|
Uitspraak
96/7771
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, ook te noemen:
het Lisv,
en
A, wonende te B (België), gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging. In deze
uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 20 juni 1995 heeft het Lisv de aan gedaagde toegekende
uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juli
1995 herzien en nader vastgesteld naar een arbeidsongeschiktheid van 35
tot 45% (besluit 1).
Bij besluit van 19 juli 1995 heeft het Lisv aan gedaagde medegedeeld dat
hij, rekening houdend met zijn verdiensten sedert 1 juli 1995, ingedeeld
dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% en dat
zijn uitkeringen voorlopig met ingang van 1 augustus 1995 naar deze
lagere klasse zullen worden uitbetaald (besluit 2).
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 5 juli
1996 het beroep tegen besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd en het beroep tegen besluit 2 ongegrond verklaard.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij verzoek van 10 juli 1997 heeft de Raad op grond van artikel 177 van
het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen een vraag ter prejudiciële
beslissing voorgelegd.
Het Hof heeft op 10 december 1998 arrest gewezen.
Desgevraagd heeft het Lisv een reactie op het arrest aan de Raad
toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad gehouden op 3 november
1999, waar het Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.I. van
der Kris, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
Algemeen gedeelte
In deze zaak is, evenals in een aantal eveneens ter zitting van 3
november 1999 behandelde gedingen, aan de orde de beoordeling van de
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO van in België
(doch dicht bij de Nederlandse grens) wonende personen die - onbetwist
-
onderworpen zijn of zijn geweest, doorgaans als grensarbeider, aan de
Nederlandse wetgeving inzake sociale zekerheid en die een (eventuele)
aanspraak op arbeidsongeschiktheidsuitkering aan die wetgeving
ontlenen.
In opdracht van het Nederlandse uitvoeringsorgaan zijn de betrokkenen
bij de voorbereiding van de thans bestreden besluiten medisch beoordeeld
door de (toenmalige) Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD).
Bij de behandeling van de beroepen in eerste aanleg is in negen van de
behandelde zaken door de rechtbank, ambtshalve, aan de orde gesteld de
vraag of de bevoegdheid tot het verrichten van dat medisch onderzoek, c.q.
het verstrekken van de opdracht daartoe, wel toekwam aan het Nederlandse
orgaan, gelet op het bepaalde in, met name, artikel 51 van de
EG-verordening nr 574/72 (nader: Vo. 574/72); in twee zaken is dit punt
door de gemachtigde van de betrokkene in hoger beroep aan de orde
gesteld.
Achtergrond van deze vraagstelling vormden het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 juni 1991 (Martinez Vidal,
Jur. 1991 I-3245 en RSV 1991/258) en de uitspraak van deze Raad van 4
mei 1992, gepubliceerd in RSV 1993/130, uit welke rechtspraak - kort
samengevat - volgt dat, in het geval de rechthebbende op een
invaliditeitsuitkering in een andere EG-lidstaat woont dan die waar het
orgaan dat de uitkering verschuldigd is zich bevindt, artikel 51
voormeld een bindend voorschrift bevat met betrekking tot het doen
plaatsvinden van de medische controle door het orgaan van de woonplaats
van de betrokkene en dat de controle door het bevoegde orgaan alleen een
aanvullende kan zijn. In de negen eerderbedoelde zaken heeft de
rechtbank in haar uitspraak geoordeeld dat het medisch onderzoek in
Nederland in strijd met het bepaalde in Vo. 574/72 had plaatsgevonden
en als zodanig buiten beschouwing moest blijven, als gevolg waarvan het
bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeerde en op die grond
vernietigd diende te worden.
Het Lisv is van deze uitspraken in hoger beroep gekomen. Inhoudelijk
was het Lisv van oordeel dat artikel 51 voormeld toepas-selijkheid mist
in het geval dat het reizen naar de door het bevoegde orgaan aangewezen
plaats voor medische controle vanuit gezondheidsoogpunt niet als
bezwaarlijk kan worden aangemerkt gezien de reisafstand, welk aspect
immers de ratio achter artikel 51 en de daaraan gegeven uitleg in het
arrest Martinez Vidal vormde. Voorts achtte het Lisv zich bevoegd tot
het verrichten van de medische controle gelet op artikel 23 (juncto
artikel 21) van de Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12 augustus
1982 inzake ziekengeld, moederschaps- en invaliditeitsverzekering (Trb.
1982, 181, en 1984, 34).
In processueel opzicht - zij het dat dit punt in een aantal zaken pas in
een later stadium in hoger beroep is aangevoerd - stelde het Lisv dat de
rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door het
bestreden besluit op genoemde grond te vernietigen.
De Raad, van oordeel dat niet alleen artikel 51, maar in de gevallen
waarin het om de eerste beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in de
zin van de AAW/WAO gaat, ook artikel 40 van Vo. 574/72 in de aanhangige
zaken van betekenis kon zijn, heeft in twee van de ter zitting van 3 november 1999 behandelde zaken het Hof van Justitie bij verzoek van 10
juli 1997 de navolgende prejudiciële vragen voorgelegd:
"1. Staat artikel 51, lid 1, van verordening (EEG) nr.
574/72 eraan in de weg, dat het bevoegde orgaan de gerechtigde op een
arbeidsongeschiktheidsuitkering in het land van het bevoegde orgaan
medisch onderzoekt in het kader van de controle van de mate van
arbeidsongeschiktheid van de werknemer, zonder voorafgaand medisch
onderzoek door het orgaan van de woon- of verblijfplaats, ingeval de
werknemer een grensarbeider is, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de
afstand tussen zijn woonplaats en het bevoegde orgaan niet
noodzakelijkerwijs groter is dan die tussen zijn woonplaats en het
orgaan van die woonplaats?
2. Staat artikel 40 van de verordening (EEG) nr. 574/72 eraan in de weg dat het bevoegde orgaan, wanneer het erom
gaat het recht op uitkering voor de eerste maal vast te stellen, de
arbeidsongeschiktheid beoordeelt op basis van eigen medisch onderzoek,
zonder voorafgaand medisch onderzoek door het orgaan van de woonplaats?
3. Indien het antwoord op vraag 2 ontkennend luidt, geldt dan
hetzelfde indien het bevoegde orgaan niet heeft gevraagd en dus evenmin
rekening heeft gehouden met medische documenten en rapporten alsmede
inlichtingen afkomstig van het orgaan van de woonplaats, doch slechts
heeft kennisgenomen van medische informatie van de behandelende artsen
van het land waar de werknemer onder medische behandeling is?"
Het Hof heeft bij arrest van 10 december 1998 (zaak C-279/97), inmiddels gepubliceerd in RSV 1999/160, de vragen als volgt
beantwoord:
"1) Artikel 51, lid 1, van de verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling
van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71
betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op
werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen
de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij
verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, staat eraan
in de weg, dat in het geval van een voormalig grensarbeider die
rechthebbende op een invaliditeitsuitkering is, die woont op het
grondgebied van een andere lidstaat dan die van het orgaan dat de
uitkering verschuldigd is, en wiens woonplaats dichter bij het orgaan
van de bevoegde staat dan bij het orgaan van de woonstaat ligt, het
bevoegde orgaan de administratieve en medische controle van de
betrokkene verricht, zonder een voorafgaande controle door het orgaan
van de woonplaats te hebben gevraagd. Dezelfde bepaling verzet zich er
echter niet tegen, dat de betrokkene afziet van de voorafgaande controle
door het orgaan van de woonplaats, op voorwaarde dat het daarbij om een
vrije en ondubbelzinnige beslissing gaat.
2) Artikel 40 van dezelfde verordening verzet zich er niet
tegen, dat het bevoegde orgaan, wanneer het gaat om de eerste
vaststelling van een invaliditeitsuitkering aan een persoon die woont op
het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het bevoegde orgaan,
de mate van invaliditeit op basis van zijn eigen medisch onderzoek
bepaalt, zonder eerst een onderzoek door het orgaan van de woonplaats te
hebben gevraagd. Het bevoegde orgaan dient echter rekening te houden met
medische documenten en rapporten en met inlichtingen van administratieve
aard, afkomstig van het orgaan van de woonstaat van de
betrokkene.".
De thans in hoger beroep te behandelen punten betreffen allereerst de
vraag of de rechtbanken in de voorkomende gevallen terecht aan hun
uitspraak mede ten grondslag hebben gelegd een beoordeling van de
bevoegdheid tot het doen verrichten van een medische controle door het
Lisv, en vervolgens de toepasselijkheid van de artikelen 40,
respectievelijk 51, van Vo. 574/72 en de daaraan te verbinden gevolgen
voor de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit.
Wat het eerste punt betreft, overweegt de Raad dat met betrekking tot
alle behandelde gedingen kan worden vastgesteld dat de betrokkenen de
waarde en de uitkomsten van het medisch onderzoek in Nederland hebben
aangevochten. Gelet op het voorschrift van artikel 8:69, tweede lid, van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon de rechtbank zich gehouden
achten bij de behandeling van die geschilpunten de vraag te betrekken of
er een bevoegdheid tot het instellen van een medisch onderzoek bestond.
De regels van een goede procesorde vergen wel dat de rechtbank het
voornemen om dit punt in haar beoordeling te betrekken tijdig aan
partijen kenbaar maakt en hen in de gelegenheid stelt zich daarover uit
te laten. Waar dit (in een drietal zaken) niet of onvoldoende is
gebeurd, ziet de Raad geen grond om daar thans consequenties aan te
verbinden aangezien aan genoemde voorwaarden in de hogerberoepsfase
alsnog is voldaan.
De vraag naar de toepasselijkheid van artikel 40 dan wel artikel 51 van
Vo. 574/72 rijst met name in die gevallen waarin het besluit betreft de
intrekking of verlaging van de uitkering, en er in die zin dus sprake is
van een "rechthebbende op invaliditeitsuitkering" als genoemd
in artikel 51, doch waarin dat gegeven geen uitsluitsel biedt terzake
van de vraag of ook de litigieuze medische controle ten aanzien van een
zodanige rechthebbende heeft plaatsgevonden. Voor het antwoord op die
vraag wijst de Raad op rechtsoverweging 33 van het arrest, waarin het
Hof van Justitie opmerkt dat "de toepassing van artikel 51 afhangt
van de (...) voorwaarde dat de betrokkene krachtens de wettelijke
regeling van de bevoegde staat reeds een invaliditeitsuitkering geniet
wanneer de medische controle wordt aangevraagd". De Raad leidt
hieruit af, dat artikel 40 van Vo. 574/-72 in een geval als zojuist
omschreven zonder meer van toepassing is, wanneer het medisch onderzoek
waarop het bestreden besluit steunt is afgerond voordat de wachttijd
ingevolge de AAW en de WAO -gedurende welke de betrokkene geen
"rechthebbende" in de zin van artikel 51 is- is verstreken.
Wat de overige in het arrest besproken punten betreft, overweegt de Raad
dat aan de hierboven genoemde Belgisch-Nederlandse Overeenkomst van 12
augustus 1982 voor de onderhavige gedingen geen afzonderlijke betekenis
toekomt, gelet op rechtsoverweging 36.
Voorts kan de Raad zich niet vinden in de door het Lisv opgeworpen
stelling dat de betrokkenen door gehoor te geven aan de oproep voor
medisch onderzoek in Nederland hebben afgezien van een controle door het
orgaan van hun woonplaats op een wijze als voorgeschreven in de slotzin
van de beantwoording van de eerste vraag door het Hof van Justitie. Van
een vrije en ondubbelzinnige beslissing kan, gelet ook op hetgeen het
Hof dienaangaande onder 37 t/m 40 in het arrest heeft overwogen, in
geen van de zaken worden gesproken, mede in aanmerking genomen dat een
oproep voor een medisch onderzoek als hier aan de orde vergezeld pleegt
te gaan van de mededeling dat men verplicht is aan die oproep gehoor te
geven.
Tenslotte zal, in de gevallen waarin artikel 40 van Vo. 574/72 van
toepassing is, hierna nog worden ingegaan op de vraag naar de
aanwezigheid van gegevens, afkomstig van het orgaan van de woonstaat,
waarmee blijkens de slotzin van de beantwoording van de tweede en derde
vraag in het arrest rekening moet worden gehouden.
Bijzonder gedeelte
Gedaagde, die in België woont, heeft op 21 november 1989 zijn
werkzaamheden als heftruckchauffeur in dienst van X B.V. te Y gestaakt
wegens spiervermoeidheidsklachten en gewrichtklachten. In verband
hiermee zijn hem bij besluit van 1 maart 1991 met ingang van 22 november
1990 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In het kader van een TBA-herbeoordeling is gedaagde door de GMD
opgeroepen voor medisch onderzoek in Nederland, welk onderzoek heeft
plaatsgevonden op 13 februari 1995.
Op basis van dit onderzoek heeft de verzekeringsgeneeskundige een
belastbaarheidspatroon opgesteld en heeft de arbeidsdeskundige
vervolgens aan gedaagde een aantal passende functies kunnen voorhouden
met een loonwaarde leidend tot een verlies aan verdienvermogen van 36%.
Bij het besluit van 20 juni 1995 heeft het Lisv de aan gedaagde
toegekende AAW/WAO-uitkeringen met ingang van 1 juli 1995 herzien en
nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot
45%.
Vervolgens heeft het Lisv het in rubriek I genoemde besluit van 19 juli
1995 genomen. Tegen de ongegrondverklaring door de rechtbank van het
beroep tegen dit besluit is geen hoger beroep ingesteld, zodat thans
alleen het besluit van 20 juni 1995 nog in geschil is.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het
medisch onderzoek in strijd met artikel 51 van Vo. 574/72 heeft plaatsgevonden en als zodanig buiten beschouwing dient
te worden gelaten, als gevolg waarvan het bestreden besluit een
deugdelijke motivering ontbeert en niet in stand kan blijven.
De Raad constateert, gelet op hetgeen in het algemeen gedeelte is
overwogen, dat in casu is voldaan aan de voorwaarden voor de
toepasselijkheid van artikel 51 van Vo. 574/72 aangezien gedaagde ten
tijde van het medisch onderzoek zoals ten grondslag liggend aan het
bestreden besluit in het genot was van uitkeringen krachten de AAW en de
WAO. Op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking.
De Raad is niet gebleken van kosten, aan de zijde van gedaagde gevallen,
welke voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in
aanmerking komen.
Ten slotte stelt de Raad vast dat van het Lisv een griffierecht van f
675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Lisv een griffierecht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en mr. F.P. Zwart en mr.
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15
december 1999.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|