|
rblz.|1|
Kamerstukken II
2011-2012, 33 162
Wijziging
van enkele socialezekerheidswetten in
verband met een andere vormgeving van de exportbeperking in de Algemene
Kinderbijslagwet en het regelen van overgangsrecht voor de situatie
van opzegging of wijziging van een verdrag dan wel een daarmee gelijk te
stellen situatie
| Nr.r3 |
MEMORIE
VAN TOELICHTING |
Inhoudsopgave
| xAlgemeen |
| 1 |
Inleiding |
| 2 |
Wijzigingen Algemene Kinderbijslagwet |
| 3 |
Overgangsrecht |
| 4 |
Gelijke behandeling |
| 5 |
Handhaving |
| 6 |
Inwerkingtreding |
| 7 |
Financiële effecten |
| 8 |
Ontvangen commentaren |
| xArtikelsgewijs |
| xx |
Artikelen |
Algemeen
1.
Inleiding
Het huidige kabinet streeft naar de beperking
van de export van uitkeringen. Eén van de maatregelen die in het
Regeerakkoord ¹ is aangekondigd, is het stopzetten van de betaling van
kinderbijslag en het kindgebonden budget voor kinderen die wonen buiten
de Europese Unie ² (hierna: EU) (hierna: export van kinderbijslag en het
kindgebonden budget) uiterlijk per 1 januari 2014. Deze maatregel heeft
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een brief
aangekondigd aan de Tweede Kamer.³ Vervolgens is deze brief besproken
tijdens het algemeen overleg 10 februari 2011.
1.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 417, nr.
15.
2. In dit verband wordt onder Europese
Unie telkens ook verstaan: De Europese
Economische Ruimte (EER) en Zwitserland.
3. Brief van 22 december 2010
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV,
nr. 57).
Vóór
invoering van de Wet
BEU ¹ gold in
Nederland het volledige
personaliteitsbeginsel. De rechthebbende
kreeg in beginsel elke Nederlandse
socialeverzekeringsuitkering over de
hele wereld uitbetaald als ware hij in
Nederland woonachtig. Met het
personaliteitsbeginsel was het
Nederlandse stelsel uniek in Europa en
waarschijnlijk in de wereld.
1.
De Wet beperking
export uitkeringen (Wet van 27 mei
1999, Stb. 1999, 250) (Wet BEU)
en de Wijzigingswet
beperking export uitkeringen (Wet
van 22 december 1999, Stb. 1999,
594) inwerkingtreding 1 januari 2000.
Wegens de
toegenomen internationale
arbeidsmobiliteit heeft de regering eind
jaren '90 aansluiting gezocht bij het
in Europa meer voorkomende
territorialiteitsbeginsel in
socialezekerheidsstelsels. Volgens dit
beginsel worden de uitkeringen slechts
toegekend of uitbetaald voor zover de
tot uitkering leidende feiten
(bijvoorbeeld woonplaats van de
gerechtigde of gezinsleden) zich
voordoen op het eigen grondgebied en
zolang de rechthebbende woonachtig is op
dat grondgebied. De regering was bij
invoering van de Wet
BEU van mening dat
de keuze voor de introductie van het
territorialiteitsbeginsel met betrekking
tot het recht op uitkering een
belangrijke bijdrage kon leveren aan de
rechtmatigheidsdoelstelling. Bij de
export van
socialeverzekeringsuitkeringen zijn de
bevoegdheden en feitelijke mogelijkheden
van de Nederlandse uitvoeringsorganen
tot controle en verificatie van de
uitkeringen beperkter dan in Nederland.
Uitgangspunt van de Wet BEU is dat
buiten Nederland slechts recht op een
socialeverzekeringsuitkering bestaat
indien Nederland met het rblz.|2|
desbetreffende
land een verdrag heeft gesloten waarin
afspraken zijn opgenomen over de
handhaving van de socialeverzekeringswetten.
In de
nota Arbeidsmobiliteit en sociale
zekerheid ¹ is geconstateerd dat het
Nederlandse beleid inzake export van
kinderbijslag naar niet-EU-landen ruimer
is dan in sommige andere landen. Enkele
landen houden bij de export van
kinderbijslag buiten de EU rekening met
de kosten van levensonderhoud in het
woonland en andere landen kennen in het
geheel geen mogelijkheid tot export
buiten de EU. Naar aanleiding van deze
constatering heeft het vorige kabinet al
besloten tot de introductie van het
woonlandbeginsel door het niveau van de
kinderbijslag aan te passen aan het
welvaartsniveau in het land waar het
kind woont. Dit voornemen is door deze
regering overgenomen in het voorstel van
Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid.
De
constatering dat Nederland meer genereus
is dan sommige andere landen is voor de
regering aanleiding om de vraag voor
welke kinderen Nederland een zorgplicht
op zich neemt opnieuw te bezien.
Uitgangspunt van het beleid van deze
regering ten aanzien van de
kinderbijslag en het kindgebonden budget
is dat deze uit de belastingmiddelen
gefinancierde uitkeringen in de eerste
plaats bedoeld zijn voor een
ondersteuning in het onderhoud van
kinderen die in Nederland wonen. Voor
zover voor het onderhoud van kinderen
van staatswege ondersteuning moet worden
geboden, is dit niet de
verantwoordelijkheid van het land waar
de ouder woont, maar het land waar de
kosten voor het kind worden gemaakt.
De
huidige uitzondering op het
territorialiteitsbeginsel indien er een
socialezekerheidsverdrag met het
exportland is gesloten, dient daarom ten
aanzien van de kinderbijslag en het
kindgebonden budget te vervallen. De regering stapt hiermee af van de
mogelijkheden tot export van de
kinderbijslagen indien de verzekerde dan
wel het kind van de rechthebbende in een
verdragsland woont. Hiermee wordt de
export van de kinderbijslagen gestopt.²
Binnen het territorialiteitsbeginsel
wordt nu de woonplaats van het kind
centraal gesteld en niet de woonplaats
van de rechthebbende. Dit betekent
weliswaar een uitbreiding van de huidige
kring van rechthebbenden op
kinderbijslag en het kindgebonden
budget, maar is in overeenstemming met
het beleid van deze regering dat
tegemoetkomingen voor de kosten van
kinderen worden gefinancierd uit de
collectieve middelen en primair bestemd
zijn voor kinderen die in Nederland
wonen.
1.
Kamerstukken II 2009-2010, 32 149, nr.
1.
2. Behoudens enkele uitzonderingen. Zie
verder onder paragraaf 2.
Het
beëindigen van de export van
kinderbijslag en het kindgebonden budget
vergt aanpassing van de Algemene
Kinderbijslagwet (AKW). Voor het verder
effectueren van het stopzetten van de
export van de kinderbijslag en het
kindgebonden budget is voorts aanpassing
van 21 bilaterale verdragen
noodzakelijk. Om deze maatregel te
realiseren, zal de regering de
verdragslanden een voorstel doen tot
wijziging van het verdrag, in die zin
dat op basis van deze verdragen niet
langer een exportverplichting zal
bestaan betreffende de kinderbijslag.
Als de verdragspartner hiermee instemt,
zal de wijziging ter goedkeuring aan het
parlement worden voorgelegd. Wanneer de
onderhandelingen niet (tijdig) tot het
gewenste resultaat leiden, zal per
verdrag opzegging worden overwogen
(Kamerstukken II 2010-2011, 32 500 XV, nr.
57). Opzeggen van een verdrag is
overigens een stap die niet lichtvaardig
gezet zal worden. Het opzeggen van een
verdrag vereist parlementaire
goedkeuring.
Daarnaast
is er een aantal verdragen op grond
waarvan uitkeringen worden
geëxporteerd, terwijl deze verdragen
nog niet in werking zijn getreden.
Vooruitlopend op de ratificatie is de
exportbepaling van deze verdragen "voorlopig
toegepast". Conform de
toezegging van de voormalig Minister van
SZW ¹ heeft de regering besloten niet
langer te wachten op ratificatie door
het andere land en de voorlopige
toepassing rblz.|3|
van deze verdragen te
beëindigen en geen socialezekerheidsuitkeringen meer naar deze
landen te exporteren. Het betreft de
landen Bolivia, Botswana, Brazilië,
Costa Rica, Gambia, Mali en Mexico.²
1. Met dit
wetsvoorstel wordt voorzien in een toezegging die is gedaan in de
nota "Arbeidsmobilteit en sociale zekerheid" (Kamerstukken II
2009-2010, 32 149, nr. 1).
2. Voor Mexico geldt dat de export van uitkering niet gebaseerd is op
een ondertekend verdrag, maar op een toezegging van de Staatssecretaris
van SZW aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II, 2002-2003, 17 050, nr.
236, brief van 23 september 2002. Zie verder onder de artikelsgewijze
toelichting.
Wetsvoorstel
Dit
wetsvoorstel voorziet in wijziging van
de AKW. In de AKW staat de mogelijkheid
om bij verdrag af te wijken van het
exportverbod. Deze uitzondering voor
verdragslanden wordt met dit
wetsvoorstel geschrapt. In dit
wetsvoorstel wordt de AKW verder zo
gewijzigd dat het exportverbod in de AKW
ziet op de situatie dat het kind buiten
Nederland woont. Indien de verzekerde in
het buitenland woont, maar het kind in
Nederland woont, dan ontvangt de
verzekerde ten behoeve van dit kind wél
kinderbijslag. De wijzigingen van de AKW
worden verder besproken in paragraaf
2.
Dit
wetsvoorstel voorziet tevens in
overgangsrecht om de gevolgen te regelen
voor uitkeringsgerechtigden die reeds in
een verdragsland wonen en die hun
kinderbijslag verliezen na aanpassing
van een verdrag. Ook regelt dit
wetsvoorstel overgangsrecht voor de
situatie dat Nederland de voorlopige
toepassing van een verdrag beëindigt of
overgaat tot opzegging van een verdrag.
Met deze aanpak wordt voorkomen dat in
het geval Nederland overgaat tot
opzeggen van een verdrag er een
afzonderlijk wetsvoorstel moet worden
ingediend dat voorziet in overgangsrecht
voor deze situatie. Het overgangsrecht
ziet dan op alle uitkeringen die worden
geëxporteerd; zie paragraaf
3. De
inwerkingtreding en de financiële
gevolgen komen achtereenvolgens in
paragraaf 4 en 5 aan bod.
2.
Wijzigingen Algemene Kinderbijslagwet
In de
huidige AKW is in het eerste lid van
artikel 7b het uitgangspunt neergelegd
dat geen
kinderbijslag wordt
geëxporteerd indien de verzekerde dan
wel het kind buiten Nederland woont. Dit
zogenaamde territorialiteitsbeginsel
ligt in de wet vast sinds de invoering
van de Wet BEU
in 2000.¹ Op het
exportverbod wordt in het tweede lid van
artikel 7b een uitzondering gemaakt
indien Nederland met het andere land een
verdrag heeft waarin afspraken zijn
neergelegd met betrekking tot de
controle op de te exporteren uitkering.
Om de export van kinderbijslag naar
verdragslanden stop te zetten, wordt de
huidige uitzondering die geldt voor
verdragssituaties geschrapt.
Voor een
groep van dertien landen werkt deze wijziging
in de nationale wet direct door. Dit
volgt uit het feit dat in twaalf van deze
verdragen een bepaling is opgenomen die
de beperking of uitsluiting van de
export van de kinderbijslag en het
kindgebonden budget uitdrukkelijk
toestaat en de bepaling in het
dertiende verdrag - dat met Turkije -
daarvoor geen beletsel vormt.²
Beëindiging van de export van de
kinderbijslag en het kindgebonden budget
vergt dan ook geen aanpassing van het
verdrag. Het betreft Argentinië,
Belize, Ecuador, Egypte, Hongkong,
Jordanië, Kroatië, Macedonië, Panama,
Paraguay, Thailand, Turkije en Uruguay.
Door de
Europese regelgeving, Verordening (EU)
883/2004, wordt dwingend voorgeschreven
dat kinderbijslag onder dezelfde
voorwaarden moet worden toegekend binnen
de EU als in Nederland. De uitzondering
voor EU-landen blijft bestaan.
1. Sinds de invoering van de
Wet beperking export uitkeringen (Wet van 27
mei 1999, Stb. 1999, 250) (Wet BEU) en de Wijzigingswet
beperking export uitkeringen (Wet van 22 december 1999, Stb.
1999, 594) inwerkingtreding 1 januari 2000.
2. Artikel 33 van het verdrag met Turkije bevat een gelijke
behandelingsverplichting. Het bepaalt dat Turkse onderdanen die werkzaam
zijn in Nederland en waarvan de kinderen in Turkije verblijven of worden
opgevoed, recht hebben op kinderbijslag op
dezelfde voorwaarden als Nederlandse werknemers. Met de inwerkingtreding
van onderhavig
wetsvoorstel zullen noch Turkse werknemers, noch Nederlandse
werknemers recht hebben op kinderbijslag voor hun kinderen die in
Turkije verblijven of worden opgevoed.
Eén van
de voorwaarden voor het recht op
kindgebonden budget is dat er recht op
kinderbijslag bestaat. Wijzigingen met
betrekking tot het recht op
kinderbijslag leiden derhalve tot een
overeenkomstige wijziging van het recht
op kindgebonden budget. Wijziging van de
Wet op het
kindgebonden budget kan als
gevolg van deze koppeling achterwege
blijven.
rblz.|4|
De hoogte
van het kindgebonden budget wordt
bepaald door het aantal kinderen
waarvoor recht bestaat. De situatie kan
zich voordoen dat een kind uit een gezin
in het buitenland gaat wonen, terwijl de
andere kinderen in Nederland blijven
wonen. Voor het recht op kindgebonden
budget betekent dit dat het kind dat in
het buitenland woont niet langer
meetelt voor het recht op kindgebonden
budget. Wanneer het oudste kind in het
buitenland gaat wonen, dan wordt het
daaropvolgende kind automatisch het
oudste kind voor het kindgebonden
budget.
In het
Besluit afwijkende regels beperking
export uitkeringen is voor een beperkte
groep van personen geregeld dat zij hun
uitkering ook mogen behouden indien er
geen verdrag tot stand is gekomen. In
algemene zin gaat het hier om personen
die "in het algemeen belang" werkzaam
zijn. Het betreft vooral diplomatiek
personeel bij ambassades. Deze mensen en
gezinnen wonen in het buitenland ten
behoeve van het algemeen belang. De
uitzondering die geldt voor deze groep
van personen blijft behouden, in die zin
dat voor verdragssituaties en verordeningssituaties
het besluit
overeenkomstig de nationale wet zal
worden aangepast, zodanig dat de
verzekerde die in het algemeen belang
werkzaam is gelijk behandeld zal worden
als de verzekerde die in Nederland
woont. Dit geldt eveneens voor de
uitzondering die geldt voor de
verzekerden die wonen in de
koninkrijkslanden Aruba, Curaçao en
Sint Maarten en in de openbare lichamen
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden),
vanwege hun bijzondere band met
Nederland.
Voor
bovengenoemde groepen verzekerden is het
voorstel van Wet woonlandbeginsel in de sociale
zekerheid van belang. Op het
moment dat dit wetsvoorstel in werking
treedt, zal de hoogte van de uitkering
worden afgestemd op het kostenniveau van
het land waar de belanghebbende en/of
het kind woont.
In de
huidige AKW is in het eerste lid van
artikel 7b niet alleen geregeld dat geen
kinderbijslag wordt betaald indien het
kind in het buitenland woont, maar ook
dat geen kinderbijslag wordt verstrekt
indien de verzekerde zelf in het
buitenland woont, maar zijn kind in
Nederland is. Zoals in de inleiding is
vermeld, wordt met deze wet de woonplaats
van het kind centraal gesteld. Indien de
verzekerde in het buitenland woont en
het kind in Nederland woont, zal de
verzekerde ten behoeve van dit kind wél
kinderbijslag ontvangen. Deze
uitbreiding betreft een kleine groep van
verzekerde personen die nu in een
niet-verdragsland wonen en een kind in
Nederland hebben.
Relatie
met EU-associatiebeleid
Op 21
oktober 2010 zijn een zestal
conceptbesluiten door de Raad van de
Europese Unie genomen. De
conceptbesluiten hebben betrekking op
Marokko, Tunesië, Algerije, Israël,
Kroatië en Macedonië en zijn binnen de
EU gereed voor besluitvorming door de
desbetreffende EU-associatieraden en
wachten op agendering.
De
teksten van de conceptbesluiten zijn
grotendeels gelijkluidend. De
conceptbesluiten voorzien in de export
naar de geassocieerde landen van
ouderdomspensioenen,
nabestaandenpensioenen en
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, voor
zover de arbeidsongeschiktheid
voortvloeit uit een arbeidsongeval of
beroepsziekte. De exportbepalingen zijn
wederkerig. Uitkeringen die worden
gefinancierd uit de algemene middelen
zijn uitgesloten. Kinder- en
gezinsbijslagen zijn eveneens
uitgesloten van de verplichting tot
export.
De
Europese Commissie is tevens voornemens
om voorstellen bij de Raad in te dienen
voor conceptbesluiten aangaande
Albanië, Montenegro, rblz.|5|
Turkije en San
Marino. De Nederlandse regering beschikt
thans niet over officiële voorstellen
tot conceptbesluiten, maar gaat ervan
uit dat de teksten in grote lijnen
overeenkomen met de conceptbesluiten die
in 2010 reeds tot stand zijn gekomen. In
dat geval zullen de kinder- en
gezinsbijslagen eveneens uitgesloten
zijn van de verplichting tot export naar
de geassocieerde landen.
Het
voorstel om het recht op
kinderbijslag en het kindgebonden budget te
beëindigen voor kinderen die buiten de
EU, de EER [Europese Economische Ruimte,
red.] en Zwitserland woonachtig
zijn, is naar de mening van de
Nederlandse regering volledig in
overeenstemming met de genoemde
ontwikkelingen op associatiegebied en
vormt geen inbreuk op de nagestreefde
afspraken op het gebied van de sociale
zekerheid.
Het
voorstel wijkt niet af van de
gemeenschappelijke strategie en vormt
dan ook geen schendig van de
verplichting tot loyale samenwerking van
de lidstaten.
3.
Overgangsrecht
Situatie
na aanpassing, opzegging of beëindiging
voorlopige toepassing van een verdrag
Na het
effectief worden van de
verdragsaanpassing is export van
kinderbijslag en het kindgebonden budget
niet langer mogelijk naar het
desbetreffende verdragsland. Indien de
verdragspartner niet meewerkt aan
aanpassing van een verdrag, kan
opzegging van het verdrag overwogen
worden. Opzegging van verdragen en het
beëindigen van de voorlopige toepassing
van verdragen hebben beiden tot gevolg
dat uitkeringsgerechtigden zich na deze
datum niet meer met behoud van hun
Nederlandse uitkering in één van deze
landen kunnen vestigen. Voor
pensioengerechtigden geldt dat zij
hooguit recht hebben op een uitkering
krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW)
ter hoogte van het gehuwdenpensioen (50%
van het minimumloon). Dit basisbedrag
van de AOW kan overal uitbetaald worden,
ongeacht de aanwezigheid van een
inwerking getreden verdrag (artikel
9a AOW). Zonder verdrag kan een eventuele
partnertoeslag en het hogere bedrag voor
alleenstaanden en alleenstaande ouders
niet meer betaald worden. Overigens
vervalt de partnertoeslag voor nieuwe
gevallen per 1 januari 2015.
Opzegging
van verdragen kan voor
uitkeringsgerechtigden die al in die
landen wonen en aan dit proces part noch
deel hebben, grote consequenties hebben.
Voor bestaande uitkeringsgerechtigden in
deze landen is daarom in dit
wetsvoorstel overgangsrecht
geformuleerd.
Juridische
overwegingen
Aan het
overgangsrecht liggen onderstaande
juridische overwegingen ten grondslag.
Voor
verzekerden en hun kinderen die op het
moment van inwerkingtreding van de
verdragsaanpassing of opzegging dan wel
de beëindiging van de voorlopige
toepassing van een verdrag al in het
buitenland woonden met behoud van hun
Nederlandse socialezekerheidsuitkering
is artikel 1 van het Eerste Protocol
bij het
Europees verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM) van belang. Dit verdrag
schrijft voor dat iedere natuurlijke of
rechtspersoon recht heeft op het
ongestoorde genot van zijn eigendom. Het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
heeft bepaald dat ook uit de wet
voortvloeiende uitkeringsrechten onder
het begrip eigendom in de zin van dit
artikel vallen. Het eigendomsrecht is
echter niet absoluut. De overheid heeft
het recht om wetten toe te passen en
wetten te wijzigen indien dit rblz.|6|
noodzakelijk is in het algemeen belang.
Voor een inbreuk op dit eigendomsrecht
dienen enkele algemene rechtsbeginselen
in acht genomen te worden, waaronder het
proportionaliteitsvereiste. De wijze
waarop het overgangsrecht is vormgegeven, is afhankelijk van de vraag
welke compensatie proportioneel wordt
geacht. De beantwoording van de vraag
wat proportioneel is, is per uitkering
verschillend.
Artikel
17, eerste lid, van het Handvest van de
Grondrechten van de Europese Unie
(hierna: het handvest) bepaalt dat een
ieder het recht heeft de goederen die
hij rechtmatig heeft verkregen in
eigendom te bezitten, te gebruiken,
erover te beschikken en te vermaken.
Volgens de toelichting bij dit artikel,
dat overeenkomstig artikel 6, eerste
lid, derde alinea, van het Verdrag
betreffende de Europese Unie en artikel
52, zevende lid, van het handvest voor
de uitlegging daarvan in acht moeten
worden genomen, correspondeert artikel
17, eerste lid, van het handvest met
artikel 1 van het Eerste Protocol
bij het
EVRM. Artikel 52, derde lid, van het handvest preciseert dat, voor zover dit
handvest rechten bevat die
corresponderen met rechten die zijn
gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en
reikwijdte ervan dezelfde zijn als die
welke er door het EVRM aan worden
toegekend. Volgens de toelichting op
deze bepaling worden de inhoud en
reikwijdte van de gewaarborgde rechten
niet alleen bepaald door de tekst van
het EVRM, maar met name ook door de
jurisprudentie van het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens. Bijgevolg dient
aan artikel 17, eerste lid, van het handvest dezelfde inhoud en reikwijdte
te worden toegekend als die welke aan
artikel 1 van het Eerste Protocol
bij het
EVRM wordt toegekend, zoals uitgelegd in
de rechtspraak van het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens.
Overgangsrecht
inkomensdervingsuitkeringen
Ten
aanzien van de langlopende uitkeringen
die beogen een inkomensvoorziening te
treffen, voorziet het overgangsrecht in
volledige eerbiedigende werking indien
een verdrag wordt opgezegd dan wel
indien de voorlopige toepassing wordt
beëindigd.
Het
betreft de socialeverzekeringsuitkeringen krachtens de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen
(Wet WIA), Algemene nabestaandenwet
(Anw), de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ), de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO),
de Ziektewet (ZW) en de
AOW. De regering
acht het rechtvaardig om overgangsrecht
te regelen dat ziet op volledig
eerbiedigende werking van deze
loondervingsuitkeringen. Op deze wijze
wordt in ieder geval voldaan aan de
verplichtingen, waaronder het
proportionaliteitsvereiste, die
voortvloeien uit het EVRM.¹
1.
Voor personen die reeds vóór
inwerkingtreding van de Wet
BEU met ingang van 1 januari
2000 in een niet-verdragsland woonden en
vóór die datum recht hadden, geldt een
specifieke overgangsregeling. Deze groep
behoudt zijn recht op een ongewijzigde
uitkering op grond van de zogenaamde
Pardonregeling die is ingevoerd bij Wet
van 7 december 2006, Stb. 2006,
697. Dit geldt voor AOW-,
Anw-, WAO-
en WAZ-uitkeringen.
Overgangsrecht
Toeslagenwet
De
regering stelt voor om het
overgangsrecht voor de toeslag op grond
van de Toeslagenwet (TW) anders vorm te
geven dan zoals zij dat voor
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en
andere langlopende uitkeringen doet.
Binnen de Europese Unie bestaat immers
voor dergelijke toeslagen - zijnde een
bijzondere prestatie, een
non-contributieve uitkering van gemengde
aard die zowel de kenmerken van bijstand
als die van sociale verzekeringen heeft
- een ander exportregime. De TW is als
een dergelijke niet-exporteerbare
uitkering sinds mei 2005 bijgeschreven
op bijlage X bij de Verordening (EU)
883/2004. Als gevolg hiervan kiest de
regering niet voor volledig
eerbiedigende werking, maar stelt voor om
de toeslag af te bouwen over een periode
van maximaal drie jaar. Tevens wordt
hiermee aansluiting gezocht bij de wijze
van afbouw van deze toeslag op grond van
artikel 44b TW en de wijze waarop het
overgangsrecht bij de Wet
BEU met ingang
van 1 januari 2000 werd vormgegeven. De
Centrale Raad van Beroep rblz.|7|
(CRvB) heeft
recent nog een uitspraak gedaan waarbij
geconcludeerd werd dat dit artikel 44b
voldoet aan het
proportionaliteitsvereiste van artikel 1 Eerste Protocol
bij het EVRM (zaak
09/373 TW, uitspraak van 16 mei 2011).
Deze afbouwregeling kan alleen worden
toegepast voor zover het overgangsrecht
zoals geformuleerd in de verdragen niet
tot een verdergaande eerbiedigende
werking noopt.
Overgangsrecht
kinderbijslag en kindgebonden budget
Voor de
verzekerde die recht heeft op
kinderbijslag en kindgebonden budget
wordt een overgangstermijn van zes
maanden in acht genomen. De verzekerde
krijgt zo voldoende gelegenheid om zich
voor te bereiden op de stopzetting van
de uitkering. De regering acht deze
compensatie proportioneel omdat de
kinderbijslag en het kindgebonden budget
alleen beogen een tegemoetkoming te zijn
in de kosten van kinderen. De CRvB heeft
een termijn van zes maanden in het licht
van artikel 1 Eerste Protocol van het
EVRM redelijk bevonden (LJN AP4680). Nu
de aanspraak op het kindgebonden budget
afhankelijk is van het betalen van
kinderbijslag, geldt dit overgangsrecht
op indirecte wijze eveneens voor het
recht op kindgebonden budget. De Wet
op het kindgebonden budget behoeft daarom
geen aanpassing.
Verder
wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat
het overgangsrecht alleen geldt binnen
één wet en zolang de
uitkeringsgerechtigde blijft wonen in
hetzelfde land. Dit laatste betekent dat
bijvoorbeeld bij de overgang van een WIA-uitkering naar een AOW-uitkering, de
AOW-uitkering ¹ niet onder de
eerbiedigende werking valt.
1. Er bestaat dan hooguit
recht op het basisbedrag AOW (50% van het minimumloon).
Voor het
overgangsrecht is ook het voorstel van Wet
woonlandbeginsel in de sociale zekerheid van belang. Op het moment dat dit
wetsvoorstel [lees: dat
wetsvoorstel, red.] in werking treedt, zal de
hoogte van de uitkering op grond van het
overgangsrecht worden afgestemd op het
kostenniveau van het land waar de
verzekerde en/of het kind woont.
4.
Gelijke behandeling
De
verplichting tot gelijke behandeling,
waaraan Nederland is gebonden op grond
van bilaterale en multilaterale
verdragen, zoals het Internationaal
Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke
rechten (BUPO) [lees: Internationaal
verdrag inzake burgerlijke en politieke
rechten (IVBPR), red.] en het
EVRM,
houdt niet alleen in dat gelijke
gevallen gelijk moeten worden behandeld,
maar ook dat ongelijke gevallen ongelijk
mogen dan wel moeten worden behandeld,
rekening houdend met en recht doend aan
de relevante verschillen.
Naar de
mening van de regering is er geen sprake
van (ongerechtvaardigde) ongelijke
behandeling als de
kinderbijslag en het kindgebonden budget, gefinancierd uit de
algemene middelen, met het doel een
bijdrage te leveren aan de kosten
verbonden aan de opvoeding van kinderen,
uitgekeerd wordt ten behoeve van
kinderen die in Nederland wonen.
5.
Handhaving
In het
kader van de handhaving is de gemeentelijke basisadministratie
(GBA)
het beginpunt voor de vaststelling waar
een verzekerde of kind woont. De Sociale
verzekeringsbank (SVB) en het
Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen (UWV) kunnen van
deze in het GBA opgenomen gegevens gebruik maken voor de uitvoering van hun
wettelijke taken. In het kader van dit
wetsvoorstel is van belang waar het kind
woont.
rblz.|8|
Bezien
zal worden of een landelijke registratie
van verleende vrijstellingen op grond
van de Leerplichtwet
1969 kan worden gebruikt
door de uitvoering om in het kader van
de
kinderbijslag te controleren of een
leerplichtig kind onderwijs buiten
Nederland volgt. Een wetsvoorstel voor
de registratie van vrijstellingen op
grond van de Leerplichtwet 1969 is in
voorbereiding.
Daarnaast
krijgt de uitvoering bij aanvaarding van
het wetsvoorstel huisbezoeken
(Kamerstukken 31 929) [zie: Wet
van 4 oktober 2012, houdende een regeling in de sociale zekerheid van de
rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod
van een huisbezoek, red.] een instrument in
handen om door middel van een aanbod tot
huisbezoek de woonsituatie van het kind
makkelijker te controleren.
Uitkeringsgerechtigden
dienen op grond van de informatieplicht
die in de verschillende wetten is
opgenomen ¹ zelf alle feiten en
omstandigheden te melden aan de
uitvoerende instantie die van belang
zijn voor de vaststelling van het recht
op uitkering. Waar het kind woont, valt
ook onder deze informatieverplichting.
1. Deze plicht is opgenomen
in artikel 35 Anw,
artikel 15 AKW,
artikel 27 Wet
WIA en voor wat de Wkb [Wet
op het kindgebonden budget, red.]
betreft, is deze plicht opgenomen in artikel 17 van de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
Indien
het verdrag is opgezegd, kan ten aanzien
van de continuering van de uitkering
niet langer gebruik gemaakt worden van
de controleafspraken die in dit verdrag
zijn neergelegd. Indien de situatie zich
voordoet dat opzegging van een verdrag
aan de orde komt, zal de regering dit
handhavingsaspect overwegen.
6.
Inwerkingtreding
De
beoogde datum van inwerkingtreding is 1
januari 2014, of zoveel eerder als
mogelijk is. De inwerkingtreding wordt
per KB geregeld en voor zover nodig met
terugwerkende kracht.
7.
Financiële effecten
Uitkeringslasten
Het
stopzetten van de export van de
kinderbijslag en het kindgebonden budget
heeft betrekking op de landen buiten de
EU. De landen met de grootste
uitkeringslast kinderbijslag en
kindgebonden budget buiten de EU zijn
Turkije en Marokko. Het wetsvoorstel
heeft vooral financiële gevolgen voor
personen die in Nederland wonen of
werken en een kind hebben dat woonachtig
is buiten de EU. Verzekerden die op een
andere grond dan het verdragsrecht
kinderbijslag of kindgebonden budget
ontvangen ten behoeve van een kind in
het buitenland (bijvoorbeeld personen
die werken voor een ambassade) blijven
ook na opzegging of wijziging van het
socialezekerheidsverdrag het recht
daarop behouden.
De
uitkeringslasten van
kinderbijslag en
kindgebonden budget laat meerjarig een
stabiel patroon zien. Indien uitgegaan
wordt van stopzetting van de export van
kinderbijslag en kindgebonden budget per
1 januari 2014, zullen wegens
overgangsrecht pas per 1 juli 2014 alle
gevallen buiten de EU hun aanspraak op
kinderbijslag en het kindgebonden budget
verliezen, indien de verdragen dit op
dat moment toelaten. Wegens
overgangsrecht zijn de besparingen in
het eerste jaar lager dan in de
daaropvolgende jaren. De ramingen zijn
gebaseerd op inwerkingtreding van het
voorstel van Wet woonlandbeginsel in de sociale
zekerheid per 1
januari 2012.
Per 1
januari 2012 wordt de voorlopige
toepassing van niet-geratificeerde
verdragen beëindigd (Bolivia, Botswana,
Brazilië, Costa Rica, Gambia en Mali).
Eveneens wordt per deze datum de export
van uitkeringen naar Mexico beëindigd.
Dit heeft tot gevolg dat
uitkeringsgerechtigden die zich na deze
datum in genoemde landen vestigen, hun
uitkering niet kunnen meenemen (behalve AOW-uitkeringen ter hoogte van maximaal
het gehuwdenpensioen). Deze maatregel
leidt tot een besparing van minder dan
€|1 mln structureel.
rblz.|9|
In onderstaande tabel worden de besparingen
weergegeven die worden behaald indien
alle bilaterale verdragen uiterlijk 1
januari 2014 zijn aangepast, dan wel
opgezegd of de voorlopige toepassing is
beëindigd.
Tabel 1.
Besparing door stopzetten export kinderbijslag
en kindgebonden budget (Wkb)
per 2014 (x €|1
mln):
| |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016 |
| AKW |
0 |
0 |
–3 |
–5 |
–5 |
| Wkb |
0 |
0 |
x0 |
–1 |
–1 |
| Totaal |
0 |
0 |
–3 |
–6 |
–6 |
Administratieve
lasten
Het stopzetten van de export van de AKW
en de Wkb
leidt op de korte termijn tot een lichte
toename van de administratieve lasten
voor burgers, omdat zij kennis moeten
nemen van de maatregel. Bovendien zal
een deel van hen bezwaar maken tegen de
stopzetting. Op de langere termijn leidt
de stopzetting daarentegen tot een
afname van de administratieve lasten van
burgers, omdat het aantal uitkeringen
daalt.
Het
wetsvoorstel leidt - bij opzegging van
de verdragen - tot een eenmalige
toename van de administratieve lasten
van 14 000 uur en
€|12 000,-.
Structureel leidt de maatregel tot een
besparing van 28 000 uur en
€|27 000,-.
Uitvoeringskosten
De
stopzetting export
kinderbijslag en
kindgebonden budget heeft gevolgen voor
de uitvoeringskosten bij de SVB. Zo zal
de SVB extra kosten maken voor de
invoering van het wetsvoorstel
(aanpassing in geautomatiseerde
systemen, voorlichting, beoordeling
huidig bestand en bezwaar en beroep).
Deze kosten vallen in de jaren 2012 tot
en met 2014 en zijn geraamd op circa
€|1,0
mln. Op de structurele uitvoeringskosten
wordt vanaf 2012 een besparing voorzien
die oploopt tot
€|1,5 mln per jaar
vanaf 2015. Daarbij is de aanname
gehanteerd dat alle betreffende
verdragen met landen buiten de EU per 1
januari 2014 zijn aangepast. Mocht
hierin vertraging ontstaan of werken
verdragslanden niet mee aan aanpassing,
dan zal dat gevolgen hebben voor deze
raming. Hierover kunnen nu geen
voorspellingen worden gedaan.
Het saldo
van kosten van invoering van de wet en
de structurele besparing als gevolg van
het verstrekken van minder uitkeringen
ziet er meerjarig als volgt uit:
Tabel 2.
Meerjarige raming uitvoeringskosten SVB
(x €|1
mln):
| xxxxxxxxxxxxxxxxxxxx |
2011 |
2012 |
2013 |
2014 |
2015 |
2016
e.v. |
| Uitvoeringskosten |
0 |
0,17 |
0,5 |
–1,4 |
–1,5 |
–1,5 |
De belastingdienst
kent eenmalige uitvoeringskosten van
€|150 000,- in 2012 voor communicatiekosten:
website, informatiefolders en instructie
Belastingtelefoon. De uitvoeringskosten
voor het UWV zijn verwaarloosbaar.
rblz.|10|
8.
Ontvangen commentaren
Het
wetsvoorstel is voor advies voorgelegd
aan de Inspectie Werk en Inkomen (IWI),
de SVB, het UWV
en de belastingdienst.
De IWI heeft geen opmerkingen over de
toezichtbaarheid. De redactionele
opmerkingen van de IWI zijn verwerkt in het
wetsvoorstel. SVB, UWV en de belastingdienst
achten
het wetsvoorstel uitvoerbaar. De
opmerkingen van de
uitvoeringsorganisaties zijn verwerkt in
het wetsvoorstel.
De SVB
wijst in de uitvoeringstoets op de
bepalingen inzake eerbiedigende werking
die in een aantal verdragen zijn
opgenomen en die soms afwijkend zouden
zijn van het in dit wetsvoorstel
geformuleerde overgangsrecht, waardoor
recht op
kinderbijslag zou worden
behouden. De regering stelt zich op het
standpunt dat het overgangsrecht zoals
opgenomen in het wetsvoorstel nodig is
omdat het in de bedoelde verdragen
geformuleerde overgangsrecht ziet op
situaties waarin het recht op uitkering
is ontstaan op grond van het verdrag.
Wanneer het recht op uitkering
voortvloeit uit de nationale wet, zoals
dat bij de kinderbijslag het geval is
voor die situaties waarin het verdrag de
mogelijkheid biedt om bij nationale wet
de export van kinderbijslag uit te
sluiten, wordt het overgangsrecht bij
wet vastgesteld. Daarnaast is voor die
situatie waarbij het recht op
kinderbijslag mede voortvloeit uit het
desbetreffende verdrag, het in dit
wetsvoorstel geformuleerde
overgangsrecht niet in strijd met de
door de SVB bedoelde bepalingen inzake
eerbiedigende werking. De AKW
kent een
kwartaalsystematiek. Het recht op
kinderbijslag wordt immers telkens over
een kwartaal verkregen (zie artikel 11
AKW). Dat betekent dat op grond van een
overgangsartikel in een verdrag dat
bepaalt dat een recht dat met toepassing
van de bepalingen van het desbetreffende
verdrag is verkregen, wordt gehandhaafd,
slechts kinderbijslag over het
kalenderkwartaal waarin de
toepasselijkheid van het verdrag eindigt,
hoeft te worden betaald. Het
overgangsrecht zoals opgenomen in dit
wetsvoorstel geeft, mede gelet op
artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM,
een termijn van twee kwartalen vanaf de
buitenwerkingtreding van het verdrag.
Artikelsgewijs
Artikel
I. Wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet
Onderdeel A
(artikel 7b)
De
huidige bepaling inzake export van
kinderbijslag dient vervangen te worden
door een nieuw artikel
7b. Dit nieuwe
artikel regelt dat geen recht op
kinderbijslag bestaat in die gevallen
waarin het kind niet in Nederland woont.
Op grond van Verordening 883/2004 blijft
recht op kinderbijslag voor verzekerden
die onder de personele werkingssfeer van
die verordening vallen, bestaan voor
kinderen die binnen de EU wonen. Het
nieuwe tweede lid van artikel
7b ziet op
deze situatie. Met de zinsnede "ten
behoeve van hem (....) recht op
kinderbijslag bestaat" wordt
uitdrukkelijk geregeld dat dit lid
alleen ziet op verzekerden die vallen
onder de personele werkingssfeer van de
verordening. Als een niet-EU-onderdaan
niet verblijft op het grondgebied van de
EU, kan hij geen rechten ontlenen aan
Verordening 883/2004 en ook niet aan dit
tweede lid. Artikel
7b is zodanig
opnieuw geredigeerd dat het niet langer
uitgaat van het bestaan van een
bilateraal sociaalzekerheidsverdrag.
Zolang er met het land waar het kind
woont nog een bilateraal verdrag bestaat
met een exportverplichting ten aanzien
van het recht op kinderbijslag gaat deze
internationale verplichting boven de
wettelijke bepaling van artikel
7b.
rblz.|11|
Een
belangrijke wijziging van het
voorgestelde artikel
7b ten opzichte van
het huidige artikel
7b is dat recht op
kinderbijslag kan blijven bestaan
ongeacht waar de verzekerde woont. Voor
het recht is uitsluitend nog van belang
het land waar het kind woont. Woont dat
kind in Nederland, dan kan er recht
(blijven) bestaan op kinderbijslag voor
zover ook aan alle andere vereisten voor
dat recht op kinderbijslag wordt
voldaan.
Met het
nieuwe vierde lid van artikel
7b blijft
het Besluit
afwijkende regels beperking export
uitkeringen van toepassing. Dit
besluit regelt dat de verzekerde zijn
recht op
kinderbijslag ten behoeve van
het kind dat niet in Nederland of de EU
woont maar in hetzelfde land als de
verzekerde zelf, behoudt indien hij
werkzaamheden verricht in het algemeen
belang of woont in Aruba, Curaçao,
Sint Maarten dan wel in één van de
openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba.
Met deze
wijziging wordt tevens bereikt dat het
budget op grond van de Wkb
niet langer
uitbetaald kan worden aan voorheen
rechthebbenden op
kinderbijslag. In de
gevallen waarin immers geen recht op
kinderbijslag meer bestaat, vervalt ook
een eventueel bestaand recht op
kindgebonden budget. Zie daartoe artikel
2, eerste lid, van de Wkb: Aanspraak op een
kindgebonden budget heeft de ouder voor
een kind voor wie aan die ouder op grond
van artikel 18 van de
AKW kinderbijslag wordt
betaald of zou worden betaald indien de
artikelen 7, tweede lid, en 7a
van die
wet niet van toepassing zouden zijn, met
dien verstande dat de aanspraak op een
kindgebonden budget bestaat met ingang
van de kalendermaand na de maand waarin
het kind is geboren dan wel tot het
huishouden is gaan behoren tot en met de
kalendermaand waarin het kind de
leeftijd van 18 jaar bereikt. Op het
moment dat geen recht meer bestaat op
kinderbijslag kan ook geen aanspraak op
kindgebonden budget meer bestaan.
Artikelen
I, onderdeel B, en II tot en met VII
(wijziging van de Algemene
Kinderbijslagwet, Algemene Ouderdomswet,
Algemene nabestaandenwet, Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen, Wet werk en inkomen naar
arbeidsvermogen en Ziektewet)
In deze
artikelen wordt voor de verschillende
relevante socialeverzekeringswetten het
overgangsrecht geregeld in die gevallen
waarin de voorlopige toepassing van
bilaterale verdragen wordt beëindigd
dan wel dat bilaterale verdragen worden
opgezegd in het geval dat aanpassing van
het verdrag - op zodanige wijze dat de
kinderbijslag niet langer hoeft te
worden geëxporteerd - niet tot succes
leidt. Het voorgestelde overgangsrecht
heeft de regering getoetst aan het voor
de wijzigingen in de
socialezekerheidswetgeving opgestelde
Toetsingskader Overgangsrecht
(Kamerstukken I 1999-2000, 25 900, EK
87, nr. 87b).
Technische
aanpassing overgangsrecht Pardonregeling
Wet BEU (de onderdelen A van de
artikelen II tot en met V: artikel 62
van de AOW, artikel 68
van de Anw, artikel
91a van de WAO en
artikel
101b van de WAZ)
In deze
artikelonderdelen wordt een technische
wijziging van het bestaande
overgangsrecht voorgesteld zoals dat is
opgenomen in de Wet van 7 december 2006,
houdende wijziging van enkel
socialeverzekeringswetten betreffende de
definitieve vaststelling van de
uitkeringspositie van
uitkeringsgerechtigden woonachtig in het
buitenland (Stb. 2006, 697, ook wel
bekend onder de naam Pardonregeling Wet
BEU). Met deze technische wijziging
wordt verduidelijkt dat, conform de
doelstelling van rblz.|12|
de wetgever, het
overgangsrecht zoals dat bij die wet tot
stand is gebracht, blijft gelden totdat
zich een belangrijke wijziging in de
omstandigheden van de begunstigde
voordoet. Een verhuizing van betrokkene
naar een ander (veelal buur)land is een
zodanige belangrijke wijziging dat
betrokkene in dat geval niet langer
geacht wordt te voldoen aan de
voorwaarden voor dat overgangsrecht.
Blijft betrokkene echter wonen in het
land waar hij woonde op het moment dat
het overgangsrecht voor hem ging gelden,
dan behoudt betrokkene zijn uitkering.
De opgenomen bepaling legt dit nog eens
duidelijk vast.
De
uitvoeringsorganen SVB
en UWV handelen
sinds de inwerkingtreding van de
Pardonregeling Wet BEU reeds conform die
lijn.
Overgangsrecht
opzegging verdragen, beëindiging
voorlopige toepassing verdragen en
beëindiging van een daarmee gelijk te
stellen situatie (de onderdelen B van de
artikelen I tot en met V en de artikelen
VI en VII: artikel
41c van de AKW,
artikel 62a van de AOW,
artikel 68a
van
de
Anw,
artikel 91i van de
WAO, artikel
101g van de WAZ,
artikel 133g
van de Wet
WIA en artikel
87c van de ZW)
Voor een
toelichting op dit overgangsrecht wordt
in de eerste plaats verwezen naar de
toelichting in paragraaf 3 van het
algemeen deel van deze memorie van
toelichting. De voorlopige toepassing
van de daar genoemde verdragen wordt op
1 januari 2012 beëindigd. Voor één
land is een bijzondere vermelding hier
op zijn plaats. In Mexico vindt de
uitbetaling van het recht op uitkering
niet plaats op grond van de voorlopige
toepassing van een verdrag, maar op grond
van een de brief van Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dhr. M. Rutte,
van 23 september 2002 (Kamerstukken II
2002-2003, 17 050, nr. 236). In 2002 was
reeds op ambtelijk niveau inhoudelijke
overeenstemming bereikt over een BEU-verdrag met Mexico. Tot
ondertekening van een verdrag is het
echter nooit gekomen. Van een tot stand
gekomen verdrag op grond waarvan
uitkeringen worden geëxporteerd, is
derhalve ook geen sprake. Voor het
vaststellen van de rechtmatigheid van de
verstrekte uitkeringen heeft voor het UWV
en de SVB als zodanig genoemde brief
vanaf 1 januari 2003 gefunctioneerd. In
de bijbehorende artikelen van het
overgangsrecht wordt derhalve overal
waar verwezen wordt naar [lees: wordt
derhalve verwezen naar, red.] een verdrag dan
wel "een daarmee gelijk te stellen
situatie", met dit laatste wordt
gedoeld op de situatie dat parallel aan
de beëindiging van de voorlopige
toepassing voor Mexico eveneens geldt
dat met ingang van 1 januari 2012 geen
recht meer bestaat op nieuw toe te
kennen uitkeringen. Het voorgestelde
overgangsrecht is wel van toepassing op
uitkeringsgerechtigden die woonachtig
zijn in Mexico. Onder verwijzing naar
dit bij het parlement ingediende
wetsvoorstel zal het UWV en de SVB de
desbetreffende uitkeringen doorbetalen.
Gezien
het karakter van de
kinderbijslag en het
doel waarvoor kinderbijslag wordt
toegekend, een tegemoetkoming in de
kosten van het onderhoud voor het kind,
heeft de regering gemeend de
kinderbijslag voor kinderen die wonen in
een land waarvan de voorlopige
toepassing van het verdrag wordt
beëindigd, nog twee kalenderkwartalen
vanaf die beëindiging door te laten
lopen, waarna het exportverbod
daadwerkelijk kan worden geëffectueerd.
Met de term "vanaf die beëindiging"
wordt geregeld dat als de voorlopige
toepassing wordt beëindigd met ingang
van de eerste dag van een
kalenderkwartaal, de kinderbijslag dat
kwartaal en het daaropvolgende
kalenderkwartaal doorloopt. Indien de
voorlopige toepassing op een andere dag
in het kalenderkwartaal eindigt, dan
loopt de kinderbijslag nog in de twee
daaropvolgende kalenderkwartalen door.
Indien het kind in de desbetreffende
twee kalenderkwartalen blijft wonen in
dat land, blijft de verzekerde gedurende
die periode recht op kinderbijslag
behouden. Dit uiteraard zolang hij aan
de overige voorwaarden voor het recht op
kinderbijslag blijft voldoen. Ditzelfde
geldt op het rblz.|13|
moment dat een geldend
verdrag na opzegging buiten werking
treedt of daadwerkelijk zodanig is
gewijzigd dat de kinderbijslagen buiten
de materiële werkingssfeer dan wel
buiten de exportbepaling van het verdrag
zijn gebracht of anderszins in die zin
is gewijzigd. In het kader van de AKW
zij nog opgemerkt dat een aantal
verdragen de mogelijkheid kent om de
export van kinderbijslag te eindigen.
Door de aanpassing van artikel 7b
zal -
met de inwerkingtreding van artikel
I, onderdeel A, van dit wetsvoorstel
- in die gevallen dus niet langer
kinderbijslag kunnen worden betaald voor
het in dat land wonende kind. Voor de
toepassing van het in artikel I,
onderdeel B, voorgestelde artikel
41c AKW
wordt een dergelijke situatie
eveneens geacht te vallen onder "de
beëindiging van een daarmee gelijk te
stellen situatie".
Artikel
VIII (Toeslagenwet)
Gezien
het karakter van de toeslag op grond van
de TW (een aanvullende
uitkering tot aan het voor betrokken in
Nederland relevante sociaalminimumniveau) kiest de regering
ervoor
het overgangsrecht voor deze uitkering
anders vorm te geven dan zoals zij dat
doet voor de andere langlopende
uitkeringen, te weten de uitkeringen op
grond van de AOW,
Anw, WAO,
WAZ en de
Wet WIA. Met de hier voorgestelde
artikelen wordt derhalve gekozen voor
een gedeeltelijke/tijdelijke
eerbiedigende werking. De gekozen
vormgeving geldt zowel bij de situatie
van de beëindiging van de voorlopige
toepassing van verdragen als voor de
situatie dat een verdrag in zijn geheel
buiten werking treedt als gevolg van
opzegging. In beide gevallen regelt dit
voorstel een afbouw van de toeslag over
een periode van drie jaar direct gelegen
na de beëindiging van de voorlopige
toepassing dan wel de
buitenwerkingtreding van de verdragen.
Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de
afbouw van de toeslag zoals dit binnen
de Europese Unie is gebeurd in artikel
44b van de TW
(naar aanleiding van de
bijschrijving van de TW op
bijlage IIbis bij de toenmalige Verordening 1408/71, middels bijlage X
van Verordening 883/2004).
De Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
H.G.J. Kamp
|