|
Uitspraak
96/11020
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant, Café-, Pension- en
aanverwante bedrijven.
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van
deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit d.d. 21 februari 1995 heeft gedaagde geweigerd aan
appellante met ingang van 9 maart 1995 uitkeringen krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de
mate van haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 25%,
respectievelijk 15% bedraagt.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak d.d. 19
november 1996 het namens appellante tegen dat besluit ingestelde beroep
gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de
rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, gedaagde
veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat gedaagde
aan appellante het door haar betaalde griffierecht zal vergoeden.
Namens appellante heeft mr. B. Poiesz, advocaat te Gouda, tegen die
uitspraak hoger beroep ingesteld op bij beroepschrift d.d. 27 november
1996 uiteengezette gronden, nader aangevuld bij brief van 9 oktober
1998.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 13 maart 1997.
Bij brief d.d. 8 oktober 1998 heeft gedaagde enkele van de zijde van de
Raad gestelde vragen beantwoord.
Partijen hebben voorts nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 6 januari
1999, waar voor appellante is verschenen mr. Poiesz en waar gedaagde
zich, zoals aangekondigd, niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak
vernietigd, maar vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van dat
besluit in stand blijven. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
"Blijkens de gedingstukken alsmede het verhandelde ter zitting is
gebleken dat de verzekeringsgeneeskundige tot de conclusie is gekomen
dat eiseres geschikt is te achten voor passende arbeid en deze conclusie
heeft gegrond op de anamnese, het eigen onderzoek en de beschikbare
medische gegevens. Voorts is gebleken dat geen informatie is ingewonnen
bij de specialist die eiseres behandelt voor haar gewrichtsklachten.
Desgevraagd heeft R.C. Nieuwenhof, verzekeringsarts, bij brief van 6
januari 1996, nog geantwoord dat over eiseres geen informatie bij de
behandelend sector is ingewonnen, omdat voor zover bekend zijn
bevindingen en hetgeen eiseres hem vertelde daartoe geen aanleiding
gaven. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat het in beginsel gewenst
is dat de verzekeringsgeneeskundige, als adviseur van verweerder, ter
zake van de gezondheidstoestand van een betrokkene informatie inwint bij
de behandelend sector en dat die informatie mede ten grondslag wordt
gelegd aan het advies. De informatie uit de behandelend sector kan
immers voor verweerder - die een eigen verantwoordelijkheid heeft ter
zake van de inhoud van de adviezen waarop hij zijn besluiten baseert -
als ook voor de rechtbank een belangrijke graadmeter zijn voor de
kwaliteit en de overtuigingskracht van de advisering, doordat een zekere
objectivering van het medisch oordeel plaats heeft. In dit geval had,
gelet op de klachten van eiseres, het inwinnen van informatie bij de
behandelend sector niet achterwege mogen blijven. Gelet hierop kan niet
staande worden gehouden dat de conclusie van de
verzekeringsgeneeskundige op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Nu
verweerder zijn bestreden besluit mede hierop heeft gebaseerd kan naar
het oordeel van de rechtbank niet van een zorgvuldige voorbereiding
worden gesproken. Dat dient er toe te leiden dat dit besluit wegens
strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt
en het beroep gegrond wordt verklaard. Tenslotte ziet de rechtbank
aanleiding om op de voet van het bepaalde in artikel 8:72, lid 3, van de
Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te
laten."
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
De Raad overweegt allereerst het volgende.
Appellante heeft in haar beroepschrift aangevoerd zich met de
aangevallen uitspraak niet te kunnen verenigen in zoverre daarbij de
rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.
Appellante heeft zich in hoger beroep niet gekeerd tegen de vernietiging
van het bestreden besluit als zodanig, en ook gedaagde heeft in die
vernietiging berust. Het antwoord op de vraag of de rechtbank al dan
niet terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
heeft gelaten kan echter in het onderhavige geval, gelet op de grieven
van appellante in hoger beroep, niet worden gegeven dan nadat eerst de
daaraan voorafgaande vraag is beantwoord of bij het bestreden besluit
terecht aan appellante uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO zijn
geweigerd. Deze vragen zijn zodanig verweven dat de Raad van oordeel is
dat ook laatstbedoelde vraag binnen de grenzen van het geding in hoger
beroep valt en mitsdien ter toetsing van de Raad staat.
Voorts stelt de Raad vast dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak
geen motivering heeft gegeven voor haar beslissing om de rechtsgevolgen
van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank heeft
daardoor in strijd gehandeld met artikel 8:77, eerste lid, onder b, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat de
schriftelijke uitspraak de gronden van de beslissing vermeldt. De Raad
vindt in het vorenstaande aanleiding om de aangevallen uitspraak in zijn
geheel te vernietigen.
De Raad zal, doende wat de rechtbank had behoren te doen, thans
onderzoeken of gedaagde aan appellante met ingang van 9 maart 1995
terecht uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO heeft geweigerd.
De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat geen
aanknopingspunten voorhanden zijn om de voorbereiding van de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen door de betrokken
verzekeringsgeneeskundige onzorgvuldig te achten.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad brengt het bepaalde in artikel
3:2 van de Awb met zich, dat een aan een besluit zoals thans in geding
ten grondslag liggend medisch oordeel dient te zijn gebaseerd op een
volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Indien de betrokken
verzekerde onder behandeling van artsen is, kan het niet inwinnen van
informatie bij die artsen tot gevolg hebben dat strijd aanwezig moet
worden geacht met de juist genoemde bepaling. Zulks zal van geval tot
geval moeten worden beoordeeld.
In dit geval vermag de Raad, lettend op hetgeen uit de gedingstukken
naar voren is gekomen omtrent de gezondheidstoestand van appellante,
niet in te zien waarom informatie van de reumatologe en de psycholoog
die appellante hebben onderzocht, voor de verzekeringsgeneeskundige
nieuwe gezichtspunten ten aanzien van de medische toestand van
appellante zouden hebben kunnen opleveren, aangezien deze artsen volgens
appellante geen verklaring voor haar klachten hebben kunnen vinden en
zij ook niet tot behandeling zijn overgegaan. Appellante heeft nadien
geen medische informatie ingezonden die steun geeft voor het oordeel dat
sprake is geweest van een onvolledig of onzorgvuldig medisch onderzoek.
Gelet hierop is de Raad van oordeel dat gedaagde de bij het nemen van
het bestreden besluit is uitgegaan van een juist beeld van de
belastbaarheid van appellante. De grief van appellante dat haar
beperkingen zijn onderschat kan dan ook niet slagen.
Appellante heeft verder aangevoerd dat zij niet in staat is de haar
voorgehouden functies te vervullen. Daarbij heeft zij zich in het
bijzonder beroepen op de uitkomsten van een door haar ondergaan
onderzoek met een ERGOS-werksimulator.
Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
De Raad leidt uit de brief van gedaagde d.d. 8 oktober 1998 af dat de
functies van biscuit aflader/oplegger, loempiavouwer en
aardappelsorteerder bij de vaststelling van de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellante ten onrechte zijn betrokken.
Gedaagde heeft vermeld dat de functies van sieradenmaakster, medisch
registratieassistente, controleuse en medewerkster uitprijsafdeling
resteren.
Wat de geschiktheid voor die functies aangaat overweegt de Raad het
volgende.
De Raad is, onder verwijzing naar zijn uitspraak gepubliceerd in RSV
1995/129, van oordeel dat de uitkomsten van arbeidsexploratieonderzoeken, waaronder te verstaan onderzoeken met
behulp van een ERGOS-werksimulator, met terughoudendheid dienen te
worden gehanteerd bij beoordelingen als de onderhavige, reeds omdat in
verband met de gebruikte onderzoeksmethode de onderzochte persoon zelf,
al dan niet bewust, in enige mate invloed zal kunnen uitoefenen op het
onderzoek en aldus niet voorkomen zal kunnen worden dat de resultaten
ervan mede afhankelijk zijn van diens medewerking aan het onderzoek.
Bovendien is niet zonder belang dat het door appellante ondergane
ERGOS-onderzoek niet gericht is geweest op het testen van haar
geschiktheid voor de bij de vaststelling van de mate van haar
arbeidsongeschiktheid betrokken functies. Echter, ook indien gezegd zou
moeten worden dat de resultaten van zo'n onderzoek noch door de
onderzoeker, noch door de onderzochte zouden kunnen worden beďnvloed,
dan is daarmee nog niet gegeven dat alsdan aan de hier naar vaste
jurisprudentie aan te leggen maatstaf met betrekking tot het begrip
arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken is voldaan, te weten het
op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, niet kunnen of
mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid, resulterend in een
relevant inkomensverlies ten opzichte van het zogeheten maatmaninkomen.
Toetsend aan deze maatstaf overweegt de Raad dat hij in de beschikbare
medische gegevens geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel
dat appellante niet in staat is gedurende hele dagen de thans bij de
vaststelling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid betrokken
functies te vervullen.
De Raad is dan ook van oordeel dat, indien enkel en alleen op grond van
de resultaten van het ERGOS-onderzoek, en voorbijgaand aan het hierboven
overwogene, zou worden geconcludeerd dat appellante niet in staat is te
achten fulltime de eerder genoemde - resterende - functies te vervullen,
daarmee een onvoldoende geobjectiveerde en derhalve onjuiste maatstaf
zou worden aangelegd met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid
in de zin van de AAW en de WAO.
De Raad overweegt tenslotte dat vergelijking van het loon dat appellante
in de voor haar geschikt te achten functies kan verdienen met haar
maatmaninkomen resulteert, zoals gedaagde in zijn brief d.d. 8 oktober
1998 heeft vermeld, in een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot
25%. Hieruit volgt dat gedaagde ten onrechte aan appellante met ingang
van 9 maart 1995 een WAO-uitkering heeft geweigerd. In zoverre dient het
bestreden besluit derhalve te worden vernietigd. Gedaagde zal ter dier
zake een nader besluit dienen te nemen. Wel is blijkens het bestreden
besluit terecht aan appellante uitkering ingevolge de AAW onthouden.
De Raad bepaalt vervolgens, gelet op de artikelen 24 en 25, eerste lid,
van de Beroepswet, dat gedaagde het in beide instanties betaalde
griffierecht ten bedrage van totaal f 200,- aan appellante vergoedt.
De Raad acht tot slot termen aanwezig gedaagde met toepassing van
artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante
in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot deze kosten op f 1.420,-
respectievelijk f 1.420,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in
beroep respectievelijk in hoger beroep en op f 1.630,- wegens kosten van
deskundigen die aan appellante in het kader van het geding in beide
instanties verslag hebben uitgebracht, in totaal f 4.470,-. Overige
kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Vernietigt het bestreden besluit in zoverre daarbij is geweigerd aan
appellante met ingang van 9 maart 1995 een WAO-uitkering toe te kennen;
Verklaart het inleidend beroep voor het overige ongegrond;
Bepaalt dat gedaagde het griffierecht ten bedrage van f 200,- aan
appellante vergoedt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in beroep en in
hoger beroep ten bedrage van f 4.470,-.
Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. G. van der
Wiel en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.W.A. van Geloven als griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 1999.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) P.W.A. van Geloven.
|
|