|
Uitspraak
98/646
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 maart 1997 heeft gedaagde de aan appellante
toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 5 mei 1997 herzien en vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 17
december 1997 appellantes beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante is door mr. A.J. Sol, advocaat te Sas van Gent, tegen
deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
Van de zijde van gedaagde is een verweerschrift ingezonden.
Namens appellante zijn door mr. H. Klein Hesselink, kantoorgenoot van mr.
A.J. Sol, nadere gronden voor het hoger beroep in geding gebracht,
waarop van de zijde van gedaagde is gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 februari 2000, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H. Klein
Hesselink, en waar gedaagde - zoals tevoren aangekondigd - niet is
verschenen.
Na de behandeling ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek
niet volledig is geweest in verband waarmee de Raad heeft besloten het
onderzoek te heropenen.
Desverzocht hebben partijen toestemming verleend een nadere zitting
achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Appellante heeft haar fulltime werkzaamheden als ober/kelner op 10 mei
1995 gestaakt als gevolg van sinusitisklachten. Daarna ontstonden
duizeligheidsklachten, psychische
klachten en vermoeidheidsklachten.
In verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische klachten
en vermoeidheidsklachten zijn appellante met ingang van 8 mei 1996
uitkeringen krachtens de AAW en de WAO toegekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Mede gelet op informatie van de psychiater die appellante heeft
behandeld, haar psychotherapeut en informatie van appellantes huisarts
heeft de verzekeringsarts N. Bootsma ten aanzien van appellante vastgesteld dat de enige medisch
objectief vastgestelde afwijkingen zijn hyperventilatie, lage
rugklachten met uitstraling in het linkerbeen (bij belasting) en
chronische sinusitisklachten. Uitgaande van deze afwijkingen heeft deze
verzekeringsarts vervolgens appellantes belastbaarheid vastgesteld.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige C. Spaans appellante functies
voorgehouden die zij met inachtneming van haar medische beperkingen kan
verrichten en waarmee zij een inkomen kan verdienen dat in vergelijking
met het voor haar geldende maatmaninkomen een verlies aan
verdienvermogen laat zien van 25,27%.
Gedaagde heeft voorts bij besluit van 14 maart 1997 de aan appellante
toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO met ingang van 5 mei
1997 herzien en vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
25 tot 35%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellantes beroep
tegen dit besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde de
zienswijze van gedaagde ten aanzien van appellantes vastgestelde
medische beperkingen juist evenals het op grondslag daarvan ingenomen
standpunt ten aanzien van appellantes resterende arbeidsvermogen en
verlies aan verdiencapaciteit.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd komt erop neer dat
in het onderhavige geval niet is gehandeld overeenkomstig de door
gedaagde vastgestelde Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium,
omdat appellantes klachten verband houdend met het bij haar
geconstateerde chronisch vermoeidheidssyndroom niet bij de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zijn betrokken en dat een juiste
toepassing van bedoelde Richtlijn tot de conclusie leidt dat gelet op
genoemde klachten ten aanzien van appellante verdergaande medische
beperkingen gelden dan door gedaagde is aangenomen.
Namens appellante is in dit verband gesteld dat gedaagde, in het
voetspoor van de hem adviserend verzekeringsarts, de medische
beperkingen van appellante niet op juiste wijze heeft vastgesteld.
Volgens appellante moet uit de voorhanden gedingstukken worden afgeleid
dat die klachten - hoewel gedaagde heeft aangegeven aan de ernst daarvan
niet te twijfelen - reeds buiten beschouwing zijn gebleven op de enkele
grond dat daarvoor geen oorzaak of reden gevonden is, terwijl uit de
genoemde Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium blijkt dat er
ook sprake kan zijn van ziekte als de oorzaak of reden van de klachten
niet bekend is.
Ten aanzien van de van belang zijnde regelgeving en de daaraan te geven
uitleg en toepassing overweegt de Raad het volgende.
In artikel 18 van de WAO en artikel 5 van de AAW is - voor zover in dit verband van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt
is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is
om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke
opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste
rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat
slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op
medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking
komende arbeid niet kan of mag verrichten. Voorts is in de
jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere
gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan,
ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk
gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In
die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij
de (onafhankelijk) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige,
consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde
opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet
in staat is de betreffende arbeid te verrichten.
Bij mededeling van 19 september 1996, nr. M 96 122 heeft het voormalige
Tica een circulaire voor de uitvoeringsorganisaties het licht doen zien
betreffende het onderdeel van artikel 5 van de AAW en 18 van de WAO,
luidende "als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken". Op 2 april 1997 heeft het Lisv in
het kader van zijn taakstelling op grond van artikel 38 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 beslist deze circulaire
(verder te noemen: Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium of
de Richtlijn) met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1997 over te
nemen.
Deze Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium beoogt blijkens
het gestelde in paragraaf 1.2. door een interpretatie van het medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium uitgangspunten voor de
verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren. Daarbij is
uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Raad
over dit onderwerp, zoals hierboven weergegeven. Overeenkomstig vermelde
doelstelling heeft de Richtlijn het karakter gekregen van een uitvoerige
werkinstructie voor verzekeringsartsen, waarin de verschillende facetten
van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde
komen.
Het vorenstaande impliceert dat gedaagde bij het nemen van de
desbetreffende besluiten vanaf 1 maart 1997 de Richtlijn medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium in acht dient te nemen en dat de inhoud
en wijze van toepassing in het kader van een beroep tegen zo'n besluit
ter toetsing van de bestuursrechter staat. De verplichting van gedaagde
om de Richtlijn in acht te nemen is tot 1 januari 1998, met ingang van welke datum ter zake van beleidsregels
als de onderhavige in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een wettelijke
regeling tot stand gekomen is, in het bijzonder gebaseerd op het
beginsel van de rechtszekerheid en het gelijkheidsbeginsel.
Alvorens te toetsen of gedaagde in het onderhavige geval de Richtlijn
medisch arbeidsongeschiktheidscriterium juist heeft toegepast, zal de
Raad dienen te beoordelen of de Richtlijn zich verdraagt met de
artikelen 5 van de AAW, 18 van de WAO en 3:2 van de Awb alsmede met de
door de Raad gegevens uitleg van de eerste twee genoemde wetsartikelen.
Dienaangaande stelt de Raad vast dat de kern van de Richtlijn - in het
bijzonder zoals verwoord in de punten één tot en met vijf van
paragraaf 3.2. - niet in strijd komt met (een juiste uitleg van) juist
genoemde bepalingen dan wel enige andere geschreven of ongeschreven
rechtsregel. Dit geldt ook voor paragraaf 4.6. van de Richtlijn medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium, welke paragraaf de problematiek rond
"moeilijk objectiveerbare aandoeningen" tot onderwerp heeft en
voor het onderhavige geval in het bijzonder van belang is. In die
paragraaf is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of psychische oorzaken
van de klachten van de verzekerde aangetoond kunnen worden niet betekent
dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en handicaps kunnen bestaan.
In dat verband wordt van belang geacht of hun bestaan aannemelijk te
achten is en in hoeverre daarmee ongeschiktheid als gevolg van ziekte
optreedt.
Voor het onderhavige geval betekent het hierboven overwogene het
volgende.
Gelet op de rapporten van de gedaagde adviserend verzekeringsarts,
waarvan in het bijzonder de rapporten van 6 december 1996 en 6 februari
1997, moet worden vastgesteld dat in het onderhavige geval door die arts
de opvatting is gehuldigd dat de klachten van appellante,
gediagnostiseerd als verband houdend met myalgische encephalomyelitis,
reeds buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat het daarbij niet
zou kunnen gaan om ziekte of gebrek als bedoeld in de AAW en de WAO.
De Raad is van oordeel dat dusdoende is miskend dat - in bijzondere
situaties - ook klachten zonder duidelijke oorzaak kunnen en moeten
leiden tot de conclusie dat beperkingen aanwezig zijn te achten als
gevolg van ziekte of gebrek in de zin van de AAW en de WAO. Waar de
Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium expliciet erop ziet
dat een verzekeringsarts zich bij de beoordeling van
arbeidsongeschiktheid - mede aan de hand van de overige hem ter
beschikking staande medische gegevens - een medisch verantwoorde
opvatting vormt over het antwoord op de vraag of de gestelde klachten
als uiting van ziekte of gebrek in de zin van de AAW en de WAO kunnen
worden aangemerkt, moet worden geconcludeerd dat bij de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet is gehandeld overeenkomstig
evenbedoelde richtlijn.
Nu gedaagde bij het nemen van het besluit van 14 maart 1997 het
resultaat van hogerbedoelde gebrekkige verzekeringsgeneeskundige
beoordeling heeft overgenomen, moet worden vastgesteld dat dat besluit
niet in overeenstemming met de Richtlijn medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium is en derhalve reeds wegens strijd met
het rechtszekerheidsbeginsel niet in stand kan blijven. Dit betekent dat
ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.420,-- aan kosten
wegens aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 25 en 26, eerste lid, van de Beroepswet stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellante in het geding in eerste aanleg en in
hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden
vergoed.
Beslist wordt dan ook als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellante tegen het besluit van 14 maart 1997
alsnog gegrond;
Vernietigt het besluit van 14 maart 1997;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.420,--;
Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar betaalde griffierecht
van f 215,-- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in
tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 16 augustus 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|