|
Uitspraak
96/9848
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger
beroep gekomen van een door de rechtbank te 's-Gravenhage onder
dagtekening 24 september 1996 tussen partijen gegeven mondelinge
uitspraak, naar het proces-verbaal waarvan hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk
ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 december 1998, waar
voor appellant is verschenen mr. C. Vork, werkzaam bij Gak Nederland B.V.,
terwijl gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Gedaagde was laatstelijk werkzaam als chauffeur in een voltijds
dienstverband. Zij heeft zich op 28 oktober 1991 ziek gemeld wegens
hoofdpijnklachten en chronische vermoeidheid.
Appellant heeft gedaagde, nadat hij haar over de maximale periode
ziekengeld ingevolge de Ziektewet had uitbetaald, met ingang van 27
oktober 1992 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Appellant heeft die uitkeringen bij beslissing van 20 juni 1993 met
ingang van 1 juli 1993 herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Bij het bestreden besluit van 7 maart 1994 heeft appellant de
uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktweidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
45 tot 55%, met ingang van 1 juni 1994 ingetrokken, onder overweging dat
de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder
dan 25 respectievelijk 15% was.
Dit besluit berust op het standpunt dat gedaagde op 1 juni 1994, de in
geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten
van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt
was voor werkzaamheden verbonden aan de voor haar geselecteerde
functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van die functies met
het voor haar geldende maatmaninkomen levert volgens appellant geen
verlies aan verdiencapaciteit op.
Gedaagde is van dat besluit bij beroepschrift van 6 april 1994 in beroep
gekomen. Kort voor de behandeling ter zitting van de zaak heeft zij de
rechtbank bij brief van 30 augustus 1996 bericht dat zij een artikel had
gelezen waarin een verband werd gelegd tussen amalgaamvullingen in het
gebit en het optreden van vermoeidheidsverschijnselen. Daarvan kennis
genomen hebbende heeft zij haar amalgaamvullingen laten verwijderen en
composietvullingen laten aanbrengen. Vanaf dat moment was het herstel
ingetreden. Op 22 mei 1995 heeft zij haar werkzaamheden als chauffeur
weer volledig kunnen hervatten.
Ter zitting van de rechtbank van 18 september 1996 heeft gedaagde
verklaard dat zij aan het gestelde in haar brief van 30 augustus 1996
niets had toe te voegen. Appellants gemachtigde heeft daar gesteld dat
medisch gesproken een zorgvuldig onderzoek was verricht en dat daarbij
geen objectiveerbare afwijkingen waren gevonden. Voorts heeft die
gemachtigde verklaard dat er bij zijn weten geen "zogenaamde
amalgaamziekte of iets dergelijks" bestaat en dat nooit een link is
gelegd tussen de klachten van gedaagde en haar amalgaamvullingen.
De rechtbank heeft in vorenstaande feiten en omstandigheden aanleiding
gevonden om te oordelen dat het bestreden besluit nader dient te worden
gemotiveerd. Zij heeft dit besluit om die reden vernietigd. Daarbij is
overwogen dat hetgeen gedaagde naar voren heeft gebracht met betrekking
tot de amalgaamvullingen voldoende aanleiding vormde om nader te laten
onderzoeken of deze vullingen op de schattingsdatum de reden waren voor
de vermoeidheidsklachten. Appellant diende daarnaar, naar het oordeel
van de rechtbank, nader onderzoek te verrichten.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het verwijderen van de
amalgaamvullingen onvoldoende aanleiding vormt om nader te laten
onderzoeken of dit de reden was voor de vermoeidheidsklachten. Met de
vermoeidheidsklachten van gedaagde is, naar het oordeel van appellant,
al voldoende rekening gehouden bij het opstellen van het
belastbaarheidspatroon.
Voorts heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit op een
juiste wijze behoorlijk is gemotiveerd, zodat een nadere motivering
achterwege kan blijven.
Aangevoerd is verder dat, ook al waren de amalgaamvullingen de reden van
de vermoeidheidsklachten, daarmee nog niet gezegd is dat de
belastbaarheid van gedaagde onjuist is vastgesteld, omdat dan ook nog
een relatie dient te worden gelegd tussen de uitingen van de
gezondheidsstoornis en de voor arbeid relevante beperkingen.
De Raad overweegt als volgt.
Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient onder arbeidsongeschiktheid
wegens ziekte of gebreken in de zin van artikel 5 van de AAW en artikel
18 van de WAO te worden verstaan het op medische gronden naar objectieve
maatstaven gemeten niet kunnen of mogen verrichten van de in aanmerking
komende arbeid, resulterend in een relevant inkomensverlies ten opzichte
van het inkomen van de zogeheten maatman.
De Raad is van oordeel dat niet op voorhand mag worden uitgesloten dat
hetgeen gedaagde tijdens de procedure bij de rechtbank naar voren heeft
gebracht met betrekking tot het verband tussen haar amalgaamvullingen en
haar vermoeidheidsklachten, zal kunnen leiden tot het aannemen van
andere, op ziekte of gebrek berustende, beperkingen van de
belastbaarheid van gedaagde dan appellant bij het voorbereiden en nemen
van het bestreden besluit heeft aangenomen. Appellant heeft bij de
voorbereiding van het bestreden besluit naar genoemd verband geen
geneeskundig onderzoek kunnen verrichten. Daarom moet geoordeeld worden
dat vooralsnog niet vaststaat dat met betrekking tot de datum in geding
de juiste belastbaarheid van gedaagde is vastgesteld.
Dit gegeven zijnde is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte
heeft geoordeeld dat het bestreden besluit vernietigd diende te worden
wegens ondeugdelijke motivering. De Raad merkt in dit verband op dat in
een geval als het onderhavige eerst een oordeel over de deugdelijkheid
van de motivering kan worden geveld nadat de voor die toetsing benodigde
gegevens van feitelijke aard zijn komen vast te staan.
De Raad merkt verder op dat het in een geval als het onderhavige, waarin
een verzekerde hangende het geding bij de rechtbank gegevens van
feitelijke aard naar voren brengt, waarvan niet op voorhand vaststaat
dat zij niet van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de
aanspraken en de deugdelijkheid van de motivering, op de weg van de
rechtbank ligt om nader onderzoek te verrichten naar de relevantie van
die gegevens. Dit onderzoek kan bestaan uit het vragen van inlichtingen
aan het betrokken bestuursorgaan, dan wel, indien de gegevens die
ingebracht zijn op zichzelf genomen voldoende zijn om te twijfelen aan
de juistheid van de voor die verzekerde vastgestelde belastbaarheid, het
inschakelen van een deskundige die aan de rechtbank verslag uitbrengt
van zijn bevindingen.
Aangezien de rechtbank in hetgeen gedaagde in haar brief van 30 augustus
1996 en hetgeen partijen ter zitting van de rechtbank van 18 september
1998 naar voren hebben gebracht in redelijkheid aanleiding had moeten
vinden om het onderzoek te heropenen, zal de Raad de aangevallen
uitspraak vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 8:68,
eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Met toepassing van artikel 26, eerste lid, onder b van de Beroepswet zal
de Raad de zaak terugwijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten
die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen
termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75
van de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank te 's-Gravenhage.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. R.M. van Male en
prof. mr. F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
|
|