|
Uitspraak
97/173
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 26 oktober 1995 heeft appellant de aan gedaagde
toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) per 18 december 1995 ingetrokken en de aan deze toegekende
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
per die datum herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
De Arrondissementsrechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 13
november 1996, gegeven onder nummer AAW/WAO 95/2075, gedaagdes beroep
tegen dat besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, zulks met
bepalingen over griffierecht en proceskosten en veroordeling tot
betaling van de wettelijk rente.
Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft de Raad nadere stukken doen toekomen en bij brief van 12
februari 1999 vragen van de Raad beantwoord.
Gedaagde heeft een nadere reactie ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 16 april 1999, waar appellant
zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. E.G. van Roest, werkzaam bij
Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen met
bijstand van mr. J.A.H. Blom, advocaat te Alkmaar.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 12 november
1999, gevoegd met het geding bij de Raad geregistreerd onder nummer
97/1167 AAW/WAO. Appellant heeft zich - daartoe ambtshalve opgeroepen -
doen vertegenwoordigen door mr. E.G. van Roest, alsmede door E.M. Cohen,
senior beleidsmedewerker, en D. Vermeulen, regionaal arbeidsanalist
projectleider functie-informatiesysteem (FIS). Gedaagde heeft zich doen
vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Blom.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 26 oktober 1995 heeft appellant de aan gedaagde
toegekende uitkering krachtens de AAW per 18 december 1995 ingetrokken
en de aan deze toegekende uitkering krachtens de WAO per die datum
herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15
tot 25%. Aan dit besluit ligt het standpunt ten grondslag dat gedaagde
naar de opvatting van appellant met de bij hem vastgestelde rug- en
beenklachten op en na 18 december 1995 in staat is de hem voorgehouden
functies te verrichten, waarmee hij een inkomen kan verwerven dat in
vergelijking met het voor hem geldende maatmaninkomen een verlies aan
verdienvermogen te zien geeft van ongeveer 22%.
Blijkens de aangevallen uitspraak is de rechtbank van oordeel dat de
verzekeringsgeneeskundige R. Duquesnoy, op wiens advies appellants
besluit van 26 oktober 1995 is gebaseerd, ten aanzien van gedaagde de
juiste medische beperkingen heeft vastgesteld. Volgens de rechtbank kan
gedaagde met die beperkingen vier van de zes hem voorgehouden functies
verrichten. Twee functies, kwekerijmedewerker en printplaatmonteur,
heeft de rechtbank voor gedaagde niet passend geacht onder overweging
dat de vanwege appellant gegeven toelichting bij de bij die functies
optredende overschrijdingen van de belastbaarheid van gedaagde niet
toereikend was. De rechtbank heeft voorts de door appellant toegepaste
uurloonvergelijking onjuist geoordeeld.
Appellant, die heeft doen weten de schatting van gedaagde niet langer te
baseren op de functies plantenstekker en sieradenmaker, betwist in hoger
beroep nog slechts het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel
over de passendheid van de functies kwekerijmedewerker en
printplaatmonteur.
Gedaagde heeft in hoger beroep gesteld dat bij de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is uitgegaan van onjuiste medische
beperkingen en dat de functies kwekerijmedewerker, printplaatmonteur en
medewerker uitprijsafdeling niet passend zijn.
De Raad overweegt het volgende.
Ten aanzien van de door gedaagde naar voren gebrachte grief dat het
besluit van 26 oktober 1995 berust op een onjuiste medische grondslag,
merkt de Raad op dat hij, evenals de rechtbank, voor de juistheid van
die grief in de voorhanden medische gegevens, waaronder die welke door
gedaagde in eerste aanleg zijn overgelegd, onvoldoende grond heeft
kunnen vinden. In aanmerking genomen dat van de zijde van gedaagde in
hoger beroep geen nadere medische gegevens naar voren zijn gebracht,
overweegt de Raad dat ook voor hem niet is komen vast te staan dat
gedaagde ten tijde hier van belang relevante beperkingen had als gevolg
van nekklachten. Evenals de rechtbank wijst ook hij op de brief van
gedaagdes behandelend neuroloog van 17 juli 1996 inhoudende dat gedaagde
deze klachten eerst medio maart 1996 heeft gemeld en dat deze moeilijk
in verband te brengen zijn met de datum 18 december 1995.
De Raad komt vervolgens toe aan de grief van appellant dat de rechtbank
ten onrechte heeft geoordeeld dat de functies kwekerijmedewerker en
printplaatmonteur voor gedaagde medisch niet geschikt zijn te achten,
omdat, voor zover daaraan belastingen zijn verbonden die de
belastbaarheid van gedaagde overschrijden, die overschrijdingen
onvoldoende zijn gemotiveerd.
Dat functies worden geselecteerd waaraan zwaardere belastingen zijn
verbonden dan in overeenstemming is met de door de
verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van
betrokkene vindt - zo is ter zitting door de gemachtigden van appellant
E.M. Cohen en D. Vermeulen desgevraagd toegelicht - zijn oorzaak in de
omstandigheid dat bij de geautomatiseerde voorselectie wat betreft de
toelaatbare belastingen van de functies niet slechts functies worden
geselecteerd waarvan de belasting blijft binnen de door de
verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van
betrokkene. Bij die geautomatiseerde voorselectie kunnen ook functies
worden geselecteerd waarvan de belastingen de door de
verzekeringsgeneeskundige gekozen waarderingen van de belastbaarheid van
betrokkene overschrijden. Bij die voorselectie van de functies worden
namelijk als grenswaarden gehanteerd die bij de functies behorende
belastingen die wat betreft intensiteit én frequentie behoren tot de
naast hogere gradering, dan wel die de gekozen waarderingen van de
belastbaarheid wat betreft intensiteit óf frequentie maximaal twee
graderingen te boven gaan.
De hierboven beschreven wijze van voorselectie van functies hangt - mede
blijkens de ter zitting van de Raad gegeven toelichting - samen met
enerzijds de omstandigheid dat de verzekeringsgeneeskundige bij zijn
keuze tussen de hem (limitatief) ter beschikking staande waarderingen om
de belastbaarheid van betrokkene weer te geven in geval van twijfel
steeds de waardering kiest die de geringste belastbaarheid weergeeft, en
anderzijds dat bij de vaststelling van de belasting die is verbonden aan
een in het FIS opgenomen functie, steeds de zwaarste belasting wordt
genomen als moet worden gekozen tussen twee waarderingen van de
belasting van een functie. Dit betekent dat ondanks het feit dat bij de
geautomatiseerde voorselectie van een functie de belasting van die
functie op een of meer aspecten de gekozen waardering(en) van
belastbaarheid van betrokkene te boven lijkt te gaan, de werkelijke
belasting van die functie toch in overeenstemming kan zijn met de in
feite bestaande belastbaarheid van betrokkene. Een nadere beoordeling
door de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige moet dan
uitwijzen of de functie ondanks een overschrijding van de gekozen
waarderingen van de belastbaarheid van betrokkene voor hem of haar
daadwerkelijk toch geschikt is.
In eerdere uitspraken (onder meer de uitspraak gepubliceerd in USZ
1997/207) heeft de Raad als zijn zienswijze te kennen gegeven dat het
ontbreken van een adequate toelichting op deze nadere beoordeling leidt
tot strijd met het in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde
motiveringsvereiste. Indien zich daarbij de situatie voordoet dat de
verzekeringsgeneeskundige terugkomt van de gemaakte keuze bij de
invulling van het formulier waarop hij de waarderingen van de
belastbaarheid van betrokkene heeft vermeld, en dat hij de aanvankelijk
voor betrokkene te hoog geachte belastbaarheid alsnog aanvaardbaar acht,
dient aan de hiervoor genoemde toelichting op de nadere beoordeling nog
extra eisen te worden gesteld. Omdat zowel de verzekerde als ook de
toetsende instantie ervan moeten kunnen uitgaan dat de niet gekozen
waarderingen geen juiste afspiegeling vormen van betrokkenes
belastbaarheid, kan zo'n (impliciete) wijziging van de waardering van de
belastbaarheid enkel worden aanvaard, indien buiten kijf staat dat er
geen sprake is van een ontoelaatbare relativering van de aanvankelijk
gekozen waardering van de belastbaarheid van betrokkene. Dit laatste is
naar het oordeel van de Raad zonder meer het geval indien de belasting
van een functie zowel qua frequentie als qua intensiteit onverkort
overeenkomt met een waardering van de belastbaarheid die aanvankelijk te
zwaar werd bevonden voor betrokkene.
Appellant is van oordeel dan van zijn kant, in het bijzonder in de
nadere reacties van de verzekeringsgeneeskundige R. Duquesnoy,
genoegzaam is aangetoond dat de betrokken functies ondanks de daaraan
verbonden overschrijdingen voor gedaagde vanuit medisch oogpunt bezien
geschikt zijn.
De functie kwekerijmedewerker kent overschrijdingen ten aanzien van het
aspect lopen en het aspect buigen of torderen.
Bij het aspect lopen is vermeld: "Lopen gedurende vrijwel de gehele
werkdag een half uur aaneengesloten. zelf bepalen" terwijl de voor
gedaagde vastgestelde belastbaarheid is bepaald op: "Lopen
gedurende 4 uur per werkdag een kwartier aaneengesloten". De
verzekeringsgeneeskundige R. Duquesnoy heeft medegedeeld deze
overschrijding ten aanzien van lopen voor appellant niet bezwaarlijk te
achten omdat gedaagde "een en ander zelf kan bepalen". Dit
niet medisch nader gemotiveerde standpunt acht de Raad - nog daargelaten
dat appellant niet nader heeft kunnen verklaren hoe de belasting ten
aanzien van lopen in de functie van kwekerijmedewerker in de praktijk
kan worden gemitigeerd - onvoldoende om te kunnen dienen als een
adequate motivering voor de geschiktheid van die functie. Dit klemt te
meer nu aan de motivering van deze toelichting extra eisen moeten worden
gesteld, omdat het hier gaat om een (impliciete) wijziging van een
aanvankelijk gekozen waardering van de belastbaarheid van gedaagde.
Reeds omdat ten aanzien van het aspect lopen niet toereikend is
gemotiveerd waarom de functie kwekerijmedewerker ondanks de
overschrijding van de waardering van gedaagdes belastbaarheid voor hem
vanuit medisch oogpunt bezien geschikt is te achten, moet - met de
rechtbank - worden vastgesteld dat de onderhavige schatting niet kan
worden gebaseerd op die functie.
De functie printplaatmonteur kent een belasting ten aanzien van zitten:
"Zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag een half uur
aaneengesloten", die de waardering van gedaagdes belastbaarheid:
"Zitten gedurende vrijwel de gehele werkdag een kwartier
aaneengesloten" eveneens te boven gaat. Volgens de
verzekeringsgeneeskundige R. Duquesnoy is de functie printplaatmonteur
als geschikt te beschouwen, omdat de (overige) belastingaspecten - onder
meer de aspecten 2, 3, 7, 8, 13 en 15 - van de functie zo ruim binnen de
vastgestelde grenzen blijven dat het verrichten van die functie toch
niet als bezwaarlijk kan worden geacht. Ook deze toelichting acht de
Raad ontoereikend. Tegen de achtergrond van het gegeven dat, zoals
appellant desgevraagd heeft bevestigd, zowel de mate van de
belastbaarheid als de belastingen afzonderlijk - en niet in onderlinge
samenhang - worden bepaald, en in aanmerking genomen dat het ook hier
gaat om een (impliciete) wijziging van een aanvankelijk gekozen
waardering van de belastbaarheid van gedaagde acht de Raad deze
overigens niet nader onderbouwde stellingname onvoldoende voor de
conclusie dat de functie van printplaatmonteur, ondanks de daaraan
verbonden overschrijding van de gekozen waardering van de belastbaarheid
van gedaagde ten aanzien van zitten, voor gedaagde geschikt is te
achten. Ook van deze functie heeft de rechtbank derhalve terecht
vastgesteld dat de hier aan de orde zijnde schatting daarop niet kan
worden gebaseerd.
Uit het voorgaande volgt dat twee van de vier aan de onderhavige
schatting nog ten grondslag liggende functies moeten komen te vervallen
en derhalve niet is voldaan aan artikel 3 van het Schattingsbesluit,
waarin in bepaald dat een arbeidsongeschiktheidsschatting op tenminste
drie functies moet zijn gebaseerd. Dit betekent dat het besluit van 26
oktober 1995 wegens strijd met artikel 4:16 (oud) van de Algemene wet
bestuursrecht niet in stand kan blijven.
Hetgeen van de zijde van gedaagde overigens naar voren is gebracht over
de niet-passendheid van de hem voorgehouden functies, kan de Raad dan
ook buiten bespreking laten.
Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak - zij het met verbetering van gronden - te worden bevestigd. De Raad
ziet aanleiding appellant te veroordelen tot vergoeding van een bedrag
groot f 2.130,- aan kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende
rechtsbijstand, alsmede f 35,25 terzake van in hoger beroep gemaakte
reiskosten en f 143,34 terzake van in hoger beroep gemaakte
verletkosten.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 2.308,59;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in
tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken
in het openbaar op 4 februari 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|