|
Uitspraak
97/7427
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Havenen aanverwante bedrijven,
Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Namens appellant is mr. M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, in hoger
beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam
onder dagtekening 8 juli 1997 tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desverzocht heeft gedaagde nog stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 december
1998, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.E.J.M. Gielen,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Voor de Raad vormen de volgende feiten en omstandigheden het
uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Bij besluit van 20 juni 1995 heeft gedaagde aan appellant met ingang van
23 juni 1995 uitkeringen op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Namens appellant is tegen dit besluit beroep ingesteld.
Hangende dit beroep heeft gedaagde gelet op het bepaalde in artikel 26,
tweede lid, van de AAW en artikel 36, tweede lid, van de WAO, waarin de
zogenoemde eerstejaarsherbeoordeling is voorgeschreven binnen een jaar
na ingang van voornoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bezien of er
gronden aanwezig waren voor herziening of intrekking van die
uitkeringen. Bij besluit van 9 april 1996 heeft gedaagde aan appellant
bericht dat gelet op de resultaten van het door gedaagde in dat kader
ingestelde onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant
ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 35 tot 45% (besluit I).
Ook tegen dit besluit is namens appellant beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 5 juni 1996 heeft de rechtbank het besluit van 20 juni
1995 vernietigd.
Hangende het beroep tegen besluit I heeft gedaagde bij brief van 25 juli
1996 aan de rechtbank mededeling gedaan van een ten aanzien van
appellant genomen besluit van 23 juli 1996 (besluit II). Bij dit besluit
heeft gedaagde aan appellant met ingang van 23 juni 1995 uitkeringen op
grond van de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Tevens werd aan appellant
medegedeeld dat gelet op de resultaten van de zogeheten
eerstejaarsherbeoordeling de mate van zijn arbeidsongeschiktheid
ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%. Blijkens het door
gedaagde in de hierboven genoemde brief van 25 juli 1996 gestelde komt
besluit II in de plaats van het door de rechtbank bij uitspraak van 5
juni 1996 vernietigde besluit van 20 juni 1995 alsmede in de plaats van
besluit I.
Bij schrijven van 19 september 1996 is namens appellant aan de rechtbank
verzocht het beroep tegen het besluit I mede gericht te achten tegen
besluit II, alsook dat besluit te vernietigen en te bepalen dat
appellant op en na 23 juni 1995 aanspraak kan maken op
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij uitspraak van 16 december 1996, gegeven met toepassing van artikel
8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank het
beroep tegen besluit I kennelijk gegrond verklaard, dat besluit
vernietigd, bepaald dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht
vergoedt en gedaagde veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Tegen die uitspraak is namens appellant verzet gedaan.
De rechtbank heeft, na appellant te hebben gehoord, dat verzet bij de in
rubriek I genoemde uitspraak van 8 juli 1997 ongegrond verklaard.
In zijn hoger beroepschrift betoogt appellant dat zijn hoger beroep
tegen die uitspraak niettegenstaande het bepaalde in artikel 18, tweede
lid, onder b, van de Beroepswet, ontvankelijk is.
Appellant stelt zich daarbij in hoofdzaak op het standpunt dat de
rechtbank het beroep tegen besluit I mede gericht had moeten achten
tegen besluit II, voorzover in laatstgenoemd besluit is bepaald dat in
het kader van de eerstejaarsherbeoordeling appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen alsnog zullen worden berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Appellant is van
opvatting dat daarmee besluit I is gewijzigd, terwijl dat besluit niet
geheel tegemoet komt aan zijn beroep. In de visie van appellant kan de
beslissing met betrekking tot de eerstejaarsherbeoordeling in besluit II
derhalve niet anders worden beschouwd dan als een besluit in de zin van
artikel 6:18 van de Awb en is door de rechtbank ten onrechte geen
toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb.
Blijkens het ingediende verweerschrift onderschrijft gedaagde in grote
lijnen hetgeen namens appellant in zijn hoger beroepschrift daaromtrent
is aangevoerd.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 18, tweede lid, onder b, van
de Beroepswet geen hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank als
bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb openstaat en dat
derhalve een tegen een dergelijke uitspraak ingesteld hoger beroep
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zoals de Raad al eerder
heeft overwogen, wil de Raad echter niet uitsluiten dat er zeer
bijzondere omstandigheden kunnen zijn die een tegen een dergelijke
uitspraak ingesteld hoger beroep niettemin ontvankelijk doen zijn.
Gelet op het navolgende ziet de Raad in het onderhavige geval gronden om
het hoger beroep ontvankelijk te achten.
In de aangevallen uitspraak, waarbij de rechtbank het verzet tegen haar
uitspraak van 16 december 1996 ongegrond heeft verklaard, is het
volgende overwogen: "Naar het oordeel van de rechtbank heeft het
nieuwe besluit niet die strekking dat gesteld kan worden dat er sprake
is van een wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Immers het
nieuwe besluit behandelt meer namelijk het recht op uitkering en de mate
van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO na de wachttijd
van 52 weken, namelijk met ingang van 23 juni 1995. Nu de gemachtigde in
zijn schrijven van 19 september 1996 ook uitdrukkelijk heeft aangegeven
het niet eens te zijn met het nieuwe besluit van 9 (lees: 23) juli 1996
en uitkering krachtens de AAW en de WAO vordert naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% per 23 juni 1995 is de rechtbank
van oordeel dat het beroep terecht bij uitspraak van 16 december 1996
kennelijk gegrond is verklaard en dat tevens impliciet niet is
overgegaan tot toepassing van artikel 6:18 en 6:19 Awb."
De Raad is van oordeel dat de rechtbank de beslissing van gedaagde
omtrent de eerstejaarsherbeoordeling in besluit II ten onrechte niet in
haar beoordeling heeft betrokken, voorzover dit besluit de beslissing
bevat dat gelet op de resultaten van het herbeoordelingsonderzoek
ingevolge artikel 26, tweede lid, van de AAW en artikel 36, tweede lid,
van de WAO de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant dient te
worden vastgesteld op 45 tot 55%. Deze beslissing is het naar oordeel
van de Raad een besluit als bedoeld in het eerste lid van artikel 6:18
van de Awb, omdat het strekt tot wijziging van de eerder door gedaagde
in besluit I gegeven beslissing omtrent de eerstejaarsherbeoordeling,
waarbij de mate van appellants arbeidsongeschiktheid ongewijzigd op 35
tot 45% vastgesteld werd.
Daar bij besluit II te dien aanzien niet geheel aan het beroep van
appellant tegemoet werd gekomen, had de rechtbank het beroep van
appellant tegen besluit I ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb
mede gericht dienen te achten tegen het hier aan de orde zijnde gedeelte
van besluit II. Ten gevolge van het niet in acht nemen van laatstgenoemd
voorschrift heeft de rechtbank gehandeld in strijd met het mede in
artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden besloten liggend fundamenteel
rechtsbeginsel inhoudend dat de rechter een beslissing dient te geven
inzake een bij hem aanhangig beroep tegen een besluit als hier aan de
orde.
Gelet op het vorenoverwogene dient het in artikel 18, tweede lid, onder
b, van de Beroepswet neergelegde appθlverbod buiten toepassing te
worden gelaten en is het hoger beroep ontvankelijk.
De aangevallen uitspraak dient wegens strijd met de artikelen 6:18 en
6:19 van de Awb te worden vernietigd en de zaak zal met toepassing van
artikel 26, eerste lid, onder b, van de Beroepswet voor nader onderzoek
worden teruggewezen naar de rechtbank.
Met betrekking tot de in het onderhavige hoger beroep door appellant
gemaakte proceskosten overweegt de Raad dat de rechtbank afhankelijk van
de uitkomst van het bij haar voort te zetten geding die kosten in een
eventuele proceskostenveroordeling dient te betrekken. Deze kosten
worden begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in
artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast
dat het door appellant gestorte griffierecht door gedaagde dient te
worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht van f
160,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. drs.
J.W.E. Pinckaers-Smink als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.W.E. Pinckaers-Smink.
|
|