|
Uitspraak
97/11741
AAW/WAO en 98/1215 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij brief van 9 december 1994 heeft de Stichting Sociaal Fonds
Bouwnijverheid appellant het volgende medegedeeld. "Het is gebleken
dat uw aanvraag om een uitkering krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en/of de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), niet bij de Bedrijfsvereniging
voor de Bouwnijverheid thuishoort. Wij hebben uw aanvraag derhalve
doorgestuurd naar BV GAK. Zij kunnen u omtrent uw aanvraag nader
inlichtingen."
Bij brief van 18 juli 1995 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat
hij bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid geen aanspraak kan
maken op een uitkering krachtens de AAW/WAO omdat uit medisch onderzoek
is gebleken dat zijn arbeidsongeschiktheid reeds op 9 april 1973 is
aangevangen, op welk moment hij niet verzekerd was bij de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid.
De rechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 3 november 1997 het
beroep van appellant tegen het schrijven van 9 december 1994 ongegrond
verklaard en het beroep tegen het schrijven van 18 juli 1995
niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant is mr. J.F.C. Eliëns, advocaat te Geleen, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger
beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 1999,
waar voor appellant is verschenen mr. Eliëns voornoemd, terwijl gedaagde
- zoals aangekondigd - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad neemt bij zijn oordeelsvorming de volgende feiten als
uitgangspunt.
Appellant, geboren in 1952, is op 9 april 1973 ten tijde van zijn
vervulling van de militaire dienstplicht een bromfietsongeval overkomen.
In de periode van 9 april 1973 tot 9 mei 1973 is hij opgenomen geweest
in het ziekenhuis in verband met een contusio cerebri en fractura cranii.
Na volbrenging van zijn dienstplicht op 28 juni 1973 is appellant tot 13
augustus 1973 werkloos geweest. Met ingang van die datum heeft hij tot
mei 1974 als meubelmaker in het bedrijf van zijn vader gewerkt. In de
periode van 20 december 1973 tot 14 januari 1974 is appellant in het
ziekenhuis opgenomen geweest in verband met wegrakingen.
Vanaf juni 1974 heeft appellant over de maximale termijn uitkering
krachtens de Ziektewet ontvangen en in aansluiting daarop een uitkering
ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%. Deze uitkering is bij beslissing van 14 april 1978 met
ingang van 1 maart 1978 ingetrokken. De Raad van Beroep te Roermond
heeft bij uitspraak van 13 maart 1979 het door appellant tegen die
beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft appellant van 1 maart 1978 tot en met 2 juni 1980
uitkering krachtens de Wet Werkloosheidsvoorziening genoten. Met ingang
van 3 juni 1980 is appellant als timmerman gaan werken bij bouwbedrijf X
te Y. Van 10 oktober 1980 tot 29 oktober 1980 heeft appellant ziekengeld
ontvangen. Met ingang van laatstgenoemde datum is hij hersteld
verklaard. Na die periode heeft appellant niet meer gewerkt; met ingang
van 28 januari 1981 is hij ontslagen en daarna heeft hij, na een periode
van detentie, uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling Werkloze
Werknemers genoten.
Op 2 juni 1993 heeft appellant een aanvraag om arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend. Hij heeft daarbij aangegeven sedert 4
januari 1981 arbeidsongeschikt te zijn. Naar aanleiding van die aanvraag
heeft de Gemeenschappelijk Medische Dienst geadviseerd appellant
ingaande 8 april 1974 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt te beschouwen,
terwijl appellant alsdan onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is
geweest.
Vervolgens heeft appellant de in rubriek I vermelde brieven van 9
december 1994 en 18 juli 1995 ontvangen, waartegen hij beroep heeft
laten instellen.
De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat de brief van 9
december 1994 gelet op bewoording en inhoud is aan te merken als een
besluit als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) omdat er sprake is van een definitieve afwijzing van
een aanvraag. De brief van 18 juli 1995 is naar het oordeel van de
rechtbank niet gericht op enig ander zelfstandig rechtsgevolg dan reeds
was beoogd met de als besluit aangemerkte brief van 9 december 1994. Om
die reden heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het
schrijven van 18 juli 1995 niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft voorts ten aanzien van het beroep van appellant
overwogen dat zij op grond van de beschikbare medische gegevens, waarvan
in het bijzonder het rapport van 2 april 1997 van de zenuwarts dr. F.H.M.
van der Maessen de Sombreff, bezien in samenhang met de overige
gedingstukken, aanneemt dat ten aanzien van appellant reeds op 9 april
1973 (psychische) medische beperkingen waren aan te geven waardoor hij
toen (grotendeels) arbeidsongeschikt was. Nadien zijn die beperkingen
naar het oordeel van de rechtbank toegenomen en, met name in het begin
van de jaren tachtig, zijn daar nog lichamelijke beperkingen bij gekomen
en is appellant in of na de jaren 1981 en 1982 volledig
arbeidsongeschikt geworden.
De Raad ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de rechtbank
terecht de brief van 9 december 1994 heeft aangemerkt als een besluit in
de zin van artikel 1:3 van de Awb en of zij terecht het beroep van
appellant tegen de brief van 18 juli 1995 niet-ontvankelijk heeft
verklaard.
Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de brief van 9
december 1994 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Awb waartegen ingevolge artikel 8:1 van die wet
beroep openstond. Naar het oordeel van de Raad is die brief naar vorm en
inhoud niet anders te beschouwen dan als een mededeling van de
administrateur van gedaagde dat de aanvraag van appellant werd
doorgeleid naar de volgens die administratie juiste administrateur van
een andere bedrijfsvereniging. Van enige (beoogde) bindende vaststelling
van de rechtsverhouding tussen appellant en gedaagde door een
bestuursorgaan is naar het oordeel van de Raad geen sprake. In dit
verband wijst de Raad er nog op dat de brief van 9 december 1994 ook
niet door of namens gedaagde is ondertekend, maar uitsluitend door een
beambte van de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid, daarmee kennelijk
handelend namens die stichting. Dit betekent dat de rechtbank zich
onbevoegd had dienen te verklaren om kennis te nemen van het beroep van
appellant tegen de brief van 9 december 1994.
De brief van 18 juli 1995 is naar het oordeel van de Raad wel aan te
merken als een besluit in de zin van de Awb. Gedaagde heeft daarbij de
rechtsverhouding tussen gedaagde en appellant bindend vastgesteld in die
zin dat appellant aanspraak tegenover gedaagde op uitkeringen ingevolge
de AAW en de WAO is ontzegd op de grond dat appellant ten tijde van het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid, naar gedaagdes oordeel op 9
april 1973, niet verzekerd was bij de Bedrijfsvereniging voor de
Bouwnijverheid. Ten onrechte heeft de rechtbank het beroep van appellant
tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard. Hieruit volgt dat de
aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Aangezien de rechtbank
zich -zij het in het kader van zijn beoordeling van de brief van 9
december 1994- reeds heeft uitgelaten over de inhoudelijke aspecten van
hetgeen partijen verdeeld houdt en partijen ruimschoots in de
gelegenheid zijn geweest hun standpunten toe te lichten, behoeft de zaak
naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank.
Hij zal thans overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het beroep
van appellant tegen dit besluit.
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag met ingang
van welke datum appellants arbeidsongeschiktheid is ingetreden.
De Raad overweegt het volgende.
Appellant heeft vanaf medio 1974 een uitkering ingevolge de WAO
ontvangen, welke bij beslissing van 14 april 1978 met ingang van 1 maart
1978 werd ingetrokken. Voorafgaand aan die beslissing heeft appellant
een onderzoek door de Gemeenschappelijke Medische Dienst ondergaan en is
hij onderzocht door de zenuwarts F.H.M. van der Maessen de Sombreff.
Deze arts achtte appellant blijkens diens rapport van 3 maart 1977
volledig arbeidsgeschikt met uitzondering van chaufferen, bedienen van
gevaarlijke machines en werken geëxponeerd op hoogte. Evengenoemde
intrekkingsbeslissing is door de Raad van Beroep bij uitspraak van 13
maart 1979 bevestigd op grond van de bevindingen en conclusies van de
door die Raad geraadpleegde deskundige J.G. Wegdam die het dossier,
alsmede informatie van de behandelend artsen, had bestudeerd. Na 1 maart
1978 heeft appellant nog een werkloosheidsuitkering ontvangen en enkele
maanden gewerkt. Na een korte periode van ziekte bij zijn toenmalige
werkgever is appellant ingaande 29 oktober 1980, naar de Raad aanneemt
na een medische beoordeling, weer in staat geacht zijn werkzaamheden te
verrichten.
Wanneer een verzekerde, zoals in het onderhavige geval, aangeeft
arbeidsongeschikt te zijn geworden op een datum, gelegen na die met
ingang van welke zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering(en) bij een in
rechte onaantastbaar geworden beslissing is of zijn ingetrokken, dienen
er voldoende concrete, eenduidige gegevens te zijn om, met voorbijgaan
aan het standpunt van de verzekerde en de in rechte onaantastbaar
geworden intrekking, tot het oordeel te kunnen komen dat de
arbeidsongeschiktheid reeds voor die datum is ingetreden en nadien heeft
voortbestaan.
Naar het oordeel van de Raad liggen zulke gegevens niet ten grondslag
aan het besluit van gedaagde van 18 juli 1995. De
verzekeringsgeneeskundigen die naar aanleiding van de aanvraag van
appellant hebben gerapporteerd, zijn blijkens hun rapporten niet
eenduidig in hun beschouwingen en conclusies. De
verzekeringsgeneeskundige M. Sprooten-van Hoof, wier rapport van 13
oktober 1994 tot het bestreden besluit heeft geleid, heeft op grond van
de toestand van appellant in 1994, in relatie tot uitsluitend een
rapport van 15 december 1975 van de zenuwarts S. Pruyt, geoordeeld dat
appellant reeds op 9 april 1973 volledig arbeidsongeschikt was. Hierbij
is deze verzekeringsgeneeskundige zonder inzichtelijke motivering
voorbijgegaan aan de overige medische gegevens waaronder de
eerdergenoemde rapporten van de artsen Van der Maessen de Sombreff en
Wegdam, die nu juist, anders dan de zenuwarts Pruyt en ná diens
rapport, een onderzoek speciaal naar het bestaan van
arbeidsongeschiktheid in de zin van de AAW en de WAO bij appellant
hebben verricht. Aan bovenvermelde voorwaarde is derhalve niet voldaan.
Anders dan de rechtbank, is de Raad evenmin van oordeel dat op grond van
het rapport van 2 april 1997 van de zenuwarts-psychiater F.H.M. van der
Maessen de Sombreff de conclusie gerechtvaardigd is dat de
arbeidsongeschiktheid van appellant reeds op 9 april 1973 is ingetreden.
Aangezien deze deskundige twijfel uit over de van toepassing zijnde
diagnose en niet stellig is in zijn antwoord of appellant sinds 9 april
1973 duurzaam buiten staat is geweest ten gevolge van ziekte of gebrek
loonvormende arbeid te verrichten, is voor de Raad onvoldoende
aannemelijk geworden dat, met voorbijgaan aan bovenvermelde in rechte
onaantastbaar geworden uitspraak van de Raad van Beroep, appellant
ingaande 9 april 1973 arbeidsongeschikt is geworden en nadien is
gebleven.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit van 18 juli 1995 op een
ondeugdelijke motivering berust en wegens strijd met artikel 3:46 van de
Awb voor vernietiging in aanmerking komt.
Uit het rapport van de deskundige Van der Maessen de Sombreff acht de
Raad van belang het oordeel dat voor appellant tot omstreeks 1981
resocialisatie en arbeidshervatting misschien nog als een reële
mogelijkheid beschouwd moesten worden, die slechts door gebrek aan
medewerking en inzet van betrokkene niet konden worden gerealiseerd en
dat er pas in of na de jaren 1981-1982 een (volledige)
arbeidsongeschiktheid door ziekte bestond, welke appellant niet meer kon
beïnvloeden.
Op grond hiervan acht de Raad het aangewezen dat gedaagde naar
aanleiding van de aanvraag van appellant onderzoekt of bij appellant in
of na de jaren 1981-1982 arbeidsongeschiktheid is ingetreden, en zo ja,
of deze onafgebroken 52 weken heeft voortgeduurd en na afloop van die
periode nog steeds bestond.
Uit al hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen volgt dat de aangevallen
uitspraak dient te worden vernietigd. De Raad zal doen hetgeen de
rechtbank had behoren te doen, namelijk de rechtbank onbevoegd verklaren
kennis te nemen van het beroep tegen de brief van 9 december 1994 en
-aangezien het besluit van 18 juli 1995 niet in rechte stand houdt- dit
besluit vernietigen. Voorts zal de Raad gedaagde opdragen een nieuw
besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is
overwogen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand in
beroep en f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd
en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de rechtbank onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de
brief van 9 december 1994;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 18 juli 1995 gegrond en
vernietigt dat besluit;
Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.775,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.420,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 210,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.W.A.
van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 november
1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) P.W.A. van Geloven.
|
|