inzet van het bestuursrechtelijk geding van meet af aan is geweest de toetsing van de rechtmatigheid van het bestuurshandelen (op deze plaats kunnen buiten beschouwing blijven de in onderdeel 1.4.1 behandelde discussie omtrent het opdragen van die toetsing aan het bestuur of aan de rechter en de daarmee samenhangende, eveneens in onderdeel 1.4.1 behandelde, verhouding tussen rechtmatigheidstoetsing en doelmatigheidstoetsing). De rechtmatigheidstoetsing van het bestuurshandelen - en daarmee het (klassieke) bestuursrechtelijke geding - heeft twee doelstellingen.

     De, historisch, eerste doelstelling is de handhaving van het objectieve publïekrecht. Gelet op de conceptie van eenzijdigheid ligt het voor de hand dat als oogmerk van een bestuursrechtelijke procedure aanvankelijk vooral werd beschouwd de controle van de wijze waarop het desbetreffende bestuursorgaan zich had gekweten van de aan hem opgedragen uitvoering van door de (formele) wetgever vastgestelde regels. Die controle diende primair het algemeen belang. Hiermee hangt samen dat die rechtmatigheidstoetsing was gericht op het concrete, rechtsvaststellende handelen van het bestuur. Wij tekenen overigens aan dat in de loop van de tijd de doelstelling handhaving van het objectieve publiekrecht ruimer is uitgelegd. Daaraan zijn noties als rechtszekerheid, duidelijkheid en slagvaardig bestuursoptreden verbonden.

     Met het feit dat de rechtmatigheidstoetsing was gericht op het concrete rechtsvaststellende handelen van het bestuur, was nauw verbonden de keuze voor een toetsing ex tunc.

     De tweede doelstelling is het bieden van rechtsbescherming. Gelet op de eenzijdigheid van het bestuurshandelen en de daarmee gepaard gaande ongelijkheid in de verhouding bestuursorgaan-burger, ligt het evenzeer voor de hand dat een bestuursrechtelijke procedure mede tot doel had het bieden van rechtsbescherming aan de burger tegen het eenzijdige optreden van de - machtige(r) - overheid. Daarmee is onverbrekelijk het begrip ongelijkheidscompensatie verbonden, waarmee wordt geduid op het feit dat door de inrichting van het bestuursprocesrecht en het optreden van de administratieve rechter daarin tegenwicht werd geboden tegen de voorsprong die het bestuursorgaan ten opzichte van de burger geacht werd te hebben, en vaak ook had. Wij merken op rblz.|32| dat het onderkennen van deze tweede doelstelling in de meeste gevallen heeft geleid tot een stelsel waarin het recht om het handelen van het bestuur ter toetsing aan de rechter voor te leggen, is toegekend aan degene wiens belang rechtstreeks bij dat handelen was betrokken. Slechts in enkele gevallen heeft de wetgever gekozen voor een zogenoemde actio popularis.

     Het onderscheiden van deze beide doelstellingen betekent overigens geenszins dat zij ook daadwerkelijk van elkaar kunnen worden gescheiden. Dat blijkt al uit het feit dat de handhaving van het objectieve recht van begin af aan toch meestal geschiedt via de ingang van de rechtsbescherming. Niettemin heeft het om analytische redenen zin dit onderscheid te maken.


2.2.2. Karakteristieken van het (klassieke) bestuursprocesrecht

     In de loop van de tijd heeft zich een aantal karakteristieken van het (klassieke) bestuursprocesrecht ontwikkeld. Het is overigens niet zo dat al deze karakteristieken zijn terug te vinden in alle thans bestaande regelingen van bestuursprocesrecht. Daarvoor is de historische ontwikkeling te divers geweest en beslaat zij een te lange periode. Voorts verschilt de uitwerking van een bepaalde karakteristiek nogal eens van regeling tot regeling. Verder merken wij op deze plaats alvast op dat de aanwezigheid van bepaalde karakteristieken in de huidige regelingen van bestuursprocesrecht niet impliceert dat deze ook aan het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht zouden moeten worden toegekend.

     In een bestuursrechtelijke procedure gaat het, zoals hiervoor gememoreerd, om een rechtmatigheidstoetsing ex tunc van het bestuurshandelen, op instigatie van één of meer belanghebbenden. Dat bestuurshandelen kent verschillende juridische verschijningsvormen. In de meeste bestuursrechtelijke wetgeving, waaronder ook de Awb, is gekozen voor aanknoping bij het besluit als meest karakteristieke verschijningsvorm.

     Als eerste karakteristiek van het bestuursprocesrecht kan derhalve worden genoemd het centraal stellen van de rechtmatigheidstoetsing ex tunc van een besluit.

     Een tweede belangrijke karakteristiek is het voorschrijven van korte beroepstermijnen. Zij vloeit voort uit de doelstelling van het handhaven van het objectieve publiekrecht en is ook uit een oogpunt van rechtsbescherming van belang. Essentieel daarbij is dat - behoudens de mogelijkheid van toetsing bij wege van exceptie in geval van een besluit van algemene strekking - binnen betrekkelijk korte termijn zekerheid wordt verkregen over de (on)rechtmatigheid van een besluit. Het leerstuk van de formele rechtskracht is daarmee verbonden.

     Een derde belangrijke karakteristiek van het bestuursprocesrecht is het zoeken naar de materiële waarheid. Zij vertaalt zich in een aantal kenmerken, die soms voortvloeien uit beide doelstellingen van het bestuursprocesrecht en soms het gevolg zijn van slechts één van die doelstellingen.

     Een wezenlijk kenmerk is dat de rechter, op zoek naar de relevante feiten, in belangrijke mate het verloop van de procedure bepaalt en niet alleen verplicht is ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen, maar ook nadrukkelijk bevoegd is op basis van eigen onderzoek tijdens het vooronderzoek en tijdens het onderzoek ter zitting ambtshalve de feiten aan te vullen. Men spreekt veelal van de actieve rechter of van de rechter rblz.|33| als dominus litis. Dit kenmerk hangt zowel samen met het handhaven van het objectieve publiekrecht als met het bieden van rechtsbescherming.

     In het verlengde van de actief onderzoekende attitude van de rechter ligt het vrijwel ontbreken van regels van materieel bewijsrecht in het bestuursprocesrecht. Onder meer daarmee hangt samen dat het bestuursrechtelijke geding als een eenheid wordt beschouwd, leidend tot één einduitspraak, en niet, zoals de dagvaardingsprocedure in het burgerlijk procesrecht, is geconstrueerd als een reeks van - in beginsel appellabele - tussenvonnissen, uiteindelijk gevolgd door een eindvonnis.

     Eveneens in het verlengde van de rechterlijke attitude in het bestuursprocesrecht ligt het gewicht dat van oudsher is toegekend aan het onderzoek ter zitting. De mondelinge behandeling kan een belangrijke bijdrage leveren aan het op tafel krijgen van de relevante feiten en omstandigheden. Zij kan verder bijdragen aan de compensatie van de ongelijkheid tussen partijen. Ten slotte kan zij fungeren als correctief op het hierna te memoreren gegeven dat in het bestuursprocesrecht geen sprake is van verplichte procesvertegenwoordiging of verplichte rechtsbijstand.

     Een opvallend kenmerk van het klassieke bestuursprocesrecht, voortvloeiend uit de doelstelling van het handhaven van het objectieve publiekrecht, is de bevoegdheid, ja soms zelfs de verplichting, van de rechter om bij de toetsing van het bestreden besluit buiten de grenzen van het beroepschrift te treden, het zogenoemde ultra petita gaan (vgl. artikel 69 [oud, red.], eerste lid, van de Beroepswet). Daarmee is verwant de mogelijkheid om de indiener van het beroepschrift in een slechtere positie te brengen dan vóór het instellen van beroep, de zogenoemde reformatio in peius (vgl. artikel 69 [oud, red.], tweede lid, van de Beroepswet).

     Als vierde karakteristiek, volgend uit de rechtsbeschermingsfunctie, noemen wij dat het bestuursprocesrecht voor de burger laagdrempelig is. Dat betekent dat het bestuursprocesrecht de belanghebbende burger in staat moet stellen om door middel van een eenvoudige rechtsingang, tegen betrekkelijk geringe kosten en met een betrekkelijk gering kostenrisico, zonder verplichte procesvertegenwoordiging of verplichte rechtsbijstand maar wel met de mogelijkheid van vertegenwoordiging of bijstand, en in een betrekkelijk informele procedure, de rechtmatigheid van een besluit van een bestuursorgaan in rechte aan te vechten.


2.2.3. Ontwikkelingen in het bestuursprocesrecht

     Hiervoor is benadrukt dat de conceptie van het eenzijdig jegens de burger vaststellen van diens rechtspositie door bestuursorganen, in hoge mate bepalend is geweest voor de ontwikkeling van het bestuursprocesrecht. Die ontwikkeling kent uiteraard een zekere dynamiek. In verband met de door ons gehanteerde, hierna uiteen te zetten, criteria bij het opstellen van het uniforme bestuursprocesrecht en de daarbij gemaakte keuzen is het van belang daaraan op deze plaats aandacht te besteden.

     De toetsing van veel van het bestuurshandelen vindt thans op een andere wijze plaats dan aan het begin van deze eeuw, toen - afgezien van de rechtspraak in belastingzaken - de eerste administratieve rechters hun intrede deden. In lijn met de toentertijd doorgaans aan bestuursorganen toegekende gebonden beschikkingsbevoegdheden bleef de toetsing beperkt tot de vaststelling van de feiten en de controle van de wetmatigheid van het bestuurshandelen. De hiervoor al gememoreerde snelle groei van de bestuursinstrumentele wetgeving, met name in de rblz.|34| periode na 1945, ging gepaard met toenemende discretionaire bevoegdheden van de bestuursorganen. Daardoor groeide de behoefte aan een juridische normering van de uitoefening van die discretionaire bevoegdheden, zowel bij de procedurele voorbereiding van een besluit als bij de aan een besluit ten grondslag liggende belangenafweging, zowel in abstracto als in concreto. Als gevolg daarvan zijn, in een voortdurende wisselwerking tussen rechtspraak en literatuur, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot ontwikkeling gebracht. Deze vonden in het geschreven recht een eerste, indirecte erkenning door het formuleren van beroepsgronden (of beter: toetsingsgronden) in de meeste regelingen van bestuursprocesrecht. In de Awb zullen enkele belangrijke algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden gecodificeerd. Met het volwassen worden van dit leerstuk heeft ook de feitelijke en de juridische verhouding tussen bestuursorgaan en burger een wijziging ondergaan. Weliswaar is in geval van besluiten formeel nog steeds sprake van eenzijdige rechtsvaststelling door het bestuur, materieel is, ook door de veranderende verhouding tussen burger en bestuur, een onmiskenbare tendens naar een meer wederkerige wijze van rechtsvaststelling ontstaan. In de memorie van toelichting bij de eerste tranche van de Awb zijn onze ambtsvoorgangers daarop ingegaan. Zij signaleren daar onder meer dat de verhouding tussen bestuursorgaan en burger in toenemende mate als een rechtsbetrekking moet worden aangemerkt, met wederzijdse rechten en plichten. Deze ontwikkeling, die nog lang niet volledig is uitgekristalliseerd, is ook van invloed op het bepalen van de doelstellingen en de vormgeving van het bestuursprocesrecht.

     Wij signaleren dat als gevolg van de hiervoor kort geschetste ontwikkeling, in de afgelopen jaren het primaat van de functie van het handhaven van het objectieve publiekrecht heeft plaatsgemaakt voor het primaat van de rechtsbeschermingsfunctie. Als gevolg van het toekennen van een groter gewicht aan de notie van de rechtsbetrekking is deze ontwikkeling gepaard gegaan met een - gelijktijdige - relativering van de gedachte van de ongelijkheidscompensatie. Wij zijn van oordeel dat deze ontwikkelingen in het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht tot uitdrukking moeten komen.

     Het is niet uitgesloten dat deze ontwikkelingen in de verdere toekomst zullen leiden tot een wezenlijk andere benadering van het bestuursprocesrecht. Staat nu nog de rechtmatigheidstoetsing ex tunc van een besluit centraal, denkbaar is dat, zoals dat ook in het burgerlijk procesrecht het geval is, de rechtsbetrekking ex nunc de inzet van de procedure wordt, waarbij ook aan het betrokken bestuursorgaan een actie toekomt. Als dat inderdaad te zijner tijd wenselijk blijkt te zijn, zal de verhouding tussen administratieve rechter en civiele rechter, en a fortiori tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht, opnieuw moeten worden doordacht.

     Verschillende keuzen zijn dan denkbaar. De meest vergaande keuze die kan worden gemaakt, is het ook processueel integreren van bestuursrechtspraak en civiele rechtspraak, eventueel met bijzondere voorzieningen voor procedures waarin een bestuursorgaan partij is. In die opzet vervalt het onderscheid zowel naar object als naar subject met het burgerlijk procesrecht en zijn derhalve een afzonderlijk bestuursprocesrecht en een afzonderlijk burgerlijk procesrecht overbodig. In dat verband verdient eveneens aandacht dat in recente jurisprudentie is vastgesteld dat bestuursrechtelijke onrechtmatigheid tevens civielrechtelijke onrechtmatigheid impliceert (Hoge Raad 31 mei 1991, RvdW 1991, 143, Van Gog-Nederweert) en dat evenzeer vaststaat dat bestuursorganen, ook als zij gebruik maken van het burgerlijk recht, zijn gebonden aan de rblz.|35| algemene beginselen van behoorlijk bestuur (Hoge Raad 27 maart 1987, NJ 1987, 727, m.nt. MS, en AB 1987, 273, m.nt. FHvdB en Amsterdam-lkon). Een andere, iets minder vergaande, mogelijkheid is dan de administratieve rechter bevoegd te maken voor alle geschillen over rechtsbetrekkingen waarin één van de partijen een bestuursorgaan is, dus ook als het bestuursorgaan gebruik heeft gemaakt van een aan het burgerlijk recht ontleende bevoegdheid. In die opzet, waarin het object maximaal wordt verruimd, blijft een afzonderlijk bestuursprocesrecht nodig, eventueel met bijzondere, aan het burgerlijk procesrecht ontleende voorzieningen. In een nog iets minder vergaande variant wordt de administratieve rechter bevoegd voor al het publiekrechtelijke handelen van bestuursorganen. De civiele rechter blijft dan bevoegd in de gevallen waarin een civielrechtelijke rechtsbetrekking aan de orde is. Ook in die optie, waarin de verruiming van het object wel groot maar niet maximaal is, is uiteraard een apart bestuursprocesrecht nodig.

     Hoe interessant deze bespiegelingen ook zijn, het zal duidelijk zijn dat het thans te vroeg is om daaraan operationele gevolgen te verbinden.

 

2.3. Uitgangspunten voor het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht


     In onderdeel 2.1 is uiteengezet waarom de voorkeur uitgaat naar één, uniform bestuursprocesrecht. Daarvan uitgaande, dienen de normen te worden geformuleerd waaraan het uniforme bestuursprocesrecht moet voldoen.

     Allereerst zijn de doelstellingen van het bestuursprocesrecht van belang. In overeenstemming met en als consequentie van de in onderdeel 2.2 geschetste ontwikkeling kiezen wij voor de rechtsbeschermingsfunctie als de rechtsbeschermingsfunctie als primaire doelstelling van het bestuursprocesrecht. Het bestuursprocesrecht dient derhalve een adequaat kader te bieden voor het bindend beslechten van een rechtsgeschil in de verhouding tussen burger en bestuursorgaan.

     Eén en ander betekent dat die kenmerken van de bestaande regelingen van bestuursprocesrecht die uitsluitend dienstbaar kunnen zijn aan het verwezenlijken van de doelstelling van het handhaven van het objectieve publiekrecht, in de nieuwe opzet niet terugkeren. Het betekent ook dat de keuze van de wetgever voor de primaire doelstelling onder omstandigheden voor de rechter redengevend kan zijn bij de uitleg en de toepassing van het bestuursprocesrecht. Uit het voorgaande volgt overigens niet dat het handhaven van het objectieve publiekrecht in het geheel geen rol meer speelt. Voor elke regeling van procesrecht - die immers uit de aard der zaak dienstbaar is aan het geldend maken van aan het materiële recht ontleende aanspraken - geldt dat haar toepassing leidt tot het handhaven van het objectieve recht. Dat is voor het bestuursprocesrecht niet anders. Waar het om gaat, is dat als gevolg van de veranderde verhouding tussen bestuursorgaan en burger de handhaving van het objectieve publiekrecht niet langer een zelfstandige, laat staan de primaire, doelstelling van het bestuursprocesrecht kan zijn. Maar ook voor de rechtsbeschermingsfunctie geldt dat onder ogen moet worden gezien in hoeverre de gewijzigde verhouding tussen bestuursorgaan en burger vraagt om veranderingen in het op basis van die doelstelling op te stellen bestuursprocesrecht. Met andere woorden: er dient een nieuw evenwicht te worden gevonden. Bij dat laatste denken wij nadrukkelijk ook aan het, algemene, belang dat is gemoeid met een zo spoedig mogelijke afdoening van bestuursrechtelijke geschillen. Daarmee verwant is het uitgangspunt van de proceseconomie. Zowel bij rblz.|36| het opstellen van regels van procesrecht als bij de uitleg en de toepassing daarvan dient het gezichtspunt van efficiency en effectiviteit nadrukkelijk te worden betrokken. Het is immers zowel voor partijen als voor de rechter van belang dat het bestuursprocesrecht zelf geen belemmeringen opwerpt voor een adequate beslechting van geschillen in de verhouding tussen burger en bestuursorgaan. Het uitgangspunt van de proceseconomie mag echter niet prevaleren boven het streven naar de handhaving en de verdere verbetering van de juridische kwaliteit en het gehalte van de rechtspraak.

     Tegen de achtergrond van deze doelstellingen heeft het door ons voorgestelde uniforme bestuursprocesrecht de volgende karakteristieken.

     Ook in de nieuwe opzet staat de rechtmatigheidstoetsing ex tunc van een besluit centraal. Uit een oogpunt van rechtsbescherming, maar evenzeer uit een oogpunt van doelmatige en doeltreffende geschillenbeslechting, dienen de nadelige consequenties van het noodzakelijkerwijs thans handhaven van deze benadering zoveel mogelijk te worden geredresseerd. Dit leidt ertoe de rechter de bevoegdheid te geven om, waar dat mogelijk is, zelf in de zaak te voorzien. De rechter kan en zal daarbij rekening houden met na het instellen van het beroep opgekomen feiten en omstandigheden. Daarbij geldt uiteraard in beginsel de grens dat de rechter slechts dan zelf in de zaak mag voorzien als na de vernietiging rechtens maar één beslissing mogelijk is (zie verder de toelichting op artikel 8.2.6.6 van de Awb). In dit verband komt ook betekenis toe aan het feit dat, voorafgaand aan maar ook tijdens de zitting, meer en meer contacten tussen partijen plaatshebben, al dan niet op initiatief van de rechter. Het voorgaande leidt er eveneens toe dat een vernietiging waarmee partijen niets opschieten, dient te worden vermeden (vgl. artikel 6.2.14 [6:22] van de Awb). Ten slotte dienen aan de rechter, onderscheidenlijk aan partijen, adequate middelen ten dienste te staan om de naleving van rechterlijke uitspraken af te dwingen. Het nieuwe bestuursprocesrecht voorziet in dit alles, daarmee een einde makend aan de bestaande uiteenlopende en op onderdelen lacuneuze uitspraakbevoegdheden van de verschillende administratieve rechters. Het biedt aldus aan de rechter alle ruimte om te komen tot een materiële oplossing van het geschil.

     Het uitgangspunt van de korte beroepstermijnen is, vooral vanwege het centraal blijven stellen van de rechtmatigheidstoetsing van een besluit, gehandhaafd.

     Het streven naar het zoeken van de materiële waarheid blijft in de nieuwe opzet overeind, maar is in zijn uitwerking belangrijk gerelativeerd.

     Een belangrijke relativering is dat de rechter in beginsel is gebonden aan de omvang van het geschil zoals door de indiener van het beroepschrift - en mogelijke derden-belanghebbenden - aan hem voorgelegd. Meer is, gelet op de rechtsbeschermingsfunctie van het bestuursrechtelijk geding en het gegeven van het bestaan van een rechtsbetrekking tussen partijen, niet nodig en ook niet gewenst. De rechter behoort derhalve niet buiten de omvang van het voorgelegde geschil te treden, niet ultra petita te gaan. Dit is neergelegd in het voorgestelde artikel 8.2.6.4 [8:69], eerste lid, van de Awb.

     Een tweede, daarmee samenhangende en eveneens uit artikel 8.2.6.4 [8:69], eerste lid, voortvloeiende relativering is dat de mogelijkheid van reformatio in peius in strikte zin verdwijnt (zie de toelichting op artikel 8.2.6.4 [8:69], eerste lid).

     rblz.|37| Wat blijft, is de actieve rechter, en daarmee de verplichting van de rechter om ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (artikel 8.2.6.4 [8:69], tweede lid) en de bevoegdheid om ambtshalve de feiten aan te vullen (artikel 8.2.6.4 [8:69], derde lid). Met name het laatste punt kan worden gezien als een specifiek kenmerk van het bestuursprocesrecht. Het volgt rechtstreeks uit de ongelijkheidscompensatie. Daarmee dient de rechter bij de toepassing rekening te houden: naarmate de ongelijkheid in casu minder is (dat zou bijvoorbeeld kunnen in een geschil tussen een groot bedrijf en een kleine gemeente of tussen twee min of meer gelijkwaardige bestuursorganen), is er minder reden om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

     Wat eveneens blijft, is het vrijwel ontbreken van regels van materieel bewijsrecht. Artikel 8.2.6.4 [8:69] kan worden beschouwd als het enige artikel waarin materieel bewijsrecht is opgenomen: het schrijft de rechter dwingend voor waarop hij zijn uitspraak zal moeten baseren. In een stelsel waarin de rechter de bevoegdheid heeft ambtshalve de feiten aan te vullen, is aan een wettelijk stelsel van materieel bewijsrecht niet of nauwelijks behoefte. Dat neemt niet weg dat de rechter, afhankelijk van onder meer de verhouding tussen partijen, de aard van het geschil en de in het geding zijnde feiten naar redelijkheid en billijkheid stelplicht en bewijslast over de partijen heeft te verdelen. Het nieuwe bestuursprocesrecht bevat uiteraard wel regels van formeel bewijsrecht. Daarbij is gestreefd naar harmonisatie met bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafvordering (voor een bespreking ten gronde van de verhouding tussen het bestuursprocesrecht en het burgerlijk procesrecht verwijzen wij naar onderdeel 2.4). In verband met het voorgaande is ook de eenheid van het bestuursrechtelijk geding gehandhaafd. Dat betekent dat niet zelfstandig kan worden geappelleerd tegen beslissingen die de rechter in de loop van het proces heeft genomen. Gelet op de discretionaire aard van de aan de rechter toegekende processuele bevoegdheden en op het feit dat niet in alle gevallen hoger beroep openstaat, verdient het aanbeveling dat de rechterlijke colleges die het uniforme bestuursprocesrecht toepassen, in goed overleg - en uiteraard met behoud van ieders onafhankelijkheid - beleid ontwikkelen om een beredeneerd en voorspelbaar gebruik van deze discretionaire bevoegdheden te bevorderen. In de gevallen waarin wel hoger beroep openstaat, kan uiteraard tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak worden geklaagd over tussenbeslissingen. Voorts kan in klemmende gevallen de rechtseenheidsvoorziening uitkomst bieden.

     Als consequentie van het handhaven van de actief onderzoekende attitude van de rechter hebben wij ernaar gestreefd de rechter een gedifferentieerd instrumentarium te verschaffen om een bij hem aanhangig gemaakte zaak telkens te kunnen behandelen op de wijze die voor die zaak passend is. De rechter heeft telkens de mogelijkheid te kiezen van welke processuele bevoegdheden hij op een bepaald moment in een concrete zaak gebruik wenst te maken. Nadat de zaak aanhangig is gemaakt, beslist derhalve de rechter - zoals gezegd binnen de grenzen van het aan hem voorgelegde geschil - hoe de verdere gang van zaken zal zijn. In die zin is hij dominus litis. Zo bepaalt de rechter hoe uitvoerig het vooronderzoek (afdeling 8.2.2) zal zijn en of eventueel de procedure van de versnelde behandeling (afdeling 8.2.3) wordt gevolgd. Ook kan de rechter het initiatief nemen om te bewerkstelligen dat het vooronderzoek niet zal worden gevolgd door een onderzoek ter zitting (afdeling 8.2.5). Daarbij past overigens de kanttekening dat in de meeste gevallen waarin een zaak niet volgens de procedure van de vereenvoudigde behandeling is afgedaan (afdeling 8.2.4) of waarin tijdens het vooronderzoek geen rblz.|38| mondelinge uitwisseling van standpunten heeft plaatsgevonden, het onderzoek ter zitting van groot gewicht zal blijven, zeker in de gevallen waarin de burger in persoon en zonder rechtsbijstand procedeert. Onder omstandigheden zal de rechter ook in andere gevallen toch kunnen kiezen voor een zitting, om zo de burger zijn "day in court" niet te onthouden. Voorts wijzen wij erop dat de rechter alle mogelijkheden heeft om desgeraden te trachten tot een schikking tussen partijen te komen.

     Het zal duidelijk zijn dat ook het nieuwe bestuursprocesrecht beoogt laagdrempelig te zijn. Gehandhaafd zijn daarom de eenvoudige rechtsingang, de betrekkelijk geringe kosten voor het instellen van beroep bij de rechter in eerste aanleg, het niet voorschrijven van procesvertegenwoordiging of rechtsbijstand en de betrekkelijk informele procedure. Op een tweetal punten zijn wijzigingen aangebracht. Ten eerste wordt als uitvloeisel van het toekennen van gewicht aan de veranderde verhouding tussen burger en bestuursorgaan in dit wetsvoorstel naast de mogelijkheid van een kostenveroordeling van het bestuursorgaan ook een kostenveroordeling van de burger mogelijk gemaakt. Ten tweede wordt, met het oog op het bevorderen van de doelmatige en doeltreffende beslechting van bestuursrechtelijke geschillen, voor het instellen van hoger beroep in beginsel een substantieel hoger griffierecht gevraagd.

     Wij menen te mogen concluderen dat met het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan de handhaving en de verdere verbetering van de juridische kwaliteit en het gehalte van de bestuursrechtspraak, aan de vergroting van de cliëntgerichtheid van de bestuursrechtspraak en aan de verbetering van het evenwicht binnen de rechterlijke organisatie. De meest in het oog springende verdienste lijkt ons te zijn het uniforme karakter van het nieuwe bestuursprocesrecht. Als zodanig levert het een grote bijdrage aan het deregulerende karakter van dit wetsvoorstel. Daarnaast wijzen wij op het vooropstellen van de rechtsbeschermingsfunctie van het bestuursproces, op het opvullen van nogal wat in de huidige regelingen van bestuursprocesrecht bestaande lacunes, op het globale, informele, eenvoudige en gedifferentieerde karakter van het bestuursprocesrecht, op de gerichtheid op het adequaat beslechten van bestuursrechtelijke geschillen en op het begin van harmonisatie met het burgerlijk procesrecht en - in mindere mate - het strafprocesrecht.

     In de toelichting op de afzonderlijke artikelen zal waar nodig meer gedetailleerd worden ingegaan op het hiervoor gestelde.

 

2.4. Bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht


     De vertrekpunten van het bestuursproces en het burgerlijk proces zijn traditioneel verschillend. In het bestuursproces heeft van oudsher de rechtmatigheidstoetsing ex tunc van het besluit, als produkt van de eenzijdige rechtsvaststelling door een bestuursorgaan in een situatie van ongelijkwaardigheid, centraal gestaan. Het burgerlijk proces - wij beperken ons voorshands tot de klassieke dagvaardingsprocedure - is eertijds opgezet als een kader voor de effectieve beslechting van een rechtsstrijd ex nunc tussen twee gelijkwaardige partijen in het kader van de tussen die partijen bestaande rechtsbetrekking.

     Deze verschillende vertrekpunten hebben geleid tot uiteenlopende karakteristieken van de beide typen van procesrecht. Zonder uitputtend te willen zijn, wijzen wij op de volgende verschillen. Het uitgangspunt van rblz.|39| de gelijkwaardigheid van partijen leidt onder meer tot een grotere rol van de partij-autonomie in het burgerlijk procesrecht, de van oudsher als lijdelijk aangemerkte attitude van de rechter, het bestaan van een gedifferentieerd stelsel van regels van materieel bewijsrecht en daarmee van een procesvorm die werkt met in beginsel appellabele interlocutoire vonnissen, en het beginsel van de niet-kosteloosheid (substantieel griffierecht en doorgaans imperatieve veroordeling in de kosten van de in het ongelijk gestelde partij) van de procedure. Het feit dat het burgerlijk proces niet primair is gericht op de handhaving van eenzijdig door een bestuursorgaan jegens een burger vastgesteld recht brengt onder meer mee dat de inzet van de procedure is de rechtsbetrekking tussen partijen en dat door de rechter een beslissing "op maat" wordt gegeven die ex nunc de rechtsstrijd beslecht.

     Zoals het klassieke bestuursrechtelijke geding zich in de tijd heeft ontwikkeld, zo heeft ook het klassieke burgerlijk proces zich verder ontwikkeld. En ook daarvoor geldt dat die ontwikkeling nog lang niet is uitgekristalliseerd. Wij wijzen op enkele punten.

     Naast de traditionele dagvaardingsprocedure is in het burgerlijk procesrecht de - eigenlijke - verzoekschriftprocedure (artikelen 429a tot en met 429r van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) tot ontwikkeling gekomen. Deze procedure, die met name is bedoeld voor geschillen over rechten die niet ter vrije bepaling van partijen staan, wijkt op niet onbelangrijke onderdelen af van de dagvaardingsprocedure en vertoont belangrijke overeenkomsten met het bestuursprocesrecht. Een voorbeeld is het informele karakter van de procedure en de pregnantere rol van de mondelinge behandeling. Ook wijzen wij op het feit dat artikel 176, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een relativering bevat van de regel dat de rechter door een partij gestelde en door een andere partij niet of niet voldoende betwiste feiten of rechten als tussen partijen vaststaand moet beschouwen voor het geval het gaat om rechten die niet ter vrije bepaling van partijen staan.

     Maar ook in de dagvaardingsprocedure zijn in de loop van de tijd veranderingen opgetreden. Daarvoor zijn twee hoofdoorzaken aan te geven. Ten eerste strookt het uitgangspunt van de gelijkwaardigheid van partijen lang niet altijd met de concrete maatschappelijke werkelijkheid. Ten tweede heeft zich, deels daarmee samenhangend, meer en meer de noodzaak opgedrongen om ook in burgerlijke procedures tot snellere eindbeslissingen te komen. Wij wijzen op enkele van de als gevolg daarvan opgetreden en optredende veranderingen. Opvallend is de actievere rol van de rechter en de daarmee corresponderende beperking van de partij-autonomie, onder meer tot uitdrukking komend in de wettelijke regeling van de comparitie na antwoord (artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Even opvallend is de hoge vlucht die het kort geding heeft genomen. Verder wijzen wij op het recentelijk ingevoerde nieuwe artikel 110 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dat de rechter meer bevoegdheden toekent in "kleine" zaken.

     Uit het voorgaande kunnen enkele conclusies worden getrokken.

     Ten eerste dat het bestuursprocesrecht en het burgerlijk procesrecht naar elkaar toegroeien. Daarbij is sprake van wederzijdse beweging en wederzijdse beïnvloeding. Dit proces zal in belangrijke mate kunnen worden versterkt door de personele en organisatorische integratie van de rechtspraak in eerste aanleg in het kader van de eerste fase - en straks in de tweede fase - van de herziening van de rechterlijke organisatie. rblz.|40| Daardoor zal zeker sprake zijn van wederzijdse beïnvloeding en bevruchting van verschillende rechtsculturen. Wij tekenen hierbij wel aan dat niet mag worden vergeten dat op onderdelen, juist door de verschillende vertrekpunten, ook belangrijke verschillen bestaan. Vooral het materiële bewijsrecht in de dagvaardingsprocedure is daarvan een voorbeeld. Wij verwijzen naar de artikelen 176, eerste lid, 177, 178 en 181, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

     Ten tweede dat ook los daarvan en los van elkaar het bestuursprocesrecht en het burgerlijk procesrecht in beweging zijn. Voor het bestuursprocesrecht leidt dat tot een ingrijpende aanpassing in het kader van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie. Voor het burgerlijk procesrecht zal dat, in het voetspoor van reeds tot stand gebrachte en al in gang gezette aanpassingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, leiden tot een ingrijpende aanpassing van het Eerste Boek in het kader van de tweede fase van de herziening van de rechterlijke organisatie.

     Voor het onderhavige wetsvoorstel betekenen deze twee waarnemingen dat bij het opstellen van een nieuw, uniform bestuursprocesrecht terughoudendheid dient te worden betracht in het overnemen van aan het burgerlijk procesrecht ontleende regels. Daarvoor is op onderdelen nog steeds sprake van te grote verschillen. Bovendien zijn niet alle regels van burgerlijk procesrecht op dit moment een voldoende rustig bezit. Het voorgaande neemt echter niet weg dat waar dat verantwoord leek, is gestreefd naar harmonisatie. Sprekende voorbeelden daarvan zijn het van overeenkomstige toepassing verklaren van regels van formeel bewijsrecht en het volledig op elkaar stemmen van de regeling van de wraking en de verschoning. Dat laatste geldt trouwens ook voor het Wetboek van Strafvordering. Bij de aanpassing van het burgerlijk procesrecht in de tweede fase van de herziening van de rechterlijke organisatie zal een overeenkomstige gedragslijn worden gevolgd. Pas in de derde fase zal mogelijk een synthese in dit welhaast dialektische proces tot stand kunnen worden gebracht.

     Tot slot wijzen wij nog op twee punten die ook in een latere fase de nodige aandacht zullen vragen. Ten eerste zal, gelet op het toenemende belang van bestuursrechtelijke sancties, moeten worden bezien of op dit punt afstemming tussen het bestuursprocesrecht en het strafprocesrecht nodig is. Ten tweede zal aandacht moeten worden geschonken aan de vraag of het wenselijk is te komen tot een codificatie van algemene regels van procesrecht.

 

2.5. Systematiek van het nieuwe bestuursprocesrecht


     Bij het opstellen van hoofdstuk 8 van de Awb is consequent gestreefd naar een heldere en logische systematiek binnen het bestuursprocesrecht. Aan de gekozen systematiek liggen drie leidende principes ten grondslag. Ten eerste dat de verschillende fasen - en de verschillende afdoeningsmodaliteiten binnen de procedure - in de structuur tot uitdrukking moeten komen. Ten tweede dat de chronologie van de procedure in de volgorde van de titels, afdelingen en artikelen moet zijn terug te vinden. Ten derde dat datgene wat inhoudelijk bij elkaar hoort, ook bij elkaar moet worden geplaatst. Deze principes zijn in de praktijk vrijwel steeds met elkaar verzoenbaar gebleken.

     Een bijzonder probleem daarbij is de relatie tussen hoofdstuk 8 en hoofdstuk 6. Hoofdstuk 6 bevat algemene bepalingen over bezwaar en beroep (dat wil zeggen administratief beroep en beroep bij een administratieve rblz.|41| rechter). Voor deze opzet is indertijd gekozen onder meer om aldus op onderdelen de grote hoeveelheid bestaande regelingen van bestuursprocesrecht enigszins te harmoniseren. In de memorie van toelichting bij de eerste tranche van de Awb is aangegeven dat op het moment dat in hoofdstuk 8 een algemene regeling van bestuursprocesrecht wordt opgenomen, hoofdstuk 6 zal worden herzien, waarbij een deel van de bepalingen zal worden overgebracht naar hoofdstuk 7, onderscheidenlijk hoofdstuk 8. Nu reeds thans een hoofdstuk 8 in de Awb wordt opgenomen, dat bovendien door het overgrote deel van de administratieve rechters zal worden toegepast, zijn wij geconfronteerd met de vraag of de herziening van hoofdstuk 6 meteen nu al zou moeten worden aangevat. Wij hebben besloten daarvan op dit moment af te zien, vooral omdat het gelet op de beoogde gelijktijdige inwerkingtreding van de eerste en de tweede tranche niet aangewezen lijkt nu nog grote wijzigingen in de eerste tranche aan te brengen. Deze keuze heeft gevolgen voor de verhouding tussen hoofdstuk 8 en hoofdstuk 6. In zekere zin wordt nu - tijdelijk - een bijzondere regeling, namelijk die van het beroep bij de rechtbank, in de Awb opgenomen. Dat betekent dat hoofdstuk 8 steeds in samenhang met hoofdstuk 6 moet worden gelezen, alsmede dat in hoofdstuk 6 bepalingen voorkomen (zoals de artikelen 6.2.0 [6:4] en 6.2.0a [6:5]) die voor zover het het beroep bij de administratieve rechter betreft, systematisch eigenlijk in hoofdstuk 8 thuishoren.

     Verder is in dezen van belang dat de Wet RO bepalingen bevat die voor alle zaken waarin de rechtbank bevoegd is - dus ook de civiele en de strafzaken - van toepassing zijn, zoals de besluitvormingsregeling van artikel 26 en de geheimhoudingsbepalingen van de artikelen 28 en 28a. Ook die dienen telkens in ogenschouw te worden genomen.

     Eén en ander heeft geleid tot de volgende opzet.

Hoofdstuk 8. Beroep bij de rechtbank
Titel 8.1. Algemene bepalingen
Afdeling 8.1.1. Bevoegdheid
Afdeling 8.1.2. Behandeling door een enkelvoudige en een meervoudige kamer
Afdeling 8.1.3. Verwijzing, voeging en splitsing
Afdeling 8.1.4. Wraking en verschoning van rechters
Afdeling 8.1.5. Partijen
Afdeling 8.1.6. Getuigen, deskundigen en tolken
Afdeling 8.1.7. Verzending van stukken
Titel 8.2. Behandeling van het beroep
Afdeling 8.2.1. Griffierecht
Afdeling 8.2.2. Vooronderzoek
Afdeling 8.2.3. Versnelde behandeling
Afdeling 8.2.4. Vereenvoudigde behandeling
Afdeling 8.2.5. Onderzoek ter zitting
Afdeling 8.2.6. Uitspraak
Titel 8.3. Voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak in de hoofdzaak
Titel 8.4. Herziening.

     De stof van hoofdstuk 8 is dus verdeeld over vier titels. Titel 1 bevat algemene bepalingen die van belang zijn voor het gehele hoofdstuk. De titels 2, 3 en 4 hebben betrekking op de wijze waarop het beroep wordt behandeld (2), een afzonderlijke regeling voor de voorlopige voorziening (3) en een afzonderlijke regeling voor de herziening (4).

     rblz.|42| Titel 8.1 bevat vier categorieën bepalingen. Afdeling 8.1.1 bevat de regeling voor de absolute en de relatieve competentie. De afdelingen 8.1.2, 8.1.3 en 8.1.4 hebben primair betrekking op de rechtbank en de rechters. De afdelingen 8.1.5 en 8.1.6 bevatten algemene bepalingen over de (overige) procesdeelnemers. Door opneming in titel 8.1 wordt bereikt dat deze bepalingen slechts één keer behoeven te worden opgeschreven. Afdeling 8.1.7 ten slotte regelt de verzending van stukken.

     Titel 8.2 is de kern van het bijzondere gedeelte van hoofdstuk 8. Hierin wordt de procedure in eerste aanleg van begin tot eind chronologisch beschreven. Afdeling 8.2.1 regelt het griffierecht. Vervolgens komt het vooronderzoek, de eerste fase van de behandeling, aan de orde (afdeling 8.2.2). In de regel wordt het vooronderzoek volgens afdeling 8.2.2 afgewerkt en volgt het onderzoek ter zitting (afdeling 8.2.5). Afdeling 8.2.3 biedt de mogelijkheid van versnelde behandeling. Zij houdt in een beperking dan wel verkorting van het vooronderzoek. Om die reden is deze afdeling direct na afdeling 8.2.2 geplaatst. Behalve de versnelde behandeling is er ook nog de vereenvoudigde behandeling (afdeling 8.2.4). Zij houdt in dat de rechtbank onder omstandigheden het onderzoek kan beëindigen en daarover uitspraak doet zonder dat de zaak ter zitting wordt behandeld. Ook deze afdeling moet dus na afdeling 8.2.2 en voor afdeling 8.2.5 worden geplaatst. In alle gevallen - gewone behandeling, versnelde behandeling, vereenvoudigde behandeling - eindigt de zaak nadat het onderzoek is gesloten met een uitspraak. De uitspraak is geregeld in afdeling 8.2.6.

     De voorlopige voorziening is opgenomen in een aparte titel 8.3. Het gaat daarbij immers niet, afgezien van de mogelijkheid van "kortsluiting" in artikel 8.3.8 [8:86], om de behandeling van het beroep. Uiteraard zijn waar mogelijk de procedurele bepalingen van titel 8.2 van overeenkomstige toepassing verklaard.

     Titel 8.4 ten slotte houdt de mogelijkheid van herziening in. Deze bijzondere regeling dient eveneens in een afzonderlijke titel te worden opgenomen.

 

2.6. Enkele rechtsvergelijkende opmerkingen


2.6.1. Algemeen

     In het onderstaande wordt ingegaan op de regeling van een aantal belangrijke onderdelen van het bestuursprocesrecht en het stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in de Bondsrepubliek Duitsland en Frankrijk. Vergelijking van de in het onderhavige voorstel van wet ontworpen regeling met die van de stelsels van rechtsbescherming in ons omringende landen kan zinvol zijn, al moet men uiteraard voorzichtig zijn met het verbinden van conclusies aan een dergelijke exercitie. De regeling van de rechtsbescherming in de verschillende landen is immers de resultante van de historische ontwikkeling in die landen. Zo kan het hierna nog te vermelden feit dat in Frankrijk veel procesrechtelijke normen uitsluitend tot de jurisprudentie zijn te herleiden en niet in wetgeving zijn neergelegd, wellicht mede worden verklaard uit het feit dat al sinds 1872 de Conseil d'Etat als hoogste rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht functioneert. De Conseil d'Etat verkeert daardoor in zekere zin in de positie van wetgever-plaatsvervanger. In Duitsland daarentegen moest men na 1945 als het ware geheel opnieuw beginnen.

     rblz.|43| Het onderhavige voorstel van wet kan uiteraard op zijn beurt niet worden los gezien van de historische ontwikkeling zoals die zich in Nederland heeft voltrokken. Daarom is rechtsvergelijking, hoe inspirerend deze ook kan zijn, slechts van betrekkelijke waarde bij de bepaling van de meest wenselijke vormgeving van de rechtsbescherming hier te lande. Niettemin achten wij het zinvol een korte beschrijving te geven van de stelsels in deze ons omringende landen.


2.6.2. De regeling van het bestuursprocesrecht

     In Duitsland bestaan afzonderlijke procesregelingen voor de algemene bestuursrechtspraak, de rechtspraak in socialezekerheidszaken en de rechtspraak in belastingszaken. Het procesrecht voor de algemene bestuursrechtspraak (organisatie, competentie en procedure) is geregeld in de Verwaltungsgerichtsordnung (VwGO), Wet van 21 januari 1960, BGBI. I, p. 17, dat voor de sociale-zekerheidsrechtspraak in het Sozialgerichtsgesetz (SGG), Wet van 23 september 1975, BGBI. I, p. 2535, en dat voor de belastingrechtspraak in de Finanzgerichtsordnung (FGO), Wet van 6 oktober 1965, BGBI. I, p. 1477. Omdat tussen deze drie procesregelingen vele overeenkomsten bestaan, zijn sinds de jaren zeventig pogingen ondernomen om tot harmonisatie te komen. Deze pogingen hebben geresulteerd in een Entwurf Verwaltungsprozessordnung (Drucksache 10/3437), dat weliswaar bij de Bondsdag is ingediend, maar dat in 1987 aan het einde van de tiende zittingsperiode van de Bondsdag van rechtswege is vervallen. Het ontwerp zal niet opnieuw worden ingediend. Een aantal bepalingen uit het ontwerp is recentelijk samengevoegd met bepalingen uit het van 1978 daterende Entlastungsgesetz (Gesetz zur Entlastung der Gerichte in der Verwaltungs- und Finanzgerichtbarkeit (EntlG), Wet van 31 maart 1978, BGBI. I, p. 446). Laatstbedoelde wet strekt ertoe de werkdruk van de rechterlijke instanties te verlichten door vereenvoudiging en versnelling van de procedures bij de gerechten. De samengevoegde bepalingen zijn op 1 januari 1991 als vierde wijziging van de VwGO in werking getreden. De kans op een verdere harmonisatie van het bestuursprocesrecht wordt voor de komende tijd gering geacht (vgl. Stelkens, Das Gesetz zur Neuregelung des verwaltungsgerichtlichen Verfahrens (4. VwGOAndG) - das Ende einer Reform?, in: NVwZ 1991, p. 209).

     In Frankrijk ontbreekt een algemene codificatie van het bestuursprocesrecht. Zelfs het procesrecht voor de algemene administratieve rechtspraak vindt men verspreid over verschillende wettelijke regelingen. Veel procesrechtelijke normen zijn uitsluitend tot de jurisprudentie te herleiden.


2.6.3. De organisatie van de bestuursrechtspraak

     De organisatie van de bestuursrechtspraak in Frankrijk en Duitsland verschilt sterk.

     In Duitsland is eveneens een organisatorische scheiding van de gewone rechterlijke macht en de gerechten die met bestuursrechtspraak zijn belast, voltrokken. Hier heeft het beginsel van de machtenscheiding er evenwel toe geleid dat de rechtspraak in bestuursrechtelijke zaken niet werd opgedragen aan een instantie die mede is belast met bestuurlijke advisering. Er bestaan naast een rechterlijke kolom met een algemene bevoegdheid in bestuursrechtelijke zaken (allgemeine Verwaltungsgerichtsbarkeit) ook verschillende bijzondere bestuursrechtelijke kolommen (besondere Gerichtsbarkeiten) met een naar beleidsterrein bepaalde rechtsmacht, met name bijzondere gerechten waaraan de rechtspraak rblz.|44| inzake de sociale zekerheid (de Sozialgerichtsbarkeit) en de rechtspraak in belastingzaken (Finanzgerichtsbarkeit) zijn opgedragen. Verder zijn er nog arbeidsgerechten, die eveneens los staan van de gewone rechterlijke macht. Het stelsel van vijf rechterlijke kolommen is verankerd in de Grondwet, die het instellen van hoogste bondsgerechten voor elk van deze rechterlijke kolommen voorschrijft.

     In Duitsland is de algemene administratieve rechtspraak in eerste aanleg opgedragen aan de Verwaltungsgerichte. De Oberverwaltungsgerichte fungeren doorgaans als appelrechter (Berufung), terwijl de cassatierechtspraak (Revision) bij het Bundesverwaltungsgericht berust. Bij het Bundesverwaltungsgericht kan men slechts klagen over schending van bondsrecht. Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat op grond van de VwGO het Oberverwaltungsgericht bij landswet in bepaalde gevallen als Revisionsrechter kan worden aangewezen.

     In enkele gevallen treden het Oberverwaltungsgericht en het Bundesverwaltungsgericht op als gerechten van eerste aanleg. Zo zijn de Oberverwaltungsgerichte ingevolge het Entlastungsgesetz belast met de rechtspraak in eerste aanleg in geschillen over grote projecten, zoals kerncentrales, afvalverbrandingsinstallaties en vliegvelden. Ter compensatie van het verlies van een feitelijke rechterlijke instantie en vanwege de bijzondere betekenis in politiek, juridisch en economisch opzicht is bepaald dat de Oberverwaltungsgerichte over deze geschillen oordelen in een uitgebreide samenstelling. De bondsregering heeft ervan afgezien deze regeling over te nemen in het Entwurf Verwaltungsprozessordnung. Zij was van mening dat juist bij dergelijke complexe geschillen behandeling door twee feitelijke instanties noodzakelijk kan zijn (Drucksache 10/3437, p. 87).

     Hoger beroep en cassatie zijn in Duitsland in een aantal gevallen afhankelijk gemaakt van verlof. Het Entlastungsgesetz heeft dat voor het hoger beroep bijvoorbeeld voorgeschreven voor alle geschillen waarvan de geldswaarde een bepaald bedrag niet te boven gaat. Het verlofvereiste geldt echter niet indien de eerste rechter de zaak vereenvoudigd heeft afgedaan. Verder is geregeld dat het verlof moet worden verleend indien het geschil van principiële betekenis is dan wel berust op een afwijking van de jurisprudentie, dan wel bijzondere moeilijkheden van feitelijke of juridische aard oplevert. Verlof zou voorts moeten worden verleend in geval van een proceduregebrek bij de behandeling van de zaak door de rechter van eerste aanleg. Ook voor het cassatieberoep geldt in Duitsland in beginsel het verlofvereiste. De toelatingsvereisten zijn in grote lijnen dezelfde als die waren opgenomen in het Entwurf Verwaltungsprozessordnung.

     In het Franse model is de rechtsbescherming van de burger tegen het bestuur in beginsel toevertrouwd aan bijzondere - strikt van de gewone rechterlijke macht gescheiden - gerechten, die ressorteren onder de Conseil d'Etat als hoogste rechterlijke instantie op het gebied van het bestuursrecht. Ofschoon in Frankrijk thans garanties bestaan voor de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de bestuursrechtspraak, wordt de Conseil d'Etat er toch gezien als een tot het bestuur behorend bifunctioneel orgaan, waarin de functies rechtspraak en bestuurlijke advisering bij elkaar komen. De lagere bestuursrechtspraak berust op hetzelfde model. Hierin wordt een waarborg voor een evenwichtige rechterlijke afweging van algemene en bijzondere belangen gezien. Naast de algemeen bevoegde administratieve gerechten zijn er nog bestuursrechtelijke instanties met een bijzondere bevoegdheid. Voorbeelden ervan treft men aan op het gebied van de openbare financiën en de rblz.|45| sociale zekerheid. Kenmerkend voor deze jurisdictions spécialisées is dat cassatieberoep openstaat op de Conseil d'Etat.

     In Frankrijk berust de algemene bevoegdheid in bestuursrechtelijke zaken bij 31 administratieve rechtbanken (tribunaux administratifs). Hun competentie wordt beperkt door die van de bijzondere administratieve gerechten en de gewone rechterlijke macht. In sommige gevallen - bijvoorbeeld bij geschillen over besluiten inhoudende het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (actes réglementaires) door organen van de centrale overheid - is de Conseil d'Etat in eerste en enige aanleg bevoegd.

     Van het hoger beroep nemen sinds 1 januari 1989 vijf administratieve hoven van beroep (cours administratives d'appèl) kennis. Als voorzitters van deze hoven fungeren leden van de Conseil d'Etat. De hoven nemen kennis van in beginsel alle beroepen ingesteld tegen uitspraken van de administratieve rechtbanken. Tot de uitzonderingen behoren beroepen ingesteld tegen uitspraken betreffende besluiten inhoudende het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften door een bestuursorgaan van de gedecentraliseerde overheid, enkele kiesrechtgeschillen en door de burgerlijke rechter prejudicieel opgeworpen verklaringen voor bestuursrecht. Vooralsnog, totdat de regering bij decreet procesrechtelijke maatregelen zal hebben genomen, blijft de kennisneming van het hoger beroep in zaken van vernietigingsberoep voorbehouden aan de Conseil d'Etat.

     Tegen uitspraken van de administratieve hoven van beroep kan bij de Conseil d'Etat cassatieberoep worden ingesteld. Voor het cassatieberoep geldt het verlofvereiste. De toelating wordt geweigerd als het beroep niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Eveneens sinds 1 januari 1989 heeft de Conseil d'Etat de bevoegdheid om bij vernietiging van de bestreden uitspraak zelf een beslissing ten gronde te geven.


2.6.4. De regeling van de rechtsingang

     Artikel 19, vierde lid, van de Duitse Grondwet bepaalt - vrij vertaald - dat degene op wiens rechten inbreuk wordt gemaakt toegang tot de rechter heeft. Als geen bijzondere rechter is aangewezen, is de gewone rechter bevoegd. In de literatuur wordt daaruit afgeleid (vgl. C.H. Ule, Verwaltungsprozessrecht, 9. Auflage, München 1987, p. 21) dat de Duitse Grondwet het maken van een onderscheid tussen in rechte betwistbare en niet-betwistbare bestuurshandelingen niet toelaat. Dit betekent dat de omvang van de rechtsbescherming tegen het bestuur niet ter dispositie van de wetgever staat. Desondanks staat de Grondwet er niet aan in de weg dat de wetgever de rechtsingang bij de administratieve rechter aan beperkingen onderwerpt. Besluit hij daartoe over te gaan, dan is daarvan de consequentie dat de bevoegdheidssfeer van de burgerlijke rechter wordt verruimd. Het genoemde grondwetsartikel belichaamt dus een stelsel van communicerende vaten.

     De competentie van de algemeen bevoegde bestuursrechter is in Duitsland afhankelijk van de aanwezigheid van een publiekrechtelijk geschil. Artikel 40 van de VwGO luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"-1. Der Verwaltungsrechtsweg ist in allen öffentlich-rechtlichen Streitichkeiten nicht verfassungsrechtlicher Art gegeben, soweit die Streitigkeiten nicht durch Bundesgesetz einem anderen Gericht ausdrücklich zugewiesen sind.
rblz.|46| -2. Für vermögensrechtliche Ansprüche aus Aufopferung für die gemeine Wohl und aus öffentlich-rechtlicher Verwahrung, sowie für Schadenersatzansprüche aus der Verletzung öffentlich-rechtlicher Pflichten, die nicht auf öffentlich-rechtlicher Vertrag beruhen, ist der ordentliche Rechtsweg gegeben."

     Het daarin neergelegde stelsel komt op het volgende neer.
1. Alleen publiekrechtelijke geschillen behoren tot de bevoegdheid van de Verwaltungsgerichtsbarkeit; voor privaatrechtelijke geschillen moet men bij de burgerlijke rechter terecht.
2. De competentie van een bijzonder gerecht gaat voor op die van de algemene Verwaltungsgerichte. Bijzondere competenties betreffen een gedeelte van de constitutionele rechtspraak, de belastingrechtspraak en geschillen over de sociale zekerheid.
3. Een aantal kwesties van financiële aansprakelijkheid voor (on)rechtmatige overheidsdaad is aan de gewone rechterlijke macht opgedragen, bijvoorbeeld die inzake door ambtenaren gepleegde onrechtmatige daden. Op grond van artikel 14, derde lid, van de Duitse Grondwet is de schadeloosstelling voor onteigening aan de burgerlijke rechter voorbehouden. Het begrip eigendom wordt zeer ruim geïnterpreteerd en omvat ook het maken van inbreuk op andere vermogensrechten.
4. Geschillen over financiële aansprakelijkheid van de overheid op grond van het schenden van publiekrechtelijke verplichtingen die voortvloeien uit een publiekrechtelijke overeenkomst behoren wel tot de competentiesfeer van de Verwaltungsgerichte.

     In Frankrijk neemt de algemeen bevoegde administratieve rechter in principe kennis van alle geschillen over het handelen van het bestuur (actes administratifs). De bijzondere competenties van de jurisdictions spécialisées gaan evenwel voor. Niettemin is in een aantal gevallen het gewone privaatrecht van toepassing. Voorts kan het zich voordoen dat de algemeen bevoegde administratieve rechter geen rechtsbescherming wenst te verlenen, omdat het geschil een zogenoemde acte du gouvernement betreft. Actes du gouvernement zijn tegenwoordig alleen nog bestuurshandelingen verricht in de verhouding tussen het bestuur en het parlement, zoals de uitoefening van het recht van initiatief, en bestuurshandelingen verricht in relatie tot vreemde mogendheden, zoals het onderhandelen over en het sluiten van verdragen en sommige bestuursbesluiten waarbij verdragen worden toegepast.

     Is op het bestuurshandelen het gewone privaatrecht van toepassing, dan is de burgerlijke rechter bevoegd. In verband daarmee heeft zich een genuanceerde jurisprudentie ontwikkeld over de afgrenzing van publiekrecht en privaatrecht. Net als in Duitsland en Nederland is de juridische wetenschap er nimmer in geslaagd een sluitende theorie tot stand te brengen waaruit de gehele rechtspraak kan worden verklaard.


2.6.5. Uitspraakbevoegdheden

     Ofschoon de rechtsingang bij de algemeen bevoegde administratieve rechter in Duitsland wordt bepaald door de notie publiekrechtelijk geschil, is de aard van het bestuurlijk handelen dat tot het geschil heeft geleid van belang voor de rechterlijke uitspraakbevoegdheden; dat wil zeggen voor de bevoegdheden waarover de rechter beschikt om, zo hij onrechtmatigheid aan de zijde van het bestuur vaststelt, de gevolgen daarvan te kunnen redresseren.

     In Duitsland is het alleen mogelijk een vernietigingsberoep (Anfechtsklage) aanhangig te maken indien het geschil een Verwaltungsakt betreft. rblz.|47| Artikel 35 van het Verwaltungsverfahrensgesetz (VwVfG) geeft daarvan de volgende definitie:

"-1. Verwaltungsakt ist jede Verfügung, Entscheidung oder andere hoheitliche Massnahme, die eine Behörde zur Regelung eines Einzellfalles auf dem Gebiet des öffentlichen Rechts trifft und die auf unmittelbare Rechtswirkung nach aussen gerichtet ist.
-2. Allgemeinverfügung ist eine Verwaltungsakt, der sich an einen nach allgemeinen Merkmalen bestimmten Personenkreis richtet oder die öffentlich-rechtliche Eigenschaft einer Sache oder ihre Benützung durch die Allgemeinheit betrifft."

     Een voorbeeld van een Allgemeinverfügung is de verkeersmaatregel. Zowel tegen een concreet als tegen een abstract (algemeen) bestuursbesluit staat in Duitsland het vernietigingsberoep open.
     Vergelijkbaar is de vordering tot nietigverklaring (Normenkontrollverfahren) van een regeling van lagere rang. De beslissing tot nietigverklaring werkt jegens een ieder. Die tot verwerping van het beroep niet. Het rechterlijk gebod (bevel: Verpflichtungsklage) staat ter beschikking indien het geschil een afwijzende Verwaltungsakt (Vornahmeklage) dan wel het uitblijven ervan (Untatigkeitsklage) betreft. De rechter heeft in deze gevallen niet de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien, maar wel om het bestuur te bevelen tot het alsnog afgeven van een (positieve) Verwaltungsakt. De bevelsbevoegdheid bestaat uitsluitend indien de zaak "spruchreif" is, dat is wanneer het recht het bestuur geen andere keuze meer toelaat. Dat is het geval bij strikt gebonden bevoegdheden en bij vrije bevoegdheden indien het "freies Ermessen" geen rol meer kan spelen (Ermessensschrumpfung auf Null) omdat het nemen van een andere beslissing rechtens niet meer mogelijk is.

     Een bijzondere variant van het rechterlijk bevel lijkt de algemene veroordeling tot het leveren van een bepaalde prestatie (allgemeine Leistungsklage) te zijn. Zij is gericht op het verkrijgen van een andere prestatie dan het alsnog verrichten van een Verwaltungsakt.
     De algemene Leistungsklage ontbreekt in de VwGO, maar wordt in rechtspraak en doctrine algemeen aanvaard. Zij strekt ertoe de nakoming te kunnen afdwingen van publiekrechtelijke overeenkomsten, dan wel om schade vergoed te krijgen indien een publiekrechtelijke overeenkomst niet, of niet behoorlijk, wordt uitgevoerd. Voorts wordt deze Klage gebruikt om het bestuur tot het verrichten of nalaten van een feitelijk handelen te bewegen. Schadevergoeding ter zake van (on)rechtmatig feitelijk handelen behoort echter weer tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter.

     Bij het declaratoir (Feststellungsklage) gaat het om het verkrijgen van een declaratoir vonnis inzake het al dan niet bestaan van een rechtsverhouding of de nietigheid (ex lege) van een Verwaltungsakt.

     In Frankrijk is de vorm van het bestuurshandelen dat voorwerp van geschil vormt van belang voor de te kiezen procedure. De twee verreweg belangrijkste procedures zijn het algemeen vernietigingsberoep (recours pour excés de pouvoir) en het vol beroep (recours de pleine juridiction).

     Het vernietigingsberoep en het vol beroep zijn naar hun aard verschillende procedures. Het vernietigingsberoep is een zogeheten recours objectif (objectief beroep), waarvoor kenmerkend is dat de rechter het tot zijn taak rekent om te onderzoeken of de bestreden bestuursbeslissing al dan niet strijdig is met het objectieve bestuursrecht. Wanneer hij tot de conclusie komt dat de beslissing daarmee niet te verenigen rblz.|48| valt, vernietigt hij haar. Het vol beroep is een recours subjectif (subjectief beroep). De appellant vraagt de rechter om vaststelling van een subjectief recht, welk recht, naar hij stelt, door de administratie is geschonden. Voorts vraagt hij om het treffen van passende maatregelen om de situatie weer in evenwicht te brengen.

     Procedureel gezien is het recours pour excès de pouvoir gemakkelijker toegankelijk wegens de lage ontvankelijkheidsdrempels en het in de regel ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging. De verschuldigde griffierechten worden laag gehouden.

     Het algemene vernietigingsberoep staat uitsluitend open tegen een bestuurshandelen dat als nadeel toebrengende beslissing (décision faisant grief) kan worden aangemerkt. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat het vernietigingsberoep alleen openstaat tegen eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandelingen van bestuursorganen.

     Geschillen met het bestuur over (de nakoming van) publiekrechtelijke overeenkomsten (contrats administratifs) en feitelijke handelingen (aansprakelijkheid voor "faute" en "sans faute", dat wil zeggen voor onrechtmatige en rechtmatige overheidsdaad) staan eveneens ter kennisneming van de administratieve rechter. Zij worden berecht in de procedure voor vol beroep (contentieux de pleine juridiction). Daarin beschikt de rechter over de volheid van zijn rechterlijke bevoegdheden. Wat die volheid omvat, heeft hij tot dusverre zelf uitgemaakt. De Conseil d'Etat heeft uit het beginsel van de machtenscheiding afgeleid dat het de administratieve rechter in principe niet vrijstaat te veroordelen tot herstel in de oude toestand, maar dat hij in dat geval moet volstaan met het toekennen van schadevergoeding. In uitzonderingsgevallen is de administratieve rechter bereid te veroordelen tot schadevergoeding onder bepaling dat de administratie daaraan kan ontkomen door herstel.

     Ofschoon tegen een contrat administratif geen vernietigingsberoep kan worden ingesteld, kan soms wel in beroep worden gegaan tegen een bestuursbesluit dat daarmee nauw samenhangt: de acte détachable. Een voorbeeld is het besluit waarbij de gemeenteraad de burgemeester machtigt tot het aangaan van een contract. Dergelijke besluiten kunnen in de Franse benadering worden los gedacht van het contract zelf en daarom zelf voorwerp zijn van vernietigingsberoep. De oplostheorie van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State in Nederland wordt er dus niet gehanteerd.

 

3. Definitieve voorzieningen in kroongeschillen


3.1. Algemeen


     Op 1 januari 1988 is de TwK in werking getreden. De TwK is tot stand gekomen naar aanleiding van het Benthem-arrest van 23 oktober 1985 (NJ 1986, 102, m.nt. EAA, en AB 1986, 1, m.nt. E.M.H. Hirsch Ballin), waarin het EHRM oordeelde dat het beroep op de Kroon niet is een beroep op een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie in de zin van artikel 6 van het EVRM. De TwK voorziet als hoofdregel in omzetting van het kroonberoep in beroep op de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State als rechter. Ingevolge artikel 1, tweede lid, zijn van de omzetting uitgezonderd geschillen betreffende besluiten van algemene strekking alsmede geschillen die uitsluitend door openbare lichamen of bestuursorganen, hetzij door het instellen van beroep, hetzij op een andere wijze, aan de beslissing van de rblz.|49| Kroon kunnen worden onderworpen (hierna te noemen: bestuursgeschillen).

     Het kroonberoep biedt vanouds mogelijkheden tot rechtsbescherming en sturing. Via het kroonberoep bestaat voor de rijksoverheid de mogelijkheid bepaalde besluiten van decentrale overheden te beïnvloeden, zulks ter behartiging van rijksbelangen. Een niet onbelangrijk deel van de Nederlandse wetgeving bevat bepalingen waarin beroep wordt opengesteld op de Kroon. Dit hangt samen met het feit dat het kroonberoep is ontstaan in een tijd waarin andere vormen van rechtsbescherming tegen bestuursbesluiten nog nauwelijks bestonden. Keuzemogelijkheden, zoals thans tot uitdrukking komend in de "Richtlijnen voor de keuze tussen Arob-beroep en beroep op de Kroon", ontbraken voorheen veelal. Ook is soms beroep op de Kroon opengesteld in gevallen waarin niet zozeer het motief voorzat te voorzien [lees: het motief voorzag, red.] in rechtsbescherming, doch een vorm van sturing of toezicht nodig werd geoordeeld.

     Aan de in dit wetsvoorstel voorgestelde definitieve voorzieningen in kroongeschillen liggen de volgende uitgangspunten ten grondslag:
- Het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming - derhalve ook de rechtsbescherming tegen besluiten die nu nog aan TwK- en kroonberoep zijn onderworpen - dient onbetwistbaar in overeenstemming te zijn met de eisen van het EVRM en het IVBP.
- De voorzieningen moeten passen in de herziening van de rechterlijke organisatie als geheel en moeten aansluiten bij het begrippenkader en de systematiek van de
Awb.
- Waar nodig wordt voorzien in een alternatief voor de centrale sturingsmogelijkheid die het kroonberoep thans biedt.
- Het afschaffen van het kroonberoep mag niet leiden tot een vermindering van rechtsbescherming. Waar thans kroonberoep openstaat, zal in de toekomst steeds een voorziening bij de administratieve rechter mogelijk moeten zijn.

     Deze uitgangspunten hebben een aantal consequenties, die in het navolgende nader worden uitgewerkt.

     Op 11 juli 1991 is een notitie aan de Tweede Kamer aangeboden waarin onze beleidsvoornemens met betrekking tot de te treffen definitieve voorzieningen in kroongeschillen reeds zijn uiteengezet (Kamerstukken II 1990-1991, 21 048/21 206, nr. 5).

 

3.2. Vervanging van beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve rechter


3.2.1. Algemeen

     De essentie van de te treffen definitieve voorzieningen in kroongeschillen wordt gevormd door de vervanging over de gehele linie van het beroep op de Kroon door beroep bij een administratieve rechter. Aan dit voorstel tot vervanging van het kroonberoep liggen de volgende algemene overwegingen ten grondslag.

     Het beslechten van geschillen die bepalend zijn voor de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen dient ingevolge artikel 6 van het EVRM uiteindelijk te geschieden door een onafhankelijke rechterlijke instantie. Het EHRM geeft een zelfstandige, materiële uitleg aan het begrip "burgerlijke rechten en verplichtingen". Het EHRM heeft dit begrip zo uitgelegd dat ook bestuursrechtelijke geschillen onder de rblz.|50| werking van artikel 6 kunnen vallen. Dat geldt zowel voor geschillen inzake beschikkingen (zie het Benthem-arrest) als voor geschillen inzake besluiten van algemene strekking (zie het Jacobsson-arrest van 25 oktober 1989, AB 1990, 334, m.nt. R.M. van Male). Het EHRM stelt in laatstgenoemde uitspraak vast dat ook een geschil over een besluit van algemene strekking (in casu een bouwverbod voor een bepaald gebied in de Zweedse gemeente Salem) is aan te merken als een geschil dat rechtstreeks de vaststelling van een "burgerlijk recht" in de zin van artikel 6 van het EVRM betreft, waarbij uiteindelijk de toegang tot de onafhankelijke rechter moet openstaan.

     Ook los van de eisen die het EVRM ter zake stelt, zijn wij van mening dat het een rechtsstatelijke eis is dat geschillen inzake besluiten van bestuursorganen uiteindelijk aan een onafhankelijke rechter kunnen worden voorgelegd. Dat betekent dat ook ter zake van die geschillen die niet onder artikel 6 van het EVRM vallen, toch het oordeel van de onafhankelijke rechter moet kunnen worden ingeroepen.

     Ter zake van de drie categorieën geschillen die de TwK onderscheidt, hebben de volgende meer specifieke overwegingen een rol gespeeld.


3.2.2. TwK-geschillen

     De geschillen die thans ingevolge artikel 1, eerste lid, van de TwK door de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State als onafhankelijke rechter worden beslecht en die bepalend zijn voor de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen, zullen ingevolge artikel 6 van het EVRM uiteraard blijvend door een onafhankelijke rechter moeten worden beslist.

     Niet alle geschillen die thans door de Afdeling voor de geschillen van bestuur worden beslecht, vallen onder artikel 6 van het EVRM, in die zin dat zij rechtstreeks betrekking hebben op de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen. Het is, onder meer vanwege de dynamische (en ruime) uitleg die het EHRM geeft aan "burgerlijke rechten en verplichtingen", echter lang niet altijd mogelijk dat ondubbelzinnig vast te stellen. Mede gelet op de uitgangspunten dat het stelsel van rechtsbescherming onbetwistbaar in overeenstemming moet zijn met het EVRM en dat voor ieder bestuursrechtelijk geschil een onafhankelijke rechter beschikbaar moet zijn, wordt daarom voorgesteld de beslechting van alle geschillen waarover thans de Afdeling voor de geschillen van bestuur oordeelt ook structureel te doen plaatsvinden door een administratieve rechter.


3.2.3. Besluiten van algemene strekking

     Besluiten van algemene strekking vallen op grond van de TwK buiten de competentie van de Afdeling voor de geschillen van bestuur als onafhankelijke rechter. Gelet op het hierboven reeds genoemde Jacobsson-arrest in combinatie met het Benthem-arrest kan worden gesteld dat het kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking onvoldoende is in verband met artikel 6 van het EVRM. Dit zou impliceren dat na een kroonberoep tegen een besluit van algemene strekking alsnog de weg naar de burgerlijke rechter (in drie instanties) openligt, waarbij opnieuw de rechtmatigheid van het bestreden besluit ten principale aan de orde kan worden gesteld. Het behoeft geen betoog dat dit uit het gezichtspunt van een doelmatige rechtsbescherming een hoogst ongelukkige situatie is. Mede gelet op het uitgangspunt dat het vervallen van het kroonberoep niet mag leiden tot vermindering van rblz.|51| administratieve rechtsbescherming ligt het daarom in de rede het kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking te vervangen door beroep bij de administratieve rechter. Ook de situatie in ons omringende landen wijst in deze richting. Zie in dit verband ook de toelichting op artikel 8.1.1.1 van de Awb. Vervanging van het kroonberoep tegen besluiten van algemene strekking impliceert dat ook tegen de goedkeuring van een bestemmingsplan beroep op de administratieve rechter zal komen open te staan (vgl. ook onderdeel 3.4).


3.2.4. Bestuursgeschillen

     Als derde categorie van besluiten onderscheidt de TwK de bestuursgeschillen.

     Het begrip "bestuursgeschil" zoals gehanteerd in de TwK heeft een formeel karakter: bepalend is of alleen bestuursorganen een geschil aanhangig kunnen maken. Is dat het geval, dan is er sprake van een bestuursgeschil in de zin van artikel 1, tweede lid, van de TwK.

     Wij menen dat er geen aanleiding is om voor deze categorie van geschillen het kroonberoep te handhaven. Zoals reeds aangegeven, is het criterium voor bestuursgeschillen louter formeel. Daarachter gaan naar hun aard zeer uiteenlopende soorten geschillen schuil, waarvan men niet kan zeggen dat deze zich bij uitstek lenen voor beoordeling door één bepaalde instantie, bijvoorbeeld de Kroon. Ook in de huidige situatie worden niet alle bestuursgeschillen beslecht door de Kroon. Naast het kroonberoep komt het voor dat dit soort geschillen wordt beslecht door een minister of door gedeputeerde staten. Soms is de Afdeling rechtspraak belast met de beslechting van geschillen tussen bestuursorganen (vgl. in dit verband het vervallen van artikel 5, onderdeel j, van de Wet Arob per 1 januari 1989). Ook kan nog worden gewezen op de aanvullende rol van de burgerlijke rechter ter zake van de rechtsbescherming tegen besluiten van bestuursorganen. Daarnaast zijn de bevoegdheid van de administratieve rechter en diens toetsingsmaatstaven niet zodanig beperkt dat daarin een argument gelegen zou kunnen zijn het kroonberoep voor bepaalde bestuursgeschillen te handhaven. Ten slotte is het aantal geschillen waarvoor het kroonberoep eventueel zou kunnen worden gehandhaafd te klein om een dergelijke voorziening te kunnen rechtvaardigen.

     Onderscheiden moet worden tussen de zogenoemde verticale en horizontale bestuursgeschillen.

     Onder verticale bestuursgeschillen verstaan wij: bestuursgeschillen die worden aangebracht door het instellen van beroep tegen een bepaald besluit. In dat besluit krijgt de gezagsuitoefening van het ene bestuursorgaan jegens het andere gestalte. De meest voorkomende beroepsprocedures op grond van verticale geschillenregelingen betreffen artikel 245a van de Gemeentewet en artikel 42 van de Wet Werkloosheidsvoorziening. Waar in het bestuursprocesrecht beroep tegen besluiten met uitzondering van algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels zal worden opengesteld, zal voor deze geschillen de weg naar de administratieve rechter openliggen zonder dat daarvoor een nadere voorziening nodig is. Voor zover tegen de besluiten inhoudende algemeen verbindende voorschriften en de besluiten die daarmee op één lijn zijn te stellen thans kroonberoep mogelijk is, wordt door middel van enumeratie beroep bij de administratieve rechter opengesteld.

     rblz.|52| Horizontale bestuursgeschillen zijn bestuursgeschillen tussen twee bestuursorganen die zich in een positie van nevenschikking bevinden. Het gaat daarbij niet om een gezagsbesluit van het ene bestuursorgaan jegens het andere, maar om een handelen of nalaten waarvan het laatstgenoemde bestuursorgaan nadelige gevolgen ondervindt. De voornaamste categorie horizontale geschillen is die van de domiciliegeschillen in de Algemene Bijstandswet. Een algemene regeling voor deze geschillen die de administratieve rechter bevoegd zou maken, achten wij thans niet aangewezen. Een dergelijke regeling behoeft nadere studie in het kader van een in de verdere toekomst mogelijke uitbreiding van de bevoegdheid van de administratieve rechter. In afwachting daarvan wordt thans het volgende stelsel voorgesteld. Waar horizontale bestuursgeschillen per definitie onder artikel 136 van de Grondwet kunnen vallen en de betrokken bestuursorganen zich bovendien tot de burgerlijke rechter kunnen wenden, is er geen behoefte meer om regelingen in de bijzondere wetgeving waarin de beslechting van deze bestuursgeschillen expliciet aan de Kroon is opgedragen te handhaven. Dit geldt te meer vanwege het zeer geringe aantal zaken dat zich in de praktijk voordoet. Dit betekent dat bestuursorganen in die gevallen kunnen kiezen tussen een gang naar de civiele rechter of een gang naar de Kroon. Voor dit laatste wordt thans een voorziening in de Wet op de Raad van State opgenomen. Voor alle duidelijkheid: hier is dus geen sprake van beroep op de Kroon, maar van een vorm van (publiekrechtelijke) arbitrage door de Kroon, op de grondslag van artikel 136 van de Grondwet.

 

3.3. Welke administratieve rechter?


     Eén van de uitgangspunten die hierboven werden geformuleerd, is dat de definitieve voorzieningen in kroongeschillen moeten passen in en aansluiten bij de herziening van de rechterlijke organisatie als geheel. Het ligt in dit verband voor de hand om niet meer rechterlijke instanties in het leven te roepen c.q. te handhaven dan met het oog op de aard van de materie en een goed verloop van het reorganisatieproces nodig is. Mede daarom achten wij een structurele aanwezigheid van twee rechterlijke colleges bij de Raad van State onwenselijk. Voorts kan de tijdelijke aanwijzing van de Afdeling voor de geschillen van bestuur als rechter in TwK-geschillen geen reden zijn voor een definitieve voorziening bij dit college. Bovendien komt de toetsing door de Afdeling voor de geschillen van bestuur in grote lijnen overeen met die door andere administratieve rechters (vgl. de conclusies in het rapport Kroongeschillen en bestuursprocesrecht). Dit heeft geleid tot ons voornemen om één rechtsprekende afdeling van de Raad van State als administratieve rechter (in tweede instantie) voor de voormalige Arob- en TwK- en kroongeschillen te doen fungeren: de Afdeling bestuursrechtspraak. Er vindt aldus een bundeling plaats van in de beide afdelingen opgebouwde expertise.

     Hiervoor is betoogd dat het beroep op de Kroon dient te worden vervangen door beroep bij een administratieve rechter. Voorgesteld wordt de TwK- en kroongeschillen toe te delen aan de in de huidige situatie daarvoor in aanmerking komende administratieve rechters. Dat wil zeggen dat in beginsel de TwK- en kroongeschillen gaan behoren tot de competentie van de administratieve kamers van de rechtbanken met hoger beroep op de Afdeling bestuursrechtspraak onderscheidenlijk de Centrale Raad van Beroep, al naargelang de aard van de materie. In een enkel geval wordt daar waar het College van Beroep voor het bedrijfsleven reeds over bepaalde geschillen oordeelt, de competentie om over kroongeschillen op dat terrein te oordelen aan het College toegekend.

     Tot de uitgangspunten van de herziening van de rechterlijke organisatie behoort dat deze organisatie zodanig is ingericht dat in de regel de rblz.|53| mogelijkheid bestaat om een in eerste instantie gegeven rechterlijk oordeel in volle omvang in hoger beroep te laten toetsen. Invoering van rechtspraak in twee instanties kan daarnaast een belangrijke bijdrage leveren aan het verminderen van de structurele overbelasting van de Raad van State. Op rechtspraak in twee instanties is in onderdeel 1.5.2 nader ingegaan. Daar is ook vermeld dat in deze fase een relatief groot aantal zaken voorshands in één instantie zal worden afgedaan en zijn de redenen daarvoor uiteengezet.
     Op grond daarvan stellen wij voor voorshands de volgende kroon- en TwK-geschillen in eerste en enige instantie te doen beslechten door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: geschillen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor zover betrekking hebbend op bestemmingsplannen, milieugeschillen en bepaalde geschillen op grond van: de onderwijswetgeving, de Ontgrondingenwet, de Natuurbeschermingswet, de landinrichtingswetgeving, de Dienstplichtwet, de Wet gewetensbezwaren militaire dienst, de Wet op de bejaardenoorden, de Wet ziekenhuisvoorzieningen, de Ziekenfondswet en de AWBZ.

     Nadat de rechtspraak in twee instanties stevig wortel heeft geschoten, zal in het kader van de derde fase van de herziening van de rechterlijke organisatie kunnen worden bepaald in hoeverre de geschillen waarvan wij voorstellen dat deze voorshands door één instantie worden beslecht, in aanmerking moeten worden gebracht voor rechtspraak in twee feitelijke instanties.

 

3.4. Het vervallen van de mogelijkheid van centrale sturing en de compensatie daarvoor


     Eén van de kenmerken van het kroonberoep en tevens één van de redenen waarom het in Straatsburg is gesneuveld, is dat het een mogelijkheid biedt voor centrale sturing. De Kroon kan immers haar opvatting omtrent het gewenste beleid in de plaats stellen van het bestuursorgaan welks besluit wordt getoetst. Indien het onderhavige wetsvoorstel wordt aanvaard, zal de centrale sturingsmogelijkheid die het kroonberoep biedt, komen te vervallen. De vraag rijst dan of voor het vervallen van deze sturingsmogelijkheid specifieke compensatie moet worden geboden.

     In het algemeen menen wij dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Veelal is het beroep op de Kroon niet het enige sturingsinstrument dat de centrale overheid op een bepaald beleidsterrein tot haar beschikking heeft, maar vormt het veeleer het sluitstuk op een reeks van beïnvloedingsinstrumenten, die vooral bestaan in het kunnen aangeven van het kader waarbinnen de besluitvorming van de lagere overheden zich mag afspelen. Dit kader is tevens een juridisch kader, over de overschrijding waarvan een rechter zich heel wel kan uitspreken. De afschaffing van het kroonberoep heeft zo gezien alleen maar tot gevolg dat de centrale overheid langs deze weg niet meer kan aangeven wat er binnen de door de centrale overheid gegeven kaders op het gedecentraliseerde niveau precies moet gebeuren.

     Het bovenstaande kan slechts uitzondering lijden in die gevallen waarin de - in niet-bindende centraal geformuleerde beleidskaders tot uitdrukking gebrachte - belangen van de centrale overheid bij de besluitvorming in concreto preponderant zijn. Dat is naar onze mening het geval bij de bestemmingsplanprocedure. Op deze grond heeft het kabinet gemeend te moeten voorzien in een alternatief sturingsinstrument voor de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer: rblz.|54| de bevoegdheid van de Minister van VROM om zijn beslissing ter zake van de goedkeuring van een bestemmingsplan in de plaats te stellen van die van het college van gedeputeerde staten. Tegen die beslissing staat uiteraard beroep op de administratieve rechter open. Een uitgebreide beschouwing over dit instrument is opgenomen in de toelichting op de wijzigingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (onderdeel 4, onderdeel H, onder 7) [niet opgenomen in deze webpagina, red.].

     Voor het overige zijn wij van oordeel dat er geen aanleiding is te voorzien in alternatieve sturingsinstrumenten. In het overgrote deel van de gevallen is dat niet bezwaarlijk gebleken. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het openstellen van kroonberoep lang niet altijd werd ingegeven door de behoefte aan centrale sturing. Vaak was - zeker in oudere wetgeving - het bieden van een vorm van rechtsbescherming het enige motief.

 

3.5. Ambtsberichten


     Voor zover in een geding een kwestie aan de orde is die de aan de centrale overheid toevertrouwde belangen rechtstreeks raakt (vgl. artikel 1.2 [1:2], tweede lid, van de Awb), zal ingevolge het nieuwe uniforme bestuursprocesrecht de minister wie het aangaat, hetzij op zijn verzoek, hetzij ambtshalve, door de rechtbank als partij in het geding kunnen worden geroepen. In dat bestuursprocesrecht, dat ook de wijze van beslechten van de voormalige TwK en kroongeschillen zal beheersen, zal niet worden voorzien in een aparte positie van de ministers om in die gevallen waarin hun dat wenselijk voorkomt de rechter ongevraagd van advies te dienen. Dat betekent niet dat wij het niet wenselijk achten dat de rechter onder omstandigheden aan de minister wie het aangaat, als deze geen partij is, met toepassing van artikel 8.2.2.4 [8:45] van de Awb kan vragen zijn visie op de zaak te geven. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij technisch ingewikkelde richtlijnen op milieugebied of indien van de centrale overheid afkomstige regelgeving in het geding is en een toelichting daarop de rechter nuttig lijkt. Ook kan de rechter op grond van artikel 8.2.2.6 [8:47] onderscheidenlijk artikel 8.2.5.5 [8:60] een deskundigenbericht vragen. Het dient echter de rechter te zijn die, al dan niet op instigatie van partijen, de centrale overheid bij de zaak betrekt. Een meer geprononceerde positie van de centrale overheid in dezen zou in strijd komen met enkele van de kenmerken van het voorgestelde procesrecht, namelijk dat het proces een rechtsstrijd tussen belanghebbenden is en dat de rechter bepaalt welke instructie van de zaak nodig is.

     Voor enkele categorieën van TwK- en kroongeschillen geldt thans dat standaard advies wordt ingewonnen. Dat betreft bestemmingsplangeschillen en, zij het in mindere mate, milieugeschillen. Deze adviezen worden uitgebracht door respectievelijk de Adviseur ten behoeve van de Raad van State en de Adviseur beroepen milieubeheer. Met volledige erkenning van de belangrijke bijdrage die de respectieve adviseurs hebben geleverd en leveren aan de oordeelsvorming van de Raad van State op het terrein van de milieugeschillen en de bestemmingsplangeschillen, menen wij dat het aan de rechter moet worden overgelaten in hoeverre hij gebruik wil maken van de bij de adviseurs aanwezige expertise. Wij willen er hierbij uitdrukkelijk op wijzen dat het voorgestelde procesrecht geen enkele belemmering opwerpt voor het handhaven van de bestaande praktijk, die overigens evenmin op enig expliciet wettelijk fundament rust. De wijze waarop in de praktijk onder het nieuwe bestuursprocesrecht van het inwinnen van ambtsberichten gebruik zal worden gemaakt door de administratieve rechters zal overigens, naar wij aannemen, één van de onderwerpen zijn van overleg tussen de betrokken rechterlijke colleges.

rblz.|55| 

3.6. Bevoegdheden TwK-rechter


     Artikel 5, eerste lid, van de TwK bepaalt dat indien de uitspraak van de Afdeling voor de geschillen van bestuur strekt tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een besluit, de Afdeling desgeraden zelf in de zaak kan voorzien. Deze bevoegdheid, die thans ook al aan andere administratieve rechters toekomt, zal ingevolge het wetsvoorstel inzake de Arob- en de Arbo-bezwaarschriftprocedure (Kamerstukken II, 21 659) ook worden toegekend aan de Afdeling rechtspraak als Arob-rechter. Deze bevoegdheid wordt nu meer in het algemeen neergelegd in het uniform bestuursprocesrecht. Hierin zal niet worden neergelegd de in artikel 6 van de TwK geregelde bevoegdheid van de Afdeling voor de geschillen van bestuur om tegelijk met haar uitspraak aan het overheidsorgaan advies te geven met betrekking tot de wijze waarop naar haar oordeel nader zou moeten worden gehandeld in verband met het aan haar oordeel onderworpen geschil. Uit het rapport Kroongeschillen en bestuursprocesrecht is gebleken dat geen enkele behoefte bestaat aan deze bevoegdheid. Deze uit het kroonberoep stammende bevoegdheid kan dus voor de administratieve rechter worden gemist.

 

4. Rechtseenheidsvoorziening


4.1. Algemeen


     Eén van de in onderdeel 1.3 gememoreerde hoofddoelstellingen van de herziening van de rechterlijke organisatie is het scheppen van voorwaarden voor het verbeteren onderscheidenlijk het in stand houden van de juridische kwaliteit en het gehalte van de rechtspraak. Daaruit volgt onder meer dat aan een adequate rechterlijke organisatie de eis moet worden gesteld dat zij de eenheid van recht en rechtspraak mogelijk maakt. Deze norm ziet zowel op de eenheid binnen de civiele rechtspraak, de strafrechtspraak en de bestuursrechtspraak als op de eenheid tussen die rechtsgebieden en daarmee op de eenheid van het recht als geheel. Het is zoals gezegd de bedoeling in de derde fase van de herziening een definitieve voorziening ter zake te treffen.
     Wij zijn echter van mening dat het nodig is in deze fase van de herziening een - noodzakelijkerwijs voorlopige - voorziening te treffen.

     Bij gelegenheid van de eerste fase van de herziening zal het nieuwe, uniforme bestuursprocesrecht in werking treden. Ook de eerste tranche van de Awb, die een belangrijk deel van het materiële deel van het bestuursrecht unificeert, codificeert en harmoniseert, zal geldend recht worden. Het is voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het terrein van het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht van groot belang dat een eenvormige toepassing en interpretatie van deze belangrijke stukken nieuw recht van meet af aan is verzekerd. Daarbij is allereerst relevant dat de desbetreffende wetgeving door een groot aantal administratieve rechters zal worden toegepast, zonder dat is voorzien in één appelcollege of in verschillende appelcolleges met daarna de mogelijkheid van beroep in cassatie. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het College van beroep studiefinanciering oordelen in eerste en enige aanleg. De (administratieve kamers van de) rechtbanken hebben in deze fase van de herziening te maken met twee verschillende appelcolleges, die in hoogste ressort over dezelfde algemene rechtsvragen van bestuursrecht en bestuursprocesrecht oordelen. Tegen uitspraken van de (belastingkamers van de) rblz.|56| gerechtshoven en van de kantongerechten op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften staat beroep in cassatie open. Deze opsomming maakt duidelijk dat zonder het treffen van een voorziening de eenheid van recht en rechtspraak binnen de bestuursrechtspraak niet kan worden verzekerd. Tevens is relevant dat algemene regels van bestuursrecht zoals gecodificeerd in de eerste tranche van de Awb ook, en in toenemende mate, aan de orde komen in civiele zaken en in strafzaken. Dat betekent dat ook de civiele rechter en de strafrechter (kantongerechten, rechtbanken, gerechtshoven en Hoge Raad) algemene rechtsvragen van bestuursrecht hebben te beantwoorden. Het voorgaande is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het ongeschreven bestuursrecht en, zij het in mindere mate, het ongeschreven bestuursprocesrecht. Daaruit volgt dat ook de eenheid van recht en rechtspraak tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak zonder het treffen van een voorziening niet kan worden gewaarborgd. Wij zijn daarom van mening dat het treffen van een rechtseenheidsvoorziening binnen de bestuursrechtspraak, complementair aan de bestaande cassatievoorzieningen in civiele zaken, strafzaken en bestuursrechtelijke zaken, bij gelegenheid van de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie nodig is.

     Wij zijn voorts van oordeel - en dat is de tweede vraag die moet worden beantwoord - dat die voorziening een institutionele voorziening moet zijn. Daaraan liggen de volgorde overwegingen ten grondslag.

     Naar ons oordeel is het, gelet op de in het geding zijnde belangen, die wezenlijk zijn voor het adequaat functioneren van de democratische en sociale rechtsstaat, principieel niet juist als de wetgever voor het waarborgen van de eenheid van recht en rechtspraak uitsluitend zou vertrouwen op het zelfregulerend vermogen van de betrokken rechterlijke instanties. Het gaat hier immers om de uitoefening van een categorie van overheidsbevoegdheden waar van vrijwillige terugtred van de wetgever geen sprake mag zijn. Anders gezegd: de rechterlijke taak om te voorzien in de eenheid van recht en rechtspraak behoeft een wettelijk fundament. Daarmee wordt enerzijds deze rechterlijke activiteit democratisch gelegitimeerd en wordt anderzijds gegarandeerd dat deze essentiële taak ook werkelijk wordt uitgeoefend. Deze normatieve opstelling impliceert dat het bestaan van informele samenwerkingsverbanden, onder meer gericht op het coördineren van jurisprudentie, en van andere mechanismen die de rechtseenheid bevorderen, niet kan leiden tot de conclusie dat de wetgever van een institutionele voorziening zou moeten afzien. De bestaande informele samenwerkingsverbanden zijn zinvol en vruchtbaar. Wij menen zelfs - maar het is uiteraard aan de betrokken instanties zelf om daarover te oordelen - dat de kring van betrokken colleges wellicht voor uitbreiding vatbaar zou zijn. Thans vindt immers slechts gestructureerd informeel overleg plaats tussen de voorzitters van de beide rechtsprekende afdelingen van de Raad van State, de voorzitter van de Centrale Raad van Beroep, de voorzitter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de fungerende voorzitter(s) van de belastingkamer van de Hoge Raad. Ook is door middel van het uiteindelijk op elkaar afstemmen van jurisprudentie op bepaalde punten voorkomen dat blijvend verschil in jurisprudentie tussen in hoogste ressort oordelende administratieve rechters en ook tussen deze rechters en de Hoge Raad is ontstaan en zijn bestaande verschillen weggenomen. Daar staat overigens tegenover dat op andere punten sprake is van blijvend verschil in jurisprudentie.

     rblz.|57| Daar komt nog een ander principieel punt bij. Het verdient aanbeveling dat rechterlijke colleges, vooral als het gaat om praktische processuele kwesties en het beleid met betrekking tot discretionaire processuele bevoegdheden, informeel overleg met elkaar voeren om tot afstemming op deze punten te komen. Daarbij gaat het niet om concrete individuele zaken, maar om algemene kwesties. Hiervoor is in algemene zin uiteengezet op welke rechtsvragen de voorgestelde rechtseenheidsvoorziening betrekking heeft. In onderdeel 4.2 wordt dit verder geconcretiseerd. Daarbij gaat het om meer dan alleen (processuele) vragen die om een praktische dan wel een beleidsmatige afstemming vragen, los van een concrete individuele zaak. In veel gevallen zal het juist gaan om een (materieelrechtelijke) rechtsvraag, die rijst in een concrete individuele zaak. In dat geval ligt de zaak wezenlijk anders. Gelet op de onder meer in artikel 6 van het EVRM gepositiveerde beginselen van behoorlijke rechtspraak, met name het beginsel van de openbaarheid, zou het immers bepaald onjuist zijn als een uitspraak in een concrete individuele zaak tot stand zou komen na informeel overleg tussen twee of meer rechterlijke colleges, een overleg dat voor partijen niet kenbaar en controleerbaar is en waarop zij ook geen invloed kunnen uitoefenen. Wij verwijzen naar het recente arrest van het EHRM in de zaak-Borgers (EHRM 30 oktober 1991, Series A, Vol 214-A). Daarin besliste het EHRM onder meer dat de (Belgische) praktijk bij het Hof van Cassatie waarin de verdachte niet in de gelegenheid wordt gesteld te reageren op de conclusie van de procureur-generaal, in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Informeel overleg kan en mag in concrete individuele zaken dus niet het middel zijn om tot rechtseenheid te komen. De praktijk waarin rechtseenheid tot stand komt door het uiteindelijk op elkaar afstemmen van jurisprudentie op essentiële punten, waarbij het oordeel van de meest gerede rechter de doorslag geeft, kan al evenmin structureel soelaas bieden. Nog afgezien van het feit dat niet altijd vaststaat welke de meest gerede rechter is, is hiermee immers in elk geval veel tijd gemoeid.

     Wij vinden het niet bezwaarlijk dat de vormgeving van de thans tot stand te brengen voorziening een voorlopig karakter draagt. Aldus wordt immers niet vooruitgelopen op de nog te formuleren beleidsvoornemens voor de derde fase en behoudt de wetgever volledig zijn vrijheid van handelen.

     Het vraagstuk van de rechtseenheidsvoorziening is één van de onderwerpen geweest die in het overleg met de Raad van State als direct betrokkene aan de orde zijn geweest. Over deze materie is voorts op de voet van artikel 22 van de Wet RO advies gevraagd aan de Hoge Raad en de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Het gezamenlijke advies van de Hoge Raad en de procureur-generaal wordt gelijktijdig met de indiening van dit wetsvoorstel afzonderlijk ter kennis van de Tweede Kamer gebracht.

 

4.2. Het bereik van de rechtseenheidsvoorziening


     Allereerst rijst de vraag voor welke rechtsvragen de gewenste institutionele voorziening moet gelden en, in verband daarmee, hoe de wettelijke maatstaf moet luiden.

     In onderdeel 4.1 is uiteengezet dat het primair gaat om rechtsvragen van bestuurs(proces)recht die van belang zijn voor de eenheid van recht en rechtspraak binnen het bestuursrecht en tussen de bestuursrechtspraak, de civiele rechtspraak en de strafrechtspraak. Maar behalve rechtsvragen van bestuurs(proces)recht zijn er ook nog andere belangrijke rechtsvragen die in alle takken van rechtspraak aan de orde kunnen rblz.|58| komen. Enkele voorbeelden van rechtsvragen waarop de rechtseenheidsvoorziening betrekking heeft, illustreren het voorgaande.

     Als eerste noemen wij uiteraard de uitleg van het bestuurs(proces)recht in de Awb en de uitleg en de verdere ontwikkeling van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, ook voor zover niet in deze wet [lees: die wet, red.] geformuleerd, en het ongeschreven bestuursprocesrecht.

     Voorts is van groot belang de uitleg van grondrechten, voor zover deze voorkomen in een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, dan wel in de Grondwet. Er kan hier een belangrijke overloop bestaan met het hiervoor aangeduide rechtsterrein. Zo zullen de grondrechten, vervat in de artikelen 6 van het EVRM en 14 van het IVBP, van groot belang kunnen zijn voor de uitleg van geschreven en ongeschreven bestuursprocesrecht, en zal de inhoud van het bestuursrecht mede kunnen worden bepaald door het recht op de persoonlijke levenssfeer, vervat in de artikelen 8 van het EVRM en 10 van de Grondwet. Ook kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeilijk worden los gedacht van het gelijkheidsbeginsel, vervat in artikel 1 van de Grondwet, en van het discriminatieverbod van de artikelen 14 van het EVRM en 26 van het IVBP.

     Verder kunnen aan de orde komen de verenigbaarheid van lagere wetgeving met het geschreven en het ongeschreven bestuursrecht en de verenigbaarheid van alle algemeen verbindende voorschriften met de hiervoor bedoelde grondrechten, dit laatste thans uiteraard nog met de beperking van artikel 120 van de Grondwet.

     Ook zal het kunnen gaan om bepalingen die als burgerlijk recht zijn gecodificeerd, maar die hetzij krachtens de schakelbepalingen (als de artikelen 3:59, 3:79 en 3:326) van het BW, hetzij omdat zij een weerslag vormen van algemene beginselen die ook buiten het burgerlijk recht gelden, voor overeenkomstige toepassing door de administratieve rechter in aanmerking komen. Opmerking verdient dat de schakelbepalingen van het BW en de bepalingen van de Awb op enkele belangrijke plaatsen bewust op elkaar zijn afgestemd.

     Ten slotte zijn er bijzondere rechtsgebieden die bij alle takken van rechtspraak aan de orde kunnen komen. Een sprekend voorbeeld daarvan is het nationaliteitsrecht. Ook hiervoor geldt dat het gewenst is dat een eenvormige uitleg wordt verzekerd.

     Eén en ander impliceert dat moet worden gezocht naar een algemene maatstaf die rechtstreeks is afgestemd op het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling, daar waar rechtspraak - en dus per definitie in beginsel divergerende rechtspraak - van verschillende in hoogste instantie oordelende rechters mogelijk is. De voorziening hoeft geen betrekking te hebben op rechtsvragen die zich slechts bij één tak van administratieve rechtspraak kunnen voordoen omdat er één hoogste feitelijke gerecht is dat binnen die tak van administratieve rechtspraak de rechtseenheid reeds voldoende waarborgt. Wij noemen bijvoorbeeld de Centrale Raad van Beroep voor zover optredend als hoogste rechter in socialezekerheidszaken en ambtenarenzaken, het College van Beroep voor het bedrijfsleven op het terrein van de sociaal-economische ordening en de Tariefcommissie in zaken betreffende invoerrechten en accijnzen. Met andere woorden: het moet gaan om de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling in het algemeen. rblz.|59| Evenmin hoeft de voorziening betrekking te hebben op rechtsvragen die in de desbetreffende procedure in cassatie aan de orde kunnen worden gesteld.

 

4.3. De vormgeving van de rechtseenheidsvoorziening


     Op zichzelf zou het goed denkbaar zijn in aansluiting op de bestaande cassatievoorzieningen de mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge Raad open te stellen tegen alle in hoogste ressort gegeven uitspraken van administratieve rechters. Op die wijze zou ook optimaal recht worden gedaan aan de hiervoor gereleveerde doelstellingen. Deze mogelijkheid is echter thans niet te verwezenlijken. Ten eerste zou, mede gelet op de onwenselijkheid van forse uitbreidingen bij de Hoge Raad en zijn parket, de extra werkbelasting te groot zijn, nu in het kader van de eerste fase nog geen sprake zal zijn van een beperking van de toegang tot de cassatieprocedure. Ten tweede is de positie van de Raad van State van belang: de Raad heeft er, in het kader van het overleg met de Raad als direct betrokkene bij de herziening van de rechterlijke organisatie, meermalen op gewezen dat zijn positie als Hoog College van Staat zich niet verdraagt met een stelsel waarin rechterlijke uitspraken van de Raad van State door een andere rechter kunnen worden beoordeeld en waarin de Raad van State dus niet meer per definitie in laatste instantie oordeelt. Wij willen dit standpunt van de Raad van State respecteren. Dat betekent dat met inachtneming van het doel van de beoogde rechtseenheidsvoorziening naar andere wegen moet worden gezocht. Daartoe bestaan in essentie twee mogelijkheden.

     De eerste denkbare mogelijkheid is die van het invoeren van cassatie in het belang der wet, in te stellen door de procureur-generaal bij de Hoge Raad, tegen uitspraken van administratieve rechters waartegen geen gewoon rechtsmiddel (meer) openstaat. Aldus zou in elk geval de werklastproblematiek bij de Hoge Raad in vergelijking met een volledig cassatiestelsel aanzienlijk worden beperkt. Ook zou naar ons oordeel, althans ten dele, worden tegemoetgekomen aan het standpunt van de Raad van State.

     Aan het inzetten van het middel cassatie in het belang der wet als exclusief middel voor het bereiken van rechtseenheid zijn echter, ook in algemene zin, bezwaren verbonden. In de eerste plaats zou dit tot gevolg hebben dat op de procureur-generaal een wezenlijk andere taak wordt gelegd dan hij met betrekking tot dit rechtsmiddel thans heeft. Anders dan nu wordt immers aldus de sleutel tot elke rechtsvormende taak van de cassatierechter in handen van de procureur-generaal gelegd, die aan de cassatierechter rechtsvragen kan voorleggen, maar ook onthouden. In verband daarmee valt tevens te vrezen dat de druk van buiten op de procureur-generaal om dit rechtsmiddel in te stellen niet alleen zal toenemen, maar ook een zekere eenzijdigheid zal gaan vertonen. Verwacht mag namelijk worden dat deze druk in het bijzonder zal komen van bestuursorganen. De uitspraak op een vordering tot cassatie in het belang der wet is immers niet van invloed op de rechtsverhouding die voor partijen door de bestreden uitspraak is ontstaan. Het belang van partijen - van wier initiatief de procureur-generaal voor zijn kennis van voor cassatie in het belang der wet in aanmerking komende uitspraken in de eerste plaats afhankelijk is - bij een dergelijke vordering is daarom beperkt tot de invloed daarvan op toekomstige zaken. Een dergelijke belang zal het bestuursorgaan vaker hebben dan de burger. Indien een uitspraak door het bestuur als gunstig, doch door de burger als ongunstig wordt ervaren, zal deze laatste bij gebreke van een concreet eigen belang slechts zelden de procureur-generaal benaderen om een rblz.|60| rechtsvraag aan de cassatierechter voor te leggen. Een belangrijk bezwaar is verder dat de cassatierechter het in geval van cassatie in het belang der wet moet stellen zonder de voorlichting die naar voren pleegt te komen uit het debat tussen de raadslieden van partijen, die vaak meer mogelijkheden hebben om de feitelijke en maatschappelijke gevolgen van een in aanmerking komende rechtsregel te belichten dan de procureur-generaal. Dit brengt mee dat behoeften aan rechtsvernieuwing die in de kring van partijen of van de lagere rechters leven ook om deze reden minder kans krijgen om tot de cassatierechter door te dringen. Daarmee nemen tevens de mogelijkheden voor de cassatierechter zelf af om in redelijke mate een op deze behoeften afgestemd beleid te ontwikkelen.

     De conclusie moet zijn dat de mogelijkheid van cassatie in het belang der wet na afweging van de voor- en nadelen daarvan niet kan worden beschouwd als een adequate voorlopige rechtseenheidsvoorziening.

     De tweede mogelijkheid voor een voorlopige rechtseenheidsvoorziening is die van het invoeren van een zogenoemd prejudicieel stelsel binnen de administratieve rechtspraak. Dat houdt in dat administratieve rechters die worden geconfronteerd met een rechtsvraag waarvan de beantwoording in het belang is van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling in het algemeen, deze rechtsvraag ter beantwoording voorleggen aan één rechter. Gelet op de taak die de Hoge Raad op het gebied van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling in onze rechtsorde heeft en op de aard en de reikwijdte van de rechtsvragen waarvoor het stelsel moet gelden, ligt het voor de hand die taak aan de Hoge Raad op te dragen. In een dergelijk stelsel wordt de werklastproblematiek bij de Hoge Raad aanzienlijk beperkt. Het heeft bovendien het voordeel dat naar ons oordeel wordt tegemoetgekomen aan het standpunt van de Raad van State. Een prejudicieel stelsel houdt immers niet in dat de rechter zijn uitspraken onderworpen ziet aan heroverweging door een andere (hogere) rechter en kenmerkt zich dan ook niet door een hiërarchische verhouding tussen de rechter die de vragen stelt en de rechter die de antwoorden geeft. Dit kan worden geïllustreerd aan de hand van de opvatting die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen koestert omtrent het in artikel 177 van het EEG-verdrag neergelegde stelsel van prejudiciële vragen. Daartoe verwijzen wij naar een arrest van het Hof van Justitie van 1 december 1965, volgens welk arrest de bedoeling van dit stelsel is: "een rechterlijke samenwerking waarbij de nationale rechter en het Hof van Justitie - elk volgens hun eigen competentie - geroepen zijn om rechtstreeks en wederzijds bij te dragen tot het vinden van een beslissing waardoor de uniforme toepassing van het Gemeenschapsrecht in alle Lid-Staten wordt gewaarborgd" (HvJEG 1 december 1965, zaak 16/65, Jur. 1965, p. 1117, SEW 1966, p. 36, m.nt. P.J.G. Kapteyn).
     Vergeleken met cassatie in het belang der wet heeft een prejudicieel stelsel het voordeel dat partijen de mogelijkheid hebben binnen het kader van hun geding en door het geven van voorlichting aan de rechter, deze tot het stellen van bepaalde prejudiciële vragen te bewegen. Dit vergroot de kans dat de rechtsvragen waar het om gaat inderdaad bij de Hoge Raad terechtkomen. Daar komt bij dat, anders dan bij cassatie in het belang der wet, een prejudicieel stelsel partijen de mogelijkheid kan bieden hun standpunten omtrent de door de Hoge Raad op de prejudiciële vragen te geven antwoorden voor dit college te doen toelichten door rechtsgeleerde raadslieden. Verder heeft dit stelsel het voordeel dat voor de procureur-generaal de taak blijft om in zijn conclusie mede op grond van de door (de raadslieden van) partijen verschafte gegevens en inzichten - onafhankelijk van partijen en objectief - de Hoge Raad in het
rblz.|61| openbaar van advies te dienen. Op deze wijze is de voorlichting voor de Hoge Raad volledig. Evenals bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en bij het Benelux-Gerechtshof kan een dergelijk advies, ook met het oog op een efficiënte werkwijze van de Hoge Raad, bezwaarlijk worden gemist.

     Gelet op het voorgaande achten wij de mogelijkheid van een prejudicieel stelsel wel adequaat als voorlopige rechtseenheidsvoorziening. Deze is dan ook in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen, en wel in de voorgestelde artikelen 107a tot en met 107j van de Wet RO.

     Wij hebben ons beraden op de vraag of het wellicht aanbeveling zou verdienen de beantwoording van de prejudiciële vragen niet op te dragen aan de Hoge Raad, maar aan een zogenoemde gemeenschappelijke kamer van in elk geval de Hoge Raad, de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep. Nog afgezien van de onwenselijkheid van het instellen van nieuwe rechterlijke organen en de gewrongenheid van een constructie waarin leden van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Centrale Raad van Beroep deelnemen aan de beantwoording van door de eigen colleges voorgelegde vragen, is aan die variant echter het doorslaggevende nadeel verbonden dat zij leidt tot de paradoxale situatie van twee hoogste rechters (de Hoge Raad als cassatierechter en de gemeenschappelijke kamer). !n een dergelijk stelsel zou immers de cassatierechter zich (hebben te) richten naar de uitspraken van deze gemeenschappelijke kamer, die immers bevoegd zou zijn ten aanzien van rechtsvragen die ook - in het gewone stelsel van rechtsmiddelen - door de cassatierechter worden beantwoord. De conclusie moet daarom zijn dat ook in een prejudicieel stelsel geen andere keuze mogelijk is dan het opdragen van deze taak aan de Hoge Raad. De hier overwogen variant is daarom door ons verworpen.

 

4.4. Het prejudiciële stelsel


     Bij het opzetten van een prejudicieel stelsel moeten enkele keuzen worden gemaakt.

     De eerste betreft de vraag voor welke rechtsvragen het stelsel moet gelden. In onderdeel 4.2 is geconcludeerd dat het moet gaan om rechtsvragen waarvan de beantwoording in het belang is van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling in het algemeen en waarvoor in de desbetreffende procedure niet reeds een cassatievoorziening bestaat.

     In onderdeel 4.3 is aan de orde gesteld de vraag welke rechter de prejudiciële vragen moet beantwoorden. Geconcludeerd is dat het voor de hand ligt de Hoge Raad daarmee te belasten.

     De derde keuze heeft betrekking op de vraag of alle administratieve rechters vragen moeten kunnen stellen of alleen de in hoogste ressort oordelende administratieve rechters. In een prejudicieel stelsel verdient het in beginsel de voorkeur dat een rechtsvraag die uiteindelijk door een prejudiciële beslissing zal moeten worden beantwoord, in een zo vroeg mogelijk stadium kan worden voorgelegd aan de instantie die deze beslissing moet geven. Dat stelsel heeft Nederland in internationaal verband dan ook steeds voorgestaan. In de onderhavige nationale context is de noodzaak om alle administratieve gerechten de bevoegdheid te geven een prejudiciële beslissing te vragen echter minder klemmend. Het gaat immers om een voorlopige voorziening die bovendien, nu binnen Nederland met een prejudicieel stelsel geen ervaring bestaat, noodzakelijkerwijs in zekere mate een experimenteel rblz.|62| karakter heeft. Daarom is het gewenst het aantal gevallen waarin een prejudiciële beslissing wordt gevraagd in te dammen. Het is waarschijnlijk dat beperking van de bevoegdheid tot het vragen van een dergelijke beslissing tot de hoogste feitelijke instanties daartoe zal bijdragen. Daarmee wordt tevens het risico vermeden dat is verbonden aan het stellen van vragen in eerste aanleg, namelijk dat die vragen in hoger beroep door een andere vaststelling van de feiten niet meer relevant blijken te zijn voor de eindbeslissing van het geding. Aldus wordt ook de positie van de in hoger beroep oordelende colleges als bewakers van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling op het bij uitstek aan hen toevertrouwde terrein beter geaccentueerd en wordt interferentie tussen rechtsvragen op het specifieke rechtsterrein en algemene rechtsvragen vermeden.

     De vierde keuze ten slotte betreft de vraag wanneer er in een concrete zaak aanleiding is om een prejudiciële vraag te stellen. De meest extreme varianten zijn een volledig verplicht en een volledig facultatief stelsel. Aan beide varianten zijn evidente nadelen verbonden. Een volledig verplicht stelsel laat de administratieve rechters in hoogste ressort te weinig ruimte, waardoor het stelsel star wordt. Aan een stelsel waaraan het verplichte karakter ontbreekt, kleeft daarentegen het risico van een te grote vrijblijvendheid. Daardoor zou afbreuk kunnen worden gedaan aan het bereiken van de doelstelling van de rechtseenheidsvoorziening. Wij hebben gekozen voor een stelsel waarin in beginsel sprake is van een verplichting, maar waarin niettemin aan de administratieve rechters in hoogste ressort de nodige manoeuvreerruimte wordt gelaten.

     De wettelijke criteria zijn neergelegd in het voorgestelde artikel 107a, eerste lid, van de Wet RO. Daarin wordt het in het voorgaande in meer algemene zin vermelde nader uitgewerkt. Wij verwijzen naar de toelichting op dat artikel [niet opgenomen in deze webpagina, red.].

     Wij zijn van mening dat met de introductie van een prejudicieel stelsel zoals hiervoor omschreven een belangrijke stap wordt gezet op de weg naar het verwezenlijken van een belangrijke doelstelling van de herziening van de rechterlijke organisatie, te weten het verzekeren van de eenheid van recht en rechtspraak.

 

5. Personele, financiële en organisatorische consequenties voor de Raad van State en de rechtelijke organisatie


5.1. Algemeen


     De invoering van het onderhavige wetsvoorstel is een omvangrijke operatie met ingrijpende gevolgen voor zowel de Raad van State als de rechterlijke organisatie. De invoering van een eerste instantie voor de Arob-zaken en voor een deel van de TwK- en kroongeschillen bij de rechtbanken leidt tot een vermindering van de formatie bij de Raad van State en tot een uitbreiding van de formatie van de administratieve sectoren bij de rechtbanken. Vooropstaat dat de afslanking van de Raad van State enerzijds en de verdere uitbouw van de administratieve sectoren bij de rechtbanken anderzijds op een zowel rechtspositioneel, financieel als organisatorisch verantwoorde wijze moeten geschieden.

     In het standpunt van het vorige kabinet met betrekking tot de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties werd al gewezen op de complexiteit van de operatie. Inmiddels is duidelijk geworden dat zij rblz.|63| wordt verzwaard door het feit dat de Raad van State een aanzienlijke werkvoorraad heeft. Beliep de voorraad bij de Afdeling rechtspraak in 1988 nog ongeveer een jaar, inmiddels is deze zeer sterk gestegen. Deze stijging is veroorzaakt doordat de Raad van State de afgelopen jaren is geconfronteerd met een sterk gegroeid zaaksaanbod, terwijl de formatie en de produktiviteit van de Raad geen gelijke tred hebben gehouden met die gestegen instroom. Hoewel een zo sterke stijging van het zaaksaanbod een paar jaar geleden niet werd voorzien en ook niet kon worden voorzien, werd door een ambtelijke projectgroep in 1987 al gewezen op het stijgende werkaanbod van de Afdeling rechtspraak, terwijl er tevens op werd gewezen dat de gewenste omvang van de Raad grenzen stelt aan zijn verwerkingscapaciteit.

     Gezien de voorraad en de onaanvaardbare consequenties voor de behandelingsduur is een onverwijlde aanpak noodzakelijk. De omvang van de problematiek bij de Raad van State is dusdanig dat bij de doorvoering van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie een nauwe relatie moet worden gelegd tussen het oplossen van de bestaande voorraadproblematiek en de implementatie van de eerste fase. Bij het oplossen van de voorraadproblematiek is uitgangspunt dat de voorraden door de Raad zelf worden weggewerkt. Overheveling van zaken uit die voorraden naar de rechtbanken achten wij ondoelmatig. Berekend is dat met het wegwerken van de eind 1992 bij de Raad van State bestaande voorraden ongeveer 500 mensjaren zullen zijn gemoeid.

     Met inachtneming van overwegingen van financiële en organisatorische aard wordt ernaar gestreefd de voorraden bij de Raad van State vóór 1997 weg te werken. Daartoe zal de formatie van de Raad vanaf de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet ineens, maar geleidelijk worden verkleind, zodat gedurende enige jaren capaciteit beschikbaar blijft die kan worden ingezet voor het wegwerken van de voorraden. Tevens kan aanvankelijk de structureel bij de Raad van State blijvende en voor de tweede aanleg bedoelde capaciteit bij het wegwerken van de voorraden worden ingezet. Immers, eerst na ongeveer een jaar zullen zaken in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aanhangig worden gemaakt. Aan de Raad van State is inmiddels extra formatieruimte toegekend, teneinde in elk geval te voorkomen dat de voorraad nog verder groeit. In samenwerking met de Raad van State is in dit kader vastgesteld dat, rekening houdend met de bij de Raad van State aanwezige maximale opname- en begeleidingscapaciteit van nieuw personeel, een eenmalige uitbreiding van gemiddeld 30 formatieplaatsen - die gedurende enige jaren wordt gehandhaafd - dient plaats te vinden. Met de Raad van State zijn nadere afspraken gemaakt over de gefaseerde beschikbaarstelling van de extra capaciteit. Om te voorkomen dat de uitbreiding van de ondersteuning nauwelijks soelaas zou bieden omdat zonder aanvullende maatregelen de zittingscapaciteit dezelfde zou blijven, dient het aantal staatsraden in buitengewone dienst te worden uitgebreid. Door de Wet van 20 november 1991, Stb. 1991, 633, biedt de Wet op de Raad van State daartoe thans de mogelijkheid.

     Met de gekozen aanpak kan worden voorkomen dat de Raad van State, die uiteindelijk moet worden afgeslankt, eerst aanzienlijk zou moeten worden uitgebreid voor het wegwerken van de voorraden. Het vorenstaande leidt ertoe dat bij de Raad van State gefaseerd kan worden toegewerkt naar de uiteindelijk structureel benodigde formatie, terwijl de administratieve sectoren bij de rechtbanken geleidelijk kunnen worden opgebouwd. Dit veranderingsproces wordt aldus voor een belangrijk deel rblz.|64| bepaald door de inzet van beschikbare menskracht op het juiste tijdstip en op de juiste plaats. Bij de rechtbanken zullen de uitbreidingen gepaard moeten gaan met de opbouw van kennis en ervaring met de behandeling van de van de Raad van State overkomende zaken. Meer specifiek voor de rechterlijke macht doet zich nog een verzwarende omstandigheid voor, te weten de noodzaak om tijdig de rechterscapaciteit uit te breiden. De Commissie aantrekken leden rechterlijke macht is erop voorbereid dat in de komende jaren jaarlijks een groot aantal potentiële leden van de rechterlijke macht - gestreefd wordt naar ongeveer 50 - moet worden aangetrokken. De overkomst van gekwalificeerde juristen van de Raad van State is daarbij van groot belang. Daarnaast worden ook in dit verband mogelijkheden onderzocht voor het meer dan thans feitelijk opdragen van werkzaamheden van rechters aan de ondersteuning, met name aan de gerechtssecretarissen. De uitkomsten van dat onderzoek zullen naar verwachting leiden tot een andere dan de thans in de rechterlijke organisatie bestaande en historisch gegroeide verhouding tussen rechtsgeleerd en ondersteunend personeel en tot een andere opbouw van die ondersteuning.

     Met de uitvoering van de voorgenomen reorganisatie wordt op verschillende manieren een bijdrage geleverd aan het beperken van de werklast en de werkdruk. Allereerst door het wegwerken van de achterstanden bij met name de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Voorts is uitgangspunt dat bij invoering van de eerste fase zowel bij de rechtbanken als bij de Raad van State voldoende (extra) personeel beschikbaar zal zijn om de zaken binnen een redelijke termijn af te werken. Bovendien biedt een stelsel van rechtspraak in twee instanties meer mogelijkheden voor beheersing van de werklast dan het huidige stelsel. Daardoor zullen de doorlooptijden van de zaken in positieve zin worden beïnvloed. Een gunstig effect op de doorlooptijden zou vooral bij de kleinere rechtbanken ook kunnen uitgaan van de schaalvergroting die een gevolg is van de integratie, omdat schaalvergroting, en daardoor specialisatie en bundeling van deskundigheid, een betere werkverdeling en een betere opvang bij afwezigheid mogelijk maken. Daarnaast heeft ook de invoering van een verplichte bezwaarschriftprocedure in het bestuursrecht positieve gevolgen voor de werklast.

 

5.2. Personele en financiële consequenties voor de Raad van State en de rechterlijke organisatie


5.2.1. Algemeen

     Met het oog op de in het standpunt van het vorige kabinet met betrekking tot de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties toegezegde herberekening zijn in de tweede helft van 1990 de personele en de financiële consequenties van het onderhavige wetsvoorstel in kaart gebracht door een werkgroep die bestond uit medewerkers van de ministeries van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Financiën en uit vertegenwoordigers van de rechterlijke organisatie, de Raad van State, de Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State en de Bijzondere Commissie van Overleg Gerechten. Onderzocht is welke personele capaciteit de eerste en de tweede aanleg in de nieuwe opzet nodig hebben voor de afdoening van de huidige Arob- en TwK- en kroongeschillen. Voorts zijn de mogelijkheden bezien van een werkgelegenheidsgarantie voor de medewerkers van de Raad van State. Daarnaast zijn de incidentele en de structurele kosten van deze operatie in kaart gebracht, terwijl tevens de kosten die zijn verbonden aan de integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken zijn gepreciseerd.

rblz.|65| 
5.2.2. De benodigde personele capaciteit

     Bij de vaststelling van de voor de eerste en de tweede aanleg benodigde capaciteit is uitgegaan van het zaaksaanbod van de Raad van State in 1989 en is rekening gehouden met de invoering van de algemeen geldende verplichte bezwaarschriftprocedure in de Awb. Bij de capaciteitsvaststelling is er voorts van uitgegaan dat - anders dan thans het geval is bij de Raad van State - beide rechterlijke instanties het zaaksaanbod van een jaar ook volledig in ongeveer een jaar kunnen verwerken. Berekend is dat voor de eerste en de tweede instantie rekening moet worden gehouden met een capaciteit van ongeveer 450 formatieplaatsen, terwijl voor de geschillenbeslechting in enige aanleg bij de Raad van State een capaciteitsbehoefte van 130 formatieplaatsen zal bestaan. Dit betekent dat het aantal arbeidsplaatsen in de nieuwe structuur groter is dan in de huidige, namelijk ongeveer 180 formatieplaatsen. Anders dan bij de totstandkoming van het vorige kabinetsstandpunt nog werd gedacht, zal de operatie dus structureel extra capaciteit vragen. Een niet onaanzienlijk deel van die extra capaciteit hangt samen met het opheffen van het in de huidige situatie reeds bestaande capaciteitstekort bij de Raad van State. Het wegwerken van dat tekort in het kader van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie zal ook inhouden dat de doorlooptijden voor de behandeling van zaken weer aanvaardbare proporties zullen aannemen.

     Rekening moet worden gehouden met een trendmatige groei in het zaaksaanbod, vooral in de sfeer van wat thans de Arob-zaken zijn. Veranderingen in het zaaksaanbod bij het rechterlijk apparaat kunnen hun oorzaak vinden in nieuwe regelgeving c.q. intensivering van beleid (op basis van bestaande regelgeving). Bij de totstandkoming van die regelgeving of voorafgaande aan de beoogde beleidsintensiveringen dienen de verwachte gevolgen voor het zaaksaanbod in kaart te worden gebracht. Op die manier kan tevoren een beeld worden verkregen over de mogelijke gevolgen van de nieuwe regelgeving of de beleidsintensivering voor de werklast van het rechterlijk apparaat. Deze aanpak moet worden gezien tegen de achtergrond van artikel 15 van de Comptabiliteitswet 1976, de Aanwijzingen voor de wetgevingstechniek (117) en de Aanwijzingen inzake de toetsing van ontwerpen van wet en van algemene maatregel van bestuur (17). Deze laatste aanwijzing brengt mee dat zo nauwkeurig mogelijk moet worden aangegeven welke (financiële) gevolgen een regeling heeft voor het met geschillenbeslechting belaste apparaat, waarbij onder meer moet worden gedacht aan de administratieve rechtspraak en het kroonberoep, aldus aanwijzing 17. Anders dan op het terrein van het civiele en het strafrecht, is in het verleden niet altijd de hand gehouden aan deze aanwijzingen bij het tot stand komen van bestuursrechtelijke regelgeving, hetgeen in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de situatie waarin geen financiële ruimte beschikbaar was voor het voorkomen van de onaanvaardbare achterstandssituatie bij de Raad van State. Om een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen, dienen ook bij het voorbereiden van bestuursrechtelijke regelingen en beleidsmaatregelen de kosten voor het rechterlijk apparaat zorgvuldig door het ministerie van Justitie en, voor zover de Raad van State in het geding is, door het ministerie van Binnenlandse Zaken, in nauw overleg met het departement dat primair verantwoordelijk is voor de regeling of de beleidsmaatregel, in kaart te worden gebracht, terwijl tevens een voorstel tot financiering zal moeten worden gedaan. Op die manier kan de ministerraad telkens besluiten of, en zo ja, op welke wijze de veranderingen in de werkbelasting van het rechterlijk apparaat worden gecompenseerd.

rblz.|66| 
5.2.3. De garantie tegen gedwongen werkloosheid

     Wij hebben eind 1990 de medewerkers van de Raad van State die bij de Raad per 31 december 1992 in vaste dienst zijn een garantie tegen gedwongen werkloosheid geboden.

     Uitgangspunt is dat de overgang van personeel van de Raad van State naar de rechtbanken zal geschieden zonder onduidelijkheid over de individuele rechtspositie. De garantie houdt in dat plaatsing in een functie van gelijk niveau vooropstaat en dat in die gevallen waarin dat niet mogelijk is, geen plaatsing zal geschieden in een functie die meer dan één schaal lager is dan de oorspronkelijke functieschaal. Indien een medewerker in een zogenoemde aanloopschaal zit, behoudt betrokkene uitzicht op de functieschaal indien hij in een met die schaal overeenstemmende functie wordt geplaatst. Tot tevredenheid kan worden geconstateerd dat met de Bijzondere Commissie van Overleg Raad van State overeenstemming is bereikt over de aanpak van de personele en de rechtspositionele gevolgen, met uitzondering van alleen de kwestie van het behoud van de volledige carrièreperspectieven. Door een interdepartementale werkgroep is een integraal sociaal statuut voor de onderhavige operatie opgesteld en wordt gewerkt aan de oplossing van andere rechtspositionele problemen die samenhangen met de onderhavige operatie. Het sociaal statuut zal naar verwachting binnenkort definitief kunnen worden vastgesteld.


5.2.4. Financiële consequenties

     De berekeningen wijzen, zoals gezegd, uit dat aan het beoogde systeem van rechtspraak in twee instanties waardoor aan de zich aandienende werklast binnen aanvaardbare termijnen het hoofd kan worden geboden, structureel extra kosten zijn verbonden. Het vorige kabinet was nog van oordeel dat de invoering van Arob-rechtspraak in twee instanties structureel gezien welhaast budgettair neutraal zou kunnen geschieden. Thans is duidelijk dat vanwege het sterk gestegen zaaksaanbod en het daardoor ontstane capaciteitstekort de kosten hoger zijn. Bovendien zijn de produktiviteitsaannamen aangepast aan de gemiddeld genomen gestegen ingewikkeldheid van de zaken.

     Een werkgroep die was samengesteld uit medewerkers van de ministeries van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Financiën en uit medewerkers van de Raad van State, heeft in de loop van 1990 de kosten die zijn verbonden aan het nieuwe systeem van rechtspraak in twee instanties berekend. Berekend is dat de structurele kosten ongeveer ƒ17 á ƒ18 miljoen hoger zijn dan die van het huidige systeem. Hierbij moet het volgende voor ogen worden gehouden. In de eerste plaats is in deze kosten verdisconteerd dat zowel de eerste als de tweede instantie van voldoende personeel en middelen wordt voorzien om het zaaksaanbod binnen een jaar te verwerken. Aldus is het zich bij de Raad van State voordoende capaciteitstekort in de berekeningen verwerkt. De omvang van het capaciteitstekort is door de werkgroep vastgesteld op 73 formatieplaatsen bij de Afdeling rechtspraak en vier formatieplaatsen bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur. Inclusief de overhead gaat het om in totaal 83 formatieplaatsen, hetgeen overeenkomt met een bedrag van ongeveer ƒ7 miljoen, exclusief de huisvestingskosten. In de tweede plaats is een deel van de meerkosten (ƒ3 miljoen) het gevolg van de veronderstelde aanzuigende werking als gevolg van rechtspraak in twee instanties, waarbij de eerste instantie geografisch dichter bij de burger komt te staan. Bij de berekeningen is uitgegaan van 10% rblz.|67| aanzuigende werking. In de derde plaats zijn de meerkosten een gevolg van een extra instantie door de invoering van een systeem van rechtspraak in twee instanties. Met een verwacht appelpercentage van 35% van voor hoger beroep vatbare uitspraken zijn de extra kosten daarvan ongeveer ƒ6 miljoen. Tot slot zijn in de vierde plaats, beperkte, structurele kosten verbonden aan de voorintegratie en treden structurele meerkosten op in het kader van de van overheidswege gefinancierde rechtshulp (totaal ƒ1,6 miljoen).

     Overeenkomstig de tussen alle betrokkenen gemaakte afspraken wordt aangenomen dat de invoering van het systeem van rechtspraak in twee instanties uiteindelijk gepaard gaat met de overheveling van minimaal 212 formatieplaatsen (en het daarmee corresponderende bedrag) van de Raad van State naar de rechterlijke organisatie. De aan de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie verbonden structurele en incidentele meerkosten zijn met inachtneming van die afspraak als volgt begroot [x ƒ1 miljoen, red.]:
 
xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1992 1993 1994 1995 1996 1997
Voorraadproblematiek Raad van State (inclusief staatsraden i.b.d.) 3,1x 3,1x 3,1x 3,1x 3,1x x
Voorintegratie 3,6x 1,4x 0,9x 0,9x 0,9x 0,9x
Voorbereiding Arob-rechtspraak in twee instanties 6,9x 2,3x x x x 16,1x
Overheveling eerste aanleg x 15,4x 15,7x 16,1x 16,1x x
Rechtshulp x 0,7x 0,7x 0,7x 0,7x 0,7x
Overige (incidentele) kosten 1,0x 2,9x 2,0x 0,5x x x
Totale meerkosten 14,6x 25,8x 22,4x 21,3x 20,8x 17,7x

 
     De kosten die zijn verbonden aan het wegwerken van de voorraden betreffen naast de in het overzicht genoemde (getotaliseerde) ƒ15,5 miljoen ook die welke een gevolg zijn van de vertraagde afslanking van de
Raad van State, als gevolg waarvan nog eens in totaal 294 formatieplaatsen bij de Raad kunnen worden ingezet voor het wegwerken van de voorraden. Hiermee is een bedrag gemoeid van totaal ruim ƒ24 miljoen. Strikt genomen gaat het derhalve om ƒ39,5 miljoen, die nodig is voor het oplossen van de voorraadproblematiek.

     In het onderstaande overzicht worden de meerkosten voor de Raad van State en begrotingshoofdstuk VI weergegeven [x ƒ1 miljoen, red.]. Tevens zijn de kosten van de functiewaarderingsoperatie voor de rechterlijke macht, die eveneens uit de grote efficiency-operatie worden gefinancierd, in het overzicht opgenomen. Bij het bepalen van de structurele kosten van de eerste fase (exclusief de verwachte, geringe meerkosten voor de rechtseenheidsvoorziening) is ervan uitgegaan dat, zoals gezegd, uiteindelijk minimaal 212 formatieplaatsen (en het daarmee corresponderende bedrag) worden overgeheveld van de Raad van State naar de rechterlijke organisatie. rblz.|68| 

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx 1992 1993 1994 1995 1996 1997
I. Meerkosten eerste fase
A. Raad van State
Personeel 2,52 2,94 3,49 10,01 10,51 13,04
Materieel 0,55 0,30 1,22 2,75 2,75 3,31
Subtotaal      3,08 3,24 –4,71 –12,77 –13,27 –16,35
B. Justitie
Personeel 7,29 16,34 20,91 27,57 27,57 27,57
Materieel 4,28 5,49 5,52 5,76 5,76 5,76
Rechtshulp 0,71 0,71 0,71 0,71 0,71
Subtotaal 11,56 22,54 27,14 34,04 34,04 34,04
Totaal 14,64 25,79 22,43 21,27 20,77 17,69
II. Functiewaardering 10,3 9,8 9,8 9,8 9,8 9,8
Totale kosten l + ll 24,9 35,6 32,2 31,1 30,6 27,5
Financiering
Extra griffierechten 1,7 1,7 1,7 1,7 1,7
Grote efficiency 27,5 35,0 35,0 38,0 38,0 38,0
Kasverschuiving 2,5 1,0 2,5 4,5 4,5
Totaal 25,0 37,7 34,2 44,2 44,2 39,7

Financieringssaldo 0,1 2,1 2,0 13,1 13,6 12,2

 
     Het berekende financieringssaldo is benodigd voor de financiering van de tweede en de derde fase van de herziening (vanaf 1995), waarvan de kosten thans op structureel ƒ10 miljoen worden geraamd. Het dan nog resterende saldo zal worden aangewend ter financiering van de beoogde herziene rechtsbeschermingsregeling in de Algemene Bijstandswet c.a., alsmede van de rechtseenheidsvoorziening. Voorts is ruimte geschapen voor de dekking van de incidentele kosten die in de tweede fase zullen optreden.

     Ter adstructie volgt hier een overzicht van de samenstelling van de geraamde kosten van de tweede en de derde fase van de herziening [x ƒ1 miljoen, red.].

Meerkostenrtweederenrderderfasexxxxxxxxxxxxxxxxx 1993 1994 1995 1996 1997
Integratie kantongerechten 4,0 4,0 4,0
Appelrechtspraak 2,0 2,0 2,0
Afronding herstructurering administratieve rechtspraak 4,0 4,0 4,0
Totaal 10,0 10,0 10,0

 
     De kosten van de eerste inrichting en de huisvesting van de gerechten zijn in de hiervoor gepresenteerde cijferopstelling niet betrokken. Voor de rechterlijke organisatie zijn deze afzonderlijk in beschouwing genomen in het kader van het project huisvesting justitiële diensten (Kamerstukken II, 21 840). Indien men de totale verwachte kosten van dit project, die overigens mede worden bepaald door het wegwerken van reeds bestaande achterstanden op huisvestingsterrein, afzet tegen het aantal te huisvesten formatieplaatsen, kan worden geconstateerd dat op investeringsbasis rekening moet worden gehouden met ongeveer ƒ0,1 miljoen per formatieplaats. De eerste fase van de herzieningsoperatie
rblz.|69| gaat bij de rechterlijke organisatie gepaard met een uitbreiding van ongeveer 400 formatieplaatsen.

     De in dit onderdeel gepresenteerde cijfers zijn onder meer gebaseerd op het zaaksaanbod zoals dat zich in 1989 voordeed bij de Raad van State en op de verwerkingscapaciteit van de Raad in dat jaar. Het is de bedoeling de voorliggende resultaten in de loop van 1992, wanneer de cijfers over 1991 uit het jaarverslag van de Raad van State bekend zijn, te actualiseren. Daarbij zal tevens rekening worden gehouden met de produktiviteitsontwikkelingen zoals deze kunnen blijken uit de resultaten van de werkgroep die de optimale werkwijze van de administratieve kamers in kaart brengt, nieuwe inzichten in de verwerkingscapaciteit bij de gerechten op basis van de ervaringen met de werklastmeting en mogelijkerwijze ook de resultaten van een bij de Raad van State te verrichten onderzoek naar de overhead in de ambtelijke ondersteuning, waarover thans overleg plaatsvindt met de Raad. Op die manier kan worden bewerkstelligd dat niet alleen een actualisering van de zaakscijfers plaatsvindt, maar ook van het voor de berekeningen gebruikte capaciteitsmodel.

     Uit bovenstaande berekeningen blijkt dat uit de voor het ministerie van Justitie uit de grote efficiency-operatie ten behoeve van de herziening van de rechterlijke organisatie aangewezen gelden de financiering van de incidentele kosten (inclusief het wegwerken van de bij de Raad van State bestaande voorraden) en de structurele kosten kan geschieden. De uit de grote efficiency-operatie ten behoeve van de herziening van de rechterlijke organisatie toegewezen gelden zijn toereikend voor het wegwerken van het zich thans voordoende capaciteitstekort en bieden - samen met de extra gelden die in het kader van het asielbeleid aan de Raad van State zijn verstrekt - de mogelijkheid om de voorraden bij de Raad van State weg te werken. Van de uit de grote efficiency-operatie beschikbaar komende gelden zal ƒ16 miljoen structureel beschikbaar moeten blijven om de gevolgen van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie te financieren. Aanvullend op deze gelden zal het nodig zijn dat de verwachte extra opbrengsten uit het griffierecht als gevolg van de invoering van het onderhavige wetsvoorstel eveneens voor de herzieningsoperatie beschikbaar komen. De meeropbrengsten worden geschat op ƒ1,7 miljoen per jaar. De resterende opbrengsten van de grote efficiency-operatie zullen worden aangewend voor de financiering van de latere onderdelen van de herziening van de rechterlijke organisatie en van de gevolgen van de functiewaarderingsoperatie.

     Met betrekking tot de financiering van de herziening rechterlijke organisatie uit de opbrengsten van deze operatie merken wij voor de goede orde nog het volgende op. Zelfs indien de grote efficiency-operatie minder zou opbrengen dan beoogd - daargelaten de omvang daarvan - betekent dat nog niet dat de financiering van de herziening van de rechterlijke organisatie in gevaar komt. Ten eerste is van belang dat slechts een zeer beperkt deel van de opbrengsten uit de grote efficiency-operatie is bestemd voor de herziening van de rechterlijke organisatie. Ten tweede is in het kabinet afgesproken dat, als de opbrengsten onverhoopt minder zouden zijn dan geraamd, de gelden die voor onder meer de herziening van de rechterlijke organisatie nodig zijn, in het uiterste geval via generale compensatie beschikbaar komen, zodat slechts een klein deel van de tekorten binnen de begroting van het ministerie van Justitie moet worden opgevangen.

rblz.|70| 

5.3. Organisatorische consequenties voor de rechtbanken


     De invoering van het onderhavige wetsvoorstel zal buiten de consequenties voor de Raad van State (instelling van één Afdeling bestuursrechtspraak met verschillende taken, met de bijbehorende gevolgen voor de ondersteunende afdelingen) ingrijpende consequenties hebben voor de werkwijzen binnen de (administratieve sectoren van de) rechtbanken. Met inachtneming van de door de Raad van State toegepaste werkmethoden wordt onder meer onderzocht in hoeverre werk door de rechterlijke macht feitelijk kan worden opgedragen aan het gerechtssecretariaat en werk van het gerechtssecretariaat aan de administratie. Thans worden voorstellen ontwikkeld met betrekking tot die werkwijzen. In onderdeel 5.1 werd hierop reeds ingegaan.

     In verband met de tijdelijke werklastverhoging die reorganisatieprocessen met zich kunnen brengen, dient te worden beklemtoond dat, om de extra werklast als gevolg van de veranderingen te beperken, ervoor is gekozen om waar mogelijk veranderingen die de rechterlijke organisatie raken zo in te voeren dat wordt voorkomen dat ze gelijktijdig op dezelfde onderdelen van de rechterlijke organisatie betrekking hebben. Zo vindt de - terdege voorbereide en in termen van structurele extra werklast op basis van de berekeningen van de commissie-Van Schendel meevallende - invoering van het nieuwe BW plaats op het moment dat de voorbereidingen voor de herziening van de bestuursrechtspraak plaatsvinden. Wij wijzen er in dit verband op dat in de opeenvolgende fasen van de herziening telkens andere onderdelen van de rechterlijke organisatie zijn betrokken. Deze gefaseerde aanpak biedt tevens de mogelijkheid de verschillende delen van de herzieningsoperatie in een relatief kort tijdsbestek door te voeren, zodat de medewerkers van de desbetreffende onderdelen niet nodeloos lang worden geconfronteerd met veranderingsprocessen.

     Belangrijk is voorts dat met de implementatie van de herzieningsvoorstellen, ook wat de eerste fase betreft, is gewacht totdat op het niveau van de arrondissementen voorwaarden zijn gecreëerd die voor een succesvolle implementatie nodig zijn. Het gaat daarbij om de versterking van het management op het niveau van het arrondissement, het treffen van voorzieningen gericht op een optimale verdeling en benutting van de beschikbare mensen en middelen en waar nodig een uitbreiding van de capaciteit. Aan dit beleid is en wordt samen met het versterkte lokale beheersmanagement vormgegeven door het werken met een planning- en controlsysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van een werklastmetingssysteem, het verbeteren van de interne organisatie, het ontwikkelen en gebruik maken van moderne werkwijzen en andere delegatiepatronen, automatisering, versterking van de ondersteuning en verbetering van de huisvesting van de gerechten. De uitvoering van het hier geschetste beleid maakt gestage voortgang en begint haar vruchten af te werpen. Belangrijk in dit verband is dat het lokale beheersmanagement, onder leiding van de directeur gerechtelijke ondersteuning, in overeenstemming met de functionele autoriteiten, zich verantwoordelijk weet voor de implementatie van de herzieningsvoorstellen, waarbij overigens zo nodig een beroep kan worden gedaan op het ministerie van Justitie of op externe organisatiedeskundigheid. Inmiddels zijn belangrijke stappen gezet om de integratie van de raden van beroep/Ambtenarengerechten en de rechtbanken, die zoals bekend voorafgaat aan de voltooiing van de eerste fase, inderdaad te kunnen invoeren als het wetsvoorstel - dat gereed is voor mondelinge behandeling in de Tweede Kamer - het Staatsblad heeft bereikt.

     rblz.|71| Bovendien is en wordt bewerkstelligd dat tijdig over extra personeel kan worden beschikt, terwijl voorafgaand aan de implementatie ook extra financiële middelen worden verstrekt. Ter voorbereiding op de voorintegratie zijn in de loop van 1991 extra formatieplaatsen en financiële middelen aan de raden van beroep/Ambtenarengerechten beschikbaar gesteld. In de loop van 1992 zal dat eveneens gebeuren ter voorbereiding op de voltooiing van de eerste fase. Per 1 juli 1992 zullen in dat verband 52 formatieplaatsen extra beschikbaar worden gesteld. Bij dit gegeven dient men bovendien voor ogen te houden dat de invoering van rechtspraak in twee instanties niet gepaard gaat met de overdracht van de bij de Raad van State bestaande voorraden, zodat de zaken op de voor de rechterlijke organisatie nieuwe rechtsterreinen geleidelijk aanhangig zullen worden gemaakt.

     Voorts wordt bewerkstelligd dat zowel voor het rechtsgeleerd personeel als voor het gerechtssecretariaat mogelijkheden worden gecreëerd voor scholing en, indien zij dat wensen, om praktische ervaring op te doen met de behandeling van Arob-, TwK- en kroonzaken. In overleg met de Stichting Studiecentrum Rechtspleging wordt ervoor zorg gedragen dat tijdig de benodigde aanvullende cursussen worden verzorgd. In aanvulling op deze theoretische vorming worden, in goede samenwerking met de Raad van State, voor de leden van de rechterlijke macht en medewerkers uit de rechterlijke organisatie de mogelijkheden verkend om door middel van het volgen van stages bij de Raad aldaar praktische ervaring op te doen. Op die wijze wordt bewerkstelligd dat de rechterlijk organisatie in 1993 ook beschikt over eigen personeel dat in staat is het zich geleidelijk aandienende zaaksaanbod op een nieuw terrein te behandelen.

     Ten slotte kan erop worden gewezen dat bij de verdere ontwikkeling van het Gerbera-automatiseringssysteem rekening wordt gehouden met de behandeling van Arob-, TwK- en kroonzaken, terwijl voor de invoering van dat systeem tijdelijk extra formatieruimte beschikbaar wordt gesteld voor zogenoemde invoeringsteams.

     Teneinde te bewerkstelligen dat de inbreng van alle betrokken partijen in iedere fase van het reorganisatieproces verzekerd is, is een projectstructuur ingesteld waarin voor ieder onderdeel van de uitwerking van de herzieningsvoorstellen alle betrokken instanties zijn vertegenwoordigd. Daarnaast is ten behoeve van de Justitieorganisatie een projectteam in het leven geroepen dat is belast met de coördinatie en de begeleiding van alle activiteiten die in het kader van de reorganisatie moeten worden verricht. Tevens draagt het projectteam ervoor zorg dat alle voor de rechterlijke instanties relevante ontwikkelingen telkens, voor ieder onderdeel van het herzieningsproces, in samenhang worden beschouwd. Een speciale plaats in dit geheel neemt de Adviesraad herziening rechterlijke organisatie in. De adviesraad, die onder voorzitterschap staat van de president van de Hoge Raad en waarin alle geledingen van de rechterlijke macht en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zijn vertegenwoordigd en waarin tevens de Raad van State participeert, heeft tot taak de advisering van de kant van de rechterlijke autoriteiten over alle met de herzieningsoperatie samenhangende onderwerpen te coördineren en te integreren.

rblz.|72| 

6. Gevolgen voor het bestuur


     De in dit wetsvoorstel voorgestelde maatregelen hebben verreweg de meest ingrijpende gevolgen voor de Raad van State en de rechterlijke organisatie zelf. Maar uiteraard laat het wetsvoorstel ook de bestuurlijke omgeving niet onberoerd. De vraag die in dit onderdeel in verband hiermee aan de orde komt is of, en zo ja, in hoeverre extra bestuurslasten aan het nieuwe stelsel van administratieve rechtspraak zijn verbonden.

     Wat de lasten in bredere zin betreft, merken wij het volgende op. In een adviesaanvraag van de regering van 20 juni 1991 aan de WRR [Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, red.] over de verkorting van besluitvormingsprocedures wordt gewezen op de schadelijke gevolgen van lange procedures: "Zij leiden tot onnodig hoge bestuurlijke en maatschappelijke en economische lasten. In de eerste plaats ontstaat veelal kostbare duplicatie van werkzaamheden, bijvoorbeeld door besluitvormings- en inspraakprocedures en rechtsbescherming waarin enige malen in wezen dezelfde bezwaren aan de orde komen. Dit leidt tot lasten voor de overheid, maar ook voor burgers, bedrijven en andere particuliere organisaties. Ten tweede worden de aanleg van infrastructuur en de totstandkoming van bouwwerken, bedrijfsvestigingen en nieuwe economische activiteiten door de lange besluitvormingsprocedures belemmerd." Uiteraard dienen bij het ontwerpen van het rechtsbeschermingsstelsel de effecten op de lengte van het bestuurlijke besluitvormingstraject in de beschouwing te worden betrokken. Een stelsel dat zou leiden tot verlenging van de besluitvorming in het algemeen zou heel onaantrekkelijk zijn. Wij willen er in dit verband op wijzen dat het stelsel van rechtspraak in twee instanties juist mede is ingegeven door de wens sneller een rechterlijk oordeel te kunnen verkrijgen. Oogmerk is immers onder meer een einde te maken aan de overbelasting van de met rechtspraak belaste afdelingen van de Raad van State. Een overbelasting die tot gevolg heeft dat het thans soms wel heel lang duurt voordat een uitspraak over het geschil ten gronde kan worden verkregen. Door de verdere doorvoering van het stelsel van rechtspraak in twee instanties, die tot gevolg heeft dat er een betere spreiding van het zaaksaanbod is, alsmede dat meer rechters beschikbaar zijn, zal de uitspraak in eerste instantie sneller beschikbaar zijn dan in de huidige situatie, waarin door de met rechtspraak belaste afdelingen van de Raad in eerste en enige instantie recht wordt gesproken. Daardoor neemt de gemiddelde duur van de besluitvormingsprocedures substantieel af. Ditzelfde effect wordt overigens al in een eerdere fase van het besluitvormingsproces bewerkstelligd door de bezwaarschriftprocedure. Wij verwijzen voor dat punt naar hetgeen daarover in het kader van de eerste tranche van de Awb is opgemerkt. Bij dit alles verwachten wij dat het aantal zaken waarin in hoger beroep wordt doorgeprocedeerd, beperkt zal zijn. Deze verwachting is onder meer gebaseerd op de appelpercentages in de takken van rechtspraak waar het stelsel van rechtspraak in twee instanties reeds geldt. Indien al hoger beroep wordt ingesteld, betekent dat vervolgens nog niet dat de beslissing in appel moet worden afgewacht alvorens tot uitvoering van het bestreden besluit kan worden overgegaan. Het appel heeft immers in beginsel geen schorsende werking. Nu daarenboven de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in appel wordt voorgesteld, zal het bestuursorgaan in het kader van een dergelijke voorlopigevoorzieningsprocedure op korte termijn een grote mate van zekerheid kunnen verkrijgen over de vraag of het besluit in appel in stand zal blijven. Wij wijzen voorts nog op de mogelijkheid dat de appelrechter tegelijk met de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening uitspraak doet in het hoger beroep in het bodemgeschil.

     rblz.|73| Overigens is het wellicht goed in dit verband eraan te herinneren dat een aantal categorieën van besluiten voorshands van rechtspraak in twee instanties zal worden uitgezonderd. Een belangrijk criterium hiervoor is de onzekerheid over de vraag of bij die categorieën geschillen inderdaad slechts in beperkte mate zal worden doorgeprocedeerd. Door het uitzonderen van deze geschillen is het risico dat de introductie van rechtspraak in twee instanties op onderdelen tot verlenging van de besluitvormingsprocedures zal leiden aanzienlijk beperkt.

     Ten slotte willen wij erop wijzen dat de tijd die met de rechtsbescherming is gemoeid in hoge mate volgend is ten opzichte van (de gecompliceerdheid van) de primaire besluitvorming. Naar de mate waarin het streven naar vereenvoudiging van de primaire besluitvormingsprocedure succes zal hebben, zal dit kunnen leiden tot een vermindering van het aantal rechtsbeschermingsprocedures en van de tijd die met deze procedures is gemoeid.

     Wij achten het derhalve aannemelijk dat het voorliggende wetsvoorstel wat de lasten in bredere zin betreft eerder zal bijdragen aan een verlichting dan aan een verzwaring daarvan.

     Wij hebben gestreefd naar het geven van een zo nauwkeurig mogelijk algemeen beeld van de te verwachten wijzigingen in de bestuurslasten. Wij beschouwen echter het opstellen van een operationeel betrouwbare kwantitatieve analyse ex ante van de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor de bestuurslasten als een vrijwel ondoenlijke opgave. Vooreerst wijzen wij erop dat het een uitermate ingewikkelde opgave is om een betrouwbare voorspelling te doen van de ontwikkeling van bestuurslasten louter als gevolg van het onderhavige wetsvoorstel. Deze ene factor zou dan immers moeten worden geïsoleerd van andere factoren die van invloed zijn op het brede scala van bestuurlijke activiteiten. Wijzigingen in de regelgeving of bij de uitvoering op het niveau van de organisatie (kunnen) leiden tot (veelal ingrijpende) wijzigingen in bestuurslasten. Bij een beoordeling van de te verwachten effecten van dit wetsvoorstel is niet exact na te gaan of het wetsvoorstel daarnaast wellicht ook werkt als een katalysator of als een remmende factor op het geheel van de bestuurslasten. Voor zover ons bekend, zijn ter zake nauwelijks onderzoeksgegevens voorhanden (uitgezonderd de bezwaarschriftprocedure; vgl. Kamerstukken II 1990-1991, 21 221, nrs. 5 en 8 en de bijbehorende rapporten). Daarenboven is de uitvoeringspraktijk mede bepalend voor de bestuurslasten en kan niet in het algemeen worden gesteld dat aan de introductie van een bepaalde nieuwe regel bepaalde van te voren nauwkeurig aangegeven extra bestuurslasten zijn verbonden. Zo blijkt de toepassing van een wet door verschillende uitvoeringsorganen afhankelijk van de wijze van uitvoering door die organen tot uiteenlopende hoeveelheden klachten en beroepschriften te leiden (vgl. G.S.A. Dijkstra, Wetgeving en omvang van het gebruik van rechtsbescherming, Deventer, 1991). Voorts is het de vraag of de bestuurlijke omgeving als een gegeven grootheid moet worden geaccepteerd in de analyse van mogelijke extra bestuurslasten. Rechtsbeschermingsvoorzieningen kunnen er immers ook toe leiden dat tekortkomingen aan het licht komen en dat mogelijkheden worden aangereikt voor verbetering binnen de bestaande financiële kaders. In situaties waarin thans nog sprake is van een rechtsbeschermingstekort kunnen de extra lasten wellicht als onevenredig zwaar worden ervaren, doch de omvang van deze lasten kan niet volledig op het conto van de onderhavige voorstellen worden geschreven.

     rblz.|74| Wellicht ten overvloede merken wij nog op dat ook de baten van dit wetsvoorstel in de beschouwingen dienen te worden betrokken. Niet uit het oog mag worden verloren dat de verhoogde rechtsbescherming die dit wetsvoorstel althans op sommige onderdelen biedt, in beginsel alle rechtzoekenden, inclusief bestuursorganen, in Nederland dient. Noch met een almaar toenemende werklast bij de Raad van State en alle daarmee verbonden problemen, noch met een nieuw, onevenwichtig opgebouwd systeem van rechtsbescherming zijn de rechtzoekenden en de rechtspraktijk gediend. Uiteraard is bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel rekening gehouden met gerechtvaardigde belangen van het bestuur. Doch deze dienen echter niet zodanig overheersend te zijn dat daardoor de vormgeving van de voorgestelde herziening van de rechterlijke organisatie ondergeschikt zou worden gemaakt aan bestuurlijke belangen. Het bestuur is er tenslotte voor de burgers, en niet andersom. Wij wijzen in dit verband andermaal op het belangrijke effect dat in het nieuwe stelsel onder meer door de verdere doorvoering van rechtspraak in twee instanties en door de mogelijkheid van "kortsluiting" tussen voorlopige voorziening en bodemprocedure gemiddeld genomen sneller uitspraken in eerste instantie (en vaak ook in tweede instantie) beschikbaar zijn. Daardoor bestaat sneller rechtszekerheid bij burgers en bestuursorganen en kunnen bijvoorbeeld projecten eerder in uitvoering worden genomen. Deze voordelen lenen zich echter niet gemakkelijk voor kwantificering.

     De hierboven geplaatste kanttekeningen impliceren niet dat het onmogelijk is een voorspelling te doen over de bestuurslasten die bepaalde onderdelen van een regeling met zich brengen. Afhankelijk van de aard van een bepaalde maatregel en de bestuurlijke en maatschappelijke context waarin deze moet worden geïmplementeerd, kunnen meer of minder betrouwbare indicaties worden gegeven van de effecten waarmee rekening moet worden gehouden.

     Op onderdelen zal voor sommige bestuursorganen sprake kunnen zijn van een stijging van de bestuurslasten. Zo zal rechtspraak in twee instanties, waar deze tot nu toe in één instantie plaatsvond, in die gevallen waarin wordt doorgeprocedeerd tot hogere bestuurslasten kunnen leiden. Hoe hoog die lasten zullen zijn, is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de bewerkelijkheid van het hoger beroep (is sprake van slechts een herhaling van zetten of is een hernieuwde beoordeling nodig; komt er een zitting of niet), de mate waarin appellen worden ingetrokken, de vraag of de burger dan wel het bestuursorgaan in appel gaat, de duur van de totale rechterlijke procedure en de inschakeling van professionele rechtsbijstand. In welke categorieën van geschillen meer of minder dan gemiddeld zal worden doorgeprocedeerd en dus bij welke (onderdelen van de) ministeries zich exact de, naar onze opvatting overigens beperkte, extra lasten zullen voordoen, valt niet te voorspellen. Rechtspraak in twee instanties zoals voorgesteld, betekent ook dat de rechtspraak in eerste aanleg op negentien verschillende plaatsen in het land zal plaatsvinden. Dat heeft voor de burger en voor decentrale en gedeconcentreerde bestuursorganen het voordeel van de betere bereikbaarheid, doch voor bestuursorganen van de centrale overheid kunnen daaruit extra lasten voortvloeien. Daar staat tegenover dat een verhoging van de bestuurslasten onder meer is beperkt doordat nadrukkelijk ten aanzien van bepaalde geschillen is voorgesteld in deze fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voorshands rechtspraak in één instantie te handhaven.

     Ter illustratie geven wij onderstaand meer in concreto een overzicht van de aantallen Arob-zaken die in het nieuwe stelsel in eerste aanleg en rblz.|75| in hoger beroep zullen worden behandeld. Aan de hand daarvan kan ook een concreter beeld ontstaan van de extra bestuurslasten ten gevolge van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie. Deze gegevens zijn ontleend aan berekeningen die in oktober 1990 zijn opgesteld van de gevolgen van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voor in het bijzonder de Raad van State en de rechtbanken. Wij vermelden hier als gezegd de gegevens ten aanzien van de huidige Arob-rechtspraak. Het gaat daar immers om het grootste aantal geschillen en om de meest ingrijpende wijziging in het stelsel.

     In 1989 werden 20 471 Arob-geschillen aangebracht. In 15 480 zaken ging het om hoofdzaken. Bijna 5000 zaken betroffen verzoeken om schorsing en/of voorlopige voorziening. Na correctie voor de zeefwerking die - volgens berekeningen gebaseerd op de huidige praktijk van artikel 11 van de Wet Arob - van de algeheel verplichte bezwaarschriftprocedure inzake geschillen tegen de centrale overheid uitgaat, resteren 10 330 zaken die in eerste aanleg zullen worden behandeld door de administratieve kamers van de rechtbanken en die ook in beginsel in aanmerking komen voor rechtspraak in twee instanties. Indien rekening wordt gehouden met een aanzuigende werking van 10%, gaat het om 11 360 zaken. Hierbij is van belang dat slechts ongeveer 40% van de ingekomen hoofdzaken leidt tot een voor hoger beroep vatbare uitspraak na een behandeling ter zitting; 30% wordt namelijk buiten zitting afgedaan en ongeveer 30% wordt ingetrokken of op een andere wijze afgedaan. Op basis van een appelpercentage van 35% van de voor hoger beroep vatbare uitspraken betekent dat dat in ongeveer 1550 zaken hoger beroep zal worden ingesteld. Voor de goede orde zij hierbij aangetekend dat in deze berekeningen nog geen rekening kon worden gehouden met enerzijds de voorgestane rechtspraak in één instantie in geschillen op grond van de Vreemdelingenwet (in 1989 ongeveer 2100 aangebrachte geschillen) en anderzijds het sinds 1989 gestegen aantal ingekomen zaken (in 1990 ongeveer 2500 extra hoofdzaken).

     Uit deze gegevens kunnen voor de te verwachten extra bestuurslasten de volgende conclusies worden getrokken.

     Anders dan thans zal in 1550 (voormalige Arob-)zaken een hogerberoepsprocedure moeten worden gevoerd. Daarbij komt dat in een deel van deze gevallen hangende hoger beroep nog een voorlopige voorziening zal worden gevraagd.

     Evenals thans zijn bestuurslasten verbonden aan behandeling van geschillen in eerste aanleg. Deze zijn, met één - hierna te bespreken - uitzondering, niet hoger dan thans. Zoals bekend, zullen, anders dan nu, geschillen niet geconcentreerd op één plaats in het land worden behandeld, doch verspreid over negentien rechtbanken. Voor bestuursorganen die niet tot de centrale overheid behoren, zal dat in die gevallen waarin er een zitting wordt gehouden tot een besparing (reistijd) leiden. Voor bestuursorganen van de centrale overheid geldt dat in die gevallen waarin beroepen tegen besluiten van de Kroon of een minister in eerste aanleg niet meer te 's-Gravenhage worden behandeld extra bestuurslasten optreden. Zorgen over de omvang daarvan dienen echter in belangrijke mate te worden gerelativeerd. In totaal zullen in eerste aanleg ongeveer 5300 zittingen in hoofdzaken (waaronder 550 verzetzaken) worden gehouden en ongeveer 2590 voorlopigevoorzieningszittingen worden gedaan. Er kan van worden uitgegaan dat de centrale overheid in een derde deel van deze zaken als verweerder zal optreden. Een deel van de Arob-zaken tegen bestuursorganen van de centrale overheid bestaat uit beroepen tegen besluiten van gedeconcentreerde ambtenaren waaraan rblz.|76| de bevoegdheid tot het nemen van bepaalde besluiten is geattribueerd. In die gevallen treedt voor de centrale overheid juist een vermindering van die bestuurslasten op, aangezien de desbetreffende ambtenaren dan veelal dichter bij hun werkplek terecht kunnen dan thans het geval is. Als wij aannemen dat in ongeveer een derde deel van deze geschillen sprake is van gedeconcentreerde diensten, betekent dat dat in ongeveer 1750 geschillen meer lasten voor de centrale overheid zullen optreden. Daarbij is dan nog geen rekening gehouden met de in artikel 8.3.8 [8:86] van de Awb geregelde mogelijkheid van kortsluiting tussen voorlopige voorziening en hoofdzaak. De omvang van deze meerkosten wordt nog verder beperkt, namelijk in de gevallen waarin het wél gaat om besluiten van de Kroon of een minister. Daarbij zal door louter demografische oorzaken in 46% van de gevallen sprake zijn van geen of slechts beperkte extra bestuurslasten. Wij doelen op de gevallen waarin de appellant woonachtig is in het arrondissement 's-Gravenhage (11%), onderscheidenlijk in één van de arrondissementen op korte reisafstand van 's-Gravenhage (Dordrecht 2%, Rotterdam 7%, Haarlem 6%, Amsterdam 11% en Utrecht 9%). Bovendien wijzen wij op de toenemende tendens tot decentralisatie. Deze zal ertoe kunnen leiden dat in meer gevallen dan thans besluiten worden genomen door bestuursorganen van de decentrale overheden. Voorts achten wij het van belang dat de rechtbanken waar mogelijk de behandeling van zaken die één (onderdeel van een) bestuursorgaan betreffen zoveel mogelijk voor behandeling op één zitting plannen. Wij menen dat ook langs die weg praktische oplossingen kunnen worden getroffen om extra bestuurslasten zo beperkt mogelijk te houden.

     Wij concluderen dat invoering van rechtspraak in twee instanties met name voor de centrale overheid meer bestuurslasten met zich zal brengen, doch wij zijn tevens van oordeel dat deze in het licht van de gevolgen van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie voor het tot stand komen van onherroepelijke overheidsbeslissingen niet moeten worden overschat. Het gaat om beperkte extra lasten, verbonden aan het voeren van gedingen in hoger beroep en - slechts voor zover het de centrale overheid (althans de ministeries) betreft - aan het bijwonen van zittingen in eerste aanleg op negentien verschillende plaatsen in het land.

     Naast eventuele bestuurslasten voortvloeiende uit het stelsel van rechtspraak in twee instanties is het ook mogelijk dat enige extra bestuurslasten voortvloeien uit de voorgestelde uitbreiding van de competentie van de administratieve rechter ten gevolge van de slechting van de negatieve lijst bij de Wet Arob. Dit heeft tot gevolg dat de mogelijkheden voor beroep bij de administratieve rechter enigermate worden uitgebreid. Deze uitbreiding zal tot een zekere stijging van de bestuurslasten leiden. Het gelijktijdig met de expiratie van de TwK vervallen van de negatieve lijst is een uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer. Over de omvang van de stijging kunnen wij thans het volgende vermelden. Door de hernieuwde vaststelling in 1988 is het aantal beschikkingen waarop de lijst betrekking heeft belangrijk beperkt. Reeds om die reden zal de stijging van bestuurslasten beperkt blijven. Bij een nadere beschouwing van de in 1988 overgebleven besluiten is gebleken dat dat inderdaad zo is. Zo hebben de achttien op de lijst vermelde zogenoemde garantieregelingen Indische pensioenen betrekking op een qua omvang beperkte populatie. Bovendien betreft het veelal besluiten waartegen thans al de redelijk functionerende mogelijkheid van administratief beroep bestaat. De gevolgen van de schrapping van de op de negatieve lijst vermelde wetgeving van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen kunnen niet goed worden getaxeerd. Met betrekking tot r