|
Uitspraak
97/1677 AAW/WAO, 97/1678 AAW/WAO, 97/1877 AAW/WAO en 97/1878 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, hierna: betrokkene,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hierna: het Lisv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel,- Restaurant-, Café-,
Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uitspraak wordt onder het
Lisv tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 3 juli 1995 heeft het Lisv de uitkeringen van betrokkene
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met
ingang van 1 augustus 1995 ingetrokken, onder overweging dat de mate van
haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Bij besluit van 2 augustus 1996 heeft het Lisv het besluit van 3 juli
1995 ingetrokken en vervolgens de AAW-uitkering van betrokkene met
ingang van 1 augustus 1995 ingetrokken en haar WAO-uitkering met ingang
van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De rechtbank te Rotterdam heeft het beroep van betrokkene tegen het
besluit van 3 juli 1995 mede gericht geacht tegen het besluit van 2
augustus 1996 en bij uitspraak van 28 januari 1997 het beroep tegen
beide besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, het Lisv
veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van f 1.420,- en bepaald dat
het Lisv aan betrokkene het gestorte griffierecht van f 50,- vergoedt.
Partijen zijn beide op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden
van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Partijen hebben een verweerschrift ingediend.
Het Lisv heeft naar aanleiding van het verweerschrift van betrokkene van
repliek gediend.
Het Lisv heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 14 september 1999, waar partijen - het Lisv met bericht - niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van
betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 mede gericht geacht tegen
het besluit van 2 augustus 1996. De rechtbank heeft het beroep van
betrokkene tegen het besluit van 3 juli 1995 gegrond verklaard en dat
besluit vernietigd, omdat het Lisv te kennen had gegeven dat besluit
niet te handhaven.
De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het besluit van 2
augustus 1996 eveneens gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen waarbij betrokkene als
eiseres is aangeduid en het Lisv als verweerder:
"Ten aanzien van het eerste aspect constateert de rechtbank dat
eiseres is onderzocht door de verzekeringsgeneeskundige die verweerder
in zaken als de onderhavige adviseert. Naar aanleiding hiervan is een
zogenaamd belastbaarheidspatroon opgesteld, waarin de medische
beperkingen zijn omschreven. Dit belastbaarheidspatroon bevindt zich
onder de gedingstukken en is gedateerd 8 mei 1995.
De rechtbank ziet geen reden om de bevindingen van de
verzekeringsgeneeskundige voor onjuist te houden, nu geen informatie van
medische aard - bijvoorbeeld afkomstig uit de behandelend sector - is
overgelegd die een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van
eiseres per 1 augustus 1995 en de beperkingen die hieruit voortvloeien
voor het verrichten van arbeid. In dit kader acht de rechtbank het mede
van belang dat de verzekeringsgeneeskundige bij het vormen van zijn
oordeel informatie heeft ingewonnen bij de behandelend longarts van
eiseres. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gezien het advies
van een medisch deskundige in te winnen en is niet tot de conclusie
gekomen dat verweerder de beperkingen van eiseres niet correct heeft
vastgesteld.
Ten aanzien van het tweede aspect is verweerder, mede gelet op het
oordeel van de arbeidsdeskundige, van mening dat eiseres, rekening
houdend met haar beperkingen, met ingang van 1 augustus 1995 in staat is
gangbare arbeid te verrichten. Bij wijze van voorbeeld van dergelijke
gangbare arbeid heeft de arbeidsdeskundige blijkens diens rapport van 17
mei 1995 aan eiseres een aantal voltijdfuncties geduid. De rechtbank
volgt verweerder in diens oordeel dat de aan deze functies verbonden
arbeid gangbaar is en voor de bekwaamheden van eiseres is berekend.
Tussen partijen is niet in geding dat eiseres in de maatmanarbeid
parttime werkzaam was met een minimum van 11 uur per week.
Desgevraagd heeft verweerder in zijn brief van 24 oktober 1996
aangegeven dat de geduide functies parttime vervulbaar zijn. Ter
ondersteuning van dit standpunt heeft de arbeidsdeskundige van
verweerder twee arbeidsmogelijkhedenlijsten van onderscheidenlijk 12
augustus 1996 en 18 december 1996 overgelegd.
De rechtbank constateert dat de beide arbeidsmogelijkhedenlijsten per
geduide functie tussen de 1 en de 4 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen.
Het totaal van de arbeidsmogelijkhedenlijsten vertegenwoordigt 16
arbeidsplaatsen. Het Schattingsbesluit, zoals dit voor de datum in
geding van toepassing is, bepaalt in artikel 3 dat de geduide functies
tenminste 30 arbeidsplaatsen dienen te vertegenwoordigen. In het
onderhavige geval is daarvan geen sprake, hetgeen ook door de
gemachtigde van verweerder ter zitting is erkend.
Besluit II is dan ook in strijd met dit artikel genomen, zodat het voor
vernietiging in aanmerking komt."
Zowel betrokkene als het Lisv is van deze uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Namens betrokkene is aangevoerd dat zij zich niet kan verenigen met de
bestreden besluiten en de overwegingen in de aangevallen uitspraak
betrekking hebbend op haar medische beperkingen.
Namens het Lisv is aangevoerd dat het besluit van 2 augustus 1996 niet
in strijd is met artikel 3 van het Schattingsbesluit. In de nota van
repliek van 28 november 1997 heeft het Lisv zich, onder verwijzing naar
de uitspraak van de Raad van 20 november 1997, nummer 95/7952 AAW/WAO,
op het standpunt gesteld dat het heeft aangetoond dat de voltijdfuncties
die aan het besluit van 2 augustus 1996 ten grondslag zijn gelegd, ook
in deeltijd uitgeoefend kunnen worden.
De Raad overweegt allereerst dat de rechtbank het beroep van betrokkene
tegen het besluit van 3 juli 1995 terecht met toepassing van artikel
6:19, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht
heeft geacht tegen het besluit van 2 augustus 1996, omdat met
laatstgenoemd besluit niet geheel aan het beroep van betrokkene tegemoet
is gekomen.
Voorts overweegt de Raad naar aanleiding van het door partijen
ingestelde hoger beroep het volgende.
1. Ten aanzien van het beroep van betrokkene
Betrokkene heeft aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met de
besluiten van 3 juli 1995 en 2 augustus 1996 en met de overwegingen van
de rechtbank betrekking hebbend op haar medische beperkingen.
De Raad stelt vast dat de medische overwegingen van de rechtbank slechts
betrekking hebben op het besluit van 2 augustus 1996. Het besluit van 3
juli 1995 heeft de rechtbank vernietigd, reeds omdat het door het Lisv
niet langer werd gehandhaafd. Met betrekking tot de door betrokkene
gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank als volgt overwogen
waarbij betrokkene als eiseres is aangeduid en het Lisv als verweerder:
"De rechtbank wijst het namens eiseres gedane verzoek om verweerder
op grond van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot
vergoeding van de schade die eiseres, door niet (tijdige) uitbetaling
van de uitkeringen door verweerder lijdt, thans af, omdat (vooralsnog)
niet vaststaat of er renteschade is en zo al moet worden aangenomen dat
die er is, niet vaststaat hoe groot de omvang van die schade zal zijn.
Ter voorlichting aan partijen merkt de rechtbank, onder verwijzing naar
de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 juli 1994,
gepubliceerd in RSV 1995, nr 133, in dit verband nog op van oordeel te
zijn dat met deze afwijzing de weg naar de administratieve rechter niet
definitief is afgesloten. Het staat eiseres vrij om te zijner tijd ter
zake van de door haar verlangde vergoeding van renteschade alsnog een
besluit van het bestuursorgaan uit te lokken. Een dergelijk besluit
hangt zozeer samen met het onderhavige besluit, dat het, ertoe strekkend
om de gestelde renteschade als gevolg van het onderhavige besluit
geheel, gedeeltelijk of niet te vergoeden, als een besluit in de zin van
artikel 1:3 Awb is aan te merken."
Anders dan in beroep bij de rechtbank, waar betrokkene belang bij een
beoordeling van het door het Lisv ingetrokken besluit had behouden in
verband met haar vordering tot schadevergoeding, heeft betrokkene naar
het oordeel van de Raad thans geen belang meer bij een beoordeling van
het besluit van 3 juli 1995 in hoger beroep. Betrokkene heeft de
juistheid van de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de
vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet bestreden. Voorts
heeft betrokkene in hoger beroep geen vordering tot schadevergoeding
ingediend. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de toepassing
van artikel 8:73 van de Awb - gelet op de bewoordingen van dat artikel -
niet ambtshalve in het geding kan worden betrokken. Dit betekent dat het
hoger beroep van betrokkene tegen de uitspraak van de rechtbank, in
zoverre betrekking hebbend op het besluit van 3 juli 1995, wegens gebrek
aan belang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Ten aanzien van de bezwaren van betrokkene tegen het medische aspect
overweegt de Raad het volgende.
Betrokkene heeft in hoger beroep herhaald dat haar medische beperkingen
niet juist zijn vastgesteld en dat zij niet in staat is (het grootste
deel van) de geduide functies te vervullen. Zij heeft echter, evenals in
beroep bij de rechtbank, nagelaten ter ondersteuning van haar standpunt
medische gegevens in het geding te brengen die twijfel zouden kunnen
doen ontstaan aan de juistheid van de door de verzekeringsgeneeskundige
ten aanzien van haar vastgestelde beperkingen. De Raad heeft in de
gedingstukken, en met name het rapport van de verzekeringsarts M.
Landheer van 3 mei 1995 geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het
oordeel dat de medische beperkingen van betrokkene zijn onderschat en
dat zij niet in staat is de haar voorgehouden voltijdfuncties te
vervullen. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze
verzekeringsarts een onderzoek naar de door betrokkene gemelde klachten
heeft ingesteld en kennis heeft genomen van informatie van haar
longarts.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van betrokkene voor
zover betrekking hebbend op het besluit van 2 augustus 1996 niet slaagt.
2. Ten aanzien van het beroep van het Lisv
Zoals de rechtbank heeft vastgesteld is tussen partijen niet in geschil
dat betrokkene, voordat zij arbeidsongeschikt werd, een deeltijdfunctie
vervulde.
Zoals de Raad in zijn uitspraak van 6 april 1999, nummer 97/586 AAW/WAO,
heeft overwogen wordt met betrekking tot een deeltijdwerkende, voor wie
niet op medische gronden een urenbeperking geldt, niet de eis gesteld
dat de voorgehouden functies in exact dezelfde omvang aanwijsbaar zijn
als die waarin de maatgevende arbeid werd verricht. Wel dient vast te
staan dat de voorgehouden functies op de in geding zijnde datum in
deeltijd konden worden verricht. Van elk van de voor zulk een verzekerde
geselecteerde voltijdfuncties is het voldoende dat wordt aangetoond dat
zij op de datum in geding in een deeltijdvariant ten minste één
arbeidsplaats vertegenwoordigden, onverminderd het bepaalde in artikel 3
van het Schattingsbesluit, inhoudende dat de geselecteerde voltijd- en
deeltijdfuncties tezamen ten minste 30 arbeidsplaatsen dienen te
vertegenwoordigen.
Voor betrokkene zijn de voltijdfuncties van lampenkappenstikker (fb-code
7959), lederbewerker (fb-code 8030) en medewerker uitprijsafdeling (fb-code
9718) geselecteerd.
Teneinde aan te tonen dat de voor betrokkene geselecteerde
voltijdfuncties ook een deeltijdvariant vertegenwoordigden heeft het
Lisv in beroep bij de rechtbank een tweetal hierboven vermelde
arbeidsmogelijkhedenlijsten ingezonden. Op die lijsten zijn niet de
deeltijdvarianten van de geselecteerde voltijdfuncties vermeld, maar
deeltijdfuncties die onder dezelfde functiebestandscode als die
voltijdfuncties zijn ondergebracht. Het betreft de functies van stikster
(fb-code 7959), lederstanser (fb-code 8030) en inpakster (fb-code 9718).
De Raad stelt evenwel vast dat de deeltijdfuncties van stikster en
lederstanser blijkens genoemde arbeidsmogelijkhedenlijsten op 4
september 1995, respectievelijk 23 november 1995 in deeltijd op de
arbeidsmarkt voorkwamen. Deze datum ligt na de hier in geding zijnde
datum 1 augustus 1995. Dit betekent dat voor de Raad niet is komen vast
te staan dat deze functies op de datum in geding in deeltijd konden
worden vervuld.
Tevens is voor de Raad niet komen vast te staan dat deze twee functies
in overeenstemming zijn met de door de verzekeringsarts voor betrokkene
vastgestelde belastbaarheid. Voor de functie van stikster niet omdat een
motivering in verband met op de verwoording functiebelasting voorkomende
asterisken niet is gegeven en voor de functie van lederstanser niet
omdat geen verwoording functiebelasting is overgelegd.
De functie van inpakster kwam blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van
12 augustus 1996 wel op de in geding zijnde datum in deeltijd voor.
Echter, waar het Lisv heeft vermeld een verwoording functiebelasting
niet te kunnen overleggen is voor de Raad niet komen vast te staan dat
deze functie in overeenstemming is met de belastbaarheid van betrokkene.
Dit alles leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 2 augustus
1996 op geen enkele functie berust waarvan vast is komen te staan dat
zij op de datum in geding in deeltijd voorkwam.
Naar het oordeel van de Raad is het besluit van 2 augustus 1996 hierdoor
in strijd met artikel 3, eerste lid van het Schattingsbesluit waarin is
vermeld dat een schatting op ten minste drie verschillende, voor de
betrokkene geschikte, functies moet berusten.
Waar de rechtbank, gelet op bovenvermelde uitspraak van 6 april 1999,
nummer 97/586 AAW/WAO, bij de toepassing van artikel 3 van het
Schattingsbesluit een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dient de
aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het besluit van 2
augustus 1996, met verbetering van gronden te worden bevestigd.
Dit betekent dat het hoger beroep van het Lisv evenmin slaagt.
Uit al hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen volgt dat het hoger
beroep van betrokkene tegen de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij
het beroep tegen het besluit van 3 juli 1995 gegrond is verklaard en dat
besluit is vernietigd, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard en
dat de aangevallen uitspraak overigens, voorzover door partijen
aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het
Lisv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd
en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van het Lisv
een recht van f 675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep van betrokkene tegen de aangevallen
uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het besluit van 3 juli 1995,
niet-ontvankelijk;
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep
tot een bedrag groot f 710,-;
Verstaat dat van het Lisv een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. R.M. van Male en
prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr.
P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19
oktober 1999.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) P.W.A. van Geloven.
|
|