|
Uitspraak
97/2834
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 9 november 1995 heeft appellant de aan gedaagde
toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, per 1 november 1995 herzien en
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij
dat besluit is gedaagde met ingang van 1 november 1995 tevens een
uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot
35%.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 20
februari 1997, gegeven onder nr. AWB 95/8732 AAWAO, het besluit van 9
november 1995 onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde
beroep - vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen
met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen.
Namens appellant is tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld op bij
aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Namens appellant zijn vervolgens nadere stukken aan de Raad gezonden,
waarop namens gedaagde is gereageerd. Van de zijde van appellant is
desgevraagd bij brief van 20 november 1998 een nadere toelichting
verstrekt op zijn standpunt.
Gedaagde heeft de Raad nog een schrijven van 22 januari 1999 doen
toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 februari 1999, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door S.J.M. Huisman, werkzaam bij Gak
Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. M.A.C. Vijn, advocaat te Woerden.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 9 november 1995 is gedaagdes uitkering krachtens de WAO,
die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot
25%, per 1 november 1995 met toepassing van artikel 37 van die wet
herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%; tevens
is hem per die datum een uitkering krachtens de AAW toegekend berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Aan dat besluit
ligt het standpunt ten grondslag dat gedaagde met de door de
verzekeringsgeneeskundige C. Kempkes ten aanzien van hem op 2 oktober
1995 vastgestelde, vanaf 2 november 1994 toegenomen, medische
beperkingen per 1 november 1995 in staat moet worden geacht tot het
verrichten van de hem op 6 oktober 1995 voorgehouden functies, met welke
functies hij een inkomen kan verwerven dat ongeveer 28% lager ligt dan
zijn zogenoemde maatmaninkomen.
In het kader van de behandeling van gedaagdes beroep tegen evengenoemd
besluit heeft de rechtbank de orthopedisch chirurg T. de Jong
geraadpleegd. Deze heeft in zijn op 29 oktober 1996 over gedaagde
uitgebrachte rapport onder meer doen weten zich niet te kunnen verenigen
met de door de verzekeringsgeneeskundige op 2 oktober 1995 vastgestelde
medische beperkingen ten aanzien van staan, lopen en knielen, kruipen en
hurken.
Appellant heeft de rechtbank daarop doen weten dat de
verzekeringsgeneeskundige C. Kempkes zich in de conclusies van de
deskundige De Jong kan vinden en dat hij voor gedaagde op 16 november
1996 een nieuw belastbaarheidspatroon heeft opgesteld. Met inachtneming
van de in dat belastbaarheidspatroon neergelegde medische beperkingen is
gedaagde volgens appellant in staat de in de arbeidskundige rapportage
van 19 november 1996 vermelde functies uit te oefenen. Vergelijking van
het mediane inkomen van de drie hoogst beloonde functies met het
maatmaninkomen van gedaagde resulteert - aldus appellant - eveneens in
een verlies aan verdiencapaciteit van ongeveer 28%.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de voor gedaagde nader vastgestelde
belastbaarheid niet strookt met de door de deskundige in zijn rapport
weergegeven beperkingen omdat - anders dan in het belastbaarheidspatroon
van 16 november 1996 is vermeld - de deskundige gedaagde per 1 november
1995 niet in staat achtte tot knielen, kruipen en hurken gedurende een
half uur per werkdag en dan vijf minuten aaneengesloten. Van de voor
gedaagde nader geselecteerde functies - die naar het oordeel van de
rechtbank in beschouwing konden en mochten worden genomen omdat de
zogenoemde aanzegjurisprudentie in casu toepassing mist - resteert
volgens de rechtbank slechts één functie, hetgeen onvoldoende is om de
in geding zijnde schatting op te baseren.
Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen.
Onder verwijzing naar de door hem overgelegde verklaring van de
arbeidsdeskundige-analist van 4 april 1997 stelt appellant dat alle
nader geduide functies aan de gestelde vereisten voldoen omdat knielen,
kruipen en hurken geen fysiek onderdeel is om de betrokken taak te
kunnen uitoefenen. In dat verband is te kennen gegeven dat bij knielen,
kruipen en hurken standaard de score 1a (gedurende een half uur per
werkdag vijf minuten aaneengesloten) wordt aangehouden omdat ervan wordt
uitgegaan dat iemand op de werkvloer wel eens iets uit zijn handen laat
vallen en aangenomen wordt dat hij dit zelf dient op te rapen.
In het aanvullend beroepschrift is voorts gesteld dat de
verzekeringsgeneeskundige indien hij betrokkene maximaal beperkt acht
ten aanzien van knielen, kruipen en hurken de score 0 (niet mogelijk)
niet kan kiezen en in dat geval dient uit te wijken naar de score 1a
(een half uur per werkdag, vijf minuten aaneengesloten). Blijkens de
rapportage algemeen van 27 maart 1997 is ook de
verzekeringsgeneeskundige ervan uitgegaan dat het toepasselijke systeem
bij het onderdeel knielen, kruipen en hurken geen invulling met 0
toestaat.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat hij zich verenigt met het in de aangevallen
uitspraak neergelegde oordeel over het in aanmerking nemen van de door
appellant bij brief van 18 december 1996 aangegeven nadere
arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.
Derhalve dient te worden bezien of de rechtbank terecht en op goede
gronden heeft vastgesteld dat de nader geduide functies, op één na,
niet stroken met de voor gedaagde door de deskundige T. de Jong
vastgestelde medische beperkingen.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.
Hij heeft daarbij in de eerste plaats laten wegen dat moet worden
geconstateerd dat bij de nadere vaststelling van gedaagdes
belastbaarheid de selectie van de hier aan de orde zijnde nader geduide
functies wat betreft het onderdeel knielen, kruipen en hurken opnieuw is
uitgegaan van belastbaarheid die de door de deskundige voor gedaagde als
niet toelaatbaar is geacht. Nu ter zitting namens appellant is verklaard
dat - anders dan in het aanvullend beroepschrift en de rapportage
algemeen van 27 maart 1997 is gesteld - het de verzekeringsgeneeskundige
alleszins vrij staat het onderdeel knielen, kruipen en hurken te
waarderen met de score 0 (niet mogelijk), moet worden vastgesteld dat de
nadere functieduiding in zoverre op een onjuiste feitelijke grondslag
berust. De Raad tekent in dit verband overigens nog aan een gedragslijn
die erop neerkomt dat de verzekeringsgeneeskundige voor de belastbaarheid van betrokkene ten aanzien van knielen, kruipen en hurken
steeds de score 1a hanteert, onaanvaardbaar te achten omdat dusdoende in
een geval als het onderhavige waarin betrokkenes maximale belastbaarheid
geringer is dan de aan die score verbonden maximale belastbaarheid, die
beperktere belastbaarheid niet (meer) zichtbaar - en dus miskend -
wordt.
Met betrekking tot appellants stelling dat alle nader geduide functies
aan de gestelde vereisten voldoen aangezien knielen, kruipen en hurken
geen fysiek onderdeel uitmaakt van de betrokken taak, overweegt de Raad
dat zoals hij reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27
maart 1998, gepubliceerd in USZ 1998/133 - indien het uitvoeringsorgaan
de belasting die de werkzaamheden in een bepaalde functie met zich
brengen heeft vastgesteld, en in een bepaalde score in het
functie-informatiesysteem (FIS) heeft weergegeven, zowel de betrokkene
als, in het voorkomende geval, ook toetsende instanties, ervan uit
moeten kunnen gaan dat die weergave een juiste afspiegeling vormt van de
in de betrokken functie werkelijk voorkomende belasting, tenzij wordt
aangetoond dat deze onjuist is. Met dit uitgangspunt verdraagt zich
aldus de Raad in evenbedoelde uitspraak - niet dat in een
beroepsprocedure vanwege het uitkeringsorgaan de belastende aspecten van
die werkzaamheden worden gerelativeerd naar aanleiding van een in die
procedure door een onafhankelijk medisch deskundige gegeven oordeel over
de mate waarin betrokkene met zijn beperkingen geacht moet worden de hem
voorgehouden functies te vervullen. In het onderhavige geval kan de Raad
- nog daargelaten de juistheid van appellants stelling dat knielen,
kruipen en hurken voor gedaagde niet in het geheel onmogelijk is - de
bij het aanvullend beroepschrift gevoegde verklaring van eerderbedoelde
arbeidsdeskundige-analist over het al dan niet fysiek voorkomen van
knielen, kruipen en hurken in de hier aan de orde zijnde functies en de
door die arbeidsdeskundige-analist dienaangaande nader gegeven
toelichting in haar rapport van 9 februari 1998, niet anders zien dan
als een relativering als hiervoor bedoeld.
Nu van de nader aan gedaagde voorgehouden functies slechts één functie
resteert waarop de schatting is gebaseerd, moet worden vastgesteld dat
de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet voldoet aan het
vereiste dat de schatting dient te berusten op tenminste drie functies,
welk vereiste is neergelegd in artikel 3 van het Schattingsbesluit.
Appellants besluit van 9 november 1995 is derhalve in strijd is met
artikel 4:16 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent
dat de rechtbank dat besluit terecht niet in stand heeft gelaten en het
hoger beroep van appellant niet kan slagen.
Gedaagde heeft verzocht om appellant met toepassing van artikel 8:73 van
de Awb te veroordelen in de door hem geleden materiële en immateriële
schade.
De Raad stelt voorop dat een veroordeling op grond van artikel 8:73 van
de Awb in casu slechts toepassing kan vinden voor zover het gaat om
schade die in verband staat met het vernietigde besluit van 9 november
1995. Dit betekent dat de door gedaagde gevorderde materiële en
immateriële schade verband houdend met een ander besluit van appellant
waartegen gedaagde eveneens heeft geopponeerd, reeds buiten beschouwing
dient te worden gelaten omdat het vereiste verband van die schade met
het vernietigde besluit van 9 november 1995 daar ontbreekt.
Met betrekking tot de aan het vernietigde besluit van 9 november 1995
gerelateerde materiële schade is namens gedaagde ter zitting
medegedeeld dat gedaagdes vordering in zoverre ziet op vergoeding van
wettelijke rente. Aan gezien het besluit van 9 november 1995 geen stand
heeft kunnen houden vanwege gebreken in de totstandkoming daarvan en
appellant over de aanspraak van gedaagde op uitkering krachtens de AAW
en de WAO een nader besluit dient te nemen, ziet de Raad het niet op
zijn weg liggen om zich thans over die gevorderde wettelijke rente uit
te spreken. In het onderhavige geval staat immers nog niet vast hoe het
nader besluit zal luiden, zodat evenmin kan worden vastgesteld dat
gedaagde (vertragings)schade lijdt als gevolg van niet tijdig betaalde
uitkering.
Met betrekking tot gedaagdes vordering hem een vergoeding terzake van
immateriële schade toe te kennen omdat hij zich door het door appellant
ingestelde hoger beroep geconfronteerd zag met extra spanningen en
psychische klachten, overweegt de Raad - aansluiting zoekend bij het
civiele schadevergoedingsrecht waarvan met name het bepaalde in artikel
6:106, eerste lid, aan hef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek - dat
hem niet is gebleken van als aantasting van gedaagdes persoon aan te
merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding van
immateriële schade kan ontlenen. Onder verwijzing naar het arrest van
de Hoge Raad van 13 januari 1995, gepubliceerd in RvdW 1995/29c tekent
de Raad in dit verband nog aan dat daarvoor onvoldoende is dat - zoals
in het onderhavige geval - sprake is van een meer of minder sterk
psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een
onrechtmatig besluit of een daarmee gelijk te stellen onrechtmatige
handeling van een bestuursorgaan. Gedaagdes verzoek om veroordeling van
appellant tot vergoeding van immateriële schade komt dan ook niet voor
inwilliging in aanmerking.
De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 van de
Awb appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f
1.420,- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende
rechtsbij stand en f 19,75 terzake van reiskosten.
Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat moet worden beslist als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om appellant te veroordelen tot vergoeding van materiële
en immateriële schade af;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.439,75;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.W.E. Pinckaers-Smink als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.W.E. Pinckaers-Smink.
|
|