|
Uitspraak
97/8292
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 13 september 1996 heeft appellant van gedaagde een
bedrag van f 59.378,54 (bruto, inclusief overhevelingstoeslag)
teruggevorderd ter zake van over de periode 28 oktober 1991 tot 27 april
1994 onverschuldigd betaalde uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
De rechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 11 augustus 1997
(onder andere) het beroep tegen dat besluit gedeeltelijk gegrond
verklaard, namelijk voorzover het betreft de terugvordering over de
periode 1 januari 1994 tot 27 april 1994 en dat besluit in zoverre
vernietigd. Voorts heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de
vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierecht en de
proceskosten. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in
zoverre van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 25 januari 2000, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant heeft op 13 september 1996 een drietal besluiten genomen.
Bij het eerste besluit (hierna: besluit I) heeft appellant de
uitkeringen van gedaagde ingevolge de AAW en de WAO, die waren berekend
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van
28 oktober 1991 herzien en nader vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Voorts heeft appellant daarbij
besloten gedaagdes uitkeringen van 1 november 1991 tot 26 september 1992
niet uit te betalen in verband met het bepaalde in de (toenmalige)
artikelen 34 en 45 van respectievelijk de AAW en de WAO.
Bij het tweede besluit (hierna: besluit II) heeft appellant de AAW- en
de WAO-uitkering van gedaagde met ingang van 26 mei 1994 ingetrokken.
Het derde besluit (hierna: besluit III) is het in
rubriek I genoemde besluit waarbij van gedaagde een bedrag van f 59.378,54 wordt teruggevorderd. Dit besluit berust op de overweging dat
aan gedaagde over de daarin genoemde periode uitkeringen
ingevolge de AAW en de WAO zijn uitbetaald naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, terwijl hij, achteraf gezien,
slechts recht bleek te hebben op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO
naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De onverschuldigde betalingen zijn volgens appellant ontstaan doordat
gedaagde geen mededeling had gedaan van het feit dat hij werkzaamheden
bij een isolatiebedrijf was gaan verrichten. Appellant heeft daarom de
terugvordering primair gebaseerd op de zogeheten a-grond (toedoen) van
de artikelen 48 AAW en 57 WAO.
Gedaagde is tegen de besluiten I, II en III in beroep gekomen bij de
rechtbank te Rotterdam. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak
de beroepen tegen de besluiten I en II ongegrond verklaard.
Ten aanzien van besluit III heeft de rechtbank in haar uitspraak, waarin
gedaagde wordt aangeduid als eiser en appellant als verweerder, onder
meer het volgende overwogen:
"De verzekeringsgeneeskundige N.L.E.C. Weevers heeft in haar
rapport van 2 mei 1994 geconcludeerd dat eiser, gezien de bij hem
geconstateerde belastbaarheid, tot 1 januari 1994 in staat was tot het
verrichten van hem passende arbeid, maar dat eiser vanaf 1 januari 1994
volledig arbeidsongeschikt is.
De rechtbank is niet gebleken dat deze opvatting onjuist of door
verweerder gemotiveerd is verworpen. Dit kan inhouden dat aan eiser over
de periode van 1 januari 1994 tot 26 mei 1994 (de datum waarop besluit
II ziet) uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toekomen. De rechtbank
heeft onvoldoende gegevens om thans de vraag te kunnen beantwoorden of
dit het geval is; zo is onduidelijk of eiser op 1 januari 1994 nog
verzekerd was ingevolge de WAO en of hij op die datum aan de inkomenseis
ingevolge de AAW voldeed.
Aangezien derhalve thans niet vast te stellen is of eiser van 1 januari
1994 tot 26 mei 1994 onverschuldigd uitkeringen ingevolge de AAW en de
WAO zijn betaald en het bestreden besluit III in dit opzicht niet met de
ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste
zorgvuldigheid is voorbereid, ziet de rechtbank aanleiding om dit
besluit in zoverre te vernietigen."
Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de hierboven genoemde
overwegingen in de uitspraak, die hebben geleid tot de gedeeltelijke
gegrondverklaring van het beroep tegen besluit III.
Appellant heeft daarbij onder meer aangevoerd dat de rechtbank heeft
bevestigd dat gedaagde in de periode 28 oktober 1991 tot 26 mei 1994 -en
dus ook op 1 januari 1994- voor 35 tot 45% arbeidsongeschikt was.
Ongeacht de waarde die aan de verkorte rapportage van de
verzekeringsarts van 2 mei 1994 moet worden gehecht, en dus ongeacht de
vraag of gedaagde per 1 januari 1994 als toegenomen arbeidsongeschikt
moet worden beschouwd, gaat er - aldus appellant - per 1 januari 1994 voor
gedaagde hooguit een wachttijd lopen als bedoeld in artikel 27 AAW en
artikel 37 WAO. Die wachttijd wordt op 26 mei 1994 door gedaagdes
werkhervatting en het onderliggende medische oordeel dat betrokkene tot
die werkhervatting in staat was, afgebroken.
Volgens appellant betekent dit dat er geen onzekerheid kan bestaan over
gedaagdes rechten op een AAW/WAO-uitkering over de periode van 1 januari
1994 tot 27 april 1994: die uitkering blijft hoe dan ook berekend naar
een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De Raad overweegt het volgende.
Uit de uitspraak van de rechtbank, waarbij het beroep tegen besluit I
ongegrond is verklaard, volgt dat de uitkeringen van gedaagde ingevolge
de AAW en de WAO met ingang van 28 oktober 1991 dienden te worden
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De
aldus vastgestelde uitkeringen liepen door tot er een nieuw besluit zou
worden genomen dat daarin wijziging bracht.
De opvatting van de verzekeringsarts, zoals zij die heeft neergelegd in
haar rapportage van 2 mei 1994, kan niet worden gezien als een dergelijk
besluit. Een relevant besluit als hier bedoeld is bij besluit II eerst
genomen ten aanzien van de datum 26 mei 1994. Daarmee staat vast dat
(ook) in de periode van 1 januari 1994 tot 27 april 1994 de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant 35 tot 45% bedroeg.
Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank, door in het kader van het
terugvorderingsbesluit (besluit III) de rechtens vaststaande mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant op een niet in een besluit
neergelegde datum te beoordelen, getreden buiten de omvang van het aan
haar voorgelegde geding, hetgeen naar het oordeel van de Raad in strijd
moet worden geacht met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad zal de aangevallen uitspraak
in zoverre vernietigen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat naar het oordeel van de Raad ook
over de periode van 1 januari 1994 tot 27 april 1994 onverschuldigd
uitkering aan gedaagde is betaald.
Nu de Raad ook overigens geen gronden ziet op grond waarvan de
terugvordering over die periode niet in stand kan blijven - hij verwijst
hier naar de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de
terugvordering over de periode van 28 oktober 1991 tot 1 januari 1994 -
zal hij het beroep tegen besluit III alsnog in zijn geheel ongegrond
verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover deze betrekking heeft op
de terugvordering over de periode 1 januari 1994 tot 27 april 1994, en
voorzover appellant bij die uitspraak is veroordeeld tot vergoeding van
het griffierecht en de proceskosten;
Verklaart het beroep tegen besluit III alsnog in zijn geheel ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22
februari 2000.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.W. Engelhart.
|
|