|
Uitspraak
97/7506
AAW/WAO en 97/7508 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B (Turkije), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 27 december 1995 heeft appellant de aan gedaagde
krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%,
per 22 mei 1996 ingetrokken op de grond dat gedaagdes
arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan
15%.
Bij besluit van 18 juni 1996 heeft appellant de uitkering ingevolge de
AAW ingetrokken en de uitkering ingevolge de WAO herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%,
zulks per 1 juni 1996.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 8 juli
1997 de tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard en die
besluiten vernietigd.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de in het
aanvullend beroepschrift vermelde gronden.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11
september 1998, waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - is
verschenen bij zijn gemachtigden mr. A.I. van der Kris en mr. M.J.M.
Oltmans, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V., en bij D. Vermeulen en
drs. H.P.G. Mulders, beiden werkzaam bij het Lisv, terwijl voor gedaagde als gemachtigden zijn verschenen mr.
C.A.J. de Roy
van Zuydewijn en mr. M.H. Klijnstra, beiden advocaat te Amsterdam.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder en
gedaagde als eiser is aangeduid, ontleent de Raad de volgende als
vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden: "Eiser heeft de
Turkse nationaliteit. Hij werkte laatstelijk als tinbadoperator in
vijfploegendienst bij BV X te Y. Op 30 mei 1985 is hij uitgevallen
wegens longklachten. Na over de maximale termijn ziekengeld te hebben
ontvangen, is eiser ingaande 21 juni 1986 in aanmerking gebracht voor
een AAW/WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80-100%.
Ingaande 1 december 1988 is deze uitkering herzien naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Daaraan lag ten grondslag dat eiser in
staat werd geacht passende functies te vervullen, waarmee hij ongeveer
63% kon verdienen van hetgeen hij verdiend zou hebben als hij niet
arbeidsongeschikt was geworden.
Op 31 maart 1989 is eiser met toestemming van verweerder naar Turkije
teruggekeerd.
Naar aanleiding van het inwerkingtreden van de Wet terugdringing beroep
op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (Wet TBA) heeft medisch en
arbeidskundig heronderzoek plaatsgevonden. Op 21 maart 1995 is eiser
onderzocht door een arts van het Turkse uitvoeringsorgaan SSK. Na
ontvangst van het uitgebreid medisch rapport is eiser opgeroepen voor
medisch onderzoek in Nederland. Hij is hier te lande onderzocht door Ph.
Scheltens, neuroloog te Amsterdam, Th.B. Waworuntu, longarts te
Amsterdam en A.W. Jessurun, orthopedisch chirurg te Amsterdam. Na
ontvangst van de door genoemde deskundigen uitgebrachte rapporten heeft
de verzekeringsgeneeskundige eisers beperkingen vastgelegd in een
belastbaarheidspatroon. Eiser wordt in staat geacht rugsparende arbeid
in een schone, niet long prikkelende werkomgeving, te verrichten. De
arbeidsdeskundige heeft vervolgens een aantal functies geselecteerd die
eiser zou kunnen vervullen. Eisers maatmanloon is berekend op f. 24,10
per uur en het mediaanloon is vastgesteld op f. 20,66. Aldus resteert
een verlies aan verdiencapaciteit van 14,3%. De arbeidsdeskundige heeft
deze bevindingen op 2 november 1995 aan eiser medegedeeld en bij brief
van 22 november 1995 schriftelijk bevestigd.
Verweerder heeft vervolgens besluit I genomen.
Vervolgens heeft verweerder aan eiser bij besluit II meegedeeld dat zijn
arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet TBA volgens de nieuwe regels
moet worden herbeoordeeld en dat zijn WAO-uitkering op grond van die
herbeoordeling met ingang van 1 juni 1996 wordt berekend naar een
arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25 en dat zijn AAW-uitkering
met ingang van die datum wordt ingetrokken.
Verweerder heeft hierbij de resterende verdiencapaciteit bij fulltime
werk per uur berekend. Een herberekening van het maatmanloon heeft
geleid tot een bedrag van f 24,33 per uur. Op grond van dit uurloon is
het verlies aan verdiencapaciteit vastgesteld op 15,07%."
In het bij de rechtbank ingestelde beroep heeft gedaagde onder meer de
juistheid van de met betrekking tot de resterende verdiencapaciteit door
appellant gehanteerde lonen bestreden. Hangende de procedure bij de
rechtbank heeft gedaagde appellant verzocht de gegevens op basis waarvan
deze loonwaarden zijn vastgesteld, en met name de zogeheten functie-enquêteformulieren,
in het geding te brengen. Daartoe is van de kant van gedaagde
gedocumenteerd uiteengezet dat de lonen van de door de betrokken
arbeidsdeskundige geselecteerde functies belangrijke verschillen
vertonen met de in de betreffende CAO's genoemde lonen.
Naar aanleiding van de brieven van de rechtbank d.d. 26 november 1996 en
12 februari 1997 heeft appellant bij brief van 5 maart 1997 onder meer
het volgende aan de rechtbank medegedeeld: "Gegevens uit het FIS
met betrekking tot namen/adressen van werkgevers zelf worden - in
opdracht van het TICA, thans Lisv - niet aan derden, waaronder advocaten
en rechters, verstrekt."
De rechtbank heeft -kennelijk mede gelet op het verhandelde ter zitting
van 5 juni 1997 - hieruit geconcludeerd dat appellant niet bereid was te
voldoen aan een verzoek van de rechtbank om in het onderhavige geval de
functie-enquêteformulieren over te leggen.
Nadat de rechtbank had vastgesteld dat het besluit van 27 december 1995
vernietigd dient te worden nu appellant dat besluit niet langer heeft
gehandhaafd en hij een nieuw besluit heeft genomen, heeft zij ten
aanzien van de weigering van appellant de betreffende functie-enquêteformulieren
in het geding te brengen het volgende overwogen:
"3.3.1 De rechtsvraag (...) In deze procedure wordt naast de
medische met name de arbeidskundige beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid betwist. Eiser meent dat de arbeidskundige
beoordeling niet getoetst kan worden zonder dat partijen en de rechter
beschikken over de functie-enquêteformulieren van de geduide functies.
Onder die formulieren worden verstaan de documenten zoals die zijn
opgesteld tijdens of naar aanleiding van een bezoek aan het bedrijf waar
die functie bestaat. Op het formulier staan naast onder meer de
beschrijving van de werkzaamheden, de belasting in de functie en de
berekening van het uurloon, ook de naam en het adres van de betreffende
werkgever vermeld. De op deze formulieren vermelde gegevens zijn
ingevoerd in het functie-informatiesysteem (FIS). De rechtbank ziet zich
derhalve in deze procedure allereerst gesteld voor de beantwoording van
de vraag of verweerder gehouden is de functie-enquêteformulieren in het
geding te brengen.
Deze vraag kan reeds worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in
de (lees:) Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat niet nader ingegaan
behoeft te worden op het bepaalde in art. 6 van het (lees:) Europees
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele
vrijheden. De in dit artikel genoemde fundamentele beginselen van
procesrecht zijn immers, voorzover zij al niet behoorden tot de algemeen
erkende beginselen van het Nederlandse bestuursrechtelijke procesrecht,
in ieder geval in de Awb expliciet geregeld voor het bestuursrechtelijk
procesrecht.
3.3.2 Artikel 8:42 Awb
Voorop gesteld moet worden dat verweerder op grond van het bepaalde in
art. 8:42 van de Awb gehouden is alle op de zaak betrekking hebbende
stukken aan de rechtbank te zenden. Blijkens vaste rechtspraak behoren
tot die stukken ten minste alle stukken die door het bestuursorgaan zijn
gebruikt bij de voorbereiding en het nemen van het besluit. Tussen
partijen is niet in geschil dat tot die stukken in ieder geval behoren
alle gegevens over onder meer de aard, de belasting, de werktijden en de
loonwaarden van de geduide functies. De functie-enquêteformulieren
behoren niet tot deze stukken, aangezien verweerder ten tijde van het
nemen van het besluit ten aanzien van eiser die stukken niet heeft
gebruikt. Deze formulieren behoren derhalve naar het oordeel van de
rechtbank in beginsel niet tot de stukken als bedoeld in art. 8:42 van
de Awb.
3.3.3 Artikel 8:45 Awb
Voorts is verweerder op grond van het bepaalde in art. 8:45, eerste en
tweede lid, van de Awb gehouden om op verzoek van de rechtbank bepaalde
stukken in te zenden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op
grond van dit artikel gehouden kan worden functie-enquêteformulieren
in het geding te brengen. Wanneer een partij, zoals in dit geding,
gemotiveerd bepaalde gegevens uit het FIS met betrekking tot in die zaak
geduide functies betwist, dan dient de rechter die gegevens te kunnen
controleren. Zulks geldt evenzeer indien de rechtbank ambtshalve
aanleiding heeft om te twijfelen aan bepaalde gegevens uit het FIS.
Blijkens vaste rechtspraak (onder meer HR 18 februari 1994, NJ 94/742)
behoort het immers tot de fundamentele beginselen van het
(bestuursrechtelijk) procesrecht dat de rechter bij de vaststelling van
rechten en verplichtingen van partijen zich alleen mag baseren op
gegevens van feitelijke aard waarvan partijen de juistheid en
volledigheid hebben kunnen nagaan en ten processe ter discussie hebben
kunnen stellen. Daaruit vloeit voort dat de rechter zich, wanneer sprake
is van een gemotiveerde betwisting daarvan, niet mag laten leiden door
bepaalde conclusies van een partij die geheel of ten dele berusten op
wezenlijke gegevens van feitelijke aard welke die partij ook desgevraagd
niet heeft willen openbaren.
3.3.4 Artikel 8:29 Awb
Verweerder heeft in de loop van deze procedure –subsidiair - een
beroep gedaan op art. 8:29 van de Awb. De rechtbank wijst er voor de
goede orde eerst op dat een dergelijk beroep eerst (goed) beoordeeld kan
worden door de rechtbank wanneer de betreffende partij de stukken aan de
rechtbank zendt, dan wel anderszins inzage ervan mogelijk maakt. Een
beoordeling van verweerders beroep op toepassing van art. 8:29 van de
Awb is derhalve slechts in algemene zin mogelijk.
De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat de door verweerder
aangedragen gronden voor geheimhouding in het algemeen niet als
gewichtige redenen als bedoeld in art. 8:29 Awb aangemerkt kunnen
worden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt immers dat in ieder
geval geen sprake is van gewichtige redenen indien verweerder op grond
van de (lees:) Wet openbaarheid van bestuur (WOB) verplicht zou zijn de
functie-enquêteformulieren over te leggen. Krachtens het bepaalde in
art. 10, eerste lid, onder c, van de WOB blijft het verstrekken van
informatie ingevolge die wet achterwege voorzover dit 'bedrijfs- en
fabricagegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen
vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld.' Blijkens de
jurisprudentie is eerst sprake van gegevens als bedoeld in dit
artikellid indien uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden
gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of
het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten
of de kring van afnemers en leveranciers. Ten aanzien van alle
functie-enquêteformulieren van de functies in het FIS kan zeker niet
gezegd worden dat daaruit dergelijke wetenswaardigheden afgeleid kunnen
worden.
Verder is niet gebleken dat uit de in deze procedures overgelegde
functiebeschrijvingen, voorzover de naam en het adres van de werkgevers
daarbij bekend zouden zijn geweest, wel wetenswaardigheden als hiervoor
bedoeld afgeleid hadden kunnen worden. Voor de goede orde voegt de
rechtbank daar nog aan toe dat het niet uitgesloten is te achten dat bij
bepaalde functies uit de combinatie van omschrijving van de
werkzaamheden, het aantal arbeidsplaatsen, de looncomponenten en de naam
van de werkgever wel dergelijke wetenswaardigheden zijn af te leiden.
Wanneer verweerder meent dat een zodanige situatie aan de orde is dan
dient hij een op die zaak toegespitst gemotiveerd verzoek om toepassing
van art. 8:29 van de Awb in te dienen.
Voorts heeft verweerder kennelijk beoogd een beroep te doen op het
bepaalde in art. 10, tweede lid, onder g, van de WOB. In dit artikellid
is bepaald dat het verstrekken van informatie ingevolge de WOB eveneens
achterwege blijft voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen het
belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van
bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen
dan wel van derden. Daarbij dient aangetekend te worden dat blijkens
vaste rechtspraak (JB 96/201) niet het specifieke belang van de
verzoeker in de belangenafweging betrokken dient te worden. De WOB
veronderstelt het publieke belang van openbaarheid van bepaalde
informatie, zodat dat belang niet nader onderbouwd dient te worden. Bij
de te verrichten belangenafweging worden derhalve betrokken het algemene
of publieke belang bij openbaarmaking en de door de weigeringsgronden
van de WOB beschermde belangen.
Het beroep op art. 10, tweede lid, onder g, van de WOB kan thans ook
slechts in algemene zin worden beoordeeld.
De rechtbank stelt voorop dat het belang om in procedures over alle
gegevens te beschikken waarop een van de partijen zijn standpunt baseert
een, zoals hiervoor reeds overwogen, fundamenteel beginsel van
procesrecht is dat niet snel kan en mag wijken voor andere belangen. Het
is in procedures als de onderhavige in beginsel een wezenlijk belang om
te kunnen beschikken over de functie-enquêteformulieren. Bij de
beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid moet immers sedert 1
augustus 1993 uitgegaan worden van functies met de hoogste loonwaarden
uit functies welke de betrokkene in theorie nog kan verrichten. De
betekenis van de geduide functies is derhalve sindsdien sterk
toegenomen. Strikt genomen is wellicht nog sprake van voorbeeldfuncties,
doch het is geenszins onmogelijk dat een zelfde of enigszins
vergelijkbare functie als de geduide functie met de hoogste loonwaarde
niet bestaat. Een eventueel in te stellen onderzoek naar bijvoorbeeld de
lonen in dezelfde functie in willekeurige bedrijven is dan zinloos,
omdat het de eventuele onjuistheid van de door verweerder gehanteerde
loonwaarde niet kan aantonen. Onder deze omstandigheden is de
mogelijkheid van enige vorm van controle op de geduide functies een
wezenlijk belang. Kleine onjuistheden in het FIS, zoals onder meer
gebleken tijdens de behandeling ter zitting, kunnen immers grote
gevolgen voor de betrokkenen hebben.
Het belang bij het niet verstrekken van de functie-enquêteformulieren
is gelegen in de vrees dat werkgevers benaderd worden en niet langer
bereid zullen zijn mee te werken aan het leveren van gegevens voor het
FIS. Verweerder denkt dat het in bepaalde procedures bekend maken van de
namen en adressen van werkgevers ertoe zal leiden dat de werkgevers
regelmatig benaderd zullen worden door advocaten en anderen om de
gegevens over de betreffende functie(s) te controleren. De rechtbank
heeft begrip voor verweerders zorg voor de belangen van derden en meent
dat sprake is van een zeker belang bij het niet hoeven verstrekken van
de functie-enquêteformulieren. De rechtbank is echter van mening dat
gelet op enerzijds het hiervoor genoemde algemene belang van
openbaarmaking in procedures als de onderhavige en op anderzijds het
door verweerder gesignaleerde belang niet gezegd kan worden dat sprake
is van een onevenredige benadeling als bedoeld in art. 10, tweede lid,
onder g, van de WOB, indien verweerder de functie-enquêteformulieren in
bepaalde gevallen in het geding dient te brengen. Mede gelet op de
strekking van art. 8:29, tweede lid, van de Awb is de rechtbank van
oordeel dat de fundamentele procesrechtelijke beginselen zwaarder dienen
te wegen dan de praktische belangen van verweerder. In het midden kan
derhalve nog worden gelaten of verweerder de eventuele onvrede bij
werkgevers niet op enigerlei wijze zou kunnen oplossen in of na overleg
met die werkgevers of via andere mogelijkheden die de WOB wellicht
biedt.
3.3.5 Conclusie
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat verweerder op grond van
het bepaalde in art. 8:45 van de Awb gehouden is om, op verzoek, de
functie-enquêteformulieren in het geding te brengen. Verweerder heeft
dat in deze procedure geweigerd. Verder kan verweerders beroep in
algemene zin op toepassing van art. 8:29 van de Awb niet slagen. Nu
verweerder niet aan zijn verplichting ex art. 8:45 van de Awb heeft
voldaan is het de rechtbank onmogelijk geworden de grondslag van de
bestreden besluiten te beoordelen. Mede gelet op het bepaalde in art.
8:31 van de Awb is de rechtbank derhalve van oordeel dat ook besluit II
niet in stand kan blijven."
In het aanvullend hoger beroepschrift heeft appellant de juistheid van
het oordeel van de rechtbank onder meer als volgt bestreden:
"Artikel 8:29, lid 1, Awb bepaalt dat partijen, indien daarvoor
gewichtige redenen zijn, kunnen weigeren stukken over te leggen, dan wel
mededelen dat alleen de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken.
Op grond van het tweede lid is er in ieder geval geen sprake van
gewichtige redenen, indien de informatie op grond van de WOB zou moeten
worden verstrekt.
Het derde lid bepaalt dat de rechtbank beslist of een weigering
gerechtvaardigd is.
Ondergetekende is allereerst van mening op grond van de WOB niet
verplicht te zijn de informatie in de functie-enquêteformulieren te
verstrekken. Zou dit wel het geval zijn dan kan er immers geen sprake
zijn van "gewichtige redenen".
Artikel 10, lid 1, onder c, WOB bepaalt dat het verstrekken van
informatie achterwege blijft voor zover dit bedrijfsen fabricagegegevens
betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk
aan de overheid zijn medegedeeld.
In dit verband wordt in de wetsgeschiedenis (memorie van toelichting,
Handelingen van de Tweede Kamer 1986-1987, 19 859, p. 33) de grote
stroom van vrijwillig verstrekte bedrijfsgegevens genoemd die de
overheid verzamelt en ten behoeve van statistische publicaties bewerkt
om beleid te kunnen voeren. Die verzamelingen zouden niet kunnen worden
aangelegd als de vertrouwelijkheid van de individuele bron niet
gegarandeerd zou zijn en de gegevens in handen zouden kunnen komen van
concurrenten. Het artikel beoogt derhalve in het algemeen gesproken
enerzijds de overheid voldoende grondslag te bieden voor de beleids- en
bestuursvoering en anderzijds de bedrijven voldoende bescherming te
bieden tegen concurrentievervalsing.
In het onderhavige geval is een vergelijkbare situatie aan de orde. Met
de gegevens die de werkgevers verschaffen, wordt het FIS-systeem gevoed.
De bedrijven zouden zeker niet meewerken aan deze informatieverschaffing
als de vertrouwelijkheid van de informatiebron niet, althans niet in
belangrijke mate, gegarandeerd zou zijn. Die beduchtheid van werkgevers
is begrijpelijk. Een analyse van functies en werkprocessen in een
bedrijf kan namelijk inzicht bieden in productspecificaties en
fabricageprocessen en daardoor bedrijfsgeheimen in de openbaarheid
brengen die het gevaar oproepen van concurrentievervalsing.
Ondergetekende heeft de werkgevers die meewerken dan ook geheimhouding
beloofd.
Verder is ondergetekende van mening dat ook artikel 10, lid 2, onder g,
WOB van toepassing is. Op grond van deze bepaling blijft verstrekking
van informatie achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt
tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of
benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of
rechtspersonen dan wel van derden. Het belang bij het verstrekken van de
informatie is dat de heer A de gelegenheid heeft om de in FIS vermelde
gegevens bij de betreffende werkgevers te verifiëren. Dit kan echter
ook langs andere weg gebeuren. Gegevens als het type bedrijf of branche
waaruit de in het FIS opgenomen functies afkomstig zijn, worden immers
vermeld op de "arbeidsmogelijkhedenlijst" die tot de
gedingstukken behoort. Niet alleen de rechter, maar ook partijen
beschikken hierover. Dat betekent dat de heer A bij de genoemde typen
bedrijf en branches vergelijkend onderzoek kan doen. Daarbij is nog van
belang dat het niet zo kan zijn dat een bepaalde functie uniek en niet
vergelijkbaar is. Elke functie of beroep zit in verband met de regionale
spreiding minimaal 5 maal in het bestand. De heer A heeft dus voldoende
mogelijkheden om de realiteitswaarde van de geduide functies te verifiëren.
Daartegenover staat het belang bij het niet verstrekken van de gegevens.
De werkgevers die hun medewerking verlenen aan het opstellen van functie-enquêteformulieren hebben groot belang bij de vertrouwelijkheid
van de gegevens om te voorkomen dat bedrijfsgegevens openbaar worden.
Daarnaast bestaat het gevaar dat werkgevers, wier naam en adres bekend
is, regelmatig zullen worden benaderd door rechtshulpverleners en
anderen om de gegevens over de betreffende functies te controleren.
Onder die omstandigheden zullen werkgevers minder genegen zijn om
gegevens ten behoeve van het FIS te verstrekken. Naar de mening van
ondergetekende is hier sprake van een onevenredige benadeling en
verplicht de WOB, ook op deze grond, niet tot verstrekking van de
informatie.
Vervolgens is ondergetekende van oordeel dat de redenen om het
overleggen van de functie-enquêteformulieren te weigeren
"gewichtige redenen" zijn in de zin van artikel 8:29 Awb. Bij
de toepassing van deze bepaling dient een belangenafweging plaats te
vinden. Daarbij speelt een aantal belangen een rol. In de eerste plaats
gaat het om de bescherming van het belang dat partijen over en weer
beschikken over alle informatie om de door hen gewenste positie in de
procedure in te nemen. In de tweede plaats gaat het om de bescherming
van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is
om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te
doen. Tenslotte gaat het om de bescherming van het belang dat bepaalde
gegevens niet, of althans slechts in beperkte mate, openbaar worden.
Artikel 8:29 beoogt aan deze uiteenlopende belangen recht te doen.
Ondergetekende is van oordeel dat het processuele belang dat de heer A
heeft bij het verkrijgen van de bedoelde werkgeversgegevens, niet
onevenredig is geschaad als deze gegevens niet worden verstrekt. Zoals
boven is aangegeven zijn er andere mogelijkheden om de gegevens te
verifiëren. Van een relevante beperking van de procedurele rechten van
de heer A kan dan ook niet worden gesproken. In dit verband is nog van
belang dat de voor betrokkene geschikt geachte functies kunnen worden
beschouwd als voorbeeldfuncties van arbeid waarmee een inkomen kan
worden verworven. Deze voorbeeldfuncties moeten plausibel zijn. Die
plausibiliteit behoeft niet aangetoond te worden door de betreffende
werkgever bekend te maken.
Uw Raad heeft in de uitspraak van 16 juli 1996, rolnummer 94/982 (niet
gepubliceerd), aangegeven van oordeel te zijn dat de in het FIS
voorkomende functies gebaseerd zijn op analyses van concrete functies in
Nederlandse bedrijven en dat de daarbij behorende aanvangssalarissen
daadwerkelijk door de geënquêteerde werkgevers worden betaald. Uit
deze uitspraak valt af te leiden dat uw Raad de geloofwaardigheid van
het FIS en de daar uit voortvloeiende gegevens niet in twijfel trekt.
Dat betekent dat een rechter met de informatie die in de
arbeidsdeskundige rapportages ten aanzien van de loonwaarden van de
geduide functies wordt verstrekt, in principe over alle benodigde
informatie beschikt, om de voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige
wijze af te doen.
Ondergetekende is van mening dat het belang om deze gegevens niet
openbaar te maken zwaarder weegt. Indien werkgevers niet langer
vertrouwelijkheid van de gegevens kan worden gegarandeerd met de eerder
genoemde gevolgen, zullen werkgevers minder genegen zijn om gegevens ten
behoeve van het FIS te verstrekken. Dit zou kunnen betekenen dat FIS
niet meer op de voorgeschreven wijze, met bestaande functies en reële
aanvangssalarissen, kan worden gevuld.
Gezien het voorgaande zijn er gewichtige redenen, als bedoeld in artikel
8:29, lid 1 Awb, om overlegging van de functie-enquêteformulieren te
weigeren.".
De Raad kan appellant niet volgen in bovenstaande visie.
In de eerste plaats overweegt de Raad dat appellant op grond van artikel
8:42, eerste lid, van de Awb gehouden is de op de zaak betrekking
hebbende stukken aan de rechtbank te zenden. Met de rechtbank is de Raad
echter van oordeel dat de functie-enquêteformulieren niet tot deze
stukken behoren. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet
gebleken is dat appellant bij de voorbereiding en het nemen van de
bestreden besluiten van deze formulieren gebruik heeft gemaakt en dat
evenmin is gebleken dat deze rechtstreeks hebben bijgedragen tot die
besluiten. Deze bepaling verplichtte appellant derhalve niet de functie-enquêteformulieren spontaan aan de rechtbank te zenden.
De Raad overweegt voorts dat artikel 8:45, eerste lid, van de Awb de
rechtbank de mogelijkheid biedt het bestuursorgaan te verzoeken onder
dat orgaan berustende stukken in te zenden. Op grond van het tweede lid
van deze bepaling is een bestuursorgaan verplicht - behoudens de uit het
bepaalde in artikel 8:29 van de Awb voortvloeiende beperkingen - aan een
dergelijk verzoek van de rechtbank te voldoen.
Op grond van genoemd artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen
partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over
te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van
inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank
mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen
onderscheidenlijk de stukken. Genoemde gewichtige redenen zijn ingevolge
artikel 8:29, tweede lid, van de Awb voor een bestuursorgaan in ieder
geval niet aanwezig, voorzover ingevolge de WOB de verplichting zou
bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken,
in te willigen.
Volgens de Memorie van Toelichting gaat het hierbij om een aantal
belangen. Allereerst gaat het om bescherming van het belang dat partijen
over en weer beschikken over de relevante informatie om de door hen
gewenste positie in de procedure in te nemen. Het gaat eveneens om
bescherming van het belang dat de rechter beschikt over alle informatie
die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste wijze af te doen.
Maar het gaat ook om bescherming van het belang dat bepaalde gegevens
niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar worden.
Indien een partij zich op het standpunt stelt dat bepaalde stukken niet
kunnen worden overgelegd in een procedure, is het aan de rechter om te
beslissen of desondanks die stukken dienen te worden overgelegd. Dit
uitgangspunt is ook neergelegd in het derde lid van artikel 8:29 van de
Awb, waarin is bepaald dat de rechtbank beslist of de in het eerste lid
bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming
gerechtvaardigd is. Bij een dergelijke beslissing dient zwaar te wegen
dat de rechter een volledig en onbeperkt onderzoek moet kunnen instellen
naar de zaak, zowel wat de feiten als wat het recht betreft. Bovendien
vloeit uit het verdedigingsbeginsel voort, dat de rechter bij dat
onderzoek en de vaststelling van de feiten zich in beginsel alleen op
gegevens van feitelijke aard mag baseren waarvan partijen de juistheid
en volledigheid hebben kunnen nagaan en in het proces ter discussie
hebben kunnen stellen.
In het onderhavige geval is de hoogte van de door appellant gehanteerde
lonen van de functies op grond waarvan de resterende verdiencapaciteit
van gedaagde is vastgesteld, door de gemachtigde van gedaagde
gemotiveerd en gedocumenteerd bestreden. Desondanks heeft appellant naar
aanleiding van de hierboven genoemde brieven van de rechtbank te kennen
gegeven niet bereid te zijn de betreffende functie-enquêteformulieren
aan de rechtbank over te leggen. De rechtbank heeft hieruit
geconcludeerd dat appellant niet bereid was te voldoen aan een verzoek
op grond van artikel 8:45 van de Awb om de betreffende functie-enquêteformulieren
over te leggen. Door die weigering de bedoelde stukken over te leggen is
gedaagde en de rechtbank de mogelijkheid onthouden om na te gaan of en
in hoeverre de daarin vermelde gegevens juist zijn.
Appellant heeft ter zake van de weigering om de door de rechtbank
gevraagde stukken over te leggen een beroep gedaan op artikel 8:29 van
de Awb. In reactie daarop heeft de rechtbank beoordeeld of in het
onderhavige geval geheimhouding op grond van gewichtige redenen, als
bedoeld in artikel 8:29, eerste en tweede lid, van de Awb
gerechtvaardigd was.
De Raad onderschrijft dienaangaande de opvatting van de rechtbank dat de
door appellant aangevoerde redenen niet een zodanig gewicht toekomen dat
de weigering de betreffende stukken over te leggen gerechtvaardigd is.
Ook naar het oordeel van de Raad dienen in het onderhavige geval
fundamentele procesrechtelijke beginselen - waaronder het
verdedigingsbeginsel - zwaarder te wegen dan de praktische belangen van
appellant. De Raad kan en zal daarbij in het midden laten of ingevolge
de WOB reeds de verplichting bestaat de betreffende stukken over te
leggen.
Ten aanzien van de hiervoor genoemde praktische belangen is door
appellant in het bijzonder betoogd dat de bruikbaarheid van het FIS
aangetast dreigt te worden, indien de functie-enquêteformulieren in een
twistgeding als het onderhavige worden overgelegd. Deze verwachting
berust op de veronderstelling van appellant dat een deel van de
benaderde bedrijven niet langer bereid zal zijn gegevens ten behoeve van
het FIS te verschaffen, omdat zij door een verzekerde of zijn
gemachtigde benaderd kunnen worden ter verificatie van de verschafte
gegevens en zij niet genegen zijn het daaruit voortvloeiende beslag op
hun tijd te aanvaarden.
Hoewel de Raad begrip heeft voor de praktische problemen waarvoor
appellant gesteld kan worden, is de Raad toch van oordeel dat appellant
het gewicht van deze praktische problemen in relatie tot het belang van
een goede rechtspleging overschat. Daargelaten of uit de bepalingen van
de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997, in het bijzonder artikel
89 van die wet, niet een verplichting tot medewerking van de benaderde
werkgevers voortvloeit en daargelaten of bij een adequate voorlichting
van die bedrijven over het karakter van een procedure als de onderhavige
bedoelde bereidheid doorgaans toch niet zal blijven bestaan, komt een
mogelijke reactie van een aantal werkgevers en de daaraan ten grondslag
liggende motieven in ieder geval onvoldoende gewicht toe om een inbreuk
op fundamentele beginselen van procesrecht te rechtvaardigen.
Uit vorenstaande vloeit voort dat de betreffende stukken aan de
rechtbank hadden dienen te worden overgelegd. De Raad tekent hierbij aan
dat dit oordeel niet impliceert dat in elke procedure betreffende een
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zou moeten worden geverifieerd of de
in het FIS opgenomen gegevens zijn terug te voeren op de door middel van
de functie-enquêteformulieren in dat systeem ingevoerde gegevens en of
deze gegevens juist zijn. In dat verband verwijst de Raad naar zijn
vaste jurisprudentie dat in beginsel van de juistheid van de aan het FIS
ontleende gegevens dient te worden uitgegaan. Indien echter, zoals in
het onderhavige geval is geschied, door een betrokkene de juistheid van
deze gegevens van feitelijke aard voldoende gemotiveerd wordt bestreden
of indien de rechter zelf aan de juistheid van die gegevens twijfelt,
kan door de rechter onder toepassing van artikel 8:45 van de Awb van het
uitvoeringsorgaan worden verlangd dat het door overlegging van de
betreffende gegevens de verificatie daarvan mogelijk maakt.
Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de rechtbank
aan de weigering van appellant de betreffende stukken in te zenden
terecht, gelet op het bepaalde in artikel 8:31 van de Awb, het gevolg
van vernietiging van het besluit van 18 juni 1996 heeft verbonden.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak dient te
worden bevestigd.
De Raad acht in verband met het voorafgaande termen aanwezig appellant
te veroordelen in de aan de zijde van gedaagde in hoger beroep gevallen
kosten, begroot op f. 1.420, wegens verleende rechtsbijstand.
Gelet op het bovenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f. 630, dient te worden geheven.
Derhalve dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag
van f. 1.420,-;
Bepaalt dat van appellant een recht van f. 630,wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. R.C.
Schoemaker en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr.
T.W.J.M. Weijers als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 27 november 1998.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) T.W.J.M. Weijers.
|
|