|
Uitspraak
95/2419
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (Detam).
Bij de bestreden beslissing van 25 mei 1992 heeft de Detam aan gedaagde
met ingang van 1 januari 1985 een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 10 november 1994 het
beroep tegen die beslissing gegrond verklaard, de beslissing vernietigd
voorzover het betreft de ingangsdatum van de uitkering, de Detam
opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen en die
bedrijfsvereniging veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het
griffierecht. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
De Detam is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij besluit van 6 april 1998 heeft appellant als rechtsopvolger van de
Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) gedaagde met ingang van 1
januari 1985 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april 1999, waar
voor appellant zijn verschenen mr. A.E.M. Kuppens en mr. H.J. van Werven,
beiden werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., terwijl gedaagde
niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad heeft met enige verbazing kennis genomen van de verklaring van
de gemachtigden Kuppens en Van Werven dat zij niet bevoegd zijn om het
Lisv ter zitting van de Raad te vertegenwoordigen anders dan met
betrekking tot besluiten die op basis van door het Lisv verleend mandaat
zijn genomen door de Uitvoeringsinstelling Cadans B.V. Naar de Raad
voorkomt is het geboden dat in gevallen als het onderhavige, waarin
hangende een geding in hoger beroep namens het Lisv door een andere
uitvoeringsinstelling een nieuw besluit wordt afgegeven, met betrekking
tot welk besluit de vraag rijst of dit in de beoordeling moet worden
betrokken en zo ja, of het in rechte stand kan houden, zorg wordt
gedragen voor een zodanige procesvertegenwoordiging dat deze vragen ter
zitting kunnen worden besproken.
Gedaagde heeft op 17 november 1986 bij de Detam een aanvraag voor een
taxikostenvergoeding ingediend. Op het formulier melding AAW gaf zij aan
sedert november 1955 geheel arbeidsongeschikt te zijn.
Op 20 april 1989 heeft gedaagde zich tot de Detam gewend met het verzoek
haar in aanmerking te brengen voor van uitkering ingevolge de AAW. Zij
gaf daarbij opnieuw aan sedert november 1955 geheel arbeidsongeschikt te
zijn.
De verzekeringsgeneeskundige W.C. Otto, die gedaagde op 19 december 1989
onderzocht, kwam tot het oordeel dat gedaagde sedert 25 oktober 1955
gedeeltelijk en vanaf 1 januari 1963 volledig beperkt was voor het
verrichten van werkzaamheden.
Bij beslissing van 29 juni 1990 heeft de Detam aan gedaagde met ingang
van 17 november 1985 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij is uitgegaan van de
aanvraag van 17 november 1986 en is overwogen dat geen sprake is van een
bijzonder geval dat aanleiding geeft verder terug te gaan dan de in
artikel 25, tweede lid van de AAW genoemde termijn van een jaar voor de
datum van de aanvraag.
Die beslissing is door de Raad van Beroep te Amsterdam bij uitspraak van
13 mei 1991 vernietigd onder overweging dat ten aanzien van de groep van
gehuwde vrouwen waartoe gedaagde behoort, sprake is van een bijzonder
geval als bedoeld in evengenoemde bepaling.
De Detam heeft voor de beoordeling van de aanspraken van genoemde groep
vrouwen een beleid geformuleerd waarbij wordt bezien in hoeverre sprake
is van bijzondere hardheid. Daarbij wordt doorslaggevend geacht of het
gezinsinkomen van de betrokken vrouw in de periode van 1 januari 1980
tot de datum van de toekenning van de uitkering in één of meer jaren
onder het sociaal minimum (bijstandsniveau) heeft gelegen.
De door gedaagde omtrent haar inkomen en dat van haar echtgenoot
verstrekte gegevens hebben de Detam tot het oordeel geleid dat het
gezinsinkomen van gedaagde in het jaar 1985 onder het sociaal minimum
lag. Dit heeft op grond van het door die bedrijfsvereniging vastgestelde
beleid geleid tot de in de thans bestreden beslissing neergelegde
toekenning van een AAW-uitkering per 1 januari 1985.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of die
beslissing in rechte stand kan houden.
De Raad heeft zich voor de vraag gesteld gezien of op grond van het
bepaalde in artikel 6:19 juncto artikel 6:24 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bij die beoordeling tevens het in rubriek I genoemde
besluit van appellant van 6 april 1998 moet worden betrokken. De Raad
heeft die vraag ontkennend beantwoord. Hij heeft daarbij laten wegen dat
geen sprake is van een samenhangend stelsel van besluiten, nu aan het
besluit van 6 april 1998 een andere aanvraag ten grondslag ligt dan aan
de bestreden beslissing en dat besluit betrekking heeft op gedaagdes
aanspraken voortvloeiend uit een andere wet, waarbij andere
beoordelingsmaatstaven een rol hebben gespeeld dan bij de bestreden
beslissing. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet gezegd worden
dat het besluit van 6 april 1998 valt binnen de grondslag en de
reikwijdte van de bestreden beslissing. Er kan derhalve niet worden
gesproken van een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.
Met betrekking tot de bestreden beslissing overweegt de Raad het
volgende.
Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant medegedeeld
dat de bestreden beslissing niet kan worden gehandhaafd, nu op de daarin
genoemde datum, 1 januari 1985, achteraf bezien niet de Detam maar de
NAB bevoegd was over gedaagdes aanspraken ingevolge de AAW te oordelen,
nu appellant als rechtsopvolger van laatstgenoemde bedrijfsvereniging
aan gedaagde op die datum een uitkering ingevolge de WAO heeft
toegekend. De Raad kan de gemachtigde van appellant daarin volgen.
Hieruit volgt dat de bestreden beslissing als onbevoegd genomen geen
stand kan houden en in haar geheel dient te worden vernietigd. De
aangevallen uitspraak, waarbij de bestreden beslissing slechts ten dele
is vernietigd en waarin ten onrechte aan de Detam is opgedragen een
nieuw besluit te nemen, kan derhalve evenmin in stand blijven, behoudens
voorzover daarin is beslist over de vergoeding van proceskosten en het
griffierecht.
Appellant zal, als rechtsopvolger van de NAB, ter zake van gedaagdes
aanspraken ingevolge de AAW alsnog een nieuw besluit moeten nemen.
Met betrekking tot de inhoudelijke kant van het onderhavige geschil
merkt de Raad het volgende op.
De Detam is er op grond van de door gedaagde verstrekte opgave van de
inkomsten van haar en haar echtgenoot en van de kosten die in verband
met haar handicap zijn gemaakt, van uitgegaan dat gedaagdes
gezinsinkomen uitsluitend in 1985 onder het sociaal minimum lag. De
rechtbank heeft daarover het volgende overwogen.
"Verweerder behoefde de kosten die in beginsel op grond van de AAW
vergoed kunnen worden niet als aftrekpost te aanvaarden. De rechtbank
vindt voor dit oordeel steun in jurisprudentie van de CRvB en met name
in de hiervoor vermelde uitspraak. Gelet op de door eiseres vermelde
bedragen aan inkomen en kosten over de jaren 1980 tot en met 1985 en
hetgeen door zijn gemachtigde ter zitting is verklaard is bij de
rechtbank echter twijfel ontstaan of in dit geval gezegd kan worden dat
verweerder een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid. In de
jaren 1980 tot en met 1984 bleef het gezinsinkomen na aftrek van f
1.500,- respectievelijk f 190,60, f 242,40, f 1.031,46, f 2.289,30 en f
3.473,64 boven de bijstandsnorm voor een gehuwde. In de jaren 1980 en
1981 is er sprake van een zeer geringe overschrijding van de
bijstandsnorm. Op grond van de aanwezige medische gegevens lijkt het
niet onaannemelijk dat begeleiding buitenshuis in deze jaren zo niet
noodzakelijk dan toch wenselijk was. Voorts lijkt het gezien de zeer
geringe overschrijding - ook zonder nader onderzoek, dat na verloop van
zoveel jaren geen erg nauwkeurige gegevens meer zal opleveren - niet
onaannemelijk dat na aftrek van de daarmee gepaard gaande kosten het
gezinsinkomen in die jaren beneden de bijstandsnorm voor een gehuwde
bleef."
Appellant heeft in hoger beroep hiertegen het volgende aangevoerd.
"Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank
dat een gedeelte van de door gedaagde opgegeven vervoerskosten moet
worden beschouwd als vervoerskosten die gemaakt zijn door de echtgenoot
van gedaagde in het kader van de begeleiding van gedaagde buitenshuis en
dat deze kosten om die reden als aftrekpost kunnen worden geaccepteerd.
Met name heeft eiser bezwaar tegen de stelling van de rechtbank dat een
aanvullend onderzoek in dit verband niet noodzakelijk is. Eiser is van
mening dat, indien er onduidelijkheid of twijfel bestaat omtrent een
bepaalde aftrekpost, een nader onderzoek dient plaats te vinden. Het
gaat naar mening van eiser niet aan om zonder nader onderzoek te
concluderen dat "het niet onaannemelijk" is dat er sprake is
van een bepaalde aftrekpost. Op deze wijze wordt eiser de mogelijkheid
ontnomen om aan de hand van een nader onderzoek de juistheid van een
bepaalde aftrekpost te verifiëren. Dit klemt temeer daar in casu niet
door gedaagde is gesteld noch gebleken is dat er kosten door haar
echtgenoot in verband met begeleiding buitenshuis zijn gemaakt.
Tot slot wenst eiser nog op te merken dat inherent aan het hanteren van
een inkomensgrens is dat er gevallen zijn waarbij het inkomen maar net
boven de grens ligt. Echter, ook een 'zeer geringe' overschrijding is
een overschrijding."
De Raad kan zich in dit betoog van appellant vinden. Naar zijn oordeel
heeft de rechtbank gedaagde het voordeel van de twijfel gegund in een
situatie waarin geen twijfel bestond, nu gedaagde niet heeft gesteld,
laat staan aannemelijk gemaakt dat van kosten als door de rechtbank
bedoeld, sprake is geweest.
Naar het oordeel van de Raad behoeft appellant bij het nemen van een
nieuw besluit er dan ook slechts van uit te gaan dat het gezinsinkomen
uitsluitend in 1985 onder het sociaal minimum is gebleven.
De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten
die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen
termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarin over de
vergoeding van de proceskosten en het griffierecht in eerste aanleg is
beslist;
Vernietigt de bestreden beslissing;
Verstaat dat appellant een nader besluit zal nemen met inachtneming van
deze uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Serno
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B. Serno.
|
|