|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 318
Wijziging
van enkele socialezekerheidswetten in
verband met vereenvoudiging van de uitvoering van deze wetten door de Sociale
verzekeringsbank (Wet
vereenvoudiging regelingen SVB)
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Aanleiding |
| 2 |
Hoofdlijnen |
| 2.1 |
Complexe uitvoering |
| 2.2 |
Doel
wetsvoorstel |
| 2.3 |
Rechtvaardiging
overheidsinterventie |
| 2.4 |
Instrumentkeuze |
| 2.5 |
Gevolgen beoordeling |
| 2.6 |
Betrokkenen |
| 3 |
Toelichting per voorstel |
| 3.1 |
Niet
meer uitkeren kruimelpensioen AOW |
| 3.2 |
Anw-halfwezenuitkering integreren met de
nabestaandenuitkering |
| 3.3 |
Vereenvoudigingen kinderbijslag |
| 3.4 |
Communicatie |
| 3.5 |
Gevolgen voor andere regelingen |
| 4 |
Financiële gevolgen en regeldruk |
| 5 |
Ontvangen commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xxx |
Artikelen
I t/m XI |
Algemeen
1.
Aanleiding
Het kabinet streeft naar een overheid die
alleen doet wat ze moet doen, zo dicht mogelijk bij mensen.¹ Beleid zal
zich minder moeten gaan richten op het maken van gedetailleerde regels
en voorschriften en meer op het creëren van een omgeving waarin
anderen zich aangesproken en gestimuleerd voelen om zelf met oplossingen
te komen voor maatschappelijke vraagstukken. De overheid beperkt de
dienstverlening tot het noodzakelijke.
Door te
snijden in taken en door een heldere
toedeling van verantwoordelijkheden en
bevoegdheden wordt de overheid
krachtiger en compacter en wordt de
doelmatigheid van wetgeving vergroot.
Die kleinere en goedkopere overheid
levert door bezuinigingen tegelijkertijd
een bijdrage aan het gezond maken van de
overheidsfinanciën. Dit is nodig om
zicht te houden op economische groei en
behoud van banen en welvaart.
1.
Regeerakkoord, Kamerstukken II 2010-2011,
32 417, nr. 15, blz. 5.
De brief
van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (SZW) van 14 maart
2011 ¹ beschrijft de invulling van de
hoofdlijnen van de taakstelling voor het
domein van SZW van €|288 miljoen. Voor
de Sociale verzekeringsbank (SVB) is een
algemene taakstelling opgenomen van in
totaal €|26,4 miljoen. Samen met de
taakstelling van €|27,3 miljoen die is
opgelegd door de vorige regering
resulteert dit in een algemene
taakstelling voor de SVB van €|54
miljoen in de uitvoeringskosten, te
realiseren in de periode 2012-2015
middels onder andere vereenvoudiging van
wet- en regelgeving. In een algemeen
overleg op 6 en 28 april 2011 is deze
brief met de Tweede Kamer besproken.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV,
nr. 75.
Dit
wetsvoorstel bevat de uitwerking van
vereenvoudigingsvoorstellen voor een
aantal door de SVB uitgevoerde
regelingen. Het betreft
vereenvoudigingen in de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW) [vervallen
tijdens de parlementaire behandeling, red.], de Algemene
nabestaandenwet (Anw) en de Algemene
Ouderdomswet (AOW) en de technische
aanpassing van andere regelingen mede
als gevolg daarvan. Deze maatregelen
maken de regelingen doelmatiger en rblz.|2|
transparanter, brengen stapeling van
beleid terug en leggen meer
verantwoordelijkheid bij de burgers.
Tegelijkertijd wordt een bijdrage
geleverd aan de bezuinigingsopgave waar
de SVB voor staat.
2.
Hoofdlijnen
2.1.
Complexe uitvoering
Het
probleem dat met dit wetsvoorstel wordt
aangepakt, is de complexiteit van een
aantal door de SVB
uitgevoerde
regelingen. Deze complexiteit vloeit
deels voort uit specifieke uitkeringen
voor kleine groepen, waardoor de
uitvoeringskosten niet meer in
verhouding staan tot de
uitkeringslasten. Gedetailleerde
voorschriften en uitzonderingen op
hoofdregels vormen een andere bron van
complexiteit. Zij hebben stapeling van
beleid tot gevolg, leiden tot een
relatief ingewikkeld uitvoeringsproces
en zijn kostenverhogend. Behalve op de
uitvoeringsorganisatie, hebben
afwijkingen ten opzichte van de
hoofdregel uiteraard ook hun weerslag op
de cliënten van de SVB, die in veel
gevallen met extra administratieve
lasten worden geconfronteerd. Ook maken
dergelijke uitzonderingen de
uitkeringsvoorwaarden ingewikkeld en
lastig te begrijpen voor burgers. Ten
slotte verricht de SVB soms diensten die
het karakter hebben van extra
serviceverlening, waarbij de eigen
verantwoordelijkheid van burgers op de
achtergrond is geraakt.
2.2. Doel
wetsvoorstel
Het doel
van het wetsvoorstel is vereenvoudiging
van wet- en regelgeving in het belang
van meer doelmatigheid, een grotere
inzichtelijkheid van de regelgeving en
vermindering van de administratieve
lasten en uitvoeringskosten.
Per
maatregel kan sprake zijn van enige
stijging of daling van de
uitkeringslasten. Per saldo is sprake
van een daling van de uitkeringslasten.
2.3.
Rechtvaardiging overheidsinterventie
De
regering wil niet langer voor iedere
specifieke situatie een
uitzonderingsregeling treffen en zal
zich vaker beperken tot het toepassen
van de hoofdregels. De financiële
kaders die door de regering voor het SZW-domein zijn gekozen, maken het nodig
om tot een efficiëntere en goedkopere
uitvoeringsorganisatie te komen. Dit kan
niet uitsluitend worden bewerkstelligd
door efficiencymaatregelen bij de
uitvoeringsorganen. Waar regelgeving in
de weg staat aan een efficiëntere
uitvoering(sorganisatie), heeft de
regering beoordeeld of deze aangepast
kan worden.
2.4.
Instrumentkeuze
Het
gekozen instrument is wijziging van
wetgeving.
De
regering heeft de door de SVB
uitgevoerde regelingen in het licht van
de doelstelling van vereenvoudiging
bezien op bepalingen voor specifieke
groepen of situaties. De
wijzigingsvoorstellen die hieruit zijn
voortgekomen, voorzien ten eerste in de
beëindiging van arbeidsintensieve
periodieke uitbetaling van bepaalde
uitkeringen. Ten tweede wordt stapeling
van beleid en gedetailleerde regelgeving
teruggedrongen door de uitkeringen voor
nabestaanden en de generieke
tegemoetkoming voor kosten voor kinderen
meer te baseren op hoofdregels. Ten
derde heeft het wetsvoorstel betrekking
op een situatie waarbij de SVB kosten
maakt voor activiteiten die overwegend
het karakter van service hebben.
rblz.|3|
2.5.
Gevolgen beoordeling
Voor
burgers draagt dit voorstel bij aan de
begrijpelijkheid van een aantal door de SVB
uitgevoerde regelingen, door meer
eenduidigheid en minder uitzonderingen.
Daarnaast hoeven cliënten van de SVB
minder vaak gegevens aan te leveren die
voor het vaststellen van het recht op
uitkering nodig zijn. Dit leidt tot een
vermindering van de administratieve
lastendruk voor burgers. Ook worden zij
vaker aangesproken op eigen initiatief
om situaties op te lossen.
Onvermijdelijk
zal doorvoering van de voorstellen soms
leiden tot andere uitkomsten voor
bepaalde groepen uitkeringsontvangers
vergeleken met de huidige situatie. De
voorgestelde vereenvoudigingen kunnen
voor de uitkeringen van betrokkenen
positief of negatief uitwerken, al naargelang de individuele situatie. Daar
waar effecten optreden, acht het kabinet
deze verantwoord in het kader van de
vereenvoudigingsdoelstelling en vanuit
de doelstelling van de desbetreffende
regelingen zelf. Bij voorstellen die een
negatief inkomenseffect tot gevolg
hebben, is voorzien in een
overgangsregeling van zes maanden dan
wel een eerbiedigende werking voor
mensen die op het moment dat onderhavig
wetsvoorstel gepubliceerd wordt reeds
een lopend uitkeringsrecht hebben. In
hoofdstuk 3 wordt per voorstel ingegaan
op de mogelijke inkomenseffecten.
2.6.
Betrokkenen
De
maatregelen zijn tot stand gekomen in
nauw overleg met de SVB. Daarbij zijn
ook de uitkomsten van het algemeen
overleg met de commissie SZW van de
Tweede Kamer op 6 en 28 april 2011
betrokken.
3.
Toelichting per voorstel
3.1. Niet
meer uitkeren kruimelpensioen AOW
Huidige
regeling
De AOW is
een opbouwverzekering, waarbij elk jaar
dat iemand tussen zijn 15de
en 65ste levensjaar in Nederland woont
of werkt hij 2% AOW opbouwt. Op dit
moment ontvangen circa 30 000 mensen een
zogenaamd "kruimel-AOW" (2%
AOW-pensioen) omdat zij minder dan één
jaar in Nederland hebben gewoond of
gewerkt. Jaarlijks stromen circa 2000
mensen de AOW in met een dergelijk
kruimel-AOW.
Een
kruimel-AOW bedraagt op dit moment €|271,63 bruto op jaarbasis voor
alleenstaanden en €|189,42 bruto op
jaarbasis voor samenwonenden.
Aanleiding
tot vereenvoudiging
Door de
toegenomen arbeidsmobiliteit komt het
steeds vaker voor dat mensen een
kruimel-AOW hebben opgebouwd. Deze
kruimel-AOW’s hebben verhoudingsgewijs
hoge uitvoeringskosten. Daarom stelt dit
wetsvoorstel voor dat met ingang van 1
januari 2015 geen recht meer kan
ontstaan op een kruimel-AOW (vanaf dat
moment wordt de partnertoeslag voor
nieuwe gevallen afgeschaft en dusdoende
wordt het inkomenseffect beperkt tot het
verlies aan kruimel-AOW).
Voorgestelde
wijziging
Vanwege
de hoge uitvoeringskosten en
administratieve lasten die met de
kruimel-AOW gepaard gaan, zal er vanaf 1
januari 2015 op grond van dit
wetsvoorstel geen nieuw recht op AOW van
2% meer ontstaan indien er sprake is van
een verzekerd tijdvak van minder dan
één jaar. Het gaat om personen die
minder dan één jaar AOW hebben
opgebouwd, omdat ze rblz.|4|
tussen hun 15de en 65ste levensjaar minder dan één jaar in
Nederland hebben gewoond of gewerkt.
Voor personen die vóór 1 januari 2015 al
een kruimel-AOW ontvangen, verandert er
niets. Zij blijven gedurende de rest van
hun leven recht houden op de uitbetaling
van de kruimel-AOW. Het voorstel heeft
betrekking op ongeveer 1250 mensen die
jaarlijks instromen. Elke lidstaat van
de Europese Unie heeft de bevoegdheid om
in de nationale wetgeving te bepalen om
geen ouderdomspensioen toe te kennen
indien de totale duur van het tijdvak
minder dan één jaar bedraagt. Binnen
de EU (Verordening (EG) nr. 883/2004,
artikel 57) geldt overigens dat mensen
wel het recht op het opgebouwde tijdvak
behouden. Andere EU-organen moeten in
beginsel het in Nederland opgebouwde
tijdvak meenemen in de berekening van
het totale tijdvak waarop de
gepensioneerde recht heeft. Mocht
toepassing van deze regel ertoe leiden
dat alle betrokken organen van de
lidstaten van hun verplichtingen worden
ontheven (nergens is één jaar of meer
verzekering opgebouwd), dan regelt de verordening dat een uitkering wordt
toegekend door de lidstaat waar een
persoon het laatst verzekerd is geweest.
Die lidstaat dient dan rekening te
houden met de verzekeringstijdvakken die
in de overige lidstaten zijn vervuld
(artikel
57, derde lid).
Uitzonderingen
Soms zal
een kruimelpensioen toch uitbetaald
moeten worden. Op grond van bilaterale
verdragen kan het namelijk zo zijn dat
een persoon die niet minimaal één jaar
verzekerd is geweest, toch over een
ouderdomspensioen beschikt dat gebaseerd
is op meer verzekeringsjaren. Dit wordt
dan veroorzaakt doordat tijdvakken op
grond van sommige verdragen meetellen
voor de berekening van ouderdomspensioen
zonder dat deze tijdvakken berusten op
verzekering. Dit betreft met name
tijdvakken gelegen vóór de invoering van
de AOW in Nederland en zogenoemde
"huwelijkse
tijdvakken"; tijdvakken
waarin de echtgenoot van een verzekerde
buiten Nederland woonachtig was maar
niet sociaal verzekerd was in het
woonland. Daarnaast kan het voorkomen
dat op grond van een verdrag niet de
mogelijkheid bestaat om een uitkering te
weigeren bij minder dan één jaar
verzekering voor gevallen die zien op
tijdvakken die op grond van bijlage XI
van Verordening 883/2004 in aanmerking moeten
worden genomen. Het is onbekend hoe
groot de groep personen is waarop het
voorgaande van toepassing zal zijn.
Met
dit
wetsvoorstel wordt tegelijkertijd een
technische wijziging aangebracht in de
bepaling die recht geeft op AOW-partnertoeslag, zodat eventuele
onduidelijkheid die zou kunnen bestaan
over het na 1 januari 2015 ontstaan van
recht op AOW-partnertoeslag wordt
weggenomen (zie verder de
artikelsgewijze toelichting).
Effecten
op de uitvoeringskosten
Door het
niet meer toekennen van nieuwe kruimel-AOW pensioenen vanaf 1 januari
2015 zal in 2015 €|0,1 miljoen worden
bespaard op de uitvoeringskosten. In de
jaren daarop neemt dit bedrag toe
vanwege cumulatie. Er komen jaarlijks
immers geen nieuwe instromers meer bij.
De uitvoeringskosten zullen structureel
met circa €|0,6 miljoen per jaar
afnemen.
Effecten
op de uitkeringslasten
In 2015,
het eerste jaar dat geen nieuwe instroom
van kruimel-AOW plaatsvindt, bedraagt de
besparing op de uitkeringslasten
ongeveer €|0,2 miljoen. Deze besparing
neemt geleidelijk toe.
Effecten
op de administratieve lasten
Als
gevolg van de maatregel zullen minder
mensen een AOW-uitkering aanvragen en
hoeven minder mensen jaarlijks een
bewijs van leven te versturen naar de SVB. Hierdoor dalen de administratieve
lasten voor rblz.|5|
burgers. Deze daling
bedraagt in 2015 circa 5000 uur en €|3000,-. Na 2015 neemt de daling verder
toe.
3.2.
Anw-halfwezenuitkering integreren met de
nabestaandenuitkering
Huidige
regeling
De
Anw kent drie
uitkeringen: de nabestaandenuitkering,
de halfwezenuitkering en de
wezenuitkering. Nabestaanden hebben
recht op een nabestaandenuitkering ter
hoogte van maximaal 70% van het
nettominimumloon als zij kinderen
jonger dan 18 jaar verzorgen, voor meer
dan 45% arbeidsongeschikt zijn of vóór
1950 geboren zijn. De
nabestaandenuitkering is
inkomensafhankelijk en het recht vervalt
wanneer de nabestaande hertrouwt of gaat
samenwonen. Een ouder of verzorger met
een thuiswonend kind onder de 18 jaar
waarvan één van beide ouders overleden
is (een halfwees), heeft recht op een
aparte halfwezenuitkering ter hoogte van
20% van het nettominimumloon. Deze
halfwezenuitkering is
inkomensonafhankelijk en het recht
blijft bestaan, anders dan bij de
nabestaandenuitkering, ook als de
overblijvende ouder hertrouwt of gaat
samenwonen. Dit heeft tot gevolg dat op
dit moment alle ouders/verzorgers van
halfwezen onder de 18 jaar een
halfwezenuitkering krijgen, ongeacht of
zij inmiddels weer deel zijn gaan
uitmaken van een gezamenlijke
huishouding. Dit betreft ook degenen die
daarvoor niet in aanmerking zouden komen
als er een inkomenstoets zou zijn,
vergelijkbaar met die bij de
nabestaandenuitkering en degenen die
samen met een partner een halfwees
verzorgen.
Aanleiding
tot vereenvoudiging
Het
kabinet is van mening dat de Anw, vanuit
het oogpunt van vermindering van
complexe regelgeving, eenvoudiger
vormgegeven kan worden. Zij stelt voor
de halfwezenuitkering te integreren met
de nabestaandenuitkering.
Voorgestelde
regeling
Met de
integratie van de halfwezenuitkering met
de nabestaandenuitkering wordt een hoge
en een lage nabestaandenuitkering
geïntroduceerd, naar analogie van het
hoge en lage weduwenpensioen van de
Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) van
destijds, en vervalt de
halfwezenuitkering als aparte uitkering.
Nabestaanden met kinderen jonger dan 18
jaar ontvangen een hoge
nabestaandenuitkering ter hoogte van 90%
van het nettominimumloon. Nabestaanden
zonder kinderen blijven een
nabestaandenuitkering ter hoogte van 70%
van het nettominimumloon ontvangen. Dit
voorstel heeft geen effect op de
wezenuitkering.
Met de
integratie van de halfwezenuitkering met
de nabestaandenuitkering wordt
teruggegrepen op de systematiek van de
normbedragen in de sociale zekerheid. In
de systematiek van de normbedragen geldt
het uitgangspunt dat, indien is
vastgesteld dat een betrokkene in
aanmerking komt voor een uitkering, deze
uitkering aan de betrokkene een garantie
biedt voor een inkomen op het sociaal
minimum voor zijn leefsituatie. Het
normbedrag is derhalve het bedrag dat de
betrokkene in zijn leefsituatie een
bestaansminimum garandeert. De
nabestaandenuitkering wordt dus
afhankelijk van de leefsituatie van de
nabestaande en is niet langer primair
gekoppeld aan de halfwees.
Als
gevolg hiervan komen in de toekomst ook
nabestaanden met een aangehuwd kind of
pleegkind dat geen eigen kind is van de
overledene in aanmerking voor de hoge
nabestaandenuitkering. In de huidige
situatie hebben nabestaanden met een
aangehuwd kind of pleegkind dat zelf
geen halfwees is geen recht op
halfwezenuitkering.
rblz.|6|
De voorgestelde maatregel heeft materiële
gevolgen voor drie groepen personen met
een halfwezenuitkering. Zij krijgen
geen, of alleen gedeeltelijk, recht op
de hoge nabestaandenuitkering. De eerste
is de groep nabestaanden die is
hertrouwd of opnieuw is gaan samenwonen
(ongeveer 5500 personen). Door
hertrouwen of samenwonen eindigt
voortaan niet alleen de
nabestaandenuitkering, maar verdwijnt ook
het huidige recht op halfwezenuitkering.
De tweede groep is de groep nabestaanden
die door de inkomenstoets geen
nabestaandenuitkering meer ontvangt,
maar wel de huidige halfwezenuitkering
krijgt, omdat die nu niet wordt
betrokken bij de inkomenstoets (circa
4500 personen). Deze groep nabestaanden
met een relatief hoog inkomen krijgt (in
beginsel wel) recht op een hoge
nabestaandenuitkering, maar deze komt
vanwege de hoogte van het inkomen niet,
of alleen gedeeltelijk, tot uitbetaling.
Alleenstaande nabestaanden (11 000
personen) met een laag inkomen of zonder
inkomen ondervinden geen gevolgen van de
integratie.
De derde
groep betreft personen die één of
meerdere halfwezen verzorgen en zelf
geen nabestaande zijn (circa 3500
personen). Deze groep verliest door het
wetsvoorstel het recht op
halfwezenuitkering en zij hebben of
krijgen geen recht op
nabestaandenuitkering.
De
huidige halfwezenuitkering houdt het
midden tussen een uitkering om te
voorzien in een minimuminkomen en een
uitkering voor de kosten van kinderen.
Voor tegemoetkoming in de kosten voor
kinderen zijn er andere regelingen,
zoals de kinderbijslag en het
kindgebonden budget. Het kabinet kiest
ervoor om de huidige halfwezenuitkering
ook het karakter van een
minimuminkomensvoorziening te geven door
integratie met de nabestaandenuitkering.
Hiermee wordt aangesloten bij het
behoefteprincipe dat ten grondslag ligt
aan de Anw: een minimumvoorziening voor
nabestaanden die zelf niet door arbeid
in hun levensonderhoud kunnen voorzien.
De hoge nabestaandenuitkering blijft dan
ook beschikbaar voor nabestaanden met
een kind die een dusdanig laag inkomen
hebben dat zij onder de inkomensgrens
voor de huidige nabestaandenuitkering
blijven.
Het
vervallen van een aparte uitkering voor
halfwezen betekent een vereenvoudiging
van de regelgeving en daardoor een
vermindering van de uitvoeringskosten.
Overgangsrecht
en gewenningsperiode
Voor
ouders en verzorgers van halfwezen die
als gevolg van deze maatregel het bedrag
aan de huidige halfwezenuitkering
verliezen, is voorzien in een
overgangsregeling.
Op grond
van het Europees verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) heeft
iedereen recht op het ongestoord genot
van zijn eigendom.¹ In het algemeen
geldt dat een reeds toegekend recht op
een socialeverzekeringsuitkering als
een vorm van eigendom geldt. Inbreuk op
een bestaand uitkeringsrecht (een "lopende
uitkering") is echter wel
mogelijk bij wet. Daarbij geldt dan de
voorwaarde dat er een evenwichtige
afweging plaats dient te vinden tussen
de gemeenschapsbelangen en de vereisten
die voortvloeien uit de inbreuk op dit
fundamentele recht en er zo nodig een
vorm van compensatie dient te worden
aangeboden. Eén en ander houdt onder
meer in dat er een redelijke
proportionaliteitsrelatie dient te
bestaan tussen de gekozen middelen en
het beoogde doel.
1. Artikel 1 van het Eerste
Protocol bij het EVRM.
Voor
uitkeringsgerechtigden die op het moment
van publicatie van het wetsvoorstel
recht op een halfwezenuitkering hebben,
zal een gewenningsperiode van minimaal
zes maanden vanaf publicatie van het
wetsvoorstel in het Staatsblad in acht
worden genomen. De Centrale Raad van
Beroep (CRvB) heeft aangegeven een
dergelijke termijn in overeenstemming te
achten met artikel 1 Eerste Protocol
van het EVRM rblz.|7|
(overweging 3.4.2.12 van de
uitspraak van de CRvB van 18 juni 2004;
LJN AP4680).
Gevolgen
voor de uitkeringen
Er zijn
circa 25 000 halfwezenuitkeringen.
Hierbij gaat het in ongeveer 11 000
gevallen om nabestaanden met zowel een
bedrag aan nabestaandenuitkering als een
halfwezenuitkering. Deze groep heeft een brutomaandinkomen tot €|2391,- en
ondervindt geen inkomensachteruitgang
als gevolg van deze maatregel.
Ongeveer
15 000 ouders/verzorgers van halfwezen
ontvangen alleen een halfwezenuitkering.¹ De berekende
besparing is gebaseerd op een afname van
ongeveer 10 000 halfwezenuitkeringen.
1. SVB,
ultimo september 2011.
Effecten
op uitkeringslasten
Door
onderhavig wetsvoorstel ontstaat een
besparing van circa €|30 miljoen per
jaar op de uitkeringslasten Anw. Deze
besparing is gebaseerd op ongeveer 10
000 gevallen waarbij de
halfwezenuitkering vervalt en er geen
recht op de hoge nabestaandenuitkering
ontstaat.
Effecten
op uitvoeringskosten
De
voorgestelde wijziging levert minder
werk op voor de uitvoering omdat de SVB
geen aparte beschikkingen voor
halfwezenuitkeringen meer hoeft te
verzenden en omdat minder mensen een
uitkering ontvangen. De structurele
besparing op de uitvoeringskosten
bedraagt €|0,3 miljoen per jaar.
Effecten
op de administratieve lasten
Door
het vervallen van het recht op een Anw-uitkering nemen de structurele
administratieve lasten voor burgers af.
In het eerste jaar is de besparing
lager, wegens onder meer reacties en
bezwaren van burgers; in 2013 is de
besparing op administratieve lasten 1100
uur en €|200,-. In de structurele
situatie is de besparing 8600 uur en €|1000,- per jaar.
Inkomenseffecten
In
onderstaande tabel is het inkomenseffect
van de maatregel getoond voor
nabestaanden en voor samenwonende
nabestaanden en verzorgers, beiden met
recht op de halfwezenuitkering ten
bedrage van 20% van het nettominimumloon
(€|265,- per maand; €|3180,- per jaar)
in de huidige situatie. De maatregel
heeft voor de alleenstaande nabestaanden
materieel het gevolg dat de
halfwezenuitkering (als onderdeel van de
hoge nabestaandenuitkering) volledig is
afgebouwd bij een brutojaarinkomen van
circa €|33 000,- (modaal). Beneden een
inkomen van €|28 300,- verandert er
niets. Voor samenwonende nabestaanden en
voor verzorgers van halfwezen verdwijnt
het recht op het bedrag aan de huidige
halfwezenuitkering. Aangezien de huidige
halfwezenuitkering een bruto-uitkering
is, is het inkomenseffect afhankelijk
van het marginale belastingtarief en het
recht op toeslagen. In onderstaande
tabel is uitgegaan van gezinnen met twee
kinderen waarbij alleen de nieuwe
partner van de nabestaande werkt. Voor
de alleenstaande nabestaande is het
inkomenseffect het grootst bij modaal,
namelijk -5%. Hier is het bedrag aan huidige halfwezenuitkering volledig
afgebouwd. Bij het minimum vindt er nog
geen afbouw plaats, bij hogere inkomens
is het relatieve effect kleiner.
Voor de
hertrouwde of samenwonende nabestaande
is er sprake van het volledige verlies
van het bedrag aan huidige
halfwezenuitkering, ook bij lagere
inkomens. Immers, bij hertrouwen of
samenwonen vervalt het recht op
nabestaandenuitkering. Dit geldt ook
voor verzorgers van halfwezen die zelf
geen nabestaande zijn. Het
inkomenseffect kan oplopen tot -9¾% (hoewel dit deels gemitigeerd kan worden
door een hogere eventuele huurtoeslag)
en neemt af naarmate het inkomen
toeneemt. Ook rblz.|8|
bij huishoudens die recht
hebben op kindgebonden budget dan wel
zorgtoeslag wordt het inkomenseffect
gemitigeerd als deze toeslagen vanwege
de hoogte van het inkomen deels gekort
werden. Hiermee is reeds rekening
gehouden in het gepresenteerde
inkomenseffect.
Tabel 1.
Inkomenseffect halfwezenuitkering
integreren (mutatie besteedbaar inkomen,
in %):
| Alleenstaanden: |
| -
alleenstaand,
minimumloon |
0xxxxxxxxxx |
| -
alleenstaand,
modaal |
–5xxxxxxxxxx |
| -
alleenstaand,
2x modaal |
–3¼xxxxxxxxr |
| Gehuwd
of samenwonend (op basis van het
huishoudinkomen): |
| -
gehuwd
of samenwonend, minimumloon ¹ |
–9¾xxxxxxxxr |
| -
gehuwd
of samenwonend, modaal |
–6¾xxxxxxxxr |
| -
gehuwd
of samenwonend, 2x modaal |
–5¼xxxxxxxxr |
1.
Exclusief eventueel effect op de
huurtoeslag. Indien dit wel wordt
meegenomen: -2¼.
3.3.
Vereenvoudigingen kinderbijslag ¹
Dit
wetsvoorstel bevat een aantal
wijzigingen in de kinderbijslag. Het
doel van deze wijzigingen is het
vereenvoudigen van de kinderbijslag door
terug te keren naar het hoofddoel van de
kinderbijslag: een generieke
tegemoetkoming geven in de kosten die
ouders voor hun kinderen maken. Het
uitgangspunt hierbij is dat ouders
altijd de financiële
verantwoordelijkheid voor hun
minderjarige kind dragen. Uitzonderingen
en aanvullende voorwaarden worden zoveel mogelijk geschrapt. Voor burgers
worden de voorwaarden voor de
kinderbijslag daardoor transparanter. De
uitvoering door de SVB
kost door de
vereenvoudigingen minder tijd. Doordat
het recht op kindgebonden budget onder
meer gebaseerd is op het recht op
kinderbijslag, hebben enkele maatregelen
ook invloed op het recht op kindgebonden
budget.
1. Redactie:
artikel
I van het
wetsvoorstel (wijzigingen van de AKW)
is tijdens de parlementaire behandeling
vervallen.
Het
resultaat is dat de kinderbijslag
wordt
vereenvoudigd. Er wordt alleen nog in
het kader van de dubbele kinderbijslag
op onderhoud getoetst en er geldt nog
maar één toetsbedrag. Er wordt alleen
voor 16- en 17-jarigen op inkomen van
het kind getoetst en er is maar één
inkomensgrens. Voorts vindt een
vereenvoudiging van de
tijdbestedingsvoorwaarden plaats (door
deze voor een deel te laten vervallen)
en is er minder vaak sprake van
gesplitste betaling.
3.3.1.
Afschaffen onderhoudstoets voor
enkelvoudige kinderbijslag en
afschaffing inkomenstoets voor
uitwonende kinderen onder de 16 jaar
Huidige
regeling
Voor
thuiswonende kinderen onder de 16 jaar
geldt het verzorgingsbeginsel; dat houdt
in dat ouders het onderhoud niet hoeven
aan te tonen. Ouders moeten voor het
recht op kinderbijslag
voor kinderen van
16 en 17 jaar en voor uitwonende
kinderen wel aantonen dat ze
daadwerkelijk kosten maken (de
zogenaamde onderhoudstoets). Voor deze
groep is er recht op kinderbijslag als
een ouder minstens €|408,- per kwartaal
uitgeeft voor een kind. Voor
thuiswonende kinderen van 16 en 17 jaar
wordt het onderhoud getoetst door naar
het inkomen van het kind te kijken: als
dit onder een bepaalde grens is, wordt
aangenomen dat de ouders het kind
onderhouden. Voor uitwonende kinderen
geldt ongeacht de leeftijd een
inkomenstoets.
rblz.|9|
Aanleiding
tot vereenvoudiging
Het ieder
kwartaal aantonen dat er kosten zijn
gemaakt ten behoeve van het onderhoud
van een kind brengt de nodige
administratieve lasten voor ouders en
uitvoeringskosten voor de SVB
met zich
mee.
Voorgestelde
regeling
Het
uitgangspunt is dat ouders financieel
verantwoordelijk zijn voor hun
minderjarige kinderen. Daarom wordt
voorgesteld het verzorgingsbeginsel te
laten gelden voor alle kinderen,
ongeacht hun leeftijd en ongeacht of zij
uit- of thuiswonend zijn. Ouders hoeven
dan niet meer aan te tonen dat ze
daadwerkelijk kosten maken voor hun
kinderen.
De nieuwe
regeling gaat ervan uit dat ouders alle
kosten voor de kinderen zelf dragen. Dit
uitgangspunt gaat niet op als het kind
zoveel verdient dat het zelf voorziet in
eigen onderhoud. Om die reden blijft er
wel een toets op het inkomen van het
kind bestaan, maar alleen voor kinderen
van 16 en 17 jaar. Nieuw is dat er
straks voor uitwonende kinderen onder de
16 jaar geen toets op het inkomen meer
is. Voor deze kinderen is de toets niet
nodig omdat zij altijd naar school gaan.
Eén en ander is nu in lagere regelgeving
geregeld. Deze zal worden aangepast.
Voor de
volledigheid zij vermeld dat er wel een
onderhoudstoets voor het recht op
dubbele kinderbijslag
blijft bestaan.
Als ouders recht menen te hebben op
dubbele kinderbijslag voor hun
uitwonende kind omdat zij meer aan hun
kind uitgeven dan het toetsbedrag van €|1081,- per kwartaal, kunnen zij een
aanvraag voor dubbele kinderbijslag
doen. De SVB
zal hun dan vragen aan te
tonen dat zij voornoemd bedrag aan het
onderhoud van hun kind bijdragen.
Gevolgen
voor de uitkeringen
De
wijziging betekent dat ongeveer 52 000
ouders hun onderhoudskosten niet meer
hoeven aan te tonen. Het afschaffen van
de onderhoudstoets voor enkele kinderbijslag
betekent dat de groep
kinderen waarvoor recht op kinderbijslag
bestaat, wordt uitgebreid met circa 3750
kinderen. Voor een gedeelte van deze
kinderen zal ook recht op kindgebonden
budget ontstaan.
Effecten
voor uitkeringslasten
De
uitkeringslasten kinderbijslag
stijgen
met structureel €|3,4 miljoen per jaar
en kindgebonden budget met €|0,8
miljoen per jaar.
Effecten
voor uitvoeringskosten
De
voorgenomen wijziging zorgt voor een
structurele besparing in de
uitvoeringskosten van €|1,3 miljoen
per jaar.
Effecten
op de administratieve lasten
Door het
afschaffen van de onderhoudstoets voor
enkelvoudige kinderbijslag
nemen de
structurele administratieve lasten met
57 000 uur en €|38 000,- af.
Inkomenseffecten
Door de
maatregel ontstaat voor ongeveer 3750
huishoudens recht op kinderbijslag. Het
voordeel bedraagt tussen €|754,- en €|1078,- per kind per jaar, afhankelijk van
de leeftijdscategorie (bedragen 2012).
In tabel 3 is voor een
voorbeeldhuishouden (paar,
alleenverdiener) voor verschillende
inkomensniveaus het inkomenseffect
getoond van het verkrijgen van
kinderbijslag voor een kind tussen 12 en
17 jaar oud (kinderbijslag €|1078,- per
jaar). Als het kind jonger is, is het
inkomenseffect navenant lager; als er
voor meer dan één kind recht op
kinderbijslag ontstaat, is het
inkomenseffect navenant hoger. Door de
maatregel kan ook recht ontstaan op rblz.|10|
(meer) kindgebonden budget bij gezinnen
met een laag tot middeninkomen. Het
effect is afhankelijk van het aantal
reeds meegerekende kinderen. Maximaal is
dit bedrag voor het eerste kind €|1017,-. In dat geval is het inkomenseffect
nog eens 6¾% positiever voor het paar
op het minimum en 3% voor het paar op
modaal. Bij tweemaal modaal is het
kindgebonden budget reeds afgebouwd.
Indien er al kinderen in het gezin zijn
waarvoor kindgebonden budget ontvangen
wordt, is het positieve effect kleiner,
omdat de bedragen voor het tweede en
voor volgende kinderen lager zijn.
Tabel 2.
Inkomenseffect verkrijgen kinderbijslag
(mutatie besteedbaar inkomen, in %):
3.3.2. Beperken
tijdbestedingsvoorwaarden kinderbijslag
voor 16- en 17-jarigen
Huidige
regeling
Ouders
hebben op dit moment alleen recht op kinderbijslag
voor een 16- en 17-jarig
kind als dit voldoet aan de zogenoemde
tijdbestedingsvoorwaarden. Dat houdt in
dat het kind onderwijs volgt, op
psychische of lichamelijke gronden
ongeschikt is voor het volgen van
onderwijs of dat het werkloos is.
Aanleiding
tot vereenvoudiging
Het
onderzoek of is voldaan aan deze
tijdbestedingsvoorwaarden is
bewerkelijk. In beginsel wil de regering
daarom de tijdbestedingsvoorwaarden
geheel afschaffen. In 2010 zijn de
tijdbestedingsvoorwaarden aangepast en
werd het mogelijk de kinderbijslag
stop
te zetten bij ernstig schoolverzuim.
Jongeren zijn op grond van de Leerplichtwet
1969 tot hun 16de
leerplichtig en moeten naar school,
tenzij ze op grond van de Leerplichtwet
1969 zijn vrijgesteld van de leerplicht.
Vervolgens zijn jongeren van hun 16de tot
hun 18de kwalificatieplichtig. Dat
betekent dat ze tot hun 18de jaar
verplicht zijn een startkwalificatie te
behalen en naar school moeten gaan
zolang ze nog geen startkwalificatie
hebben, tenzij zij op grond van de
Leerplichtwet 1969 een vrijstelling van
de kwalificatieplicht hebben. Een
startkwalificatie is een diploma voor
HAVO, VWO of MBO niveau 2.
Wanneer
de jongere van 16 of 17 zonder
startkwalificatie ongeoorloofd verzuimt
of niet ingeschreven staat bij een
school, kan de leerplichtambtenaar dit
melden bij de SVB. De SVB zet in
beginsel de kinderbijslag stop als het
verzuimgedrag niet tijdig wordt
hersteld. Dit wordt vooralsnog niet
gewijzigd.
Daarnaast
zijn er nu ook tijdbestedingsvoorwaarden voor 16- of
17-jarigen mét een startkwalificatie.
Om hun ouders in aanmerking te laten
komen voor kinderbijslag
moeten zij, na
het behalen van de startkwalificatie,
een vervolgstudie (anders dan onderwijs
waarbij deelnemers in aanmerking komen
voor studiefinanciering) volgen of op
psychische of lichamelijke gronden
daarvoor ongeschikt zijn, of werkloos
zijn.
Deze
tijdbestedingsvoorwaarden wil de
regering schrappen. Voor kinderen met
een startkwalificatie geldt dat ouders
en kind een eigen verantwoordelijkheid
hebben met betrekking tot hoe kinderen
hun tijd besteden. Het schrappen van de
tijdbestedingsvoorwaarden voor degenen
met een startkwalificatie maakt de
uitvoering minder complex en vergroot de
eigen verantwoordelijkheid van de
burger.
rblz.|11|
Voorgestelde
regeling
Voorgesteld
wordt de tijdbestedingsvoorwaarden voor
kinderen van 16 en 17 jaar met een
startkwalificatie of een vrijstelling
van de kwalificatieplicht te laten
vervallen. De mogelijkheid om de kinderbijslag
voor kinderen van 16 en 17
jaar die nog geen startkwalificatie
hebben gehaald stop te zetten, blijft
vooralsnog gehandhaafd, onder meer omdat
deze pas relatief kort van kracht is.
Het kabinet zal in 2013 op basis van een
evaluatie bezien of het wenselijk is om
voor deze groep de toets op de
tijdbestedingsvoorwaarden te handhaven.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Het
afschaffen van de
tijdbestedingsvoorwaarden voor kinderen
met startkwalificatie zorgt ervoor dat
voor ongeveer 1150 kinderen recht op kinderbijslag
ontstaat. Voor een
gedeelte van deze kinderen zal ook recht
op kindgebonden budget ontstaan.
Effecten
op uitkeringslasten
De
structurele uitkeringslasten stijgen met
circa €|1,2 miljoen per jaar
(kinderbijslag) en €|0,4 miljoen per
jaar (kindgebonden budget).
Effecten
op uitvoeringskosten
Doordat
de SVB niet langer onderzoekt wat de
tijdbesteding is van 16- en 17-jarigen
met startkwalificatie, zullen de
uitvoeringskosten structureel dalen met €|0,2 miljoen per jaar.
Effecten
op de administratieve lasten
Door het
beperken van de
tijdbestedingsvoorwaarden nemen de
structurele administratieve lasten met
23 000 uur en €|15 000,- af.
Inkomenseffecten
Huishoudens
die door deze maatregel geraakt worden,
ondervinden een positief inkomenseffect.
Dit inkomenseffect komt overeen met dat
getoond in de vorige paragraaf
3.3.1.
3.3.3.
Beperken gesplitste betaling
kinderbijslag tot uitzonderingsgevallen
Huidige
regeling
Voor
ieder kind wordt er slechts eenmaal kinderbijslag
uitbetaald. Op verzoek kan
de uitbetaling gesplitst, dus aan meer
dan één persoon, plaatsvinden.
Afhankelijk van de individuele situatie
kunnen de delen van verschillende
grootte zijn.
Aanleiding
tot vereenvoudiging
De
gesplitste betaling is een service van
de overheid aan de burger. Deze service
kost €|0,3 miljoen per jaar.
Voorgestelde
regeling
Voorgesteld
wordt het gesplitst betalen te beperken
tot bij ministeriële regeling te
bepalen groepen. Hierbij wordt met name
gedacht aan de groep co-ouders.
Uitgangspunt is dat ouders zelf in staat
zijn om de kinderbijslag
te verdelen. Na
het uitbetalen van de kinderbijslag aan
de rechthebbende kan de rechthebbende er
zelf voor zorgen dat indien dat
wenselijk is, een deel van de
kinderbijslag naar een andere rekening
wordt overgemaakt. Het afschaffen van
het bieden van de mogelijkheid tot
gesplitste betaling betekent voor 41 000
ouders dat zij eenmalig hun
administratie moeten aanpassen door een
deel van de kinderbijslag over te maken
naar een ander rekeningnummer.
Voor
co-ouders wordt voorgesteld de
mogelijkheid van gesplitst betalen niet
af te schaffen. Als meerdere verzekerden
recht op kinderbijslag
voor rblz.|12|
eenzelfde
kind hebben, is voor de uitbetaling van
de kinderbijslag relevant bij wie het
kind woont. Met name bij co-ouders is
sprake van een bijzondere situatie
doordat het kind afwisselend tot de
huishoudens van beide ouders behoort.
Het
geheel vervallen van de mogelijkheid van
gesplitste betaling zou voor deze groep
naar verwachting tot een aanzienlijke
toename van bezwaar- en beroepszaken
leiden over de vraag aan welke ouder de
kinderbijslag uitbetaald wordt. Dat zou
de beoogde vereenvoudiging voor de
uitvoering voor een groot deel tenietdoen.
Daarnaast
hecht de regering aan de mogelijkheid
van co-ouderschap. Bij co-ouderschap,
waar ouders zelf afspraken hebben weten
te maken over een verdeling van de zorg-
en opvoedingstaken, acht de regering het
dan ook onwenselijk om drempels op te
werpen in de uitvoering van deze
afspraken. Uitgangspunt ook bij
co-ouders is dat ouders samen aanwijzen
wie recht op kinderbijslag krijgt en
dat de SVB indien de ouders dat wensen,
aan iedere ouder de helft van de
kinderbijslag kan betalen. Door van een
standaardpercentage van 50% uit te gaan,
zal de SVB ook voor deze relatief kleine
groep besparen op de uitvoeringskosten.
Gevolgen
voor de uitkeringen
Er zijn
geen gevolgen voor de uitkering zelf. De
wijziging heeft alleen gevolgen voor de
manier waarop uitbetaald wordt.
Effecten
op uitkeringslasten
Er zijn
geen effecten op de uitkeringslasten
omdat de hoogte van de uitkering door
dit voorstel niet verandert.
Effecten
op de administratieve lasten
Door het
beperken van de gesplitste betalingen
zijn er eenmalige administratieve lasten
(in 2013) van 37 000 uur en €|5000,-. De
structurele administratieve lasten nemen
echter met 6000 uur af.
Effecten
op uitvoeringskosten
De
uitvoeringskosten dalen structureel met €|0,2 miljoen per jaar.
3.4.
Communicatie
De inhoud
van het wetsvoorstel en informatie over
de behandeling door het parlement is
geplaatst op de website van de
rijksoverheid. Daarnaast zullen de
uitvoeringsorganisaties hun klanten
inlichten.
3.5.
Gevolgen voor andere regelingen
Op grond
van de Wet
op het kindgebonden budget (Wkb) is er, onder voorwaarden, recht op
kindgebonden budget voor kinderen
waarvoor recht op kinderbijslag
bestaat.
Hierop bestaan twee uitzonderingen:
namelijk als er geen recht op
kinderbijslag is omdat het kind niet
voldoet aan de tijdbestedingsvoorwaarden of omdat het
kind recht op studiefinanciering heeft.
In die uitzonderingsgevallen ontvangen
de ouders toch kindgebonden budget.
In dit
wetsvoorstel wordt nu voorgesteld de
tweede uitzondering te laten vervallen
voor toekomstige gevallen. Dit betekent
dat vanaf de datum waarop deze wet in
werking treedt geen recht op
kindgebonden budget meer zal ontstaan
voor kinderen met studiefinanciering. De
reden hiervoor is tweeledig: het
vereenvoudigt de uitvoering voor de SVB
omdat deze kinderen niet apart gevolgd
en doorgegeven hoeven te worden aan de Belastingdienst/Toeslagen en het maakt
een eind aan de ongewenste situatie dat
onderscheid wordt gemaakt tussen
kinderen met studiefinanciering onder en
boven de 18 jaar. Het betreft circa 330
kinderen per jaar. rblz.|13|
De wijziging geldt
alleen voor nieuwe gevallen. De
uitkeringslasten zijn beperkt (€|-0,1 miljoen) en zijn meegenomen bij
maatregel 3.3.2, beperken
tijdbestedingsvoorwaarden kinderbijslag.
4.
Financiële gevolgen en regeldruk
Gevolgen
voor de uitkeringslasten
De
maatregelen leiden per saldo tot een
besparing op de uitkeringslasten van
ongeveer €|10 miljoen in 2013, oplopend
tot €|25 miljoen in 2016.
Tabel 3.
Gevolgen uitkeringslasten (x €|1
miljoen):
| x |
r2013r |
r2014r |
r2015r |
r2016r |
| 3.1.
Niet uitbetalen kleine (2%) AOW-pensioenen |
0,0 |
0,0 |
–0,2 |
–0,5 |
| 3.2.
Anw-halfwezenuitkering
integreren met
nabestaandenuitkering |
–15,0 |
–30,0 |
–30,0 |
–30,0 |
| 3.3.
Vereenvoudigingen kinderbijslag |
4,7 |
5,8 |
5,8 |
5,8 |
| 3.3.1.
Afschaffen onderhoudstoets
enkelvoudige kinderbijslag |
AKW |
2,6 |
3,4 |
3,4 |
3,4 |
| Wkb |
0,8 |
0,8 |
0,8 |
0,8 |
| 3.3.2.
Beperken tijdbestedingsvoorwaarden
kinderbijslag |
AKW |
0,9 |
1,2 |
1,2 |
1,2 |
| Wkb |
0,4 |
0,4 |
0,4 |
0,4 |
| 3.3.3.
Beperken gesplitste betalingen
kinderbijslag |
0,0 |
0,0 |
0,0 |
0,0 |
| Totaal
gevolgen uitkeringslasten |
–10,0 |
–24,0 |
–24,0 |
–25,0 |
Gevolgen
voor de uitvoeringskosten
De
voorstellen leiden tot vereenvoudigingen
in de uitvoering bij de SVB; minder en
eenvoudigere regels in combinatie met
automatisering leiden tot minder
handelingen, aanvragen, verstrekkingen,
controle en daardoor tot minder
activiteiten bij de SVB. De besparingen
op de uitvoeringskosten zijn hieronder
samengevat en bedragen €|1,9 miljoen
in 2013, oplopend tot €|2,2 miljoen
structureel.
Tabel 4.
Gevolgen uitvoeringskosten (x €|1
miljoen):
| x |
2013 |
2014 |
2015 |
r2016r |
| 3.1.
Niet uitbetalen kleine (2%) AOW-pensioenen |
0,0xx |
0,0xx |
–0,1xx |
–0,1xx |
| 3.2.
Anw-halfwezenuitkering
integreren met
nabestaandenuitkering |
–0,2xx |
–0,3xx |
–0,3xx |
–0,3xx |
| 3.3.
Vereenvoudigingen kinderbijslag |
–1,8xx |
–1,8xx |
–1,8xx |
–1,8xx |
| 3.3.1.
Afschaffen onderhoudstoets
enkelvoudige kinderbijslag |
–1,3xx |
–1,3xx |
–1,3xx |
–1,3xx |
| 3.3.2.
Beperken tijdbestedingsvoorwaarden
kinderbijslag |
–0,2xx |
–0,2xx |
–0,2xx |
–0,2xx |
| 3.3.3.
Beperken gesplitste betalingen
kinderbijslag |
–0,2xx |
–0,2xx |
–0,2xx |
–0,2xx |
| Totaal
gevolgen uitkeringskosten |
–1,9xx |
–2,1xx |
–2,2xx |
–2,2xx |
Gevolgen
voor de administratieve lasten
Als
gevolg van de maatregelen is er
structureel minder contact nodig tussen
burgers en de SVB en hoeven burgers ook
minder informatie aan de SVB aan te
leveren. Hierdoor nemen de
administratieve lasten voor burgers
structureel af. Wel leiden sommige
maatregelen op korte termijn tot een
tijdelijke toename van de
administratieve lasten, omdat burgers
hier vragen over stellen aan de SVB of
bezwaar maken.
rblz.|14|
Tabel 5a.
Gevolgen administratieve lasten (x 1000
uren):
| x |
2013 |
2014 |
2015 |
r2016r |
| 3.1.
Niet uitbetalen kleine (2%) AOW-pensioenen |
0xx |
0xx |
–5xx |
–6xx |
| 3.2.
Anw-halfwezenuitkering
integreren met
nabestaandenuitkering |
–1xx |
–9xx |
–9xx |
–9xx |
| 3.3.
Vereenvoudigingen kinderbijslag |
–43xx |
–87xx |
–87xx |
–87xx |
| 3.3.1.
Afschaffen onderhoudstoets
enkelvoudige kinderbijslag |
–57xx |
–57xx |
–57xx |
–57xx |
| 3.3.2.
Beperken tijdbestedingsvoorwaarden
kinderbijslag |
–23xx |
–23xx |
–23xx |
–23xx |
| 3.3.3.
Beperken gesplitste betalingen
kinderbijslag |
37xx |
–6xx |
–6xx |
–6xx |
| Totaal
gevolgen administratieve lasten
(uren) |
–44xx |
–95xx |
–100xx |
–101xx |
Tabel 5b.
Gevolgen administratieve lasten (x €|1000,-):
| x |
2013 |
2014 |
2015 |
r2016r |
| 3.1.
Niet uitbetalen kleine (2%) AOW-pensioenen |
0xx |
0xx |
–3xx |
–6xx |
| 3.2.
Anw-halfwezenuitkering
integreren met
nabestaandenuitkering |
0xx |
–1xx |
–1xx |
–1xx |
| 3.3.
Vereenvoudigingen kinderbijslag |
–48xx |
–53xx |
–53xx |
–53xx |
| 3.3.1.
Afschaffen onderhoudstoets
enkelvoudige kinderbijslag |
–38xx |
–38xx |
–38xx |
–38xx |
| 3.3.2.
Beperken tijdbestedingsvoorwaarden
kinderbijslag |
–15xx |
–15xx |
–15xx |
–15xx |
| 3.3.3.
Beperken gesplitste betalingen
kinderbijslag |
5xx |
0xx |
0xx |
0xx |
| Totaal
gevolgen administratieve lasten
(kosten) |
–48xx |
–54xx |
–57xx |
–60xx |
5.
Ontvangen commentaren
Uitvoeringstoets
en toezichtbaarheidstoets
Het
wetsvoorstel is voor advies voorgelegd
aan de SVB, de
Belastingdienst/Toeslagen
en de Inspectie
SZW.
In de
uitvoeringstoets van 20 december 2011 ¹
adviseert de SVB
het voorstel met
betrekking tot de AOW-kruimelpensioenen
niet in de voorgelegde vorm in te
dienen. De besparing die met
voorgestelde beëindiging van de lopende
AOW-kruimelpensioenen per 1 januari 2016
zou worden bereikt, weegt volgens de SVB
niet op tegen de te maken kosten voor de
implementatie van de maatregel. Daarop
heeft de regering besloten de lopende
AOW-kruimelpensioenen ongemoeid te laten
en met ingang van 1 januari 2015 alleen
nieuwe AOW-kruimelpensioenen niet toe te
kennen.
De
voorgestelde wijzigingen in de Anw
en
AKW acht de SVB uitvoerbaar.
Ten
aanzien van de Anw heeft de SVB
suggesties gedaan die de vormgeving van
de voorgestelde wijziging betreffen.
Deze zijn overgenomen.
De SVB
stelt daarnaast voor om voor co-ouders
de mogelijkheid voor gesplitste betaling
van kinderbijslag
in stand te houden om
extra uitvoeringskosten door een toename
van bezwaar- en beroepsprocedures te
voorkomen. Hieraan is in het
wetsvoorstel tegemoetgekomen.
Ten
aanzien van de voorwaarden voor
uitbetalen van kindgebonden budget en de
voorwaarden voor kinderbijslag geeft de
SVB in overweging deze meer gelijk te
trekken. De regering kan hiermee
instemmen. Zoals toegelicht in paragraaf
3.5 is het wetsvoorstel hierop
aangepast.
rblz.|15|
De SVB
heeft ten slotte een aantal
wetstechnische opmerkingen gemaakt die
in onderling overleg zijn verwerkt.
1. Ter
inzage gelegd bij het Centraal
Informatiepunt van de Tweede Kamer.
Het
voorstel gaf bij de belastingdienst geen
aanleiding tot opmerkingen.
De Inspectie
SZW heeft geen opmerkingen
over de toezichtbaarheid. De
wetstechnische opmerkingen zijn verwerkt
in het
wetsvoorstel.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet [vervallen,
red.]
Onderdeel
A [vervallen, red.]
Op grond
van het huidige artikel 7 van de
AKW kan
een verzekerde overeenkomstig de
bepalingen van de
AKW recht hebben op kinderbijslag
voor een eigen kind, een
aangehuwd kind of een pleegkind. Eén van
de voorwaarden voor het recht op
kinderbijslag voor kinderen van 16 of 17
jaar die tot het huishouden van de
verzekerde behoren, is dat de verzekerde
hen "in belangrijke mate onderhoudt"
(artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van
de
AKW). Deze onderhoudsvoorwaarde geldt
op grond van artikel
7, eerste lid,
onderdeel b, van de
AKW ook voor alle
kinderen (0 tot en met 18 jaar) van de verzekerde
die uitwonend zijn. Voorgesteld wordt om
deze voorwaarde voor beide groepen te
laten vervallen. Hiermee wordt
bewerkstelligd dat de verzekerde (voor
een kind) ongeacht de woonsituatie en
leeftijd van zijn kind(eren) recht heeft
op algemene kinderbijslag op grond van
artikel 7, eerste lid, van de
AKW. Voor
een nadere toelichting op het afschaffen
van de onderhoudstoets voor enkelvoudige
kinderbijslag wordt verwezen naar
paragraaf 3.4.1 [lees: paragraaf
3.3.1, red.] van het algemeen deel
van de memorie van toelichting.
Voor
kinderen van 16 en 17 jaar krijgen
ouders nu - op grond van het huidige
artikel 7, tweede lid, van de
AKW
- alleen kinderbijslag
als deze kinderen
onderwijs volgen, gehandicapt zijn of
werkloos zijn. Met andere woorden: voor
het recht op kinderbijslag voor 16- en
17-jarigen worden voorwaarden gesteld
aan hun tijdbesteding. Voorgesteld
wordt om deze voorwaarden deels te laten
vervallen. Alleen indien een 16- of
17-jarige geen startkwalificatie heeft,
dient deze onderwijs te volgen (te
voldoen aan de eisen uit de Leerplichtwet
1969 (LPW 1969)), willen
de ouders recht op kinderbijslag hebben
voor dat kind. De voorgestelde
onderdelen a en b van het tweede lid
zijn hiertoe ongewijzigd overgenomen uit
het huidige tweede lid (onderdeel a
respectievelijk onderdeel c) van artikel
7 van de
AKW. Voor een nadere
toelichting op de LPW 1969 wordt verwezen
naar paragraaf 3.4.3 [lees: paragraaf
3.3.2, red.] van het algemeen
deel van de memorie van toelichting. Het
wetsvoorstel brengt dus geen wijziging
aan in de tijdbestedingsvoorwaarden
voor kinderen van 16 en 17 jaar zónder
startkwalificatie, maar schrapt wel de
huidige nadere voorwaarden voor kinderen
van 16 en 17 jaar mét
startkwalificatie.
Het
voorgestelde nieuwe vierde lid bepaalt
dat het tweede, derde en vierde lid op
een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip kunnen vervallen. De wet regelt
in dit geval dat deze artikelleden
kunnen vervallen, alleen het tijdstip
wordt bij koninklijk besluit bepaald.
Dit is afhankelijk van de uitkomsten van
een evaluatieonderzoek naar de
tijdbestedingsvoorwaarden zoals nu
opgenomen in het (nieuwe) tweede lid.
In het
voorgestelde nieuwe vijfde lid wordt
geregeld dat het inkomen van het kind
van 16 en 17 jaar bepalend is voor het
recht op kinderbijslag. Het voorgestelde
nieuwe vijfde lid biedt ook de
mogelijkheid om bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur nadere
regels te stellen met betrekking tot het
inkomen van het kind. Daarbij zal
bijvoorbeeld worden rblz.|16|
geregeld wat wordt
verstaan onder het inkomen van het kind.
Indien het kind meer dan een bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur
te bepalen grensbedrag verdient, dan
bestaat er geen recht meer op
kinderbijslag ten behoeve van dat kind.
Het
huidige derde lid van artikel 7 van de
AKW regelt in welke gevallen ouders
recht hebben op dubbele kinderbijslag.
Een voorbeeld hiervan is als een kind
jonger is dan 16 jaar en in verband met
ziekte uitwonend is. Het recht op twee
keer het kinderbijslagbedrag wordt
geregeld in het voorgestelde zesde lid.
Het voorgestelde nieuwe zesde lid
betreft ook de onderhoudstoets.
Onderhavig wetsvoorstel kent alleen nog
een onderhoudstoets als voorwaarde voor
het recht op dubbele kinderbijslag. De
onderhoudsvoorwaarde vervalt immers als
voorwaarde voor het recht op reguliere ("enkele") kinderbijslag. Hiermee komt
het onderscheid tussen het "in
belangrijke mate" en het "grotendeels" onderhouden te
vervallen. Gekozen is om deze termen
niet meer te gebruiken in het
voorgestelde zesde lid, maar het te
hebben over "een bijdrage (...) aan het
onderhoud van het kind".
Het
huidige vierde lid, onderdeel a, van
artikel 7 kan vervallen. Het huidige
vierde lid, onderdeel a, van artikel 7
brengt een samenhang aan tussen
inkomenstoets en onderhoudstoets. In de
nieuwe situatie zijn beide toetsen
losgekoppeld en gaat de inkomenstoets in
de tijd vóór de onderhoudstoets.
Hierdoor is dit onderdeel niet meer
nodig.
Het
huidige zesde tot en met tiende lid
hebben betrekking op het huidige tweede
lid van artikel 7 van de
AKW, waarin de
tijdbestedingsvoorwaarden staan. Door
het afschaffen van een aantal
voorwaarden betreffende de tijdbesteding voor 16- en 17-jarigen
worden het huidige zevende tot en met
negende lid overbodig en kunnen zij
vervallen (omdat deze leden zien op het
huidige artikel
7, tweede lid, onderdeel
d, van de
AKW).
Het
voorgestelde achtste lid komt overeen
met het huidige artikel
7, zesde lid,
van de
AKW. In het huidige zesde lid van
artikel 7 is vastgelegd dat wanneer de
studie wordt beëindigd tijdens of bij
het begin van een schoolvakantie, dan
wel kort vóór de schoolvakantie wordt
afgesloten met een eindexamen, de
schoolvakantie als onderwijsperiode
wordt aangemerkt. Het zal immers vaak
niet goed mogelijk zijn wanneer een
leerling na de schoolvakantie niet naar
school terugkeert, te bepalen wanneer de
studie exact beëindigd is. Dit betekent
dan ook dat nu reeds voor deze
schoolverlaters recht op kinderbijslag
over het derde kwartaal bestaat.
Aangezien in het voorgestelde zesde lid
de term "onderwijs" wordt gebruikt, is
dat vanuit redactionele overwegingen in
het voorgestelde achtste lid ook gedaan.
Het
voorgestelde negende lid is inhoudelijk
gelijk aan het huidige vierde lid,
onderdeel b, van artikel 7 van de
AKW.
Onderdeel
B [vervallen, red.]
De tekst
van artikel
11, tweede en derde lid, van
de
AKW is aangepast omwille van de
leesbaarheid. Op grond van het huidige
artikel 11, eerste lid, van de
AKW kan
een persoon alleen recht hebben op kinderbijslag indien deze persoon op de
eerste dag van de kalendermaand [lees:
kalenderkwartaal, red.], de
peildatum (dit zijn 1 januari, 1 april,
1 juli en 1 oktober van het
desbetreffende jaar) wordt [lees: ,
wordt, red.] aangemerkt
als verzekerde of indien deze persoon
op de peildatum voldoet aan de
voorwaarden van artikel 7c
van de
AKW.
Bovendien is voor het recht op
kinderbijslag voor een bepaald kwartaal
ingevolge artikel
11, tweede lid, van de
AKW ook doorslaggevend of op de eerste
dag van het desbetreffende kwartaal
(deze peildatum) wordt rblz.|17|
voldaan aan de
voorwaarden voor het recht op
kinderbijslag zoals opgenomen in artikel
7. Ingevolge het derde lid wordt echter
bepaald dat de SVB
(in afwijking van het
tweede lid) naar het eigen inkomen van
het 16- en 17-jarig kind over het gehele
kalenderkwartaal dient te kijken. Indien
het eigen inkomen gedurende het kwartaal
een, bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur te bepalen, grensbedrag
overschrijdt, dan bestaat er geen recht
meer op kinderbijslag ten behoeve van
dat kind over dat kwartaal.
Onderdeel
C [vervallen, red.]
In het
huidige artikel
18, zevende lid, van de
AKW is de mogelijkheid om kinderbijslag
in gedeelten aan verschillende
rechthebbenden te betalen, oftewel de
gesplitste betaling, geformaliseerd.
In het
nieuwe zevende lid wordt voorgesteld om
gesplitste betaling door de SVB
alleen
mogelijk te maken in bij ministeriele
regeling te bepalen gevallen. Deze
bepaling biedt de mogelijkheid om te
regelen dat, indien
AKW uitbetaald wordt
op grond van het tweede tot en met het
zesde lid, de verzekerde de SVB kan
verzoeken de kinderbijslag in twee
gelijke delen aan beide ouders uit te
betalen.
Artikel
II. Wijziging van de Algemene
nabestaandenwet
Onderdeel
A
De
wijziging van de Anw
voorziet in het
integreren van de halfwezenuitkering in
de nabestaandenuitkering. Dit heeft als
gevolg dat de halfwezenuitkering als
aparte uitkering naast de nabestaanden-
en wezenuitkering kan komen te vervallen
(zie artikel II, onderdeel
C). In
verband daarmee bestaat er geen behoefte
meer aan een omschrijving van het begrip
"halfwees" en kan deze omschrijving
dus worden geschrapt.
Bij
artikel II, onderdeel A, van de Wet
sociale verzekeringen continentaal plat
is per abuis aan artikel 1 een tweede
onderdeel n toegevoegd. Van deze
gelegenheid wordt gebruikt gemaakt om
dit herstellen.
Onderdeel
B
In
artikel 5, eerste lid, is aangegeven wie
er in de wet en de daarop berustende
bepalingen voor het recht op
nabestaandenuitkering als kind wordt
aangemerkt. Met de zinsnede "voor het
recht op nabestaandenuitkering" is
duidelijk gemaakt dat de definiëring
van het begrip kind alleen voor het
recht op nabestaandenuitkering van
betekenis is en dus niet voor het recht
op halfwezenuitkering. Voor dat laatste
recht is in artikel
1, onderdeel e,
namelijk een specifieke definitie van
het begrip "halfwees" opgenomen. Nu er
door het vervallen van de
halfwezenuitkering en het in verband
daarmee schrappen van de omschrijving
van het begrip "halfwees" geen
onduidelijkheid meer kan bestaan over de
toepassing van het begrip "kind", kan
de bedoelde zinsnede worden geschrapt.
Onderdeel
C
De
integratie van de halfwezenuitkering in
de nabestaandenuitkering wordt zodanig
vormgegeven dat de nabestaande die
recht heeft op nabestaandenuitkering op
grond van artikel
14, eerste lid, onderdeel a, recht krijgt op een 20% hogere
nabestaandenuitkering. Dit is gelijk aan
de huidige halfwezenuitkering van 20%
van het nettominimumloon. Dit betreft
de nabestaanden die een ongehuwd kind
hebben van jonger dan 18 jaar dat tot
hun huishouden behoort. Nabestaanden
zonder tot hun huishouden behorende
kinderen van jonger dan 18 jaar hebben
recht op een nabestaandenuitkering van
70% van het nettominimumloon.
Nabestaanden met tot hun huishouden
behorende kinderen van jonger dan 18
jaar krijgen dan recht op een
nabestaandenuitkering van 90% van het
nettominimumloon.
rblz.|18|
Verder is
de tekst van artikel
17, tweede lid,
aangepast in verband met de wijzigingen
die met ingang van 1 januari 2013 (zie
het Besluit van 6 februari 2012 tot
inwerkingtreding van de Wet
uniformering loonbegrip (Stb.
2012, 45) door
artikel IV,
onderdeel B, van de Wet
uniformering loonbegrip zullen worden doorgevoerd.
In
artikel 5, eerste lid, is bepaald dat in
de wet en de daarop berustende
bepalingen voor het recht op
nabestaandenuitkering als kind wordt
aangemerkt, niet alleen een eigen kind,
maar ook een aangehuwd kind of pleegkind
in de zin van de AKW. Dit impliceert dat de
integratie van de halfwezenuitkering in
de nabestaandenuitkering als gevolg
heeft dat nabestaanden met een pleegkind
of aangehuwd kind, die thans geen recht
op halfwezenuitkering hebben, wel recht
krijgen op de hogere
nabestaandenuitkering.
Onderdeel
D
In
artikel II, onderdeel OA, van de Verzamelwet
SZW 2012 is met ingang van 1
april 2012 aan artikel 18 van de
Anw een
derde lid toegevoegd. In artikel II,
onderdeel B, van de Wet
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid
wordt aan
genoemd artikel 18 abusievelijk eveneens
een derde lid toegevoegd. Laatstgenoemd artikel
II treedt met ingang van 1 juli
2012 in werking, behalve voor personen
die vóór die datum al recht op een Anw-uitkering hadden. De onderhavige
wijziging strekt ertoe het laatst
toegevoegde derde lid te hernummeren
naar vierde lid.
Onderdeel
E
In
artikel 19 is geregeld dat de
nabestaandenuitkering bij wijziging van
het inkomen wordt herzien en dat een
dergelijke herziening ingaat op de
eerste dag van de maand waarin die
wijziging van het inkomen zich voordoet.
Als
gevolg van onderhavige wetswijziging
moet de nabestaandenuitkering ook worden
herzien onder andere omstandigheden dan
wijziging van het inkomen, als
bijvoorbeeld de nabestaandenuitkering
moet worden gewijzigd van 90% van het
nettominimumloon naar 70% van het
nettominimumloon. In artikel
19, tweede
lid, is daarom een bepaling opgenomen
waarin geregeld wordt wanneer een
herziening in dat geval moet ingaan.
Onderdelen
F, G,
I,
J,
K,
M tot en met U en
W
In
verband met het vervallen van de
halfwezenuitkering als aparte uitkering
en het schrappen van de paragrafen 3 en
4 [lees: paragrafen
3 en 4
van afdeling
I, red.] (artikelen 22 tot en met
25) van
hoofdstuk 3 kunnen in alle
desbetreffende artikelen de verwijzingen
naar de halfwezenuitkering
respectievelijk naar de artikelen 22 tot
en met 25 vervallen.
Onderdeel
H
De in
artikel 26, tweede lid, onderdeel a, b en
c,
opgenomen tijdbestedingsvoorwaarden
voor kinderen van 16 of 17 jaar of
kinderen van 18, 19 of 20 jaar komen
overeen met de tijdbestedingsvoorwaarden voor kinderen
van 16 of 17 jaar zoals opgenomen in
artikel 7, tweede lid, van de
AKW. In
het voorgestelde nieuwe tweede lid van
artikel 7 [vervallen, red.] zijn de
tijdbestedingsvoorwaarden opgenomen
voor kinderen van 16 of 17 jaar die nog
geen startkwalificatie hebben behaald.
In het voorgestelde nieuwe artikel
7,
vierde lid, van de
AKW [vervallen, red.] is bepaald
dat het tweede en derde lid op een bij
koninklijk besluit te bepalen tijdstip
kunnen vervallen (zie artikel
I, onderdeel A [vervallen, red.]). Het laten vervallen van
deze artikelleden is afhankelijk van een
evaluatieonderzoek naar het voorgestelde
nieuwe tweede lid. In verband met de
mogelijkheid van het laten vervallen van
de tijdbestedingsvoorwaarden zoals
opgenomen in artikel
7, tweede lid, van
de
AKW worden tevens de
tijdbestedingsvoorwaarden in artikel
26, tweede lid, onderdeel a, b en
c,
aangepast. Dit artikel treedt echter
alleen inwerking indien rblz.|19|
het voorgestelde
nieuwe tweede, derde lid en vierde lid
van artikel 7
bij koninklijk besluit
vervallen.
In
artikel 26, tweede lid, aanhef en onder a, juncto
artikel 26, eerste lid, is
thans bepaald dat een ouderloos kind van
16 of 17 jaar recht heeft op
wezenuitkering als ten aanzien van dat
kind is voldaan aan de verplichtingen,
bedoeld in de artikelen 2, eerste lid,
en 4a, eerste lid, van de LPW
1969, dan
wel één van de vrijstellingen van die
verplichtingen op grond van die
wet van
toepassing is. In artikel 2, eerste lid,
van de LPW
1969 is voor degene die het
gezag over een jongere uitoefent de
verplichting opgenomen om ervoor te
zorgen dat de jongere als leerling van
een school staat ingeschreven en deze
school na inschrijving geregeld bezoekt.
In artikel 4a, eerste lid, is voor
degene die het gezag over de jongere
uitoefent de verplichting opgenomen om
ervoor te zorgen dat de jongere als
leerling of deelnemer staat ingeschreven
bij een school of instelling die
volledig dagonderwijs dan wel een bij de
wet geregelde combinatie van leren en
werken verzorgt en dat hij deze school
of instelling geregeld bezoekt. De
verwijzing naar de genoemde artikelen
van de LPW
1969 heeft als gevolg dat de
wees om voor een wezenuitkering in
aanmerking te komen niet alleen
ingeschreven moet zijn bij een school of
instelling, maar deze ook regelmatig
moet bezoeken.
Voorgesteld
wordt om, als het tweede, derde en
vierde lid van artikel 7
AKW vervallen,
artikel 26, tweede lid, onderdeel a, zodanig
te wijzigen dat het regelmatig bezoeken
van de school of instelling voor de
wezenuitkering niet meer als voorwaarde
geldt. Volstaan wordt dan met het
ingeschreven staan bij een school of
instelling. De SVB
behoeft vanaf dat
moment dus alleen nog de inschrijving te
controleren en niet meer het regelmatige
schoolbezoek, zodat de SVB daarover geen
contact meer behoeft te onderhouden met
gemeenten en leerplichtambtenaren. Het
is aan de school, voogd en
leerplichtambtenaar om eventueel
schoolverzuim te corrigeren.
Onderdeel
L
Dit
wetsvoorstel voorziet in de introductie
van een hoge en een lage
nabestaandenuitkering van
respectievelijk 90% en 70% van het
nettominimumloon. Dit impliceert dat
ook het artikel waarin de hoogte van de
vakantie-uitkering wordt geregeld (artikel
31), moet worden aangepast. Ingeval er recht bestaat op de hoge
nabestaandenuitkering, dan moet uiteraard
de vakantie-uitkering worden berekend op
basis van die hoge
nabestaandenuitkering.
Onderdeel
V
In
verband met het vervallen van de
halfwezenuitkering als aparte uitkering
kan in artikel
67, eerste lid, aanhef,
de verwijzing naar de halfwezenuitkering
vervallen (onderdeel
V, onder 1 en 5).
Onderdeel
V, onder 2, voorziet in het laten
vervallen van artikel
67, vijfde lid.
Dit artikellid kan vervallen omdat het
in dat artikellid bedoelde besluit op
grond van artikel 30a van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet (AWW) zoals dat
artikel luidde op de dag voorafgaand aan
de inwerkingtreding van de
wet slechts
tot 1 januari 1998 van toepassing is
gebleven. Onderdeel
V, onder 2, voorziet
tevens in het laten vervallen van
artikel 67, zesde en elfde lid. Deze
leden kunnen vervallen omdat de
halfwezenuitkering als aparte uitkering
wordt geschrapt. Bovendien heeft het
zesde lid slechts gegolden tot 1 januari
1998.
In
verband met het vervallen van het
vijfde, zesde en elfde lid worden de
overige leden van het artikel vernummerd
(onderdeel
V, onder 3 en 4). Daarbij
wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt
om de dubbele nummering van de laatste
twee leden van het artikel te
corrigeren. In artikel II, onderdeel
E,
van de Verzamelwet
SZW 2012 is met
ingang van 1 april 2012 aan artikel 67
van de Anw een twaalfde lid toegevoegd.
In rblz.|20|
artikel II, onderdeel
G, van de Wet
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid
wordt aan genoemd artikel 67
abusievelijk eveneens een twaalfde lid
toegevoegd. Laatstgenoemd artikel II
treedt met ingang van 1 juli 2012 in
werking, behalve voor personen die vóór
die datum al recht op een Anw-uitkering
hadden. Voor laatstbedoelde personen
treedt de wet met ingang van 1 januari
2013 in werking. De onderhavige
wijziging strekt er dus mede toe deze
dubbele nummering te corrigeren.
Onderdeel
X
Dit
onderdeel voorziet in het laten
vervallen van artikel
69. Dit artikel
regelt dat de persoon die op de dag
voorafgaand aan de inwerkingtreding van
de Anw (30 juni 1996) recht had op een
tijdelijke uitkering op grond van
artikel 13 van de AWW, deze uitkering
behoudt voor de nog resterende periode
die is vastgesteld op grond van dit
artikel van de AWW, tot de dag met
ingang waarvan hij een nieuw recht heeft
op nabestaandenuitkering op grond van
deze wet [lees: van de Anw, red.]. Omdat de bedoelde tijdelijke
uitkering op grond van artikel 13,
tweede lid, onderdeel b, van de AWW niet
langer kon duren dan 20 maanden, is dit
artikel inmiddels al geruime tijd
uitgewerkt en kan dit vervallen.
Artikel
III. Wijziging van de Algemene
Ouderdomswet
Onderdeel
A
Dit
onderdeel regelt dat er slechts recht
bestaat op ouderdomspensioen indien
betrokkene minimaal één kalenderjaar
verzekerd is geweest in het
opbouwtijdvak (de periode tussen het 15de
en het 65ste levensjaar). Bij de
vaststelling of betrokkene minimaal
één kalenderjaar verzekerd is geweest,
worden eventuele verschillende korte
verzekerde tijdvakken (gedeelten van
kalenderjaren) samengeteld en herleid
tot gehele kalenderjaren. Dit zal bij
ministeriële regeling worden
vastgelegd. Voorts geldt op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004
ook dat andere lidstaten binnen de EU in
beginsel het in Nederland opgebouwde
tijdvak mee dienen te nemen in de
berekening van het totale tijdsvak
waarop de gepensioneerde eventueel recht
heeft.
Onderdeel
B
Bij de
Wet van 21 december 1995 tot wijziging
van de Algemene Ouderdomswet en enkele
andere wetten (Stb. 1995, 696) is artikel
8,
eerste lid, van de AOW
met ingang van 1
januari 1997 gewijzigd. Bij die
wijziging is na "De gehuwde
pensioengerechtigde" het zinsdeel
ingevoegd: die vóór 1 januari 2015 recht
heeft op ouderdomspensioen. Met deze
wijziging is beoogd de partnertoeslag
met ingang van 1 januari 2015 voor
nieuwe gevallen geheel af te schaffen.¹
Gezien het feit dat de afschaffing van
de toeslag eerst per 1 januari 2015 is
voorzien, werd destijds volstaan met het
in artikel 8, eerste lid, opnemen van de
genoemde datum. Hoewel werd overwogen
alle bepalingen in de AOW
betreffende
de toeslag, voor personen die na 1
januari 2015 recht krijgen op een
uitkering bij of krachtens de AOW, met
ingang van genoemde datum te laten
vervallen, werd daar destijds (1996) van
afgezien omdat een dergelijke
ingrijpende wijziging met een zo ver in
de toekomst gelegen datum van
inwerkingtreding uit wetgevingstechnisch
oogpunt niet wenselijk werd geacht. Door
het noemen van de datum 1 januari 2015
in artikel 8, waarin de basis voor het
recht op toeslag is vastgelegd, werd
bereikt dat alle andere artikelen waarin
het recht op toeslag nader wordt
uitgewerkt impliciet niet van
toepassing zijn op personen die na 1
januari 2015 recht krijgen op
ouderdomspensioen. Ondanks de duidelijke
bedoeling van de wetgever om de toeslag
na 1 januari 2015 voor nieuwe gevallen
geheel af te schaffen, kan de tekst van
artikel 8, eerste lid, onbedoeld
aanleiding geven tot misverstanden. Het
eerste misverstand zou kunnen zijn dat
de pensioengerechtigde die vóór 1
januari 2015 recht heeft op
ouderdomspensioen rblz.|21|
en die na die datum
gaat trouwen of samenwonen met een
echtgenoot die jonger is dan 65 jaar,
alsnog recht zou kunnen krijgen op de
toeslag. Om misverstanden op dit punt te
voorkomen, is artikel
8, eerste lid,
zekerheidshalve op dit punt
verduidelijkt. Het tweede misverstand
zou kunnen zijn dat de
pensioengerechtigde die vóór 1 januari
2015 recht heeft op ouderdomspensioen
en van wie de echtgenoot jonger is dan
65 jaar, maar die geen recht heeft op
toeslag omdat het inkomen van die
echtgenoot meer bedraagt dan de
brutotoeslag, recht op toeslag zou
krijgen als het inkomen van de
echtgenoot na 1 januari 2015 minder gaat
bedragen dan de brutotoeslag. Om ook op
dit punt misverstanden te voorkomen, is
zekerheidshalve aan het eerste lid een
zin toegevoegd waarin expliciet tot
uitdrukking wordt gebracht dat er na 1
januari 2015 als gevolg van een
wijziging van het inkomen van de jongere
echtgenoot ook geen nieuw recht op
toeslag meer kan ontstaan.
1.
Kamerstukken II 1994-1995, 24 258, nr.
3, blz. 2, 9 en 15.
Onderdeel
C [vervallen, red.]
Bij het
aangenomen amendement-Lodders ¹ is
artikel I, onderdeel I, van het voorstel
van Wet verhoging
pensioenleeftijd,
extra verhoging AOW
en flexibilisering
ingangsdatum AOW [ingetrokken in verband
met het vervangende voorstel van Wet
verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd,
red.] zodanig gewijzigd dat
in het in de AOW op te nemen nieuwe
artikel 16a de mogelijkheid wordt
opgenomen om een reeds geheel ingegaan
ouderdomspensioen op verzoek van de
belanghebbende alsnog te verlagen.
Hoewel het de bedoeling was en is deze
mogelijkheid alleen te bieden aan
personen wier ouderdomspensioen eerst op
of na de datum van inwerkingtreding van
het desbetreffende artikel is ingegaan
en niet aan personen wier
ouderdomspensioen al vóór die datum is
ingegaan, is het desbetreffende
artikellid op dit punt niet geheel
duidelijk. Teneinde eventuele
misverstanden te voorkomen, wordt het
artikellid daarom zekerheidshalve
aangepast.
1.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 046, nr.
20.
Onderdeel
D
Deze
wijziging vloeit voort uit de in artikel
II, onderdeel A, voorgestelde
vernummering van de onderdelen van
artikel 1 van de Anw.
Onderdeel
E
Dit
onderdeel voorziet in het opnemen van
een overgangsbepaling met betrekking tot
de wijziging van artikel
7. Deze
overgangsbepaling houdt in dat het
huidige artikel 7 van toepassing blijft
voor personen die op het tijdstip van
inwerkingtreding van dit onderdeel al
recht op ouderdomspensioen hebben. Het
is de bedoeling dat de in artikel III,
onderdeel A, opgenomen wijziging van
artikel 7 in werking zal treden met
ingang van 1 januari 2015.
Dit
betekent dat met ingang van die datum
geen recht op ouderdomspensioen meer
ontstaat als men in het opbouwtijdvak
minder dan één kalenderjaar verzekerd
is geweest. Met de overgangsbepaling
wordt bereikt dat personen die vóór 1
april 2015 recht hebben gekregen op een
kruimel-AOW van 2% omdat zij in het
opbouwtijdvak minder dan één
kalenderjaar verzekerd zijn geweest, dat
recht na 1 april 2015 behouden.
De
wijziging van artikel 7 is dus alleen
van betekenis voor personen die op of na
1 januari 2015 de leeftijd van 65 jaar
bereiken (de nieuwe gevallen). Voor
personen die vóór 1 januari 2015 de
leeftijd van 65 jaar hebben bereikt
(bestaande gevallen), verandert er niets.
Zij blijven gewoon recht houden op hun
kruimel-AOW.
Artikel
IV. Wijziging van de Wet op het
kindgebonden budget
Onderdeel
A
De
aanpassing van artikel 2, eerste lid,
van de Wet
op het kindgebonden budget (Wkb) bewerkstelligt dat een ouder voor
kinderen die geen recht hebben op kinderbijslag
op grond van artikel 7a
van de
AKW omdat zij recht hebben op
studiefinanciering op grond van de Wet
studiefinanciering 2000, rblz.|22|
geen aanspraak
meer kunnen maken op het kindgebonden
budget.
Bij de
Wet van 7 december 2011 tot wijziging
van de Wet op het kindgebonden budget in
verband met bezuiniging op het
kindgebonden budget (Stb. 2011, 576) is
artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Wkb
gewijzigd. Abusievelijk is daarbij
voor het vierde en vijfde lid een
wijzigingsopdracht geformuleerd die niet
geheel juist was, maar die niet heeft
geleid tot misverstanden voor de
geldende wetstekst. Om eventueel
misverstand over de geldende wetstekst
niettemin te voorkomen, wordt artikel 2,
vierde en vijfde lid, van de Wkb
zekerheidshalve opnieuw vastgesteld,
zonder dat dit leidt tot enige
inhoudelijke wijziging.
Onderdeel
B
Het
voorgestelde artikel 6a van de Wkb
regelt een overgangstermijn voor het
vervallen van de aanspraak op het
kindgebonden budget. Voor degenen die vóór de inwerkingtreding van
deze wet
reeds aanspraak maakten op het
kindgebonden budget hoewel zij voor het
desbetreffende kind op grond van
artikel
7a [van de
AKW,
red.] geen recht hadden op
kinderbijslag,
geldt dat zij de aanspraak op het
kindgebonden budget behouden tot dat
kind de leeftijd van 18 jaar heeft
bereikt.
Artikel
V. Wijziging van de Wet werk en
arbeidsondersteuning jonggehandicapten
In het
nieuwe tweede lid van artikel 7
AKW is
voor de definitie van studerenden voor
de Wajong [lees: Wet
Wajong, red.] ook de groep die bij onderdeel
b van dit tweede lid van artikel 7
AKW genoemd worden relevant. Dit zijn
kinderen die onderwijs in het buitenland
volgen.
Artikel
VI. Wijziging van de Wet werk en
bijstand
De in dit
artikel voorgestelde wijzigingen van de
artikelen 7, eerste lid, onderdeel a,
[vervallen, red.] en
10, eerste lid, van de
Wwb vloeien voort
uit de in artikel II voorgestelde
wijziging van de Anw, waarbij de
halfwezenuitkering als aparte uitkering
naast de nabestaanden- en wezenuitkering
komt te vervallen.
Artikelen
VII, VIII en
IX. Wijziging van de
Algemene pensioenwet politieke
ambtsdragers, de Wet aanpassing
pensioenvoorzieningen Bijstandkorps en de Samenloopregeling Indonesische
pensioenen 1960
Artikelen
VII, onderdeel A, B,
C,
D, onder 1, en
E,
VIII,
onderdeel
A, C,
D en
G,
IX,
onderdeel A, B,
onder 1, en C tot en
met J, en X.
In
verband met het vervallen van de
halfwezenuitkering als aparte uitkering
en het schrappen van de paragrafen 3 en
4 [lees: paragrafen
3 en 4
van afdeling
I, red.] (artikelen 22 tot en met
25) van
hoofdstuk 3 van de Anw
kunnen in alle
desbetreffende artikelen de verwijzingen
naar de halfwezenuitkering
respectievelijk naar artikel 25
vervallen.
Artikelen
VIII, onderdeel F, en IX, onderdeel L
De
wijzigingen in deze onderdelen vloeien
voort uit de in artikel II, onderdeel
U,
voorgestelde wijziging van artikel 67
van de Anw.
Artikelen
VII, onderdeel D, onder 2, VIII,
onderdeel B, en IX, onderdeel
B, onder
2
In de
artikelen 99, onderdeel i, van de
Algemene
pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa), 10, onderdeel d,
van de Wet
aanpassing pensioenvoorzieningen
Bijstandkorps en
9, onderdeel d, van de Samenloopregeling
Indonesische pensioenen 1960 wordt de
verwijzing naar artikel 63
rblz.|23|
van de
Anw vervangen
door een verwijzing naar hoofdstuk 5 van
die wet. Bij de Wet
herziening vrijwillige verzekering AOW
en Anw is
hoofdstuk 5 van de Anw, met als enig
artikel 63, met ingang van 1 juli 1996
vervangen door een nieuw hoofdstuk 5 met
de artikelen 63 tot en met 63d. Verzuimd
is destijds om deze wijziging in de
genoemde artikelen te verwerken.
Artikelen
VIII, onderdeel E, en IX, onderdeel K
In de
artikelen 19b, eerste lid, van de
Wet
aanpassing pensioenvoorzieningen
Bijstandkorps en 27a, eerste lid, van de
Samenloopregeling
Indonesische pensioenen 1960 wordt "inkomen uit of
in verband met arbeid als bedoeld in de
Algemene nabestaandenwet" vervangen
door: inkomen uit arbeid of overig
inkomen als bedoeld in de Algemene
nabestaandenwet. Bij de Wet
harmonisatie en vereenvoudiging
socialezekerheidswetgeving is met ingang
van 1 januari 2011 de omschrijving "inkomen uit of in verband met
arbeid"
vervangen door de omschrijving "inkomen
uit arbeid of overig inkomen". Verzuimd
is destijds om deze aangepaste
omschrijving ook in genoemde artikelen
te verwerken.
Artikel
XI. Inwerkingtreding
Beoogd is
dit wetsvoorstel nadat dit tot wet is
verheven, met uitzondering van artikel
II en artikel III,
onderdeel A en
E,
bij koninklijk besluit in werking te
laten treden met ingang van 1 januari
2013.
Aan de
correctie waarin artikel IV, onderdeel A,
onder 2, voorziet, zal terugwerkende
kracht worden verleend tot en met 8
december 2011 (de datum van
inwerkingtreding van de Wet van 7
december 2011 tot wijziging van de Wet
op het kindgebonden budget in verband
met bezuiniging op het kindgebonden
budget (Stb. 2011, 576)).
Artikel
II, onderdeel H, zal eerst in werking treden
op het moment dat van de mogelijkheid
gebruik zal worden gemaakt om het
tweede, derde en vierde lid van artikel
7
AKW te laten vervallen (zie
toelichting op artikel II, onderdeel
H).
De
overige wijzigingen van artikel II
zullen in verband met
uitvoeringstechnische aspecten in
werking treden op 1 juli 2013.
De
periode van zes maanden gelegen tussen
de beoogde publicatie van onderhavige
wet in het Staatsblad (vóór 1 januari
2013) en de inwerkingtreding voor
personen die op de datum van die
publicatie al een halfwezenuitkering
ontvangen op grond van de Anw
(bestaande gevallen) is bedoeld als
gewenningsperiode (zie paragraaf 3.2 van
het algemeen deel van deze memorie van
toelichting). Een deel van deze personen
verliest (al dan niet gedeeltelijk) deze
uitkering op grond van dit
wetsvoorstel.
In de inwerkingtredingsbepaling wordt
geregeld dat, mocht de publicatiedatum
later zijn dan beoogd, voor lopende
gevallen altijd minimaal zes maanden in
acht wordt genomen vanaf het moment van
publicatie alvorens de nieuwe bepalingen
voor deze groep inwerking kunnen treden.
Nabestaanden en verzorgers van halfwezen
die op het moment dat deze wet
gepubliceerd wordt recht hebben op een
halfwezenuitkering zonder dat zij zelf
recht hebben op een
nabestaandenuitkering, behouden het
recht op halfwezenuitkering dus nog
gedurende minimaal zes maanden na de
datum van publicatie (mits zij aan de
oude voorwaarden blijven voldoen). Dat
geldt ook voor nabestaanden die hun
nabestaandenuitkering verliezen omdat
zij gedurende die periode gaan
samenwonen of trouwen; ook zij behouden
hun halfwezenuitkering nog gedurende zes
maanden. Tevens zal het inkomen van
nabestaanden nog gedurende zes maanden
na datum van publicatie niet worden
verrekend met de halfwezenuitkering. De SVB
zal personen die na de publicatie
maar vóór rblz.|24|
de inwerkingtreding van het
bepaalde in artikel II een nieuw recht
krijgen op een halfwezen- of
nabestaandeuitkering uitdrukkelijk
informeren over de gevolgen van de
wijziging van de Anw met ingang van 1
juli 2013 voor dat recht.
Beoogd
wordt tot slot om artikel III,
onderdeel A en E, betreffende het
kruimelouderdomspensioen in werking te
laten treden met ingang van 1 januari
2015. Voor personen die vóór die datum
al recht op een kruimelouderdomspensioen van 2% hebben, is in
artikel III, onderdeel E, geregeld dat
zij dat recht behouden.
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|