|
Uitspraak
97/11675
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze
uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 21 februari 1995 heeft gedaagde de aan appellant
toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) per 1 april 1995 ingetrokken en de aan deze toegekende uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per die
datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 24
november 1997, gegeven onder de nummers 1995/891 en 1996/1459 AAWAO,
onder meer appellants beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is door mr. F.E.J. Menkveld, advocaat te Utrecht, tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop van de zijde van
appellant is gereageerd.
Appellant heeft de Raad - desgevraagd - nadere inlichtingen verstrekt.
Gedaagde heeft eveneens nadere vragen van de Raad beantwoord.
Van de zijde van appellant is vervolgens een arrest van het Gerechtshof
te Amsterdam ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 juni 1999, waar appellant in
persoon is verschenen, bijgestaan door zijn opvolgend raadsman mr. P.G.M.
Lodder, advocaat te Utrecht, en waar gedaagde zich heeft laten
vertegenwoordigen door mr. E.P.B. Wijnands, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 12 november
1999, gevoegd met het geding bij de Raad geregistreerd onder nummer
97/173 AAW/WAO. Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. P.G.M. Lodder, en gedaagde heeft zich - daartoe ambtshalve opgeroepen
- doen vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Pardaan, werkzaam bij Cadans
Uitvoeringsinstelling B.V., alsmede door E.M. Cohen, senior
beleidsmedewerker, en D. Vermeulen, regionaal arbeidsanalist
projectleider functie-informatiesysteem (FIS).
II. MOTIVERING
Bij besluit van 21 februari 1995 heeft gedaagde de aan appellant
toegekende uitkering krachtens de AAW per 1 april 1995 ingetrokken en de
aan deze toegekende uitkering krachtens de WAO per die datum herzien en
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan
dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellant met de bij
hem vastgestelde long- en rugklachten op en na 1 april 1995 in staat is
de hem voorgehouden functies te verrichten, waarmee hij een inkomen kan
verwerven dat in vergelijking met het voor hem geldende maatmaninkomen
een verlies aan verdienvermogen te zien geeft van ongeveer 20%.
Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de
verzekeringsgeneeskundige Y. Margry, op wiens advies gedaagdes besluit
van 21 februari 1995 is gebaseerd, ten aanzien van appellant de juiste
medische beperkingen heeft vastgesteld. Omdat appellant zonder bericht
van verhindering tot twee maal toe geen gevolg had gegeven aan oproepen
om zich te onderwerpen aan een door de rechtbank gelast geneeskundig
onderzoek, heeft de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 8:31 van
de Algemene wet bestuursrecht, zich daarbij gebaseerd op de uit de
gedingstukken blijkende medische gegevens. Volgens de rechtbank kan
appellant met evenbedoelde beperkingen de hem voorgehouden functies
verrichten en heeft gedaagde de voor appellant geldende mate van
arbeidsongeschiktheid juist vastgesteld.
Appellant betwist de juistheid van het oordeel van de rechtbank over het
besluit van 21 februari 1995.
De Raad overweegt het volgende.
Ten aanzien van de door appellant naar voren gebrachte grief dat het
besluit van 21 februari 1995 berust op een onjuiste medische grondslag,
merkt de Raad in de eerste plaats op dat, nu appellant - desgevraagd -
ook in hoger beroep geen verklaring heeft kunnen geven over zijn niet
gevolg geven aan twee oproepingen van de rechtbank om zich te
onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door de rechtbank
aangewezen deskundige, de rechtbank haar beslissing over de
gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding kon en
mocht baseren op de zich in het dossier bevindende medische gegevens. De
Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat die gegevens onvoldoende
grond bieden voor de opvatting van appellant dat de door de
verzekeringsgeneeskundige Y. Margry vastgestelde medische beperkingen
onjuist zijn.
In aanmerking genomen dat gedaagde ter zitting heeft doen weten de
functie worststopper niet langer ten grondslag te leggen aan de
onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, ziet de Raad zich voorts
gesteld voor de vraag of de resterende aan de omstreden schatting ten
grondslag gelegde functies - heftruckchauffeur, samensteller, inpakker,
loempiavouwer, printmonteur en plantenstekker - voor appellant vanuit
medisch oogpunt bezien geschikt zijn te achten. Aan al die functies zijn
belastingen verbonden die de door de verzekeringsgeneeskundige gekozen
waarderingen van de belastbaarheid van appellant overschrijden.
Dat functies worden geselecteerd waaraan zwaardere belastingen zijn
verbonden dan in overeenstemming is met de door de
verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van
betrokkene vindt - zo is ter zitting door gedaagdes gemachtigden E.M.
Cohen en D. Vermeulen desgevraagd toegelicht - zijn oorzaak in de
omstandigheid dat bij de geautomatiseerde voorselectie wat betreft de
toelaatbare belastingen van de functies niet slechts functies worden
geselecteerd waarvan de belasting blijft binnen de door de
verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van
betrokkene. Bij die geautomatiseerde voorselectie kunnen ook functies
worden geselecteerd waarvan de belastingen de door de
verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van
betrokkene overschrijden. Bij die voorselectie van de functies worden
namelijk als grenswaarden gehanteerd die bij de functies behorende
belastingen die wat betreft intensiteit én frequentie behoren tot de
naast hogere gradering, dan wel die de gekozen waarderingen van de
belastbaarheid wat betreft intensiteit óf frequentie maximaal twee
graderingen te boven gaan.
De hierboven beschreven wijze van voorselectie van functies hangt - mede
blijkens de ter zitting van de Raad gegeven toelichting - samen met
enerzijds de omstandigheid dat de verzekeringsgeneeskundige bij zijn
keuze tussen de hem (limitatief) ter beschikking staande waarderingen om
de belastbaarheid van betrokkene weer te geven in geval van twijfel
steeds de waardering kiest die de geringste belastbaarheid weergeeft, en
anderzijds dat bij de vaststelling van de belasting die is verbonden aan
een in het FIS opgenomen functie, steeds de zwaarste belasting wordt
genomen als moet worden gekozen tussen twee waarderingen van de
belasting van een functie. Dit betekent dat ondanks het feit dat bij de
geautomatiseerde voorselectie van een functie de belasting van die
functie op een of meer aspecten de gekozen waardering(en) van
belastbaarheid van betrokkene te boven lijkt te gaan, de werkelijke
belasting van die functie toch in overeenstemming kan zijn met de in
feite bestaande belastbaarheid van betrokkene. Een nadere beoordeling
door de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige moet dan
uitwijzen of de functie ondanks een overschrijding van de gekozen
waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene voor hem of haar
daadwerkelijk toch geschikt is.
In eerdere uitspraken (onder meer de uitspraak gepubliceerd in USZ
1997/207) heeft de Raad als zijn zienswijze te kennen gegeven dat het
ontbreken van een adequate toelichting op deze nadere beoordeling leidt
tot strijd met het in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde
motiveringsvereiste. Indien zich daarbij de situatie voordoet dat de
verzekeringsgeneeskundige terugkomt van de gemaakte keuze bij de
invulling van het formulier waarop hij de waarderingen van de
belastbaarheid van betrokkene heeft vermeld, en dat hij de aanvankelijk
voor betrokkene te hoog geachte belastbaarheid alsnog aanvaardbaar acht,
dient aan de hiervoor genoemde toelichting op de nadere beoordeling nog
extra eisen te worden gesteld. Omdat zowel de verzekerde als ook de
toetsende instantie ervan moeten kunnen uitgaan dat de niet gekozen
waarderingen geen juiste afspiegeling vormen van betrokkenes
belastbaarheid, kan zo'n (impliciete) wijziging van de waardering van de
belastbaarheid enkel worden aanvaard, indien buiten kijf staat dat er
geen sprake is van een ontoelaatbare relativering van de aanvankelijk
gekozen waardering van de belastbaarheid van betrokkene. Dit laatste is
naar het oordeel van de Raad zonder meer het geval indien de belasting
van een functie zowel qua frequentie als qua intensiteit onverkort
overeenkomt met een waardering van de belastbaarheid die aanvankelijk te
zwaar werd bevonden voor betrokkene.
Gedaagde is in het onderhavige geval van oordeel dat van zijn kant, in
het bijzonder in het in eerste aanleg ingezonden rapport van de
verzekeringsgeneeskundige Y. Margry van 27 oktober 1994, genoegzaam is
aangetoond dat de betrokken functies ondanks de daaraan verbonden
overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant voor hem geschikt
zijn. In evenbedoelde brief heeft deze verzekeringsgeneeskundige ten
aanzien van vijf aspecten waarbij sprake is van een overschrijding een
toelichting verstrekt. De overschrijding ten aanzien van het aspect
traplopen (voorkomend bij de functies loempiavouwer en printmonteur), de
overschrijding ten aanzien van het aspect klimmen en klauteren
(voorkomend bij de functie heftruckchauffeur) alsmede de overschrijding
ten aanzien van het aspect duwen en trekken (eveneens voorkomend in de
functie heftruckchauffeur) zijn niet toegelicht.
Naar het oordeel van de Raad leidt het ontbreken van iedere toelichting
bij laatstgenoemde overschrijdingen tot de conclusie dat de functies
loempiavouwer, printmonteur en heftruckchauffeur niet aan de onderhavige
schatting ten grondslag konden worden gelegd omdat daarvan niet is komen
vast te staan dat zij vanuit medisch oogpunt bezien voor appellant
geschikt zijn. Als basis voor de onderhavige schatting resteren derhalve
drie functies: samensteller, inpakker en plantenstekker.
Met betrekking tot de functie samensteller moet worden vastgesteld dat
deze een overschrijding van de belastbaarheid van appellant kent ten
aanzien van het aspect zitten. Bij dit aspect is vermeld: "Zitten
gedurende vrijwel de gehele werkdag 1 uur aaneengesloten.", terwijl
de belastbaarheid van appellant is gewaardeerd op: "Zitten
gedurende vrijwel de gehele werkdag een half uur aaneengesloten".
De verzekeringsgeneeskundige Y. Margry heeft ten aanzien van de
overschrijding met betrekking tot het aspect zitten, die bij vijf aan de
schatting ten grondslag gelegde functies voorkomt, één toelichting
gegeven, hoewel het gaat om verschillende functies en niet
gelijksoortige overschrijdingen. Die toelichting houdt in dat wat langer
zitten dan een half uur mogelijk moet zijn bij een goede zitvoorziening.
Deze niet op de functie van samensteller toegespitste en niet nader
medisch gemotiveerde toelichting acht de Raad onvoldoende om te kunnen
dienen als een adequate motivering voor de geschiktheid van die functie.
Dit klemt te meer nu aan de motivering van deze toelichting extra eisen
moeten worden gesteld, omdat het hier gaat om een (impliciete) wijziging
van een aanvankelijk gekozen waardering van de belastbaarheid van
appellant.
Uit het voorgaande volgt dat de onderhavige schatting niet kan worden
gebaseerd op de functie samensteller.
Aangezien de functie inpakker ten aanzien van het aspect zitten exact
dezelfde overschrijding kent als de functie samensteller, overweegt de
Raad onder verwijzing naar het vorenstaande dat ook die functie reeds
vanwege het ontbreken van een adequate toelichting van de overschrijding
van de belastbaarheid ten aanzien van het aspect zitten bij de
onderhavige schatting buiten aanmerking dient te blijven.
De functie plantenstekker kent ten aanzien van het aspect zitten
weliswaar een andersoortige overschrijding van de aanvankelijk gekozen
waardering van de belastbaarheid van appellant dan de functies
samensteller en inpakker, maar ook hier is de Raad van oordeel dat hoger
vermelde door de verzekeringsgeneeskundige Y. Margry gegeven, niet op
deze functie toegespitste en niet medisch gemotiveerde toelichting
ontoereikend is. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat het ook
hier gaat om een belasting die overeenkomt met een waardering die bij de
vaststelling van de belastbaarheid van appellant ten aanzien van het
aspect zitten aan de verzekeringsgeneeskundige ter beschikking stond,
maar kennelijk te zwaar werd bevonden.
Uit het voorgaande volgt dat van geen van de bij de onderhavige
schatting betrokken functies kan worden gezegd dat zij voor die
schatting een toereikende grondslag vormen en derhalve niet is voldaan
aan artikel 3 van het Schattingsbesluit, waarin is bepaald dat een
arbeidsongeschiktheidsschatting op tenminste drie functies moet zijn
gebaseerd. Dit betekent dat het besluit van 21 februari 1995 wegens
strijd met artikel 4:16 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht niet in
stand kan blijven. Ook de aangevallen uitspraak komt - voor zover
aangevochten - voor vernietiging in aanmerking.
In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 710,-- aan kosten
wegens aan appellant in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een
bedrag groot f 2.495,-- aan kosten wegens aan appellant in hoger beroep
verleende rechtsbijstand.
Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant in het geding in
eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde
dient te worden vergoed.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep in eerste aanleg tegen het besluit van 21 februari
1995 alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 21 februari 1995;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg
tot een bedrag van f 710,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
2.495,--;
Bepaalt dat gedaagde het door appellant betaalde griffierecht van in
totaal f 210,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in
tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 4 februari 2000.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|