|
Uitspraak
97/8189
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant.
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet sociale
verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het
onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije
Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het
bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 2 mei 1995 heeft appellant de eerder aan gedaagde
toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werden berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%, met ingang van 21 mei 1995 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 10 juli
1997 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd.
Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde is door mr. L.A.I. Broekhoven, advocaat te Tilburg, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 december
1999, waar appellant - zoals te voren aangekondigd - zich niet heeft
laten vertegenwoordigen en waar gedaagde in persoon is verschenen met
bijstand van mr. Broekhoven, voornoemd.
II. MOTIVERING
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de juistheid van de
volgende aan de aangevallen uitspraak ontleende feiten en
omstandigheden:
"Eiser, geboren in 1946, heeft zich op 16 april 1992 vanuit de Werkloosheidswet ziek gemeld als gevolg van
psychische klachten en naderhand maag- en longklachten.
Nadat eiser gedurende 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is
geweest, is hem in aansluiting daarop met ingang van 17 april 1993 een
uitkering ingevolge de AAW en de WAO toegekend, laatstelijk berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Nadat een verzekeringsgeneeskundige de belastbaarheid van eiser voor
arbeid heeft vastgesteld en een arbeidsdeskundige omtrent de schatting
heeft gerapporteerd, is door de Gemeenschappelijke Medische Dienst aan
verweerder advies uitgebracht. Dat advies is bij brief van 21 maart 1995
ook aan eiser meegedeeld.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in navolging van het ter
zake uitgebrachte advies met ingang van 21 mei 1995 de uitkering van
eiser ingevolge de AAW en de WAO ingetrokken."
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden
besluit in rechte stand kan houden.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank in de
aangevallen uitspraak het volgende overwogen:
"Een beschikking dient een deugdelijke, op schrift gestelde,
volledige, begrijpelijke en inzichtelijke motivering te bevatten, zodat
een belanghebbende op een begrijpelijke wijze op de hoogte wordt gesteld
van de gedachtegang van het bestuursorgaan welke aan het besluit ten
grondslag ligt.
Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit wat betreft
het medische standpunt onvoldoende onderbouwd. Zo blijkt niet van de
medische beperkingen, al dan niet in samenhang met een medische
diagnose, waarvan verweerder uitgaat.
Het bestreden besluit lijdt dus aan een (formeel) motiveringsgebrek en
dient te worden vernietigd."
De rechtbank heeft zich vervolgens voor de vraag gesteld gezien of er in
het onderhavige geval aanleiding is gebruik te maken van de haar in
artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
toegekende bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. De
rechtbank heeft in dat verband het bestreden besluit voor het overige op
grondslag van het beroep getoetst en daartoe onder meer het volgende
overwogen:
"Wat het medische aspect betreft, is het bestreden besluit
gebaseerd op de bevindingen en conclusies van de
verzekeringsgeneeskundige.
Op grond van de beschikbare medische gegevens staat voor de rechtbank
echter vast dat de verzekeringsgeneeskundige op en na 21 mei 1995 bij
eiser te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. De rechtbank
acht in dit verband met name van belang het door de deskundige Haverkamp
uitgebrachte rapport. Deze deskundige heeft, zakelijk weergegeven,
gerapporteerd dat het door de verzekeringsgeneeskundige vastgestelde
belastbaarheidspatroon op en na 21 mei 1995 niet op eiser toepasbaar is.
De deskundige Haverkamp acht eiser voorts niet in staat tot het
verrichten van de geduide functies, daar eiser als gevolg van parafilie
niet in staat is zich te richten op het verrichten van werkzaamheden
buiten zijn huis.
In het rapport van de deskundige professor dr. Kahn ziet de rechtbank
een bevestiging van het rapport van de deskundige Haverkamp."
In hoger beroep heeft appellant met betrekking tot grond tot
vernietiging van het bestreden besluit in de eerste plaats het volgende
aangevoerd:
"De heer A heeft in eerste aanleg evenwel op generlei wijze een
beroep gedaan op schending van artikel 4:17 van de Awb. Dit betekent dat
de rechtbank, door het beroep gegrond te verklaren wegens schending van
deze bepaling, buiten de grenzen is getreden van het aan haar
voorgelegde geschil, en daarmede de betekenis van artikel 8:69 van de
Awb heeft miskend.
Voor de door de rechtbank ambtshalve verrichte toetsing zou slechts
plaats zijn, indien het litigieuze wettelijke voorschrift "als van
openbare orde" aangemerkt moet worden. Artikel 4:17 van de Awb
bevat echter, hoewel het van essentiële betekenis is voor de
kenbaarheid van de motivering, een dergelijk voorschrift niet.
Ondergetekende meent voor dit standpunt steun te kunnen vinden in uw
uitspraak van 8 juli 1997, zoals (verkort) gepubliceerd op pagina 1687
van het Nederlands Juristenblad van 10 oktober 1997."
Voorts heeft appellant met betrekking tot de aanspraak van gedaagde op
uitkeringen krachtens de AAW en de WAO onder meer het volgende naar
voren gebracht:
"Voorwaarde voor het recht is derhalve dat wordt vastgesteld dat
het verlies aan verdienvermogen een gevolg is van ziekte of gebreken.
Vooreerst moet daarom worden vastgesteld of de heer A lijdt aan een
ziekte of gebrek.
De rechtbank heeft zich dienaangaande (onder meer) laten voorlichten
door de psychiater A.D. Haverkamp. In zijn rapport van 5 januari 1996
merkt deze op "dat de heer A intense exhibitionistische en
pedofiele neigingen heeft, die als ziekelijke stoornissen onder de
parafilieën te rangschikken zijn."
Ondergetekende is van mening dat deze "intense exhibitionistische
en pedofiele neigingen" bezwaarlijk op een ziekte of gebrek kunnen
worden teruggevoerd. In de visie van de deskundige is het kennelijk zo
dat, nu hij een afwijkende seksuele voorkeur als een ziekte of gebrek
aanmerkt, hij tot voor kort evenzo van mening is geweest dat homofilie
tot uitdrukking gebracht dient te worden in een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Naar ondergetekendes oordeel hebben
veel mensen eigenaardigheden, doch ziekte of gebrek komt pas aan de orde
indien de greep op het gedrag verloren gaat, dan wel als anderszins de
grenzen van een duidelijke pathologie zijn overschreden. Van een
dergelijke "duidelijke overschrijding" is geenszins sprake, nu
de klachten van de heer A enkel en alleen beperkt blijven tot een
afwijkende seksuele voorkeur, en niét teruggevoerd kunnen worden op een
ziekte of gebrek.
Overigens, indien de klachten van de heer A wél teruggevoerd kunnen
worden tot ziekte of gebrek - hetgeen blijft ontkent - is ondergetekende
van mening dat deze in onvoldoende mate geobjectiveerd kunnen worden. De
klachten blijven immers, zoals hiervoor reeds opgemerkt, enkel en alleen
beperkt tot "neigingen". Van een consistente stoornis is geen
sprake.
Het vorenstaande betoog geldt mutatis mutandis evenzo voor het rapport
van de psychiatrisch hoogleraar R.S. Kahn. Ondergetekende kan in zijn
rapport, waarvan met name het gestelde op pagina 5 onder
"psychiatrisch onderzoek", geen relevante psychiatrische
overwegingen lezen ter objectivering van de gestelde
arbeidsongeschiktheid. Kennelijk wordt doorslaggevende betekenis
toegekend aan het subjectieve klachtenpatroon van de heer A.
Ondergetekende heeft daarbij goede notie genomen van de inhoud van het
rapport van de psychiater J.D.J. Tilanus, waarin deze opmerkt dat sprake
is van een normaal toestandsbeeld in psychiatrische zin. Bij de
beoordeling van de klachten van de heer A heeft de verzekeringsarts Van
de Kerkhof hiermede rekening gehouden. Uit schrijven van 22 december
1995 van "De Waag" blijkt overigens, dat geen indicatie
bestaat voor het voorschrijven van antidepressiva."
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb dient de rechtbank
uitspraak te doen op grondslag van het beroepschrift, de overgelegde
stukken en het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek
ter zitting.
In eerste aanleg heeft gedaagde het bestreden besluit aangevochten onder
aanvoering van gronden die inhouden dat het Lisv de feiten en
omstandigheden waarop het bestreden besluit steunt, onjuist heeft
vastgesteld, gewaardeerd en gekwalificeerd. Gedaagde heeft echter in
eerste aanleg op generlei wijze een beroep gedaan op schending van
artikel 4:17 (oud) van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank door het
beroep gegrond te verklaren wegens schending van dit wetsartikel buiten
de grenzen is getreden van het aan haar voorgelegde geschil en aldus de
betekenis van het hiervoor aangehaalde artikel 8:69 van de Awb heeft
miskend.
Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen - appellant wijst daarop
terecht in het aanvullend beroepschrift - zou voor de door de rechtbank
verrichte ambtshalve toetsing alleen dan plaats zijn geweest, indien het
wettelijk voorschrift in kwestie zou moeten worden aangemerkt als te
zijn van openbare orde. Artikel 4:17 (oud) van de Awb bevat echter
slechts de verplichting om bij de bekendmaking van de beschikking de
motivering te vermelden. Hoewel dit voorschrift van essentiële
betekenis is voor de kenbaarheid van de motivering waarop een
beschikking berust, is naar het oordeel van de Raad een dergelijk
voorschrift niet van openbare orde. Derhalve heeft de rechtbank het
bestreden besluit ten onrechte wegens strijd met artikel 4:17 (oud) van
de Awb vernietigd.
Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of appellant bij het
bestreden besluit terecht de eerder aan gedaagde toegekende uitkeringen
krachtens de AAW en de WAO met ingang van 21 mei 1995 heeft ingetrokken.
Anders dan de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag onder overweging
van het navolgende bevestigend.
In het kader van de voorbereiding van het bestreden besluit heeft de
betrokken verzekeringsgeneeskundige van de voormalige Gemeenschappelijke
Medische Dienst gedaagde op 9 mei 1994 aan een medisch heronderzoek
onderworpen. Bij dat onderzoek werd mede op grond van de anamnestische
gegevens de diagnose parafilie gesteld, welke diagnose voor de
verzekeringsgeneeskundige aanleiding vormde overleg te plegen met de
curatieve sector en een psychiatrische expertise te vragen over de voor
gedaagde bestaande beperkingen ten aanzien van het verrichten van
arbeid.
Deze psychiatrische expertise werd uitgevoerd door de psychiater J.D.J.
Tilanus. Deze geneeskundige diagnostiseerde geen psychiatrische
afwijkingen; wel achtte hij in de persoonlijkheidsstructuur mogelijk nog
sprake van parafilieën met name in de vorm van exhibitionisme en
voyeurisme. Daarbij achtte deze psychiater gedaagde in staat
werkzaamheden te verrichten overeenkomstig zijn opleidingsniveau,
ervaring en maatschappelijke positie gedurende een gebruikelijke
werkweek. Wel verdiende het naar zijn oordeel aanbeveling gedaagde
vooralsnog niet in al te solistische arbeid werkzaam te laten zijn.
Voorts merkte genoemde psychiater nog op dat, indien werkelijk een zich
baanbrekende regressieve seksuele objecttendentie tot een criminele daad
zou leiden, dit geen invloed op de arbeidsvaliditeit zou hebben.
Na ontvangst van de bevindingen van psychiater Tilanus en de gegevens
van de huisarts en de behandelend psycholoog heeft de betrokken
verzekeringsgeneeskundige op 7 december 1994 een rapport uitgebracht,
waarin deze verzekeringsgeneeskundige concludeerde dat er geen sprake
was van een psychiatrische ziekte in de zin van de AAW en de WAO.
Vervolgens is een belastbaarheidspatroon opgesteld, waarbij rekening is
gehouden met de bestaande spanningsklachten, met maagbezwaren, met enige
lichte longbezwaren en met de wenselijkheid van niet al te veel
solistische omstandigheden.
Uitgaand van deze beperkingen heeft de betreffende arbeidsdeskundige
gedaagde ongeschikt geacht voor de laatstelijk door gedaagde verrichte
werkzaamheden als bijrijder/sjouwer, maar geschikt geacht voor een
aantal aan gedaagde voorgehouden functies, waarmee hij een zodanig
inkomen kon verdienen dat geen relevant verlies aan verdiencapaciteit
optrad.
Op grond van bovenstaande bevindingen heeft het Gemeenschappelijk
Administratiekantoor geadviseerd gedaagde voor minder dan 25%,
respectievelijk 15% arbeidsongeschikt te beschouwen, welk advies
appellant bij het bestreden besluit heeft overgenomen.
Gedaagde heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat de bij
hem bestaande parafilieën als een ziekte of gebrek dienen te worden
beschouwd, dan wel bijdragen tot het ontstaan van een toestand die als
een ziekte of gebrek moet worden gekwalificeerd. Daarbij heeft hij zich
erop beroepen dat bij het wegvallen van de controle van de behandelend
psycholoog en de steun van zijn vrouw zich mogelijk een "acting-out"
zou kunnen voordoen, waardoor gedaagde wel als een gestoorde
persoonlijkheid moet worden gezien en in welk geval sprake is van een
als ziekte of gebrek te kwalificeren toestand.
In hetgeen van de kant van gedaagde is aangevoerd heeft de rechtbank
aanleiding gevonden een rapport door de psychiater A.D. Haverkamp en een
rapport door T.W.M. Walrave, arts-assistent psychiatrie, en prof. dr.
R.S. Kahn te laten uitbrengen. Deze deskundigen zijn van oordeel dat de
bij gedaagde bestaande parafilieën als een ziekelijke (psychiatrische)
stoornis moet worden aangemerkt en dat hij daardoor buiten staat was
(buiten zijn huis) aan het arbeidsproces deel te nemen. Blijkens de
inhoud van de rapporten van deze deskundigen hebben zij doorslaggevend
geacht voor dit oordeel dat gedaagde zich graag onder de controle van
zijn echtgenote plaatste en zijn gewetensfunctie had geëxternaliseerd.
Bij deelname aan het arbeidsproces was daardoor naar de opvatting van
die deskundigen een kans op recidive en escalatie aanwezig.
De rechtbank is vervolgens tot het oordeel gekomen dat appellant bij
gedaagde te geringe medische beperkingen heeft vastgesteld. Voor de
motivering van dit oordeel heeft de rechtbank volstaan met een beroep op
de rapporten van de geraadpleegde deskundigen.
De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank en de gronden waarop
dit berust niet, nu de rechtbank hiermee een onjuiste toepassing aan het
begrip arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 5 van de AAW en
artikel 18 van de WAO heeft gegeven. Daarbij heeft de Raad in het
bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ook als in navolging van de door de rechtbank geconsulteerde deskundigen
zou moeten worden aangenomen dat gedaagde gelet op zijn geestelijke
toestand, die gekenmerkt werd door een bepaalde
persoonlijkheidsontwikkeling, genoemde parafilieën en de daaraan
verbonden spanningen, op de in het geding zijnde datum leed aan een als
ziekte of gebrek in de zin van de AAW en de WAO te beschouwen
aandoening, dan is daarmee naar het oordeel van de Raad geenszins komen
vast te staan dat gedaagde daardoor op medische gronden buiten staat was
de door appellant geselecteerde functies te vervullen.
Daarbij wijst de Raad er in de eerste plaats op dat appellant bij het
selecteren van die functies rekening heeft gehouden met een aantal voor
gedaagde bestaande beperkingen, waaronder beperkingen die samenhangen
met genoemde parafilieën. Voorts moet de Raad vaststellen dat gedaagdes
psychische toestand op zich geen enkel beletsel vormde om de in
aanmerking komende arbeid te verrichten. Ook de inhoud van de rapporten
van de door de rechtbank geraadpleegde deskundigen geven geen aanleiding
de geschiktheid van gedaagde om inkomensvormende arbeid te verrichten in
twijfel te trekken. Het door de deskundigen genoemde bezwaar tegen het
verrichten van arbeid is vrijwel uitsluitend gelegen in het gevaar van
een impulsdoorbraak tijdens het reizen naar of het verrichten van zijn
werkzaamheden. Naar het oordeel van de Raad is de aanwezigheid van dit
gevaar op zich echter onvoldoende om aan te nemen dat gedaagde op
medische gronden de geselecteerde werkzaamheden niet kon of mocht
verrichten.
In dat verband is de Raad er niet van overtuigd geraakt dat de kans op
een impulsdoorbraak door het gaan verrichten van werkzaamheden zonder
meer zou zijn toegenomen in vergelijking met de situatie waarin gedaagde
geen werkzaamheden verrichtte, maar onvermijdelijk toch op andere wijze
deelnam aan het dagelijks leven en het maatschappelijk verkeer. In dat
verband wijst de Raad op de zienswijze van de hiervoor genoemde
psychiater Tilanus dat de aanwezigheid van gedaagde bij andere mensen -
zoals zijn echtgenote, destijds op zijn werk, in het café dat zij
destijds aan huis dreven, en kennissen - een preventieve werking heeft
en niet valt in te zien waarom in een werkklimaat een dergelijke
preventieve werking van de aanwezigheid van andere mensen niet zou
uitgaan. De Raad kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat de
door gedaagde geschetste rol van zijn echtgenote bij de preventie van
mogelijke incidenten enigszins overtrokken is en overigens ook niet
geheel voorstelbaar is.
Voorts wil de Raad benadrukken dat een dergelijke impulsdoorbraak, het
onder invloed daarvan begaan van een mogelijk strafbaar feit en de
eventuele strafrechtelijke reactie daarop op zich in beginsel geen grond
tot arbeidsongeschiktheid in zin van de AAW en de WAO vormen. Een
dergelijk incident tast immers op zich zelf genomen het vermogen om
arbeid te verrichten niet op grond van in de gezondheidstoestand van
gedaagde gelegen factoren aan.
Nu de Raad ook overigens geen aanleiding ziet de door appellant
vastgestelde medische beperkingen voor onjuist te houden, concludeert de
Raad dat het bestreden besluit ook inhoudelijk bezien in rechte stand
kan houden, zodat dient te worden beslist als in rubriek III van deze
uitspraak is aangegeven.
De Raad acht in het onderhavige geval geen termen aanwezig om toepassing
te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr.
R.M. van Male als leden in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4
februari 2000.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|