|
Uitspraak
96/7461
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van
deze bedrijfsvereniging.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangegeven
gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Roermond
onder dagtekening 26 juni 1996 tussen partijen gegeven uitspraak,
waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. P.J. van Sambeek, werkzaam bij LAR
Rechtsbijstand te ‘s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 september 1998,
waar voor appellant is verschenen M.J.H. Steeghs, werkzaam bij Gak
Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. Van Sambeek voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde exploiteert samen met zijn broer sedert 1981 een las- en
constructiebedrijf. Daarnaast was gedaagde regelmatig werkzaam in het
door zijn echtgenote van 1987 tot 1 januari 1991 geëxploiteerde café.
Als zelfstandig ondernemer is hij vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Op 13 maart 1989 meldde gedaagde zich ziek wegens hartklachten. In de
drie jaren voor zijn uitval realiseerde gedaagde de navolgende
bedrijfswinsten: 1986: f 68.546,-, 1987: f 58.120,- en 1988: f 25.144,-.
Bij voor beroep vatbare beslissing van 23 november 1992 is gedaagde
ingaande 12 maart 1990 in aanmerking gebracht voor
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn onder
toepassing van de artikelen 34 (oud) van de AAW en 45 (oud) van de WAO
niet uitbetaald gezien de hoogte van gedaagdes inkomen. Eveneens onder
dagtekening 23 november 1992 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld
van een beslissing, waarbij gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de
WAO met ingang van 1 januari 1993 werden herzien en nader vastgesteld
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% onder
gelijktijdige intrekking van de toepassing van de artikelen 34 van de
AAW en 45 van de WAO.
Op grond van de in 1992 gerealiseerde nettowinst ad f 56.138,- heeft
appellant bij beslissing van 11 november 1993 vastgesteld, dat aan
gedaagde over het jaar 1992 ten onrechte
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ad f 15.759,19 bruto waren verstrekt
en heeft appellant van gedaagde een bedrag ad f 10.405,15 netto
teruggevorderd.
Naar aanleiding van het door gedaagde tegen die beslissing Ingestelde
beroep heeft appellant bij besluit van 28 april 1994 de toekennings- en
kortingsbeslissingen van 23 november 1992 ingetrokken en aan gedaagde
alsnog ingaande 12 maart 1990 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, zonder toepassing van de
kortingsartikelen, aangezien gedaagde op en na deze datum in zijn
bedrijf in staat was tot een arbeidsprestatie van ca 58%. Appellant
heeft vervolgens over de periode van 12 maart 1990 tot 1 januari 1993
alsnog een bedrag ad f 13.210,21 bruto betaalbaar gesteld en voorts geen
grondslag gezien voor een terugvordering over 1992.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 juni 1994 de beslissing van 11
november 1993 vernietigd. Door partijen is in die uitspraak berust.
De winst in 1993 bedroeg f 40.477,-. Over het jaar 1993 heeft appellant
geen korting toegepast.
De in 1994 gerealiseerde winst ad f 62.188,- heeft appellant aanleiding
gegeven gedaagde zijn besluit van 29 juni 1995 te doen toekomen waarin
werd beslist dat gedaagdes uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO
ingevolge de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO over de periode
van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995 niet tot uitbetaling komen.
Voorts heeft appellant gedaagde bij brief van 30 juni 1995 in kennis
gesteld van zijn besluit om van gedaagde de aan hem over de periode van
1 januari 1994 tot 1 januari 1995 onverschuldigd betaalde
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ad f 13.182,24 bruto (inclusief
overhevelingstoeslag) met toepassing van de artikelen 48, eerste lid,
aanhef en sub b van de AAW en 57, eerste lid, aanhef en sub b van de WAO
terug te vorderen.
Tegen deze besluiten heeft gedaagde beroep ingesteld.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
besluit van 29 juni 1995 ongegrond verklaard.
Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak het beroep tegen het besluit
van 30 juni 1995 gegrond verklaard voorzover daarbij van appellant wordt
teruggevorderd een brutobedrag ad f 13.182,24 (inclusief
overhevelingstoeslag), dit besluit in zoverre vernietigd en het beroep
tegen besluit II voor het overige ongegrond verklaard. De rechtbank is
met betrekking tot het laatste besluit tot het oordeel gekomen, dat
appellant bevoegd was tot terugvordering, aangezien het gedaagde
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij onverschuldigd uitkeringen
ontving, maar dat appellant bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid niet
in redelijkheid heeft kunnen komen tot dit besluit, voorzover daarbij
door appellant van gedaagde het over 1994 betaalde naar een brutobedrag
plus overhevelingstoeslag wordt teruggevorderd. Zij overwoog daartoe dat
bij gedaagde allicht onbegrip kon ontstaan doordat hij over 1992 en 1993
uiteindelijk niet en vervolgens over 1994 wel geconfronteerd werd met
besluiten tot wijziging van de uitbetaling van de
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en tot terugvordering.
Voorts heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank niet nader met
bijvoorbeeld (beleids)gegevens onderbouwd dat een terugvordering als de
onderhavige eerst wordt gematigd tot een nettobedrag als daar een fout
van de bedrijfsvereniging aan ten grondslag ligt. De rechtbank oordeelde
dat het besluit op dit punt de aan de rechter toekomende toets wel zou
hebben doorstaan zo appellant die terugvordering zou hebben beperkt tot
het nettobedrag.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep
beperkt zich tot de vernietiging van het besluit van 30 juni 1995
voorzover daarbij van gedaagde wordt teruggevorderd een brutobedrag
(inclusief overhevelingstoeslag).
Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd niet te kunnen begrijpen
hoe de omstandigheid dat over 1992 en 1993 niet, maar over 1994 wel
besloten is tot korting en terugvordering een rol kan spelen bij de
beantwoording van de vraag of een bedrag bruto of netto teruggevorderd
zou moeten worden. Appellant heeft in de tweede plaats bestreden dat in
casu dient te worden volstaan met een terugvordering van een
nettobedrag. Verder wijst appellant er op, dat het ten tijde van het
bestreden besluit geldende beleid uitvoerig is uiteengezet in het bij de
rechtbank ingediende verweerschrift van 4 oktober 1995.
Ten slotte heeft de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de Raad
aangevoerd dat de rechtbank gedaagde ten onrechte tot terugvordering
bevoegd heeft geacht.
De Raad is van oordeel dat nu appellant in hoger beroep de juistheid van
(de hoogte van) de terugvordering aan de orde heeft gesteld, hij ook
gedaagdes grief met betrekking tot de bevoegdheid tot de onderhavige
terugvordering in zijn beoordeling kan betrekken, ook al heeft gedaagde
niet zelfstandig hoger beroep ingesteld.
In geding is derhalve de vraag of het terugvorderingsbesluit in rechte
stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend op
grond van het navolgende.
Nu gedaagde niet in beroep is gegaan tegen de aangevallen uitspraak,
waarbij zijn beroep tegen het kortingsbesluit van 29 juni 1995 ongegrond
is verklaard, is dit besluit inmiddels rechtens onaantastbaar geworden
en staat vast dat de uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO over het
jaar 1994 onverschuldigd zijn betaald.
De artikelen 48, eerste lid, aanhef en onder b van de AAW en 57, eerste
lid, aanhef en onder b van de WAO, zoals deze bepalingen tot 1 augustus
1996 luidden, biedt appellant de mogelijkheid onverschuldigd betaalde
uitkeringen gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling terug
te vorderen, indien het gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat
appellant onverschuldigd betaalde.
De Raad heeft in het kader van de vraag of de bevoegdheid tot
terugvordering op basis van de onderhavige terugvorderingsgrond aanwezig
is, reeds eerder van de opvatting doen blijken dat een
uitkeringsgerechtigde die als zelfstandige inkomsten heeft uit eigen
bedrijf, er rekening mee moet houden dat de na afloop van het betrokken
boekjaar vastgestelde inkomsten (mede) grond kunnen vormen tot
toepassing van bepalingen als de artikelen 33 van de AAW en 44 van de
WAO, of tot herziening of intrekking van uitkeringen ingevolge die
wetten, en zulks met terugwerkende kracht.
In zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1991/232, heeft de Raad met
betrekking tot voormeld uitgangspunt overwogen dat aan de positie van
een zelfstandige, anders dan aan die van de werknemer in loondienst, in
het algemeen inherent is dat de inkomsten die hij feitelijk gedurende
het boekjaar geniet, niet in dat boekjaar van week tot week of van maand
tot maand met de vereiste exactheid komen vast te staan, maar pas enige
tijd na afloop van dat boekjaar, aan de hand van de jaarstukken, zodat
ook eerst dan exact kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate er
in dat boekjaar recht op (uitbetaling van)
arbeidsongeschiktheidsuitkering bestond. Een dergelijke zelfstandige zal
voor de toepassing van de onderhavige terugvorderingsbepalingen, waarin
het er om gaat of beoordeeld naar een maatstaf van redelijkheid
duidelijk kon zijn dat de bedrijfsvereniging onverschuldigd betaalde, in
beginsel als consequentie van die positie hebben te aanvaarden dat de
toetsing mede geschiedt aan de hand van de gegevens die uit die
jaarstukken, en derhalve achteraf, blijken.
De Raad is van oordeel, evenals de rechtbank, dat het naar deze maatstaf
bezien gedaagde redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij in 1994
onverschuldigd uitkeringen ontving, nu gedaagde over 1994 een nagenoeg
gelijk inkomen - een bedrijfswinst van f 62.188,- - heeft weten te
verwerven als in de drie jaren voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid. Dat appellant over andere jaren (alsnog) geen
korting op gedaagdes uitkeringen heeft toegepast, brengt in dit oordeel
geen wijziging. Gedaagde kon hieraan niet de verwachting ontlenen dat
ook in volgende jaren geen consequenties aan zijn inkomsten zouden
worden verbonden. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde hieromtrent
namens appellant rechtens te honoreren toezeggingen zijn gedaan.
Gezien het vorenstaande en voorts in aanmerking nemend dat de in de
onderhavige terugvorderingsbepalingen genoemde termijn van twee jaren
niet is overschreden, stelt de Raad vast dat appellant bevoegd was
hetgeen op grond van die wet aan gedaagde onverschuldigd is betaald,
terug te vorderen.
De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of gezegd moet worden
dat appellant niet in redelijkheid tot het besluit van 30 juni 1995
heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een
geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.
De Raad vermag - met appellant - niet in te zien dat gedaagde aan de
omstandigheid, dat appellant in voorgaande jaren niet besloten had tot
korting van zijn uitkeringen en tot terugvordering van de onverschuldigd
betaalde uitkeringen, de verwachting kon ontlenen dat appellant met
betrekking tot 1994 zou volstaan met terugvordering van de netto
onverschuldigd betaalde uitkeringen. De Raad kan de rechtbank hierin
niet volgen.
Voorts is de Raad van oordeel, overeenkomstig hetgeen hij heeft
overwogen in zijn bij appellants brief van 25 mei 1998 gevoegde
uitspraak van 24 februari 1998, die is gepubliceerd in RSV 1998/168 en
AB 1998/186, dat appellant binnen de grenzen van een redelijke
beleidsbepaling is gebleven door van een zelfstandige als gedaagde in
geval van toepassing van de b-grond van de artikelen 48 van de AAW en 57
van de WAO het onverschuldigde bedrag bruto terug te vorderen.
Hieruit volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de terugvordering
op de b-grond ten bedrage van f 13.182,24 in rechte stand kan houden.
Op grond van het hiervoor overwogene dient de aangevallen uitspraak,
voorzover daarbij het bestreden besluit van 30 juni 1995 is vernietigd,
te worden vernietigd en het inleidend beroep alsnog ongegrond te worden
verklaard.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor toepassing van artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij het
beroep tegen het besluit van 29 juni 1995 ongegrond is verklaard;
Verklaart het inleidend beroep tegen het besluit van 30 juni 1995 alsnog
ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. C.J. Bax als leden, in tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 1998.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B.C. Rog.
|
|