|
Uitspraak 96/7676 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 4 november 1994 heeft gedaagde aan appellant met ingang
van 4 januari 1989, zijnde 1 jaar voor de datum van aanvraag, een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot
80%. Voorts heeft gedaagde bij dat besluit aan appellant te kennen
gegeven dat zijn uitkering, onder toepassing van artikel 34 van de AAW,
vanaf 4 januari 1989 niet tot uitbetaling komt gelet op de hoogte van
zijn inkomsten uit arbeid. Bij besluit van 8 november 1994 heeft
gedaagde appellants uitkering ingevolge de AAW met ingang van 6 december
1994 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 7
maart 1996 het door appellant tegen het besluit van 4 november 1994
ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het tegen het besluit van 8
november 1994 ingestelde beroep is door de rechtbank niet-ontvankelijk
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden,
uiteengezet in het beroepschrift, is de Raad verzocht de aangevallen
uitspraak te vernietigen.
Gedaagde heeft op 15 oktober 1996 een verweerschrift (met bijlagen)
ingediend.
Bij brief van 30 juni 1998, met bijlagen, heeft gedaagde enige vragen
van de fungerend president van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 oktober
1998. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl gedaagde zich
niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Appellant, die sedert 1968 werkzaam is als zelfstandig garagehouder met
een kraanbedrijf, heeft gedaagde op 4 januari 1990 door middel van een
zogeheten 'melding AAW' te kennen gegeven dat hij sedert oktober 1984
gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Gedaagde heeft bij besluit van 4 mei
1990 geweigerd om appellant een AAW-uitkering toe te kennen op de grond
dat hij op en na 1 oktober 1985 voor minder dat 25% arbeidsongeschikt
was. Aan dat besluit lag gedaagdes standpunt ten grondslag dat
appellant, blijkens de winstcijfers van zijn bedrijf, in staat was zijn
maatmaninkomen te verdienen.
Bij uitspraak van 22 februari 1994 heeft de Raad het besluit van 4 mei
1990 vernietigd. De Raad heeft daarbij overwogen dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant, die als doorwerkende zelfstandige
een substantiële verdiencapaciteit in zijn eigen bedrijf had, aan de
hand van een deeltaakanalyse en urenvergelijking diende te worden
vastgesteld en niet op basis van de winstcijfers.
Aan het bestreden besluit van 4 november 1994 ligt gedaagdes standpunt
ten grondslag dat appellant op basis van een deeltaakanalyse en
urenvergelijking vanaf 1 oktober 1985 voor 65 tot 80% arbeidsongeschikt
dient te worden aangemerkt. Voorts heeft gedaagde zich bij dit besluit
op het standpunt gesteld dat appellants AAW-uitkering, gelet op artikel
25, tweede lid, van de AAW, niet eerder dan met ingang van 4 januari
1989 wordt toegekend. Ten slotte heeft gedaagde, onder toepassing van
artikel 34 van de AAW, besloten dat vanaf 4 januari 1989 een bedrag van
f 391,87 op appellants uitkering in mindering wordt gebracht, zodat deze
vanaf 4 januari 1989 niet tot uitbetaling komt.
Bij het besluit van 8 november 1994 heeft gedaagde appellants
AAW-uitkering met ingang van 6 december 1994 ingetrokken. Aan dat
besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant in staat is
gebleken om structureel een zodanig inkomen te verdienen dat er, in
vergelijking met zijn maatmaninkomen, geen sprake is van een
inkomensverlies van ten minste 25%.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank appellants beroep tegen
het besluit van 8 november 1994 niet-ontvankelijk geacht wegens niet
verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank heeft
appellants beroep tegen het besluit van 4 november 1994 ongegrond
verklaard. Daarbij is, samengevat, overwogen dat gedaagde terecht geen
bijzonder geval als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de AAW heeft
aangenomen zodat gedaagde de ingangsdatum van appellants uitkering
terecht heeft vastgesteld op 4 januari 1989, zijnde een jaar voor de dag
waarop appellant de arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangevraagd.
In hoger beroep heeft appellant - kort gezegd - naar voren gebracht dat
de rechtbank bij de aangevallen uitspraak voorbij is gegaan aan een
aantal door hem aangedragen bezwaren inzake de toekenning van de
uitkering en de uitbetaling daarvan. Verder heeft appellant aangevoerd
dat de uitspraak is gegeven door een andere rechter dan de rechter die
het onderzoek ter zitting heeft geleid. Appellant heeft voorts
aangegeven dat er naar zijn mening wel gronden zijn om zijn uitkering
eerder te doen ingaan dan 4 januari 1989. Appellant heeft in dat verband
gewezen op een bezoek aan het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor
(GAK) in Leeuwarden in 1985 waar de loketmedewerker hem te kennen zou
hebben gegeven dat hij niet voor een AAW-uitkering in aanmerking zou
komen.
Ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van appellants beroep
tegen het besluit van 8 november 1994 overweegt de Raad als volgt. De
Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant met zijn
beroepschrift van 16 december 1994, waarin uitsluitend sprake is van
bezwaren tegen gedaagdes besluit van 4 november 1994, niet mede beroep
heeft aangetekend tegen het besluit van 8 november 1994. De tekst van
dat beroepschrift bevat geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat
appellant mede beroep beoogde in te stellen tegen de intrekking van zijn
AAW-uitkering per 6 december 1994. De Raad is tevens met de rechtbank
van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is als
bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aan dat
oordeel kan niet afdoen dat de rechtbank appellant bij brief van 23
februari 1995, onder verwijzing naar de artikelen 6:18 en 6:19 van de
Awb, heeft bericht dat zijn beroep geacht wordt mede te zijn gericht
tegen het besluit van 8 november 1994 en evenmin dat de rechtbank hem
bij brief van 12 april 1995 heeft uitgenodigd om gronden tegen het
besluit van 8 november 1994 in te dienen. Deze brieven kunnen in het
licht van de vraag of appellants beroep tegen het besluit van 8 november
1994 ontvankelijk was, weliswaar als ongelukkig worden bestempeld, maar
aan genoemde brieven kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat
niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 6:11 van de Awb
achterwege had moeten blijven.
Ten aanzien van gedaagdes besluit van 4 november 1994 overweegt de Raad
als volgt.
In de eerste plaats is de Raad, anders dan appellant, van oordeel dat de
aangevallen uitspraak blijkens de slotpassage wel is gegeven door de
rechter die het onderzoek ter zitting heeft geleid. Uit genoemde passage
blijkt slechts dat de uitspraak, bij verhindering van die rechter, door
een andere rechter in het openbaar is uitgesproken.
Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte geen
oordeel heeft gegeven over alle door hem aangevoerde bezwaren die voor
de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit van 4 november 1994
van belang zijn. De rechtbank heeft in zoverre beslist in strijd met
artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, op grond van welke bepaling de
rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de
overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het
onderzoek te zitting. Gelet daarop komt de aangevallen uitspraak, voor
zover deze betrekking heeft op gedaagdes besluit van 4 november 1994,
voor vernietiging in aanmerking. Uit oogpunt van proceseconomie zal de
Raad niet terugwijzen en doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.
Ten aanzien van de toekenning van de AAW-uitkering naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% met ingang van 4 januari 1989
overweegt de Raad als volgt.
Uit het arbeidskundig rapport van 26 april 1994 blijkt dat appellant, op
basis van een deeltaakanalyse en een urenvergelijking, na het intreden
van zijn arbeidsongeschiktheid op 1 oktober 1984 een achterstand heeft
van 72,5% ten opzichte van de periode daarvoor. De Raad heeft noch in
dit rapport noch in de overige gedingstukken een aanknopingspunt
gevonden om deze inschatting van appellants mate van
arbeidsongeschiktheid voor onjuist te houden. Dit betekent dat gedaagde
appellant terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidklasse van
65 tot 80%.
Wat betreft de ingangsdatum van appellants AAW-uitkering is de Raad met
de rechtbank van oordeel dat gedaagde terecht 4 januari 1990 als datum
van aanvraag van de AAW-uitkering heeft aangemerkt. De Raad verenigt
zich voorts met het oordeel van de rechtbank dat er in appellants geval
geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in het tweede lid van
artikel 25 van de AAW. In de door appellant aangedragen omstandigheid
dat hij in 1985 contact heeft gehad met een loketbeambte van gedaagdes
administrateur, bij welke gelegenheid hij onjuist zou zijn geďnformeerd
omtrent zijn recht op uitkering, heeft de Raad geen aanleiding gezien om
anders te oordelen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de
inhoud en strekking van dat contact in onvoldoende mate zijn komen vast
te staan. De Raad kan zich voorts in hoofdzaak verenigen met hetgeen
gedaagde op dit punt bij zijn verweerschrift aan de rechtbank van 20
april 1995 naar voren heeft gebracht.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat gedaagde appellant bij zijn
besluit van 4 november 1994 terecht een uitkering ingevolge de AAW,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, heeft
toegekend met ingang van 4 januari 1989.
Ten aanzien van gedaagdes besluit om appellants inkomsten uit arbeid
vanaf 4 januari 1989 op grond van artikel 34 van de AAW in mindering te
brengen op zijn AAW-uitkering en deze uitkering niet uit te betalen,
overweegt de Raad als volgt.
Blijkens zijn in rubriek I vermelde brief van 30 juni 1998 is gedaagde
van mening dat zijn besluit op dit punt betrekking heeft op de periode
van 4 januari 1989 tot 6 december 1994, de datum waarop appellants
AAW-uitkering is ingetrokken. De Raad kan zich met deze zienswijze niet
verenigen. De Raad wijst er op dat het besluit, gelet op de daarin
vermelde berekening van het kortingsbedrag, slechts ziet op het jaar
1989. De Raad voegt daaraan toe, onder verwijzing naar zijn in RSV
1996/44 gepubliceerde uitspraak van 17 oktober 1995, dat bij besluiten
tot korting van inkomsten uit arbeid als zelfstandige, niet kan worden
volstaan met het eenmalig uitreiken van een besluit, dat dan geacht moet
worden zijn gelding te behouden voor de daaropvolgende jaren. De Raad
heeft in die uitspraak aangegeven dat voor personen als appellant per
jaar een kortingsbesluit is vereist. In het onderhavige geval merkt de
Raad nog op dat gedaagdes besluit blijkens zijn bewoordingen uitsluitend
is gebaseerd op artikel 34 van de AAW, welk artikel echter met ingang
van 1 augustus 1993 is vervallen. Uit het besluit blijkt niet dat
gedaagde na 1 augustus 1993 toepassing heeft gegeven aan het sedertdien
geldende artikel 33 van de AAW. Uit de gedingstukken blijkt voorts niet
dat gedaagde de beschikking heeft (gehad) over een opgave van de
inkomsten van appellant over 1993 en 1994, zodat gedaagdes besluit, voor
zover het zich al zou uitstrekken tot 6 december 1994, voor wat betreft
de jaren 1993 en 1994 feitelijke grondslag mist. De Raad zal er, gelet
op het voorgaande, dan ook van uitgaan dat het besluit van 4 november
1994, voor zover het betrekking heeft op de toepassing van artikel 34
van de AAW, slechts betrekking heeft op het jaar 1989.
De Raad overweegt voorts dat uit de beschikbare financiële gegevens
blijkt dat appellants echtgenote meewerkte in het bedrijf van appellant.
Ter zitting van de Raad is door appellant bevestigd dat zijn echtgenote
zowel voor als na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid (voltijds)
heeft meegewerkt in het bedrijf. De Raad heeft moeten constateren dat
gedaagde bij de voorbereiding van zijn besluit aan dit gegeven, dat
zowel relevant is voor de berekening van appellants maatmaninkomen als
voor de berekening van diens inkomsten uit arbeid, geen aandacht heeft
besteed. Gelet daarop is de Raad van oordeel dat het kortingsbesluit
wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking
komt.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover die
betrekking heeft op gedaagdes besluit van 4 november 1994, voor
vernietiging in aanmerking komt. Appellants beroep tegen het besluit van
4 november 1994, voor zover dat betrekking heeft op de toekenning van de
AAW-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65
tot 80%, met ingang van 4 januari 1989, dient ongegrond te worden
verklaard. Het beroep van appellant tegen het besluit van 4 november
1994, voor zover dat betrekking heeft op de uitbetaling van de
AAW-uitkering vanaf 4 januari 1989, dient gegrond te worden verklaard.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking voor zover
daarbij appellants beroep tegen het besluit van 8 november 1994
niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb aangezien appellant vergoeding van
proceskosten niet heeft gevorderd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast
dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep
gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad ten overvloede nog het
volgende op. Het staat gedaagde thans vrij om, na nader onderzoek, te
besluiten omtrent een korting op de uitbetaling van appellants
AAW-uitkering over de periode van 4 januari 1989 tot 6 december 1994.
Ter vermijding van ongerechtvaardigde verwachtingen van appellant ten
aanzien van het (gedeeltelijk) tot uitbetaling komen van zijn uitkering
over genoemde periode, merkt de Raad verder op dat het op basis van de
hem thans ter beschikking staande gegevens omtrent appellants inkomsten
geenszins vaststaat dat zijn uitkering daadwerkelijk tot uitbetaling zal
komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op
gedaagdes besluit van 4 november 1994;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Verklaart het inleidend beroep tegen gedaagdes besluit van 4 november
1994, voor zover dat betrekking heeft op de toekenning van AAW-uitkering,
ongegrond;
Verklaart het inleidend beroep tegen gedaagdes besluit van 4 november,
voor zover dat betrekking heeft op de uitbetaling van de AAW-uitkering
vanaf 4 januari 1989, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.
Madunic als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november
1998.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S.P. Madunic.
|
|