|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 96/11016 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 13 februari 1995 heeft gedaagde de aan appellant
krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 1 maart 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 22
oktober 1996 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 10 juli 1997 heeft gedaagde een nadere berekening van de
voor appellant geldende resterende verdiencapaciteit in het geding
gebracht.
Desgevraagd heeft de orthopedisch chirurg dr. R.M. Bloem onder
dagtekening 25 juni 1998 van verslag en advies gediend.
Appellant heeft bij brief van 30 september 1998 een brief gedagtekend 25
februari 1998 van de neuroloog dr. E. Siebenga in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 oktober
1998, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A.B. Vogt, werkzaam bij SFB
Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Ter voortzetting van het onderzoek heeft de Raad bij brief van 11
november 1998 aan de neuroloog dr. J. van Rossum verzocht van verslag en
advies te dienen.
Deze deskundige heeft zijn rapport op 8 december 1998 ingezonden.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19
februari 1999. Appellant is daar in persoon verschenen, terwijl gedaagde
zich, met voorafgaand bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.
Na de behandeling van die zitting van de Raad is wederom gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Vervolgens heeft de Raad, na daartoe van partijen verkregen
toestemming, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft en
heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de feiten en
omstandigheden die de rechtbank blijkens rubriek 3 van de aangevallen
uitspraak als vaststaande heeft aangenomen en waarvan de juistheid niet
door partijen is bestreden.
De rechtbank heeft de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden bevestigend beantwoord.
Appellant heeft in de eerste plaats een aantal grieven van medische aard
naar voren gebracht. Samengevat acht hij het aan het bestreden besluit
ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet met de
vereiste zorgvuldigheid verricht omdat hij naar zijn zeggen niet is
onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige. Uit hetgeen daaromtrent in
hoger beroep door appellant naar voren is gebracht leidt de Raad voorts
af dat appellant de bij hem vastgestelde beperkingen voor het verrichten
van arbeid onderschat acht door gedaagde.
Met betrekking tot de bezwaren van appellant, betrekking hebbend op de
medische aspecten van de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
overweegt de Raad in de eerste plaats dat de gedingstukken geen steun
bieden aan appellants stelling dat hij niet is onderzocht door de
verzekeringsgeneeskundige die gedaagde heeft geadviseerd.
Voorts kan de Raad appellant niet volgen in zijn standpunt dat zijn
beperkingen voor het verrichten van arbeid door gedaagde zijn
onderschat.
De Raad kent te dien aanzien doorslaggevende betekenis toe aan het
oordeel daaromtrent van de door de Raad ingeschakelde deskundigen. De
orthopedisch chirurg dr. R.M. Bloem constateert in zijn rapport d.d. 25
juni 1998 dat appellant een objectiveerbare discopathie op niveau L2-L3
en L5-S1 heeft met waarschijnlijk een doorgemaakte HNP. Hij kan zich
verenigen met het door de verzekeringsgeneeskundige ten aanzien van
appellants belastbaarheid opgestelde belastbaarheidspatroon. Deze
deskundige heeft voorts geen bezwaren tegen de arbeidsmogelijkheden die
ten aanzien van appellant door een, gedaagde adviserende,
arbeidsdeskundige zijn geselecteerd. De neuroloog dr. J. van Rossum komt,
blijkens zijn rapport d.d. 8 december 1998 aan de Raad, tot bevindingen
die in overeenstemming zijn met die van de orthopedisch chirurg dr. R.M.
Bloem. Ook de deskundige dr. J. van Rossum kan zich met het bedoelde
belastbaarheidspatroon verenigen evenals met de ten aanzien van
appellant geselecteerde arbeidsmogelijkheden.
Hetgeen appellant ten aanzien van zijn gezondheidstoestand op de datum
hier in geding naar voren heeft gebracht, heeft de Raad geen aanleiding
gegeven voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen en conclusies
van de genoemde deskundigen.
Voorts is de Raad van oordeel dat appellant met zijn krachten en
bekwaamheden in staat is tot het verrichten van de werkzaamheden,
verbonden aan de te zijnen aanzien geselecteerde functies.
De Raad is, het geheel van de gedingstukken overziende en gelet op het
verhandelde te zijner zittingen, van oordeel dat het bestreden besluit
op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust.
De Raad heeft voorts in hetgeen daaromtrent door appellant is aangevoerd
geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van de door de
arbeidskundige in zijn rapport d.d. 3 oktober 1994 gedane mededeling dat
drie met name genoemde functies met appellant zijn besproken. De
betreffende functies zijn voorts vermeld in de brief d.d. 22 december
1994 van die arbeidsdeskundige aan appellant. Appellants klacht dat
gedaagde te kort is geschoten in de jegens hem, appellant, te betrachten
zorgvuldigheid moet dan ook falen.
Ten slotte heeft appellant naar voren gebracht dat gedaagde hem ten
onrechte niet binnen een jaar na toekenning van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen herbeoordeeld heeft. Appellant stelt
zich in dit verband op het standpunt dat zijn dienstbetrekking mede is
beλindigd omdat zijn werkgever hem gedurende twee jaar volledig
arbeidsongeschikt achtte.
De Raad overweegt dat gedaagde appellant bij besluit d.d. 21 september
1993, na hem over de maximale periode voor ziekengeld in aanmerking te
hebben gebracht, met ingang van 13 september 1993 uitkeringen ingevolge
de AAW en de WAO toegekend heeft.
Ingevolge de artikelen 26, tweede lid, van de AAW en 36, tweede lid, van
de WAO had gedaagde, nu appellant niet behoort tot de uitgezonderde
groepen als bedoeld in het derde lid, van die bepalingen, binnen een
jaar na 13 september 1993 moeten bezien of er gronden aanwezig zijn voor
herziening of intrekking van de aan appellant met ingang van 13
september 1993 toegekende uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO.
Gedaagde heeft deze voorschriften, die dwingendrechtelijk van aard zijn,
niet nageleefd. Het bestreden besluit kan dan ook, als te zijn genomen
in strijd met de artikelen 26, tweede lid, van de AAW en 36, tweede lid,
van de WAO, niet in rechte stand houden. Ook de aangevallen uitspraak
waarbij appellants beroep ongegrond is verklaard komt voor vernietiging
in aanmerking.
Nu de Raad gezien het voorgaande van oordeel is dat appellants
arbeidsongeschiktheidsuitkeringen door gedaagde terecht zijn herzien als
in het bestreden besluit heeft plaatsgevonden, acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde
besluit geheel in stand blijven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het in eerste aanleg tegen het bestreden besluit gerichte
beroep alsnog gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in
stand blijven;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 200,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van mr. B.
Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober
1999.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) B. Fijnheer.
|
|