|
Uitspraak
97/11891
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 27 november 1995 heeft appellant de eerder aan gedaagde
toegekende uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschikheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke
laatstelijk werden berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%, met ingang van 1 januari 1996 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 11 november
1997 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd.
Appellant heeft tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep ingesteld.
Namens gedaagde is C.H. van Ginneken, wonende te Zegge, als gemachtigde
gesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 april
2000, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M.
Wiertz, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde zich heeft
laten vertegenwoordigen door mr. P.H.G.C. Gremmen, advocaat te Etten-Leur.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende als vaststaand
aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eiseres, geboren in 1953, is werkzaam geweest als inpakster bij N.V.
X te Y. Voor dat werk is eiseres in november 1975 ongeschikt geworden
vanwege gewrichtsklachten.
Verweerder heeft aan eiseres een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend met ingang van 9
november 1976, laatstelijk berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Bij het bestreden besluit van 27 november 1995 heeft verweerder eiseres
AAW- en WAO-uitkering per 1 januari 1996 ingetrokken".
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat
het bestreden besluit een deugdelijke arbeidskundige grondslag ontbeert
en deswege voor vernietiging in aanmerking komt. In dat verband is in de
aangevallen uitspraak het volgende overwogen:
"Op grond van de stukken moet naar het oordeel van de rechtbank
worden aangenomen dat de verzekeringsarts bij eiseres niet te geringe
medische beperkingen heeft vastgesteld.
Met name blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts van 31
augustus 1995 dat deze op de hoogte was van de door eiseres gestelde
klachten, waaronder de gewrichtsklachten verspringend over alle
gewrichten, maar het meest voorkomend in haar schouders, ellebogen,
handen, knieën en soms in haar kaakgewricht.
Bovendien heeft eiseres geen informatie overgelegd die aanleiding geeft
tot twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsarts.
De arbeidsdeskundige heeft voor de bepaling van eiseres'
restverdiencapaciteit in aanmerking genomen de drie in de
arbeidsmogelijkhedenlijst vermelde functies van samensteller,
lederbewerker en medewerker uitsprijsafdeling.
Deze functies moeten volgens de arbeidsdeskundige worden beschouwd als
gangbare arbeid waartoe eiseres met haar krachten en bekwaamheden nog in
staat is.
Dit standpunt vindt naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft
de functies lederbewerker en medewerker uitprijsafdeling voldoende steun
in de stukken, waaronder de verwoording van eiseres' belastbaarheid en
de verwoording van de belasting van de genoemde functies, alsmede het
verslag van 13 september 1995 van het nadere overleg tussen de
arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts over de geschiktheid van de in
de arbeidsmogelijkhedenlijst genoemde functies.
Echter niet voor wat betreft de functie samensteller. Bij deze functie
is in de verwoording functiebelasting een asterisk geplaatst bij het
onderdeel "bijzondere eisen aan het hand- en vingergebruik".
Het nader overleg tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsarts
over de geschiktheid van deze functie voor eiseres maakt echter naar het
oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze duidelijk waarom deze
functie voor eiseres geschikt is. Het overleg vermeldt immers slechts
"De in deze functie voorkomende hand- en vingervaardigheid
overschrijdt belanghebbendes belastbaarheid niet" hetgeen onjuist
is nu door plaatsing van de asterisk wordt aangegeven dat de
belastbaarheid van eiseres juist wel wordt overschreden. Het ligt op de
weg van verweerder om deugdelijk gemotiveerd aan te geven waarom
niettegenstaande de overschrijding van de belastbaarheid de functie
voor eiseres toch geschikt is. Nu die deugdelijke motivering ontbreekt
dient de functie samensteller voor de schatting buiten beschouwing te
blijven.
Gelet op het vorenstaande resteren voor de schatting slecht twee
functies hetgeen in strijd is met artikel 3 van het
Schattingsbesluit".
In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de aangevallen
uitspraak onder meer als volgt bestreden:
"Samenvattend is ondergetekende van oordeel dat de gegeven
motivering ten aanzien van de gemarkeerde aspecten in de verwoording
functiebelasting voldoende toereikend te achten is, en dat de
rechtbank, door strijdigheid met artikel 3 van het Schattingsbesluit te
stoelen op het ontbreken van voldoende inzicht in de passendheid van de
functie samensteller, waardoor in feite een motiveringsgebrek wordt
aangenomen, niet op grond hiervan het beroep gegrond mag verklaren, nu
op het ontbreken van een kenbare motivering door gedaagde geen beroep is
gedaan".
Van de kant van gedaagde is in hoger beroep gesteld dat de in eerste
aanleg aanvoerde grieven van medische aard worden gehandhaafd en dat wat
betreft de arbeidskundige aspecten de inhoud van de aangevallen
uitspraak wordt onderschreven.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
De Raad stelt allereerst vast dat de rechtbank - anders dan appellant
meent - niet buiten de grenzen van het geding, zoals bepaald door
artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is getreden. De
vernietiging van het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak
heeft immers niet plaatsgevonden op grond van de overweging dat bij de
bekendmaking van het besluit de motivering ontbrak als bedoeld in
artikel 4:17 (oud) van de Awb, waaromtrent door gedaagde in eerste
aanleg inderdaad geen grieven zijn aangevoerd. Deze vernietiging is
namelijk in het bijzonder gebaseerd op de overweging dat een deugdelijke
motivering ontbreekt, waarmee de rechtbank kennelijk doelt op een
motiveringsgebrek in de zin van artikel 4:16 (oud) van de Awb. Gelet op
de in eerste aanleg aangevoerde medische en arbeidskundige grieven
alsmede op de onderlinge verwevenheid van de medische en arbeidskundige
aspecten van de grondslag van een besluit als het onderhavige dient de
het oordeel van de rechtbank dat een deugdelijke motivering ontbreekt,
als een in artikel 8:69, tweede lid, van de Awb voorgeschreven
ambtshalve aanvulling van rechtsgronden te worden beschouwd.
Ook overigens onderschrijft de Raad de door appellant aangevoerde
grieven tegen de aangevallen uitspraak niet. Bij de functie
samensteller/ster die ten behoeve van de onderhavige schatting van de
mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde is geselecteerd, is sprake
van een overschrijding van de belastbaarheid van gedaagde met betrekking
tot het aspect bijzondere eisen aan hand- en vingergebruik. In het
"rapportageformulier fis-overleg" van 13 september 1995 wordt
ten aanzien van deze overschrijding slechts vermeld dat deze
belanghebbendes belastbaarheid niet overschrijdt. Noch in bedoeld
formulier noch elders in de gedingstukken wordt dit standpunt
onderbouwd.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat daarmee niet is voldaan aan
de in de jurisprudentie van de Raad gestelde eis dat in een geval als
het onderhavige niet alleen moet blijken dat overleg tussen de
arbeidskundige en de verzekeringsarts heeft plaatsgevonden, maar ook
moet blijken op welke gronden zij tot de opvatting gekomen zijn dat
ondanks de overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken
verzekerde de betreffende functie toch geschikt te achten is voor
betrokkene.
Aan het vorenstaande wordt geen afbreuk gedaan doordat - appellant wijst
daarop in het aanvullend beroepschrift - de rechtbank heeft nagelaten
gebruik te maken van de mogelijkheid om in het kader van het
schriftelijke vooronderzoek appellant om een nadere motivering van de
aan de orde zijnde overschrijding te verzoeken. Hoewel de Raad van
oordeel is dat het doen van een dergelijk verzoek doorgaans met het oog
op een finale beslechting van het geschil de voorkeur verdient boven de
thans door de rechtbank ingeslagen weg, doet zulks er niet aan af dat
appellant in het kader van de beroepsprocedure had dienen zorg te dragen
voor een deugdelijke grondslag van zijn besluit.
Naar aanleiding van het door gedaagde naar voren gebrachte overweegt de
Raad nog het volgende. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel
dat op grond van de thans beschikbare medische gegevens niet kan worden
aangenomen de verzekeringsarts niet te geringe medische beperkingen
heeft vastgesteld. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts op de
hoogte was van de klachten van gedaagde en dat gedaagde niet spontaan
informatie heeft overgelegd die aanleiding geeft tot twijfel aan de
bevindingen van de verzekeringsarts, kan niet leiden tot de daaraan
verbonden gevolgtrekking van de rechtbank. In dat verband wijst de Raad
erop dat gedaagde heeft gesteld dat zij in verband met de rheumatoďde
artritis, waaraan zij lijdt, sedert een groot aantal jaren door
appellant als volledig arbeidsongeschikt werd beschouwd en dat in dat
ziekteproces geenszins een verbetering is ingetreden.
Nu echter het bestreden besluit ook op grond van de door de rechtbank
gebezigde overwegingen geen stand kan houden en het thans aan appellant
is om eventueel tot nadere besluitvorming over te gaan, ziet de Raad
geen aanleiding thans nader onderzoek te doen instellen naar dit
medische geschilpunt.
De Raad acht tenslotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van
de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze
kosten worden begroot op f 710,- voor verleende rechtsbijstand in hoger
beroep.
Uit vorenstaande vloeit voort dat dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 710,-;
Bepaalt dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden in
tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en in het openbaar
uitgesproken op 17 mei 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|