|
Uitspraak
96/10906
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak wordt onder
appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 18 juli 1994 heeft appellant de eerder aan gedaagde
toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang
van 16 augustus 1994 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Den Haag heeft het namens gedaagde tegen
dat besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 10 oktober 1996 gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank
beslissingen genomen terzake van de proceskosten en het griffierecht.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden,
vermeld in een aanvullend beroepschrift, heeft appellant de Raad
verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep
alsnog ongegrond te verklaren.
Namens gedaagde heeft mr. A.C.H. Walkate, advocaat te Den Haag, een
verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 24 september 1998, 13 oktober 1998 en 17 februari 1999
heeft appellant enige vragen van de Raad beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 april
1999.
Appellant heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. C.E.B. Haazen,
werkzaam bij Gak Nederland B.V.
Gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr. Walkate, voornoemd.
II. MOTIVERING
Gedaagde, die sedert 1980 werkzaam is geweest op een wijze als voorzien
in de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), laatstelijk als logoplakker bij
de BV X te Y, heeft zijn werk op 22 maart 1993 gestaakt in verband met
klachten van het bewegingsapparaat. Vervolgens heeft appellant hem
gedurende de maximale termijn uitkering krachtens de Ziektewet toegekend
en aansluitend uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.
Bij het bestreden besluit heeft appellant gedaagdes uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO per 16 augustus 1994 ingetrokken. Aan dat
besluit ligt appellants standpunt ten grondslag dat gedaagde met ingang
van 16 augustus 1994 weer in staat was zijn eigen, licht en overwegend
zittend, werk bij de BV X in WSW-verband te verrichten.
De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak vernietigd.
Daarbij heeft de rechtbank, na advies te hebben ingewonnen van de
revalidatiearts H. van der Rijst, in de eerste plaats overwogen dat
appellant terecht heeft aangenomen dat gedaagde, met in achtneming van
zijn medische beperkingen, per 16 augustus 1994 in staat was zijn eigen
werk te verrichten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in het
onderhavige geval niet uitgegaan kan worden van de vooronderstelling dat
geschiktheid voor het eigen werk meebrengt dat er van
arbeidsongeschiktheid geen sprake is. De rechtbank heeft daarbij gewezen
op de omstandigheid dat gedaagde niet in zijn oude functie kon hervatten
omdat zijn dienstverband was verbroken; voorts heeft de rechtbank er op
gewezen dat er sprake is van specifieke arbeid, omdat werk en
werkomstandigheden in WSW-verband in het algemeen zijn toegesneden op de
krachten en bekwaamheden van de betrokken werknemers en afwijkend zijn
van hetgeen in het normale bedrijf gangbaar is. Gelet op een en ander
heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft kunnen volstaan
met de vaststelling dat gedaagde geschikt was voor het eigen werk, maar
na had moeten gaan of zodanig werk, niet zijnde gedaagdes eigen werk,
dan wel passende arbeid beschikbaar is.
De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat appellant de uitkering
ingevolge de AAW van gedaagde in strijd met artikel 5, zevende lid, van
de AAW, heeft ingetrokken.
Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de
aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het bestreden besluit ten
aanzien van de intrekking van gedaagdes uitkering ingevolge de WAO is
vernietigd. Namens appellant is aangevoerd dat gedaagdes eigen werk bij
de Haeghe Groep nog beschikbaar was en dat, gelet daarop, de enkele
omstandigheid dat gedaagdes dienstverband was verbroken er niet aan in
de weg staat om diens uitkering ingevolge de WAO op grond van
geschiktheid voor het eigen werk in te trekken.
In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden
besluit, voor zover dat ziet op gedaagdes aanspraken ingevolge de WAO,
in rechte stand kan houden.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt allereerst vast dat tussen partijen niet langer in geschil
is dat appellant bij de voorbereiding van het bestreden besluit de
belastbaarheid van gedaagde juist heeft ingeschat en dat gedaagde per 16
augustus 1994 in staat was zijn eigen werk bij BV X te verrichten.
Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat gedaagdes dienstverband op 16
augustus 1994 ingevolge artikel 28, eerste lid, en onder a, van de WSW
was beλindigd omdat gedaagde zijn werk gedurende 12 maanden achtereen
wegens arbeidsongeschiktheid had verzuimd. De rechtbank heeft daaraan
terecht de conclusie verbonden dat gedaagde niet in zijn oude functie
kon hervatten. Hervatten zou slechts mogelijk zijn geweest indien
gedaagde opnieuw tot de personenkring van de WSW zou zijn toegelaten en
er wederom een dienstbetrekking tot stand zou zijn gekomen. De
omstandigheid dat gedaagde, gelet op zijn beperkingen, in beginsel
geacht kan worden tot de personenkring te behoren en de omstandigheid
dat hij vanaf 1980 in WSW-verband heeft gewerkt, kan niet afdoen aan de
conclusie dat hervatting in zijn werk op 16 augustus 1994 feitelijk niet
mogelijk was.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat er zich in het
onderhavige geval, ondanks de omstandigheid dat hervatting in het eigen
werk op 16 augustus 1994 niet mogelijk was, geen bijzonderheden voordoen
die de vooronderstelling aantasten dat er bij geschiktheid voor het
eigen werk geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Uit de stukken
blijkt immers dat gedaagdes werk als logo-plakker op en na 16 augustus
1994 een reguliere functie binnen de BV X was, welke instelling gedaagde
ingevolge artikel 7 van de WSW werk in dit verband kon bieden. De Raad
merkt daarbij op dat zich in het onderhavige geval, anders dan in het
geval dat heeft geleid tot de in RSV 1994/102 gepubliceerde uitspraak
van de Raad, niet de situatie voordoet dat de laatstelijk door de
verzekerde uitgeoefende functie in WSW-verband niet meer beschikbaar was
omdat deze was komen te vervallen.
De Raad overweegt voorts als volgt.
Bij het vaststellen van gedaagdes resterende verdiencapaciteit heeft
appellant alleen werkzaamheden in WSW-verband in aanmerking genomen.
Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken brengt de zorgvuldigheid
in dat geval mee dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt voortgezet
tot het moment waarop over heropneming in de zogeheten WSW-personenkring
is beslist, waarbij echter van de betrokkene verlangd kan worden dat hij
daartoe doelgerichte activiteiten ontwikkelt. Van gedaagde had in dit
geval verwacht mogen worden dat hij zich na de aankondiging van de
arbeidsdeskundige, op 9 juni 1994, van de naderende intrekking van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering opnieuw bij de Haeghe Groep zou hebben
aangemeld, welke aanmelding hij echter heeft nagelaten. Onder deze
omstandigheden acht de Raad het aangewezen dat de intrekking geschiedt
met ingang van het moment waarop, indien gedaagde zich wel tijdig zou
hebben aangemeld, over zijn heropneming in de WSW-personenkring had
kunnen zijn beslist. De Raad acht het aannemelijk dat dit op 16 augustus
1994 nog niet het geval zou zijn geweest, maar pas op een latere datum,
waarbij de Raad denkt aan 16 oktober 1994. Appellant zal zich bij het
nemen van een eventueel nieuw besluit tot intrekking van de uitkering op
dit punt nader dienen te beraden.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat het bestreden
besluit, voorzover dat betrekking heeft op gedaagdes aanspraken
ingevolge de WAO, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 van de
Algemene wet bestuursrecht in rechte geen stand kan houden. Op grond
daarvan dient de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, te
worden bevestigd.
De Raad acht ten slotte termen aanwezig om appellant op grond van
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de
proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op
f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,-.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van S.I.
ter Riet als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) S.I. ter Riet.
|
|