|
Uitspraak
96/8613
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant (hierna: Lisv),
en
A, wonende te B (België), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de
Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder appellant
mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Het Lisv heeft bij brief van 12 september 1994 aan gedaagde kennis
gegeven van een besluit uit hoofde van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), houdende een weigering om na
31 augustus 1994 uitkeringen toe te kennen.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 5
augustus 1996 het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard
en het besluit vernietigd, met bepaling dat het Lisv aan gedaagde het
griffierecht vergoedt.
Het Lisv is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
In verband met het voornemen om in het onderhavige en een ander geding
prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen zijn aan partijen conceptvragen voorgelegd, waarop zij
hebben gereageerd. Vervolgens heeft de Raad op 30 juli 1997 drie vragen
aan het Hof van Justitie gericht.
Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 10 december 1998 deze vragen
beantwoord.
Het Lisv heeft een reactie op het arrest ingezonden.
Het geding is, gevoegd met een aantal andere zaken, behandeld ter
zitting van de Raad, gehouden op 3 november 1999, waar het Lisv zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.I. van der Kris, werkzaam bij Gak
Nederland B.V. en waar gedaagde niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Algemeen gedeelte
In deze zaak is, evenals in een aantal eveneens ter zitting van 3
november 1999 behandelde gedingen, aan de orde de beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO van in België
(doch dicht bij de Nederlandse grens) wonende personen die - onbetwist -
onderworpen zijn of zijn geweest, doorgaans als grensarbeider, aan de
Nederlandse wetgeving inzake sociale zekerheid en die een (eventuele)
aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die wetgeving
ontlenen.
In opdracht van het Nederlandse uitvoeringsorgaan zijn de betrokkenen
bij de voorbereiding van de thans bestreden besluiten medisch beoordeeld
door de (toenmalige) Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD).
Bij de behandeling van de beroepen in eerste aanleg is in negen van de
behandelde zaken door de rechtbank, ambtshalve, aan de orde gesteld de
vraag of de bevoegdheid tot het verrichten van dat medisch onderzoek, c.q.
het verstrekken van de opdracht daartoe, wel toekwam aan het Nederlandse
orgaan, gelet op het bepaalde in, met name, artikel 51 van de
EG-verordening nr. 574/72 (nader: Vo. 574/72); in twee zaken is dit punt door de gemachtigde van de
betrokkene in hoger beroep aan de orde gesteld.
Achtergrond van deze vraagstelling vormden het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1991 (Martinez Vidal, Jur. 1991 I-3245 en
RSV 1991/258) en de uitspraak van deze Raad van 4 mei 1992, gepubliceerd
in RSV 1993/130, uit welke rechtspraak - kort samengevat - volgt dat, in
het geval de rechthebbende op een invaliditeitsuitkering in een andere
EG-lidstaat woont dan die waar het orgaan dat de uitkering verschuldigd
is zich bevindt, artikel 51 voormeld een bindend voorschrift bevat met
betrekking tot het doen plaatsvinden van de medische controle door het
orgaan van de woonplaats van de betrokkene en dat de controle door het
bevoegde orgaan alleen een aanvullende kan zijn. In de negen eerderbedoelde zaken heeft de
rechtbank in haar uitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek in
Nederland in strijd met het bepaalde in Vo. 574/72 had plaatsgevonden en
als zodanig buiten beschouwing moest blijven, als gevolg waarvan het
bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeerde en op die grond
vernietigd diende te worden.
Het Lisv is van deze uitspraken in hoger beroep gekomen. Inhoudelijk was
het Lisv van oordeel dat artikel 51 voormeld toepasselijkheid mist in
het geval dat het reizen naar de door het bevoegde orgaan aangewezen
plaats voor medische controle vanuit gezondheidsoogpunt niet als
bezwaarlijk kan worden aangemerkt gezien de reisafstand, welk aspect
immers de ratio achter artikel 51 en de daaraan gegeven uitleg in het
arrest Martinez Vidal vormde. Voorts achtte het Lisv zich bevoegd tot
het verrichten van de medische controle gelet op artikel 23 (juncto
artikel 21) van de Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus
1982 inzake ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (Trb.
1982, 181, en 1984, 34).
In processueel opzicht - zij het dat dit punt in een aantal zaken pas in
een later stadium in hoger beroep is aangevoerd - stelde het Lisv dat de
rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door het
bestreden besluit op genoemde grond te vernietigen.
De Raad, van oordeel dat niet alleen artikel 51, maar in de gevallen
waarin het om de eerste beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de
zin van de AAW/WAO gaat, ook artikel 40 van Vo. 574/72 in de aanhangige
zaken van betekenis kon zijn, heeft in twee van de ter zitting van 3 november 1999 behandelde zaken het Hof van Justitie bij verzoek van 10
juli 1997 de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1. Staat artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr. 574/72 eraan
in de weg, dat het bevoegde orgaan de gerechtigde op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het land van het bevoegde orgaan
medisch onderzoekt in het kader van de controle van de mate van
arbeidsongeschiktheid van de werknemer, zonder voorafgaand medisch
onderzoek door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, ingeval de
werknemer een grensarbeider is, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de
afstand tussen zijn woonplaats en het bevoegde orgaan niet
noodzakelijkerwijs groter is dan die tussen zijn woonplaats en het
orgaan van die woonplaats?
2. Staat artikel 40 van de verordening (EEG) nr. 574/72 eraan in de weg dat het bevoegde orgaan, wanneer het erom
gaat het recht op uitkering voor de eerste maal vast te stellen, de
arbeidsongeschiktheid beoordeelt op basis van eigen medisch onderzoek,
zonder voorafgaand medisch onderzoek door het orgaan van de woonplaats?
3. Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, geldt dan hetzelfde
indien het bevoegde orgaan niet heeft gevraagd en dus evenmin rekening
heeft gehouden met medische documenten en rapporten alsmede inlichtingen
afkomstig van het orgaan van de woonplaats, doch slechts heeft
kennisgenomen van medische informatie van de behandelende artsen van het
land waar de werknemer onder medische behandeling is?"
Het Hof heeft bij arrest van 10 december 1998 (zaak C-279/97), inmiddels gepubliceerd in RSV 1999/160, de vragen als volgt
beantwoord:
"1) Artikel 51, lid 1, van de verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze
van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de
toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en
zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de
Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening
(EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, staat eraan in de weg, dat in het geval van een voormalig
grensarbeider die rechthebbende op een invaliditeitsuitkering is, die
woont op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het orgaan
dat de uitkering verschuldigd is, en wiens woonplaats dichter bij het
orgaan van de bevoegde staat dan bij het orgaan van de woonstaat ligt,
het bevoegde orgaan de administratieve en medische controle van de
betrokkene verricht, zonder een voorafgaande controle door het orgaan
van de woonplaats te hebben gevraagd. Dezelfde bepaling verzet zich er
echter niet tegen, dat de betrokkene afziet van de voorafgaande controle
door het orgaan van de woonplaats, op voorwaarde dat het daarbij om een
vrije en ondubbelzinnige beslissing gaat.
2) Artikel 40 van dezelfde verordening verzet zich er niet tegen, dat
het bevoegde orgaan, wanneer het gaat om de eerste vaststelling van een
invaliditeitsuitkering aan een persoon die woont op het grondgebied van
een andere lidstaat dan die van het bevoegde orgaan, de mate van
invaliditeit op basis van zijn eigen medisch onderzoek bepaalt, zonder
eerst een onderzoek door het orgaan van de woonplaats te hebben
gevraagd. Het bevoegde orgaan dient echter rekening te houden met
medische documenten en rapporten en met inlichtingen van administratieve
aard, afkomstig van het orgaan van de woonstaat van de
betrokkene."
De thans in hoger beroep te behandelen punten betreffen allereerst de
vraag of de rechtbanken in de voorkomende gevallen terecht aan hun
uitspraak mede ten grondslag hebben gelegd een beoordeling van de
bevoegdheid tot het doen verrichten van een medische controle door het
Lisv, en vervolgens de toepasselijkheid van de artikelen 40,
respectievelijk 51, van Vo. 574/72 en de daaraan te verbinden gevolgen
voor de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.
Wat het eerste punt betreft, overweegt de Raad dat met betrekking tot
alle behandelde gedingen kan worden vastgesteld dat de betrokkenen de
waarde en de uitkomsten van het medisch onderzoek in Nederland hebben
aangevochten. Gelet op het voorschrift van artikel 8:69, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon de rechtbank zich gehouden
achten bij de behandeling van die geschilpunten de vraag te betrekken of
er een bevoegdheid tot het instellen van een medisch onderzoek bestond.
De regels van een goede procesorde vergen wel dat de rechtbank het
voornemen om dit punt in haar beoordeling te betrekken tijdig aan
partijen kenbaar maakt en hen in de gelegenheid stelt zich daarover uit
te laten. Waar dit (in een drietal zaken) niet of onvoldoende is
gebeurd, ziet de Raad geen grond om daar thans consequenties aan te
verbinden aangezien aan genoemde voorwaarden in de hogerberoepsfase
alsnog is voldaan.
De vraag naar de toepasselijkheid van artikel 40 dan wel artikel 51 van
Vo. 574/72 rijst met name in die gevallen waarin het besluit betreft de
intrekking of verlaging van de uitkering, en er in die zin dus sprake is
van een "rechthebbende op invaliditeitsuitkering" als genoemd
in artikel 51, doch waarin dat gegeven geen uitsluitsel biedt terzake
van de vraag of ook de litigieuze medische controle ten aanzien van een
zodanige rechthebbende heeft plaatsgevonden. Voor het antwoord op die
vraag wijst de Raad op rechtsoverweging 33 van het arrest, waarin het
Hof van Justitie opmerkt dat "de toepassing van artikel 51 afhangt
van de (...) voorwaarde dat de betrokkene krachtens de wettelijke
regeling van de bevoegde staat reeds een invaliditeitsuitkering geniet
wanneer de medische controle wordt aangevraagd". De Raad leidt
hieruit af, dat artikel 40 van Vo. 574/72 in een geval als zojuist
omschreven zonder meer van toepassing is, wanneer het medisch onderzoek
waarop het bestreden besluit steunt is afgerond voordat de wachttijd
ingevolge de AAW en de WAO - gedurende welke de betrokkene geen
"rechthebbende" in de zin van artikel 51 is - is verstreken.
Wat de overige in het arrest besproken punten betreft, overweegt de Raad
dat aan de hierboven genoemde Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12
augustus 1982 voor de onderhavige gedingen geen afzonderlijke betekenis
toekomt, gelet op rechtsoverweging 36.
Voorts kan de Raad zich niet vinden in de door het Lisv opgeworpen
stelling dat de betrokkenen door gehoor te geven aan de oproep voor
medisch onderzoek in Nederland hebben afgezien van een controle door het
orgaan van hun woonplaats op een wijze als voorgeschreven in de slotzin
van de beantwoording van de eerste vraag door het Hof van Justitie. Van
een vrije en ondubbelzinnige beslissing kan, gelet ook op hetgeen het
Hof dienaangaande onder 37 t/m 40 in het arrest heeft overwogen, in geen
van de zaken worden gesproken, mede in aanmerking genomen dat een oproep
voor een medisch onderzoek als hier aan de orde vergezeld pleegt te gaan
van de mededeling dat men verplicht is aan die oproep gehoor te geven.
Tenslotte zal, in de gevallen waarin artikel 40 van Vo. 574/72 van toepassing is, hierna nog worden ingegaan op de vraag
naar de aanwezigheid van gegevens, afkomstig van het orgaan van de
woonstaat, waarmee blijkens de slotzin van de beantwoording van de
tweede en derde vraag in het arrest rekening moet worden gehouden.
Bijzonder gedeelte
Gedaagde, die werkzaam was bij X B.V., is arbeidsongeschikt geworden op
2 september 1993 als gevolg van rugklachten.
Bij het bestreden besluit heeft het Lisv geweigerd gedaagde na ommekomst
van de zogeheten wachttijd op 31 augustus 1994 uitkeringen ingevolge de
AAW en de WAO toe te kennen. Dit besluit berust op het oordeel dat
gedaagde op die datum in voor hem geschikte functies nog een inkomen kon
verdienen dat het inkomen van de zogeheten maatman overtrof.
De rechtbank heeft dit besluit vernietigd op de grond dat gedaagde
ingevolge artikel 51 van Vo. 574/72 en artikel 21 van de
Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus 1982 inzake
ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (Trb. 1982, 181,
en 1984, 34) voorafgaand aan het bestreden besluit door het bevoegde
Belgische orgaan had moeten worden onderzocht.
Gelet evenwel op het feit dat in casu het medisch onderzoek waarop het
bestreden besluit steunt was afgerond voordat de wachttijd was
verstreken is de Raad, het overwogene in het algemeen gedeelte van deze
rubriek in aanmerking nemend, van oordeel dat het het Lisv vrijstond
gedaagde te onderzoeken en te beoordelen zonder voorafgaand onderzoek
door het bevoegde Belgische orgaan, nu het ging om de toepassing van
artikel 40 van Vo. 574/72. De Raad merkt in dit verband tevens op dat
niet is gebleken dat er relevante medische stukken van dat orgaan
bestonden waar het Lisv bij zijn beoordeling rekening mee had moeten
houden.
Dit betekent dat de grond waar de rechtbank bij de aangevallen
uitspraak de vernietiging van het besluit op heeft gebaseerd niet kan
standhouden. Dit zou aanleiding kunnen vormen de zaak ter behandeling
van het beroep terug te wijzen naar de rechtbank, ware het niet dat de
Raad voldoende gegevens aanwezig acht om de zaak zonder terugwijzing af
te doen.
Wat het medische aspect betreft berust het besluit op onderzoek van de
verzekeringsgeneeskundige, die daarbij beschikte over informatie van de
behandelende orthopedisch chirurg en die op basis van de rugafwijkingen
van gedaagde beperkingen heeft vastgesteld. De Raad heeft geen
aanleiding gevonden de conclusies van die verzekeringsgeneeskundige en
de juistheid van die beperkingen in twijfel te trekken, mede gelet op
het feit dat deze van de zijde van gedaagde niet medisch onderbouwd zijn
bestreden.
Ook wat het arbeidskundige aspect betreft berust het bestreden besluit
naar 's Raads oordeel op toereikende gronden, nu er ruim voldoende
binnen het belastbaarheidspatroon vallende functies zijn voorgehouden
met een zodanige loonwaarde dat na vergelijking met het inkomen van de
zogeheten maatman geen relevant verlies aan verdiencapaciteit resteert.
Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in stand kan
blijven en dat dient te worden beslist als hierna onder III aangegeven.
Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad geen termen
aanwezig.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep
alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15
december 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|