|
rblz.|1|
Kamerstukken II 1992-93,
22 899
Wijziging
van de Ziektewet, het Burgerlijk
Wetboek en enkele andere wetten,
alsmede het treffen van een regeling voor het overheidspersoneel, in
verband met terugdringing van het ziekteverzuim (Wet
terugdringing ziekteverzuim)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Achtergrond voorgestelde maatregelen |
| 1.1 |
Algemeen |
| 1.2 |
Wet TAV |
| 1.3 |
SER-adviesaanvrage |
| 1.4 |
Beleidssuggesties adviesaanvrage |
| 1.5 |
Bijstelling ramingen |
| 1.6 |
Kabinetsbesluit op hoofdlijnen |
| 1.7 |
Nadere aanbeveling van de Stichting van
de Arbeid inzake bestrijding
van het ziekteverzuim |
| 1.8 |
Amendering
Wet TAV door Tweede Kamer |
| 1.9 |
De adviezen van de Sociale
Verzekeringsraad (SVr) en Arboraad |
| 2 |
SER-advies |
| 2.1 |
Algemeen |
| 2.2 |
Invoering bedrijfsgezondheidszorg |
| 2.3 |
Goed werkgeverschap |
| 2.4 |
Wijziging ontslagbescherming |
| 2.5 |
Meldingsplicht bij bedrijfsverenigingen |
| 2.6 |
Aanwijzingen omtrent de inrichting van
de arbeid en de arbeidsplaats |
| 2.7 |
Terugkeerrecht |
| 3 |
Concrete
maatregelen |
| 3.1 |
Inleiding |
| 3.2 |
Vergroting financiële betrokkenheid van
de individuele werkgever |
| 3.3 |
Vergroting financiële betrokkenheid van
werknemers bij ziekteverzuim |
| 3.4 |
Terugkeerplan |
| 3.5 |
Relevante internationale aspecten |
| 3.6 |
Evaluatie en onderzoek |
| 4 |
Financiële
effecten van de voorgestelde maatregelen |
| 4.1 |
Inleiding |
| 4.2 |
Directe effecten |
| 4.3 |
Indirecte effecten |
| 4.4 |
Effect op
werkloosheidsregelingen |
| 4.5 |
Administratiekosten |
| 4.6 |
Samenvattend |
| 5 |
Maatregelen
overheid |
| 5.1 |
Algemeen |
| 5.2 |
Budgettaire effecten bij de
overheid |
| 6 |
Gevolgen
voor vrouwen en deregulering |
| 6.1 |
Gevolgen voor vrouwen |
| 6.2 |
Dereguleringsaspecten |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XXI |
rblz.|3|
[Algemeen, red.]
1.
Achtergrond voorgestelde maatregelen
1.1.
Algemeen
Het
voorgenomen beleid ten aanzien van het
terugdringen van het ziekteverzuim
en het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt
- voor zover daartoe wettelijke
maatregelen noodzakelijk zijn - in een
drietal wetsvoorstellen aan het
parlement voorgelegd.
Op
1 maart 1992 is de Wet
terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume
(Wet TAV, Wet van 26 februari 1992, Stb. 1992, 82) in werking
getreden.
Het voorstel
van Wet terugdringing beroep op
de arbeidsongeschiktheidsregelingen
(Wet TBA) is op 21 september jongstleden
ingediend bij
de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel TBA
betreft de kabinetsvoorstellen
inzake de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering
(WAO) en de ambtelijke invaliditeitspensioenregelingen.
Het nu voorliggende wetsvoorstel betreft
met name
de wijzigingen in de Ziektewet
(ZW) en
het Burgerlijk
Wetboek (BW),
alsmede het treffen van een regeling
voor het overheidspersoneel, in
verband met terugdringing van het
ziekteverzuim.
1.2.
Wet TAV
De
op 1 maart 1992 in werking getreden Wet
TAV is gebaseerd op het advies
van de Tripartiete Werkgroep
Volumebeleid Arbeidsongeschiktheidsregelingen
(TWVA) van 20 oktober 1989 en de
afspraken tussen overheid
en centrale organisaties van werkgevers
en werknemers, overeengekomen
tijdens het Najaarsoverleg van 2 oktober
1990.
In
hoofdstuk 1 (Historisch overzicht van
ontwikkelingen en beleidsvoornemens)
van de memorie van toelichting bij de
Wet TAV is uitvoerig ingegaan
op de achtergrond en de noodzaak van het
grote aantal maatregelen
gericht op de terugdringing van het
ziekteverzuim en het beroep
op de WAO, de AAW
en de ambtelijke invaliditeitspensioenregelingen.
De Wet
TAV bevat onder meer de volgende
wijzigingen van de ZW, de
WAO,
AAW, de
Wagw [Wet arbeid gehandicapte
werknemers, red.] en het
BW.
-
Invoering van een
premiedifferentiatiesysteem in de ZW
waarbij een onderneming
die boven het gemiddeld ziekteverzuim
van de bedrijfstak uitkomt
een hogere ZW-premie en een onderneming
die onder het bedrijfstakgemiddelde
blijft een lagere ZW-premie betaalt. Bij
Koninklijk besluit
van 9 september 1992, Stb. 1992,
495, is bepaald dat de premiedifferentiatie
op 1 januari 1993 van kracht wordt.
-
De bedrijfsvereniging krijgt daarmee
tevens de bevoegdheid ook het op
het loon van de werknemer in te houden
deel van de ZW-premie (maximaal
1%) te verhogen of te verlagen
afhankelijk van het ziekteverzuim
binnen de onderneming.
-
Een verhoging van de ZW-uitkering tot
100% van het dagloon voor heringetreden
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikten
gedurende ziekteperioden
gelegen in de eerste drie jaar na
herintreding.
-
Verbetering en verruiming van de
mogelijkheden tot (gedeeltelijk) hervatten
in passend werk door een zieke
werknemer.
-
Het verplicht opleggen van sancties door
de bedrijfsvereniging aan de
werknemer of de werkgever bij weigering
om mee te werken aan (gedeeltelijke)
werkhervatting door een zieke werknemer.
rblz.|4|
-
De herverdeling van bevoegdheden tussen
overheid en sociale partners
in het kader van de ZW wordt vastgelegd.
Hierbij wordt onder meer artikel
1638c BW
gewijzigd waardoor de
wachtdagen heronderhandelbaar
worden.
-
Invoering van een bonus/malussysteem
waarbij een werkgever die een
arbeidsongeschikte in dienst neemt een
bonusuitkering krijgt en een geldelijke
bijdrage wordt opgelegd als een
werknemer arbeidsongeschikt wordt
(dan wel toegenomen arbeidsongeschikt).
-
Invoering van een loonkostensubsidie
(maximaal 20% van het overeengekomen
brutoloon voor maximaal vier jaar) en
begeleidingssubsidie
(maximaal ƒ4000,-) voor een werkgever bij
indienstneming van een (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikte.
-
Het opleggen van een sanctie in de WAO
en de AAW voor een werkgever
die weigert een gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werknemer werk
te laten hervatten. Deze mogelijkheid
bestaat zolang de dienstbetrekking
duurt.
-
Na zes weken ziekte vindt verplicht
melding plaats van zieke werknemers
door bedrijfsverenigingingen aan de GMD
[Gemeenschappelijke Medische Dienst, red.].
Na dertien weken ziekte
stelt de GMD, in overleg met de
werkgever en de werknemer, een reïntegratieplan
op ten behoeve van de herintreding van
de werknemer in het
arbeidsproces. Deze bepaling is nog niet
in werking getreden.
- Verruiming van de mogelijkheid tot
herziening van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een
hoger dagloon (WAO) of hogere grondslag (AAW)
voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten
die werk hebben hervat maar
opnieuw arbeidsongeschikt raken.
-
Verruiming van de mogelijkheid tot
uitstel van arbeidsongeschiktheidsschatting
bij twijfel of de betrokken
arbeidsongeschikte weer duurzaam
aan het werk kan gaan.
-
Invoering van de mogelijkheid tot
uitstel van een hernieuwde arbeidsongeschiktheidsschatting
tot één jaar nadat een arbeidsongeschikte een
scholing heeft voltooid.
-
Het invoeren van de mogelijkheid bij
schriftelijke overeenkomst of bij reglement
te bepalen dat ziektedagen als
vakantiedagen worden aangemerkt,
met dien verstande dat de werknemer ten
minste recht houdt op vier
weken vakantie per jaar.
-
Het doen herleven van de mogelijkheid om
bij schriftelijk aangegane overeenkomst
of bij reglement één of twee
wachtdagen te realiseren; in aansluiting
hierop worden de twee dagen meegeteld
voor de bepaling van
het maximaal aantal weken ziekengeld (52
weken).
-
Wijziging van de Wet arbeid gehandicapte
werknemers (Wagw): het
invoeren van een registratie- en
informatieverplichting met betrekking
tot gehandicapte werknemers voor
werkgevers, een informatieverplichting
voor uitvoeringsorganen en het vervallen
van het begrip "onderneming"
in artikel 3 van de Wagw; de
informatieverplichting voor werkgevers is nog niet in werking
getreden.
Dit geheel aan wettelijke maatregelen geeft
geen volledig overzicht van
de tussen overheid en sociale partners
overeengekomen maatregelen.
De afspraak van het Najaarsoverleg van 2
oktober 1990 bevat tevens
een groot aantal maatregelen die geen
wetswijziging vereisen, vooral
gericht op preventie van ziekteverzuim
en arbeidsongeschiktheid en
op een intensievere begeleiding van
zieke en arbeidsongeschikte werknemers
door werkgevers, bedrijfsgezondheidszorg
en uitvoeringsorganen van de sociale zekerheid.
Met
de verwijzing naar de begeleiding van
zieke en arbeidsongeschikte werknemers
door de uitvoeringsorganen sociale
zekerheid wordt eveneens
de samenhang duidelijk tussen het beleid
gericht op het terugdringen
van vermijdbaar kort- en langdurend
ziekteverzuim (het rblz.|5|
zogenaamde
volumebeleid) en de door het kabinet
gepresenteerde voorstellen
voor een herziening van de
Organisatiewet Sociale Verzekering
(OSV) (Sociale Nota 1993, Kamerstukken
II 1992-1993, 22 802, nrs.
1-2).
Het
kabinet acht aanpassing van de OSV
gewenst in verband met het oplossen
van een aantal urgente knelpunten. Het
kabinet kiest in de eerste
plaats voor een onafhankelijk toezicht
op de uitvoering. Daarnaast zal
in het voorstel een regeling voor een
budgettering van de uitvoeringskosten
worden opgenomen. Vervolgens zal een wettelijke basis voor de
opheffing
van de GMD worden gecreëerd en zal op
de consequenties daarvan
worden ingegaan. Dit betekent onder meer dat de gevalsbehandeling
bij ziekte en arbeidsongeschiktheid niet
langer - zoals nu het geval is
- in handen wordt gegeven van twee
organen, te weten de bedrijfsvereniging
en de GMD. Zoals bekend
worden in de uitvoering op het ogenblik
stappen gezet die de gewenste
situatie, zoveel als binnen het kader van de huidige wetgeving
mogelijk
is, benaderen. Door deze
gevalsbehandeling volledig onder verantwoordelijkheid
van de bedrijfsverenigingen te brengen,
worden naar
de mening van het kabinet de meest
optimale randvoorwaarden gecreëerd
voor het volumebeleid. In dit verband
zal overigens ook een versterkt
toezicht op de uitvoering van ZW,
WAO en
AWW door de bedrijfsverenigingen,
bijzondere aandacht krijgen.
Dit
overzicht van geïnitieerde wetgeving is
niet compleet zonder verwijzing
naar de implementatie van de
EG-kaderrichtlijn betreffende de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter
bevordering van de verbetering
van de veiligheid en de gezondheid van
werknemers op het werk (89/391/EEG).
Het wetsvoorstel ter implementatie (wetsvoorstel
wijziging Arbowet [Arbeidsomstandighedenwet
(oud), red.]) is gelijktijdig met
het
voorliggende wetsvoorstel ingediend
bij het parlement. In dit wetsvoorstel
zijn ook bepalingen opgenomen
om uitvoering te geven aan de motie van
de Tweede Kamer (Kamerstukken II 1991-1992, 22 228, nr.
31) om te
komen tot een verplichting
voor de werkgevers vanaf 1 januari 1993
een vorm van bedrijfsgezondheidszorg
beschikbaar te stellen aan alle
werknemers. In de
hoofdstukken 2 en 3
van deze memorie van
toelichting wordt nog hierop teruggekomen.
1.3.
SER-adviesaanvrage
In
de Gemeenschappelijke Verklaring
Volumebeleid Arbeidsongeschiktheid
van 2 oktober 1990 heeft het kabinet
aangegeven een adviesaanvrage
aan de Sociaal-Economische Raad (SER) te
zullen voorleggen, waarbij
de AAW, de
WAO en de Wagw
in hun
onderlinge relatie in discussie
komen. Tevens heeft het kabinet daarbij
aangegeven dat het eerst
na ontvangst van het SER-advies, gelet
op de effecten van de tijdens
het Najaarsoverleg overeengekomen
maatregelen, zo mogelijk en zo nodig beleidsconclusies zal trekken.
In
dit verband is vooral ook de
beleidsmatige inzet van sociale partners
en
de overheid van belang. Deze inzet,
verbonden aan het Najaarsakkoord,
is als volgt verwoord: "dat de eerste
gunstige effecten nog in 1991
zichtbaar worden, waarna het streven is
zo spoedig mogelijk te komen
tot een stabilisatie van het beroep op
de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Daarna zou de stabilisatie zo snel
mogelijk moeten omslaan in
een daling".
Voordat
het kabinet een adviesaanvrage aan de
SER had verzonden, kwam
de SER zelf op 18 januari 1991 met zijn
advies over het sociaal-economische
beleid op middellange termijn 1991-1994,
het rblz.|6|
zogenaamde
MLT-advies (SER, publikatienr. 91/02).
In het MLT-advies stelt
de Raad dat de gewenste stabilisatie van
het beroep op de ZW
en de
arbeidsongeschiktheidsregelingen (gemeten in uitkeringsjaren) vóór of in
1992 moet zijn bereikt. Dit impliceert
in de visie van de Raad dat verdergaande
maatregelen moeten worden genomen dan
voortvloeiden uit
de eerdere tripartiete afspraken. In dit
kader bezien pleitte de Raad er
dan ook voor dat het kabinet zodanig snel en zodanig gericht een
adviesaanvraag
over (met het oog op dat doel
noodzakelijke) overheidsmaatregelen
aan de SER zou voorleggen zodat deze
naar aanleiding daarvan
nog vóór de zomer van 1991 advies zou
kunnen uitbrengen.
Het
kabinet heeft de adviesaanvrage aan de
SER concreet vormgegeven
in het kader van de Tussenbalans. De
adviesaanvrage is op 19 februari
1991 verzonden aan de SER, (Kamerstukken
II 1990-1991, 21
998, nr. 2, bijlage 6). Hierin refereert
het kabinet aan de doelstelling van
het beleid, vastgelegd in het Regeerakkoord, om zo snel mogelijk te komen
tot een situatie waarin het beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen in ieder geval niet meer groeit. Naar de
mening van het kabinet
betekent dit dat het beleid met
betrekking tot de AAW, de
WAO en
de Wagw erop gericht zou moeten zijn om
in 1994 te komen tot een terugkeer
in termen van uitkeringsjaren op het
niveau ultimo 1989. Naar de
inzichten medio februari zou dit een
daling van ongeveer 65 000 à 70
000 uitkeringsjaren betekenen,
overeenkomend met een daling van circa ƒ1,9 miljard. In de sfeer van het
ziekteverzuim gaf het kabinet als
streven aan een daling in 1994 ten
opzichte van de toenmalige ramingen
van het verzuim per verzekerde met 1,5
à 2 procentpunt bij de omslagleden.
In
zijn adviesaanvrage heeft het kabinet
aangegeven dat met de afspraken
die voortvloeien uit het Najaarsoverleg
1990 een goede aanzet
is gegeven om te komen tot de doelstelling van het
Regeerakkoord.
Het kabinet wilde echter tegelijkertijd
niet voorbijgaan aan de twijfel
die van diverse kanten was geuit over de
realiseerbaarheid van de ombuigingsdoelstelling
met het pakket maatregelen van het
Najaarsoverleg.
Daarnaast was het kabinet van mening dat
een herbezinning op het
stelsel van
arbeidsongeschiktheidsregelingen hoe dan
ook noodzakelijk
is in verband met de "verjongingstendens" in het
AAW/WAO-bestand,
de gemiddeld jongere leeftijd waarop werknemers
instromen
in deze regelingen.
Het
kabinet zag zich geconfronteerd met een
aantal onzekerheden, De onzekerheid
omtrent de effecten van de maatregelen
uit het Najaarsoverleg
hing samen met de nadruk daarbij op het
realiseren van moeilijk in
te schatten volume-effecten door
gedragsbeïnvloeding. Er was tevens ongewisheid
over de ontwikkelingen bij ongewijzigd beleid; gelijke
behandelingsaspecten,
VUT-ontwikkelingen en het resultaat van
de inspanningsverplichting Wagw maakten de ramingen met betrekking
tot toekomstige ontwikkelingen onzeker.
Het
kabinet wilde derhalve hoe dan ook
voorbereid zijn op het treffen van
aanvullende maatregelen wanneer zou
blijken dat de afspraken uit het
Najaarsoverleg onvoldoende resultaat
zouden opleveren. Het kabinet heeft
daarom gekozen voor een adviesaanvrage
waarin een aantal opties (met
andere woorden een aantal mogelijke beleidsvoorstellen ter
beheersing
van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid) is weergegeven. Het
kabinet had ook geen behoefte aan een
inperking van deze opties, met andere woorden een nader gerichte
adviesaanvrage, aangezien het zich
niet wilde afsluiten voor alternatieven
van de kant van de
SER. Door de
breed geformuleerde adviesaanvrage kreeg
de SER alle gelegenheid om
tot eigen opvattingen te komen.
rblz.|7|
1.4.
Beleidssuggesties adviesaanvrage
Het
totaal aan beleidssuggesties opgenomen
in de adviesaanvrage ziet
er als volgt uit:
ZW
en BW:
-
het ten laste van de werkgever brengen
van de eerste zes weken van het
ziekteverzuim (mogelijke
uitzonderingspositie van werkgevers met een
gering aantal werknemers);
-
het inzetten van vakantie- of ADV-dagen ter vervanging van de eerste ziektedagen
in de sfeer van het
arbeidsvoorwaardenoverleg, al dan niet met
een rol hierbij voor de wetgever;
-
het via wetgeving bevorderen dat over
doorbetaling van het loon tijdens
de eerste ziektedagen feitelijk nieuwe
afspraken worden gemaakt;
-
het toetsen van CAO-afspraken alvorens
deze al dan niet verbindend worden
verklaard;
-
beëindigen van herverzekering van
bovenwettelijke ZW-regelingen, ten
laste van de ziekengeldkassen van de
bedrijfsverenigingen en het beperken
van de duur van de ZW-aanvulling.
AAW, WAO
en Wagw:
-
het mogelijk verhogen van de
bruikbaarheid van het Wagw-quoteringsinstrument
door uit te gaan van een uniform
percentage;
-
de mogelijke introductie van een
terugkeerrecht of herplaatsingsregeling
voor (gedeeltelijk) herstelde
werknemers, op grond waarvan zij binnen
een bepaalde termijn bij voorrang weer
in dienst worden genomen
bij hun vroegere werkgever;
-
het tot stand komen van een
voorkeursbeleid bij de werving en selectie
van nieuw personeel door werkgevers ten
gunste van gehandicapte
werklozen, wellicht als alternatief voor
quotering;
-
beperken van de uitkeringsduur van de WAO;
-
het maken van een onderscheid tussen
beroepsgebonden en niet-beroepsgebonden
risico's;
-
de introductie van een
belastbaarheidscriterium in de AAW
en
WAO en
de operationalisering van dit nieuwe
criterium;
-
het wijzigen van het beleid met
betrekking tot het duiden van passende
arbeid;
-
het aanscherpen van de toepassing van de
begrippen "ziekte" en "gebrek";
-
het afschaffen van de laagste
arbeidsongeschiktheidsklassen in AAW
en WAO en de invoering van een minder
fijnmazige klassenindeling;
-
overheveling van (een deel van) de
WAO-premie naar de werkgever en
in aansluiting daarop een eventuele
differentiatie van de WAO-premie.
1.5.
Bijstelling ramingen
Gedurende
de maanden dat de
SER zijn advies
voorbereidde, kwamen nieuwe
kwantitatieve gegevens beschikbaar, te
weten de realisatiegegevens
over de volumeontwikkeling van de ZW
en
de AAW/WAO over 1990
en het eerste kwartaal 1991 en de, in de
conceptpremienota 1992 van
de besturen van de arbeidsongeschiktheidsfondsen opgenomen,
volumeramingen
voor 1992. Deze informatie heeft ertoe
geleid dat de oorspronkelijke
raming van de volumeontwikkeling ZW en
AAW/WAO werd
bijgesteld. De SER en de Tweede Kamer
der Staten-Generaal zijn hierover
ingelicht bij brief van 19 juni 1991
(kenmerk DGSZ/FEBO/91/1131).
Deze bijstelling had ook gevolgen voor
de te verrichten inspanningen
om de doelstelling van het Regeerakkoord
te realiseren. In rblz.|8|
plaats
van een daling met bijna 65 000 à 70 000
uitkeringsjaren AAW/WAO,
zou gezien de nieuwe inzichten een
daling met circa 125
000 uitkeringsjaren dienen te worden
gerealiseerd om stabilisatie op
het niveau van de circa 760 000
uitkeringsjaren van 1989 te kunnen bereiken.
Wat
de ZW betreft kwamen de
realisatiecijfers 1990 8000 uitkeringsjaren
hoger uit dan aanvankelijk door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
geraamd. Naar aanleiding hiervan werden
de ramingen tot
en met 1994 opgehoogd, corresponderend
met een verhoging van het
ziekterisicopercentage van 8,3 naar 8,4.
Ten gevolge hiervan vergt ook
de doelstelling van het kabinet ten
aanzien van de ZW (daling verzuimpercentage
van de omslagleden met 0,5 procentpunt per
jaar vanaf 1992
tot en met 1994) een extra inspanning.
De
belangrijkste politieke conclusie van
het kabinet verbonden aan de bijgestelde
ramingen was dat niet (langer) ontkomen
kon worden aan ingrijpende
additionele maatregelen gericht op
ombuiging van de nog zichtbaarder
geworden trend in het kort- en
langdurend verzuim. Voor het
kabinet was de vraag óf er nog
additionele maatregelen noodzakelijk zouden
zijn niet meer actueel; het ging nog om
de vraag wélke additionele
maatregelen getroffen moesten worden.
1.6.
Kabinetsbesluit op hoofdlijnen
De
SER heeft zijn advies op 12 juli 1991
vastgesteld. In hoofdstuk 2 van
deze memorie wordt nader op dit advies
ingegaan. Het kabinet heeft zijn
standpunt op hoofdlijnen bepaald op 13
juli 1991. De SER en de Tweede
Kamer der Staten-Generaal zijn hierover
geïnformeerd op 16 juli 1991 (Kamerstukken
II 1990-1991, 22 187, nr. 1). Het kabinetsstandpunt
is nadien, wat betreft de voorgestelde
ingrepen in de WAO, gewijzigd
(Kamerstukken II 1990-1991, 22 187, nrs.
2, 9 en 10).
Zoals
aangegeven in paragraaf
1.1, is het
wetsvoorstel TBA inmiddels ingediend
bij de Tweede Kamer. Het voorliggende
wetsvoorstel TZ betreft,
zoals eerder aangegeven, met name de
wijzigingen in de ZW
en het BW, alsmede een analoge regeling voor
het overheidspersoneel.
1.7.
Nadere aanbeveling van de Stichting van
de Arbeid inzake bestrijding
van het ziekteverzuim
Een onderdeel van de kabinetsbesluitvorming
was het treffen van een overgangsmaatregel
die erop gericht is langs wettelijke weg
te bevorderen
dat over bovenwettelijke verplichtingen
in de contracten nieuwe afspraken
worden gemaakt (zogenaamde "parapluwet"). Een ander
onderdeel
was het wijzigen van het BW
met
betrekking tot vakantieaanspraken.
Het kabinet achtte het inleveren van
één vakantiedag gedurende
elke ziekteperiode een goede stimulans
ter beperking van het ziekteverzuim.
Op 8 november 1991 is de Stichting van
de Arbeid gekomen
met een nadere aanbeveling inzake
bestrijding van het ziekteverzuim.
In deze aanbeveling bevelen de in de Stichting van de Arbeid
vertegenwoordigde
organisaties hun leden aan om in het
decentrale arbeidsvoorwaardenoverleg,
als onderdeel van het
ziekteverzuimbeleid, ook afspraken te maken over zogenaamde
arbeidsvoorwaardelijke stimulansen
in geld en/of vrije tijd, alsmede over
de aanwending van eventuele uit
dit beleid voortvloeiende baten. De
effectuering van de aanbeveling is door
de sociale partners afhankelijk gesteld
van twee voorwaarden. Allereerst,
het niet doorgaan van de
parapluwetgeving. Ten tweede, het omzetten
van het oorspronkelijke voorstel, inzake
het per ziekmelding rblz.|9|
moeten
afboeken van een dag van het
vakantietegoed van de werknemer,
in een voorstel inhoudende de
mogelijkheid om tot een ruil van
ziekte- met vakantiedagen te komen.
Doel
van de parapluwet was het scheppen van
een situatie waarin partijen ten minste in formele zin opnieuw moeten
onderhandelen. Het kabinet
besefte dat het effect daarvan staat of
valt met de materiële bereidheid
daartoe. Het kabinet concludeerde dat
deze materiële bereidheid
aanwezig was gezien de centrale afspraak
d.d. 8 november 1991,
waarbij de centrale werkgevers- en
werknemersorganisaties de CAO-partijen
oproepen om nadrukkelijk aandacht te
besteden aan het inbouwen
van arbeidsvoorwaardelijke stimulansen
ter terugdringing van het
ziekteverzuim. De aanbeveling van de
Stichting van de Arbeid werd door
het kabinet niet minder effectief geacht
dan de voorgenomen parapluwet.
Op
14 november 1991 heeft een delegatie van
het kabinet overleg gevoerd
met de Stichting van de Arbeid over de
aanbeveling alsmede over
de daaraan gekoppelde voorwaarden.
Gezien de verwachte effectiviteit
van de centrale aanbeveling afgezet
tegen de veronderstelde effectiviteit
van de parapluwet, heeft het kabinet
zich bereid verklaard af te zien
van de parapluwet alsmede bereid te zijn
tot een omzetting van de afboekingsregeling
van vakantiedagen tijdens ziekte in de
door de Stichting
bedoelde zin. Tijdens dit overleg is
afgesproken dat bij de evaluatie
die medio 1992 door de Stichting van de
Arbeid en de overheid gezamenlijk
zal worden gehouden over de effecten van
het tripartiete akkoord
van 2 oktober 1990, een eerste
tussenstand zal worden opgemaakt
over de werking van deze nadere
aanbeveling.
Bezien
zal worden in welke mate bepalingen in
de dan tot stand gekomen CAO's voorkomen, gericht op de
bestrijding van het ziekteverzuim.
Medio 1993 zal bezien worden tot welke
resultaten deze nadere aanbeveling
uiteindelijk heeft geleid. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft op dit moment een plan van aanpak
voor evaluatieonderzoek
met betrekking tot het volumebeleid in
voorbereiding
(zie ook paragraaf 3.5). De Dienst
Collectieve Arbeidsvoorwaarden
van het ministerie onderzoekt de CAO-ontwikkelingen in deze.
1.8.
Amendering Wet TAV door Tweede Kamer
De
Tweede Kamer heeft op 5 december 1992
een amendement van de fractie
van de PvdA (mw. Beijlen-Geerts) en een
subamendement van de
fractie van de VVD (Linschoten) op het
wetsvoorstel TAV aanvaard. De
aanvaarding van het amendement en het
subamendement hebben gevolgen
gehad voor het
wetsvoorstel TZ. Het amendement van mw.
Beijlen-Geerts
strekte ertoe dat bij collectieve
arbeidsovereenkomst of bij
regeling door of namens een bevoegd
orgaan bepaald kan worden dat ziektedagen als vakantiedagen worden
aangemerkt. Voor het overheidspersoneel
geldt dat bij algemeen verbindend
voorschrift kan worden
bepaald dat ziektedagen als vakantiedagen worden aangemerkt.
Bij subamendement op het bovenstaande is
aanvaard dat (in de marktsector)
bij schriftelijke overeenkomst of bij
reglement kan worden bepaald
dat ziektedagen als vakantiedagen worden
aangemerkt.
Het
kabinet had, zoals gezegd, een
vakantiedagenmaatregel (zonder vormvereisten)
opgenomen in het eerste ontwerp van het
wetsvoorstel TZ.
De Tweede Kamer achtte het echter bij de
behandeling van het
wetsvoorstel TAV gewenst, met het oog op destijds
lopende CAO-onderhandelingen,
deze nieuwe maatregel op korte termijn
in werking te laten treden.
Via amendering werd de
vakantiedagenmaatregel dan ook - zij het
met vormvereisten - in het wetsvoorstel
TAV opgenomen.
rblz.|10|
1.9.
De adviezen van de Sociale
Verzekeringsraad (SVr) en Arboraad
Op
20 november 1991 is aan de SVr
uitvoeringstechnisch advies gevraagd
over het
wetsvoorstel TZ. Op 19 december
1991 is de Raad geïnformeerd
over de stand van zaken rond de
behandeling van het
wetsvoorstel TAV in de Tweede Kamer. In dit verband
werd onder meer
gewezen op het feit dat de in het
wetsvoorstel TZ opgenomen bepalingen
inzake het aanmerken van ziektedagen als
vakantiedagen, bij amendement
van de Tweede Kamer in het wetsvoorstel
TAV zijn opgenomen.
Op
22 januari 1992 ten slotte is de Raad
verzocht de mogelijkheden te
bezien om het advies in februari 1992
vast te stellen, gelet op de wens van
het kabinet om het wetsvoorstel TZ per 1
juli 1992 in te voeren. De SVr
heeft daarop laten weten dat dit niet
tot de mogelijkheden behoorde, gelet
op het belang en de complexiteit van de adviesaanvrage en de
benodigde
tijd voor achterbanraadpleging. De Raad
heeft zijn advies vastgesteld
op 19 maart 1992.
In
zijn advies gaat de SVr uitvoerig in op
de verschillende maatregelen opgenomen
in het
wetsvoorstel TZ. Het meest
uitgebreid wordt ingegaan op
alle aspecten verbonden aan de maatregel
om de eerste zes c.q. drie weken
ziekteverzuim voor rekening van de
werkgever te brengen (in samenhang
met de gewijzigde
loondoorbetalingsplicht van de werkgever).
Helaas is de SVr op dit punt niet tot
een eensluidend advies gekomen.
Dit geldt evenmin voor het advies van de
Raad met betrekking tot
het herverzekeren van bovenwettelijke
uitkeringen.
Naast
deze twee thema's besteedt de Raad
aandacht aan de gevolgen van
de maatregelen voor de vrijwillige
verzekering, aan het reïntegratieplan,
aan evaluatie, onderzoek en
voorlichting, de datum van inwerkingtreding
en de financiële effecten. Tevens geeft
de SVr een aantal opmerkingen
van technische aard.
Met
betrekking tot de datum van
inwerkingtreding komt de SVr tot de conclusie
dat de TZ-maatregelen en de
premiedifferentiatie ZW
bij voorkeur
tegelijk dienen te worden ingevoerd. In paragraaf
1.2 is al aangegeven dat
de premiedifferentiatie op 1 januari 1993
van kracht zal worden. Hiermee
is duidelijkheid gecreëerd voor de
bedrijfsverenigingen die de differentiatie
moeten vormgeven.
De
SVr heeft ook aandacht besteed aan het
door het kabinet voorbereide
wetsvoorstel wijziging Arbowet
(adviesaanvrage aan Arboraad en SVr
van 2 januari 1992, wetsvoorstel
implementatie EG-kaderrichtlijn 89/391/EG),
voor zover deze wijzigingen een
samenhang hebben met de al
genoemde TZ-maatregel om de eerste zes
c.q. drie weken verzuim voor
rekening van de werkgever te brengen,
met name met de wijze waarop
in die periode invulling wordt gegeven
aan de controle en begeleiding
van zieke werknemers. De SVr merkt op
dat een nadere afstemming
tussen het
wetsvoorstel TZ en de Arbowet
noodzakelijk zal zijn.
Een separaat advies over de wijzigingen in de Arbowet heeft de
Raad
op 30 maart 1992 vastgesteld.
In
de navolgende hoofdstukken van deze
memorie van toelichting alsmede
de artikelsgewijze
toelichting wordt
uitgebreid ingegaan op de diverse
onderdelen van het SVr-advies.
Op
2 januari 1992 is, zoals gezegd, aan de
Arboraad advies gevraagd over
de wijziging van de Arbowet
in verband met
de rblz.|11|
implementatie
van de EG-kaderrïchtlijn van 12 juni
1989, betreffende de tenuitvoerlegging
van de maatregelen ter bevordering van
de verbetering van
de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk.
De
Arboraad heeft dat advies vastgesteld in
zijn vergadering van 16 april
1992.
In
hoofdstuk 3 van deze memorie van
toelichting zal hierop nader worden
ingegaan.
2.
SER-advies
2.1.
Algemeen
Op
19 februari 1991 is advies gevraagd aan
de
SER over de structuur en
inrichting van en de samenhang tussen de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Nog
geen vijf maanden later heeft de SER zijn
advies over het beleid ten aanzien
van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid uitgebracht. Het kabinet
is de SER zeer erkentelijk voor het op
deze korte termijn uitbrengen
van dit omvangrijke en zeer
gedetailleerde advies. Minder verheugend
is het natuurlijk te moeten constateren
dat de verschillende SER-geledingen
elkaar niet hebben kunnen vinden in
één visie op het te voeren
beleid ten aanzien van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid.
De
SER is wel eensluidend in zijn oordeel
dat verdergaande maatregelen
moeten worden genomen dan die welke
voortvloeien uit het Najaarsoverleg
1990, teneinde de beoogde stabilisatie
en vervolgens substantiële
vermindering van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid zo spoedig
mogelijk te realiseren.
Als
primaire doelstelling voor het
volumebeleid ziet de Raad dat de te treffen
maatregelen ertoe zullen moeten leiden
dat zoveel mogelijk mannen
en vrouwen die onder de huidige
wetgeving en uitvoeringspraktijk
buiten het arbeidsproces zouden komen te
staan hun plaats in het
arbeidsproces behouden of weer in het
arbeidsproces worden opgenomen.
Over het antwoord op de vraag hoe en met
welke maatregelen
deze doelstelling kan worden bereikt,
daarover wordt de door de Raad
verschillend gedacht.
Binnen
de verschillende visies, die overigens
niet totaal van elkaar verschillen
maar op onderdelen ook gelijkluidend
zijn, zijn vier elementen te
onderscheiden.
Het
eerste element betreft verdergaande
maatregelen op het terrein van
preventie, rechtsbescherming en
reïntegratie; het tweede element heeft
betrekking op een verdere vergroting van
de financiële betrokkenheid
van de werkgevers bij het ziekteverzuim;
het derde element bevat
de pendant van het tweede, de vergroting
van de betrokkenheid van
de individuele werknemer bij het
ziekteverzuim; het vierde element ten
slotte ziet op de structuur en de
inrichting van de
arbeidsongeschiktheidsregelingen.
Dit laatste is uitgewerkt in het al
genoemde wetsvoorstel
TBA.
Op
het tweede en derde element zal hierna
worden ingegaan en wel in hoofdstuk
3 (Concrete maatregelen). In dat
hoofdstuk zal ook aandacht worden
besteed aan het terugkeerplan en aan de
afstemming Wet TZ/Arbowet.
Op
het eerste element, de verdergaande
maatregelen op het terrein van
preventie, rechtsbescherming en
reïntegratie, zal hierna in afzonderlijke
paragrafen worden ingegaan.
rblz.|12|
Alvorens
dit te doen, nog een enkele opmerking
over het algemeen verbindend
verklaren van CAO-afspraken.
In
de
SER-adviesaanvrage is aangegeven dat
in het kader van de mogelijke
rol van de overheid met betrekking tot
arbeidsvoorwaardelijke stimulansen
het beleid met betrekking tot algemeen
verbindendverklaring (AVV)
van CAO-afspraken een rol speelt. Het
kabinet heeft de vraag voorgelegd
of CAO-afspraken getoetst moeten worden
alvorens tot algemeen
verbindendverklaring wordt overgegaan en
aan welke criteria daarbij
gedacht kan worden. De SER heeft deze
vraag geplaatst in het kader
van de adviesaanvrage ter zake van een
mogelijke verruiming van het AVV-beleid van 19 juli 1990. De SER
heeft op 16 oktober jongstleden zijn
advies vastgesteld.
Hoewel
het beleid ten aanzien van het algemeen
verbindend verklaren van
CAO-afspraken ook van belang is voor de
overeengekomen zogenaamde
bovenwettelijke uitkeringen en in die
zin raakvlakken heeft met
het onderhavige wetsvoorstel, zal het
kabinet zijn standpunt inzake het
algemeen verbindend verklaren van
bovenwettelijke uitkeringen bepalen
in het kader van een algemene
standpuntbepaling over het algemeen
verbindend verklaren van CAO-bepalingen,
naar aanleiding van het
genoemde
SER-advies.
2.2.
Invoering bedrijfsgezondheidszorg
De
Raad is unaniem van oordeel dat het van
groot belang is dat de invoering
van bedrijfsgezondheidszorg, daar waar
deze nog niet aanwezig
is, op afzienbare termijn wordt
gewaarborgd. Bedrijfsgezondheidszorg
moet tezamen met de
verzekeringsgeneeskundige sector een wezenlijke
functie krijgen in het kader van een
geïntensiveerde gevalsbehandeling,
maar kan ook een belangrijke bijdrage
leveren aan preventief en
verzuimbeperkend beleid op
ondernemingsniveau. Deze taken winnen in
de visie van de Raad aan gewicht bij een
grotere financiële betrokkenheid
van de werkgever bij het ziekteverzuim
in zijn onderneming.
Met
betrekking tot de consequenties van deze
opvatting is het oordeel van
de Raad echter niet unaniem. Werkgevers
en kroonleden verwijzen met
instemming naar de afspraak van het
Najaarsoverleg, namelijk dat in 1992
onder meer de voortgang van de invoering
van bedrijfsgezondheidszorg
zal worden geëvalueerd teneinde aan de
hand daarvan te bezien
of concretisering van termijnstelling
nodig is. CNV
en MHP zijn van
mening dat indien uit de evaluatie
blijkt dat ten opzichte van de huidige
situatie met de dekkingsgraad van de
bedrijfsgezondheidszorg - door
die organisaties toen getaxeerd op circa
35% van de werknemers - geen
substantiële vooruitgang is geboekt, aanvullende wettelijke maatregelen
noodzakelijk zijn.
De
FNV hanteert dezelfde taxatie en
spreekt zijn opvatting uit dat de invoering
van bedrijfsgezondheidszorg daadkrachtig
dient te worden bevorderd
en versneld. Door een concreet
invoeringstraject met termijnstelling
en kwaliteitsdoelstellingen dient, naar
het oordeel van de FNV, de overheid,
met medebetrokkenheid van de Arboraad,
door wettelijke maatregelen
een substantiële vooruitgang binnen een
termijn van vier à vijf jaar
te bewerkstelligen.
Het
kabinet is met de
Raad van oordeel dat
de invoering van bedrijfsgezondheidszorg
daar waar dit nog niet het geval is,
binnen afzienbare tijd
moet zijn gewaarborgd. Het kabinet acht
het evenwel niet juist om te streven
naar wettelijke verplichtstelling voor
alle bedrijven van het thans in
de Arbowet
omschreven volledige
zorgpakket.
De
implementatie van de EG-kaderrichtlijn
"betreffende de tenuitvoerlegging rblz.|13|
van maatregelen ter bevordering van de
verbetering van de veiligheid
en de gezondheid van de werknemers op
het werk" (89/391/EG)
heeft tot gevolg dat preventiezorg in
het beleid van elke arbeidsorganisatie
moet worden verankerd. De aard en omvang
van die zorgverlening
is afhankelijk van de aard van de
arbeidsomstandighedenrisico's
en de bedrijfsomvang.
Mede
naar aanleiding van een unaniem
aanvaarde motie bij de behandeling
van het wetsvoorstel
TAV (Kamerstukken II 1990-1991, 22 228, nr.
31) en het kabinetstandpunt
sociaal-medische begeleiding heeft het
kabinet gekozen voor
een model waarbij enerzijds een beperkt
basispakket voor alle werkgevers
verplicht wordt gesteld en anderzijds de
werkgever de ruimte wordt
geboden de overige taken aangepast aan
risico en omvang van de onderneming zelf te organiseren.
2.3.
Goed werkgeverschap
De
Raad is unaniem van oordeel dat op het
civielrechtelijke vlak de positie
van werkgever en werknemer minder
vrijblijvend moet worden gemaakt
indien een werknemer niet meer de eigen
arbeid maar nog wel andere
arbeid bij dezelfde werkgever kan
verrichten. Zijn gedachten gaan
hierbij uit naar een nadere
concretisering van het begrip "goed
werkgeverschap"
zoals dit is neergelegd in artikel 1638z
van het BW. In het
BW
zou een afzonderlijke bepaling moeten
worden opgenomen dat de
werkgever verplicht is aan de werknemer
die wegens ziekte of gebrek niet
(meer) in staat is tot het verrichten
van de bedongen arbeid, andere passende
arbeid aan te bieden, tenzij dit in
redelijkheid niet van hem kan worden
gevergd. Voorts zou, aldus de Raad,
hieraan moeten worden toegevoegd
dat de werkgever indien hij in zijn
verplichting tot het aanbieden
van andere passende arbeid tekortschiet,
verplicht is tot betaling
van het voorheen verdiende loon onder
aftrek van de ziekengelduitkering
respectievelijk de grondslag van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Deze loondoorbetalingsverplichting zou
niet moeten bestaan indien
de werknemer zonder deugdelijke grond
weigert de aangeboden passende
arbeid te verrichten, zulks naar
analogie van de hoofdregel van artikel
1638b BW. Eveneens geldt geen
loonbetalingsverplichting indien de werkgever kan aantonen geen passende
arbeid ter beschikking te hebben
dan wel van hem in redelijkheid niet kan
worden gevorderd andere
passende arbeid aan te bieden. Eén en
ander staat ter beoordeling
van de civiele rechter. Teneinde te
voorkomen dat het werknemersrecht
wordt geblokkeerd door formele,
bewijsrechtelijke belemmeringen,
zou voorts moeten worden gesteld, in de
wet of in de memorie van
toelichting, dat ook bij een eventuele
tewerkstellings- of loonvorderingsactie
van de werknemer de bewijslast primair
bij de werkgever berust.
Deze zal moeten bewijzen ofwel dat hij
goede gronden heeft om geen aanbod van passend werk te doen, ofwel
dat hij een duidelijk en gespecificeerd
aanbod van passend werk heeft gedaan dat
door de werknemer
zonder deugdelijke grond ondubbelzinnig
is afgewezen, aldus de Raad.
Het
kabinet wijst in dit verband op de in de
Wet
TAV opgenomen wijziging
van artikel 30
ZW. De werkgever wordt
verplicht om aan de (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikte werknemer ander
passend werk aan te bieden.
De (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte
werknemer kan door de bedrijfsvereniging
opgedragen krijgen om passende arbeid te
gaan verrichten
bij zijn eigen werkgever of een andere
werkgever die passende arbeid
beschikbaar heeft. Indien de werkgever
of de werknemer zonder deugdelijke
gronden niet meewerkt aan de
werkhervatting, dan wordt door
de bedrijfsvereniging een financiële
sanctie toegepast ter grootte van
het loon dat de werknemer bij
werkhervatting had kunnen verdienen.
rblz.|14|
Het
kabinet is van oordeel dat zowel de
werkgever als de werknemer die
wegens ziekte niet meer in staat is tot
het verrichten van de bedongen arbeid dienen mee te werken aan de
werkhervatting van de werknemer.
Toepassing
van artikel 30
ZW kan alleen gedurende
het
ZW-jaar. Om
die reden is, door middel van een
wijzigingsartikel in de Wet
TAV, een
aan artikel 30
ZW analoge
sanctiebepaling in de WAO/AAW opgenomen.
Is een arbeidsongeschikte werknemer in
staat passende arbeid
te verrichten en daartoe ook bereid,
maar weigert de werkgever zijn
medewerking, dan kan deze medewerking
worden afgedwongen. Sinds
de inwerkingtreding van de Wet
TAV wordt
de onwillige werkgever geconfronteerd met een vordering van de
bedrijfsvereniging die gelijk is aan
het salaris dat de werkgever anders aan
de desbetreffende werknemer
zou hebben betaald. Het kabinet is van oordeel dat deze
verbeterde
regeling in de ZW en de introductie van
de analoge regeling in
de WAO/AAW ertoe zullen leiden dat
zowel de werkgever als de werknemer meer dan in het verleden het geval was,
zullen meewerken aan
de werkhervatting van de (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikte werknemer.
Gezien
deze verbeterde regeling respectievelijk
introductie van de regeling,
vraagt het kabinet zich af of behoefte
bestaat aan de concretisering
van het begrip goed werkgeverschap,
zoals door de
SER
voorgesteld.
Hiernaast dient er nog op gewezen te
worden dat op basis van artikel 1638d
en artikel 1638z BW
de werkgever
in het algemeen gehouden
is loon te betalen aan de werknemer
indien de werknemer bereid
is passende arbeid te verrichten maar de
werkgever hiervan geen gebruik
maakt. Ook dient er nog op gewezen te
worden dat in het kader van
de verbeterde ontslagbescherming voor
arbeidsongeschikte werknemers
sinds 1 januari 1991 de werkgever alleen
een ontslagvergunning
krijgt indien hij aannemelijk heeft
gemaakt dat hij redelijkerwijs niet
de mogelijkheid heeft de werknemer te
herplaatsen in een aangepaste dan wel andere passende functie binnen
het bedrijf.
Dit
alles in ogenschouw nemende, is het
kabinet van oordeel dat de door
de
Raad gewenste aanscherping c.q.
concretisering van de werkgever en werknemersplicht
[lees: werkgevers- en werknemersplicht, red.]
bij het meewerken
aan de reïntegratie van
de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte
werknemer in het arbeidsproces
voldoende wordt gerealiseerd door de
hiervoor weergegeven maatregelen. Een identieke aanscherping
c.q. concretisering van de
werkgevers- en werknemersplicht in het BW ligt dan ook niet in het voornemen.
Ten
aanzien van het advies van de
Raad dat
bij een eventuele tewerkstellings-
of loonvorderingsactie van de werknemer
de bewijslast primair bij
de werkgever dient te berusten, zij het
volgende opgemerkt. Allereerst dient,
zoals hierboven reeds is opgemerkt, in
het kader van de ontslagvergunning
de werkgever aannemelijk te maken dat hij geen mogelijkheden
heeft de arbeidsongeschikte werknemer te
herplaatsen. Tevens is het
te verwachten dat, door de procedures in
het kader van artikel 30
ZW en
de analoge sanctiebepalingen in de WAO/AAW, de werknemer in het kader
van het civiele recht nu eerder
aannemelijk kan maken dat de werkgever
passende arbeid heeft en dat deze geen
gebruik maakt van het
aanbod van de werknemer die zich bereid
verklaard heeft deze passende
arbeid te verrichten. Ten slotte kent
het procesrecht nog de mogelijkheid
om op grond van redelijkheid en
billijkheid de bewijslast anders
te verdelen (artikel 177 Rv [Wetboek
van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]).
rblz.|15|
Op
basis hiervan is het kabinet van oordeel
dat aan een dergelijke verplichte
bewijslastverdeling die de
SER voorstaat geen behoefte bestaat.
2.4.
Wijziging ontslagbescherming
De
Raad is unaniem van mening dat de
tweejaarstermijn van het huidige
ontslagverbod een minder absoluut
karakter dient te krijgen. Uitgangspunt
blijft een wettelijke termijn van twee
jaar conform het huidige
artikel 1639h BW, niet alleen omwille
van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid,
maar ook omdat in de praktijk blijkt dat
reïntegratieactiviteiten
gedurende de eerste twee jaar na uitval
de grootste kans van slagen
hebben. De Raad voegt hieraan toe dat
ontslag ook eerder mogelijk
moet zij indien de werkgever (mede aan
de hand van het medisch-arbeidskundig
oordeel van de bedrijfsgezondheidsdienst/bedrijfsvereniging/GMD)
aannemelijk kan maken dat er voor de werknemer
geen enkel reëel perspectief is voor
terugkeer naar het eigen of
ander werk bij de eigen werkgever.
Anderzijds
moet verlenging van de termijn van het
ontslagverbod volgens
de Raad mogelijk zijn indien de
werknemer (mede aan de hand van
het medisch-arbeidskundig oordeel van de
bedrijfsgezondheidsdienst/bedrijfsvereniging/GMD)
aannemelijk kan maken dat herstel en terugkeer
naar de eigen of andere beschikbare
arbeid bij de werkgever tot
de reële mogelijkheden behoren, zij het
dat dit meer tijd zal vergen dan
de periode van twee jaar.
In
alle gevallen blijft gelden, volgens het
SER-voorstel, dat voor een rechtsgeldige
opzegging toestemming van de regionaal
directeur voor de arbeidsvoorziening
vereist is.
Waar
de
SER eigenlijk om vraagt, is om die
gevallen af te bakenen waarvoor
geen enkel reëel perspectief is voor
terugkeer naar het eigen of ander
werk bij de eigen werkgever.
Op
zich is het mogelijk om bepaalde
gevallen aan te wijzen waarvoor het
zonneklaar is dat er geen enkel reëel
perspectief is en er duidelijk sprake
is van einde arbeidsleven. Daarnaast
zijn er natuurlijk nog tal van gevallen
waar het minder of in het geheel niet
duidelijk is.
Het
met behulp van algemeen geldende regels
trekken van een voldoende
scherpe streep tussen het zwarte en
grijze gebied acht het kabinet
niet mogelijk.
Daarnaast
is het het kabinet niet duidelijk waarom
een ontslagmogelijkheid
binnen de twee jaar voor de door de SER
bedoelde gevallen nodig
zou zijn. Waarom moet de band met de
werkgever voor deze arbeidsongeschikten
binnen de twee jaar verbroken worden?
Het kabinet ziet
hier voor geen van de partijen enige
winst in. Vervanging van arbeidsongeschikt
geworden werknemers wier terugkeer in
het arbeidsproces
redelijkerwijs niet meer te verwachten
is, is ook zonder ontslag mogelijk.
Bovendien
zij erop gewezen dat de termijn van
twee jaar, na een uitvoerige
behandeling in de Tweede Kamer over de
gewenste duur van de
ontslagbescherming bij ziekte, in het BW
is opgenomen. Daarbij heeft een
belangenafweging plaatsgevonden van aan
de ene kant het belang van
de werkgever om een opengevallen
arbeidsplaats zo snel mogelijk weer
te laten bezetten en aan de andere kant
het belang van de werknemer
om na herstel weer terug te kunnen keren
op zijn oude arbeidsplaats.
Ook
geven de huidige regelingen met
betrekking tot ontslag tijdens ziekte,
zoals vastgelegd in artikel 1639h
BW
tezamen met het op basis van
artikel 6 van het Buitengewoon
Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 vastgestelde
delegatiebesluit d.d. 20 december 1990 (Stcrt.
1990, 252) [zie Delegatiebesluit 1993 en
vervolgens Ontslagbesluit,
red.], rblz.|16|
reeds
mogelijkheden om flexibel om te gaan met
de ontslagtermijn van twee
jaar.
De
termijn van twee jaar, zoals genoemd in
het BW, houdt niet in dat de
zieke werknemer na een termijn van twee
jaar ontslagen moet worden.
Aan de werkgever wordt uitsluitend de
mogelijkheid gegeven om
bij de regionaal directeur voor de
arbeidsvoorziening ontslag aan te vragen
voor een werknemer die langer dan twee
jaar ziek is. Bij de beoordeling
van de ontslagaanvraag is de regionaal
directeur gehouden aan
de voorschriften zoals die zijn
vastgelegd in het delegatiebesluit van 20
december 1990. Uitgangspunt van artikel
11 van dit besluit is dat de werkgever
aannemelijk dient te maken dat hij
redelijkerwijs niet de mogelijkheid
heeft om de arbeidsongeschikte werknemer
te herplaatsen binnen
zijn bedrijf. Voordat de regionaal
directeur een beslissing neemt op
een ontslagaanvrage bij een
(gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemer,
dient hij eerst advies te vragen aan de
GMD over de mogelijkheden
die de werkgever heeft om de werknemer
een passende functie
te bieden. Pas daarna zal hij zijn
besluit nemen. Is hij, mede op basis
van het advies van de GMD, van oordeel
dat er wel mogelijkheden zijn
tot plaatsing, dan zal de regionaal
directeur geen toestemming geven tot
ontslag, ook niet indien betrokkene
reeds twee jaar arbeidsongeschikt is.
Daarnaast dient, op basis van hetzelfde
delegatiebesluit, de werkgever bij het aanvragen van zijn ontslagvergunning
ook aannemelijk te maken dat
er binnen drie maanden geen herstel van
de werknemer is te verwachten.
Overwogen kan worden of genoemd besluit
niet zo aangepast
kan worden dat deze periode van drie maanden wordt verlengd tot zes maanden. In dat geval kan geen
ontslagvergunning afgegeven worden
indien herstel van de werknemer binnen
zes maanden in zicht is.
De voorschriften zoals opgenomen in
genoemd delegatiebesluit zijn niet
alleen van toepassing op de periode na
twee jaar arbeidsongeschiktheid,
doch ook in de periode daarvoor. De
regionaal directeur zal verzoeken
om toestemming welke vallen binnen de
termijn van twee jaar na
het begin van de arbeidsongeschiktheid
wel dienen te behandelen indien
de werkgever, na op het ontslagverbod te
zijn gewezen, uitdrukkelijk
op behandeling prijs blijft stellen. De
regionaal directeur kan het ontslagverbod,
vervat in artikel 1639h BW, echter niet
ter zijde stellen.
Op
basis van artikel 1639h, zevende lid,
BW
kan van de termijn van twee
jaar bij ontslag wegens ziekte, ten
nadele van de werknemer, worden
afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling
door
of namens een bevoegd publiekrechtelijk
orgaan. Deze afwijking kan
overigens geen betrekking hebben op
opzegging van werkneemsters die
zwanger zijn dan wel bevallingsverlof
genieten. Indien CAO-partijen gebruik
hebben gemaakt van de mogelijkheid af
te wijken van het bepaalde
in artikel 1639h, derde lid, BW, kan
rechtsgeldige beëindiging binnen
de periode van twee jaar plaatsvinden en
kan van een verleende toestemming
ook daadwerkelijk gebruik worden
gemaakt.
Het
kabinet is, op basis van hetgeen
hiervoor vermeld is, van mening dat
er op dit moment geen aanleiding is om
de flexibiliteit op dit punt in het
ontslagrecht te vergroten, mogelijk met
uitzondering van de termijn van drie maanden waarbinnen herstel is te
verwachten. Zoals reeds is aangegeven,
is het kabinet bereid te bekijken in
hoeverre het in het belang
van de arbeidsongeschikte werknemer is
deze termijn te verlengen
tot zes maanden.
2.5.
Meldingsplicht bij bedrijfsverenigingen
In
het kader van de wijziging van de
ontslagbescherming heeft een deel
van de
SER bestaande uit de
werknemersleden, benoemd door FNV,
rblz.|17|
CNV
en MHP, geadviseerd in geval van een
voorgenomen beëindiging van
de arbeidsovereenkomst met wederzijds
goedvinden, een meldingsplicht
in te stellen bij de bedrijfsvereniging.
Deze kan dan naar aanleiding daarvan
bezien in hoeverre een dergelijke
beëindiging een mogelijke terugkeer
naar het arbeidsproces zou frustreren en
aan de hand daarvan de werknemer erop wijzen dat instemmen met
de beëindiging tot korting op
de uitkering kan leiden. Het deel van de
Raad bestaande uit de leden benoemd
door de FNV voegt hier nog aan toe dat
de bedrijfsvereniging de
werkgever vervolgens nog kan wijzen op
de voor zijn werknemer geldende
terugkeeroptie dan wel op de verhaalsmogelijkheden jegens de
werkgever
in het kader van artikel 30
ZW.
Het
kabinet acht het risico van
bureaucratisering, afgewogen tegen het verwachte
geringe effect van een dergelijke
maatregel, te groot. Eerder zou
door middel van voorlichting
(arbeidsongeschikte) werknemers erop geattendeerd
moeten worden niet te snel in te stemmen
met een voorstel
van de kant van de werkgever tot
beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Gewezen zou moeten worden op het
mogelijke verlies van rechten,
bijvoorbeeld in de sfeer van WAO
en de
Wet inkomensvoorziening
oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers
(Ioaw).
2.6.
Aanwijzingen omtrent de inrichting van
de arbeid en de arbeidsplaats
In
het kader van een discussie over een
terugkeerplan voor zieke werknemers
heeft een deel van de Raad aangegeven
dat te overwegen valt
om aan de bedrijfsvereniging een
soortgelijke bevoegdheid te geven als
de Arbeidsinspectie thans heeft in het
kader van de Wagw, te weten het
geven van aanwijzingen aan de werkgever
omtrent de inrichting van de
arbeid en de arbeidsplaats van een
gehandicapte werknemer. Ook het deel
van de Raad bestaande uit de
ondernemersleden, alsmede een aantal Kroonleden, adviseert tot het geven van
een soortgelijke bevoegdheid
aan de bedrijfsvereniging.
Allereerst
is ter zake van dit onderwerp een
verduidelijking op haar plaats.
De Arbeidsinspectie
heeft bij de
uitvoering van de Wagw een tweetal
bevoegdheden, namelijk ten eerste het
stellen van eisen aan een werkgever
om het werk, de werkplek of de
werkmethode ten behoeve van
een gehandicapte werknemer aan te passen en ten tweede informatieverstrekking
en advisering omtrent de op grond van de
artikelen 57 en 57a AAW
(en overeenkomstige artikelen in de Abp-wet
[Algemene burgerlijke pensioenwet, red.]
en de Spoorwegpensioenwet)
aangevraagde werkvoorzieningen en
werkaanpassingen.
Beide
bevoegdheden worden slechts uitgeoefend
aan de hand van daartoe
strekkende verzoeken van belanghebbenden
of van de uitvoeringsorganen
sociale zekerheid en zijn in de
praktijk uitsluitend van toepassing
op bijzondere situaties: kennelijke
onwil bij de werkgever om de
arbeid of arbeidsplaats ten behoeve van
een gehandicapte aan te passen
en onduidelijkheid over de vraag of een
aangevraagde werkaanpassing
niet reeds op grond van de Arbowet
verplicht is gesteld. Hantering
van deze bevoegdheden vergt uitgebreide
theoretische en praktische
kennis omtrent de arbeidsomstandigheden
in bedrijven, die niet
bij de bedrijfsverenigingen en wel bij
de Arbeidsinspectie voorhanden
is. Daar de Arbeidsinspectie, indien
nodig, ingeschakeld kan worden,
is opbouw van die kennis bij de
bedrijfsverenigingen onnodig en
leidt slechts tot verhoging van
uitvoeringskosten. Het kabinet acht het om
die reden ongewenst de
bedrijfsverenigingen met die
bevoegdheden te
belasten.
rblz.|18|
Daarnaast
moet worden opgemerkt dat de
constructie van een "soortgelijke"
bevoegdheid, inhoudende dat een tweetal
zelfstandig optredende
instanties min of meer dezelfde
verantwoordelijkheden bezit, op
zichzelf afstemmingsproblemen en
onduidelijkheid bij de uitvoering van
de Wagw teweegbrengt, welke moeten
worden voorkomen.
2.7.
Terugkeerrecht
Het
deel van de Raad
bestaande uit de
werknemersleden benoemd door FNV,
CNV
en MHP adviseert de werknemer
binnen een periode van twee
jaar na beëindiging van de
dienstbetrekking een recht op terugkeer te
geven bij zijn oude werkgever. In
concreto zou dit neerkomen op een wettelijke
voorrangspositie ingeval bij de oude
werkgever een op dat
moment
als passend te beschouwen functie
vacant is.
Zoals
de Raad in zijn advies ook al aangeeft,
impliceert een dergelijk terugkeerrecht
een verplichting om vacatures te melden
bij de bedrijfsvereniging/GMD,
eventueel via de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Ook
zal
een instantie (bijvoorbeeld de
bedrijfsvereniging) moeten controleren
of de werkgever
een werknemer terecht afwijst op
objectieve en reële functievereisten.
De mogelijkheid tot sanctieoplegging
bij een onterechte afwijzing
zal gecreëerd moeten worden. En bij dit
laatste moet men bedenken
dat de juridische maar ook feitelijke
band met de ex-werkgever is
doorgesneden en dat dit op dat moment
terecht geschiedde omdat op dat
moment geen passend werk beschikbaar
was.
Het
kabinet meent op dit moment af te moeten
zien van invoering van een
terugkeerrecht. De nadelen die dit plan
in zich draagt, wegen niet op tegen
de voordelen. Het voordeel van een
terugkeerrecht is dat de reïntegratie
van een gedeeltelijk arbeidsgeschikte
bij de voormalige eigen werkgever
langer mogelijk blijft. Nadelen van een terugkeerrecht zijn
onder
meer het omvangrijke meldings- en
controlestelsel dat moet worden
ingericht en de wijze waarop
gecontroleerd dient te worden of de
werkgever daadwerkelijk naar behoren
zijn vacatures meldt. Dit stelsel staat
naar verwachting niet in verhouding tot
het aantal arbeidsongeschikten
dat na twee jaar nog terugkeert bij de
oude werkgever. Binnen de
eerste twee jaar van ziekte zal toch het
merendeel van de reïntegraties
moeten plaatsvinden. Na deze termijn is
ook de band met de werkgever
al aanzienlijk verzwakt.
De
ontslagbescherming, inclusief toetsing
door de GMD, met een eventuele
uitbreiding van de hervattingstermijn
naar zes maanden, biedt naar
de mening van het kabinet voldoende
garantie aan een gedeeltelijk arbeidsgeschikte
dat de band met de eigen werkgever
blijft bestaan als er
nog enige terugkeerverwachting is. Een
terugkeerrecht kan daar niet veel
meer aan toevoegen. Daarnaast is in het
kader van de Wet
TAV een aantal
reïntegratie-instrumenten ontwikkeld om
juist werkhervatting bij een
nieuwe werkgever te bevorderen. Te
noemen zijn de loonkostensubsidie
en de bonus, uitstel herschatting bij
scholing en de verlenging van de
termijn voor toepassing van artikel 44
WAO.
3.
Concrete maatregelen
3.1.
Inleiding
Hadden
de maatregelen zoals neergelegd in de Wet
TAV nog voornamelijk
ten doel om door middel van financiële
prikkels een dusdanige gedragsverandering
tot stand te brengen dat meer
arbeidsongeschikten in
het arbeidsproces worden opgenomen en
minder arbeidsongeschikten worden
uitgestoten, in de loop van 1991 moest
het kabinet concluderen rblz.|19|
dat
niet langer valt te ontkomen aan
ingrepen in de regelingen zelf, voornamelijk
de WAO/AAW, maar toch ook in het traject
daaraan voorafgaande, het ZW-traject. Immers, een zich
gunstig ontwikkelend
ziekteverzuim is niet alleen op zichzelf
nastrevenswaardig, maar dit
zal ook een positief effect hebben op de
instroom in de WAO/AAW.
Wat
betreft de maatregelen in het ZW-traject heeft het kabinet voornamelijk
maatregelen vormgegeven in de sfeer van
de financiële en arbeidsvoorwaardelijke
stimulansen en niet zozeer in
structuurmaatregelen.
Door
een vergroting van de financiële
betrokkenheid van werkgevers en
werknemers kan het ziekteverzuim omlaag
worden gebracht. Enerzijds zal
een vergroting van de financiële
betrokkenheid aan de kant van de werkgevers
leiden tot een grotere aandacht voor de
kosten van het verzuim
en derhalve tot een intensivering van
het verzuimpreventiebeleid.
Anderzijds zal een vergroting van de
financiële betrokkenheid van de
individuele werknemer ook leiden tot een
grotere aandacht voor (de kosten van) het verzuim en uit dien hoofde van
invloed zijn op de hoogte van
de verzuimdrempel.
In
dit hoofdstuk zal, naast de
bovengenoemde aspecten, voorts aandacht
worden besteed aan het reïntegratieplan
en aan de afstemming van
de wetsvoorstellen TZ en
wijziging Arbowet.
3.2.
Vergroting financiële betrokkenheid van
de individuele werkgever
In
het kader van de Wet
TAV is een groot
aantal maatregelen vastgesteld
waardoor de individuele werkgever - in
financiële zin - wordt geconfronteerd
met zijn goed gevoerde, of juist niet
goed gevoerde, verzuimbeleid
in de meest brede zin.
Zo
wordt in de Wet
TAV een
premiedifferentiatiesysteem op ondernemingsniveau
ingevoerd.
Met
het vergroten van de financiële
betrokkenheid van individuele ondernemingen
bij het ziekteverzuim wordt beoogd
ondernemingen aan te
spreken op hun verantwoordelijkheid ten
aanzien van preventie en bekorting
van het kort- en langdurende
ziekteverzuim. Doordat de werkgever
directer wordt geconfronteerd met de kosten van het verzuim
en
de gevolgen daarvan voor zijn
concurrentiepositie, zal hij worden aangespoord
een actief verzuimbeleid te voeren. Eén
en ander dient uiteindelijk te resulteren in een positief effect op
het verzuim en derhalve een
verlaging van de kosten.
Bij
het vormgeven van verdergaande
maatregelen, maatregelen die verder
gaan dan reeds zijn ingevoerd met de Wet
TAV, is dan ook gezocht
naar maatregelen die de financiële
betrokkenheid van individuele
ondernemingen
verder zullen vergroten.
3.2.1.
De eerste zes of drie weken
ziekteverzuim ten laste van de werkgever
Algemeen
Tijdens
het Najaarsoverleg van 2 oktober 1990 en
ook in het
SER-advies van 12 juli 1991 is bepleit om op het
niveau van de bedrijfsverenigingen
de mogelijkheden voor eigen risico
dragen door werkgevers aanzienlijk
te verruimen. Het eigen risico dragen kan
immers als de meest vergaande
vorm van premiedifferentiatie worden
gezien en daarmee als de
sterkste financiële prikkel tot
verzuimbeheersing. Op de verruiming van
het eigen
risico dragen wordt hierna nog
afzonderlijk teruggekomen. Echter, onderkend moet worden dat grote delen
van het bedrijfsleven rblz.|20|
niet
in staat zijn zelf volledig de kosten
verbonden aan het eerste jaar van
afwezigheid van de zieke werknemer te
dragen. Voorgesteld wordt dan
ook het eigen risico voor de individuele
werkgever te beperken tot de eerste
zes weken van het verzuim. In dit
voorstel is een goed evenwicht gevonden
in een zo sterk mogelijke financiële
prikkel voor en de nog te dragen
lasten door de individuele werkgever.
Het kiezen voor een periode van zes weken impliceert tevens dat het
overgrote deel van de ziektegevallen
"binnen" de onderneming blijft.
Immers, bijna 90% van alle tot uitkering
gekomen ziektegevallen hebben een duur
van minder dan zes weken,
hetgeen correspondeert met circa een
derde deel van de huidige ZW-lasten.
Met de langdurige ziektegevallen is
globaal genomen twee derde
van het uitgekeerde ziekengeld gemoeid.
Aangezien
een deel (namelijk een zesde) hiervan betrekking
heeft op de eerste zes weken,
komt uiteindelijk circa de helft (een
derde plus een zesde) van het uitgekeerde ziekengeld
niet langer ten laste van de
ziekengeldkassen.
Ook
de
SER, die unaniem van oordeel is dat
vergroting van de financiële
betrokkenheid van zowel werkgevers als
werknemers bij ziekteverzuim
een belangrijk middel is om het
verzuimbeleid aan te scherpen, adviseert
unaniem tot het ten laste brengen van de
werkgevers van de eerste
zes weken van het verzuim. De SER
adviseert een uitzondering te maken
voor kleine werkgevers. Deze zouden de
eerste drie weken van het
verzuim voor eigen rekening moeten
nemen. Het kabinet heeft dit advies gevolgd. Op deze uitzondering wordt
separaat in deze memorie van
toelichting teruggekomen.
De
SER onderschrijft de verwachting van het
kabinet dat directe financiële
toerekening van (kortdurend)
ziekteverzuim aan de werkgever stimulansen
geeft aan een verzuimbeperkend beleid op
ondernemingsniveau;
een relatief laag ziekteverzuim is
financieel voordelig voor de betrokken
onderneming en draagt aldus bij tot
vermindering van kosten.
Bij
deze maatregel is de vraag
gerechtvaardigd of een vergroting van het
eigen risico van de individuele
werkgever niet een nog sterkere druk legt
op, en wellicht zelfs volgens sommigen
een te sterke druk, op zijn wervings-
en selectiebeleid met het oog op de
gezondheidsrisico's van de
individuele werknemer. Het kabinet wil
niet ontkennen dat het hier geschetste
risico aanwezig is. Voorjaar 1993 zullen
de resultaten bekend zijn
van een evaluatieonderzoek naar de
praktijk rond de aanstellingskeuring.
Daarbij
wordt ook naar eventuele invloeden van
reeds ingevoerde maatregelen
(in het kader van de Wet
TAV) en de hier
voorgestelde maatregelen
op de medische selectie gekeken. Het
kabinet heeft het voornemen
een dergelijk onderzoek jaarlijks te
herhalen.
Aan
de hand van de resultaten van dit
onderzoek en van het onderzoek naar
de voorspellende waarde van medisch
onderzoek, dat door het RIVM
[Rijksinstituut voor Volksgezondheid en
Milieu, red.] wordt uitgevoerd, zal het kabinet zich
een oordeel vormen over de eventuele
noodzaak/wenselijkheid van
overheidsmaatregelen op dit terrein.
Daarbij zal vooropstaan dat medische
keuringen niet voor oneigenlijke
doeleinden gebruikt dienen te worden.
Met
artsenorganisaties wordt overleg gevoerd
welke rol zij kunnen spelen
om te bewerkstelligen dat in de praktijk
van werving en selectie alleen
die medische selectie wordt gemaakt die
noodzakelijk en mogelijk is.
Daarnaast
wordt in herinnering gebracht dat de
Stichting van de Arbeid
op 1 maart 1991 een aantal aanbevelingen
inzake werving en selectie,
waaronder de aanstellingskeuring, heeft
vastgesteld.
In
voorbereiding is overigens een
kabinetstandpunt over werving en rblz.|21|
selectie,
waarin zal worden ingegaan op de rol van
de overheid bij de bescherming
van de sollicitant en de wenselijkheid
van wetgeving ter zake.
Daarnaast
zou een oplossing ook veeleer moeten
worden gezocht in arbeidsmarktmaatregelen
voor de zwakke groepen op de
arbeidsmarkt dan
in het achterwege laten van de hier aan
de orde zijnde maatregelen.
In
dit kader kan nog gewezen worden op twee
elementen die ook in het
advies van de
SER naar voren komen. Door
de
SER wordt in zijn advies
voorgesteld de zeswekenmaatregel
niet van toepassing te laten zijn
op uitkeringen in verband met
zwangerschap en bevalling. Dit teneinde
de arbeidsmarktpositie van vrouwen niet
te verslechteren en vanwege
redenen van gelijke behandeling. In het
wetsvoorstel wordt om die
reden dan ook voorgesteld de
zwangerschaps- en bevallingsuitkering buiten
de zeswekenmaatregel te laten.
Een
deel van de
SER zou ook een uitzondering
willen maken voor de categorie
chronisch zieken. Dit deel is van
oordeel dat door de SVr een limitatieve
opsomming van categorieën van
aandoeningen of gebreken dient
te worden gemaakt voor welke het
gerechtvaardigd is deze uit te zonderen
van de zeswekenmaatregel, zodat deze categorie ook
gedurende
de eerste zes weken onder de ZW valt.
Dit
voorkomt, volgens dit deel van de Raad,
dat de arbeidsmarktpositie van
deze groep wordt verzwakt en het
verhindert dat de ondernemers met
ongerechtvaardigde risico's worden
opgezadeld.
Een
integrale uitzondering voor bepaalde
categorieën acht het kabinet niet
gewenst. Immers, een dergelijke
uitzondering roept gelijk de vraag op
hoe het met de gezondheidsrisico's van
andere groepen is gesteld en of
het voor die groepen vervolgens ook niet
gerechtvaardigd zou zijn een uitzondering
te maken. Te denken valt aan bepaalde
gevaarlijke beroepen of
aan ouderen.
Hoewel
op zich geen principiële oplossing,
moet wel geconstateerd worden
dat de samentellingsregeling die ook
wordt voorgesteld (zie hierna,
onder de concrete uitwerking) het risico
voor de groep frequente, kortdurende
verzuimers afzwakt.
Concrete
uitwerking
De
huidige situatie is als volgt. De
hoofdregel is dat de werknemer die geen
arbeid verricht omdat hij ziek is, voor
een betrekkelijk korte tijd, recht
heeft op doorbetaling van zijn loon
(artikel
1638c, eerste lid, BW). Het
gaat hier om het volledige loon.
Een
duidelijke lijn in de jurisprudentie
over de interpretatie van het begrip
betrekkelijk korte tijd valt moeilijk
te ontwaren. Het kan een periode
betreffen van minder dan zes weken, maar
ook een periode die aanmerkelijk
langer is. Elementen die blijkens
jurisprudentie bij de invulling
van dit begrip meewegen, zijn onder meer:
de duur van het dienstverband,
de periode waarvoor het dienstverband is
aangegaan, de lengte
van de opzegtermijn, enz.
Het
eerste en tweede lid van artikel 1638c
BW
regelen dat de werkgever
op zijn verplichting tot
loondoorbetaling de uitkering ingevolge
bijvoorbeeld de ZW in mindering mag
brengen. Daarenboven bestaat
de mogelijkheid om bij individueel
contract of bij CAO van deze verplichting
af te wijken door haar uit te sluiten
c.q. te beperken (artikel
1638c,
zevende lid).
In
dit kader is ook nog de met ingang van 1
januari 1987 in artikel
1638c BW
opgenomen minimumvoorziening van
belang. Deze bepaling rblz.|22|
is
aangebracht in het kader van de
stelselherziening sociale zekerheid.
Bij
deze herziening verviel de in de ZW
voorkomende minimumdagloonregeling.
De Toeslagenwet (TW) kwam voor die
regeling in de plaats, maar die wet
geeft geen recht op toeslag
gedurende de eerste zes weken
van ziekte.
De
minimumvoorziening strekt ertoe te
garanderen dat de werknemer in
geval van ziekte uit hoofde van artikel
1638c BW
ten minste voor een periode
van zes weken aanspraak heeft op het
voor hem geldende wettelijk
minimumloon. Dit ongeacht de uitkomst
van de hoofdregel of een eventuele
afwijking daarvan.
De
ZW verstrekt momenteel bij ziekte een
uitkering van 70% van het dagloon
vanaf de derde dag. De eerste twee
dagen, de zogenaamde wachtdagen,
kunnen herverzekerd worden via
ziekengeldkassen. Zo ook een
aanvulling op de uitkering tot maximaal
100%. Dit betekent dat men bij
ziekte momenteel van de
bedrijfsvereniging een uitkering kan ontvangen
vanaf de eerste dag van maximaal 100%
van het dagloon. Daarnaast
is het nog mogelijk om via
ziekengeldkassen een aanvulling op de WAO-uitkering te herverzekeren.
De
voorgestelde maatregel, de eerste zes
c.q. drie weken ziekteverzuim
voor rekening van de werkgever, kan
geëffectueerd worden door de
ZW zodanig te wijzigen dat gedurende de
eerste zes (voor kleine werkgevers
drie) weken van een ziekteperiode geen
uitbetaling van ziekengeld
plaatsvindt. De werknemer krijgt pas
recht op uitbetaling van ziekengeld
op de eerste dag van de zevende c.q.
vierde week na aanvang van
zijn ziekte.
Tegelijkertijd
dient het BW
zodanig te worden aangepast
dat de werkgever
gehouden is gedurende de eerste zes
weken 70% van het voor de
werknemer geldende loon door te betalen,
echter met als minimum het
voor de werknemer geldende minimumloon
(zie ook paragraaf
3.2.2).
In
het advies van de SVr is uitvoerig
aandacht besteed aan de maatregel
de eerste zes (drie) weken voor rekening
van de werkgever te brengen.
Een
deel van de SVr (bestaande uit
werkgeversleden en een deel van de
onafhankelijke leden) meent dat door de
eerste zes c.q. drie weken verzuim
volledig voor rekening van de werkgever
te brengen een grote financiële
prikkel op de onderneming wordt gelegd.
Daar
waar de financiële verantwoordelijkheid
tijdens de eerste zes (drie)
weken volledig bij de werkgever is
gelegd, ligt het vervolgens naar de
mening van dit deel van de Raad voor de
hand deze verantwoordelijkheid
door te trekken naar de controle en
begeleiding tijdens de eerste zes
c.q. drie weken.
De
werkgever die op grond van het BW
een
loondoorbetalingsverplichting
heeft, terwijl geen ziekengeld wordt
uitgekeerd, moet ook zelf volledig
verantwoordelijk kunnen zijn voor de
invulling van het verzuimbeleid
tijdens die periode.
Dit
deel van de Raad wijst erop dat het
verzuimbeleid een belangrijk onderdeel
is van het gehele ondernemingsbeleid
waarvoor de werkgever zelf
verantwoordelijk is en ziet niet in
waarom wettelijke verplichtingen ten
aanzien van verzuimbeleid moeten worden
ingevoerd.
Een
ander deel van de SVr (bestaande uit
werknemersleden en een deel
van de onafhankelijke leden) geeft er de
voorkeur aan om zoveel mogelijk
aan te sluiten bij het bestaande systeem
van eigen risico dragen. Teneinde
een goede controle en begeleiding
tijdens de eerste zes/drie weken
te waarborgen, stelt dit deel voor dat voorwaarden hiervoor door
rblz.|23|
de
SVr in nadere regels worden
geformuleerd. De bedrijfsvereniging zou dan,
volgens dit deel van de SVr, de
bevoegdheid moeten hebben om in die
gevallen waarin niet aan de voorwaarden
wordt voldaan, de werkgever
de mogelijkheid te ontzeggen zelf voor
controle en begeleiding
te zorgen.
Het
kabinet onderschrijft de visie dat de
werkgever primair verantwoordelijk
is voor de invulling van het
verzuimbeleid, niet alleen tijdens de
eerste zes (drie) weken, maar ook in het
vervolgtraject. Het kabinet heeft
in dit verband gekozen voor een nadere
afbakening tussen de taken en
verantwoordelijkheden van de werkgevers
enerzijds en bedrijfsverenigingen
anderzijds. Voor de uitwerking hiervan
zij verwezen naar de subparagraaf
Relatie met het wetsvoorstel wijziging
Arbowet.
Uit
het advies van de SVr blijkt voorts dat
een deel van de SVr (bestaande
uit
werknemersleden en een deel van de
onafhankelijke leden)
het voorstel tot schrappen van het
begrip "gedurende betrekkelijk korte
tijd" niet onderschrijft. Dit deel
wijst erop dat werknemers die op basis
van het huidige artikel
1638c, eerste
lid, BW
via de rechter gedurende
een langere periode dan zes weken een
doorbetalingsverplichting
kregen toegewezen, door de voorgestelde
wijziging worden benadeeld.
Dit deel van de SVr geeft er de voorkeur
aan het begrip "betrekkelijk
korte tijd" te handhaven.
Een
ander deel van de SVr (bestaande uit
werkgeversleden en een deel van
de onafhankelijke leden) onderschrijft
wel de voorgestelde termijn van
zes weken. Dit deel is van mening dat
het voorstel strookt met het
SER-advies
en als voordeel heeft dat hiermee een
voor alle partijen duidelijke
en gelijke situatie wordt geschapen.
Het
kabinet wijst erop dat eerder in deze
toelichting is vermeld dat er in
de jurisprudentie geen duidelijke lijn
te zien is wat betreft de interpretatie
van het begrip "betrekkelijk korte
tijd". Het kan in de praktijk een langere,
maar ook een kortere tijd betreffen.
Met
het stellen van een vaste termijn van
zes weken wordt aan deze onduidelijke
situatie een eind gemaakt.
Er
zijn bepaalde groepen werknemers die
geen beroep zullen kunnen doen
op de loondoorbetalingsverplichting van
het BW. Hierbij kan gedacht
worden aan werknemers die geen werkgever
(meer) hebben (bijvoorbeeld zieke
werklozen) of werknemers die wel
werknemer zijn in de zin van de ZW,
maar niet in de zin van het BW.
Uiteraard is het niet de bedoeling dat de
hier bedoelde groepen gedurende de
eerste zes weken ziekteverzuim verstoken
blijven van een uitkering. Het voorstel
is zo uitgewerkt dat voor deze groepen de normale
ZW-uitkering
van 70% van het dagloon via de
ZW gehandhaafd blijft. Mede in verband
hiermee blijft de periode van de
eerste zes (drie) weken verzuim
onderdeel van het ZW-regime.
De
SVr concludeert dat door het hanteren
van verschillende werknemersbegrippen
in het BW
en de ZW de mogelijkheid
bestaat dat (groepen)
werknemers onbedoeld gedurende de eerste
zes weken van ziekte
geen recht hebben op loondoorbetaling en
evenmin aanspraak kunnen
maken op ziekengeld. Het kabinet deelt
deze mening niet. Het begrip
werknemer, zoals bedoeld in artikel
1638c BW, valt altijd onder de
veel ruimere beschrijving van het begrip
werknemer in de ZW. In de ZW
is in de artikelen 4 tot en met 8a
uitvoerig omschreven welke groepen
werknemers vallen onder de werkingssfeer
van de ZW. In het artikel
29 van dit wetsvoorstel is aangegeven voor welke groepen van
deze
werknemers het recht op ziekengeld wel
tot uitkering komt. Deze rblz.|24|
benadering
voorkomt dat er onduidelijkheid bestaat
over de aanspraken die de werknemer in het kader van de ZW
heeft.
De
SVr concludeert terecht dat de werknemer
op basis van artikel 1638c,
eerste lid, BW
en op basis van artikel
29, tweede en vijfde lid, ZW
geen recht heeft op loondoorbetaling
gedurende de eerste zes weken
ziekte en ook geen recht heeft op
ziekengeld indien de ziekte door
zijn opzet is veroorzaakt of het gevolg
is van een gebrek waarover hij
bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst de werkgever
opzettelijk valse
informatie heeft gegeven.
Op
dit punt verandert er niets in de rechten van de werknemer bij
ziekte
op basis van het BW. De wijziging ten
opzichte van de huidige situatie
heeft met name te maken met het niet in
aanmerking komen voor
een ziekengelduitkering gedurende de
eerste zes (drie) weken ziekte.
Gedurende deze periode kan de werknemer
een beroep doen op de
Algemene Bijstandswet. Deze situatie is
niet nieuw, ook nu al kan het voorkomen
dat de werknemer zowel op grond van het
BW als op grond van
de ZW geen loon/ziekengeld ontvangt
terwijl hij ziek is. Dit komt met name
voor in de situatie dat de werkgever
niet meer verplicht is om het loon
door te betalen tijdens ziekte en de bedrijfsvereniging op grond van
haar
bevoegdheid ex artikel 44
ZW besluit tot
gehele of gedeeltelijke inhouding
van het ziekengeld in verband met het
niet naleven van bepaalde
voorschriften door de werknemer.
De
SVr merkt voorts op dat de werknemer bij
de kantonrechter een vordering
moet instellen tegen de werkgever indien
de werkgever weigert
om het loon tijdens ziekte door te
betalen. Bij weigering van het ziekengeld
kan de verzekerde in beroep gaan bij de
bevoegde kamer van de arrondissementsrechtbank. Deze twee
naast elkaar staande beroepsmogelijkheden
bestaan ook nu al.
De
voorgestelde maatregel heeft ook
gevolgen voor werkgevers die het
risico van de wettelijke
ziekengeldverzekering ingevolge artikel
10a van
de OSV
zelf dragen. Met betrekking
tot de eerste zes (drie) weken zullen op
hen de bepalingen ingevolge
het onderhavige wetsvoorstel van
toepassing zijn. Daarna zijn zij
eigenrisicodrager ingevolge artikel 10a
OSV.
Relatie
met het wetsvoorstel wijziging Arbowet
Op
2 januari 1992 is de Arboraad om advies
verzocht met betrekking tot
voorstellen ten aanzien van de
verwerking van de eerdergenoemde kaderrichtlijn
in de Nederlandse wetgeving.
Tevens
is de SVr gevraagd advies uit te brengen
ten aanzien van die onderwerpen
uit het voorstel tot wijziging van de
Arbowet die raakvlakken hebben met onderwerpen
op het terrein van de sociale
zekerheid. Op verzoek van de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid
en
Cultuur tevens de Nationale Raad voor de
Volksgezondheid (NRV) verzocht
om advies uit te brengen over het
onderhavige wetsvoorstel, aangezien een aantal wijzigingen effect kan hebben
voor de volksgezondheid.
Op
16 april 1992 heeft de Arboraad het
advies over de voorstellen vastgesteld;
de NRV heeft zijn advies op 14 mei 1992
vastgesteld. De NRV
is van mening dat vanuit het volledige
gezondheidsbelang terugdringen
van ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid aanbeveling verdient.
rblz.|25|
SVr
en Arboraad constateren dat een nadere
afstemming tussen Wet
TZ en wijziging
Arbowet noodzakelijk is omdat de
verantwoordelijkheidsverdeling
tussen werkgever en bedrijfsvereniging
(in de toen voorliggende wetsontwerpen)
overlappend is ingevuld. Het betreft hierbij
met name de volgende punten uit de
voorontwerpen zoals indertijd voorgelegd aan de adviesorganen:
-
de introductie in de Wet TZ van een "eigenrisicoperiode"
voor de werkgever gedurende
de eerste zes c.q. drie weken
ziekteverzuim; in die periode komt
geen ziekengeld meer tot uitbetaling; de
werkgever heeft een loondoorbetalingsverplichting
van 70% van het loon; bij wet worden enkele
voorwaarden gesteld aan de begeleiding
en controle door de werkgever
gedurende deze periode. Na deze periode
draagt de bedrijfsvereniging
zorg voor de begeleiding van zieke
werknemers;
-
de keuze in de wijziging Arbowet dat de
werkgever de verantwoordelijkheid
draagt voor het gehele verzuimbeleid
(preventie, begeleiding en herplaatsing
in het bedrijf); de werkgever moet
deskundigen inschakelen die
hem adviseren over het te voeren
verzuimbeleid en expliciet deskundigen
inschakelen bij de begeleiding van zieke
werknemers.
De
afstemming van de desbetreffende
onderdelen van de Wet TZ
en wijziging Arbowet
raakt direct aan de discussie over
sociaal-medische begeleiding bij
ziekteverzuim. Centraal staat de vraag
wie waarvoor verantwoordelijk is
(verantwoordelijkheid werkgever en de
verzekeraar, i.c. de bedrijfsvereniging).
Enerzijds
heeft de werkgever zijn
verantwoordelijkheid voor het sociaal beleid
in de onderneming: hij dient te zorgen
voor een adequaat en effectief
ziekteverzuimbeleid. Anderzijds heeft de
bedrijfsvereniging haar verantwoordelijkheid
als verzekeraar. De bedrijfsvereniging
dient instrumenten
in handen te hebben om te zorgen voor
een doelmatige en rechtmatige
besteding van de verzekeringsgelden en
om te voorkomen dat de kosten
worden afgewenteld op de verzekeraar.
Daarnaast blijkt uit eerdere adviezen
ter zake (NRV, december
1987) dat een open communicatie tussen
de verzuimbegeleider
in de arbeidssituatie en de behandelende
hulpverlener in de curatieve sector een belangrijke voorwaarde is
voor doelmatige preventie
van en sociaal-medische begeleiding bij
ziekteverzuim. Drie uitgangspunten
staan in de visie van het kabinet
centraal:
1. duidelijke afbakening van
verantwoordelijkheden en taken van de werkgever
en de bedrijfsvereniging;
2.
de mogelijkheid van open en eerlijke
concurrentie tussen de deskundige
diensten die werkgevers ondersteunen bij
de uitvoering van het
ziekteverzuimbeleid en
arbeidsomstandigheden;
3.
de mogelijkheid van een open en
doelmatige communicatie tussen de
sociaal-medische begeleider en de
curatieve sector.
Het
kabinet heeft in het onderhavige
wetsvoorstel ervoor gekozen dat de
loonschade als gevolg van ziekte
gedurende de eerste zes (drie) weken
(zonder mogelijkheid van herverzekering
via ziekengeldkassen) voor
rekening van de werkgever moet komen en
na zes (drie) weken voor rekening
van de bedrijfsvereniging. Deze keuze
betekent, naar de mening van
het kabinet, dat de werkgever in ieder
geval ten behoeve van de eerste zes weken
zelf moet kunnen bepalen hoe hij de
controle- en begeleidingstaken organiseert.
Verder
is het kabinet van oordeel dat de
werkgever in het algemeen een
adequaat beleid moet voeren op het
gebied van preventie van ziekte en
arbeidsongeschiktheid, arbeidsomstandigheden en herplaatsing
binnen
het eigen bedrijf. De werkgever moet
hiervoor een deskundige dienst
(arbodienst of
bedrijfsgezondheidsdienst) inschakelen.
Deze verplichting
voor de werkgever, vastgelegd in het
wetsvoorstel wijziging Arbowet,
geldt zolang de dienstbetrekking voortduurt.
rblz.|26|
Zoals
gezegd, komt de loonschade na zes (drie)
weken voor rekening van
de bedrijfsvereniging. De
bedrijfsvereniging moet er als
verzekeraar (voor
ZW én WAO) voor zorgen dat de schade zo
gering mogelijk is. Dit betekent
onder meer dat de bedrijfsvereniging:
a.
in ieder individueel geval moet
beoordelen of de claim terecht is, dat
wil zeggen moet bezien of het juist is
dat de werknemer als gevolg van
ziekte/gebrek (nog) niet in staat is
zijn werk te verrichten;
b.
moet beoordelen of de werkgever zijn
begeleidings- en herplaatsingstaken
ten aanzien van de zieke werknemer goed
verricht; zo niet, dan
wordt de uitkering op de werkgever
verhaald en wordt de werkgever alsnog
gedwongen zijn taken wél goed uit te
voeren (toepassing instrumenten
van ZW, WAO en
AAW);
c.
acties moet ondernemen op het moment dat
vaststaat dat herplaatsing
in het eigen bedrijf niet meer mogelijk
is.
De
bedrijfsvereniging zal in mindere mate
dan nu het geval is aanwezig
behoeven te zijn in de bedrijven zelf.
Aan de hand van de concrete
(individuele) claimbeoordeling zal zij
de werkgever aanspreken wanneer
er sprake is van inadequaat of nalatig
handelen en zo nodig sancties
toepassen (verhaal ziekengeld). De
bedrijfsvereniging kan hiertoe
ook besluiten op aangeven van de
deskundige dienst dat zich concrete
problemen voordoen. De Arbeidsinspectie
controleert of de werkgever
een verzuimbeleid voert en of de
werkgever aan de bepalingen
van de Arbowet ter zake voldoet.
Daarnaast houdt de Arbeidsinspectie
toezicht op de kwaliteit van de
deskundige diensten die de werkgever
in het kader van het ziekteverzuimbeleid
ondersteunen. Indien de
Inspectie bij een werkgever constateert
dat de verplichtingen uit de Arbowet
niet worden nageleefd, zullen deze
overtredingen strafrechtelijk worden
gesanctioneerd.
Het
waarborgen van eerlijke
concurrentieverhoudingen tussen deskundige
diensten die de werkgever ondersteunen,
is een belangrijk uitgangspunt.
Naast de bedrijfsgezondheidsdiensten en
arbodiensten zouden
ook bedrijfsverenigingen die
ondersteuning kunnen bieden.
Zij zijn dan echter de enige organen die
zowel de ZW
uitvoeren
alsook werkgevers ondersteuning bieden
op het gebied van preventie,
begeleiding en herplaatsing van zieke
werknemers. Dit levert een
onaanvaardbaar concurrentievoordeel op
en tevens kan een vermenging
van financiële stromen plaatsvinden (ZW-premieopbrengsten
en door de werkgever rechtstreeks te
betalen ondersteunende
diensten). In verband hiermede meent het
kabinet dat de bedrijfsvereniging
(of haar administrateur, zoals
bijvoorbeeld het GAK [Gemeenschappelijk
Administratiekantoor, red.]) niet zelf zorg
mag dragen voor het aanbieden van
deskundige ondersteuning. Dit moeten
afzonderlijke rechtspersonen zijn. Elke
deskundige arbo- of bedrijfsgezondheidsdienst
zal een certificaat van de Arbeidsinspectie
moeten
krijgen, in verband met de
kwaliteitswaarborging.
Overigens
speelt ook de scheiding van functies van
bedrijfsarts en verzekeringsgeneeskundige
een rol in de discussie rond sociaal-medische
begeleiding.
Het
kabinet heeft afgezien van (een
letterlijke interpretatie van) het principe
van één arts voor arbeid en gezondheid
in verband met het niet te
aanvaarden voordeel dat dan voor de
bedrijfsverenigingen zou ontstaan.
Overigens
meent het kabinet wel dat de opleidingen
van bedrijfsarts en
verzekeringsgeneeskundige geïntegreerd
moeten worden.
Het
hiervoor beschreven model vereist een
gefaseerde invoering. Dit betekent
dat de verplichting in de Arbowet
met
betrekking tot het feit dat rblz.|27|
werkgevers
zich voor de ziekteverzuimbegeleiding
bij een gecertificeerde dienst
moeten aansluiten, gefaseerd zal moeten
worden ingevoerd.
In
de situatie dat er een deskundige dienst
is, zal de bedrijfsvereniging met
betrekking tot de eerder onder punt b
aangeduide taak (beoordelen van
de begeleidings- en herplaatsingstaken
van de werkgevers ten aanzien
van de zieke werknemer; toepassing
instrumenten ZW en
AAW) in
het algemeen kunnen volstaan met een
globale toets. Daarnaast wordt de
bedrijfsvereniging door de deskundige
dienst ingeschakeld, bijvoorbeeld als het
gaat om de financiering van een
werkvoorziening ten laste van de AAW.
Is
de deskundige dienst er niet, hetgeen in
de overgangsperiode het geval
kan zijn, dan zal de bedrijfsvereniging
extra aandacht moeten hebben
voor de situatie in het bedrijf. Bij de
hiervoor onder punt c genoemde
taak (acties ondernemen op het moment
dat vaststaat dat herplaatsing
in het eigen bedrijf niet meer mogelijk
is) moet onder meer gedacht
worden aan een aantal huidige GMD-taken
(hierbij wordt gedacht
aan de situatie zoals die gaat gelden na
invoering van de door het
kabinet beoogde herziening van de OSV.
Ook hier geldt weer dat indien
er een deskundige dienst is, de
bedrijfsvereniging van die dienst op
een zo vroeg mogelijk moment moet
vernemen dat "c-activiteiten"
noodzakelijk
zijn. Is die dienst er nog niet, dan zal
de bedrijfsvereniging zelf
hiervoor oog moeten hebben.
Controle
en begeleiding gedurende de eerste zes
(drie) weken
Met
de maatregel om de eerste zes (drie)
weken ziekteverzuim voor rekening
van de werkgever te laten komen, wordt
recht gedaan aan de wens
de financiële verantwoordelijkheid van
de werkgever voor het voeren
van een verzuimbeperkend beleid te
vergroten. Het feit dat in de meeste
gevallen gedurende deze periode aan verzekerden geen
ziekengeld
meer zal worden uitgekeerd, maar een
loondoorbetalingsverplichting
voor de werkgever geldt, betekent echter
niet dat deze periode als losstaand van het
ZW-regime kan
worden beschouwd.
Het
kabinet is van mening dat controle ook
in de eerste zes weken moet
worden uitgeoefend. Dit is immers ook
uit een oogpunt van het waarborgen
van een continu proces gedurende het
ziekteverzuim van belang.
In dit verband merkt het kabinet op dat
de SVr in zijn advies de door
het kabinet voorgestelde systematiek van
melding onderschrijft. Hierbij
doet de werkgever binnen drie dagen na
ziekmelding door de werknemer
melding bij de bedrijfsvereniging.
Uiteraard dienen ook de hersteldmeldingen
aan de bedrijfsvereniging te worden
gericht.
Gelet
op de verantwoordelijkheid die de
werkgever ingevolge de wijziging Arbowet
heeft voor het voeren van een
adequaat en effectief ziekteverzuimbeleid
zal de werkgever de taken samenhangende
met controle/claimbeoordeling gedurende de eerste zes
weken van ziekte zelf
uitvoeren. De werkgever moet zich
hierbij laten ondersteunen door een
gecertificeerde arbodienst. De werkgever
dient het afgesloten contract
met de deskundige dienst ter informatie
aan de bedrijfsvereniging
op te sturen. Dit contract is voor de
bedrijfsvereniging, als verzekeraar
voor de periode na de eerste zes (drie)
weken verzuim, een bewijs dat
de werkgever in de eerste verzuimperiode
een deskundige dienst aan zich
heeft verbonden.
Bovendien
geeft dit contract inzicht in de wijze
waarop de werkgever zijn
controle op het ziekteverzuim inricht.
Deze verplichting komt in de plaats
van de in het eerdere ontwerp van het
wetsvoorstel TZ voorgestelde
controle- en begeleidingsplan.
rblz.|28|
Gelet
op het belang van de bedrijfsvereniging
bij een adequate controle en
begeleiding door de werkgever met het
oog op de periode na zes (drie)
weken is, in een nieuw artikel 39b, de
bevoegdheid opgenomen dat de
bedrijfsvereniging indien de werkgever in
gebreke is gebleven, de ziekengelduitkering
kan verhalen op de werkgever.
Het
zal zich - in de overgangsfase tot alle
werkgevers zijn aangesloten bij
een gecertificeerde dienst - voordoen
dat de bedrijfsvereniging gedurende
de eerste zes weken de taken met
betrekking tot controle uitoefent.
Dit betreft dan de bedrijven die nog
niet onder de nieuwe arboverplichtingen
vallen. De kosten die uit deze taken
voortvloeien, zullen
dan geheel ten laste komen van de
werkgever. De bedrijfsvereniging
zal bij het uitvoeren van de
controletaken rekening houden met specifieke
wensen van werkgevers met betrekking tot
de inrichting van de
controle. Na de overgangsfase kan zich
de situatie voordoen dat een werkgever
zich ten onrechte, met andere woorden ondanks de geldende
verplichting,
(nog) niet heeft aangesloten bij een
deskundige dienst. In die
situaties wordt de werkgever door de
bedrijfsvereniging gewezen op zijn verplichtingen en wordt tevens de
Arbeidsinspectie
hiervan op de hoogte
gebracht. Tevens kan de
bedrijfsvereniging als er een vermoeden
is
dat de verzuimcontrole en begeleiding
niet goed wordt uitgevoerd, tijdelijke
controletaken in de periode van de
eerste zes (drie) weken verzuim
verrichten. De kosten hiervan worden
doorberekend aan de werkgever.
Uiteraard
geldt deze mogelijkheid voor de
bedrijfsvereniging slechts tot
aan het moment waarop de werkgever zijn Arbowetverplichting (weer)
nakomt, met andere woorden totdat een
deskundige dienst is ingeschakeld.
Zoals
aangegeven, zullen de verplichtingen in
de wijziging Arbowet
met
betrekking tot de aansluiting van
werkgevers bij gecertificeerde diensten
gefaseerd worden ingevoerd. In de
wijziging Arbowet is hiertoe de
mogelijkheid opgenomen om bij koninklijk
besluit te bepalen dat de verplichtingen
voor categorieën bedrijven op een verschillend moment
ingaan.
Het spreekt vanzelf dat dit besluit ook
konsekwenties zal hebben voor
de uitvoering van de taken van
werkgevers en de mate waarin zij voor een overgangsperiode
nog beroep doen
op de bedrijfsvereniging.
Uitzondering
kleine werkgevers
De
SER wijst erop dat de zeswekentermijn
voor werkgevers met een gering
aantal werknemers tot financiële
problemen kan leiden, bijvoorbeeld
indien door een samenloop van
omstandigheden vele ziektegevallen
in korte tijd samenvallen. De SER stelt
om die reden voor om voor werkgevers
met minder dan vijftien werknemers (een
deel van de Raad opteert
voor tien werknemers) van de hoofdregel
af te wijken, zodanig dat
voor hen een kortere termijn, te weten
drie weken, zal gelden. De overige drie weken zouden dan ten laste van de
verplichte verzekering dienen
te komen.
Ook
het kabinet heeft zich de vraag gesteld
of de zeswekenmaatregel voor
alle werkgevers moet gelden of dat er
een uitzondering gemaakt moet
worden voor de kleinere werkgevers.
Achterliggende
gedachte hierbij is dat kleine
ondernemingen gevoeliger
zijn voor fluctuaties in het verzuim dan
grote ondernemingen. Als een
kleine onderneming door een ongelukkige
samenloop van omstandigheden
geconfronteerd wordt met meerdere
verzuimgevallen, kan zij het
financiële risico hiervoor dan wel aan?
Hierbij
wordt ervan uitgegaan dat bij verzuim
niet alleen het loon moet worden
doorbetaald, maar dat de onderneming ook
geconfronteerd wordt rblz.|29|
met
vervangingskosten en produktieverlies.
Hiertegen kan worden ingebracht
dat uiteraard in lang niet alle gevallen
de zieke werknemer (direct)
zal worden vervangen, zeker niet als er
sprake is van kort verzuim.
Daarnaast zou een onderneming ervoor
kunnen kiezen zich te verzekeren
als zij het risico niet zelf kan dragen.
Desondanks
kiest het kabinet ervoor, hiermee het
advies van de
SER volgend,
een uitzondering te maken voor de kleine
werkgevers. Het kabinet
wil ook de meerderheid van de SER volgen
in zijn keuze in de manier
waarop de uitzondering vormgegeven moet
worden. Dit betekent dat
wordt voorgesteld voor werkgevers met
minder dan vijftien werknemers
in dienst het "eigen risico" geen zes
weken te laten zijn, maar
drie weken. Deze grens komt overeen met
circa 90% van de werkgevers, corresponderend met circa 20% van de
werknemers.
Een
voorbeeld kan de gekozen benadering
verduidelijken. Zowel bij de (in
dit verband) grote als bij de kleine
werkgever bedraagt het gemiddeld verzekerd
dagloon ƒ200,-. Het ziekteverzuim
bedraagt bij beide 8%. De kleine
werkgever heeft tien mensen in dienst,
de grote 50 mensen. Uitgaande
van een gemiddelde duurverdeling heeft
drie weken eigen risico
betrekking op 43% van het totaal aantal
verzuimde dagen en zes weken
eigen risico op 50% van het totaal
aantal dagen. De lasten die voor
rekening komen van de ziekengeldkassen
zijn bij de kleine werkgever
57% en bij de grote werkgever 44%. De
kleine werkgever betaalt
een ZW-premie van 3,20% en de grote werkgever
2,45%.
De kleine werkgever betaalt in dit
voorbeeld derhalve 0,75% meer ZW-premie
dan de grote werkgever.
In
zijn advies van 19 maart 1992
onderschrijft de SVr het door het kabinet
gemaakte onderscheid tussen grote en
kleine werkgevers alsmede
de systematiek volgens welke het
onderscheid tussen grote en kleine
werkgevers wordt bepaald. Wel wijst de
SVr erop dat de gekozen systematiek, namelijk de gemiddelde loonsom per
kalenderjaar, niet in alle gevallen
een reëel onderscheidingscriterium zal
zijn. Hij denkt hierbij aan bedrijven
met een relatief hoog gemiddeld
loonniveau binnen een groep gelijksoortige
bedrijven en aan bedrijven met een
gemengde samenstelling.
Naar
de mening van het kabinet is het op
grond van het thans voorgestelde
artikel 29 van de ZW
mogelijk dat
de werkgever naar aanleiding
van een individuele beslissing van de
bedrijfsvereniging verzoekt
om als "kleine werkgever" te worden
aangemerkt. In de door de
SVr te stellen nadere regels omtrent het
vaststellen van de gemiddelde
loonsom kan worden bepaald welke
loonsomgegevens getoetst kunnen
worden aan de gemiddelde loonsom.
Samentelling
ziekteperioden
In
zijn advies geeft de
SER aan van mening
te zijn dat de zeswekenmaatregel
een samentellingsregeling dient te
bevatten die inhoudt dat perioden
van ziekte worden samengeteld indien
zij elkaar met een onderbreking
van minder dan één maand opvolgen.
Reeds
in de Wet
TAV is een artikel in het BW
opgenomen met betrekking
tot de samentelling van perioden van
ziekte die elkaar met onderbreking
van minder dan één maand opvolgen (artikel
1638c,
onder 2º). Hiermee wordt
aangesloten bij de reeds geldende
methodiek in de sociale zekerheid.
Op grond van het nieuwe artikellid zal
de samentellingsregeling
zowel gelden met betrekking tot de
aanspraak op het naar tijdruimte
vastgestelde loon (de hoofdregel) als
met betrekking tot de aanspraak
op het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon
rblz.|30|
(de
minimumvoorziening). Ook na het wijzigen
van ZW en BW in verband met
de zeswekenmaatregel zal de samentellingsregeling blijven gelden
en
automatisch ook van toepassing zijn op
de zeswekenmaatregel.
Zeswekenmaatregel
en premiedifferentiatie
Binnen
de
SER is de vraag aan de orde geweest
of de door het kabinet voorgestelde
differentiatie van de ZW-premie op
ondernemingsniveau en de
doorwerking daarvan naar het
werknemersdeel van deze premie geschikte
instrumenten zijn ten behoeve van de
financiële betrokkenheid van
werkgevers of werknemers bij het
ziekteverzuim. Een deel van de Raad
acht het met het oog op een
onverantwoorde cumulatie van maatregelen
niet langer noodzakelijk dat
bedrijfsverenigingen worden verplicht
de ZW-premie op ondernemingsniveau te
differentiëren. Dit deel
is van mening dat volstaan kan worden
met het toekennen aan de bedrijfsvereniging
van de bevoegdheid tot differentiatie
van zowel het werkgeversdeel
als het werknemersdeel van de ZW-premie.
Een ander deel
van de Raad geeft de voorkeur aan het
handhaven van de huidige situatie
waarin sprake is van een bevoegdheid tot
premiedifferentiatie op ondernemingsniveau.
In
de memorie van antwoord op het
wetsvoorstel TAV is naar aanleiding
van vragen van leden van diverse Kamerfracties ook ingegaan op
de relatie tussen de zeswekenmaatregel
en het premiedifferentiatiesysteem.
Het
kabinet is van mening dat een
premiedifferentiatiesysteem in combinatie
met de zeswekenmaatregel een nuttig
instrument kan zijn om met
name het langdurig verzuim terug te
dringen. Ook na de eerste zes weken
van ziekte, waar het nog altijd gaat om
circa de helft van het aantal
verzuimdagen, zijn er namelijk grote
verschillen tussen werkgevers.
Bovendien
worden juist met een dergelijk systeem
de verschillen tussen
concurrent-werkgevers onderling
zichtbaar gemaakt. Indien ook, zoals
in de bedoeling ligt, de Arbeidsinspectie
over verzuimgegevens
kan beschikken,
dan kan de Arbeidsinspectie haar
inspectiebeleid afstemmen op
die werkgevers die ongunstig afsteken.
Door
de maatregel om de eerste zes (dan wel
drie) weken van ziekte geheel
voor rekening van de werkgever te
brengen, verschuift ruim de helft
van de ZW-lasten van de ziekengeldkassen
naar de werkgever. De premie
voor de ZW kan daardoor met
ongeveer de helft dalen. De verlaagde
premie heeft dus betrekking op de kosten
van ziekteverzuim van langer dan zes weken. Op dat deel heeft
ook de premiedifferentiatie betrekking.
Premiedifferentiatie heeft dus in de
toekomstige situatie geen betrekking
meer op het ziekteverzuim korter dan zes
(dan wel drie) weken.
Aannemelijk is dat het onderscheid drie/zes weken
zal leiden tot verschillende ZW-premies van werkgevers met meer en
werkgevers met vijftien
of minder werknemers in dienst.
De
SVr adviseert dat moet worden overgegaan
tot gelijktijdige invoering
van de zeswekenmaatregel en
premiedifferentiatie. De zeswekenmaatregel
zal moeten leiden tot aanpassing van de
premie. Dit is ook het
geval bij premiedifferentiatie. De
administratieve belasting voor uitvoeringsorganen
en werkgevers is naar de mening van de
SVr geringer bij
gelijktijdige dan bij volgtijdelijke
invoering van de zeswekenmaatregel en
de premiedifferentiatie.
rblz.|31|
Bij Koninklijk besluit van 9 september 1992,
Stb. 1992, 495, is bepaald
dat de premiedifferentiatie, zoals
neergelegd in de Wet
TAV, op 1
januari 1993 van kracht wordt. Het
kabinet heeft hiertoe besloten om aan
de onduidelijkheid bij de
bedrijfsverenigingen omtrent de
invoeringsdatum
een einde te maken. De
bedrijfsverenigingen zijn hierdoor in de
gelegenheid
gesteld feitelijke invoering voor te
bereiden. Het kabinet heeft
tevens willen vermijden dat invoering
van de premiedifferentiatie verder
zou worden uitgesteld, mocht het
wetsvoorstel TZ pas na 1
januari 1993 kracht van wet krijgen.
Zeswekenmaatregel
en G-en-G-sector
Door
de eerste zes of drie weken voor
rekening van de werkgever te brengen,
verschuift zoals reeds opgemerkt circa
de helft van de lasten van
ziekengeldkassen naar werkgevers.
Hierdoor kan de ZW-premie ook met
circa de helft dalen. Het is echter niet
de bedoeling dat de ruimte voor
G-en-G-sectoren [gepremieerde en
gesubsidieerde sectoren, red.] nog eens wordt verlaagd
bovenop de in het kader van
de tussenbalans geformuleerde
taakstelling van 1,5 procentpunt voortvloeiend
uit verzuimdaling in drie jaar. Voor de
arbeidskostenruimte is het kostendekkend ZW-premieniveau ultimo
1991 hierbij als ijkpunt gebruikt.
Aldus
is er voor alle werkgevers, ook na
aftrek van de 1,5 procentpunt van de
arbeidskostenruimte gedurende drie jaar,
ruimte om een gemiddeld niveau
van de lasten van de eerste zes (drie)
weken van ziekteverzuim zelf
te bekostigen. Afhankelijk van het
verzuim bij de individuele G-en-G-werkgever zal hij hieraan voldoende
hebben of tekortkomen.
3.2.2.
Blokkeren van de mogelijkheid tot
herverzekeren
Algemeen
In
het
SER-advies wordt als tweede
maatregel om te komen tot een grotere
financiële betrokkenheid van
ondernemingen bij het ziekteverzuim
voorgesteld om de bevoegdheid van
bedrijfsverenigingen om bovenwettelijke
ziekengeldregelingen via een verplichte
collectieve verzekering
op te leggen te beëindigen. Deze
maatregel sluit aan, zo meent de
SER, bij het uitgangspunt dat primair
werkgevers en werknemers op ondernemingsniveau
verantwoordelijk zijn voor de
terugdringing van het ziekteverzuim.
Een verplichte collectieve verzekering
van het bovenwettelijke
traject staat op gespannen voet met deze
verantwoordelijkheid.
Het
kabinet onderschrijft deze maatregel en
stelt voor het herverzekeren
van alle zogenoemde bovenwettelijke
regelingen via de ziekengeldkassen
van de bedrijfsverenigingen te
blokkeren.
Allereerst
past het niet om daar waar het risico
wordt geïndividualiseerd
(verzuim gedurende de eerste zes weken),
dit vervolgens weer te collectiveren
via een verplichte herverzekering.
Voor
de bovenwettelijke ziekte- en
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen dient
geen verevening tussen hoge en lage
risico's plaats te vinden doordat
elke werkgever zich via de ZW aanvullend
kan verzekeren. De werkgever
moet meer worden aangesproken op zijn
individuele ziekteverzuim.
Wanneer hij individueel de keuze moet
maken ten aanzien van zijn
bovenwettelijke verplichtingen, zal hij
rechtstreekser worden geconfronteerd
met het verzuim en het aantal
arbeidsongeschikten binnen het bedrijf.
Een werkgever met een hoog verzuim en
veel arbeidsongeschikten
zal minder van zijn risico en de
bijbehorende financiële lasten op
de werkgever met een laag risico kunnen afwentelen.
De
financiële prikkel richting werkgevers
wordt hiermee sterker doorgezet.
rblz.|32|
De
SVr spreekt zich niet uit tegen het
voorstel van het kabinet om het herverzekeren
van alle zogenaamde bovenwettelijke
regelingen via de ziekengeldkassen
van de bedrijfsverenigingen te
blokkeren. De SVr is wel verdeeld
over de vraag of de mogelijkheid van
herverzekering voor de individuele
werkgever via de ziekengeldkassen gehandhaafd dient te
blijven.
Een
deel van de SVr (bestaande uit
werkgeversleden van VNO en NCW [Verbond
van Nederlandse Ondernemingen en
Nederlands Christelijk
Werkgeversverbond, red.] en
een deel van de onafhankelijke leden)
vindt van niet, acht dit principieel
onjuist. Dit deel is van oordeel dat
alleen door de herverzekering buiten
de ziekengeldkassen te laten, kan worden
gegarandeerd dat sprake
is van een kostendekkende
premiecalculatie.
Een
ander deel (bestaande uit werknemersleden, werkgeversleden van KNOV
[Koninklijk Nederlands Ondernemers
Verbond, red.] en de drie centrale landbouworganisaties
en een deel van de onafhankelijke
leden) meent dat tegen de mogelijkheid
van individuele herverzekering
via de ziekengeldkassen, mede gelet op
het feit dat daarvoor
een kostendekkende premie in rekening
wordt gebracht, geen bezwaar
bestaat. Zoals reeds opgemerkt, is het
kabinet van oordeel dat geen
enkele herverzekering van
bovenwettelijke regelingen via de
ziekengeldkas mag lopen. Noch collectief, noch
individueel. Een dergelijke algehele
blokkade is het meest duidelijk en
hiermee wordt de financiële prikkel
richting werkgevers zo breed en zo
optimaal mogelijk ingezet. Het kabinet
voelt zich in dit oordeel gesterkt door
het deel van de SVr dat de mogelijkheid
van individuele herverzekering eveneens
afwijst, omdat alleen
op deze wijze kan worden gegarandeerd
dat sprake is van een kostendekkende
premie. In navolging van het advies van
dit deel van de SVr
is in het wetsvoorstel aan artikel 54
ZW
een derde lid toegevoegd waarin
is bepaald dat de ziekengeldreglementen
geen bepalingen mogen bevatten
inzake bovenwettelijke uitkeringen.
Concrete
uitwerking
In
de huidige systematiek hebben de
bovenwettelijke regelingen betrekking
op de twee wachtdagen (artikel
29, derde lid, ZW) en op een aanvulling
of verlenging van het ziekengeld (artikel 57
ZW).
Op
basis van de ZW kunnen
bedrijfsverenigingen bovenwettelijke ziekengeldregelingen
treffen (artikel
29, derde lid, en artikel
57 ZW). Uit een onderzoek
van de Loontechnische Dienst (ministerie
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Bovenwettelijke
uitkeringen na de stelselherziening sociale
zekerheid, Den Haag, juli 1989) komt
naar voren dat in 94,4% van de
bedrijven met bijna 99% van de
werknemers bij ziekte gedurende korte
of langere tijd een aanvulling wordt
gegeven op de minimumuitkering
ingevolge de ZW. Bovenwettelijke
uitkeringsregelingen (BWU) bij ziekte
blijken in alle bedrijfstakken ongeveer
even frequent voor te komen.
In
de bedrijven waar na de eerste dagen van
een ziekteperiode een BWU
bij ziekte wordt gegeven, betreft dit in
nagenoeg alle gevallen een aanvulling
tot 100% van het loon. De duur van deze
aanvulling is in de meeste
van de bedrijven (89%) gelijk aan één jaar. In 4,5% van de bedrijven is
de uitkeringsduur echter korter dan
één jaar.
Hoewel
in de meeste bedrijven (93,1%) de
werknemers bij ziekte 100% van
het loon krijgen doorbetaald, heeft een
veel kleiner deel van de bedrijven
(34,8%) bij de bedrijfsvereniging
hiervoor een aanvullende verzekering
afgesloten.
Met
het beperken van de hier bedoelde
herverzekeringsmogelijkheid beoogt
het kabinet het afsluiten van de
mogelijkheid om te herverzekeren
via de ziekengeldkassen van de
bedrijfsverenigingen. Uiteraard blijft
herverzekering op vrijwillige basis bij
een particuliere maatschappij, tegen
een kostendekkende premie, mogelijk.
Denkbaar is dat
verzekeringsovereenkomsten
op grond waarvan in gevallen van
loonderving als gevolg
van ziekte gedurende de eerste zes weken
van de ongeschiktheid rblz.|33|
tot
werken uitkeringen worden verstrekt
en/of aanvullingen boven het wettelijk
ziekengeld worden verstrekt, worden
aangegaan door daartoe speciaal
(eventueel door bedrijfsverenigingen)
opgerichte rechtspersonen
(naamloze vennootschappen of onderlingewaarborgmaatschappijen).
Door middel van dergelijke constructies
wordt voorkomen dat bedrijfsverenigingen
op een andere (meer bevoorrechte) wijze
dan particuliere
maatschappijen bij de herverzekering van
het bovenwettelijk deel betrokken zijn en dat vermenging ontstaat tussen
publiek- en privaatrechtelijke
taken. Tevens zal moeten worden voldaan
aan de Wet toezicht verzekeringsbedrijf
[zie Wet
toezicht verzekeringsbedrijf 1993, red.],
die regels stelt met betrekking tot het
uitoefenen van het
verzekeringsbedrijf.
3.2.3.
Verruiming eigen risico dragen
De
SER meent dat de financiële
betrokkenheid van werkgevers bij ziekteverzuim
zal kunnen worden vergroot door op het
niveau van de bedrijfsverenigingen
een verruiming mogelijk te maken van het
eigen risico dragen
van ziekteverzuim door ondernemingen.
De
SER wijst er in dit kader op dat
momenteel bij een drietal bedrijfsverenigingen
de besturen tot nu toe geen gebruik
hebben gemaakt van de
wettelijke mogelijkheid om in de
statuten regelen en voorwaarden op te
nemen op basis waarvan een werkgever
toestemming kan worden verleend eigenrisicodrager te worden.
Daar
waar de statuten wel in deze
mogelijkheid voorzien, lopen de gestelde
eisen tussen de bedrijfsverenigingen
uiteen.
Ook
in het kader van het Najaarsoverleg is
voorgesteld de mogelijkheden
voor het eigen risico dragen te
verruimen. Gezien het door het kabinet
ingezette beleid, vergroten van de
financiële betrokkenheid van de
individuele werkgever, moge het
duidelijk zijn dat het kabinet positief staat
tegenover de verruiming. Vooralsnog acht
het kabinet hiervoor evenwel
geen wetswijziging noodzakelijk.
Voorshands kan dit naar zijn oordeel
geschieden op het niveau van de
uitvoering. Aan de SVr zal worden
verzocht te bevorderen dat de statuten
van alle bedrijfsverenigingen
de mogelijkheid tot eigen risico dragen
opnemen. Tevens zal de SVr
verzocht worden te bekijken in hoeverre
de voorwaarden tot het daadwerkelijk
eigen risico dragen tussen de
verschillende bedrijfsverenigingen
op één lijn kunnen worden gebracht.
3.3.
Vergroting financiële betrokkenheid van
werknemers bij ziekteverzuim
3.3.1.
Inleiding
Met
het vergroten van de financiële
betrokkenheid van individuele werknemers
bij het ziekteverzuim wordt beoogd de
verzuimdrempel te verhogen
en aldus het vermijdbare verzuim terug
te dringen. Het invoeren
van een eigen risico ter beïnvloeding
van het beslissingsmoment
voorafgaand aan de ziekmelding kan de
beoogde gedragsreactie tot gevolg hebben, zonder dat sprake is van
een vergroting van het gezondheidsrisico.
Uitgaande
van de contractvrijheid is het niet aan
de orde dat de wetgever
regelingen omtrent het ten laste van een
werknemer brengen van
een deel van het ziekteverzuim dwingend
oplegt. Wel kunnen wettelijke
belemmeringen worden weggenomen en
arbeidsvoorwaardelijke stimulansen
ter beheersing van het ziekteverzuim
worden bevorderd.
Het
kabinet heeft er dan ook niet voor
gekozen wachtdagen dwingend op
te leggen. De wijziging van het BW
zoals
neergelegd in de Wet
TAV, rblz.|34|
waardoor
de mogelijkheid herleeft om in alle
situaties wachtdagen overeen
te komen, acht het kabinet wat de
wachtdagen betreft, hiermee het
advies van de
SER volgende, voldoende.
Wel dient in de visie van een
deel van de Raad, de werknemersleden van
FNV, CNV
en MHP, de mogelijkheid
die is gecreëerd in de Wet TAV dat
zowel CAO-partijen als individuele contractpartijen bevoegd zijn om de
loondoorbetalingsverplichting
van de werkgever over de eerste twee
ziektedagen buiten werking
te stellen te worden gewijzigd. Dit deel van de
Raad pleit ervoor
om
alleen het CAO-overleg bevoegd te maken
om de loondoorbetalingsverplichting
van de werkgever gedurende ten hoogste
de eerste twee ziektedagen
buiten werking te stellen. Het kabinet
is van mening dat het overeenkomen
van wachtdagen niet beperkt dient te
worden tot partijen bij
de CAO, maar dat ook individuele
werknemers met hun werkgever afspraken
moeten kunnen maken over wachtdagen. De
huidige mogelijkheden
tot het overeenkomen van wachtdagen
gelden zowel de CAO als het
individuele arbeidscontract. Het kabinet
is dan ook van oordeel dat het
huidige artikel 1638c BW
op dit punt
ongewijzigd dient te blijven.
Ten
gevolge van de amendering door de Tweede
Kamer van de Wet TAV (met
betrekking tot het kunnen aanmerken van
ziektedagen als vakantiedagen)
bevat het voorliggende wetsvoorstel nog
één op de werknemer gerichte
maatregel.
3.3.2.
Wijziging loondoorbetalingsverplichting
bij ziekte
Zoals
reeds in hoofdstuk 2 is opgemerkt, is de
SER unaniem van mening
dat een grotere financiële
betrokkenheid van de individuele werknemer
bij het ziekteverzuim de pendant is van
de vergroting van de verantwoordelijkheid
van de werkgevers.
De
meerderheid van de
SER, de
werkgeversleden en de Kroonleden, stelt
voor dat in artikel 1638c BW
als hoofdregel wordt gesteld dat de werkgever
bij ziekte van de werknemer gedurende
zes weken 70% van het
loon doorbetaalt. Van deze hoofdregel
kan bij schriftelijke arbeidsovereenkomst
worden afgeweken, met dien verstande dat
als dwingend recht
blijft gelden dat de werkgever vanaf de
derde ziektedag ten minste het
geldende minimumloon
betaalt gedurende
de periode eindigend zes weken
na de eerste ziektedag. Een ander deel
van de SER, de werknemersleden
van CNV en
MHP, stelt voor dat in
artikel
1638c BW
als hoofdregel
wordt gesteld dat de werkgever bij
ziekte van de werknemer gedurende
een betrekkelijk korte tijd 70% van het
loon doorbetaalt. Van deze
hoofdregel kan eveneens bij
schriftelijke overeenkomst worden afgeweken,
waarbij als dwingend recht blijft gelden
dat de werkgever vanaf
de derde ziektedag ten minste het
geldende minimumloon betaalt gedurende
de periode eindigend zes weken na de
eerste ziektedag. Weer een
ander deel van de SER, bestaande uit de
werknemersleden van
FNV, merkt
op dat met de mogelijkheid om wachtdagen
overeen te komen en door
alleen contractpartijen bij de CAO bevoegd te verklaren afspraken te maken
over arbeidsvoorwaardelijke stimulansen
ter beheersing van het ziekteverzuim
een voldoende onderhandelings- en
wettelijk kader ontstaat
dat CAO-partijen de ruimte biedt om in
de arbeidsvoorwaardelijke
sfeer afspraken te maken die de
financiële betrokkenheid van de individuele
werknemer bij het ziekteverzuim
vergroten.
Naar
aanleiding van het bijna unanieme advies
van de
SER heeft het kabinet
gekozen voor een
loondoorbetalingsverplichting van de
werkgever
gedurende de eerste zes weken van 70%
van het loon met handhaving
van de minimumvoorziening. Hiermede
wordt aangesloten bij de
systematiek van de ZW. De ZW wordt
zodanig gewijzigd dat het ziekengeld,
dat 70% bedraagt van het dagloon van de
werknemer, niet rblz.|35|
over
de eerste zes weken van de
ongeschiktheid tot werken wordt uitbetaald.
Indien de werknemer in dienst is bij een
werkgever die minder dan vijftien werknemers in dienst heeft, wordt het
ziekengeld uitgekeerd na het verstrijken
van de eerste drie weken van de ongeschiktheid tot werken.
Op
grond van artikel 1638c, tweede lid,
BW
wordt het loon dat de werkgever
dient te betalen verminderd met het
bedrag van het aan de werknemer
uitgekeerde ziekengeld. Hierdoor wordt
bereikt dat de werkgever
die minder dan vijftien werknemers in dienst
heeft feitelijk slechts gedurende
drie weken een loondoorbetalingsverplichting heeft.
Indien
er wachtdagen zijn overeengekomen, gaat
deze loondoorbetalingsverplichting
in op uiterlijk de derde dag en loopt
tot de eerste dag van
de zevende week na aanvang van de
ziekteperiode. Op dat moment neemt
de ZW de loondoorbetalingsverplichting
van de werkgever over en keert
vanaf dat moment ziekengeld uit ter
hoogte van 70% van het dagloon.
Gezien de uitkeringshoogte van de ZW
(70% van het dagloon) is het
consequent ook de hoogte van het door de
werkgever te betalen loon (gedurende
de eerste zes weken van het verzuim)
vast te stellen op 70%. Het
staat werkgevers en werknemers vrij bij
schriftelijke overeenkomst een
andere loonbetaling overeen te komen.
De
minimumvoorziening, zoals deze met
ingang van 1 januari 1987 is opgenomen
in het BW, blijft gehandhaafd. Dit
betekent dat werknemers die
met een loondoorbetaling tijdens ziekte
van 70% onder het voor hen geldende minimumloon
terechtkomen ten minste loon
doorbetaald zullen krijgen
ter hoogte van het minimumloon. Sinds de
inwerkingtreding van de Wet
TAV gaat deze garantie, indien er
wachtdagen zijn overeengekomen, uiterlijk
in op de derde dag van verhindering
wegens ziekte. Door de wijziging
van het zevende lid van artikel
1638c BW
bij de Wet TAV wordt de
mogelijkheid om wachtdagen overeen te
komen namelijk ook van toepassing indien er sprake is van de
minimumvoorziening.
3.4.
Terugkeerplan
Uit
het
SER-advies blijkt dat een deel van
de Raad, bestaande uit de werknemersleden
benoemd door
FNV, CNV
en MHP, van
oordeel is dat het
terugkeerplan, bedoeld in de
gemeenschappelijke verklaring van het Najaarsoverleg
1990, een zwaardere status dient te
krijgen door de niet-medewerking
daaraan met zoveel woorden in de wet te benoemen als
titel
voor mogelijke sancties tegen de
werkgever en tegen de werknemer. Daarnaast
is genoemd deel van de Raad van oordeel
dat het opstellen van
een terugkeerplan, waar dit van
betrokkenen in redelijkheid kan worden
verlangd, minder vrijblijvend moet
worden gemaakt door de verplichting
daartoe in het BW
en in de ZW op te
nemen. Deze verplichting
zou moeten inhouden dat primair de
werkgever de verantwoordelijkheid draagt dat er een terugkeerplan komt en
dat de bedrijfsvereniging erop toeziet dat werkgevers en
werknemers in goed overleg en
tijdig een verantwoord terugkeerplan
opstellen én uitvoeren. Eén en ander
op straffe van de normale civielrechtelijke sancties,
respectievelijk verheel [lees: verhaal, red.]
jegens de werkgever, dan wel korting op
de uitkering jegens de werknemer.
In
het Najaarsoverleg zijn afspraken
gemaakt over een geïntensiveerde gevalsbehandeling,
waarvan het terugkeerplan bij drie
maanden verzuim een
belangrijk onderdeel uitmaakt. Bij brief
van 4 december 1990 heeft de
Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid de SVr verzocht
te zorgen voor het onder meer in gang
zetten van deze geïntensiveerde
gevalsbehandeling. De SVr informeert de
staatssecretaris halfjaarlijks
over de stand van zaken. Zulks is voor
de eerste maal rblz.|36|
geschied
in juli 1991, de tweede rapportage heeft
plaatsgevonden in december
1991 en de derde rapportage werd
uitgebracht in augustus 1992.
Deze laatste rapportage was opgesteld door de Toezichtkamer van
de
SVr.
Het
kabinet gaf er aanvankelijk de voorkeur
aan de ontwikkelingen rond
de geïntensiveerde gevalsbehandeling
eerst nauwlettend te volgen alvorens
ter zake met meer dwingende regelgeving
te komen. Tegen de achtergrond
van het bovenstaande was in het
wetsvoorstel TAV een bepaling
opgenomen die ertoe strekte dat de bedrijfsvereniging de
ziektegevallen
waarin de arbeidsongeschiktheid
voortduurt uiterlijk in de zesde
maand na aanvang bij de GMD moet
melden. Bij de behandeling van
de Wet
TAV in de Tweede Kamer d.d. 5
december 1991 is echter een amendement
van de leden Linschoten en Schimmel
aanvaard dat de volgende
kernpunten bevat:
-
na zes weken ziekteverzuim van de
werknemer is de bedrijfsvereniging
verplicht melding te doen aan de GMD;
-
na dertien weken verzuim stelt de GMD,
in overleg met de werkgever
en werknemer, een reïntegratieplan op
ten behoeve van de herintreding
van de werknemer in het arbeidsproces.
Bij
brief van 18 december 1991 is aan de SVr
hierover advies gevraagd.
Het advies van de SVr is op 20 februari
1992 vastgesteld. De conclusie
luidt dat de gedachten die aan het
amendement ten grondslag liggen
door de Raad, de Federatie van
Bedrijfsverenigingen (FBV) en de GMD
worden onderschreven, maar dat de
overdracht van dossiers na zes weken
leidt tot een kostbaar - voor een groot
deel onnodig - berichtenverkeer,
terwijl de GMD onvoldoende personeel
heeft om deze taak uit te voeren. Ook voor het opstellen van
reïntegratieplannen na dertien weken
ziekte
ontbreekt het de GMD aan voldoende
personeel, aldus het SVr-advies.
Overigens werd als alternatief model een
structuur geschetst waarbij
reïntegratieplannen worden opgesteld in
van te voren geselecteerde
gevallen.
Bij
de behandeling van de Wet
TAV in de Eerste
Kamer is meegedeeld dat, gelet
op het advies van de SVr van 20 februari 1992
inzake de "zesdeweeksmelding", de
geamendeerde bepalingen uit WAO
en AAW
(nog) niet in werking zouden
treden.
Aangegeven
werd dat het wetsvoorstel
TZ een
aangepast voorstel zal bevatten waarin
zoveel mogelijk zou worden tegemoetgekomen aan de intentie van het
amendement-Linschoten/Schimmel.
Bij
de voorbereiding van dit alternatieve
voorstel heeft het kabinet overwogen
dat het toch juist lijkt om, gelet op de
noodzaak van een zo spoedig
mogelijke reïntegratie en de (ook door
de uitvoeringorganen onderschreven)
intenties die ten grondslag liggen aan
het amendement, de
huidige bepalingen te vervangen door
bepalingen waarin het terugkeerplan
een wettelijke basis krijgt. Bij deze
afweging heeft mede een rol gespeeld
dat uit de voortgangsrapportages van de
SVr over de zogenaamde uitvoeringsmaatregelen
Najaarsakkoord,
is gebleken dat in de
praktijk het opstellen van
terugkeerplannen nog nauwelijks gestalte
krijgt.
De
verplichting tot het opstellen van een
terugkeerplan dient, in de visie
van het kabinet, bij de werkgever te
liggen, omdat de werkgever eerstverantwoordelijke
is voor de herplaatsing en hij tevens
het beste inzicht
heeft in de mogelijkheden van terugkeer
in het eigen bedrijf.
rblz.|37|
Kernpunten
van de bepaling met betrekking tot het
terugkeerplan zijn de
volgende.
Er
dient in principe een zo spoedig
mogelijke melding aan de GMD te worden
gedaan in die gevallen waarin dit van
belang is met het oog op de
taken van de GMD. De werkgever krijgt de
verplichting om (in die gevallen
waarin de bedrijfsvereniging dit
noodzakelijk oordeelt) een terugkeerplan
op te stellen; van het opstellen van het
terugkeerplan zal dan
melding worden gedaan aan de GMD
(overdracht van de gevalsbehandeling).
Een terugkeerplan is, in de ogen van het
kabinet, met name van
belang wanneer duidelijk is dat de
werknemer niet meer in zijn oude functie
zal kunnen hervatten. Als "vangnet"
geldt ten slotte de verplichting
voor de bedrijfsvereniging om uiterlijk
in de zesde maand aan
de GMD te melden. Daarnaast is een
sanctiemogelijkheid opgenomen
voor die gevallen waarin de werkgever
zijn verplichtingen niet nakomt.
De
SVr heeft in zijn advies over het
wetsvoorstel TZ ook aandacht besteed
aan het terugkeerplan. Een deel van de
SVr (bestaande uit werknemersleden
en een deel van de onafhankelijke leden)
onderschrijft de
gedachte dat het verplicht opstellen van
een terugkeerplan een effectief
middel is om tot reïntegratie te komen.
Dit deel meent dat aan de
uitvoeringsorganen sociale verzekeringen
de bevoegdheid moet worden
gegeven om, zodra de werknemer dertien
weken ziek is, de werkgever
tot het opstellen van een
reïntegratieplan te verplichten.
Een
ander deel van de SVr (bestaande uit
werkgeversleden en een deel van
de onafhankelijke leden) wijst een
bevoegdheid van de bedrijfsvereniging om de werkgever te verplichten tot het
opstellen van een terugkeerplan
af. Dit deel meent dat de
wetswijzigingen en jurisprudentie voldoende
stimuleren tot het opstellen van een terugkeerplan en dat een
verplicht
terugkeerplan indruist tegen de
afspraken uit het Najaarsakkoord
1990.
Het
kabinet heeft, zoals gezegd,
geconcludeerd dat wettelijke ondersteuning,
zoals onder meer het verplicht opstellen
van een terugkeerplan, een
belangrijk middel kan zijn om de
geïntensiveerde gevalsbehandeling te
bevorderen. Het kabinet heeft het
opstellen van een terugkeerplan echter
niet willen koppelen aan een bepaald
moment (bijvoorbeeld de dertiende
week), omdat dit zou kunnen leiden tot
een verhoging van de lasten
voor de uitvoering. Daarnaast wil het
kabinet voorkomen dat het instrument een rigide karakter krijgt. De
bedrijfsvereniging kan, aan de hand
van de specifieke situatie, bepalen of
en wanneer een terugkeerplan
noodzakelijk is.
3.5.
Relevante internationale aspecten
De
door Nederland bekrachtigde
internationale instrumenten die normen
stellen ten aanzien van (onder meer)
uitkeringen in geval van ziekte
zijn de Europese code inzake sociale
zekerheid en het daarbij behorende protocol van de Raad van Europa en
Verdrag nr. 102 van de Internationale
Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende minimumnormen van
sociale zekerheid.
De
beide norminstrumenten bevatten ten
aanzien van het risico ziekte overeenkomstige
verplichtingen, met dien verstande dat
de Europese code
inzake sociale zekerheid en het daarbij
behorende protocol ten aanzien
van de te verlenen uitkering een hogere
norm stelt dan Verdrag nr.
102. Voorts is in dit kader van belang
het lAO-verdrag nr. 121. Dit verdrag
bevat, behalve normen ten aanzien van
langdurige arbeidsongeschiktheid,
voorschriften met betrekking tot
tijdelijke of beginnende arbeidsongeschiktheid
ten gevolge van een arbeidsongeval of
beroepsziekten. rblz.|38|
Aangezien Nederland geen afzonderlijk
stelsel kent voor arbeidsongevallen
en beroepsziekten, wordt het risico van
kortdurende arbeidsongeschiktheid
ten gevolge van een arbeidsongeval of
beroepsziekte in ons
land gedekt door de ZW. De specifieke normen van Verdrag
121
werken aldus door naar het generieke
systeem van de ZW.
Evenals lAO-verdrag 102 en de Europese code
inzake sociale zekerheid
met protocol, bevat lAO-verdrag 121 de
keuze om de hoogte van
de ingevolge het nationale stelstel te
verlenen uitkering te koppelen aan
het loon van een geschoolde werknemer
(de zogenaamde hoge norm)
of aan het loon van een ongeschoolde
werknemer (de zogenaamde
lage norm). Zowel voor wat betreft het
aantal te beschermen
personen als voor de te verlenen
uitkering stelt lAO-verdrag 121
de hoogste normen. In beginsel dient 90%
van alle loontrekkenden te
worden beschermd; ten aanzien van de
zogenaamde modelgerechtigde,
te weten een man met vrouw en twee
kinderen, dient een uitkeringspercentage
van 60 te worden gewaarborgd.
Voor
de toetsing of de in het onderhavige
wetsvoorstel opgenomen maatregelen
in overeenstemming zijn met de door
Nederland in internationaal
verband aangegane verplichtingen, kan
dan ook verder worden volstaan
met te bezien of deze aan de in lAO-verdrag 121 opgenomen verplichtingen
voldoen.
De
betreffende maatregelen strekken er
onder meer toe dat:
a.
nadere regels worden gesteld ten aanzien
van de (collectieve) herverzekeringen
van het bovenwettelijk traject;
b.
krachtens de ZW
gedurende de
eerste zes c.q. drie weken van
het ziekteverzuim geen ziekengeld wordt
verleend;
c.
op grond van artikel 1638c van het
BW
de werkgever
gedurende de eerste zes weken van het
ziekteverzuim wordt verplicht
tot doorbetaling van 70% van het loon
met als bodem ten minste het
voor de desbetreffende werknemer
geldende wettelijk minimumloon.
Voor
wat betreft de onder a vermelde
maatregelen spreekt lAO-verdrag
121 noch enig ander door Nederland
bekrachtigd normverdrag
zich uit over de toelaatbaarheid ervan.
Gelet op het ontbreken
van enige norm ter zake kan dan ook
worden vastgesteld dat dienaangaande
geen strijd bestaat met enige
internationale verplichting. De onder b en
c vermelde maatregelen
vallen daarentegen wel binnen het
kader van voornoemde normverdragen.
Zoals hierboven is aangegeven,
schrijft lAO-verdrag 121 voor dat de
nationale overheid in geval van
tijdelijke of beginnende
arbeidsongeschiktheid periodieke
betaling dient
te waarborgen van ten minste 60% van het
loon van een geschoolde
of van een ongeschoolde werknemer. Daar
het verdrag uitgaat
van een modelgerechtigde, te weten een
man met vrouw en twee kinderen,
mag bij de berekening van de uitkering
rekening worden gehouden
met kinderbijslag.
Met
een ZW-uitkering van 70% van het
laatstverdiende loon en met
een - volgens het onderhavige
wetsvoorstel - loondoorbetalingsverplichting
voor de werkgever, waarbij het als
algemene regel zal gaan om een
betaling van 70% van het laatstverdiende
loon, mag worden gesteld dat
Nederland aan de zogenaamde hoge norm
van lAO-verdrag 121 voldoet.
Bij individueel contract of bij CAO kan
van deze verplichting naar
boven of beneden worden afgeweken. Als
niet-onderhandelbare benedengrens
is in het BW
een minimumvoorziening
opgenomen die ertoe
strekt dat de werknemer in geval van
ziekte uit hoofde van artikel 1638c
BW
gedurende zes weken aanspraak heeft
op ten minste het voor hem
geldende wettelijk minimumloon. Het
wettelijk minimumloon ligt rblz.|39|
ruimschoots
boven de zogenaamde lage norm van lAO-verdrag 121, te weten
60% van het loon van een ongeschoolde
werknemer. Uitgaande van
deze lage lAO-norm leveren de
voorgestelde maatregelen geen strijd op
met lAO-verdrag 121.
3.6.
Evaluatie en onderzoek
Zoals
gezegd, vormt het
wetsvoorstel TZ een
onderdeel van het pakket van
wettelijke en niet-wettelijke
maatregelen gericht op de terugdringing
van
het beroep op de verschillende
arbeidsongeschiktheidsregelingen. De
evaluatie van de in deze wet opgenomen
regelingen kan dan ook niet plaatsvinden los van de evaluatie van de
overige maatregelen in dit pakket.
Dit kan te meer niet daar deze
maatregelen tegelijkertijd of kort na
elkaar van kracht worden en het daarom
niet goed mogelijk is de ontwikkeling in het beroep op deze regelingen aan
afzonderlijke maatregelen
toe te schrijven. De evaluatie van het
volume-effect zal derhalve in ieder
geval opgenomen worden in een algemene
evaluatie van het effect van
het gehele pakket van maatregelen.
Voor
het onderzoek ten behoeve van de
evaluatie van de uitvoering en effecten
van de maatregelen, opgenomen in de
"Gemeenschappelijke verklaring
volumebeleid arbeidsongeschiktheid" van
2 oktober 1990, die niet
bij wet geregeld hoeven te worden, in de
Wet
TAV, het wetsvoorstel TBA
en het voorliggende
wetsvoorstel, zal
één evaluatieonderzoekplan worden
opgesteld. Hiermee wordt beoogd
verschillende te ondernemen onderzoekactiviteiten
zo goed mogelijk op elkaar af te
stemmen.
Voor
zover nu reeds kan worden voorzien, zal
in dit evaluatieonderzoekplan ten minste één afzonderlijk onderzoek
opgenomen moeten worden
ten behoeve van de evaluatie van de
bepalingen in het voorliggende
wetsvoorstel met betrekking tot de
loondoorbetaling bij ziekteverzuim,
de drie/zeswekenmaatregel en de
sociaal-medische begeleiding.
Deze maatregelen kunnen beschouwd worden
als een min of
meer samenhangend geheel van
maatregelen. Het is van groot belang vast
te stellen of arbeidsorganisaties
hiermee op de beoogde wijze omgaan.
Het wordt daarom relevant geacht om na
te gaan hoe arbeidsorganisaties
in zowel de markt- als de overheidssector op deze maatregelen
reageren, en met name of en hoe zij
aandacht besteden aan het kortdurende
verzuim, niet alleen in officiële zin,
maar juist ook feitelijk en praktisch.
In de evaluatie zal ook in het bijzonder
aandacht worden besteed
aan de positie van chronisch zieken in
relatie met de zeswekenmaatregel.
De
Raad voor de gemeentefinanciën acht het,
gezien de gesignaleerde onzekerheid,
op zijn plaats in de periode tot en met
1996 de effecten te evalueren.
Doel van een dergelijke evaluatie zou
zijn om in 1997, op basis
van meer inzicht, het definitieve
compensatiebedrag te kunnen vaststellen.
De Raad adviseert bij de evaluatie
gebruik te maken van een representatief
panelonderzoek onder arbeidsongeschikten
(c.q. ontvangers
van een ZW-uitkering) die in de tijd
worden gevolgd.
Ook
het kabinet is van mening dat de
feitelijke ontwikkelingen die zich ten
aanzien van het beroep op de Rww
[Rijksgroepsregeling werkloze weknemers,
red.] en Ioaw
gaan voordoen ten gevolge
van de introductie van de maatregelen,
voor evaluatie in aanmerking
komen. Naast de door de Raad genoemde
reden (mutaties in de
toevoegingen aan het gemeentefonds) is
dit ook van belang voor de toetsing
van het voorgestane beleid. Een
panelonderzoek kan echter niet behulpzaam
zijn bij deze evaluatie van de effecten
van de hier voorgestelde
maatregelen. Als gevolg van de
maatregelen gaan minder mensen rblz.|40|
een
beroep doen op de ZW. Deze personen
blijven participeren op de arbeidsmarkt.
Hierdoor worden andere personen, buiten
de ZW, verdrongen
van de arbeidsmarkt en gaan c.q. blijven
een beroep doen op de
Rww en Ioaw.
Wie
ten gevolge van dit verdringingseffect
een beroep gaat/blijft doen op
Rww en Ioaw is echter op voorhand niet
te traceren. Deze personen kunnen
dan ook niet opgenomen worden in een
panelonderzoek. Met een panelonderzoek
onder arbeidsongeschikten kan alleen
nagegaan worden in
hoeverre deze personen een beroep (gaan)
doen op Rww en Ioaw, maar
dit geeft geen inzicht in het hierboven
genoemde verdringingseffect,
zodat een panelonderzoek geen inzicht
geeft in het veranderde beroep
op Rww en Ioaw ten gevolge van de
voorgestelde maatregelen.
Terzijde
merken wij op dat het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
naast een onderzoeks- en evaluatieplan,
eveneens een voorlichtingsplan
over de in te voeren nieuwe wetgeving
heeft opgesteld. Voor
het welslagen van het beleid acht het
kabinet een goede voorlichting
van groot belang. Het ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft hierover overleg gevoerd met
organisaties van werkgevers
en werknemers
en uitvoeringsorganen van
de sociale verzekeringen.
4.
Financiële effecten van de voorgestelde maatregelen
4.1. Inleiding
Het kabinet verwacht dat het
ziekteverzuim kan worden teruggedrongen door werkgevers en
werknemers meer financiële verantwoordelijkheid te laten dragen voor
het ziekteverzuim. Het kabinet veronderstelt, zoals eerder aangegeven, dat dit
zal resulteren in een daling van het ziekteverzuimpercentage met 1,5 procentpunt in drie jaar en gaat er daarbij van uit dat
0,5 procentpunt van deze
daling kan worden gerealiseerd met de maatregelen voortvloeiende uit
het Najaarsoverleg 1990.
Voor het overige (1 procentpunt in
drie jaar) dient de daling van het ziekteverzuim te worden gerealiseerd
via de in dit wetsvoorstel geformuleerde maatregelen.
De SVr deelt de mening van het
kabinet dat door financiële prikkels voor werkgevers en werknemers
het ziekteverzuim kan dalen, maar tekent hierbij aan dat de
genoemde gedragseffecten moeilijk te kwantificeren zijn en derhalve bij de
interpretatie van de verwachte besparingen een ruime onzekerheidsmarge
dient te worden gehanteerd. De 1,5 procentpunt verzuimdaling in drie jaar moet
naar de mening van de SVr dan ook meer gezien worden als een
beleidsdoelstelling.
De Raad voor de
gemeentefinanciën (RGF) acht elke uitspraak over de omvang van de effecten op het
volume en lastentotaal van de ZW, de daaruit voortvloeiende
effecten voor de werkloosheidsregelingen Rww en Ioaw
en de daarmee
samenhangende gevolgen voor het gemeentefonds arbitrair. De RGF is niet
in staat alle veronderstellingen te staven, maar ziet ervan af op grond van
andere, eveneens arbitraire, veronderstellingen andere bedragen te
adviseren.
Het kabinet is zich bewust dat
de door hem geraamde effecten van de maatregelen een zekere
onzekerheidsmarge bevatten. Niettemin is het echter van mening dat, gezien de
aard en omvang van het voorgestelde pakket, de ingezette
doelstelling met betrekking tot de daling van het rblz.|41|
ziekteverzuimpercentage haalbaar
is en daarmee tevens rekening moet worden gehouden met de voorziene
weglekeffecten.
4.2. Directe effecten
Een deel van de in dit
wetsvoorstel opgenomen maatregelen leidt niet tot een directe daling van de ZW-lasten, maar tot een verschuiving van lasten van de ziekengeldkassen
naar de werkgevers. De hiermee gemoeide bedragen kunnen niet
als een besparing worden aangemerkt. Een directe
besparing van de ZW-lasten wordt met deze maatregelen ook niet beoogd.
Doel van deze maatregelen is het creëren van financiële prikkels om het
ziekteverzuim terug te dringen. Door dergelijke financiële prikkels
zal uiteraard wel een wijziging optreden in de ziekengeldlasten per
individuele werkgever.
Ook de SVr geeft in zijn advies
aan dat een deel van de maatregelen niet leidt tot een directe
besparing, maar tot een verschuiving van de ZW-lasten van ziekengeldkassen
naar werkgevers.
Door het ten laste van de
werkgever brengen van de eerste zes weken van het ziekteverzuim komt
ongeveer de helft van de ZW-lasten direct voor rekening van de werkgevers
en niet langer ten laste van ziekengeldkassen. Hierdoor nemen de lasten
voor werkgevers met een relatief laag ziekteverzuim binnen een
bepaalde bedrijfsvereniging c.q. risicogroep af, terwijl die voor een werkgever
met relatief hoog ziekteverzuim zullen toenemen.
In de meeste
arbeidsovereenkomsten is bepaald dat het ziekengeld tot 100% van het loon wordt
aangevuld. Een derde van de werkgevers maakt in de huidige situatie van de mogelijkheid gebruik om deze bovenwettelijke aanvullingen te
herverzekeren bij de bedrijfsverenigingen. Deze werkgevers betalen hiervoor een
opslag op de ZW-premie.
Het blokkeren van deze
mogelijkheid tot herverzekeren heeft tot gevolg dat deze bovenwettelijke
aanvullingen voortaan direct ten laste van werkgevers komen. Hierdoor
treedt, geïsoleerd bezien, een verschuiving op van
bovenwettelijke ZW-lasten (ƒ900 mln structureel) van de ziekengeldkassen
naar de werkgevers. Ook door deze maatregel ontstaat een
financieel voordeel c.q. nadeel voor werkgevers met een relatief laag
respectievelijk hoog ziekteverzuim.
Het Centraal
bureau voor de statistiek (CBS) laat, vanwege meetproblemen, in de huidige situatie
bovenwettelijke uitkeringen van omslagleden die niet zijn
(her)verzekerd bij de ziekengeldkassen buiten beschouwing bij de registratie
van de ZW-lasten in de Nationale Rekeningen. Dit betekent dat
deze lasten tevens buiten beschouwing blijven bij meting van de
collectieve lastendruk. Zou het CBS aan deze lijn vasthouden, dan kan door
het blokkeren van de mogelijkheid tot herverzekeren een daling van de
collectieve lastendruk het gevolg zijn. Deze daling heeft echter een
zuiver optisch karakter en kan niet als een ombuiging worden aangemerkt.
Een derde maatregel ter
vergroting van de financiële betrokkenheid van de werkgever is het
verruimen van de mogelijkheid tot eigen risico dragen. Deze maatregel heeft
volledig vergelijkbare gevolgen als het ten laste van de werkgever brengen
van de eerste zes weken van het ziekteverzuim. Voor de individuele
werkgever is de financiële prikkel echter nog sterker, omdat deze maatregel
betrekking heeft op de volledige ZW-periode.
rblz.|42|
In tegenstelling tot de in het
voorafgaande genoemde maatregelen leidt het beperken van de
loondoorbetalingsverplichting bij ziekte tot 70% van het loon naar
verwachting wel tot een directe besparing op de ZW-lasten. Waar bij de huidige
bepalingen van het BW
de werkgever verplicht is tot doorbetaling
van het volledige loon gedurende betrekkelijk korte tijd, wordt in het
wetsvoorstel deze verplichting expliciet beperkt tot 70% van het loon gedurende
de eerste zes weken. Dit biedt sociale partners de mogelijkheid om -
ook voor de eerste zes weken van ziekte - overeen te komen om, in
afwijking van de huidige situatie, het wettelijke ziekengeld van 70% niet
(volledig) aan te vullen tot 100%.
In de oorspronkelijke
berekeningen, gebaseerd op de besluitvorming van het kabinet van juli 1991,
werd geen direct besparingseffect verwacht van het beperken van de loondoorbetalingsverplichting tot
70%. Achtergrond daarvan was de
aanname dat de bestaande praktijk van doorbetaling tot
100% slechts incidenteel zou worden doorbroken. De verwachting was
dat de introductie van arbeidsvoorwaardelijke stimulansen voor
werknemers overwegend langs de - door de wetgever nieuw gecreëerde - weg
van het verrekenen van ziektedagen met vakantiedagen
zou verlopen.
Met de centrale aanbeveling van
de Stichting van de Arbeid is de situatie in die zin gewijzigd
dat sociale partners overeenkwamen om de onderhandelaars in de
bedrijfstakken mee te geven onderhandelingen over bovenwettelijke aanspraken
aan te gaan, waarbij geen van de elementen op voorhand wordt
uitgesloten. Gestreefd zou moeten worden naar het daadwerkelijk maken van
afspraken over arbeidsvoorwaardelijke stimulansen in geld en/of vrije
tijd. In dit opzicht is de beleidsmatige waarde van de centrale
aanbeveling ten minste gelijk aan die van de parapluwetgeving en van het
driekwart dwingende karakter van de verrekeningsmogelijkheid van
ziektedagen met vakantiedagen.
Die gelijkwaardigheid heeft het
kabinet vervolgens tot de vaststelling gebracht dat er geen aanleiding
bestaat om de omvang van het, uit het onderhavige wetsvoorstel voortvloeiende, directe en indirecte effect aan
te passen. Wel lag het in de
rede om de eerder geraamde besparing van ƒ570 mln niet alleen aan
de vakantiedagenmogelijkheid, maar tevens ook aan de wijziging van
de loondoorbetalingsverplichting toe te rekenen.
Het hier genoemde bedrag
veronderstelt een bepaalde mate van compensatie in het
bovenwettelijke traject (circa 45%). In de bestaande methodiek van de Nationale
Rekeningen worden door sociale partners overeengekomen bovenwettelijke
uitkeringen tot de ziekengeldlasten gerekend. Deze methodiek is
voorshands gehandhaafd. Worden uiteindelijk minder effectieve
afspraken gemaakt dan waarvan nu wordt uitgegaan, dan resulteert dit in
tegenvallers die hogere lasten inhouden. Dit laatste geldt overigens ook
wanneer sociale partners weliswaar tot effectieve afspraken komen, maar
tot een vormgeving besluiten die overwegend aangrijpt op andere
onderdelen van de arbeidsvoorwaarden dan het bovenwettelijke
ziekengeld. Het is met het oog op de uitgavenontwikkeling in verband met
ziekte, binnen de geschetste methodiek, derhalve relevant in hoeverre
sociale partners daadwerkelijk komen tot arbeidsvoorwaardelijke afspraken
om het verzuim te beperken.
Uit de recente
CAO-ontwikkelingen blijkt dat er weinig arbeidsvoorwaardelijke stimulansen in de
CAO's zijn afgesproken. Dit was voor het kabinet aanleiding om de directe effecten van de vakantiemaatregel en
van de beperking van de
loondoorbetalingsverplichting tot 70% naar rblz.|43|
beneden bij te stellen. In
plaats van de ƒ570 mln voor beide maatregelen raamt het kabinet een besparing
van ƒ255 mln in 1993.
Weliswaar is de huidige
methodiek van de Nationale Rekeningen gehandhaafd, doch het kabinet
vraagt zich af in hoeverre het verantwoordelijk moet worden gesteld
voor niet-gerealiseerde besparingen doordat sociale partners
nauwelijks tot beperkende afspraken komen.
4.3. Indirecte effecten
Met de in het voorafgaande
genoemde maatregelen wordt beoogd via financiële prikkels het
verzuimgedrag te beïnvloeden. Zoals al eerder aangegeven, verwacht het kabinet
dat met deze gedragseffecten een verzuimdaling van 1 procentpunt in
drie jaar kan worden gerealiseerd. Dit correspondeert met een besparing
van ƒ1,2 mld structureel. Gezien de latere invoeringsdatum
dan oorspronkelijk beoogd, kunnen de gedragseffecten uit hoofde van
het voorliggende wetsvoorstel pas vanaf 1993 worden ingeboekt.
De taakstellende opbrengst uit
hoofde van de gedragseffecten van het TZ-pakket blijft voorshands
ongewijzigd.
Hoewel de afspraken die tot
dusverre zijn gemaakt in CAO's nog weinig arbeidsvoorwaardelijke
stimulansen bevatten, kunnen daaruit nog geen eenduidige conclusies worden getrokken. Enerzijds wordt in
CAO-afspraken de mogelijkheid opengehouden dat op een later tijdstip alsnog over de inlevering van
vakantiedagen gesproken zou kunnen worden. Anderzijds wordt vanaf
januari 1993 de herverzekeringsmogelijkheid geschrapt. Als er geen
afspraken over vakantiedagen worden gemaakt, worden in ieder geval
de individuele werkgevers met deze prikkel geconfronteerd.
Ten slotte blijkt bestrijding
van ziekteverzuim in het CAO-overleg ruime aandacht te krijgen, hetgeen in
tal van maatregelen wordt vormgegeven die eveneens tot het gestelde
doel zullen kunnen leiden.
4.4. Effect op
werkloosheidsregelingen
Indirect effect van deze
verzuimbeperkende maatregelen is een weglek naar de werkloosheidsregelingen.
Door vermindering van het ziekteverzuim wordt de
arbeidsproduktiviteit verhoogd, waardoor hetzelfde produktieniveau met minder
arbeidsjaren kan worden bereikt. Op korte termijn kan de arbeidsmarkt het
extra arbeidsaanbod dat hierdoor ontstaat niet absorberen.
Hierdoor ontstaan extra kosten voor de werkloosheidsregelingen. Deze
lopen op van ƒ265 mln naar ƒ425 mln structureel.
4.5. Administratiekosten
Met betrekking tot de
administratiekosten is in de raming een besparingsbedrag opgenomen van ƒ300
mln. Dit bedrag vormt een saldo van enerzijds:
- een besparing van de
administratiekosten als gevolg van het wegvallen van handelingen bij de
bedrijfsverenigingen (uitkeringsverzorging, begeleiding en
controle) gedurende de eerste zes respectievelijk drie weken wanneer de
werkgever c.q. de
deskundige dienst deze handelingen van de bedrijfsvereniging overneemt;
- in de situatie waarin de
bedrijfsverenigingen controletaken verrichten, dient de werkgever
daarvoor te betalen. Deze betalingen zouden dan afzonderlijk als
niet-premiebaten moeten worden verantwoord in de jaarrekening van de
bedrijfsvereniging;
en anderzijds:
- een geringe toename van de
administratiekosten vanwege de rblz.|44|
jaarlijks terugkerende noodzaak
om het verzuim per werkgever vast te stellen en op basis daarvan de
indeling in premieklasse te bepalen. Het betreft grotendeels
werkzaamheden die in het kader van de taak om te voorzien in een adequate
informatieverstrekking toch al nodig worden geacht;
- een toename van de
administratiekosten als gevolg van het jaarlijks vaststellen van het
loonsomgemiddelde binnen de bedrijfsvereniging en de loonsom per werkgever om te
bepalen of een werkgever tot een kleine werkgever behoort waarop
pooling bij premiedifferentiatie betrekking heeft, om de indeling
van werkgevers in drie of zes weken "eigen risico dragen" te
realiseren en de maximumgrens voor het bonus/malussysteem te kunnen
vaststellen.
Bij het besparingsbedrag van
ƒ300
mln is verondersteld dat circa de helft van de huidige
administratiekosten met betrekking tot uitkeringsverzorging en controle (ƒ600 mln)
bij de bedrijfsverenigingen vervalt als gevolg van de drie/zeswekenmaatregel. Dit is een vrij conservatieve schatting, aangezien circa 90%
van de ziektegevallen herstelt binnen zes weken.
De administratiekosten nemen
tevens toe als gevolg van activiteiten in het kader van terugkeerplannen.
In de oorspronkelijke voornemens werd ervan uitgegaan dat dit in het
licht van het Najaarsakkoord op grote schaal op vrijwillige basis zou
geschieden. De toename van de administratiekosten was voor het
grootste gedeelte al ingecalculeerd.
Om bovengenoemde redenen is bij
het geraamde besparingsbedrag van ƒ300 mln niet de geringe
toename van de administratiekosten in mindering gebracht.
Met betrekking tot
administratiekosten van gemeenten in relatie tot de uitvoering van Rww en Ioaw
merkt
de RGF op dat het kabinet geen uitspraak doet over compensatie
van deze kosten. In de adviesaanvrage is echter reeds melding gemaakt
van de zogenaamde apparaatskosten en de eventuele toevoeging aan het gemeentefonds. Hierbij is echter verwezen naar een afspraak in de
bijlage van het bestuursakkoord Rijk/VNG [Vereniging
van Nederlandse gemeenten, red.] waarin is weergegeven
dat taakverzwaringen en taakverlichtingen betreffende de uitvoering
van bijstandsregelingen gedurende één jaar worden geregistreerd en met
elkaar worden verrekend. Indien, mede als gevolg van de
voorgenomen maatregelen, de apparaatskosten per saldo toenemen, wordt in
deze systematiek de toename verwerkt in de begroting van het gemeentefonds over het
daaropvolgende jaar.
Inmiddels is in overleg met de
VNG besloten met ingang van 1993 af te stappen van deze "salderingsmethode"
en weer over te gaan op de methode die eerder werd
toegepast. Die houdt in dat compensatie wordt verleend per afzonderlijke
maatregel met ingang van het jaar waarin de kosten optreden. Ook de
compensatie voor de extra apparaatskosten die door dit wetsvoorstel optreden,
is het "nieuwe regime" van toepassing. De kosten bedragen ƒ2,8 mln in
1993, oplopend tot ƒ10,5 mln in de structurele situatie. Hierdoor worden de weglekeffecten naar
werkloosheidsregelingen iets groter.
rblz.|45|
4.6. Samenvattend
In tabel 1 worden de financiële
effecten van de maatregelen weergegeven (afgerond op ƒ5 mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
1993 |
1994 |
1995
structureel |
| 1. Beperken
loondoorbetalingsverplichting BW
tot 70% en vakantiemaatregel |
x255 |
x255 |
x255 |
| 2. Blokkeren herverzekeren direct
effect ¹ |
x900 |
x900 |
x900 |
| 3.
Eerste zes weken ten laste van werkgever uitvoeringskosten ZW |
x300 |
x300 |
x300 |
| 4.
Gedragseffecten van 1 t/m 3 |
x400 |
x800 |
1200 |
| 5. Weglekeffect totaal naar
werkloosheidsregelingen |
–265 |
–365 |
–435 |
| Totaal 1 t/m 5 |
x690 |
x990 |
1320 |
1. Dit bedrag moet niet gezien
worden als een ombuiging. Het betreft hier statistische correctie van de CLD.
5.
Maatregelen overheid
5.1. Algemeen
Het kabinet is van mening dat de
maatregelen die dit wetsvoorstel bevat, voor zover nodig en
mogelijk, ook vertaald moeten worden naar de overheidssector. Die
vertaling is nodig omdat ZW en BW
in beginsel niet gelden voor de
overheidssector. De maatregelen gericht op de werkgever, namelijk het voor
eigen rekening komen van de eerste zes weken van het verzuim en het
schrappen van de mogelijkheid van herverzekering van de zogenaamde
bovenwettelijke regelingen via de ziekengeldkassen van de
bedrijfsvereniging, spelen bij die vertaling echter geen rol.
Zoals bekend, dragen de
overheidswerkgevers reeds de lasten van het ziekteverzuim van het
overheidspersoneel. In die zin kan dan ook de vergelijking worden getrokken
met de eigenrisicodragers in de zin van de ZW.
Ook herverzekering via de
ziekengeldkassen speelt niet in de overheidssector.
De maatregel gericht op de
werknemer betreft de loondoorbetalingsverplichting gedurende de eerste
zes weken van ziekte op een niveau van 70% in plaats van 100%.
Deze maatregel leent zich wel
voor een vertaling naar de overheidssector. Die vertaling kan niet
bestaan uit een wijziging van een al algemeen geldende wet waarin
voor het overheidspersoneel de aanspraken bij ziekte zijn
geregeld.
Die aanspraken zijn thans immers
geregeld in de verschillende rechtspositieregelingen van het
overheidspersoneel. Om die reden bevat dit wetsvoorstel een zelfstandige
regeling voor het overheidspersoneel, waarin inhoudelijk is
aangesloten bij de voorgestelde wijziging van het BW.
Gelet echter op het feit dat de
verschillende rechtspositieregelingen een wat andere systematiek
kennen en een wat ander karakter hebben dan het BW, zijn op enkele
punten aanvullende bepalingen opgenomen ten einde te bereiken dat voor
het overheidspersoneel een gelijke situatie ontstaat als voor de werknemers
in de marktsector. In het artikelsgewijze gedeelte van deze toelichting
zal daar nader op worden ingegaan.
rblz.|46|
Het uitgangspunt van het kabinet dat de maatregelen die dit wetsvoorstel bevat voor zover
nodig en mogelijk ook vertaald moeten worden naar de overheidssector,
bracht met zich mee dat oorspronkelijk ook voor de overheidssector een
voorziening was opgenomen ter bevordering van het overleg over
bovenwettelijke uitkeringen. Deze voorziening is echter vervallen
in verband met de al eerder genoemde nadere aanbeveling van de in de
Stichting van de Arbeid vertegenwoordigde organisaties van
werkgevers en werknemers. Die organisaties hebben hun leden (waartoe in
meerderheid ook de organisaties van overheidspersoneel behoren)
aanbevolen om in het arbeidsvoorwaardenoverleg ook afspraken te maken
over arbeidsvoorwaardelijke stimulansen in geld en/of vrije tijd,
alsmede over de aanwending van eventuele uit dit beleid voortvloeiende baten.
Het wetsvoorstel als zodanig
brengt derhalve geen wijziging in de huidige materiële aanspraken.
Die aanspraken zijn dan ook de uitgangspositie voor het arbeidsvoorwaardenoverleg 1992/1993.
5.2. Budgettaire effecten bij de
overheid
Bij de besluitvorming over de
Tussenbalans is de financiële taakstelling in de sfeer van het
ziekteverzuim voor de collectieve sector reeds vastgesteld. Voor de overheid gaat het
om een bedrag van structureel ƒ620 mln. Dit structurele niveau
wordt bereikt in de periode 1992-1994, waarbij sprake is van een
jaarlijkse cumulatieve taakstelling van een derde deel van het totale bedrag. De
taakstelling wordt gerealiseerd via een korting op de
personeelsbudgetten. Op deze wijze wordt de daling van het verzuim tot uitdrukking
gebracht. Tot een korting op de personeelsbudgetten is besloten onder de
veronderstelling van een expliciet commitment in het Centraal
Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken (CGOA) op een algemeen
beleidskader, waarin de hoofdlijnen van de managementbenadering, mogelijke
additionele maatregelen en de vertaling van de ZW- en
BW-maatregelen zijn opgenomen.
De onderhavige wetswijziging c.q.
regeling heeft - afgezien van de bijdrage die van de maatregelen uitgaat op de
realisering van de bovengenoemde taakstelling - geen
consequenties voor de rijksbegroting. In het CGOA zal, zoals in de marktsector,
worden overlegd over arbeidsvoorwaardelijke stimulansen ter ondersteuning van het beleid van terugdringing van
het ziekteverzuim.
6.
Gevolgen voor vrouwen en deregulering
6.1. Gevolgen voor vrouwen
In dit wetsvoorstel wordt op
één onderdeel een regeling getroffen die in het bijzonder van belang is
voor de positie van vrouwen. Deze regeling betreft een uitzondering op het voorstel de eerste zes weken van het
ziekteverzuim ten laste van de
werkgever te brengen. Indien de zeswekenmaatregel ook op uitkeringen
met betrekking tot zwangerschap en bevalling van toepassing zou
zijn, zou dit negatieve gevolgen kunnen hebben voor de
arbeidsmarktpositie van vrouwen in een bepaalde leeftijdsklasse, omdat zij een
hoger ziekengeldrisico kunnen opleveren voor een werkgever. Dit zou
kunnen leiden tot een ongelijke behandeling naar geslacht bij werving en
selectie, hetgeen strijdigheid met regelingen inzake gelijke behandeling zou
kunnen opleveren. Om te voorkomen dat de arbeidsmarktpositie van
vrouwen wordt verslechterd of gehandeld wordt in strijd met het uitgangspunt van gelijke behandeling, heeft het
kabinet besloten de uitkeringen
in verband met zwangerschap en bevalling uit te zonderen van de zeswekenmaatregel.
rblz.|47|
De SVr stelt in zijn advies dat
het vervallen van zwangerschap bij aanvang van de verzekering als
weigeringsgrond bij de verplichte verzekering (zoals bepaald in de Wet
TAV) ook gevolgen heeft voor de vrijwillige verzekering. Het
vervallen van de weigeringsgrond kan tot gevolg hebben, aldus de SVr, dat
de betrokkene pas een vrijwillige verzekering afsluit vlak vóór het
moment waarop de bevallingsuitkering ingaat. Vervolgens kan deze de
bevallingsuitkering ontvangen en direct of kort na die uitkeringsperiode de
vrijwillige verzekering weer opzeggen. Op deze wijze kan, tegen betaling
van slechts een geringe premie, de volledige bevallingsuitkering
over ten minste zestien weken worden verkregen.
Volgens het kabinet zijn er geen
wezenlijke argumenten op grond waarvan, in tegenstelling tot
bij de verplichte verzekering, met betrekking tot de vrijwillige verzekering
zwangerschap wel als weigeringsgrond zou gelden. Het kabinet wijst er
echter op dat in de memorie van toelichting bij de
Wet
TAV is aangegeven dat
bij de evaluatie van de diverse vastgestelde maatregelen ook gekeken
zal moeten worden naar de gebruikersruimte die ontstaat door het
geheel laten vervallen van de weigeringsgrond. Het spreekt vanzelf dat
hierbij ook de vrijwillige verzekering zal worden betrokken.
6.2. Dereguleringsaspecten
Algemeen
Gelet op de in deze toelichting
weergegeven noodzaak om de ontwikkelingen in het ziekteverzuim om
te buigen, is het op deze manier ingrijpen via wijziging van de
regelgeving volgens het kabinet de juiste methode om het volumebeleid
concreet gestalte te geven.
Getracht is te komen tot een
samenhangend pakket van maatregelen bestaande uit wijziging van
vigerende regelingen, invoeren van nieuwe regelingen alsmede het laten
vervallen van bestaande instrumenten.
Nieuw is het invoeren van de zes(drie)wekenmaatregel, hetgeen een wijziging van het bestaande ZW-regime betekent, alsmede een wijziging van het BW
waar het de loondoorbetalingsverplichting van de
werkgever betreft.
Zoals in
hoofdstuk 3 is
aangegeven, heeft het kabinet voorts besloten de mogelijkheid van verplichte
collectieve herverzekering (herverzekering van het bovenwettelijk traject
via de ziekengeldkassen) te beëindigen. Deze maatregel leidt ertoe dat
een aantal bepalingen dat op deze verplichte herverzekering
betrekking heeft, komt te vervallen, alsmede de op deze bepalingen gebaseerde
besluiten.
Administratieve lastenverzwaring
bedrijfsleven
In het kader van
deregulering
dient ook aandacht besteed te worden aan de uit de voorgestelde
wetgeving voortvloeiende administratieve lasten voor het bedrijfsleven.
In dat verband zijn met name de effecten van de voorgestelde maatregel
met betrekking tot de eerste zes (drie) weken voor de werkgever van
belang. Als gevolg van deze maatregel worden taken die nu door de
bedrijfsvereniging worden uitgevoerd door de werkgever volledig
overgenomen gedurende de eerste zes (drie) weken van het ziekteverzuim.
De werkgever wordt ook
verantwoordelijk voor de verzuimbegeleiding na deze periode, tot het moment
dat duidelijk is dat herplaatsing van de zieke werknemer niet mogelijk
is.
rblz.|48|
Als eerste kan worden genoemd de
taak van het uitkeren van ziekengeld door de
bedrijfsvereniging. Deze taak wordt gedurende de eerste zes (drie) weken
overgenomen door de werkgever, die middels een beperkte loondoorbetaling zorgt
voor een inkomen tijdens ziekte. Ten tweede betreft het de overname
van de taak door de werkgever met betrekking tot controle bij
ziekte. In die situatie waarin de bedrijfsvereniging controletaken uitvoert
(dit speelt met name tijdens de overgangsfase tot de
(gefaseerde) invoering van de nieuwe Arbowetbepalingen), komen de
administratiekosten die de bedrijfsvereniging gedurende de eerste zes (drie)
weken ten behoeve van de controle maakt voor rekening van de werkgever.
Het ten laste brengen van de
werkgever van de eerste zes (drie) weken van ziekteverzuim heeft dus
enerzijds tot gevolg dat de administratieve lasten van de werkgever
toenemen, anderzijds dat de administratiekosten van bedrijfsverenigingen
afnemen. De administratieve lastenverzwaring voor de werkgever als gevolg van
loondoorbetaling bij ziekte is in feite zeer gering, omdat
bedrijfsverenigingen in de huidige situatie veelal een ZW-uitkering verstrekken aan de
werknemer via de werkgever. Voorts zij nog opgemerkt dat een daling van
de administratiekosten van bedrijfsverenigingen leidt tot een
daling van de ZW-premie, die voornamelijk ten gunste van de werkgever komt.
Per saldo zal de
zeswekenmaatregel tot een geringe administratieve lastenverzwaring voor de
werkgever leiden.
Werkdruk bestuurlijk en justitieel
apparaat
Bij de uitwerking van de
concrete maatregelen is duidelijk dat sommige zullen leiden tot
vermindering van werkzaamheden bij de uitvoeringsorganen.
Zo zal de invoering van de zes(drie)wekenmaatregel ertoe leiden dat bedrijfsverenigingen gedurende
deze periode nog slechts aan bepaalde groepen verzekerden uitkeringen verstrekken. Op de meeste verzekerden
zal immers de nieuwe
loondoorbetalingsverplichting door [lees: voor, red.] de werkgever van toepassing zijn. Het kabinet
erkent dat de beslissing of een werkgever tot de drie- of zeswekencategorie behoort een lastenverzwaring betekent, maar gaat
ervan uit dat het hier voornamelijk een eenmalige inspanning betekent,
waarna het bestand jaarlijks "up to date" moet worden gebracht. Overigens
kan de grotere verantwoordelijkheid van de werkgever in de eerste
zes weken ertoe leiden dat werkgevers meer dan tot nu toe zullen
trachten hun kosten te verhalen op de werknemers die hun
verplichtingen uit arbeidsovereenkomst niet nakomen dan wel op de persoon of
partij die naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht.
In algemene zin wordt nog opgemerkt dat, ten gevolge van de zeswekenmaatregel, een verschuiving valt te verwachten van
beroepszaken, in
het kader van de ZW, bij de arrondissementsrechtbank naar
loonvorderingszaken bij de kantonrechter.
Het kabinet wijst er ten slotte
op dat, ten gevolge van het blokkeren van de herverzekering van het
bovenwettelijke traject bij de ziekengeldkassen, de taken van de
bedrijfsverenigingen voortvloeiende uit deze herverzekering komen te
vervallen.
Artikelsgewijze
toelichting
Artikel I [I]
(Ziektewet)
Onderdeel A
[A]
Tot de inwerkingtreding van de
wijziging van de ZW van 22 februari 1990 (Stb.
1990, 98) bepaalde
de ZW
in artikel
29, zevende lid, rblz.|49|
dat bij zwangerschap van een
verzekerde ziekengeld werd uitgekeerd "afgescheiden van de vraag of
ongeschiktheid tot werken bestaat". Daarmee werd de reikwijdte van
de ZW opgerekt tot buiten de in artikel 19 gestelde grens. Dat
artikel beperkt immers het recht op ziekengeld thans uitdrukkelijk
tot de verzekerden die als gevolg van ziekte ongeschikt zijn tot het
verrichten van hun arbeid. Dat onder ziekte, blijkens het tweede lid, mede
zwangerschap en bevalling, alsmede gebreken, worden verstaan, doet
aan deze beperking niet af. Bij dezelfde wetswijziging werd voor de
vrijwillig verzekerden uitdrukkelijk bepaald - in artikel
69, tweede lid - dat
het recht op ziekengeld in verband met bevalling niet afhankelijk is
van het bestaan van ongeschiktheid tot werken.
Uiteraard heeft het nimmer in de
bedoeling gelegen het recht op ziekengeld in verband met
bevalling te ontnemen aan verplicht verzekerde vrouwen die in de
relevante periode tijdelijk nog geschikt zijn tot het verrichten van hun arbeid.
Dat blijkt reeds uit het feit dat vóór het ontstaan van de aanspraak op
ziekengeld in verband met bevalling geen ziekmelding nodig is, doch
volstaan kan worden met het tonen van de verklaring van een geneeskundige
of verloskundige.
Wij achten het wenselijk om de
gedachte die ten grondslag lag aan de in 1990 ten onrechte vervallen
zinsnede weer in de wet op te nemen. Wetssystematisch is, naar het
ons voorkomt, artikel 19 de juiste plaats om dit te doen.
Artikel 19 vormt
ons inziens de kernbepaling van de wet. Daarin wordt het recht op
ziekengeld omschreven. Hoogte en duur van de onderscheiden aanspraken zijn
geregeld in artikel 29.
De aanleiding om thans met
dit
voorstel te komen, is het voornemen om de hoogte en duur van de
uitkering van ziekengeld in verband met bevalling in een nieuw artikel 29a
onder te brengen (zie de toelichting op onderdeel D
[D]). Het recht op
ziekengeld in verband met bevalling is een zelfstandig uitkeringsrecht,
waarvan het ontstaan niet afhankelijk is van het bestaan van ongeschiktheid
tot werken. De uitkering in verband met bevalling wordt desalniettemin
met de term "ziekengeld" aangeduid, omdat in de systematiek van de
ZW
behoefte bestaat aan een term waarmee alle uitkeringen op
basis van die wet worden aangeduid
In het voorgestelde derde lid,
dat identiek is aan het huidige tweede lid, worden zwangerschap en
bevalling, alsmede gebreken, onder het begrip ziekte uit het eerste lid
gebracht. Het is dus niet de bedoeling dat de vrouwelijke verzekerde die
zwanger is en tevens ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid, voor
de ZW niet meer als ziek wordt aangemerkt. Gedurende een korte
of langere periode rondom haar bevalling zal de vrouwelijke
verzekerde altijd ongeschikt zijn tot het verrichten van haar arbeid,
uitsluitend als gevolg van haar zwangerschap. Zij hoeft dan naar gangbaar
spraakgebruik niet ziek te zijn. Zo kan de aard van de verrichte arbeid
meebrengen dat de vrouwelijke verzekerde reeds vóórdat de bevalling
binnen zes weken is te verwachten, wegens haar zwangerschap ongeschikt is
tot het verrichten van die arbeid. Voor zover dat het geval is, heeft
zij recht op ziekengeld, zij het niet het verhoogde ziekengeld in verband
met bevalling. Voor haar blijven in principe alle bepalingen van de ZW gelden waarin wordt gesproken van "ziekte", tenzij
uitdrukkelijk anders wordt bepaald (men zie in dit verband de in de Wet
TAV opgenomen wijziging van artikel 44, eerste lid).
rblz.|50|
Onderdeel B
[B]
Op grond van
artikel 21 kan de WAO-uitkeringsgerechtigde die in
artikel 8a als werknemer in de
zin van de ZW is aangemerkt geen aanspraak maken op prestaties krachtens
die wet. Daarnaast voorziet dit
artikel onder meer in
uitsluiting van de mogelijkheid voor de categorie WAO-uitkeringsgerechtigden een
bovenwettelijke uitkering op grond van artikel 57 bij te verzekeren.
Als gevolg van het vervallen van artikel 57 kan de in
artikel 21 voorkomende
verwijzing naar dat artikel vervallen.
Onderdeel C
[C]
Zonder een wijziging van
artikel
28 zou de verplichting zich te onderwerpen aan een geneeskundig
onderzoek niet gelden voor de verzekerde die in verband met de
wachtperiode van zes weken, drie weken of twee dagen geen aanspraak kan maken
op ziekengeld. Het is echter de bedoeling, zoals in het algemeen deel
van de toelichting is uiteengezet, de mogelijkheden van de
bedrijfsvereniging om gedurende de wachtperiode de verzekerde aan controle
op het bestaan van ongeschiktheid tot werken te onderwerpen, voor een aantal situaties in stand te laten.
Daarom wordt voorgesteld de
verplichting van artikel 28 steeds te laten gelden als de verzekerde wegens
ziekte zijn arbeid niet kan verrichten, tenzij de werkgever een
deskundige dienst heeft ingeschakeld.
De verplichting tot het
ondergaan van medisch onderzoek moet gedurende de eerste zes of drie
weken, wanneer geen aanspraak bestaat op ziekengeld, gezien worden in
relatie tot de plicht tot loondoorbetaling van de werkgever. Van degene die
aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming tijdens ziekte
mag immers medewerking worden gevraagd aan een onderzoek, dat
zonder zo'n aanspraak zou moeten worden aangemerkt als aantasting
van de integriteit van het menselijk lichaam. Als echter een werkgever in wiens dienst een werknemer
is een deskundige dienst heeft
ingeschakeld, zal de bedrijfsvereniging de werknemer in die periode alleen
dan medisch kunnen laten onderzoeken als het gaat om de vaststelling
of zij bij de aanvang van de verzekering arbeidsongeschikt is (men zie
artikel 28, tweede lid, en het voorgestelde artikel 39a, eerste lid),
alsmede met het oog op de toepassing van artikel
44, eerste lid, onderdeel a, onder 2º.
Het niet nakomen van de genoemde
verplichting kan leiden tot gehele of gedeeltelijke weigering van
ziekengeld. Deze sanctie kan dus pas na de wachtperiode effectief
worden. De wet verzet zich er echter niet tegen dat de sanctie al eerder
wordt opgelegd, onder de opschortende voorwaarde dat de sanctie ten
uitvoer zal worden gelegd zodra betrokkene aanspraak op
ziekengeld krijgt (men zie artikel 44, eerste lid, aanhef en
onder e). Op die
manier is de bepaling ook gedurende de eerste zes (of drie) weken van
de ziekte handhaafbaar.
De wijziging van de eerste
volzin van het eerste lid sluit uit dat vrouwelijke verzekerden die aanspraak
maken op ziekengeld in verband met bevalling, terwijl zij geschikt
zijn tot het verrichten van hun arbeid, aan medisch onderzoek worden
onderworpen. Dat gevolg is beoogd. Recht op ziekengeld in verband met
bevalling ontstaat immers ongeacht het bestaan van ongeschiktheid tot
werken. Wanneer geneeskundig onderzoek van de verzekerde niet
van invloed kan zijn op de uitkering van ziekengeld of op loonbetaling,
dient het belang van de bescherming van de integriteit van het menselijk
lichaam te prevaleren. Zulk onderzoek dient dan achterwege te blijven.
rblz.|51|
In het nieuwe eerste lid zijn de
huidige eerste en tweede volzin van dat lid ineengeschoven. Als de
bedrijfsvereniging dit nodig oordeelt, kan de verzekerde opnieuw voor een geneeskundig onderzoek worden
opgeroepen.
Het vierde lid strekt
ertoe dat
de aan een geneeskundig onderzoek onderworpen verzekerde niet zelf
met de kosten wordt geconfronteerd. De kosten kunnen in de toekomst
op grond van het nieuwe artikel 39a soms door de bedrijfsvereniging
bij de werkgever in rekening worden gebracht. Aangezien uit de
huidige redactie van het vierde lid voortvloeit dat de kosten steeds ten laste
van de bedrijfsvereniging komen, is de formulering aangepast. Wel
blijft gelden dat de kosten worden vergoed door de bedrijfsvereniging die
aan de verzekerde een verplichting heeft opgelegd. Dat neemt niet weg dat
de kosten die voortvloeien uit de in artikel 39a, tweede en derde
lid, bedoelde gevallen ten laste kunnen worden gebracht van de
werkgever. Dit is niet anders in het geval van artikel
37, tweede lid, dat de
onkostenvergoeding regelt bij oproeping voor ondervraging.
Onderdeel D
[D]
Artikel 29
De opbouw van het nieuwe
artikel
29 is als volgt. Het eerste lid regelt de hoogte van de uitkering van
het ziekengeld. Het tweede lid stelt de hoofdregel vast voor de aanvang
van de uitkering (na het verstrijken van zes ziekteweken) en de
uitkeringssystematiek (over iedere dag van de ongeschiktheid tot werken). Het
derde en vierde lid geven enkele hulpregels weer die voor de
toepassing van het artikel onontbeerlijk zijn. Het vijfde tot en met achtste
lid geven de uitzonderingen op de hoofdregel uit het tweede lid, voor
zover deze de duur van de wachtperiode betreft. Het negende en tiende
lid betreffen het einde van de uitkering. Het elfde tot en met veertiende
lid ten slotte geven procedureregels met het oog op de toepassing van het
vijfde lid. Elk lid wordt hierna afzonderlijk besproken.
Het eerste lid is identiek aan
het huidige eerste lid.
Uit de formulering van het
tweede lid volgt dat de bepaling dat het ziekengeld wordt uitgekeerd over
iedere dag van de ongeschiktheid tot werken mede van toepassing is
in de uitzonderingssituaties die in het vijfde tot en met achtste lid
aan de orde komen. Dat geldt niet voor de eveneens in het tweede lid
opgenomen hoofdregel dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd over een
periode van zes weken, te rekenen vanaf de eerste ziektedag. Het begrip
"week" hoeft niet te worden omschreven, aangezien daaronder in overeenstemming met het spraakgebruik een
periode van zeven dagen wordt
verstaan. In totaal gaat het dus om een periode van 42 dagen.
Voor het in het tweede lid
gebruikte begrip "(eerste) dag van de ongeschiktheid tot werken" is
wel een wettelijke omschrijving nodig, mede met het oog op de hantering
van dat begrip in het vervolg van het artikel. Die omschrijving wordt
gegeven in het derde lid. Men is geneigd onder dagen van ongeschiktheid
tot werken wegens ziekte, dagen te verstaan waarop wegens ziekte
niet is gewerkt. Die dagen zou men kunnen aanduiden als "werkdagen", ter onderscheiding van dagen
waarop in geen geval zou zijn
gewerkt: te denken valt aan zon- en feestdagen, ATV-dagen, vakantie- en
verlofdagen en dergelijke. Werkdagen zijn in die opvatting dagen
waarop wordt gewerkt of zou zijn gewerkt als men niet ziek geweest was. Dagen
die vóór een ziekmelding tijdens rblz.|52|
vakantie als vakantiedag waren
aangemerkt, zouden dan echter strikt genomen niet als werkdag kunnen
worden beschouwd. Wellicht zou men werkdagen dan ook beter kunnen
definiëren als dagen waarover loon wordt uitbetaald of loon zou
zijn uitbetaald als men niet ziek geweest was. Het probleem bij die
variant is echter dat de plicht tot loonbetaling meestal niet in een tijdvak van
dagen, maar van weken of maanden wordt uitgedrukt. Een
omschrijving waarin elementen van beide definities van "werkdag" zijn opgenomen,
zou hier uitkomst kunnen bieden. Het resultaat zou een benadering
zijn waarin het aantal dagen waarover het ziekengeld wordt uitgekeerd
afhankelijk is van het aantal "werkdagen" waarop als gevolg van ziekte
niet is gewerkt.
Dit is echter niet de wijze
waarop in de huidige wet wordt bepaald welke dagen als uitkeringsdagen
gelden. Thans worden uitkeringen gedaan over "iedere dag dat de ongeschiktheid tot werken duurt, doch
niet over de zaterdagen en de
zondagen" (artikel 29, tweede lid). Op grond hiervan hanteren de
bedrijfsverenigingen een vijfdaags uitkeringssysteem, ook als de werkweek
meer of minder dan vijf dagen telt. Ook wanneer een werkweek wel vijf
dagen telt, kan het voorkomen dat op zaterdagen of zondagen wordt
gewerkt. In twee algemene maatregelen van bestuur worden, in afwijking
van de wet, afwijkende uitkeringssystemen toegestaan bij bijzondere
werktijdregelingen. In een groot aantal gevallen vallen de begrippen
"werkdag" en "uitkeringsdag" dus niet samen.
Handhaving van de bestaande
wettelijke vijfdagenregel met de uitzondering voor de weekeinden
zou in de nieuwe opzet van artikel 29 tot een zeer gecompliceerde uitkeringssystematiek verplichten. Het
resultaat zou bovendien ons
inziens nogal gekunsteld zijn, aangezien in steeds meer gevallen de
werktijden in werkelijkheid niet overeenkomen met het vijfdagenpatroon. Dat
neemt niet weg dat er uitvoeringstechnische redenen kunnen zijn om in
het algemeen van een vijfdaags uitkeringssysteem te blijven uitgaan.
Wij stellen daarom voor de
nadere regelgeving op dit punt aan de SVr over te laten. Daartoe hebben
wij het begrip "werkdag" in het derde lid opgenomen, waarvan de inhoud
door de SVr kan worden bepaald op een wijze die recht doet aan alle
verschillende werktijdregelingen die in de praktijk voorkomen. Het ligt in
de rede dat aldus verschillende "werkdagbesluiten" tot stand zullen
komen. Voor gevallen waarin geen werktijdregeling bestaat omdat de
verzekerde een werkloze werknemer is (artikel 7) of
artikel 46 (ziekengeld na
einde verzekering) van toepassing is, zal de SVr in ieder geval een
afzonderlijk besluit moeten treffen. De genoemde algemene maatregelen
van bestuur waarin van de
wet wordt afgeweken, vervallen.
De SVr stelt in zijn advies dat
in artikel 29 en 29a
(nieuw) ZW het vijfdaags uitkeringssysteem als
wettelijke hoofdregel wordt losgelaten. Gelet op de in artikel 15
ZW
neergelegde hoofdregel dat bij de dagloonvaststelling wordt uitgegaan van
het vijfdaags uitkeringssysteem, acht de SVr het niet raadzaam thans
ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de dagloonsystematiek.
Opgemerkt wordt dat de nieuwe
redactie van artikel 29 ZW handhaving van het vijfdaags
uitkeringssysteem niet uitsluit. Het staat de SVr dan ook vrij, met
gebruikmaking van zijn bevoegdheid in het tweede lid van genoemd artikel, het
vijfdaags uitkeringssysteem als hoofdregel te handhaven.
In dit verband merkt de SVr nog
op dat de mogelijkheid voor de bedrijfsvereniging om in geval
van een afwijkend uitkeringsysteem ook rblz.|53|
het maximumuitkeringsdagloon
daarop af te stemmen, komt te vervallen als gevolg van het schrappen van
artikel 87 ZW. De SVr is van mening dat nu een dergelijke
mogelijkheid na de wetswijziging ontbreekt, hierin alsnog dient te worden voorzien.
Ons inziens is een afzonderlijke voorziening in deze overbodig,
omdat artikel 9, negende lid, van de Coördinatiewet Sociale
Verzekering de mogelijkheid biedt een afwijkend maximumdagloon vast te stellen.
Voorts pleit de SVr ervoor om de
nadere regeling voor wat betreft de bepaling welke dagen bij
onderscheiden werktijdregelingen als werkdag worden aangemerkt, evenals thans
het geval is, in handen te laten van de bedrijfsverenigingen. Uit een
oogpunt van overzichtelijkheid acht het kabinet het raadzaam om de
uitvoering van deze bepaling in één hand te houden.
Werkdagen waarop wegens ziekte
het werken tijdens de werktijd is gestaakt, worden door ons in het
derde lid eveneens als dagen van ongeschiktheid tot werken
aangemerkt. Het huidige artikel 29 bepaalt reeds dat de eerste dag waarop
wegens ziekte het werken tijdens de werktijd is gestaakt
als eerste dag van de ongeschiktheid tot werken geldt (zie het huidige
vierde lid).
Het vierde
lid bevat een
samentellingsregel voor de wachtperiode. De huidige wet past dezelfde regel
toe op de maximaal twee wachtdagen die thans voorkomen. Onder
"één maand" wordt hetzelfde verstaan als onder de huidige wet. Dat wil
zeggen dat van herhaalde ongeschiktheid binnen één maand gesproken mag
worden indien de verzekerde bijvoorbeeld op de 25ste van een maand zijn werk hervat en hij op de
24ste van de
daaropvolgende maand opnieuw ziek wordt.
Het vijfde
lid vormt een
faciliteit voor kleine werkgevers. Door de mogelijkheid om het ziekengeld
op het te betalen loon in mindering te brengen (artikel
1638c, tweede
lid, BW), wordt bij een wachtperiode voor het ziekengeld van niet meer dan
drie weken per saldo voor hen de last van de loondoorbetaling
verlicht. Het begrip werkgever in de sociale verzekering heeft een betekenis
die is afgeleid van het begrip dienstbetrekking. In het vijfde lid
wordt dus strikt genomen niet gedoeld op de werkgever in de zin van het BW. Aangezien het zesde lid in het vijfde lid is
uitgezonderd, slaat het vijfde lid in de praktijk toch op werkgevers in de
civielrechtelijke zin. Het achtste lid behoeft niet expliciet te worden
uitgezonderd, aangezien bij werkloosheid van een dienstbetrekking geen sprake
meer is. Het zevende lid is in dit verband genoemd met het oog op de mogelijkheid dat de dienstbetrekking tijdens
de eerste drie ziekteweken
eindigt. Evenals in de Wet
TAV is gebeurd bij de mogelijkheid tot "pooling"
voor de premiedifferentiatie (wijziging van artikel 60
ZW), wordt aan
de hand van de gemiddelde loonsom per werkgever in een kalenderjaar
bepaald of een werkgever een kleine werkgever is.
Het zesde lid maakt op de
hoofdregel dat pas na zes ziekteweken ziekengeld wordt uitgekeerd een
uitzondering ten behoeve van werknemers met een
dienstbetrekking in de zin van de ZW die de bescherming van het BW ontberen. Aangezien op de in de artikelen 4 en
5
bedoelde arbeidsverhoudingen van personen die persoonlijk in aangenomen werk
arbeid verrichten, tussenpersonen, deelvissers, leerlingen en
stagiaires, bestuurders van coöperatieve verenigingen met
werknemerszelfbestuur, thuiswerkers, musici en andere zogenaamde "rariteiten" het BW
niet van toepassing is, rblz.|54|
en dus ook niet de
minimumbescherming op grond van artikel
1638c, zevende lid, van dat
wetboek,
zou een wachtperiode van zes weken hen onevenredig hard treffen. De
door de wetgever voor het werknemersrisico als norm gestelde periode
van twee wachtdagen wordt ook voor hen redelijk geacht. Hetzelfde
geldt voor degenen die op grond van artikel 46 na afloop van hun
verzekering nog enige tijd voor een uitkering in aanmerking kunnen komen.
Ten aanzien van degenen die in
de sociale werkvoorziening werkzaam zijn en van wie de
arbeidsverhouding op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel e, is
gelijkgesteld met
een dienstbetrekking in de zin van de ZW, is er echter geen
reden van de hoofdregel uit het tweede lid af te wijken. Hun
arbeidsvoorwaarden worden immers bij algemeen verbindend voorschrift
vastgesteld. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij hetgeen in de
particuliere sector gebruikelijk is. Op grond van de bestaande regelgeving geldt
voor hen geen wachtperiode.
Toepassing van
artikel 29 zou
ertoe leiden dat vrijwillig verzekerden (voor zover ze geen werkgever
hebben) niet in aanmerking komen voor loondoorbetaling en evenmin
recht hebben op ziekengeld.
De SVr merkt hieromtrent op dat
het toch niet de bedoeling kan zijn dat vrijwillig verzekerden (die
in het algemeen geen werkgever hebben) eerst een wachtperiode van zes weken moeten doormaken voordat ze in
aanmerking komen voor
ziekengeld. De SVr bepleit daarom het opnemen van een
uitzondering in artikel 29, zesde lid, ten behoeve van vrijwillig
verzekerden.
Het kabinet had al eerder
onderkend dat vrijwillig verzekerden tussen wal en schip kunnen vallen, maar
wilde in verband met de premiebetaling (vrijwillig verzekerden betalen dezelfde premie als verplicht verzekerden
en profiteren dus indirect van
de verlaagde premie, terwijl zij, als zij zouden worden uitgesloten van de
zeswekenmaatregel, wel over die periode ziekengeld zouden
ontvangen) voor de desbetreffende categorie geen uitzondering maken.
Inmiddels is echter in het
wetsvoorstel houdende wijziging van een aantal socialeverzekeringswetten inzake vrijwillige verzekering voor personen werkzaam in het
buitenland (Kamerstukken I 1991-1992, 22 349) een bepaling opgenomen
die ertoe strekt dat de SVr met betrekking tot
de verschuldigde premie voor de vrijwillige verzekering nadere
regels kan stellen die ook kunnen inhouden dat in bepaalde situaties (zoals
ten behoeve van de "eerste zes weken") een hogere premie moet worden betaald.
Het kabinet meent dat een
dergelijke regeling in voldoende mate aan de bezwaren met betrekking tot de
voorgestelde uitzondering voor de categorie vrijwillig verzekerden tegemoetkomt.
De desbetreffende bepaling is
derhalve, conform het advies van de SVr, aangepast.
Het kan voorkomen dat een
dienstbetrekking in de wachtperiode van zes weken is geëindigd zonder
dat de verzekerde op dat moment een werkloze werknemer is geworden.
Te denken valt aan het einde van een voor een bepaalde tijd aangegane
arbeidsovereenkomst, het ontslag in een proefperiode,
vrijwillig ontslag, ontslag op staande voet en de ontbinding van een
arbeidsovereenkomst door de rechter wegens gewichtige redenen. Voor
dit soort gevallen is het zevende lid bedoeld. Evenals bij de in het
zesde lid bedoelde situaties geldt in principe een werknemersrisico
van twee dagen. De bepaling is zó geformuleerd dat wanneer één of twee
wachtdagen zijn overeengekomen en gedurende de eerste twee
ziektedagen de dienstbetrekking nog bestaat, rblz.|55|
na het einde van de
dienstbetrekking niet opnieuw wachtdagen in aanmerking worden genomen.
Wanneer was overeengekomen dat geen wachtdagen zouden gelden en
gedurende de eerste twee ziektedagen de dienstbetrekking nog bestond,
worden na het einde van de dienstbetrekking niet alsnog wachtdagen
in aanmerking genomen. Wanneer de dienstbetrekking echter al op de
eerste of tweede ziektedag ophield te bestaan, wordt het ziekengeld
nooit vóór de derde ziektedag uitgekeerd.
Wanneer de dienstbetrekking is
geëindigd in de loop van de eerste drie ziekteweken, kan het zevende lid
zonder meer worden toegepast. Wanneer deze is geëindigd in de
loop van de vierde, vijfde of zesde ziekteweek, laten zich twee
situaties onderscheiden. In de eerste plaats is het mogelijk dat de
voormalige werkgever een grote werkgever was, zodat het vijfde lid op hem niet
van toepassing was. Ook dan kan het zevende lid zonder meer worden
toegepast. In de tweede plaats is het mogelijk dat op de werkgever het
vijfde lid wel van toepassing was. Dan is het zevende lid niet van
toepassing, aangezien het ziekengeld dan op grond van het vijfde lid al met
een eerdere ingangsdatum is toegekend. Vandaar het voorbehoud dat in
het zevende lid is gemaakt voor "een eerdere aanspraak op grond van
het vijfde lid".
De SVr onderkent in de in het
zevende lid van artikel 29 ZW opgenomen bepaling dat de
bedrijfsvereniging bij beëindiging van de dienstbetrekking in de periode
van zes c.q. drie weken alsnog ziekengeld dient te betalen een zekere
gebruikersruimte. Indien de werkgever bijvoorbeeld in plaats van het
loon over de volle zes c.q. drie weken een schadeloosstelling geeft voor
het niet in acht nemen van de opzegtermijn dan wel een andere betaling
verstrekt in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, kan deze naast het door de bedrijfsvereniging te
betalen ziekengeld onverkort
worden genoten. Hoewel een dergelijke constructie theoretisch denkbaar
en in de praktijk ook niet uitgesloten is, verwacht ik [lees: verwachten
wij, red.] niet dat hiervan in
betekenende mate gebruik zal worden gemaakt. Niettemin ben ik [lees: zijn
wij, red.] bereid
de door de SVr gesignaleerde gebruikersruimte te betrekken in de voorgenomen evaluatie van de toepassing
van de wettelijke bepalingen.
In het achtste
lid is voor
werkloze werknemers als enige groep een uitzondering gemaakt op de norm
dat de eerste twee ziektedagen voor risico van de werknemer komen.
Deze uitzondering wordt voornamelijk gerechtvaardigd door de
omstandigheid dat deze risicoverdeling voor hen niet kan worden beschouwd
als instrument ter bestrijding van lichtvaardig ziekteverzuim. Zij
hebben immers geen dienstbetrekking, ook al worden zij aangemerkt als
werknemer in de zin van de ZW. In tegenstelling tot de artikel-46-gevallen (recht op ziekengeld na einde
verzekering) worden werkloze
werknemers reeds beschermd tegen loonderving, namelijk op grond
van hun verzekering tegen werkloosheid. De Werkloosheidswet kent geen
wachtdagen, maar wel het vereiste van beschikbaarheid voor de
arbeidsmarkt om voor een uitkering in aanmerking te komen. De werkloze
kan niet beoordelen of de ziekte hem verhindert te werken, aangezien
hij ondanks zijn beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt van werk verstoken
is gebleven. Ook om uitvoeringstechnische redenen is het ongewenst
dat voor werkloze werknemers wachtdagen zouden gaan gelden, waar
zij thans op grond van besluiten van bedrijfsverenigingen (op basis
van het huidige derde lid van artikel 29) van de toepassing van wachtdagen
zijn uitgezonderd.
De SVr merkt in zijn advies
op
dat de bepaling dat geen wachtdagen in aanmerking worden genomen ten
aanzien van zieke werklozen (artikel 7 ZW), eveneens zou moeten gelden voor degene wiens aanspraak op
rblz.|56|
ziekengeld berust op artikel 46
ZW en die op de eerste ziektedag recht zou hebben gehad op een WW-uitkering, zo hij op die dag niet ongeschikt tot werken was
geweest. Naar aanleiding hiervan kan worden opgemerkt dat iemand wiens
eerste ziektedag samenvalt met het intreden van werkloosheid niet
als werkloos wordt beschouwd. Een dergelijk persoon is dan ook
niet op één lijn te stellen met een werkloze die al een WW-uitkering ontvangt
en vervolgens ziek wordt. Het ligt daarom in de rede ten aanzien
van zo iemand, evenals voor ieder ander wiens aanspraak op ziekengeld
berust op artikel 46 ZW, twee wachtdagen in aanmerking te nemen.
Het negende
lid komt letterlijk
overeen met de tweede volzin van het huidige tweede lid.
Ook de in het tiende
lid opgenomen periode van 52 weken is, inclusief de samentellingsregel, thans
reeds in artikel 29 opgenomen. Op de 52 weken moet voortaan echter de wachtperiode van maximaal zes weken
in mindering worden gebracht.
Dit sluit aan bij de Wet
TAV, waarin is voorgesteld de maximaal twee
wachtdagen die thans kunnen voorkomen, op de 52 weken in mindering te
brengen. Deze periode duidt dus niet meer de maximale uitkeringsduur
aan, maar de maximale periode van ongeschiktheid tot werken waarin
de ZW
van toepassing is. De
samentellingsregel kan tot verlenging leiden. Door niet langer te
spreken over samentelling van uitkeringsperioden wordt het huidige zesde
lid overbodig.
De in het vijfde lid opgenomen
faciliteit voor kleine werkgevers is alleen uitvoerbaar wanneer de
bedrijfsvereniging per kalenderjaar heeft bepaald wat de gemiddelde
loonsom per werknemer is. Daartoe verplicht het elfde lid. De
bedrijfsvereniging kan desgewenst voor de verschillende aangesloten groepen werkgevers
verschillende gemiddelden vaststellen.
De werkgever moet tijdig weten
of de faciliteit voor kleine werkgevers voor hem van toepassing is. Dat
is de reden waarom in het twaalfde lid expliciet is bepaald in welke
gevallen de bedrijfsvereniging hem een schriftelijke kennisgeving moet
sturen met de beslissing om de werkgever in de ene of de andere
categorie in te delen. Het zou onnodige administratieve
overlast veroorzaken als de bedrijfsvereniging elk jaar verplicht zou zijn alle
aangesloten werkgevers opnieuw te berichten. De zeer kleine en de
zeer grote werkgevers zullen immers als in hun situatie geen grote
wijzigingen zijn opgetreden, aan die informatie geen behoefte hebben. De
kennisgeving is vooral van belang voor de werkgevers met meer dan circa
vijf, doch minder dan circa 25 werknemers.
In onderdeel
a wordt een
schriftelijke kennisgeving voorgeschreven in de gevallen waarin voor het
eerst wordt beslist of het vijfde lid al dan niet van toepassing is, te weten
onmiddellijk na de inwerkingtreding van de wet voor elke werkgever en
vervolgens voor elke nieuwe werkgever. De bepaling is zó geredigeerd
dat een kennisgeving niet nodig is als het vijfde lid nooit van toepassing
kan zijn, omdat de duur van de wachtperiode voor de uitkering van het
ziekengeld wordt bepaald door het zesde lid. Wanneer de indeling in de
ene of de andere categorie verandert, is op grond van onderdeel b opnieuw
een schriftelijke kennisgeving nodig. Onderdeel c schrijft voor dat op
verzoek van de werkgever eveneens bericht wordt gestuurd. Dat is
vooral van belang in gevallen waarin de werkgever kan bewerkstelligen
dat voor hem een ander kalenderjaar als refertejaar wordt genomen dan in
het algemeen als uitgangspunt geldt (zie de toelichting bij het
veertiende lid).
rblz.|57|
In het dertiende lid wordt de
werkgever verplicht aan zijn werknemers mee te delen of, blijkens de van
de bedrijfsvereniging ontvangen kennisgeving, het vijfde lid al dan
niet op hem van toepassing is. Het gaat immers uiteindelijk om het recht
op ziekengeld van de verzekerde werknemer. De hoogte van diens
loon wordt mede bepaald door het ziekengeld dat daarop in
mindering mag worden gebracht. De werkgever kan aan zijn verplichting op
grond van het dertiende lid voldoen door de inhoud van de kennisgeving te vermelden op de
kaart die op grond van
artikel 63 van de OSV
op een vrij toegankelijke en door de werknemers
geregeld bezochte plaats moet zijn opgehangen.
Op grond van het veertiende
lid kan de SVr nadere regels stellen inzake het vijfde en elfde lid.
Het ligt voor de hand te veronderstellen dat er nadere regels komen
betreffende de begrippen "gemiddelde loonsom" en "een
kalenderjaar", die uiteraard, zoals de SVr opmerkt, doorwerken bij de toepassing van
het elfde lid. In het bijzonder bestaat behoefte aan nadere regelgeving
over de vraag welk kalenderjaar bij de toepassing van het vijfde lid
als uitgangspunt wordt genomen. Wij nemen aan dat dit in het
algemeen niet het onmiddellijk voorafgaande, maar het daarvóór gelegen
kalenderjaar zal zijn. In bijzondere gevallen zal het echter mogelijk moeten
zijn dat wel van het onmiddellijk voorafgaande jaar of zelfs van het
lopende kalenderjaar wordt uitgegaan. Wij denken aan startende bedrijven
en aan bedrijven die in het recente verleden zijn ingekrompen. In zulke gevallen zou aan de werkgever kunnen worden overgelaten aan te
tonen dat op hem het vijfde lid van toepassing dient te worden
verklaard. Op zijn verzoek om het vijfde lid toe te passen, dient uiteraard
een beslissing van de bedrijfsvereniging te volgen (zie het twaalfde lid,
onderdeel c).
Artikel 29a
In de nota naar aanleiding van
het eindverslag over het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de
wijziging van de ZW van 22 februari 1990 is aan de Tweede Kamer toegezegd,
in antwoord op een vraag van de D66-fractie, dat bij gelegenheid
een andere onderbrenging van de regeling van uitkering in
verband met de bevalling zou worden voorgesteld, in overeenstemming met
een eerder SVr-advies (Kamerstukken II 1989-1990, 21 106, nr. 8). Die
gelegenheid doet zich thans voor. De regeling is van artikel 29
overgebracht naar artikel 19, tweede lid, en het nieuwe
artikel 29a. Zonder
splitsing zou artikel 29 na de onderhavige wetswijziging meer dan 20 leden
tellen, hetgeen de leesbaarheid zeer zou bemoeilijken.
De wetswijziging van 1990
voorzag onder meer in de mogelijkheid tot flexibele opneming en in
verlenging van de periode van het recht op ziekengeld in verband met
bevalling. In de Wet
TAV worden enkele onnauwkeurigheden in de
formuleringen uit 1990 gecorrigeerd (zie de toelichting
op artikel I,
onderdeel D [I,D], van dat wetsvoorstel [lees: het wetsvoorstel
TAV, red.]).
De bepaling in het bestaande
artikel 29, tweede lid, dat het ziekengeld wordt uitgekeerd "over iedere
dag dat de ongeschiktheid tot werken duurt, doch niet over de
zaterdagen en de zondagen" heeft ook steeds gegolden wanneer aanspraak
bestaat op het ziekengeld in verband met bevalling. Aangezien in het
laatste geval, zoals eerder betoogd, geen sprake hoeft te zijn van
ongeschiktheid tot werken, zou echter kunnen worden gesteld dat de genoemde
bepaling in die situatie niet steeds geldt. Nu artikel 29 wordt
gesplitst, is van de gelegenheid gebruikgemaakt om in het tweede lid van
het nieuwe artikel 29a deze onduidelijkheid
rblz.|58|
op te heffen. Daarin is
aangesloten bij de nieuwe regeling uit artikel 29, waar het begrip
werkdag is ingevoerd. Wanneer ongeschiktheid tot werken wel
een voorwaarde is voor het recht op verhoogd ziekengeld, zoals in
artikel 29a, vierde en vijfde lid, geldt de regeling die is opgenomen in het
tweede en derde lid van het nieuwe artikel 29. Het ziekengeld wordt
dan uitgekeerd over iedere werkdag dat de ongeschiktheid tot werken
duurt.
In het tweede lid volgt uit de
bestaande tekst dat geen wachtperiode geldt voor het ingaan van de
uitkering van het ziekengeld in verband met bevalling.
De nieuwe bepaling in het vierde
lid komt materieel overeen met het huidige tiende lid van artikel
29. Wanneer de vrouwelijke verzekerde in de zesde of vijfde week vóór
de bevalling als gevolg van ziekte ongeschikt is tot het verrichten
van haar arbeid, heeft zij recht op verhoogd ziekengeld. Daarbij
geldt, zo volgt uit de tweede volzin, geen wachtperiode. Met het gebruik
van het woord "ziekte" wordt in het midden gelaten of de
ongeschiktheid het gevolg is van de zwangerschap of bijvoorbeeld van een griepje
(zie de toelichting op onderdeel A [A]
hierboven).
Aan het vijfde lid (het huidige
elfde lid) is een volzin toegevoegd opdat duidelijk is dat voor het
verhoogde ziekengeld tijdens de aansluitende ongeschiktheid tot werken
die door de bevalling is veroorzaakt, geen wachtperiode geldt. Wanneer
de periode waarin ziekengeld wordt genoten na de bevalling is
onderbroken, bestaat bij ongeschiktheid tot werken die haar oorzaak vindt in
de bevalling geen aanspraak op verhoogd ziekengeld. In dat
geval kan wel aanspraak op "gewoon" ziekengeld ontstaan op grond van
artikel 29. Onder "ziekte" wordt in artikel
29, derde lid, immers
mede bevalling verstaan.
Uit de vermelding van
artikel 29, tiende lid, in het zesde lid
volgt dat het verstrijken van de daar
bedoelde periode van 52 weken niet van invloed is op het ontstaan van
het recht op het verhoogde ziekengeld uit artikel 29a. Een daartoe
strekkende zinsnede is thans opgenomen in artikel
29, zevende en elfde
lid.
Wanneer de periode waarover op
grond van artikel 29a verhoogd ziekengeld is genoten, is
verstreken, is de uitkering van het "gewone" ziekengeld afhankelijk van de in
artikel 29 genoemde termijnen. Volgens het huidige vijfde lid van
artikel 29 is voor het bepalen van de maximale uitkeringsduur van 52 weken en
van de maximaal twee wachtdagen een samentellingsregel van
toepassing. Daar wordt gesproken over samentelling van perioden "waarover
ziekengeld wordt uitgekeerd", waarbij zowel aan het "gewone" als het
"verhoogde" ziekengeld gedacht moet worden. In het nieuwe artikel 29
worden in het vierde en tiende lid echter perioden "van ongeschiktheid
tot werken" samengeteld. Om te bereiken dat een periode van
ongeschiktheid tot werken die na een onderbreking van minder dan één maand is
voorafgegaan door een periode waarin ziekengeld in verband met bevalling is ontvangen, voor het bepalen van
de wachtperiode van maximaal zes
weken en van de periode van 52 weken met het genoten
bevallingsverlof kan worden samengeteld, is het zevende lid aan artikel 29a
toegevoegd.
Indien de periode van 52 weken
gelijk met het bevallingsverlof is begonnen, wordt gerekend vanaf
de dag met ingang waarvan het ziekengeld in verband met
bevalling is toegekend. Het is echter ook mogelijk dat een periode van
ziekte die vóór het bevallingsverlof is rblz.|59|
gelegen in de samentelling moet
worden betrokken. In dat geval moet, zo volgt uit het tiende lid van
artikel 29, vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken worden
gerekend. Het slot van het zevende lid van artikel 29a
drukt beide
mogelijkheden uit.
Artikel 29b
Het thans voorgestelde
artikel
29b, dat in de plaats komt van artikel 29a
ZW uit de Wet
TAV, strekt ertoe dat de
bedrijfsverenigingen het werkelijke risico overnemen
dat door de werkgever wordt gelopen als gevolg van het in dienst nemen
van een gedeeltelijk arbeidsongeschikte. Het verschil is dat het door de
werkgever werkelijk gelopen risico nu niet alleen meer gelegen is in de
sfeer van de bovenwettelijke uitkeringen, maar ook voortvloeit uit de
afwezigheid van de mogelijkheid om over de eerste zes (of drie) weken van ongeschiktheid tot werken ziekengeld op
het loon in mindering te
brengen.
Met het oog op deze uitbreiding
van het werkgeversrisico is in het tweede lid bepaald dat de
relevante bepalingen uit artikel 29 over de wachtperiode niet van toepassing
zijn. Wanneer er geen werkgever meer is, kan artikel 29b
niet worden
toegepast. Om die reden zijn het zevende en achtste lid van artikel 29
niet genoemd.
Gedurende drie jaar wordt het
risico van de wachtperiode na indiensttreding van de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte door de bedrijfsvereniging overgenomen. Indien de werkgever
echter één of twee wachtdagen is overeengekomen, zo volgt uit het
tweede lid, wordt over die dag(en) geen ziekengeld uitgekeerd. Die
dagen vormen dan immers geen risico voor de werkgever meer.
De gehoudenheid van de
bedrijfsvereniging tot ophoging van ziekengeld gaat niet verder dan
de contractuele verplichtingen van de werkgever jegens de werknemer.
Dit is tot uitdrukking gebracht in het slot van het eerste lid en in
het derde lid. Indien op de verhouding tussen werkgever en
werknemer het BW van toepassing is, dan betekent de
ophoging van het ziekengeld tot het dagloon dat de werkgever
feitelijk geen loon verschuldigd is. Hij mag dan immers op grond van artikel
1638c, tweede lid, van het BW
het verhoogde ziekengeld op het loon
in mindering brengen.
Ook als het
BW niet van
toepassing is, kan het ziekengeld niet meer bedragen dan het loon dat de
werkgever eventueel nog verschuldigd is. Onder "loon" wordt in dit
verband verstaan, zo volgt uit artikel 14, het loon in de zin van de
Coördinatiewet Sociale Verzekering (in beginsel: al hetgeen uit een dienstbetrekking
wordt genoten), dus niet het loonbegrip uit het BW. Als
tussen de werkgever en de werknemer geen arbeidsovereenkomst bestaat
in de zin van het BW, heeft de werknemer meestal bij ziekte geen recht op doorbetaling van loon. Het
door de werkgever verschuldigde
loon is dan dus, ongeacht de hoogte van het ziekengeld, gelijk aan
nul. Een aanspraak op niets is geen aanspraak. Uit de formulering
van het eerste lid volgt derhalve dat bij afwezigheid van elke aanspraak
op loon bij ziekte het slot van dat lid (vanaf de woorden "met dien
verstande dat") niet van toepassing is. Daarom is het derde lid
noodzakelijk. Het derde lid verhindert dus dat wanneer geen verplichting
bestaat tot loondoorbetaling aan een heringetreden arbeidsongeschikte bij
diens ziekte, toch verhoogd ziekengeld zou moeten worden uitgekeerd
In het derde lid, onderdeel
b,
worden WSW-werknemers uitgezonderd van de toepassing van artikel 29b
van de ZW.
rblz.|60|
Het is niet de bedoeling om
WSW-eenheden een vrijstelling te geven van de verplichting tot
loondoorbetaling tijdens ziekte. Het overnemen van de aanvulling op de ziekengelduitkering voor
[lees: door, red.] de ziekengeldkas kan
wel een stimulans zijn voor een
werkgever in het reguliere bedrijfsleven die een WSW-er in dienst wil
nemen.
Uit de
Wet
TAV volgt dat
artikel
29b drie jaar na de dag van inwerkingtreding van het overeenkomstige
onderdeel van de Wet
TAV komt te vervallen, tenzij bij algemene
maatregel van bestuur anders is bepaald.
Onderdeel E
[E]
De wijziging van
artikel 30 is
noodzakelijk om te vermijden dat dit artikel door de
bedrijfsvereniging kan worden gehanteerd om de uitkering van het ziekengeld
eerder te laten ingaan dan op grond van artikel 29 mogelijk is. Het
artikel maakt het mogelijk de hoogte van het ziekengeld aan te passen in
verband met de veronderstelde verdiensten uit passende arbeid. Het beoogt
niet de mogelijkheid te bieden om daarnaast de uitkeringsduur te
veranderen. Indien de werknemer in verband met het bepaalde in
artikel 29 (wachtperiode) nog geen aanspraak kan maken op
ziekengeld, mag artikel 30 niet door de bedrijfsvereniging gebruikt worden om
een verlaagd ziekengeld toe te kennen.
Onderdeel F
[F]
De verzekerde wordt in
artikel 31, eerste lid, verplicht neveninkomsten te melden, met het oog op de
toepassing van het tweede en vierde lid. Zolang de verzekerde geen aanspraak maakt op ziekengeld, heeft de
verplichting geen zin. Het
eerste lid is dienovereenkomstig aangepast. Aldus wordt tevens een
onhelderheid gecorrigeerd bij samenloop van looninkomsten met het recht op
ziekengeld in verband met bevalling. Uit de huidige redactie van het
eerste lid zou namelijk kunnen worden afgeleid dat de vrouwelijke verzekerde die in verband met haar bevalling
ziekengeld ontvangt geen
neveninkomsten hoeft te melden als zij tijdelijk nog geschikt is tot
het verrichten van haar arbeid. Dit is niet de bedoeling.
Het derde lid is aangepast met
het oog op de situatie dat de verzekerde in de wachtperiode van
maximaal zes weken inkomsten gaat verwerven. Die inkomsten zullen,
nadat aanspraak op ziekengeld is ontstaan, met het ziekengeld
gecompenseerd moeten worden.
Het tweede en vierde lid kunnen
slechts worden toegepast in geval van samenloop van loon en ziekengeld
(tweede lid) of van ouderdomspensioen en ziekengeld (vierde
lid). In de wachtperiode doet die samenloop zich niet voor. Aangezien uit de
huidige redactie van het vierde lid het tegendeel zou kunnen worden
afgeleid, is de redactie van het vierde lid in overeenstemming gebracht met
die van het tweede lid.
Onderdelen G
[G] en
H [H]
Deze onderdelen betreffen
vernummeringen in de artikelen over de overlijdensuitkering, die
noodzakelijk zijn als gevolg van de nieuwe formulering van artikel
29. Uit
de wijziging van artikel 36 vloeit voort dat recht op een
overlijdensuitkering bestaat, ook al valt het overlijden in de wachtperiode van zes of drie
weken. Thans geldt dit reeds voor overlijden tijdens de maximaal
twee wachtdagen. De toekenning van het ziekengeld wordt geacht op de
dag na het overlijden te hebben plaatsgevonden.
rblz.|61|
Onderdeel I
[I]
Wat hierboven bij
onderdeel C [C] is
opgemerkt over de verplichting zich te onderwerpen aan medisch onderzoek geldt mutatis mutandis eveneens voor de verplichting om
te verschijnen en inlichtingen te verstrekken. Zonder een
wijziging van artikel 37 zou deze verplichting niet gelden voor de verzekerde
die in verband met de wachtperiode van zes weken, drie weken of twee
dagen geen aanspraak kan maken op ziekengeld. Het is echter de
bedoeling, zoals in het algemeen deel van de toelichting is uiteengezet, de mogelijkheden van de bedrijfsvereniging
om gedurende de wachtperiode de
verzekerde aan controle op het bestaan van ongeschiktheid tot
werken te onderwerpen, voor een aantal situaties in stand te laten.
Daarom wordt voorgesteld de verplichting van artikel 37 steeds te laten
gelden als de verzekerde wegens ziekte zijn arbeid niet kan verrichten, tenzij een controle- en begeleidingsplan van
toepassing is.
De verplichting om te
verschijnen en inlichtingen te verstrekken, moet gedurende de eerste zes of drie
weken, wanneer geen aanspraak bestaat op ziekengeld, gezien worden in relatie tot de plicht tot loondoorbetaling
van de werkgever. Van degene die
aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming tijdens ziekte
mag immers medewerking worden gevraagd aan een ondervraging
die zonder zo'n aanspraak zou moeten worden aangemerkt als inbreuk op
de persoonlijke levenssfeer.
Het niet nakomen van de genoemde
verplichting kan leiden tot gehele of gedeeltelijke weigering van
ziekengeld. Deze sanctie kan dus pas na de wachtperiode effectief
worden. De wet verzet zich er echter niet tegen dat de sanctie al eerder
wordt opgelegd, onder de opschortende voorwaarde dat de sanctie ten
uitvoer zal worden gelegd zodra betrokkene aanspraak op
ziekengeld krijgt (men zie artikel 44, eerste lid, aanhef en
onder e). Op die
manier is de bepaling ook gedurende de eerste zes (of drie) weken van
de ziekte handhaafbaar.
De wijziging van het eerste lid
sluit uit dat vrouwelijke verzekerden die aanspraak maken op ziekengeld in
verband met bevalling terwijl zij geschikt zijn tot het verrichten
van hun arbeid, voor ondervraging worden opgeroepen. Dat gevolg is
beoogd. Recht op ziekengeld in verband met bevalling ontstaat immers
ongeacht het bestaan van ongeschiktheid tot werken. Wanneer ondervraging van
de verzekerde niet van invloed kan zijn op de uitkering van
ziekengeld of op loonbetaling, dient het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te prevaleren. Zo'n
ondervraging dient dan
achterwege te blijven.
Onderdeel J
[J]
Artikel 38
Het eerste en tweede lid zijn
een herschrijving van het bestaande artikel 38. Inhoudelijk zijn er
vrijwel geen verschillen. Wat nu in het tweede lid van artikel 38
geregeld is, zal een plaats moeten vinden in de reglementen van de
bedrijfsverenigingen. De bedrijfsvereniging kan voorschrijven wanneer de
ziekmelding van de werknemer binnen moet zijn, mits niet later dan op de
tweede dag van de ongeschiktheid tot werken in de zin van artikel
29,
derde lid. De huidige bepaling ("binnen 24 uur na het intreden der
ongeschiktheid") betekent strikt genomen dat bijvoorbeeld een ziekte die op
een vrije zaterdag is ontstaan op zondag zou moeten worden gemeld.
rblz.|62|
Waar gesproken wordt over "reglement", wordt gedoeld op het in
artikel 54 bedoelde
ziekengeldreglement. Het "met de uitvoering belaste orgaan" is de
bedrijfsvereniging of, indien een afdelingskas is ingesteld, die afdelingskas. Als een
afdelingskas is ingesteld, is daaraan namelijk als wettelijke taak onder meer
het toekennen van het ziekengeld opgedragen (artikel 19, eerste
lid, OSV). Het spreekt vanzelf dat dan ook
daar de aangifte of melding van de ziekte moet worden gedaan.
Dezelfde taak kan niet tegelijkertijd aan de bedrijfsvereniging en de
afdelingskas zijn opgedragen, zodat in dit verband de term
bedrijfsvereniging niet bruikbaar is.
In het tweede lid is aan de
werknemer een verplichting tot ziekmelding opgelegd. Het niet nakomen van
de genoemde verplichting kan leiden tot gehele of gedeeltelijke
weigering van ziekengeld. Evenals bij de verplichtingen op grond van de artikelen
28, 37 en 39 kan deze sanctie pas na de wachtperiode effectief
worden. De wet verzet zich er niet tegen dat de sanctie al eerder wordt
opgelegd, onder de opschortende voorwaarde dat deze ten uitvoer zal worden
gelegd zodra betrokkene aanspraak op ziekengeld krijgt (men zie artikel
44, eerste lid, aanhef en onder
f).
Op die manier is de bepaling ook
gedurende de eerste zes (of drie) weken van de ziekte
handhaafbaar.
Het vierde lid is nieuw. Het
bevat een administratieve sanctie voor de werkgever bij het achterwege
laten van een tijdige aangifte van het ziektegeval. Wat tijdig is,
volgt uit het derde lid. De maximale hoogte van de sanctie is afhankelijk
gemaakt van het belang dat de werkgever zou kunnen hebben bij het opgeven
van een te vroege datum als eerste dag van de ongeschiktheid tot
werken. De uitoefening van de sanctiebevoegdheid door de
bedrijfsvereniging kan, evenals bij de sanctie op het niet nakomen van de
overeenkomstige verplichting van de werknemer, aan nadere regels worden
onderworpen (vergelijk artikel 44, derde lid).
Artikel 39
Het eerste lid draagt aan de
bedrijfsvereniging de controle van zieke werknemers op, alsmede de taak
om bij gebleken arbeidsongeschiktheid van werknemers te beoordelen of de werkgever zijn taak met betrekking
tot verzuimbegeleiding op
adequate wijze uitoefent. Op grond van de OSV (het te wijzigen artikel
19) kan de bedrijfsvereniging een
afdelingskas met deze taken belasten. Onder "bedrijfsvereniging" kan in
dit verband dus mede een afdelingskas worden verstaan.
Het tweede lid komt inhoudelijk
overeen met het bestaande artikel 39. Het niet naleven van de bedoelde
controlevoorschriften kan leiden tot gehele of gedeeltelijke
weigering van ziekengeld. Evenals bij de verplichtingen op grond van de artikelen
28, 37 en 38 kan deze sanctie pas na de wachtperiode effectief
worden. De wet verzet zich er niet tegen dat de sanctie al eerder wordt
opgelegd, onder de opschortende voorwaarde dat deze ten uitvoer zal worden
gelegd zodra betrokkene aanspraak op ziekengeld krijgt (men zie
artikel 44, eerste lid, aanhef en onder g). Op die manier zijn de
controlevoorschriften ook gedurende de eerste zes (of drie) weken van de ziekte
handhaafbaar.
De in het derde lid aan de
bedrijfsvereniging gegeven bevoegdheid om haar controlebevindingen aan de
werkgever mee te delen, is van belang met het oog op de situatie dat
de werkgever bij ziekte tot betaling van loon verplicht is, ongeacht of
de wachtperiode van maximaal zes weken verstreken is. Als de werkgever
expliciet verzoekt om te berichten of een bepaalde werknemer naar weten
van de bedrijfsvereniging ziek is, moet rblz.|63|
volgens de tweede volzin aan dat
verzoek worden voldaan. Bewust is niet voorgesteld dat de bedrijfsvereniging in dat geval verplicht zou zijn al
haar controlebevindingen aan de
werkgever mee te delen, omdat zij dan mogelijk in conflict zou komen
met het vereiste respect voor de persoonlijke levenssfeer van de
werknemer. Te denken valt in dit verband aan medische gegevens. Voor zover
aanpassing van de werkplek van de werknemer met het oog op zijn
herstel wenselijk wordt geacht, kan een beperkte verstrekking van
medische gegevens overigens wel gerechtvaardigd zijn.
Artikel 39a
Dit artikel betreft de controle
gedurende de fase waarin in verband met de wachtperiode van zes of drie
weken geen ziekengeld wordt uitgekeerd. Het eerste lid betreft de verantwoordelijkheid van de werkgever
met betrekking tot de verzuimbegeleiding. De bedrijfsvereniging zal, als de werkgever een contract heeft
afgesloten met een arbodienst en dit ter kennisneming aan de
bedrijfsvereniging heeft gezonden, een aantal (controle)bepalingen uit de ZW
op een werknemer in de wachtperiode niet kunnen toepassen. Dit laat uiteraard onverlet dat de werkgever
(in de privaatrechtelijke zin) te allen tijde op grond van de arbeidsovereenkomst kan ageren tegen de
werknemer die zijn verplichtingen uit die overeenkomst niet nakomt. De
verplichting tot ziekmelding en aangifte van ziektegevallen bij de
bedrijfsvereniging of afdelingskas wordt evenmin opzijgezet. De
verschillende formuleringen "schriftelijke vastlegging" en "schriftelijke
overeenkomst" betreffen de zogenaamde interne en externe arbodiensten.
Indien er sprake is van een interne deskundige dienst, moet een
schriftelijke vastlegging van de taken die de interne dienst op het gebied van
controle en begeleiding verricht, worden opgesteld; bij een externe
dienst zal de werkgever een contract, dat wil zeggen een schriftelijke
overeenkomst, sluiten.
Het tweede lid betreft de
situatie dat de werkgever geen (afschrift van het) contract of de
schriftelijke vastlegging heeft ontvangen en er vermoedens bestaan dat de
controle niet goed wordt uitgevoerd. In die situatie kan de
bedrijfsvereniging controletaken uitvoeren.
Het kan zich ook voordoen dat in
geval van zieke werknemers die in het buitenland verblijven de
werkgever een beroep doet op de bedrijfsvereniging om (via
zusterorganisaties in het buitenland) controle (en begeleiding) te laten
verrichten. In het derde lid is de mogelijkheid daartoe opgenomen.
Het vierde lid betreft de
kostentoerekening aan de werkgever in verband met kosten die
voortvloeien uit de in het tweede en derde lid beschreven situaties.
Aanvankelijk was in het wetsvoorstel opgenomen dat de bedrijfsverenigingen de
kosten geheel of gedeeltelijk in rekening brengt bij de werkgever. De SVr
bepleit in zijn advies dat in beginsel alle door de bedrijfsvereniging
gemaakte kosten bij de werkgever in rekening moeten worden gebracht. Deze
wijziging is in de onderhavige tekst verwerkt.
Artikel
39b
Gelet op het belang van de
bedrijfsvereniging bij een adequate verzuimbegeleiding door de
werkgever met het oog op de periode na drie/zes weken, is de bevoegdheid
opgenomen dat de bedrijfsvereniging, indien de werkgever in gebreke is
gebleven, de ziekengelduitkering kan verhalen op de werkgever. Daar de
werkgever in de eerste zes weken ook voor de controle verantwoordelijk is, kan
de bedrijfsvereniging ook ziekengeld verhalen indien de werkgever in
dat opzicht in gebreke is gebleven.
rblz.|64|
Onderdeel K
[K]
De onder
1º voorgestelde
aanpassing van een verwijzing in onderdeel f vloeit voort uit de nieuwe
formulering van artikel 38. Overigens strekt de voorgestelde wijziging van dat
onderdeel tot het schrappen van de tweede en derde zin van
onderdeel f. De daarin opgenomen bepalingen zijn niet meer
hanteerbaar
wanneer na de ziekmelding een wachtperiode van maximaal zes weken moet
worden doorgemaakt alvorens ziekengeld wordt uitgekeerd.
De onder
2º voorgestelde
aanpassing van een verwijzing vloeit voort uit de nieuwe formulering van
artikel 39.
Onderdeel L
[L]
Dit onderdeel betreft een
aanpassing van de verwijzing naar de bepalingen van het huidige
artikel 29 die zijn opgenomen in het nieuwe artikel 29a.
Onderdeel M
[M]
Voor zover na de onderhavige
wetswijziging op basis van artikel 59 van de ZW
nog bovenwettelijke
uitkeringen mogelijk zijn, ligt de volle verantwoordelijkheid bij de bedrijfsverenigingen. Ministeriële
goedkeuring zal niet langer zijn
vereist. In die situatie willen wij uitvoering geven aan het eerdere
voornemen om de garantstelling vanwege het Rijk voor deze
uitkeringen te laten vervallen. Dat geldt ook voor de aansprakelijkheid voor
de bijdragen die op basis van het huidige artikel
87, tweede lid, worden
verstrekt aan sociale fondsen, aangezien het nieuwe artikel 59 die
verstrekking niet langer wettelijk voorschrijft.
Onderdeel N
[N]
Zoals in het
algemeen deel is
opgemerkt, is het kabinet van oordeel dat geen enkele herverzekering meer
via de ziekengeldkassen mag lopen, noch collectief, noch
individueel.
De meeste bedrijfsverenigingen
kennen momenteel de mogelijkheid van individuele herverzekering
met een kostendekkende premie. In het ziekengeldreglement van de desbetreffende bedrijfsverenigingen is
daartoe een bepaling opgenomen.
Om te bewerkstelligen dat ook de herverzekering via de
ziekengeldkas, geregeld middels een bepaling in de ziekengeldreglementen, niet
langer mogelijk is, wordt voorgesteld een derde lid aan artikel
54,
handelende over het ziekengeldreglement, toe te voegen.
Onderdeel O
[O]
De redenen voor het vervallen
van artikel 57 zijn in het algemeen deel
van de toelichting uiteengezet.
Onderdeel P
[P]
Artikel 59 is opgebouwd uit
elementen afkomstig uit de bestaande artikelen 57 en
87, tweede lid.
Artikel 57 verschaft een basis voor het doen van bovenwettelijke
uitkeringen uit de ziekengeldkassen van de bedrijfsverenigingen, artikel
87, tweede lid, voor het uitbreiden, bij algemene maatregel van
bestuur,
van de reikwijdte van de ZW
tot niet in rblz.|65|
de wet geregelde verstrekkingen.
Artikel 57 onderscheidt drie soorten bovenwettelijke uitkeringen,
namelijk hogere, in duur langere en andere uitkeringen. Het gaat in dit
verband om de "andere uitkeringen" en "andere verstrekkingen" dan
wettelijk ziekengeld. Daaronder vallen thans bijvoorbeeld de vakantiebonnen
en kosten van vervoer van een stoffelijk overschot. Wij willen de
mogelijkheid laten bestaan om dit soort uitkeringen en verstrekkingen te
verrichten met een financiering uit premies die voor de uitvoering van de ZW worden geheven. Daartoe dient artikel
59.
Bij de voorbereiding van het
wetsvoorstel TAV is aanvankelijk overwogen de
verantwoordelijkheid voor het op artikel 57 gebaseerde bovenwettelijke deel en van de
ziekengelduitkeringen en voor de thans in een algemene maatregel van
bestuur aangeduide verstrekkingen geheel aan de bedrijfsverenigingen over
te laten. Nu de regering echter de herverzekering via de ZW
van de uitkeringen die hoger zijn en van langere duur dan het wettelijk
ziekengeld niet langer wil toestaan, moet voor de "andere uitkeringen en
verstrekkingen" een andere oplossing worden gezocht. Zou artikel 57
namelijk gedeeltelijk in stand blijven, dan zouden mogelijk in de toekomst
onder "andere uitkeringen" ook hogere uitkeringen of uitkeringen
gedurende de eerste zes weken ziekte kunnen worden begrepen, zonder dat
daartoe expliciet de bevoegdheid is verleend. Dat is niet de bedoeling.
Wij stellen daarom voor dat de
regering in de toekomst per categorie gevallen, door middel van een
algemene maatregel van bestuur, kan bepalen of de bedrijfsvereniging
bevoegd dient te zijn "andere uitkeringen" te doen. De uitwerking
kan dan aan de bedrijfsverenigingen worden overgelaten. Voor de
"andere verstrekkingen" is bij deze constructie aangesloten.
Wijziging van het huidige tweede lid van artikel 87 is wenselijk met het oog op
de met de Wet
TAV in gang gezette herverdeling van
rijksbevoegdheden ten gunste van de uitvoeringsorganisatie. De formulering van dat
lid sluit thans delegatie aan de bedrijfsverenigingen uit. Nu in de nieuwe
formulering uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geopend dat aan de
bedrijfsverenigingen een bevoegdheid wordt verleend, ligt het voor de hand
de bepaling over te brengen naar het hoofdstuk dat de
bedrijfsverenigingen betreft.
De in het huidige tweede lid van
artikel 57 en de tweede volzin van het tweede lid van artikel 87
genoemde onderwerpen kunnen eveneens in de voorziene algemene maatregel van bestuur worden geregeld, zodat die
bepalingen overbodig worden.
Onderdeel Q
[Q]
De minister kan de
werkgever
"in bijzondere gevallen" toestaan op het loon van de werknemer meer dan
1% in te houden. Met bijzondere gevallen wordt gedoeld op de in
de meeste bedrijfstakken geldende vermindering van het wettelijk
aantal wachtdagen of verhoging van het wettelijk ziekengeld. Met het
laten vervallen van de desbetreffende bevoegdheden van de
bedrijfsverenigingen kan ook het (naar aanleiding van de in de Wet
TAV opgenomen
premiedifferentiatie) tot zesde lid vernummerde derde lid van
artikel 60 vervallen.
Onderdeel R
[T]
In artikel 69 komt thans een
verwijzing voor naar de bepalingen van het huidige artikel 29
die zijn
opgenomen in het nieuwe artikel 29a. Die verwijzing kan
vervallen wanneer
de zinsnede "in verband met haar rblz.|66|
bevalling" wordt toegevoegd. De
corresponderende artikelen 19 en 69 krijgen in
ons voorstel dezelfde
opzet. Dat voor hoogte en duur van de uitkering van het ziekengeld in
verband met bevalling van de vrouwelijke vrijwillig verzekerde artikel 29a
van overeenkomstige toepassing is, volgt reeds uit artikel
72.
Onderdeel S
[W]
Van de mogelijkheid die
artikel 87, eerste lid, biedt om van de wet af te wijken, wordt thans slechts
gebruik gemaakt om bij van het gangbare patroon afwijkende werktijdregelingen dienovereenkomstig ziekengeld te
kunnen uitkeren. De regeling van
deze materie is in het nieuwe artikel 29, derde lid, tweede volzin,
opgedragen aan de SVr. De desbetreffende algemene maatregelen van bestuur
kunnen dus vervallen. De ongeclausuleerde mogelijkheid die het
eerste lid van artikel 87 biedt om zelfs bij ministeriële regeling van de
wet af te wijken, is naar huidig inzicht niet wenselijk.
Voor de redenen om ook het
tweede lid van artikel 87 te laten vervallen, zij verwezen naar de
toelichting op artikel 59, in onderdeel P [P]
hierboven.
Onderdeel T
[X]
Dit onderdeel betreft een
aanpassing van de verwijzing in artikel 89 aan de nieuwe formulering van
artikel 29.
Artikel II [II]
(Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering)
Onderdeel A
[A]
In het tweede lid van
artikel 1
van de WAO is thans bepaald dat voor de toepassing van het bij of
krachtens die wet bepaalde onder ziekengeld niet wordt verstaan een
uitkering op grond van artikel 57, eerste lid,
ZW.
Als gevolg van het vervallen van
artikel 57 ZW bestaat aan het bepaalde in het tweede lid van
artikel 1 WAO geen behoefte meer.
Onderdeel B
[B]
Op grond van het tweede lid van
artikel 7a WAO wordt een uitkering op grond van
artikel 57, eerste
lid, ZW, in afwijking van artikel
1, tweede lid, van die wet, als ziekengeld
beschouwd. Daardoor wordt ook degene die bovenwettelijk ziekengeld ontvangt, als werknemer in de zin van de WAO beschouwd en is
premieheffing op grond van de WAO mogelijk geworden over bovenwettelijk
ziekengeld.
Als gevolg van het vervallen van
artikel 57 ZW dient het bepaalde in het tweede lid van
artikel 7a WAO te vervallen.
Onderdeel C
[C]
De wijziging van
artikel 10,
tweede lid, WAO vloeit voort uit het vervallen van het tweede lid van
artikel 7a WAO.
Onderdeel
D [D]
De wijziging van
artikel 19,
zesde lid, WAO betreft vernummeringen die noodzakelijk zijn als gevolg
van de nieuwe formulering van artikel 29 ZW.
rblz.|67|
Onderdeel E
[E]
De wijziging van
artikel 37,
derde lid, onderdeel b, WAO vloeit voort uit het vervallen van het tweede
lid van artikel 7a WAO.
Onderdeel F
[F]
De wijziging van
artikel 40,
eerste lid, WAO betreft een vernummering die noodzakelijk is als gevolg
van de nieuwe formulering van artikel 29 ZW.
Onderdeel G
[G]
Voor de toepassing van de
terugvorderings- en verrekeningsbepaling, neergelegd in artikel 57
WAO,
wordt een uitkering op grond van artikel 57, eerste lid,
ZW, in afwijking
van artikel 1, tweede lid, van die
wet, als ziekengeld beschouwd, dit om
terugvordering of verrekening daarvan met andere uitkeringen mogelijk
te maken.
Als gevolg van het vervallen van
artikel 57 ZW dient de bepaling in artikel 57
WAO dat onder
ziekengeld mede wordt verstaan een uitkering op grond van artikel
57, eerste
lid, ZW te vervallen.
Artikel III [III]
(Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet)
Onderdeel A
[A]
In het tweede lid van artikel 1
van de AAW
is thans bepaald dat voor de toepassing van het bij of
krachtens die
wet bepaalde onder ziekengeld niet wordt verstaan een
uitkering op grond van artikel 57, eerste lid,
ZW.
Dit lid is nodig om te voorkomen
dat het ontvangen van ZW-uitkeringen over een langere duur dan
de maximumuitkeringstermijn van een jaar, bijvoorbeeld een
aanvulling op een WAO-uitkering, een beletsel vormt voor toekenning van een AAW-uitkering. Artikel 7
AAW verhindert namelijk toekenning van
AAW-uitkering zolang de verzekerde aanspraak heeft op ziekengeld. Door de
bepaling in het tweede lid dat onder ziekengeld niet wordt verstaan
een uitkering op grond van artikel 57 ZW is dit beletsel opgeheven.
Als gevolg van het vervallen van
artikel 57 ZW bestaat aan het bepaalde in het tweede lid van
artikel 1 AAW
geen behoefte meer.
Onderdeel B
[B]
De wijziging van artikel 6,
achtste lid, AAW
betreft vernummeringen die noodzakelijk zijn als gevolg
van de nieuwe formulering van artikel 29 ZW.
Onderdeel C
[C]
Voor de toepassing van de
terugvorderings- en verrekeningsbepaling, neergelegd in artikel 48 AAW,
wordt een uitkering op grond van artikel 57, eerste lid,
ZW, in afwijking
van artikel 1, tweede lid, van die
wet, als ziekengeld beschouwd, dit om
terugvordering of verrekening daarvan met andere uitkeringen mogelijk
te maken. Als gevolg van het vervallen van artikel 57
ZW dient de
bepaling in artikel 48 AAW
dat onder ziekengeld mede wordt verstaan
een uitkering op grond van artikel 57, eerste lid,
ZW te vervallen.
rblz.|68|
Artikel IV [IV]
(Werkloosheidswet)
Op grond van
artikel 42, vierde
lid, van de Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93), zoals dat lid luidt
sinds de daarin bij de Wet van 26 juni 1991, Stb. 1991, 338 (herziening arbeidsverledeneis) aangebrachte wijzigingen,
worden voor de vaststelling van
het arbeidsverleden onder meer dagen waarover een persoon na
eindiging van zijn dienstbetrekking ziekengeld ontvangt over de maximale duur
als bedoeld in artikel 29, tweede lid, ZW, gelijkgesteld met dagen
waarover loon is ontvangen.
In verband met de nieuwe
formulering van artikel 29 ZW, waarbij de bepaling inzake de in het tweede
lid genoemde maximale uitkeringsduur is overgebracht naar het tiende
lid, zou een wijziging van deze bepaling nodig zijn.
Bij nader inzien is
gebleken
dat sinds genoemde wetswijziging van 26 juni 1991 aan dit onderdeel geen
behoefte meer bestaat.
Op grond van het tweede lid van
artikel 42 WW kan de uitkeringsduur van een
halfjaar met een
bepaalde periode worden verlengd indien de werknemer aantoont in de periode
van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan het jaar waarin zijn
werkloosheid is ingetreden, in ten minste drie kalenderjaren over 52 of
meer dagen per jaar loon te hebben ontvangen. Aangezien de
werknemer die ziekengeld ontvangt op grond van artikel 3a, tweede lid, van
de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV; Stb. 1987, 552) geacht
wordt in dienstbetrekking te staan tot het uitvoeringsorgaan dat die
uitkering verstrekt en al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten
loon is ingevolge artikel 4 van die
wet, hoeft een periode waarin
uitkering op grond van de ZW wordt genoten niet meer met dagen waarover
loon is ontvangen te worden gelijkgesteld.
Omdat uitkeringen die naar aard
en strekking overeenkomen met ziekengeld hetzij op grond van
de bepalingen van de CSV zelf reeds loon zijn, hetzij loon in de zin van
het tweede lid van artikel 42 zijn doordat op grond van artikel
42, negende
lid, van de WW een persoon aan wie door het Rijk ter zake van zijn
arbeidsverhouding invaliditeitspensioen is verzekerd, geacht wordt als
werknemer in een dienstbetrekking in de zin van de WW te staan, kan
onderdeel e van het vierde lid voor zover dat betrekking heeft op
uitkeringen
die naar aard en strekking overeenkomen met ziekengeld vervallen.
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om ter wille van de overzichtelijkheid de inhoud van onderdeel
e voor zover dat betrekking heeft op uitkeringen die naar aard en
strekking overeenkomen met een uitkering als bedoeld in onderdeel a van
het vierde lid, naar dat onderdeel over te brengen.
Artikel V [V]
(Toeslagenwet)
De ratio van
artikel 4 (oud en
nieuw) van de TW is dat het in het algemeen niet nodig is dat
tijdens de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken wegens ziekte recht op een toeslag bestaat.
Het zevende lid van artikel
1638c van het BW heeft, zo is de gedachte, voor de eerste zes
weken van ziekte de functie van bescherming op het
minimumniveau, die overigens door de TW
wordt vervuld. Het tweede
lid geeft de minister de bevoegdheid om afwijkende regels te stellen.
Die bevoegdheid is gegeven met het oog op de bescherming van degenen
die geen arbeidsovereenkomst in de zin van het BW
hebben. De op basis
hiervan getroffen ministeriële regeling van 23 december 1986 bepaalt dan
ook dat het eerste lid van artikel 4 rblz.|69|
niet van toepassing is ten
aanzien van de persoon die niet - via een arbeidsovereenkomst - een aanspraak kan ontlenen aan artikel
1638c van het BW. Die algemeen
geformuleerde uitzondering is tot stand gekomen nadat de SVr had
geadviseerd af te zien van het streven een limitatieve opsomming te
verstrekken van situaties waarin de minimumbescherming van artikel
1638c BW ontbreekt, aangezien anders het gevaar van onvolledigheid zou bestaan.
Met de in
artikel I [I]
voorgestelde
wijzigingen van de ZW kan hetzelfde resultaat langs een
meer directe weg worden bereikt. Wanneer geen aanspraak bestaat op een loondervingsuitkering, bestaat immers
ook geen recht op toeslag. In
het nieuwe tweede lid van artikel 29 van de ZW
is als hoofdregel geformuleerd dat over de eerste zes weken ziekte geen ziekengeld wordt
uitgekeerd. Het eerste lid van artikel 4 van de
TW wordt daardoor
overbodig voor degenen die een wachtperiode van zes weken moeten doormaken alvorens het ziekengeld wordt uitgekeerd.
De aanspraak op ziekengeld
ontstaat op een eerder tijdstip dan na het verstrijken van zes ziekteweken
wanneer één van de situaties van toepassing is die zijn
omschreven in artikel 29, vijfde tot en met achtste lid, van de
ZW. De
gevallen die zijn bedoeld in het zesde, zevende en achtste lid corresponderen
met de genoemde afwijkende bepaling uit de ministeriële regeling op
basis van de TW. Zij vormen de neerslag van het streven een
limitatieve opsomming te geven van situaties waarin rechtop
ziekengeld bestaat zonder dat het BW
van toepassing is. In zo'n situatie
kan met de uitkering van het ziekengeld niet worden gewacht totdat zes
ziekteweken zijn verstreken. Wanneer in de TW de regel kan
vervallen dat pas na zes weken ziekte recht op een toeslag ontstaat,
vervalt dus ook de noodzaak tot afwijking bij ministeriële regeling.
De noodzaak tot handhaving van
artikel 4 is er alleen ingeval artikel 29, vijfde lid, van toepassing
is. Met het nieuwe artikel 4 wordt vermeden dat voor de werknemer van
wie het ziekengeld na drie weken ziekte wordt uitgekeerd,
gedurende de vierde, vijfde en zesde week van de ongeschiktheid tot werken
wegens ziekte een dubbele minimumbescherming zou ontstaan, namelijk
via de TW en via een arbeidsovereenkomst waarvan de
inhoud mede is bepaald door artikel
1638c, zevende lid, van het BW.
Artikel VI [VI]
(Ziekenfondswet)
In artikel 3
Ziekenfondswet
(Zfw; Stb. 1986, 347) is de kring van verzekerden voor die wet
geregeld. Eén van de voorwaarden voor de verzekering is dat het loon
verdiend in één of meer dienstbetrekkingen niet meer bedraagt dan het in
artikel 3 genoemde bedrag, herzien overeenkomstig artikel 3a
van
die wet. In dat kader wordt ingevolge het vierde lid onder loon onder meer
verstaan een uitkering op grond van de verplichte verzekering ingevolge
de ZW dan wel artikel 57 van
die wet.
Artikel VII [VII]
(Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen)
Artikel
3, eerste lid, van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen (Wamil; Stb. 1972,
313) verleent aan de belanghebbende in de zin van die wet die op de dag waarop zijn verblijf in werkelijke dienst
eindigt arbeidsongeschikt is of
binnen één maand na die dag arbeidsongeschikt wordt, met betrekking
tot zijn arbeidsongeschiktheid recht op dezelfde ziekengelduitkering als
die waarop krachtens de ZW - zonder toepassing van
artikel 57 ZW -
aanspraak zou bestaan.
rblz.|70|
Als gevolg van het vervallen van
artikel 57 ZW heeft de verwijzing in artikel 3 van
de wet naar dat
artikel zijn betekenis verloren.
In dit verband willen wij er nog
op wijzen dat bepalingen als in het onderhavige wetsvoorstel die
voorzien in een eigen risico van zes weken voor rekening van de werkgever
en het niet uitkeren van ziekengeld over de eerste zes weken van de
ongeschiktheid tot werken, gelet op het feit dat de kosten van de Wamil reeds
voor rekening van het Rijk komen, niet meer in de Wamil
geïntroduceerd hoeven te worden. Aangezien in artikel 4 van de
Wamil
uitdrukkelijk is bepaald dat de ziekengelduitkering ingaat op de dag waarop
de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, heeft het verlenen van
recht op dezelfde ziekengelduitkering als die waarop krachtens de ZW aanspraak zou bestaan als de belanghebbende voor
die wet verzekerd
zou zijn geweest, niet tot gevolg dat de belanghebbende die aanspraak
maakt op een ziekengelduitkering op grond van artikel 3
Wamil, over
de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot werken geen
recht op uitkering zou hebben.
Artikel VIII [VIII]
(Organisatiewet
Sociale Verzekering)
Onderdeel A
[B]
Artikel 19, eerste lid, van de
OSV noemt "controle op het bestaan van
ongeschiktheid tot werken" als één van de taken die zijn opgedragen aan
het bestuur van een afdelingskas. In het nieuwe artikel
39, eerste lid,
van de ZW zijn controleverrichtingen echter als taken aan de
bedrijfsvereniging opgedragen. Aangezien dezelfde taken tot verschillende
adressanten zijn gericht, is gekozen voor een wijziging van de OSV. Met deze wijziging wordt beoogd dat de afdelingskas bij controle
in de plaats kan treden van de bedrijfsvereniging, voor zover de
afdelingskas door de bedrijfsvereniging met de uitvoering van die wettelijk aan
haar opgedragen taken is belast.
Onderdelen B
[C] en
C [D]
Het spreekt vanzelf dat, hoewel
werkgevers/arbodienst en de bedrijfsvereniging twee instanties zijn
die elk vanuit een eigen verantwoordelijkheid handelen, beide ook
moeten zorgen voor een goede onderlinge samenwerking en afstemming van
hun werkzaamheden.
Om die reden is dan ook
voorgeschreven dat arbodiensten en bedrijfsverenigingen verplicht zijn tot
het verstrekken van relevante gegevens aan elkaar.
De artikelen
50m en 50e zijn in
die zin aangevuld. Werkgevers zijn al ingevolge artikel 50a van de OSV
verplicht alle (relevante) inlichtingen te verstrekken aan uitvoeringsinstanties.
Uit privacyoverwegingen is
ervoor gekozen om gegevensverstrekking van bedrijfsverenigingen aan
arbodiensten alleen mogelijk te maken indien degenen op wie de
gegevens betrekking hebben de uitvoeringsinstellingen schriftelijk meedelen
dat zij tegen de gegevensverstrekking geen bezwaar hebben.
Artikel IX [IX]
(Coördinatiewet
Sociale Verzekering)
Op grond van
artikel
3a, tweede
lid, van de CSV wordt de werknemer die een uitkering ontvangt op
grond van de verplichte verzekering dan wel artikel 57
ZW geacht tijdens de duur van die uitkering in dienstbetrekking
te staan tot het
uitvoeringsorgaan dat die uitkering verstrekt.
Als gevolg van het vervallen van
artikel 57 ZW dient de in het tweede lid van
artikel 3a voorkomende
verwijzing naar dat artikel te vervallen.
rblz.|71|
Artikel X [X]
(Wet financiering volksverzekeringen)
De wijziging betreft slechts een
technische correctie.
Artikel XI
[-] (Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume)
Onderdelen
A [-] en
B
[-]
De uitbreiding van de in
artikel 73a genoemde categorie beslissingen met de in
artikel 29, twaalfde
lid, en artikel 60, derde lid, derde volzin, bedoelde beslissingen
betekent
dat de beslissingen tot indeling of herindeling van werkgevers in de zes-
of in de driewekencategorie, met betrekking tot de
premiedifferentiatie voor beroep vatbaar worden. Zonder deze uitdrukkelijke
vermelding zou verschil van mening kunnen ontstaan over de vraag of het
gaat om beslissingen als bedoeld in artikel 73, met als mogelijk gevolg een onduidelijke competentieverdeling
tussen de in de ZW
aangewezen rechter en de civiele rechter. Die situatie willen wij zoveel
mogelijk voorkomen.
In de artikelen waarin de juist
genoemde beslissingen voorkomen, is tevens voorgeschreven dat van
die beslissingen aan de primair belanghebbende spontaan (dus niet: desverlangd) kennis moet worden
gegeven, en wel schriftelijk.
Zo'n kennisgeving is noodzakelijk voor een correcte verrekening van
ziekengeld met het loon en voor een juist inzicht bij direct betrokkenen
in de taken en bevoegdheden die de bedrijfsvereniging bij hen mag
uitoefenen. Die rechtsgevolgen zijn van zodanig groot gewicht dat de kennisgeving naar ons oordeel schriftelijk
zal moeten zijn.
De spontane schriftelijke
kennisgeving is thans reeds voorgeschreven voor de beslissingen, bedoeld in
artikel 73, tweede lid (hoofdelijke aansprakelijkstelling voor de
premie). In de Wet
TAV is dezelfde constructie voorgesteld voor het
beroepsrecht van de werkgever tegen de vaststelling van de
gedifferentieerde premie. Een nadeel van de spontane schriftelijke
kennisgeving zou kunnen zijn dat in het systeem van de ZW in dat geval
geen heroverweging is voorzien door de instantie die de beslissing
heeft genomen. Daar staat tegenover de extra prikkel tot zorgvuldigheid die
kan uitgaan van het voor beroep vatbare karakter van de te nemen
beslissingen.
Binnen afzienbare tijd zal de
bezwaarschriftprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht voorzien in
het mogelijke gemis van een heroverwegingsmoment vóór het beroep op
de rechter. De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 73 en
73a zijn tijdelijk, in afwachting van de aanpassing van de
beroepsbepalingen in de wetten op het terrein van de sociale zekerheid aan de
Algemene wet bestuursrecht.
De categorie beslissingen
waarvan op grond van artikel 73 desverlangd een schriftelijke
kennisgeving moet worden verstrekt, is uitgebreid met de beslissing tot het
opleggen van een administratieve sanctie aan de werkgever, op grond van
artikel 38, vierde lid (te laat aangeven van een ziektegeval), met de
beslissing inzake de kostentoerekening aan de werkgever met betrekking tot de
door de bedrijfsvereniging verrichte controletaken en met de
beslissing door de bedrijfsvereniging inzake het verhaal op de werkgever indien
gebleken is dat op inadequate wijze aan de taak met betrekking tot
verzuimbegeleiding invulling is gegeven.
rblz.|72|
Het derde lid van
artikel 73
vermeldt de eisen waaraan de schriftelijke kennisgeving van een voor beroep
vatbare beslissing moet voldoen. Deze vormvereisten dienen dus ook te gelden voor de kennisgevingen van
onder meer artikel 29, twaalfde
lid. De bestaande verwijzing naar artikel 75 is vervangen door een
verwijzing naar de artikelen 73a en 75, aangezien
artikel 73a bepaalt tegen welke
beslissingen beroep kan worden ingesteld bij het op grond van
artikel 75 competente forum.
Artikel XII
[XI] (Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume)
In het algemeen deel is
uitvoerig ingegaan op de redenen waarom besloten is tot de mogelijkheid
van het wettelijk verplichten van het opstellen van een terugkeerplan.
Kernpunten van de thans
voorgestelde bepaling zijn dat de bedrijfsvereniging de situaties selecteert
waarin een terugkeerplan moet worden opgesteld. De werkgever zelf kan uiteraard het beste beoordelen hoe de
terugkeer kan geschieden en moet
dus zelf het terugkeerplan opstellen. Een deel van de SVr (bestaande
uit werknemersleden en een deel van de onafhankelijke leden) meent dat
aan de uitvoeringsorganen sociale zekerheid de bevoegdheid moet
worden gegeven om de werkgever in de dertiende week tot het opstellen
van een reïntegratieplan te verplichten. Het kabinet heeft het opstellen
van een terugkeerplan niet willen koppelen aan een bepaald moment,
omdat dit zou kunnen leiden tot een verhoging van de lasten voor de
uitvoering. Daarnaast heeft het kabinet willen voorkomen dat het
instrument een rigide karakter krijgt.
Artikel XIII
[XII] (Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume)
In tegenstelling tot het nieuwe
artikel 71a WAO bevat het nieuwe artikel 65
AAW
geen bepalingen
inzake het opstellen of uitvoeren van een terugkeerplan. Het
terugkeerplan beoogt de herintreding van de werknemer bij de eigen werkgever
te bevorderen.
Het opnemen van een identieke bepaling in de AAW
zou betekenen dat ook niet-werknemers bij
arbeidsongeschiktheid geconfronteerd kunnen worden met een terugkeerplan. Het betreft hier onder meer
vroeggehandicapten, zelfstandigen en
studenten. Voor deze groep verzekerden is bij arbeidsongeschiktheid het
toepassen van een terugkeerplan niet aan de orde. Dit neemt niet weg dat ook
voor deze groepen een verhoogde inspanning met het oog op
revalidatie wenselijk kan zijn. Met het oog hierop is het van belang dat betrokkenen ruim
vóór het verstrijken van
het wachtjaar bekend zijn bij de
bedrijfsvereniging.
Om hierin te voorzien, geldt
thans ingevolge artikel 59 AAW
een meldingsplicht voor de bedoelde
categorieën personen. Op grond van de ingevolge dit artikel getroffen Beschikking van 7 oktober 1976,
Stcrt. 1976, 203, moeten zij zich
binnen acht maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid melden bij
de bedrijfsvereniging.
Thans zou een verkorting van de
aanmeldingstermijn tot de mogelijkheden moeten behoren.
Gelet op het bepaalde in het
tweede lid van het voorgestelde nieuwe artikel 65 zouden
arbeidsongeschikten die geen aanspraak hebben op ziekengeld, uiterlijk in de
zesde maand bij de GMD bekend moeten zijn. Derhalve wordt voorgesteld dat
betrokkenen zich binnen vijf maanden melden bij de
bedrijfsvereniging. Tevens wordt voorgesteld deze meldingsplicht niet meer in een
afzonderlijk wetsartikel onder te brengen.
rblz.|73|
Artikel XIV [-] (Spoorwegpensioenwet)
Dit artikel betreft een
technische correctie van artikel F 8 van de Spoorwegpensioenwet.
Artikel XV [XIII]
(Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume)
In de Wet
TAV is voorgesteld het
nieuw voorgestelde artikel 29a in de ZW te doen vervallen drie
jaar na de dag van inwerkingtreding daarvan, tenzij vóór die dag bij
algemene maatregel van bestuur anders wordt bepaald. Nu in artikel I
van het onderhavige wetsvoorstel de inhoud van artikel 29a
is
opgenomen in artikel 29b ZW, dient deze vernummering door te werken in
artikel XVII van de Wet TAV.
Artikel XVI
[XIV] (Burgerlijk Wetboek)
Onderdeel A
[A]
Door de voorgestelde wijziging
in artikel 1638c, eerste lid, BW
wordt bereikt dat de werknemer
gedurende de eerste zes weken ziekte wettelijk recht krijgt op 70% van het naar
tijdsruimte vastgesteld loon. Hiermede wordt aangesloten bij de
wijzigingen in de ZW.
Indien de werknemer in dienst is
bij een werkgever die minder dan vijftien werknemers in dienst heeft, wordt
het ziekengeld niet na zes weken, maar reeds na drie weken uitgekeerd. Op grond van artikel
1638c, tweede lid, BW
wordt het loon dat de
werkgever dient te betalen, verminderd met het bedrag van het aan de
werknemer uitgekeerde ziekengeld. Hierdoor wordt bereikt dat de werkgever
die minder dan vijftien werknemers in dienst heeft feitelijk slechts
gedurende de eerste drie weken van een ziekteperiode een loonbetalingsverplichting heeft.
Daarnaast blijft op grond van
artikel
1638c, zevende lid, BW
de mogelijkheid bestaan om bij
overeenkomst of reglement van de bepalingen van artikel
1638c BW
af te wijken. Van de minimumvoorziening zoals omschreven in het
eerste lid, te weten zes weken ten minste het voor de werknemer geldende minimumloon,
kan echter niet afgeweken worden. Ingevolge de Wet
TAV kan
in zoverre van de minimumvoorziening worden afgeweken dat
maximaal twee wachtdagen afgesproken kunnen worden.
Tevens is van de wijziging van
het eerste lid van artikel
1638c BW
gebruikgemaakt om, voor zover
mogelijk, de terminologie van het NBW [nieuw Burgerlijk Wetboek, red.]
te volgen. De term "de ziekte
of het ongeval" is vervangen door de term "de ziekte". In het tweede lid
van artikel 1638c BW
is de term "wettelijk voorgeschreven ziekte- of
ongevallenverzekering" vervangen door "wettelijk voorgeschreven
verzekering".
Onderdeel B
[B]
De wijziging van de terminologie
in artikel 1638c BW
leidt ertoe dat ook in artikel 1638dd de term
"ziekte of ongeval" vervangen dient te worden door "ziekte".
Artikel XVII
[XV] (regelingen
overheidspersoneel)
In dit artikel is de vertaling
voor het overheidspersoneel opgenomen van de maatregelen betreffende
de loondoorbetalingsverplichting gedurende de eerste zes weken
van ziekte niet op een niveau van 100%, maar op een niveau van 70%.
In het eerste lid wordt daartoe
een omschrijving gegeven van degenen op wie dit artikel van
toepassing is. Aangesloten is bij de in artikel 1637z rblz.|74|
van het BW opgenomen uitzonderingsbepaling. Aangezien de bepalingen van het BW
inzake verlof en loondoorbetaling bij ziekte niet van toepassing
zijn op het NS-personeel, is dat personeel opgenomen in dit lid.
In het tweede, derde, vierde en
tiende lid is de vertaling betreffende de loondoorbetalingsverplichting
opgenomen inclusief de mogelijkheden en voorwaarden waaronder afwijking van de in het tweede lid neergelegde
minimumvoorziening mogelijk is.
Afwijking van de aanspraak op een bedrag dat ten minste het minimumloon
bedraagt dat voor betrokkene zou gelden als de Wet
minimumloon en minimumvakantiebijslag op hem van toepassing zou zijn, is
slechts in zoverre mogelijk dat maximaal twee wachtdagen kunnen worden afgesproken.
Als vorm waarin de afwijking
plaats kan vinden, is - gelet op de wijze waarop de rechtspositie van
overheidspersoneel wordt geregeld - gekozen voor een algemeen
verbindend voorschrift. Datzelfde geldt voor de overige in dit artikel
opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Voor de goede orde zij vermeld dat de
bestaande algemeen verbindende voorschriften waarin reeds
afwijkende bepalingen zijn opgenomen, door dit wetsvoorstel niet worden
aangetast. De huidige materiële aanspraken blijven derhalve in stand. Die aanspraken zijn dan ook de uitgangspositie
geweest voor het
arbeidsvoorwaardenoverleg 1992/1993.
Het vijfde lid is opgenomen daar
het niveau van het zakgeld reeds onder het bedrag van het
minimumloon ligt, zodat er geen reden is de doorbetalingsverplichting op het
niveau van 70% te brengen.
Het zesde lid brengt met zich
mee dat bij verzuim in verband met zwangerschaps- en
bevallingsverlof de doorbetalingsverplichting wel op 100% blijft en komt daarmee
overeen met de niet in het BW
maar in de ZW
opgenomen regeling bij zwangerschap en bevalling.
In de verschillende
rechtspositieregelingen waarin de aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of
wat daarmee overeenkomt is neergelegd, komen tevens
bepalingen voor die inhouden dat die aanspraak onder omstandigheden
niet bestaan, tijdelijk vervalt of vervallen kan worden verklaard.
Dergelijke bepalingen behoeven een wettelijke basis omdat zij afwijkingen bevatten van de in het tweede lid
neergelegde minimumvoorziening. Het zevende, achtste en negende lid bieden die basis.
Het elfde lid is opgenomen om
buiten twijfel te stellen dat algemeen verbindende voorschriften waarin
geen speciale regeling is getroffen voor de aanspraken bij ziekte en
derhalve ook bij ziekte aanspraak bestaat op de volle bezoldiging
of hetgeen daarmee overeenkomt, beschouwd moeten worden als
voorschriften waarbij van het tweede lid wordt afgeweken. Ook voor de
categorieën waarop dergelijke voorschriften van toepassing
zijn, geldt dat de huidige materiële aanspraken door dit wetsvoorstel
niet worden aangetast en dat die aanspraken de uitgangspositie
vormen voor het arbeidsvoorwaardenoverleg 1992/1993.
Artikel XVIII
[XVI] (overgangsbepaling
uitkeringen Ziektewet)
Eerste lid
Zonder nadere voorziening zouden
bij inwerkingtreding van deze wet de daarin opgenomen bepalingen
mede van toepassing worden op het recht op ziekengeld van degene
die reeds vóór de datum van inwerkingtreding van de wet ongeschikt is
geworden tot werken wegens ziekte.
Dit zou tot een aantal
ongewenste consequenties leiden. Zo zou aan een verzekerde die op die datum
nog geen zes of drie weken ziek is, vanaf de datum van
inwerkingtreding tot de periode van zes c.q. drie rblz.|75|
weken is verstreken geen
ziekengeld meer kunnen worden uitgekeerd. Voor het restant van die periode
- die in het uiterste geval slechts één dag zou kunnen belopen - zou hij
dan een beroep moeten doen op zijn werkgever, om vervolgens, indien
hij na afloop van die periode nog arbeidsongeschikt is, opnieuw
bij de bedrijfsvereniging aan te moeten kloppen (het zogenaamde
duiventileffect). Uit uitvoeringstechnisch oogpunt wordt dit niet wenselijk
geacht.
Voorts staat het overigens niet
bij voorbaat vast dat een dergelijk beroep op zijn werkgever succes
zal hebben. Op grond van de voor het BW
te treffen overgangsbepaling
geldt de wijziging van het BW op het punt van loon(door)betaling bij
ziekte namelijk niet (en blijven de oude bepalingen van het BW van
kracht) voor ziektegevallen die vóór de datum van inwerkingtreding van
de wet zijn ontstaan. In die gevallen zal de werkgever weliswaar nog
gehouden zijn om gedurende betrekkelijk korte tijd het loon door te
betalen, doch deze "betrekkelijk korte tijd" hoeft lang niet in alle gevallen
de periode van zes c.q. drie weken waarover geen ziekengeld wordt uitbetaald te overbruggen. Teneinde het bovenbedoelde duiventileffect tegen te gaan en te voorkomen dat in
dergelijke situaties noch
aanspraak bestaat op ziekengeld, noch op loonbetaling door de werkgever,
ligt het voor de hand via een overgangsbepaling te regelen dat de
inwerkingtreding van de wet geen gevolgen heeft voor het recht op
ziekengeld van degenen die al ziek waren op de datum van inwerkingtreding van
de wet (onderdeel a van het eerste lid).
Eén en ander betekent dat op het
moment van inwerkingtreding van de wet reeds lopende uitkeringen,
ongeacht of dit wettelijke of bovenwettelijke uitkeringen zijn
(aanvullingen op een AAW/WAO-uitkering daaronder begrepen), onderworpen
blijven aan het oude regime.
Voorts brengt de voorgestelde
tekst van onderdeel a mee dat voor iemand die reeds vóór de datum
van inwerkingtreding van de wet ongeschikt is geworden tot het
verrichten van zijn arbeid wegens ziekte en voor wie op die datum nog een
- niet bij de bedrijfsvereniging "herverzekerde" - wachtdag
geldt, deze wachtdag ook na die datum gehandhaafd blijft.
Op grond van de voorgestelde
tekst van onderdeel a blijven de nieuwe bepalingen voor iemand die op
het moment van inwerkingtreding van de wet reeds ongeschikt is tot het werken wegens ziekte alleen buiten
toepassing zolang die
ongeschiktheid duurt.
Hiermee wordt het ongewenste
rechtsgevolg voorkomen dat iemand die op het moment van
inwerkingtreding van de wet ongeschikt is, uit dien hoofde recht heeft op
ziekengeld en twee weken later weer beter is, tot in lengte van dagen een
beroep kan blijven doen op deze overgangsbepaling. Wanneer deze
persoon bijvoorbeeld een halfjaar nadien opnieuw ziek wordt, zou
zonder de toevoeging "zolang die ongeschiktheid duurt" ter zake
van deze laatste ziekte de zes- c.q. driewekentermijn voor hem niet
gelden. Hij was immers op het moment van inwerkingtreding van de wet
ongeschikt. Dit effect dient uiteraard te worden voorkomen.
Ten slotte is in onderdeel
b van
dit lid geregeld dat de inwerkingtreding van de wet geen gevolgen
heeft in die gevallen waarin een ziekteperiode intreedt na
inwerkingtreding van de wet doch binnen één maand nadat een vóór die
inwerkingtreding gelegen periode van ongeschiktheid door herstel is
geëindigd.
In de nieuwe situatie wordt geen
ziekengeld uitgekeerd over een periode van zes c.q. drie weken
te rekenen vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken en
worden, voor het bepalen van deze rblz.|76|
perioden, perioden van
ongeschiktheid tot werken samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van
minder dan één maand opvolgen. Daarmee worden elkaar binnen één
maand opvolgende ziektegevallen voor het bepalen van de termijn
van eigen risico voor rekening van de werkgever als een voortzetting
van het vorige ziektegeval gezien. Gelet op deze in de ZW neergelegde
systematiek, ligt het in de rede om een dergelijke ongeschiktheid ook
voor de toepasselijkheid van deze overgangsbepaling te zien als
een voortzetting van het eerdere ziektegeval. Zonder de toevoeging van
onderdeel b zou in deze gevallen bijvoorbeeld de zes- c.q. driewekentermijn zoals voorgesteld in het nieuwe artikel
29 ZW van
toepassing zijn.
Tweede lid
Op grond van de voorgestelde
tekst van het eerste lid blijven de nieuwe bepalingen voor iemand
die op het moment van inwerkingtreding van de wet reeds ongeschikt is
tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte dan wel wiens
ziekteperiode intreedt na inwerkingtreding van de wet doch binnen één maand nadat
een vóór die inwerkingtreding gelegen periode van
ongeschiktheid door herstel is geëindigd, buiten toepassing zolang die
ongeschiktheid duurt.
De zinsnede "zolang die
ongeschiktheid duurt" bewerkstelligt dat de inwerkingtreding van de wet wel
gevolgen heeft zodra het ziekengeld van een persoon als bedoeld in
het eerste lid, na de datum van inwerkingtreding van de wet eindigt,
ook in de gevallen waarin hij vervolgens binnen één maand na die
beëindiging opnieuw ongeschikt tot werken wegens ziekte wordt. Weliswaar
geldt ter zake van deze nieuwe ongeschiktheid dan de in de ZW
opgenomen bepaling dat voor de vaststelling van de periode van
52 weken waarna geen ziekengeld meer wordt verstrekt perioden van
ongeschiktheid tot werken worden samengeteld als zij elkaar met een
onderbreking van minder dan één maand opvolgen, doch deze bepaling
bewerkstelligt niet dat daarmee ook de nieuwe bepalingen voor hen
buiten toepassing blijven.
Door nu in het tweede lid te
bepalen dat voor de toepassing van het eerste lid de ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte geacht wordt niet te zijn onderbroken wanneer perioden van ongeschiktheid elkaar met een
onderbreking van minder dan één
maand opvolgen, wordt bereikt dat voor de in het eerste lid
bedoelde personen ook bij hernieuwde ongeschiktheid binnen één maand
na afloop van een vorige ziekteperiode, het oude regime van
kracht blijft.
Artikel XIX
[XVII] (overgangsbepaling
artikel 57 Ziektewet)
Eerste lid
Op grond van
dit wetsvoorstel
komt de mogelijkheid tot het verzekeren bij de bedrijfsvereniging van
bovenwettelijke uitkeringen als bedoeld in artikel 57
ZW (hogere
uitkeringen dan de bij de wet vastgestelde uitkeringen of uitkeringen over
langere duur dan bij de wet bepaald) te vervallen.
Het vervallen van artikel 57
ZW
brengt zonder nadere voorziening mee dat door werkgevers op de datum
van inwerkingtreding van de wet op grond van dat artikel bij de bedrijfsvereniging verzekerde aanspraken
zouden komen te vervallen.
In de meeste gevallen waarin
bovenwettelijke uitkeringen worden verstrekt, betreft het een
herverzekering bij de bedrijfsvereniging van uit de CAO voortvloeiende
verplichtingen; het kan echter ook gaan om verplichtingen die voortvloeien
uit individuele arbeidsovereenkomsten. rblz.|77|
Het schrappen van de
mogelijkheid van herverzekering brengt geen wijziging in die verplichtingen.
De verplichtingen die de bedrijfsvereniging had op grond van de
herverzekering komen zonder nadere voorziening dan weer op de
werkgever te rusten.
Teneinde werkgevers die op de
datum van inwerkingtreding van de wet op grond van dat artikel
bovenwettelijke uitkeringen bij de bedrijfsvereniging hebben herverzekerd in
de gelegenheid te stellen in te spelen op de nieuwe bepalingen en
eventueel naar een andere vorm van verzekering van deze aanspraken om te zien,
is het wenselijk een zekere overgangsperiode in acht te nemen waarin
deze besluiten tot herverzekering nog van kracht blijven.
In het eerste lid van het
onderhavige artikel wordt dan ook voorgesteld om op de datum van
inwerkingtreding op grond van artikel 57 ZW verzekerde aanspraken van kracht te
laten blijven tot 1 juli 1993.
Voor de goede orde wordt er nog
op gewezen dat de herverzekering door de gekozen redactie van het
eerste lid niet tevens betrekking kan hebben op het eigen risico van
de werkgever over de eerste zes weken van de ongeschiktheid tot
werken.
Als gevolg van de voorgestelde
overgangsperiode kunnen derhalve ter zake van ongeschiktheid tot
werken wegens ziekte ingetreden vanaf de datum van inwerkingtreding
van de wet tot 1 juli 1993, nog bovenwettelijke uitkeringen op ZW-
en WAO-uitkeringen toegekend worden.
Tweede lid
De in dit lid opgenomen bepaling
zorgt ervoor dat in de gevallen waarin op grond van artikel 57
ZW verzekerde aanspraken van kracht blijven, de verwijzingen naar
dat artikel in diverse in dit lid genoemde wetsbepalingen eveneens van
kracht blijven en dat in die gevallen de werkgever de mogelijkheid
behoudt om in verband met de herverzekering van bovenwettelijke
uitkeringen een hoger aandeel in de premie op het loon van de werknemer in
te houden dan het wettelijk toegestane deel.
Artikel XX [XVIII]
(overgangsbepaling
uitkeringen Ziektewet)
Als gevolg van het handhaven van
de mogelijkheid tot herverzekering kunnen, zoals bij de toelichting
op dat artikel vermeld [lees: zoals bij de toelichting op
artikel XIX [XVII] vermeld, red.], ter zake van ongeschiktheid tot
werken
ingetreden vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet tot 1 juli
1993, nog bovenwettelijke uitkeringen op ZW- en
WAO-uitkeringen
toegekend worden. Zonder nadere voorziening zouden bovenwettelijke
uitkeringen op grond van artikel 57 ZW toegekend in verband met
ongeschiktheid die bestond op de dag voorafgaande aan de in artikel XVIII
[XVI] genoemde datum van 1 juli 1993, per 1 juli 1993 komen te vervallen. Voor
deze situaties is in het onderhavige lid daarom een overgangsbepaling
opgenomen voor degenen die bij de inwerkingtreding van de wet al
ongeschikt zijn tot werken.
Artikel XXI
[XIX] (overgangsbepaling
voor werknemers die ziek zijn op tijdstip inwerkingtreding wet)
Zoals reeds bij de
toelichting
op artikel XVIII [XVI] is opgemerkt, zouden zonder nadere voorziening bij
inwerkingtreding van de wet de daarin opgenomen bepalingen mede van toepassing worden op het recht op
ziekengeld c.q. loonbetaling van
degene die reeds vóór de datum van inwerkingtreding van de wet
ongeschikt is geworden tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
Dit zou een aantal ongewenste uitvoeringstechnische consequenties
hebben. Er is daarom voor gekozen om de rechten van werknemers die
reeds ziek zijn op het moment van rblz.|78|
inwerkingtreding van deze wet te
handhaven. Zowel de rechten op basis van het BW
als op basis van de ZW
blijven gehandhaafd zolang de werknemer ziek is. Dit houdt in
dat de werknemer bij ziekte op grond van de "oude" BW bepalingen recht
heeft op loondoorbetaling gedurende betrekkelijk korte tijd.
In onderdeel a, van het eerste
lid van dit artikel worden de rechten van werknemers, op basis van het BW,
die op de dag voor inwerkingtreding van de wet ongeschikt zijn tot
het verrichten van arbeid wegens ziekte, gehandhaafd zolang die
ongeschiktheid duurt. Wanneer de werknemer hersteld is en na een termijn
van langer dan één maand weer wegens ziekte de arbeid staakt, zijn de
bij het onderhavige wetsvoorstel gewijzigde artikelen wel van
toepassing.
In onderdeel b van het eerste
lid is geregeld dat de inwerkingtreding van de wet geen gevolgen heeft
in die gevallen waarin een ziekteperiode intreedt na inwerkingtreding van
de wet doch binnen één maand nadat een vóór die inwerkingtreding
gelegen periode van ongeschiktheid door herstel is geëindigd.
In het tweede lid is een
samentellingsregeling opgenomen voor de situaties zoals vermeld in de
onderdelen a en b van het eerste lid. Dit houdt in dat voor de werknemer
die ziek is op het moment van inwerkingtreding van deze wet
(onderdeel a), weer herstelt en vervolgens binnen een termijn van
één maand
wederom ziek wordt, deze ziekteperiodes worden beschouwd als één
ziekteperiode. De werknemer heeft in dit geval recht op zijn
aanspraken zoals vermeld in onderdeel a van het eerste lid. Voor de werknemer
die ziek wordt na de inwerkingtreding van deze wet, binnen één maand na
een ziekteperiode die lag vóór de inwerkingtreding van deze wet
(onderdeel b), geldt ook een samentellingsregeling. Ook voor deze werknemer
geldt dat wanneer na herstel van een ziekteperiode zoals omschreven
in onderdeel b hij binnen één maand wederom ziek wordt, hij op grond
van deze samentellingsregeling valt onder het "oude regime" zoals
vermeld in onderdeel b van het eerste lid van dit artikel. Ook voor hem
worden de opeenvolgende ziekteperiodes die elkaar met minder dan één
maand opvolgen als één ziekteperiode aangemerkt.
In het tweede lid van dit
artikel wordt derhalve geregeld dat voor de toepassing van het eerste lid de
ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte geacht
wordt niet te zijn onderbroken wanneer perioden van ongeschiktheid
elkaar met een onderbreking van minder dan één maand opvolgen.
De Staatssecretaris van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,
E. ter Veld
De Minister van Justitie,
E.M.H. Hirsch Ballin
De Minister van Binnenlandse
Zaken,
C.I. Dales
|