|
Uitspraak
97/3895
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Elektrotechnische
Industrie. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij haar met toepassing van
artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 24
maart 1997 gegeven uitspraak, gepubliceerd in RSV 1997, 138, appellant
veroordeeld tot betaling van schadevergoeding van een bedrag groot f
7.119,28, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals in die uitspraak
aangegeven.
Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden.
Van de zijde van gedaagde is door mr. L.A. Laagland, werkzaam bij de
Stichting Juridische Dienstverlening te Emmen, een verweerschrift
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 1999, waar appellant
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L. Bosma en mr. M.C. de Borst,
beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.A.
Laagland, voornoemd.
II. MOTIVERING
Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de
volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 28 april 1994 heeft appellant de aan gedaagde toegekende
uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werden berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 22 juni
1994 ingetrokken. Aan dat besluit lag het standpunt ten grondslag dat
gedaagdes gezondheidstoestand haar per 22 juni 1994 weliswaar
verhinderde haar vroegere montagewerkzaamheden bij X. te verrichten,
maar dat zij per die datum in staat werd geacht met haar voorgehouden
functies een zodanig inkomen te verwerven dat geen sprake meer was van
een voor de toepassing van de AAW en de WAO relevant verlies aan
verdienvermogen.
Namens gedaagde is tegen het besluit van 28 april 1994 beroep ingesteld.
Zij was van opvatting dat bij dat besluit ten onrechte was aangenomen
dat zij niet langer in staat was tot het verrichten van haar vroegere
werkzaamheden bij X.
De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van 29
september 1995 het besluit van 28 april 1994 onder gegrondverklaring van
het daartegen ingestelde beroep vernietigd. Die vernietiging is
gebaseerd op de overweging dat het besluit van 28 april 1994 een juiste
feitelijke grondslag ontbeert voor zover daarbij, overeenkomstig het
advies van de arbeidsdeskundige bij de toenmalige Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD), het standpunt is ingenomen dat gedaagdes
gezondheidstoestand haar per 22 juni 1994 verhinderde haar vroegere
werkzaamheden te verrichten.
In voormelde uitspraak heeft de rechtbank tevens bepaald dat het
onderzoek zal worden heropend teneinde te beslissen op het namens
gedaagde in het kader van haar beroep tegen het besluit van 28 april
1994 gedane verzoek om vergoeding van door haar geleden schade.
Partijen hebben in evenbedoelde uitspraak van de rechtbank van 29
september 1995 berust.
In het kader van de procedure ex artikel 8:73, tweede lid, van de Awb
heeft gedaagde, die na de uitspraak van de rechtbank van 29 september
1995 haar vroegere werk als monteuse bij X. heeft hervat, aan de
rechtbank gevraagd appellant te veroordelen tot vergoeding van het
verschil tussen het bedrag aan loon dat zij over de periode van 22 juni
1994 tot 1 oktober 1995 zou hebben ontvangen als zij werkzaam was
geweest, en het bedrag dat zij over die periode aan
werkloosheidsuitkering en salarisaanvulling heeft ontvangen. Zij heeft
tevens wettelijke rente over het te vergoeden bedrag gevorderd.
De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak appellant met
toepassing van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb veroordeeld tot
betaling van schade ter hoogte van een bedrag groot f 7.119,28,
vermeerderd met de wettelijke rente zoals in die uitspraak aangegeven.
Namens appellant is in hoger beroep als meest verstrekkende grief
aangevoerd dat hij niet tot vergoeding van de gestelde schade gehouden
is omdat een causaal verband tussen die schade en het vernietigde
besluit van 28 april 1994 ontbreekt. Het standpunt van appellant komt
erop neer dat de door gedaagde gevorderde schade in geen enkel opzicht
een gevolg is van zijn besluit van 28 april 1994 dat slechts de
intrekking van uitkeringen krachtens de AAW en de WAO betrof, maar
uitsluitend van de omstandigheid dat gedaagde heeft nagelaten zich voor
werkhervatting bij haar werkgever te melden dan wel naar aanleiding van
de weigering van die werkgever haar toe te laten tot het werk, een
loonvordering tegen die werkgever in te stellen.
Namens gedaagde is daartegenover gesteld dat er causaal verband bestaat
tussen het vernietigde besluit van 28 april 1994 en het gestelde
inkomensverlies omdat het onjuiste besluit van appellant, waaraan een
onjuiste zienswijze over gedaagdes geschiktheid voor haar vroegere
werkzaamheden ten grondslag lag, werkhervatting van gedaagde bij haar
werkgever per 22 juni 1994 heeft geblokkeerd. Voorts is er van haar kant
op gewezen dat gedurende het beroep tegen het besluit van 28 april 1994
de weg naar haar werkgever was afgesloten omdat werkhervatting zou
betekenen dat zij onverzekerd arbeid zou gaan verrichten met alle
risico's van dien en dat van gedaagde niet kon en mocht worden gevergd
dat zij een loonvordering tegen haar werkgever zou instellen.
Met betrekking tot het door appellant betwiste causale verband tussen de
gevorderde schade en het vernietigde besluit overweegt de Raad het
volgende.
Vooropgesteld wordt dat de rechtbank, nu zij bij haar uitspraak van 20
september 1995, in welke uitspraak partijen hebben berust, het beroep
van gedaagde tegen appellants besluit van 28 april 1994 gegrond heeft
verklaard en dat besluit heeft vernietigd, ingevolge artikel 8:73,
eerste lid, van de Awb bevoegd was te beslissen op het verzoek van
gedaagde om appellant te veroordelen tot vergoeding van de schade die
gedaagde als gevolg van het vernietigde besluit lijdt.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, wordt volgens inmiddels vaste
jurisprudentie van de Raad bij de beoordeling van een verzoek om
veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade als gevolg van
een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het
civielrechtelijke schadevergoedingsrecht.
In het civiele recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking
komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien
de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van
die gebeurtenis kan worden toegerekend.
In het kader van de toepassing van artikel 8:73 van de Awb betekent dit
dat wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking
komen de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het
vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van
de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit
kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden
acht de Raad ook de aard en de strekking van het vernietigde besluit een
relevante factor. De Raad wijst er daarbij op dat de omstandigheid dat
slechts schade die het gevolg is van het vernietigde besluit voor
vergoeding in aanmerking kan komen, de mogelijkheid onverlet laat om
schade bij de burgerlijke rechter te vorderen op grond van een ander dan
op het nemen en handhaven van het vernietigde besluit te funderen
onrechtmatig handelen of nalaten van het bestuursorgaan.
In het onderhavige geval ziet de Raad zich derhalve gesteld voor de
vraag of de rechtbank terecht en op goede gronden appellant tot
vergoeding van de door gedaagde gevorderde schade heeft veroordeeld
omdat die schade in zodanig verband staat met het vernietigde besluit
van 28 april 1994 dat deze als een aan appellant toe te rekenen gevolg
daarvan kan worden beschouwd.
Dienaangaande is de Raad, met appellant, van oordeel dat de gevorderde
vermogensschade vooral voortvloeit uit de omstandigheid dat gedaagdes
werkgever gedaagde op en na 22 juni 1994 niet het volledige loon heeft
doorbetaald. Blijkens de gedingstukken heeft die werkgever, nadat hij
van de arbeidskundige bij de toenmalige GMD had vernomen dat gedaagde
niet geschikt werd geacht voor haar vroegere werkzaamheden en ander
passend werk voor haar bij die werkgever niet aanwezig was, zich op het
standpunt gesteld daartoe niet gehouden te zijn. Voor het niet
doorbetalen van loon is verder bepalend geweest dat gedaagde geen
loonvordering tegen haar werkgever heeft ingesteld, hoewel zij volgens
de verklaring van haar raadsman haar werkgever in maart 1994 telefonisch
had doen weten bereid en in staat te zijn te hervatten in haar vroegere
werkzaamheden en in haar zienswijze over haar arbeidsgeschiktheid werd
gesteund door haar behandelend arts.
Anders dan de rechtbank en gedaagde ziet de Raad in de omstandigheid dat
gedaagdes werkgever zich bij het door hem ingenomen standpunt heeft
laten leiden door de in het kader van de beoordeling van gedaagdes
aanspraak op uitkeringen krachtens de AAW en de WAO door de
arbeidsdeskundige gegeven en door appellant aan zijn besluit van 28
april 1994 mede ten grondslag gelegde zienswijze over gedaagdes
ongeschiktheid voor haar vroegere werkzaamheden per 22 juni 1994,
onvoldoende grond gelegen voor het oordeel dat de gevolgen van dat door
die werkgever ingenomen standpunt dienen te worden toegerekend aan
appellants besluit van 28 april 1994. Hierbij acht de Raad van
doorslaggevende betekenis dat het vernietigde besluit naar zijn aard en
strekking slechts ziet op gedaagdes aanspraak op uitkeringen krachtens
de AAW en de WAO. De Raad vermag dan ook niet in te zien waarom aan dat
besluit relevante betekenis toekomt voor de (financiλle) gevolgen van
door gedaagde en haar werkgever in het kader van hun arbeidsrechtelijke
relatie genomen beslissingen. Hoewel de Raad begrip heeft voor de niet
gemakkelijke (processuele) situatie waarin een werknemer in een geval
als dat van gedaagde verkeert, ziet hij evenmin dat deswege een relevant
causaal verband tussen de gestelde inkomensderving en het vernietigde
besluit van 28 april 1994 kan worden aangenomen. Datzelfde geldt ook
voor het argument, wat daarvan verder ook zij, dat gedaagde bij
hervatting van het vroegere werk het risico liep dat bij hernieuwde
uitval geen uitkering krachtens de Ziektewet zou worden verleend.
Het vorenstaande voert de Raad tot de slotsom dat in het onderhavige
geval niet kan worden staande gehouden dat de gestelde inkomensderving
kan worden aangemerkt als schade die in zodanig verband staat met het
vernietigde besluit dat zij, mede gezien de aard van de
aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit aan
appellant kan worden toegerekend. Hieruit volgt dat reeds om die reden
de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten en gedaagdes
verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen. In de gegeven
omstandigheden kan en zal de Raad in het midden laten wat er is van
hetgeen overigens in hoger beroep nog is aangevoerd.
Omdat de Raad geen termen ziet om toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Awb, wordt dan ook beslist als hierna aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst gedaagdes verzoek om schadevergoeding alsnog af.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van mr.
S.P. Madunic als griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 7 april 1999.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) S.P. Madunic.
|
|