|
Uitspraak
97/8762 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke
Belangen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 23 januari 1995 heeft gedaagde met ingang van 15
februari 1995 de eerdere aan appellante toegekende uitkeringen krachtens
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij haar op 13 augustus
1997 gegeven uitspraak het tegen het hiervoor genoemde besluit
ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd alsmede
het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen.
Namens appellante is door haar gemachtigde, mr. drs. F. Westenberg, advocaat te Hoorn, tegen deze uitspraak hoger
beroep ingesteld dat zich uitsluitend richt tegen het onderdeel van de
uitspraak waarbij het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Bij brief van 25 juli 1999 heeft de gemachtigde van appellante het
standpunt van appellante nader toegelicht.
Desverzocht heeft gedaagde bij brief van 16 augustus 1999 aan de Raad
nadere inlichtingen verstrekt.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 26 november 1999, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Hoewel de Raad gedaagde heeft opgeroepen ter zitting bij gemachtigde te
verschijnen, is gedaagde zonder bericht van verhindering niet ter
zitting van de Raad verschenen. De Raad acht evenwel in de gedingstukken
voldoende gegevens aanwezig om tot een uitspraak te komen.
Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
Appellante heeft op 21 augustus 1993 haar werkzaamheden als
zorgassistente in een verpleeghuis gestaakt, in verband waarmee gedaagde
haar met ingang van 20 augustus 1994 uitkeringen krachtens de AAW en de
WAO heeft toegekend, welke uitkeringen werden berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 23 januari 1995
heeft gedaagde de aan appellante toegekende uitkeringen ingevolge de AAW
en de WAO per 15 februari 1995 ingetrokken. Aan dat besluit lag het
standpunt ten grondslag dat appellante met ingang van die datum in staat
werd geacht met haar voorgehouden functies een zodanig inkomen te
verwerven dat geen sprake meer was van een voor de toepassing van de AAW
en de WAO relevant verlies aan verdienvermogen.
Namens appellante is tegen genoemd besluit van 23 januari 1995 beroep
ingesteld. Daarbij is tevens (onder meer) verzocht om een veroordeling
tot vergoeding van de schade bestaande uit de wettelijke
vertragingsrente ex artikel 7A:1638q (oud) BW en de wettelijke rente over de suppletie van
de uitkering tot 100% van het loon, welke suppletie de werkgever
krachtens de toepasselijke (algemeen verbindend verklaarde) CAO in geval
van arbeidsongeschiktheid verschuldigd is.
Bij brief van 17 april 1996 heeft gedaagde medegedeeld dat het bestreden
besluit van 23 januari 1995 werd ingetrokken en dat is besloten om
appellante op en na 15 februari 1995 vooralsnog onveranderd voor 80 tot
100% arbeidsongeschikt te beschouwen.
Hierop heeft de gemachtigde van appellante aan de rechtbank bij brieven
van 1 mei 1996 en 26 mei 1997 laten weten dat hij het beroep niet
introk, omdat de rechtbank tevens was gevraagd om gedaagde te
veroordelen tot betaling van de vertragingsrente en wettelijke rente
over de loonsuppletie.
In juli 1996 heeft de (toenmalige) werkgever van appellante de hiervoor
bedoelde suppletie op de uitkering over de periode van 15 februari 1995
tot 21 augustus 1995 ten bedrage van f 6.735,64 (bruto) alsnog aan
appellante betaald.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 13
augustus 1997 het besluit van 23 januari 1995 vernietigd. Tevens heeft
de rechtbank bij die uitspraak het verzoek om schadevergoeding ter zake
van genoemde suppletie afgewezen. Daartoe is in de aangevallen uitspraak
onder meer het volgende overwogen:
"Partijen worden nog verdeeld gehouden door het antwoord op de
vraag of verweerder de wettelijke vertragingsrente ex artikel 1638q van
het BW en de wettelijke rente over de door de werkgever nabetaalde
aanvulling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering die de werkgever op
grond van de geldende Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) gedurende
maximaal 24 maanden verschuldigd is, dient te vergoeden."
en
"Met de vernietiging van het besluit van 23 januari 1995 staat
daarmee tussen partijen rechtens vast dat verweerder jegens eiseres een
hem toe te rekenen onrechtmatige daad heeft gepleegd.
Op grond van artikel 98 van Boek 6 van het BW komt slechts die schade
voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met de
gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat
zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade,
als gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
De thans door eiseres gevorderde schadevergoeding komt niet voor
toewijzing in aanmerking.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de in artikel 1638q van het BW
opgenomen aanspraak van de werknemer op een verhoging wegens vertraagde
loonbetaling slechts geldt tegenover de werkgever indien de
niet-betaling aan de werkgever is toe te schrijven. Daarvan is in casu
geen sprake geweest.
Voorts is verweerder geen partij bij de (collectieve)
arbeidsovereenkomst waarin de voor eiseres geldende arbeidsvoorwaarden
zijn vastgelegd. De gestelde schade, ontstaan doordat de werkgever eerst
tot (verdere) suppletie overging nadat was gebleken dat eiseres
onverminderd recht heeft op een AAW/WAO-uitkering, staat in een te ver
verwijderd verband tot het onrechtmatig handelen van verweerder."
Appellante kan zich met dit onderdeel van de aangevallen uitspraak niet
verenigen. In het beroepschrift is het standpunt van appellante als
volgt samengevat:
"Als gevolg van de beslissing heeft cliënte te laat de suppletie
ontvangen. Dit is een rechtstreeks gevolg van de beslissing, voor zover
daarin werd vastgesteld dat cliënte niet langer arbeidsongeschikt is.
Verweerder is gehouden de wettelijke rente over deze nabetaling bij
wijze van schadevergoeding aan cliënte te voldoen. De rechtbank heeft
deze vordering ten onrechte afgewezen.
Bij te late loonbetaling kent de wet een gefixeerd schadebedrag.
Werkgever heeft niet onrechtmatig gehandeld door de suppletie niet
langer uit te betalen, toen cliënte niet meer arbeidsongeschikt werd
geacht. Het feit, dat cliënte onder deze omstandigheden tegenover
werkgever geen recht kan doen gelden op vergoeding van de
vertragingsrente is een gevolg van de genomen beslissing. Verweerder is
aansprakelijk voor het feit, dat cliënte tegenover werkgever geen
aanspraak kan maken op vergoeding van de vertragingsrente. Zij dient
deze rente dan ook aan cliënte te vergoeden. Ook dat onderdeel van de
vordering is door de rechtbank ten onrechte afgewezen.
Op grond van bovenstaande verzoekt cliënte Uwe Raad de uitspraak te
vernietigen, voor zover bovengenoemde vorderingen van cliënte daarin
zijn afgewezen en, opnieuw recht doende, verweerder te veroordelen:
primair tot betaling van de wettelijke vertragingsrente ex artikel
7:625 BW alsmede de wettelijke rente over de nabetaalde aanvulling van
de uitkering, subsidiair: verweerder te veroordelen tot betaling van de wettelijke
rente over de nabetaalde aanvulling, te rekenen vanaf het moment, dat de
aanvulling bij voortdurende arbeidsongeschiktheid opeisbaar was."
De Raad overweegt als volgt.
Voorop gesteld dient te worden dat de gestelde vermogensschade is
opgetreden in een situatie dat appellante zich volledig
arbeidsongeschikt achtte en om die reden het besluit van gedaagde,
waarbij haar arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden ingetrokken, bij
de bestuursrechter aanvocht. Daarbij is de (toenmalige) werkgever van
appellante aanvankelijk niet tot uitbetaling van de in de toepasselijke
CAO vastgelegde aanvulling op die uitkeringen overgegaan. Eerst nadat
gedaagde het bestreden besluit had ingetrokken en gedaagde appellante
alsnog per 15 februari 1995 volledig arbeidsongeschikt achtte, is hij
tot betaling van genoemde aanvulling overgegaan. Voorts is niet gesteld
of gebleken dat appellante (gerechtelijke) stappen heeft ondernomen om
de (toenmalige) werkgever tot uitbetaling van bedoelde aanvulling te
bewegen. Dit samenstel van door gedaagde, appellante en haar werkgever
genomen beslissingen heeft ertoe geleid dat appellante eerst in juli
1996 bedoelde aanvulling van haar (toenmalige) werkgever heeft ontvangen
en zij door de vertraagde voldoening van die geldsom de gestelde schade
heeft geleden.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, wordt volgens inmiddels vaste
jurisprudentie van de Raad bij de beoordeling van een verzoek als het
onderhavige om veroordeling tot vergoeding van gestelde geleden schade
als gevolg van een vernietigd besluit zoveel mogelijk aansluiting
gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. In het civiele
recht geldt dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in
zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van
de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de
aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die gebeurtenis
kan worden toegerekend.
In het kader van de toepassing van artikel 8:73 van de Awb betekent dit
dat, wil een verzoek om schadevergoeding voor inwilliging in aanmerking
komen, de gestelde schade in zodanig verband moet staan met het
vernietigde besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van
de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit
kan worden toegerekend. Bij de beoordeling of toegerekend moet worden
acht de Raad ook de aard en de strekking van het vernietigde besluit een
relevante factor.
In het onderhavige geval ziet de Raad zich derhalve gesteld voor de
vraag of de door appellante gestelde schade binnen het hiervoor
geschetste samenstel van beslissingen kan worden toegerekend aan
gedaagdes vernietigde besluit van 23 januari 1995.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Hierbij acht de Raad van
doorslaggevende betekenis dat het vernietigde besluit naar zijn aard en
strekking slechts ziet op appellantes aanspraak op uitkeringen krachtens
de AAW en de WAO jegens gedaagde. De Raad vermag dan ook niet in te zien
waarom aan dat besluit relevante betekenis toekomt voor de -
(financiële)
gevolgen van - door appellante en haar werkgever in het kader van hun
arbeidsrechtelijke relatie genomen beslissingen. In die
arbeidsrechtelijke relatie komen aan appellante en haar werkgever eigen
verantwoordelijkheden toe met betrekking tot de voor hen bestaande
rechten en verplichtingen. De Raad ziet derhalve niet in dat een in
rechte relevant causaal verband tussen de gestelde vermogenschade en het
vernietigde besluit van 23 januari 1995 kan worden aangenomen.
Nu de Raad derhalve van oordeel is dat de aan de orde zijnde schade niet
aan het vernietigde besluit dient te worden toegerekend, komt de Raad
niet meer toe aan de vraag hoe deze schade nader dient te worden bepaald
en in het bijzonder niet aan de vraag of artikel 7A:1638q (oud) BW
daarbij van betekenis is.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank terecht heeft
geoordeeld dat het verzoek van appellante om schadevergoeding dient te
worden afgewezen.
Omdat de Raad geen termen ziet om toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt dan ook beslist
als hierna aangegeven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden in
tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en in het openbaar
uitgesproken op 11 februari 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) J.D.
Streefkerk.
|
|