|
Uitspraak
96/9375
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 18 augustus 1995 heeft gedaagde de uitkeringen van
appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werden berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van
15 oktober 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
De rechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 26 augustus 1996 het
beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt
hierbij verwezen.
Namens appellant is mr. I.G.J. van den Broek, werkzaam bij de Juridische
Dienst van de Vervoersbond CNV te Apeldoorn, op bij aanvullend
beroepschrift (met bijlage) aangegeven gronden van die uitspraak in
hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 1 oktober 1998 heeft mr. A.A.M. Struik, werkzaam bij de
Bedrijvenbond CNV, zich als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.
De rechtbank heeft vragen beantwoord en desgevraagd nadere stukken
overgelegd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 23 februari 1999, waar partijen - met bericht - niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Bij aanvullend beroepschrift van 16 december 1996 is namens appellant in
hoger beroep onder meer het navolgende aangevoerd: "Allereerst is
eiser van mening dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met het
beginsel van hoor en wederhoor. Nadat partijen schriftelijk hun
standpunten uiteen hadden kunnen zetten, had de rechtbank de
terechtzitting bepaald op 25 april 1996. Eiser heeft gevraagd om uitstel
van de zitting, omdat hij nog in afwachting was van een tweetal
rapporten welke van belang konden zijn voor de beroepsprocedure. De
rechtbank heeft per brief van 19 april 1996 laten weten dat de
behandeling van het beroep ter terechtzitting was uitgesteld tot een
nader te bepalen datum. Per brief van 7 juni 1996 heeft eiser de
desbetreffende rapporten in geding gebracht. Vervolgens ontvangt eiser
per brief d.d. 28 augustus 1996 een kopie van de beslissing van de
rechtbank. Uit deze uitspraak blijkt dat op 19 augustus 1996 het beroep
ter terechtzitting is behandeld. Noch eiser zelf, noch zijn gemachtigde
is van deze terechtzitting op de hoogte gesteld. Eiser heeft derhalve
zijn standpunt niet meer mondeling uiteen kunnen zetten. Hiermee is in
strijd gehandeld met artikel 8:56 Awb en is eiser ernstig in zijn
belangen geschaad. De beslissing van de rechtbank kan naar de mening van
eiser derhalve niet in stand blijven."
Het vorenstaande is voor de fungerend president van de Raad aanleiding
geweest informatie in te winnen bij de sector bestuursrecht van de
rechtbank te Zwolle. Teneinde vast te stellen op welke wijze en op welk
tijdstip de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank van 19 augustus
1996 aan partijen is verzonden, is daarbij verzocht om toezending van
een afschrift van het aantekenboekje.
Bij een ongedateerde notitie heeft een medewerker van de griffie van de
rechtbank te Zwolle de Raad onder toezending van de zittingslijst van
maandag 19 augustus 1996 bericht dat, "(...) er geen oproeping is
verstuurd maar een kennisgeving (zie bijlage). Een "aantekenboekje
ist nicht im Frage"."
De hiervoor geciteerde inhoud van bedoelde notitie heeft de fungerend
president reden gegeven de coördinerend vice-president van de sector
bestuursrecht van de rechtbank te Zwolle te benaderen met een brief van
4 november 1998 van de volgende inhoud: "Bij brief van 13 oktober
1998 (waarvan een kopie is bijgevoegd) is aan uw rechtbank verzocht om
een afschrift van het "aantekenboekje" inzake de door uw
griffier verzonden uitnodiging in verband met de in bovengenoemde zaak
gehouden zitting op 19 augustus 1998. Dit verzoek aan uw rechtbank vindt
zijn grond in het feit dat de gemachtigde van betrokkene in hoger beroep
stelt dat hij die uitnodiging niet heeft ontvangen. Op mijn verzoek
ontving ik een ongedateerde handgeschreven reactie van E. (of F.) die ik
u hierbij tevens toezend. Indien uit deze schriftelijke reactie moet
worden afgeleid dat bij uw rechtbank beleid is een uitnodiging voor de
behandeling van het geschil ter zitting anders dan bij oproeping van een
partij niet aangetekend, doch bij gewone post te verzenden, verzoek ik u
mij te doen toekomen het besluit van de rechtbank waaruit blijkt dat de
verzending van uitnodigingen aan partijen ter zitting te verschijnen
onder toepassing van het tenzij als bedoeld in het eerste lid van
artikel 8:37 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aangetekend of
bij brief met ontvangstbevestiging worden verzonden. Mocht een beleid
als hiervoor omschreven bij uw rechtbank inderdaad worden gevoerd dan
verzoek ik u mij onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij artikel
8:37 van de Awb tevens mede te delen in hoeverre de door uw rechtbank
gekozen wijze van verzending van dergelijke uitnodigingen met dezelfde
waarborgen is omkleed als bij aangetekende verzending dan wel bij
verzending bij brief met ontvangstbevestiging."
In reactie op dat verzoek heeft de sectorvoorzitter van de sector
bestuursrecht van de rechtbank te Zwolle de Raad als volgt bericht:
"In antwoord op uw brief d.d. 4 november j.l. deel ik u mede dat
door deze rechtbank de uitnodiging voor de behandeling van het geschil
ter zitting niet aangetekend doch bij gewone post wordt verzonden. Het
besluit daartoe is genomen in de vergadering van rechters, werkzaam in
de sector bestuursrecht d.d. 1 december 1994. De notulen van die
vergadering zijn niet meer te achterhalen; wel de neerslag ervan in het
Afsprakenboek van de sector bestuursrecht (zie bijgevoegde copie). Met
betrekking tot de waarborgen inzake niet-aangetekende verzending kan
worden vermeld dat van de kennisgeving een copie wordt gemaakt, die in
het dossier wordt gevoegd terwijl het origineel tegelijkertijd in een
vensterenveloppe (de adressering is dus dezelfde als op de
copie-kennisgeving) met de overige post van de rechtbank diezelfde dag
naar het postkantoor wordt gebracht. Deze handelwijze garandeert naar
het oordeel van de rechtbank voldoende dat de kennisgeving ook
daadwerkelijk is verzonden. Dat de kennisgeving vervolgens niet is
aangekomen is, hoewel theoretisch niet geheel onmogelijk, naar de
ervaring leert, nagenoeg uitgesloten." Bij dat schrijven was
gevoegd een kopie van het "Afsprakenboek van de sector
bestuursrecht".
De Raad oordeelt als volgt.
Artikel 8:37, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt
als volgt: "Oproepingen, de uitnodiging om op een zitting van de
rechtbank te verschijnen, alsmede de verzending van een afschrift van de
uitspraak en van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak
geschieden door de griffier bij aangetekende brief of bij brief met
ontvangstbevestiging, tenzij de rechtbank anders bepaalt."
Blijkens de memorie van toelichting (MvT) bij dit artikel heeft de
wetgever met betrekking tot onder meer de verzending van de uitnodiging
voor de te houden zitting het volgende beoogd: "Bij een paar
cruciale momenten in de procedure dient met het oog op de op het spel
staande belangen zekerheid te bestaan dat de brief te bestemder plaatse
is aangekomen. Alsdan is in beginsel verzending bij aangetekende brief
voorgeschreven. Het gaat om de oproeping van partijen, getuigen,
deskundigen en tolken en anderen die door de rechtbank zijn opgeroepen,
om de uitnodigingen aan partijen om ter zitting van de rechtbank te
verschijnen en om de toezending van de uitspraak aan partijen. De
rechtbank kan bepalen dat van verzending bij aangetekende brief wordt
afgezien. Zij zal dat alleen doen als aan de alsdan te kiezen andere
wijze van mededeling dezelfde waarborgen kunnen worden ontleend."
Op grond van de hiervoor weergegeven feiten staat voor de Raad vast dat
de uitnodiging voor de zitting van 19 augustus 1996 door de griffier van
de rechtbank te Zwolle per gewone post en niet bij aangetekende brief of
bij brief met ontvangstbevestiging is verzonden. Naar het oordeel van de
Raad heeft de rechtbank door aldus te handelen miskend dat vorenbedoeld
voorschrift van openbare orde, naar ook blijkt uit het hiervoor
geciteerde gedeelte van de MvT, tot doel heeft voldoende zekerheid te
scheppen dat de in het eerste lid van artikel 8:37 van de Awb expliciet
genoemde stukken (in casu bedoelde uitnodiging) partijen ook feitelijk
bereiken. Nu aan verzending per gewone post geen enkele waarborg kan
worden ontleend op grond waarvan moet worden aangenomen dat bedoelde
uitnodiging ter bestemde plaats aankomt, heeft de rechtbank - gegeven ook
de wetsgeschiedenis van dat artikel - gehandeld in strijd met het
bepaalde in het eerste lid van artikel 8:37 van de Awb.
Mede gelet op het ontbreken van enige aanwijzing voor het tegendeel is
de Raad voorts van oordeel dat - gelijk door de gemachtigde van appellant
is gesteld - er van moet worden uitgegaan dat de bewuste uitnodiging
voor de op 19 augustus 1996 gehouden zitting van de rechtbank appellant
niet heeft bereikt. Hierdoor is appellant niet in de gelegenheid geweest
de hem bij wet toegekende rechten - in casu het bij de behandeling van de
zaak ter zitting van de rechtbank desgewenst aanwezig zijn dan wel zich
aldaar te laten vertegenwoordigen - uit te oefenen en daardoor in
zoverre in zijn processuele belangen geschaad. Gegeven het feit dat het
hier - zoals reeds opgemerkt - handelt om een voorschrift van openbare
orde, is de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig tot stand gekomen en
komt die uitspraak dientengevolge voor vernietiging in aanmerking.
Aangezien de zaak naar 's Raads oordeel opnieuw door de rechtbank moet
worden behandeld, acht de Raad het gewenst deze met toepassing van
artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b van de Beroepswet terug te
wijzen naar de rechtbank te Zwolle.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
Nu de rechtbank zich omtrent de inhoudelijke aspecten van de zaak nog
dient uit te spreken, ziet de Raad aanleiding gedaagde op grond van
artikel 8:75 van de Awb voorwaardelijk te veroordelen in de proceskosten
van appellant in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 710, voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep. Andere op grond van dat artikel (voorwaardelijk) te
vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet
gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast
dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht door
gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het geding voorzover dat betrekking heeft op het besluit van 18
augustus 1995 terug naar de rechtbank te Zwolle;
Veroordeelt gedaagde voorwaardelijk in de proceskosten van appellant in
hoger beroep tot een bedrag groot f 710,-;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f
150,vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G.P.A.M.
Garvelink-Jonkers en mr. M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 23 maart 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
|
|