|
Uitspraak
97/1559
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 6 april 1994 heeft gedaagde het volgende beslist.
"Met onze brief van 28 juli 1993 werd u medegedeeld dat uw
uitkering krachtens de AAW en/of WAO in verband met een wetswijziging
per 1 augustus 1993 vanaf die datum wordt uitbetaald alsof uw mate van
arbeidsongeschiktheid 25-35% bedraagt.
Inmiddels hebben wij een nieuw advies van de Gemeenschappelijke Medische
Dienst (GMD) ontvangen. Daarom is besloten om onze brief van 28 juli
1993 in zoverre te herzien dat - gelet op dit advies van de GMD - uw
arbeidsongeschiktheidsuitkering vanaf 1 augustus 1993 wordt uitbetaald
alsof uw mate van arbeidsongeschiktheid 45-55% bedraagt.
Het bedrag van uw uitkering dat tot uitbetaling komt bedraagt 35% van
100/108 maal uw dagloon ad f 166.17 is f 58.47 bruto per dag."
De Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van
7 januari 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij
beroepschrift, met bijlage, aangevoerde gronden. Bij schrijven van 7 mei
1997, met bijlagen, heeft hij de gronden van zijn hoger beroep
aangevuld.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 9 juli
1999, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich,
met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 28 juli 1993 heeft gedaagde beslist dat appellants
uitkering ingevolge de AAW en de WAO, onder toepassing van de artikelen
33 van de AAW en 44 van de WAO, zoals die bepalingen met ingang van 1
augustus 1993 luiden, wordt uitbetaald alsof de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant 25 tot 35% bedraagt. Dit besluit is
in rechte onaantastbaar geworden.
Op 18 februari 1994 heeft appellant de Gemeenschappelijke Medische
Dienst (GMD) telefonisch medegedeeld dat hij vermoedde dat het loon dat
zijn werkgever - bij wie appellant in het verband van de Wet Sociale
Werkvoorziening (WSW) werkzaamheden verricht - aan de GMD had vermeld en
dat vervolgens mede aan het besluit van 28 juli 1993 ten grondslag was
gelegd, gebaseerd was op een werkweek van appellant van 36 uur, zulks
terwijl hij slechts 28 uur per week werkt.
Naar aanleiding daarvan heeft de GMD geconcludeerd dat in het besluit
van 28 juli 1993 van een onjuist loon was uitgegaan en is een nieuwe
berekening van de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid
gemaakt. Dit heeft ertoe geleid dat gedaagde bij het bestreden besluit
in zoverre van zijn besluit van 28 juli 1993 is teruggekomen dat de
fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 1
augustus 1993 alsnog op 45 tot 55% is gesteld.
Hangende de gedingvoering in eerste aanleg terzake van het bestreden
besluit heeft gedaagde, naar aanleiding van de vraag van de rechtbank of
gedaagde de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met
inkomsten uit arbeid had toegepast, op 17 juli 1995 een besluit genomen,
inhoudend dat toepassing van artikel 8 van de Regeling samenloop
arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid (hierna: de
regeling garantie-inkomen) leidt tot aanvulling van appellants uitkering
ingevolge de WAO met f 0,00 bruto per uitkeringsdag.
Bij brief van 31 oktober 1995 heeft de rechtbank partijen medegedeeld
dat zij, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb), appellants beroepschrift d.d. 15 april
1994 tegen het bestreden besluit beschouwt als mede te zijn gericht
tegen het besluit van gedaagde van 17 juli 1995.
Blijkens de desbetreffende overwegingen van de aangevallen uitspraak
heeft de rechtbank evenwel het beroepschrift van appellant tegen het
bestreden besluit klaarblijkelijk niet ingevolge artikel 6:19 van de Awb
gericht geacht tegen het besluit van 17 juli 1995 doch dit besluit
uitdrukkelijk aangemerkt als een nadere motivering van het bestreden
besluit.
De Raad overweegt daaromtrent ambtshalve als volgt.
Het besluit van gedaagde van 17 juli 1995 tot toepassing van de regeling
garantie-inkomen bevat niet een beslissing tot intrekking of wijziging
van het bestreden besluit. Dat besluit valt evenmin binnen de grondslag
en het bereik van het bestreden besluit. Het besluit van 17 juli 1995
kan dan ook niet worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel
6:18 van de Awb waartegen ingevolge artikel 6:19 van de Awb het beroep
van appellant tegen het bestreden besluit geacht wordt mede te zijn
gericht. De rechtbank heeft dan ook partijen in haar brief d.d. 31
oktober 1995 ten onrechte medegedeeld dat zij toepassing zou geven aan
de laatstgenoemde bepalingen.
Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank evenwel daartoe niet
overgegaan - hetgeen gezien de Raad zojuist heeft overwogen voor juist
moet worden gehouden - maar heeft zij het besluit van 17 juli 1995
beschouwd als een nadere motivering van het bestreden besluit, ter
toetsing waarvan zij het besluit van 17 juli 1995 uitdrukkelijk in haar
oordeel heeft betrokken.
De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen. Blijkens de bewoordingen
van het besluit van 17 juli 1995 is het er niet op gericht het bestreden
besluit nader te motiveren, doch bevat het een zelfstandige beslissing
tot toepassing van de regeling garantie-inkomen, inhoudend dat
appellants op grond van het bestreden besluit vastgestelde uitkering
niet aangevuld wordt. De rechtbank heeft dan ook het besluit van 17 juli
1995 - waartegen appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft
medegedeeld, overigens geen bezwaar heeft - ten onrechte als nadere
motivering van het bestreden besluit beschouwd en het als zodanig
getoetst. De rechtbank is aldus getreden buiten de grenzen van het aan
haar ter beoordeling voorgelegde geding. De aangevallen uitspraak kan
dan ook in zoverre, als te zijn genomen in strijd met artikel 8:1 in
verbinding met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, geen stand houden.
Ten aanzien van hetgeen met betrekking tot het bestreden besluit
partijen verdeeld houdt overweegt de Raad het volgende.
Appellant heeft tegen de fictieve vaststelling van zijn
arbeidsongeschiktheid naar een mate van 45 tot 55% per 1 augustus 1993
op zichzelf geen bedenkingen. Blijkens hetgeen hij in beroep en hoger
beroep daaromtrent naar voren heeft gebracht is hij evenwel de opvatting
toegedaan dat gedaagde had moeten beslissen met toepassing van de
artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO de fictieve mate van zijn
arbeidsongeschiktheid reeds met ingang van 9 september 1985 in te delen
in de klasse van 45 tot 55%. Alsdan zou de met ingang van laatstgenoemde
datum door gedaagde toegepaste korting op appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de opvatting van appellant lager
zijn uitgekomen. Die korting is door gedaagde met toepassing van de
artikelen 34 (oud) van de AAW en 45 (oud) van de WAO toegepast in
verband met door appellant per 9 september 1985 voor het eerst verkregen
inkomsten uit zijn dienstverband ingevolge de WSW. Dit is gebeurd bij
een besluit van gedaagde d.d. 14 oktober 1985, welk besluit, doordat
appellant zijn beroep daartegen niet heeft gehandhaafd, in rechte
onaantastbaar is geworden.
De Raad overweegt dat het bestreden besluit het gevolg is van appellants
kennelijke verzoek aan gedaagde d.d. 18 februari 1994 om terug te komen
van zijn besluit van 28 juli 1993 op de grond dat gedaagde daarbij uit
is gegaan van een onjuiste omvang van appellants werktijd en inkomsten,
waardoor de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid per 1
augustus 1993 ten onrechte in een te lage klasse was ingedeeld.
Appellant heeft aan dat verzoek voldaan met als gevolg dat appellants
arbeidsongeschiktheid door gedaagde bij het bestreden besluit in de
klasse van 45 tot 55% is ingedeeld.
De hierv๓๓r samengevatte gronden die appellant tegen het bestreden
besluit heeft aangevoerd hebben geen betrekking op het onderwerp van dat
besluit. Gezien hetgeen appellant op 18 februari 1994 aan gedaagde heeft
gevraagd, behoefde een beslissing met betrekking tot de mate van
appellants arbeidsongeschiktheid op 9 september 1985 ook niet (deel van)
het onderwerp uit te maken van het bestreden besluit. Een rechterlijke
beslissing met betrekking tot de toepassing van de artikelen 33 van de
AAW en 44 van de WAO, als door appellant verzocht zou - nog daargelaten
dat aan die bepalingen geen terugwerkende kracht is toegekend met
betrekking tot enig tijdstip gelegen v๓๓r 1 augustus 1993 - de grenzen
van het onderhavige geding dan ook te buiten gaan.
Gelet hierop kan de Raad in het midden laten wat er zij van appellants
stelling dat het bestreden besluit in strijd is met het
gelijkheidsbeginsel, omdat het niet de kennelijk thans door appellant
gewenste beslissing van gedaagde bevat om de korting van appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkering per 9 september 1985 in voor appellant
gunstige zin te herzien.
Gezien het vorenoverwogene heeft de rechtbank het bestreden besluit
terecht in stand gelaten en in zoverre treft appellants hoger beroep
geen doel.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant in hoger beroep gestorte griffierecht
door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze uitspraak betrekking
heeft op het besluit van gedaagde van 17 juli 1995;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant gestorte griffierecht van f
160,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr.
J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van S.I. ter Riet als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 september 1999.
(get.) H. Bolt.
(get.) S.I. ter Riet.
|
|