|
Uitspraak
97/7527
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 19 mei 1995 heeft gedaagde met toepassing van artikel 33
van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) over het tijdvak van 1
augustus 1993 tot en met 31 december 1993 een korting toegepast op
appellants naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%
berekende uitkering ingevolge die wet, aldus dat die uitkering over
genoemd tijdvak niet tot uitbetaling kwam. Gedaagde heeft daarbij
overwogen dat appellant werkzaamheden verricht waarvan niet vaststaat of
appellant de inkomsten daaruit duurzaam zal kunnen verwerven.
De rechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak van 30 juni 1997 het
beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar die uitspraak wordt
hierbij verwezen.
Namens appellant is ing. W.K. van der Veen, sociaal economisch
voorlichter bij de Fries-Flevolandse Land- en Tuinbouworganisatie te
Leeuwarden, op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in
hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 november 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. L. Dijkstra, werkzaam bij de afdeling juridische zaken van de
Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie te Leeuwarden, terwijl
gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Kraayeveld,
werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Appellant, geboren in 1952, was vanaf 1970 tot eind 1980 werkzaam als
agrarisch medewerker in de melkveehouderij van zijn vader en zijn oom,
die dit bedrijf in maatschapsverband exploiteerden onder de naam
Gebroeders X. Het bedrijf werd gepacht. Na het overlijden van de oom in
1978, werd diens echtgenote rechtsopvolgster in de maatschap.
Op 20 november 1980 hebben appellants vader en zijn tante het bedrijf in
verpachte staat gekocht. Het pachtersvoordeel, zijnde het verschil
tussen de waarde van een vrij op te leveren onroerende zaak op de vrije
markt en de waarde van die zaak onder voortduring van de
pachtovereenkomst, werd vastgesteld op f 180.456,-. Appellant heeft
vervolgens zijn vaders deel van het bedrijf gekocht. Appellant heeft
voor het pachtersvoordeel niets hoeven te betalen aan zijn vader. Zijn
vader heeft geen inkomstenbelasting over dit pachtersvoordeel hoeven te
betalen.
Van zijn tante heeft appellant ook een deel van het door haar gekochte
bedrijf gekocht. Daarvoor heeft hij de vrijemarktwaarde moeten
betalen. Het resterende deel van het aandeel van appellants tante is aan
derden verkocht, ook voor de vrijemarktwaarde.
Op 30 januari 1972 heeft appellant een auto-ongeluk gehad, tengevolge
waarvan hij blijvende klachten heeft aan de rechter enkel.
Op 14 november 1975 heeft appellant een AAW-uitkering aangevraagd wegens
een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid per 30 januari 1972. Bij besluit
van 29 december 1976 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1
oktober 1976 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Bij het in rubriek I vermelde bestreden besluit heeft gedaagde op basis
van de door appellant gerealiseerde bedrijfswinst over het jaar 1993 met
ingang van 1 augustus 1993 onder toepassing van de sedert die datum van
kracht zijnde nieuwe kortingsregeling als neergelegd in artikel 33 van
de AAW, appellants uitkering over het tijdvak van 1 augustus 1993 tot en
met 31 december 1993 op nihil gesteld, onder overweging dat niet
vaststaat dat appellant die inkomsten duurzaam zal kunnen verwerven.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
Namens appellant is in beroep aangevoerd, dat gedaagde bij de berekening
van het maatmaninkomen rekening had dienen te houden met het feit dat
hij door zijn ouders voor zijn werkzaamheden volgens afspraak altijd
lager is beloond dan reëel zou zijn geweest. Hierdoor kon het bedrijf
investeren en schulden aflossen. Ter compensatie hiervan heeft appellant
naar zijn zeggen uiteindelijk het bedrijf met een pachtersvoordeel van f
180.456,- kunnen overnemen. Volgens appellant is sprake van uitgesteld
loon, dat 10 jaar lang niet is uitbetaald. Door dit bedrag, verdeeld
over 10 jaren, niet mee te nemen bij de berekening van appellants
maatmaninkomen, is gedaagde op een lager maatmaninkomen uitgekomen dan
voor appellant reëel zou zijn, aldus appellant.
Gedaagde is van mening dat bij de vaststelling van het maatmaninkomen
moet worden uitgegaan van het werkelijk verdiende inkomen voorafgaande
aan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Het door appellant geclaimde
pachtersvoordeel kan volgens gedaagde niet worden betrokken bij de
berekening van het maatmaninkomen.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of gedaagde terecht het
pachtersvoordeel ad f 180.456,- bij de vaststelling van het
maatmaninkomen buiten aanmerking heeft gelaten.
De Raad, zich beperkend tot dit geschilpunt, beantwoordt deze vraag,
evenals de rechtbank, bevestigend.
De Raad stelt voorop dat doel en strekking van de AAW zijn een
verzekering te bieden voor de derving van inkomsten als gevolg van
ziekte of gebrek in de zin van de AAW.
De Raad laat hier in het midden of reeds ten tijde van het intreden van
appellants arbeidsongeschiktheid, op 30 januari 1972, een afspraak over
het genieten van het pachtersvoordeel als door appellant is gesteld,
tussen appellant en zijn ouders was gemaakt. Voorts laat de Raad daar of
op dat moment al voldoende zeker was dat appellant het pachtersvoordeel
ook feitelijk zou kunnen genieten, nu het realiseren daarvan afhankelijk
was van diverse niet door appellant of zijn ouders te beïnvloeden
factoren.
Ook indien bedoelde afspraak reeds zou zijn gemaakt en voorzienbaar was
dat deze zou worden geëffectueerd, moet de Raad vaststellen dat
appellant eind 1980, ten tijde van de overname van de bedrijfsonderdelen
van zijn vader, het voordeel ten volle heeft genoten.
Gelet hierop moet worden geoordeeld dat meergenoemd pachtersvoordeel op
de datum in geding, 1 augustus 1993, geen inkomensbestanddeel vormde dat
tengevolge van ziekte of gebrek werd gederfd en dat dit voordeel
derhalve buiten beschouwing dient te blijven bij de vaststelling van de
mate van arbeidsongeschiktheid van appellant.
Nu de Raad ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit op
een ondeugdelijke arbeidskundige grondslag berust - van de zijde van
appellant is dienaangaande bovendien niets aangevoerd - volgt uit het
vorenstaande dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat de
aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21
december 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|