|
Uitspraak
96/6723 AAW/WAO, 96/6724 AAW/WAO en 96/11456 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
De gedingen 96/6723 AAW/WAO en 96/6724 AAW/WAO
Bij besluit van 21 augustus 1995 (hierna: besluit 1) heeft gedaagde met
toepassing van artikel 48 (oud) van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en artikel 57 (oud) van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant teruggevorderd een
bedrag van f 44.903,23 ter zake van hetgeen op grond van die wetten
onverschuldigd aan appellant was betaald.
Bij besluit van 21 augustus 1995 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde het
ter verrekening van deze schuld door appellant met ingang van 1
september 1995 maandelijks te betalen bedrag vastgesteld op f 1.381,83.
Appellant heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de
Arrondissementsrechtbank te Haarlem.
Hangende het beroep heeft gedaagde, onder gedeeltelijke wijziging van
besluit 1, bij besluit van 22 april 1996 het bedrag ter zake van hetgeen
op grond van de AAW en de WAO onverschuldigd aan appellant was betaald
alsnog bepaald op f 27.136,32.
Namens appellant is meegedeeld dat gedaagde met het besluit van 22 april
1996 geheel is tegemoet gekomen aan het door hem ingestelde beroep.
Hangende het beroep heeft gedaagde voorts, onder intrekking van besluit
2, bij besluit van 4 januari 1996 (hierna: besluit 3) het met ingang van
1 februari 1996 ter verrekening van appellants schuld maandelijks op
appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO in te houden bedrag
vastgesteld op f 731,34.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 30 mei
1996 (hierna: aangevallen uitspraak 1):
- de beroepen, gericht tegen de besluiten 1 en 2, gegrond verklaard en
die besluiten vernietigd,
- het beroep tegen besluit 3 ongegrond verklaard, en
- gedaagde veroordeeld in de kosten van het geding, door de rechtbank
voor ieder geding bepaald op f 710,-, tezamen f 1.420,-, te betalen aan
de griffier van de rechtbank.
Appellant heeft bij gemachtigde mr. E.M. van Hemert, advocaat te Zaandam,
op bij een drietal beroepschriften, alle gedateerd 15 juli 1996,
aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voor
zover:
- gedaagde is veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte
proceskosten, door de rechtbank voor ieder geding bepaald op f 710,-,
tezamen f 1.420,-, en
- het beroep tegen besluit 3 ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een drietal verweerschriften, alle gedateerd 16 september
1996, ingediend.
Bij schrijven (met bijlagen) van 4 oktober 1996 heeft mr. Van Hemert,
voornoemd, de gronden van het hoger beroep, voor zover betrekking
hebbende op besluit 3, aangevuld, waarop van de zijde van gedaagde bij
brief van 23 oktober 1996 is gereageerd.
Het geding 96/11456 AAW/WAO
Bij besluit van 22 juli 1996 (hierna: besluit 4) heeft gedaagde, onder
wijziging van besluit 3, het met ingang van 1 maart, respectievelijk 1
april 1996 ter verrekening van appellants schuld maandelijks op
appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO in te houden bedrag
vastgesteld op f 735,68, respectievelijk f 1.015,68.
De President van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij
uitspraak ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 1 november 1996 (hierna: aangevallen uitspraak 2) het tegen voormeld
besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Namens appellant heeft mr. Van Hemert, voornoemd, op bij aanvullend
beroepschrift (met bijlage) d.d. 28 maart 1997 aangevoerde gronden tegen
die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Op een daartoe strekkend verzoek van de Raad heeft gedaagde bij
schrijven van 19 oktober 1997 nadere stukken ingediend.
Bij schrijven van 16 december 1998 heeft gedaagde een hem vanwege de
Raad gestelde vraag beantwoord.
De gedingen 96/6723 AAW/WAO en 96/6724 AAW/WAO en 96/11456 AAW/WAO
De gedingen zijn gevoegd en behandeld ter zitting van de Raad, gehouden
op 11 juni 1999, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Van
Hemert, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door S.J.M. Huisman, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn
gemachtigde.
II. MOTIVERING
Gelet op de ingediende beroepschriften liggen in hoger beroep de
volgende vragen ter beantwoording voor:
- Heeft de rechtbank bij aangevallen uitspraak 1 het door gedaagde aan
appellant te vergoeden bedrag ter zake van gedaagdes proceskosten in
eerste aanleg terecht en op goede gronden gesteld op twee maal f 710,-,
tezamen f 1.420,-?
- Kunnen de besluiten 3 en 4, waarbij het, ter verrekening van
appellants schuld ter zake van onverschuldigd betaalde uitkering
ingevolge de AAW en de WAO, op appellants AAW/WAO-uitkering ingehouden
bedrag met ingang van respectievelijk 1 februari, 1 maart en 1 april
1996 is vastgesteld op respectievelijk f 731,34, f 735,68 en f
1.015,68, in rechte stand houden?
- Heeft de rechtbank, respectievelijk de President van de rechtbank bij
aangevallen uitspraak 1, respectievelijk aangevallen uitspraak 2 terecht
en op juiste gronden afgezien van inwilliging van appellants verzoek om
toepassing van artikel 8:73 van de Awb?
De Raad stelt deze vragen achtereenvolgens aan de orde.
De proceskostenveroordeling
Namens appellant is aangevoerd dat de rechtbank bij de vaststelling van
de door haar uitgesproken proceskostenveroordeling een onjuiste
toepassing heeft gegeven aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
omdat de rechtbank, blijkens aangevallen uitspraak 1, slechts punten
heeft toegekend aan de in de beide procedures ingediende
beroepschriften. Naar zijn oordeel dienen ook punten te worden toegekend
voor het verschijnen ter zitting in de beide procedures, alsmede voor
een schrijven 14 april 1996, welk schrijven zijns inziens is aan te
merken als op verzoek van de rechtbank verstrekte schriftelijke
inlichtingen.
De totale hoogte van de in eerste aanleg uit te spreken
proceskostenveroordeling had derhalve f 1.775,- behoren te bedragen.
Van de zijde van gedaagde is betoogd dat de door de rechtbank
uitgesproken proceskostenveroordeling een juiste toepassing behelst van
het Bpb. Naar zijn oordeel heeft de rechtbank terecht slechts 1 punt per
procedure in aanmerking genomen, omdat de beide beroepschriften, waarbij
tevens was verzocht om een voorlopige voorziening, reeds bij gelegenheid
van de uitspraak op die verzoeken hadden geleid tot een
proceskostenveroordeling. Om die reden is er naar gedaagdes oordeel geen
plaats meer voor het in aanmerking nemen van de beroepschriften bij het
vaststellen van de hoogte van de door appellant in de beide
(bodem)procedures
gemaakte proceskosten. Het bij aangevallen uitspraak 1 aan elk der
procedures toegekende punt betreft naar zijn mening het verschijnen ter
zitting. Wat het schrijven van 14 april 1996 betreft, is gedaagde van
mening dat, nu in dat schrijven is gereageerd op het door gedaagde nader
bij besluit 3 ingenomen standpunt en het beroep tegen besluit 3
ongegrond is verklaard, er geen grond is voor toekenning van een
vergoeding voor gemaakte proceskosten.
Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank bij aangevallen
uitspraak 1 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het Bpb. In de
procedure ter zake van besluit 1 komen voor vergoeding in aanmerking de
volgende proceshandelingen:
het beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De omstandigheid dat
bij het beroepschrift tevens is verzocht om een voorlopige voorziening
en bij de uitspraak op dat verzoek reeds een proceskostenveroordeling is
uitgesproken waarbij het verzoek als een voor vergoeding in aanmerking
komende proceshandeling is aangemerkt, maakt niet dat het beroepschrift
in de bodemprocedure niet meer als proceshandeling voor vergoeding van
proceskosten in aanmerking kan komen. Voorts overweegt de Raad dat de
procedure ter zake van besluit 1 ter zitting van de rechtbank op 25
april 1996 inhoudelijk aan de orde is geweest, zij het dat daarbij van
de zijde van appellant, nu met het besluit van 22 april 1996 is tegemoet
gekomen aan zijn beroep, is volstaan met het vorderen van vergoeding van
de door hem in de procedure ter zake van dat besluit gemaakte
proceskosten.
In de procedure ter zake van besluit 2 komen voor vergoeding in
aanmerking de volgende proceshandelingen: het beroepschrift en het
verschijnen ter zitting. De Raad overweegt hierbij dat de rechtbank
terecht besluit 3 heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel
6:18 van de Awb en, nu daarmee niet aan het beroep van appellant is
tegemoet gekomen, terecht het tegen besluit 2 ingediende beroepschrift
heeft geacht mede te zijn gericht tegen besluit 3. Het nadere schrijven
van 14 april 1996 komt naar het oordeel van de Raad niet voor vergoeding
ingevolge het Bpb in aanmerking omdat het niet als een zelfstandige
proceshandeling, als opgesomd in de bijlage bij dat besluit, is aan te
merken, maar is te beschouwen als een nadere uitwerking van het
(aanvullend) beroepschrift in de procedure ter zake van besluit 2.
Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het
hoger beroep, voor zover gericht tegen de door de rechtbank bij
aangevallen uitspraak 1 uitgesproken proceskostenveroordeling, doel
treft, zodat evengenoemde uitspraak in zoverre niet in stand kan
blijven.
De verrekeningsbesluiten
Met betrekking tot besluit 3 is in hoger beroep nog slechts in geschil
of gedaagde bij het vaststellen van de hoogte van het met ingang van 1
februari 1996 met appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO te
verrekenen bedrag op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel
475d, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
(Rv).
De Raad is van oordeel dat deze vraag bevestigend dient te worden
beantwoord en hij overweegt daartoe het volgende.
Zoals de Raad reeds eerder - verwezen zij naar zijn uitspraak van 5 juli
1995, gepubliceerd in RSV 1996/60 - heeft uitgesproken, dient bij het
nemen van een besluit als thans aan de orde artikel 6:135 van het
Burgerlijk Wetboek in acht te worden genomen. Dit betekent, dat bij de
bepaling van het te verrekenen bedrag appellants vrij te laten inkomen
met toepassing van de artikelen 475c en 475d Rv moet worden berekend.
Reeds om deze reden kan appellants betoog, dat bij de vaststelling van
het deel van zijn woonkosten dat dient te worden bijgeteld bij het vrij
te laten inkomen aansluiting dient te worden gezocht bij de hoogte van
het bedrag voor woonkosten in de bijstandsnorm, welk bedrag per 1 juli
1994 is gesteld op f 335,-, niet slagen.
De wijze waarop gedaagde het in artikel 475d, tweede lid, aanhef en
onder b, bedoelde bedrag aan woonkosten heeft berekend, is, naar ook
namens appellant bij het schrijven van 4 oktober 1996 is erkend, in
overeenstemming met de tekst van die bepaling. De omstandigheid dat
gedaagde bij die berekening is uitgegaan van de voor het tijdvak van 1
juli 1994 tot 1 juli 1995 geldende bedragen in plaats van de voor het
tijdvak van 1 juli 1995 tot 1 juli 1996 geldende bedragen, brengt de
Raad niet tot het oordeel dat besluit 3 in rechte geen stand kan houden,
nu daardoor het vrij te laten deel van appellants inkomen in elk geval
niet te laag is vastgesteld. Nu de overige bedragen die van belang zijn
voor de berekening van de bij appellant bestaande ruimte voor
verrekening niet ter discussie staan, moet worden geoordeeld dat het
hoger beroep, voor zover betrekking hebbende op besluit 3, niet kan
slagen, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep
tegen dat besluit ongegrond is verklaard, dient te worden bevestigd.
Met betrekking tot besluit 4 is in hoger beroep in geschil of de
President van de rechtbank, onder gegrondverklaring van het beroep en
vernietiging van dat besluit, terecht heeft overwogen dat:
- gedaagde, voor wat betreft de berekening van de in aanmerking te nemen
woonkosten, een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 475d, vijfde
lid, aanhef en onder b, Rv;
- het gedaagde vrij staat om bij de vaststelling van het te verrekenen
bedrag acht te slaan op andere terugbetalingsverplichtingen van
appellant, in casu de schuld van appellant aan de ABN/AMRO;
- de omstandigheid dat in de maand oktober 1996 niet alleen een bedrag
van f 1.015,68 is verrekend, maar ook een bedrag van f 2.031,36, zijnde
de verrekeningsbedragen over de maanden augustus en september
daaraanvoorafgaande, zodat in die maand - alsmede in de maand november
1996, toen het deel van het bedrag van f 2.031,36 is verrekend dat gelet
op appellants inkomen over de maand oktober nog niet kon worden
verrekend - feitelijk meer is verrekend dan op grond van besluit 4
mogelijk was.
De Raad overweegt als volgt.
Onder verwijzing naar hetgeen hij hierboven heeft overwogen met
betrekking tot besluit 3, waar de wijze van berekenen van het vrij te
laten deel van appellants inkomsten, in het bijzonder wat het aandeel
daarin van de woonkosten van appellant betreft, reeds aan de orde was,
is de Raad met de President van de rechtbank van oordeel dat de wijze
waarop bij besluit 4 het in artikel 475d, vijfde lid, aanhef en onder b,
Rv bedoelde bedrag aan woonkosten, dat bij de beslagvrije voet, als
bedoeld in dat artikel, dient te worden opgeteld, is berekend, in
overeenstemming is met de tekst van die bepaling, en is hij tevens van
oordeel dat, bij toepassing van de juiste, voor het tijdvak van 1 juli
1995 tot 1 juli 1996 geldende, bedragen, het vrij te laten deel van
appellants inkomen per 1 maart 1996 in elk geval niet te laag is
vastgesteld.
Voorts is de Raad van oordeel dat bij aangevallen uitspraak 2 terecht is
overwogen dat het gedaagde vrij staat om bij de vaststelling van het
verrekeningsbedrag rekening te houden met andere
terugbetalingsverplichtingen van appellant, in die zin dat het
verrekeningsbedrag niet wordt gesteld op het volle bedrag van het voor
verrekening in aanmerking komende deel van appellants inkomsten, nadat
daarop de vordering van de Fiscus, aan welke vordering, zoals de
President in de aangevallen uitspraak 2 terecht heeft geoordeeld,
voorrang toekomt, in mindering is gebracht. De omstandigheid dat
gedaagde, vóór het moment waarop met de vordering van de Fiscus
rekening dient te worden gehouden, steeds de facto voorrang heeft
toegekend aan de verplichting van appellant tot aflossing van een schuld
aan de ABN/AMRO, brengt niet mee dat ná dat moment ook nog steeds aan
de aflossing van die schuld voorrang dient te worden gegeven. Naar de
Raad reeds vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld bij uitspraak van 13
maart 1998, gepubliceerd in RSV 1998/169) behoeft met schulden aan
derden geen rekening te worden gehouden omdat, ware dit anders, de
vordering van gedaagde zou worden achtergesteld bij de vorderingsrechten
van deze derden, zonder dat van een gegronde reden daarvoor is gebleken.
Tenslotte is de Raad met de President van oordeel dat, nu besluit 4 niet
in rechte stand kan houden, hij - reeds deswege - niet toekomt aan een
inhoudelijke beoordeling van appellants grief dat in de maand oktober
1996 meer is verrekend dan op grond van besluit 4 was toegestaan.
Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de in
hoger beroep aangevoerde bezwaren geen doel treffen, zodat aangevallen
uitspraak 2 dient te worden bevestigd.
De toepassing van artikel 8:73 van de Awb
Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank, gelet op de overwegingen
in die uitspraak, het verzoek van appellant om toepassing van artikel
8:73 van de Awb afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellant
schade heeft geleden. De Raad stelt zich achter deze beslissing van de
rechtbank en hij merkt daarbij nog op dat ook namens appellant, blijkens
de pleitnotitie in eerste aanleg, is opgemerkt dat over de maanden
september en oktober 1995 geen sprake is van schade, omdat gedaagde op
vrijwillige basis het verschil tussen f 1.381,83,-, zijnde het bij
besluit 2 vastgestelde verrekeningsbedrag, en f 450,-, zijnde de bij
voorlopige voorziening van de President van de rechtbank d.d. 30 oktober
1995 vastgestelde aflossingsverplichting, aan appellant heeft
gerestitueerd, terwijl appellant - blijkens diezelfde pleitnotitie -
geen aanspraak maakt op vergoeding van tot aan de restitutiedatum
gederfde rente.
Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de President van de rechtbank naar
aanleiding van het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:73
van de Awb overwogen dat hij het aangewezen acht dat appellant, wanneer
deze van oordeel is dat hij schade heeft geleden omdat gedaagde tot een
hoger bedrag heeft verrekend dan bij die uitspraak is toegestaan,
gedaagde moet verzoeken hierover een besluit te nemen. De Raad verstaat
dit aldus dat de President het verzoek om toepassing van artikel 8:73
van de Awb heeft afgewezen.
Ook de Raad is van oordeel dat het verzoek om veroordeling van gedaagde
tot vergoeding van de door appellant geleden schade in verband met het
onrechtmatige besluit van 22 juli 1996 niet voor toewijzing in
aanmerking kan komen. Met de President is hij van oordeel dat, nu het
besluit van 22 juli 1996, waarbij is beslist op het verzoek namens
appellant van 13 juni 1996 om het verrekeningsbedrag ingaande 1 maart
1996 aan te passen aan de met ingang van die datum aanwezige situatie,
is vernietigd, gedaagde opnieuw een besluit op dat verzoek dient te
nemen. Pas nadat gedaagde dat nieuwe besluit, met inachtneming van de na
1 maart 1996 zich voorgedaan hebbende, relevante nieuwe omstandigheden,
heeft genomen, kan worden beoordeeld of en in welke mate door gedaagde
met ingang van 1 maart 1996 tot 1 december 1996 teveel is verrekend. De
Raad gaat er van uit dat gedaagde, bij het nemen van een nieuw besluit
op genoemd verzoek van 13 juni 1996, zich eveneens zal beraden over de
vergoeding van eventueel door appellant in verband met de feitelijk
verrichte maandelijkse verrekeningen geleden schade en, zo nodig, tot
vergoeding van die schade zal overgaan.
De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om
gedaagde te veroordelen in de kosten van appellant in hoger beroep, ter
bepaling waarvan de Raad de twee beroepschriften die de juistheid van de
door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling aan de orde
stellen aanmerkt als één beroepschrift, omdat beide beroepschriften
zijn gericht tegen één en dezelfde beslissing van de rechtbank. Voor
vergoeding komen derhalve in aanmerking de proceshandelingen: het
beroepschrift en het verschijnen ter zitting. De Raad kent voorts aan
deze zaak de wegingsfactor 0,5 (gewichtfactor licht) toe. Als kosten van
verleende rechtsbijstand in hoger beroep komt derhalve een bedrag van f
710,- voor vergoeding in aanmerking.
Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant betaalde
griffierecht, betaald ter zake van het tegen aangevallen uitspraak 1
ingestelde hoger beroep, door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij gedaagde is
veroordeeld in de kosten van het geding;
Bevestigt aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, voor het
overige;
Bevestigt aangevallen uitspraak 2;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag van f 2.840,- te betalen aan de griffier van de Raad en
in hoger beroep tot een bedrag van f 710,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van f 150,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr.
J.W.
Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Scheepers-van Die
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 1999.
(get.) J. Janssen.
(get.) H.E. Scheepers-van Die.
|
|