|
Uitspraak
97/8838 AAW/WAO en 97/8839 AAW/WAO
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 6 mei 1996 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld dat
zijn uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder
toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, in de
perioden van 14 mei 1994 tot 1 juni 1994 en van 16 november 1994 tot 1
december 1994 niet tot uitbetaling komen, en in de periode van 1 juni
1994 tot 1 juli 1994 uitbetaald worden als ware appellant voor 65 tot
80% arbeidsongeschikt (besluit 1).
Bij besluit van 13 mei 1996 heeft gedaagde, onder toepassing van de
artikelen 48 van de AAW en 57 van de WAO, van appellant een bedrag van f
2.099,28 teruggevorderd, zijnde het hem over de perioden van 14 mei 1994
tot 1 juli 1994 en van 16 november 1994 tot 1 december 1994
onverschuldigd betaalde netto bedrag aan uitkeringen ingevolge de AAW en
de WAO (besluit 2).
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 19 augustus
1997 de beroepen tegen die besluiten ongegrond verklaard.
Appellant is op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 3 juni 1999 heeft gedaagde enige vragen van de Raad
beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 oktober 1999, waar
appellant niet is verschenen, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve
opgeroepen - is verschenen bij gemachtigde mr. J. van der Kooij, werkzaam
bij Gak Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Met ingang van 31 december 1979 heeft gedaagde aan appellant uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Sedertdien heeft appellant voor
langere perioden arbeid verricht en heeft gedaagde appellants inkomsten
uit die arbeid telkens op zijn uitkeringen in mindering gebracht.
In verband met inkomsten uit arbeid heeft gedaagde appellants
uitkeringen in 1994 over de perioden van 5 april 1994 tot 14 mei 1994,
van 1 juli 1994 tot 16 november 1994 en vanaf 1 december 1994, onder
toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, niet
uitbetaald.
Bij besluit 1 heeft gedaagde ook over de perioden van 14 mei 1994 tot 1
juli 1994 en van 16 november 1994 tot 1 december 1994 toepassing gegeven
aan deze artikelen, op een wijze als omschreven in rubriek I, omdat
appellant ook in deze perioden heeft gewerkt en daaruit inkomsten heeft
genoten. Daarbij heeft gedaagde zich met name gebaseerd op informatie
die door de belastingdienst is verstrekt. Bij besluit 2 heeft gedaagde
de als gevolg van besluit 1 onverschuldigd betaalde uitkeringen van
appellant teruggevorderd.
In deze gedingen dient de Raad de vraag te beantwoorden of de bestreden
besluiten in rechte stand kunnen houden.
De rechtbank heeft deze vraag bij de aangevallen uitspraak bevestigend
beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat
gedaagde terecht de door de belastingdienst verstrekte inkomensgegevens
als uitgangspunt heeft gehanteerd omdat de door appellant verstrekte
gegevens ontoereikend waren om de omvang van zijn inkomsten uit arbeid
vast te stellen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellants
bezwaar tegen de gehanteerde maatman, de leerling-verpleegkundige, niet
kan slagen omdat deze maatman een in rechte vaststaand gegeven is
geworden waarvan bij de beoordeling van appellants beroep dient te
worden uitgegaan.
In hoger beroep heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat hij zich
niet kan verenigen met de door gedaagde gehanteerde maatman van
leerling-verpleegkundige. In dat verband heeft hij er op gewezen dat hij
al 10 jaren als gediplomeerd chauffeur heeft gewerkt. Verder heeft
appellant gesteld dat hij van 3 juni 1994 tot 18 juni 1994 en van 16
november 1994 tot 30 november 1994 niet heeft gewerkt, zodat gedaagde
zijn uitkeringen over die perioden ten onrechte niet of niet volledig
heeft uitbetaald.
De Raad overweegt als volgt.
De toepassing van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO
In de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO is bepaald dat de
arbeidsongeschiktheidsuitkering van degene, die recht heeft op een
dergelijke uitkering, en die inkomsten uit arbeid geniet, niet wordt
ingetrokken of herzien, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid,
bedoeld in de artikelen 5, vijfde lid, van de AAW en 18, vijfde lid, van
de WAO, kan worden aangemerkt, maar dat die uitkering:
a. niet wordt uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn,
dat als die arbeid wel de in voormelde bepalingen bedoelde arbeid zou
zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten
minste 25% respectievelijk 15%; of, indien het bepaalde onder a niet van
toepassing is,
b. wordt uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de
arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien
die arbeid wel de in voormelde bepalingen bedoelde arbeid zou zijn.
In zijn uitspraak van 23 december 1998, gepubliceerd in RSV 1999/83 en
USZ 1999/50, heeft de Raad reeds gewezen op het nauwe verband tussen de
in artikel 33 van de AAW (en 44 van de WAO) neergelegde kortingsregeling
op basis van een zogenoemde fictieve schatting enerzijds en de in
artikel 5 van de AAW (en 18 van de WAO) neergelegde regeling inzake
daadwerkelijke schatting anderzijds, welke regelingen ten opzichte van
elkaar een complementaire werking hebben en deel uitmaken van een en
dezelfde systematiek. Daarbij is er op gewezen dat die complementaire
werking is gelegen in de omstandigheid dat in geval een
arbeidsongeschikte inkomsten uit arbeid geniet, ςf een schatting
plaatsvindt op basis van de artikelen 5 van de AAW en 18 van de WAO, ςf
een korting - gedurende een gemaximeerde periode - indien een dergelijke
schatting niet mogelijk is.
Uitgaande van deze samenhang tussen de kortingsbepalingen en de
artikelen 5 van de AAW en 18 van de WAO is de Raad van oordeel dat de
fictieve mate van arbeidsongeschiktheid, voor zover verenigbaar met het
oogmerk van de kortingsregeling, in beginsel op overeenkomstige wijze
vastgesteld dient te worden als de mate van arbeidsongeschiktheid op
basis van de artikelen 5 van de AAW en 18 van de WAO.
Bij brief van 10 juni 1997 heeft gedaagde aan de rechtbank uiteengezet
op welke wijze de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid is
berekend. Uit die brief blijkt in de eerste plaats dat gedaagde het
dagloon van appellant, vermenigvuldigd met de factor 100/108, als diens
maatmaninkomen heeft aangemerkt.
Voorts blijkt uit die brief dat gedaagde in het onderhavige geval,
waarin sprake is van wisselende verdiensten, bij de berekening van
appellants inkomsten is uitgegaan van de som van de door hem per
kalendermaand genoten inkomsten, gedeeld door het aantal uitkeringsdagen
per kalendermaand. In het geval dat de werkzaamheden van appellant zich
slechts hebben uitgestrekt over een deel van een kalendermaand is de som
van de in die periode genoten inkomsten in aanmerking genomen en is die
som gedeeld door een aantal uitkeringsdagen dat evenredig is aan het in
aanmerking genomen deel van de kalendermaand.
Gedaagde heeft vervolgens het maatmaninkomen per dag afgezet tegen de
berekende inkomsten per dag.
De Raad is van oordeel dat de door gedaagde gehanteerde methode van
vaststelling van de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid,
zoals hierboven uiteengezet, zich niet in alle opzichten verdraagt met
het hierboven weergegeven uitgangspunt.
Maatman en maatmaninkomen
De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij de rechtbank niet kan
volgen in haar kennelijke oordeel dat de vaststelling van de maatman van
appellant een in rechte vaststaand gegeven is. Zoals de Raad al vaker
heeft overwogen kan bij de beoordeling van de mate van
arbeidsongeschiktheid op een latere datum - zoals het hier aan de orde
zijnde anticumulatiebesluit - de daaraan ten grondslag gelegde keuze met
betrekking tot de maatman en het maatmaninkomen volledig worden
getoetst.
Gedaagde heeft als appellants maatman aangemerkt de
leerling-verpleegkundige, zijnde de arbeid die appellant voorafgaande
aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in 1978 gedurende enkele
weken heeft verricht. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant tot 1
mei 1978 als schilder heeft gewerkt en dat hij na het intreden van zijn
arbeidsongeschiktheid onder meer heeft gewerkt als schilder (van 1 juni
1988 tot 1 januari 1993) en als (internationaal) vrachtwagenchauffeur;
uit de gedingstukken blijkt voorts dat appellant zijn grootrijbewijs
heeft behaald.
Op grond van de voorhanden zijnde gegevens is de Raad er niet van
overtuigd geraakt dat gedaagde terecht de leerling-verpleger in de in
geding zijnde perioden als maatman heeft aangemerkt.
De Raad wijst er daarbij op dat uit de gedingstukken blijkt dat
appellant zowel voor als na het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid
geruime tijd als schilder heeft gewerkt, waarvoor hij, blijkens het
arbeidskundige rapport van 8 september 1988, het normale loon ontving.
Uit de gedingstukken blijkt voorts niet dat appellant als schilder niet
naar behoren zou hebben gefunctioneerd.
Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken een onvoldoende
grondslag voor het oordeel dat appellant na 1987 in medisch opzicht niet
in staat zou zijn arbeid op de vrije arbeidsmarkt als schilder te
verrichten. De Raad heeft daarbij met name betekenis gehecht aan de
omstandigheid dat appellant na die beoordeling blijk heeft gegeven in
staat te zijn tot het verrichten van een, naar het de Raad voorkomt,
duurzame arbeidsprestatie op de vrije arbeidsmarkt. De Raad voegt
daaraan toe dat gedaagdes verzekeringsarts in februari 1995 heeft
geconcludeerd dat er geen sprake meer was van een ziekte of gebrek, maar
dat appellant op grond van zijn constitutie gebaat is bij niet al te
stresserend werk en dat werken onder tijdsdruk en overmatig lange
werkdagen niet wenselijk zijn. De mate van appellants
arbeidsongeschiktheid is door gedaagde vervolgens vastgesteld op basis
van algemeen geaccepteerde arbeid, hetgeen heeft geleid tot een
intrekking van appellants uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 22
mei 1995.
Ten aanzien van appellants werkzaamheden als chauffeur merkt de Raad op
dat appellant heeft gesteld dat hij nieuwe bekwaamheden heeft verkregen
doordat hij een chauffeursopleiding heeft gevolgd. Daarbij heeft het de
aandacht van de Raad getrokken dat gedaagdes standpunt dat appellant op
medische gronden niet geschikt is voor arbeid als chauffeur gebaseerd is
op het verzekeringsgeneeskundige rapport uit 1987. In het licht van het
hiervoor overwogene is daarmee onvoldoende onderbouwd dat appellant niet
de door hem gestelde bekwaamheden heeft verworven.
Ten aanzien van het in aanmerking genomen maatmaninkomen overweegt de
Raad dat hij in het verleden in zijn jurisprudentie tot uitdrukking
heeft gebracht dat het maatmaninkomen niet aan de hand van het dagloon
bepaald dient te worden, maar aan de hand van het inkomen dat de
betrokkene op de in geding zijnde datum in zijn maatmanfunctie had
kunnen verdienen indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden.
Bij de vaststelling van dat maatmaninkomen dient gedaagde vanaf 10
augustus 1994 ter bepaling van de hoogte van het maatmaninkomen in de
aan de orde zijnde periodes de relevante bepalingen van het
Schattingsbesluit in aanmerking te nemen.
De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat gedaagde bij de berekening
van de fictieve mate van appellants arbeidsongeschiktheid het als
maatmaninkomen in aanmerking genomen dagloon heeft gecorrigeerd met de
factor 100/108. Naar het de Raad voorkomt heeft dit als consequentie dat
gedaagde een onevenwichtige vergelijking heeft gemaakt, namelijk tussen
een maatmaninkomen zonder vakantietoeslag en inkomsten uit arbeid waarin
die toeslag wel is begrepen.
Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde op
ontoereikende gronden heeft aangenomen dat in de in dit geding aan de
orde zijnde tijdvakken de leerling-verpleegkundige als appellants
maatman kan worden aangemerkt. De Raad is dan ook van oordeel dat
besluit 1 op dit punt wegens strijd met artikel 4:16 (oud) van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.
Berekeningswijze en inkomsten uit arbeid in mei, juni en november 1994
Aangaande de berekening van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid
overweegt de Raad als volgt.
De Raad heeft herhaaldelijk geoordeeld, onder meer in zijn in RSV
1997/142 en USZ 1997/88 gepubliceerde uitspraak, dat de mate van
arbeidsongeschiktheid van degene die voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid voltijds werkzaam was wordt gevormd door het
verschil tussen het vσσr het intreden van de arbeidsongeschiktheid
genoten inkomen per maand - of een andere betalingsperiode - en het
inkomen dat de verzekerde over een zelfde periode nog kan verwerven.
Voorts wordt ingevolge artikel 2, aanhef en onder h, van het
Schattingsbesluit bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid
van een verzekerde uitgegaan van diens feitelijke inkomsten, wanneer dit
leidt tot een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, dan het bepalen van
de mate van arbeidsongeschiktheid aan de hand van een theoretische
schatting.
Het vorenstaande leidt er toe dat voor een juiste toepassing van de
kortingsregeling van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO de mate
van fictieve arbeidsongeschiktheid in het geval van appellant dient te
worden bepaald aan de hand van een vergelijking van enerzijds het voor
appellant geldende maatmaninkomen per maand met anderzijds de door hem
feitelijk per maand genoten inkomsten uit arbeid.
Voor wat betreft het door gedaagde in aanmerking genomen inkomen over de
maanden mei, juni en november 1994, is de Raad met de rechtbank van
oordeel dat gedaagde terecht is uitgegaan van de door de belastingdienst
verstrekte inkomensbedragen. De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde
zich niet zonder meer heeft kunnen baseren op de tijdvakken die door de
belastingdienst in zijn opgave zijn vermeld. Daarbij heeft de Raad
overwogen dat appellant gedaagde in de loop van 1994 informatie heeft
verstrekt over de door hem verrichte werkzaamheden, waaronder de
periodes waarin hij heeft gewerkt. Hoewel gedaagde zich op het standpunt
heeft gesteld dat de verstrekte informatie ten aanzien van de
verdiensten ontoereikend was, is echter gesteld noch gebleken, dat deze
informatie voor wat betreft de gewerkte periodes onjuist was.
Uit de gedingstukken leidt de Raad af dat appellant in de maand mei 1994
heeft gewerkt van 1 mei tot 14 mei via uitzendbureau X, op 16 en 17 mei
via uitzendbureau Y en van 24 tot en met 30 mei bij Z B.V.; van 18 mei
tot en met 23 mei heeft appellant ziekengeld ontvangen. De Raad is van
oordeel dat gedaagde de inkomsten uit deze arbeid in aanmerking dient te
nemen bij de berekening van de fictieve mate van appellants
arbeidsongeschiktheid. Anders dan gedaagde is de Raad van oordeel dat de
verdiensten bij Y, die volgens de opgave van de belastingdienst
betrekking hebben op de periode van 16 mei tot 26 juni, niet mede aan de
maand juni 1994 toegerekend dienen te worden omdat het op grond van de
door appellant verstrekte informatie, alsmede de omvang van de
verdiensten (f 233,-), aannemelijk is dat deze inkomsten uitsluitend
betrekking hebben op 16 en 17 mei.
Voor wat betreft de maand juni 1994 is de Raad van oordeel dat uit de
gedingstukken niet anders kan worden afgeleid dan dat appellant vanaf 27
juni via uitzendbureau W heeft gewerkt. Gedaagde heeft appellants
inkomsten over juni berekend door de op de opgave van de belastingdienst
vermelde inkomsten bij W, die blijkens die opgave betrekking hebben op
de periode van 26 juni tot 16 oktober, te herleiden naar de 4 werkdagen
in de periode van 26 juni tot en met 30 juni; gedaagde heeft deze
inkomsten vastgesteld op f 550,12. Hoewel appellant heeft verklaard dat
hij in juni slechts 3 dagen via W heeft gewerkt en over die dagen f
314,03 heeft verdiend, acht de Raad de door gedaagde aangehouden
berekening aanvaardbaar omdat een opgave van W over de periode van 26
juni tot en met 30 juni niet voorhanden is. Zoals de Raad hierboven al
heeft overwogen heeft gedaagde de in mei via Y verworven inkomsten ten
onrechte betrokken bij de vaststelling van appellants inkomsten over de
maand juni.
Uit de door appellant verstrekte informatie valt af leiden dat hij van 1
tot en met 15 november heeft gewerkt bij V B.V.; blijkens de opgave van
de belastingdienst heeft appellant over die periode een inkomen van f
2.046 genoten. Gedaagde heeft echter ook inkomsten in aanmerking genomen
die appellant heeft genoten bij Q, welke inkomsten volgens de opgave van
de belastingdienst betrekking hebben op de periode van 17 oktober tot 27
november. Appellant is van mening dat die inkomsten betrekking hebben op
zijn werk bij die werkgever in oktober 1994. De Raad is op grond van de
voorhanden zijnde gegevens tot het oordeel gekomen dat appellant in
november uitsluitend heeft gewerkt bij V B.V., zodat gedaagde appellants
verdiensten bij Q ten onrechte mede heeft betrokken bij de vaststelling
van appellants inkomsten over november 1994.
De Raad is op grond van het voorgaande van oordeel dat gedaagde
appellants inkomsten uit arbeid over de maanden mei, juni en november
1994 niet juist heeft vastgesteld. Besluit 1 berust ook in dat opzicht
op een onjuiste feitelijke grondslag, zodat het mede op die grond voor
vernietiging wegens strijd met artikel 4:16 (oud) van de Awb in
aanmerking komt.
Conclusie
Gelet op hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen kan besluit 1 in
rechte geen standhouden en komt het voor vernietiging in aanmerking. In
het voetspoor daarvan kan ook besluit 2 niet in stand blijven. De
aangevallen uitspraak, waarbij die besluiten in stand zijn gelaten, komt
eveneens voor vernietiging in aanmerking.
Proceskosten en griffierecht
Appellant heeft geen proceskosten gevorderd en de Raad is ook niet
gebleken van proceskosten die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing.
De Raad heeft dan ook geen termen aanwezig geacht om toepassing te geven
aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede de bestreden besluiten;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van 210,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom
en mr. F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D.
Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 december
1999.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.D. Streefkerk.
|
|