|
Uitspraak
97/2005
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 14 december 1995 heeft gedaagde de uitkering van
appellante ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke
laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35
tot 45%, met ingang van 1 februari 1996 ingetrokken, onder overweging
dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van die
datum minder dan 25% was.
De rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 10 januari 1997 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar
die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Namens appellante is mr. P.J. van 't Hoff, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellantes gemachtigde heeft bij schrijven van 1 augustus 1997 de
gronden van het hoger beroep nader aangevuld. Gedaagde heeft daarop bij
brief van 3 september 1997 gereageerd.
Op 18 juni 1999 heeft gedaagde vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 april 2000, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van ’t Hoff
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.
de Rooy, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellante werkt sedert 1980 in het bedrijf van haar echtgenoot en
diens broer. Dit bedrijf bestaat uit een fokvarkens- en een
mestvarkensbedrijf. Appellante was gedurende gemiddeld 25 uren per week
werkzaam.
Op 6 juni 1990 heeft appellante zich tot gedaagde gewend met het verzoek
haar in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Zij heeft daarbij aangegeven sedert 1
juli 1988 eerst geheel en nadien gedeeltelijk arbeidsongeschikt te zijn
in verband met rugklachten.
Gedaagde heeft appellante met ingang van 30 juni 1989 een uitkering
ingevolge de AAW toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Daartoe was door middel van
deeltaakanalyse en urenvergelijking vastgesteld welke deel van haar
werkzaamheden appellante met de voor haar geldende medische beperkingen
nog kon verrichten.
In 1995 heeft gedaagde de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid
opnieuw beoordeeld in verband met het op haar van toepassing worden van
de regelgeving zoals deze na inwerkingtreding van de Wet terugdringing
beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen op 1 augustus 1993 luidt.
Nadat de verzekeringsgeneeskundige Moraca-Kvapilova voor appellante een
belastbaarheidspatroon had vastgesteld, heeft de arbeidsdeskundige De
Wildt een aantal functies geselecteerd die naar zijn oordeel
overeenkomen met appellantes belastbaarheid. Vergelijking van de mediane
loonwaarde van de drie hoogstbeloonde van die functies met appellantes
maatmaninkomen leidde deze arbeidsdeskundige tot de conclusie dat de
mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 25% was.
Dit heeft gedaagde aanleiding gegeven tot het nemen van het in rubriek I
omschreven bestreden besluit van 14 december 1995.
In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan houden.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of de arbeidsdeskundige De
Wildt en in diens voetspoor gedaagde zijn uitgegaan van een juist
maatmaninkomen.
Op grond van het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van het hier
toepasselijke Schattingsbesluit moet het maatmaninkomen ten tijde van
de laatste vaststelling of herziening van de mate van
arbeidsongeschiktheid van de verzekerde worden geïndexeerd met de in
artikel 6 genoemde indexcijfers. In casu is die laatste vaststelling de
toekenning van appellantes uitkering op 30 juni 1989. Partijen
verschillen van mening over de hoogte van het maatmaninkomen op die
datum.
Zoals de Raad eerder in zijn jurisprudentie tot uitdrukking heeft
gebracht, onder meer in zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1993/298,
dient bij de bepaling van het maatmaninkomen van een zelfstandige voor
de gevallen waarin dat praktisch mogelijk is, steeds als uitgangspunt te
gelden de door de fiscus aanvaarde nettowinst over de laatste drie boekjaren voor het intreden van de
arbeidsongeschiktheid; die
winstcijfers dienen eerst afzonderlijk geïndexeerd te worden naar de
van belang zijnde datum, in casu 30 juni 1989, waarna de som van de geïndexeerde
winstcijfers vervolgens door het getal drie wordt gedeeld.
Gedaagde geeft aan deze regel bij een verzekerde die ten tijde van het
intreden van zijn arbeidsongeschiktheid werkzaam was in de agrarische
bedrijfstak, uitvoering door de winstcijfers te indexeren met behulp van
door het Landbouw Economisch Instituut (LEI) verzamelde gegevens over
het gemiddelde gezinsinkomen in de van belang zijnde jaren in dat
onderdeel van die bedrijfstak waarin de verzekerde werkzaam was.
Gedaagde stelt zich op het standpunt dat door aansluiting te zoeken bij
de gemiddelde winstontwikkeling van branchegenoten zo goed mogelijk
wordt benaderd welke winst in het bedrijf van de verzekerde op de van
belang zijnde datum zou zijn gerealiseerd indien de verzekerde niet
arbeidsongeschikt zou zijn geworden.
Zijdens appellante is het volgende aangevoerd.
"Vanwege de van jaar tot jaar wisselende inkomsten,
deels veroorzaakt door marktomstandigheden, wordt bij de vaststelling
van het maatmaninkomen van zelfstandigen het gemiddelde inkomen van de
laatste drie jaren voorafgaande aan het intreden van de
arbeidsongeschiktheid genomen. In de thans door het GUO gehanteerde
werkwijze is bij de vaststelling van het maatmaninkomen per einde
wachttijd aan het aan de LEI-gegevens ontleende gemiddelde gezinsinkomen
in één jaar een overwegende betekenis toegekend. Deze factor is
dermate dominant dat de relatie met de werkelijk behaalde
bedrijfsresultaten in de referteperiode van drie boekjaren - alsmede de
te verwachten ontwikkeling daarin indien appellante niet
arbeidsongeschikt zou zijn geworden - daardoor te zeer op de achtergrond
is geraakt."
Gedaagde heeft daarop als volgt gereageerd.
"Door toepassing van de ... geschetste wijze van
actualiseren gaat gedaagde ervan uit dat enig bedrijf zich ontwikkeld
zou hebben overeenkomstig soortgelijke bedrijven. De in de branche
waarneembare tendens wordt aldus geprojecteerd op het (lees: de) - door
het bedrijf in kwestie - in het verleden behaalde resultaten. Om de
invloed van bijzondere omstandigheden te reduceren wordt dit historisch
resultaat bepaald op het gemiddelde van - in beginsel - drie jaar; de
maatman zal echter altijd op enig (beoordelings)moment moeten worden
vastgesteld. Immers, het geactualiseerde maatmaninkomen dient op een
bepaalde dag te worden bepaald en dit gebeurt door het historische
maatmaninkomen aan te passen aan de hand van de branchecijfers per
diezelfde concrete datum. Dat hiermee aan het branchegemiddelde van één
jaar 'een overwegende betekenis wordt toegekend’, zoals de gemachtigde
van appellante stelt, is onontkoombaar, en kan niet leiden tot de
conclusie dat daarmee de relatie met de 'soortgelijke gezonde’ op de
achtergrond zou zijn geraakt."
In appellantes geval leidt toepassing van de door gedaagde gehanteerde
wijze van indexeren tot het volgende resultaat.
Gedaagde is uitgegaan van de ontwikkeling van het gezinsinkomen in de
varkens- en pluimveesector, nu voor de hier van belang zijnde jaren
(nog) geen meer op de varkenssector toegespitste cijfers beschikbaar
waren. Het gezinsinkomen in de varkens- en pluimveesector bedroeg
volgens de gegevens van het LEI in de jaren 1985, 1986 en 1987
respectievelijk f 90.900, f 93.300 en f 59.500. In 1989 bedroeg dit
gezinsinkomen f 31.500, hetgeen ten opzichte van eerdergenoemde jaren
een daling betekent van respectievelijk 65,3%, 66,2% en 47,1%.
Toepassing van deze percentages op de in appellantes bedrijf
gerealiseerde winst levert het volgende resultaat op.jaar winst
percentage resultaat
1985 f 190.451 -/- 65,3% = f 66.087
1986 f 134.555 -/- 66,2% = f 45.480
1987 f 115.123 -/- 47,1% = f 60.900
Het aandeel van appellante in de winst van het bedrijf bedroeg - dit is
tussen partijen niet in geschil - 25/75. Toepassing van deze factor op de
hierboven genoemde bedragen en middeling van de aldus verkregen
uitkomsten levert na aftrek van de zogeheten AA-premies een
maatmaninkomen op 30 juni 1989 op van f 16.998 per jaar of f 1.416,50
per maand.
De Raad overweegt het volgende.
In zijn bovengenoemde uitspraak heeft de Raad neergelegd dat voor de
vaststelling van het maatmaninkomen van de zelfstandige waar dat
mogelijk is dient te worden uitgegaan van de winst over de laatste drie
boekjaren voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid.
Daarbij is in aanmerking genomen dat de winstontwikkeling niet alleen
afhankelijk is van de door de zelfstandige geleverde inspanning, maar
tevens wordt bepaald door wijzigingen in de bedrijfsvoering en door
ontwikkelingen in de bedrijfstak en in het economisch klimaat in het
algemeen. Deze invloeden kunnen sterke schommelingen van de winst tot
gevolg hebben. Bij de vaststelling van het maatmaninkomen worden die
schommelingen enigszins afgezwakt door niet de winst over één jaar
bepalend te doen zijn, maar uit te gaan van de winst over een drietal
jaren.
Door de winst te indexeren op de wijze zoals door gedaagde wordt gedaan,
gaan de brancheontwikkeling en het economisch klimaat gedurende één
enkel jaar juist weer een substantiële rol spelen bij de vaststelling
van het maatmaninkomen.
Aan gedaagde moet worden toegegeven dat met de door hem ontwikkelde
methode redelijk nauwkeurig wordt benaderd welke de winst op enig
moment, in casu het einde van de wachttijd, zou zijn geweest indien de
verzekerde niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Daarbij wordt er
evenwel aan voorbij gezien dat, zoals in bovengenoemde uitspraak van de
Raad is neergelegd, bij de vaststelling van het maatmaninkomen van een
zelfstandige geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de
winst op één moment, doch aan de winst zoals die in een aantal jaren
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid was.
Daarbij komt nog dat naar het oordeel van de Raad de door gedaagde
gekozen indexeringsmethode in de onderhavige zaak en in een aantal
vergelijkbare zaken die de Raad eveneens ter zitting van 18 april 2000
heeft behandeld, tot een resultaat leidt dat te ver verwijderd ligt van
de winstcijfers die als uitgangspunt voor de vaststelling van het
maatmaninkomen gelden. Zo is de winst in het bedrijf van appellante en
haar echtgenoot na indexering met de LEI-cijfers naar 1989 gemiddeld f 57.489. Dit laatste bedrag staat niet in verhouding tot de in de drie
jaren voorafgaand aan het intreden van appellantes arbeidsongeschiktheid in het bedrijf behaalde winst, die zonder enige
indexering gemiddeld f 146.709 bedroeg.
Anders dan in zijn uitspraak van 15 mei 1998, 96/5023 AAW, is de Raad
derhalve van oordeel dat met de door gedaagde gekozen wijze van
vaststelling van het maatmaninkomen met gebruikmaking van de gegevens
van het LEI geen juiste invulling is gegeven aan het inkomen van de
soortgelijke gezonde als bedoeld in artikel 5 van de AAW. Het bestreden
besluit dient derhalve wegens strijd met dat artikel te worden
vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit ten
onrechte in stand is gelaten.
Gedaagde heeft nog erop gewezen dat de Raad in zijn uitspraken,
gepubliceerd in RSV 1987/46 en RSV 1991/207, het gebruik van
indexcijfers op basis van weeklonen minder juist achtte dan van
indexcijfers op basis van bedrijfswinsten.
De Raad merkt op dat het in eerstgenoemde uitspraak ging om de
toepassing van artikel 34 van de AAW op grond van de door een
doorwerkende zelfstandige in zijn bedrijf gerealiseerde winst. In dat
geval achtte de Raad het geraden voor de indexering van het
maatmaninkomen aansluiting te zoeken bij indexcijfers van
bedrijfswinsten, die een veel sterkere stijging vertoonden dan de
gebruikte indexcijfers van weeklonen.
In de tweede uitspraak ging het om de schatting van een zelfstandige op
grond van de in zijn bedrijf gerealiseerde winsten. De Raad stelde in
die uitspraak een aantal aan het in die zaak bestreden besluit klevende
gebreken vast en merkte daarnaast op dat het maatmaninkomen was geïndexeerd
met CBS-cijfers voor de loonontwikkeling en dat niet was bezien welke
winstontwikkeling bedrijven die vergelijkbaar waren met betrokkenes zeer
moderne bedrijf hadden doorgemaakt.
Die casus wijken af van de onderhavige, waarin het maatmaninkomen bij
einde wachttijd dient te worden vastgesteld dat vervolgens op grond van
het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van het Schattingsbesluit wordt geïndexeerd
en afgezet tegen lonen in functies in dienstbetrekking, waarbij de
resterende verdiencapaciteit niet, zoals in de hierboven genoemde
gevallen, onderhavig is aan dezelfde conjunctuurinvloeden als het
bedrijf waarin het maatmaninkomen werd gerealiseerd.
Gedaagde zal zich dienen te beraden op welke wijze hij wel invulling kan
geven aan de in 's Raad uitspraak, gepubliceerd in RSV 1993/298,
neergelegde regel. De Raad merkt daarbij op dat gedaagdes gemachtigde
ter zitting heeft medegedeeld dat thans door de verschillende
uitvoeringsinstellingen van gedaagde aan die regel ten aanzien van
onderscheiden groepen zelfstandigen een verschillende invulling wordt
gegeven.
In aanmerking nemend dat gedaagde appellante bij brief van 8 mei 1995
heeft medegedeeld dat in verband met wijziging van de toepasselijke
regelgeving een herbeoordeling van de mate van appellantes
arbeidsongeschiktheid zal plaatsvinden, neemt de Raad aan dat gedaagde
die herbeoordeling opnieuw ter hand zal nemen en appellante over de
uitkomsten daarvan zal informeren. Naar het de Raad voorkomt zal die
herbeoordeling in elk geval niet tot indeling in een klasse leiden die
lager ligt dan de klasse waarin appellante tot 1 februari 1996 was
ingedeeld.
Appellantes gemachtigde heeft verzocht gedaagde te veroordelen in de
schade aan de kant van appellante ex artikel 8:73 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb).
Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt
vernietigd op grond van gebreken in de totstandkoming ervan en de Raad
ervan uitgaat dat gedaagde een nader besluit zal nemen.
Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke
schade uit te spreken omdat nog niet vaststaat hoe een mogelijk nader
besluit zal gaan luiden.
Gedaagde zal bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten
besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en
in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.775,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en
f 1.420,-
voor verleende rechtsbijstand en f 36,40 voor reiskosten, tezamen f 1.456,40 in hoger beroep. Andere op grond van dat artikel te vergoeden
kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en
vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.775,- en in hoger beroep tot een bedrag groot f
1.456,40;
Verstaat dat gedaagde aan appellante het gestorte recht van f 200,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Serno als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2000.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B. Serno.
|
|