|
Uitspraak
97/5913 AAW en 97/5914 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In
deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
In het besluit van 30 oktober 1995 heeft gedaagde de uitkering van
appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%,
onder toepassing van artikel 33 van de AAW voor de periode 1 augustus
1993 tot 1 januari 1994 op nihil gesteld, in verband met de hoogte van
de inkomsten uit arbeid van appellant over die periode.
Bij besluit van 20 maart 1996 heeft gedaagde de onverschuldigd betaalde
uitkering ingevolge de AAW over de periode 1 november 1993 tot 1 januari
1994 tot een bedrag van f 1.124,83 van appellant teruggevorderd.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 20 mei
1997 de beroepen tegen de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996
ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. L.E. de Geer, werkzaam bij DAS Nederlandse
Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, op bij
beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Bij brief van 27 januari 1998 heeft gedaagde de Raad bericht dat de
besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 niet langer worden
gehandhaafd. Bij besluit van 6 april 1998 heeft gedaagde de
eerdergenoemde besluiten ingetrokken en bepaald dat het reeds door
appellant betaalde bedrag van f 1.124,83 wordt teruggestort.
Bij brief van 21 oktober 1998 is namens appellant het volgende aan de
Raad meegedeeld. "Bij de beslissing van 6 april 1998 is in beide
hoger beroepsprocedures geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van
appellant. Aangezien er echter door appellant schade is geleden in de
zin van wettelijke rente en rente over die rente omdat hij de
terugvordering reeds had voldaan, zal appellant de beroepen niet
intrekken. Hij verzoekt u de beide beroepen kennelijke gegrond te
verklaren en gedaagde te veroordelen de door appellant geleden schade,
zoals hierboven genoemd, aan hem te vergoeden. Tevens verzoekt hij u
gedaagde in beide procedures in de proceskosten te veroordelen."
Gedaagde heeft aan de Raad meegedeeld tegen de vorengenoemde namens
appellant gedane verzoeken geen verweer te voeren.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van de
gedingen ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 6 april 1998 heeft gedaagde de in geding zijnde
besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 ingetrokken. Uit 's Raads
uitspraak, gepubliceerd in RSV 1997/297 volgt dat in zo'n geval belang
bij een beoordeling van deze besluiten in principe komt te vervallen,
tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het
toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In dit geval is namens appellant in de brief van 21 oktober 1998 een
dergelijk verzoek gedaan zodat het procesbelang niet is komen te
vervallen. Het hoger beroep ter zake van de besluiten van 30 oktober
1995 en 20 maart 1996 is mitsdien ontvankelijk.
Nu gedaagde de meergenoemde besluiten heeft ingetrokken en de
onjuistheid van deze besluiten heeft erkend, staat voor de Raad de
onrechtmatigheid van deze besluiten vast, hetgeen naar het oordeel van
de Raad betekent dat deze besluiten in rechte geen stand kunnen houden
en dienen te worden vernietigd. Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen
uitspraak waarin deze besluiten door de rechtbank in stand zijn gelaten,
dient te worden vernietigd.
Met betrekking tot het namens appellant ingediende verzoek om gedaagde
ingevolge artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de
schade in de vorm van wettelijke rente overweegt de Raad als volgt.
Vooreerst stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat de ingevolge het
besluit van 20 maart 1995 door appellant verrichte betaling
onverschuldigd is gedaan. De door appellant als gevolg van deze
onverschuldigde betaling gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken
als schade voortvloeiend uit dat besluit en dienen naar het oordeel van
de Raad door gedaagde te worden vergoed. De Raad acht de schade die
ingevolge artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevormd door
wettelijke rente, toewijsbaar vanaf het moment dat het bedrag van de
onverschuldige betaling van de rekening van appellant is afgeschreven.
Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de
wettelijke rente wordt berekend,dient te worden vermeerderd met de over
dat jaar verschuldigde rente.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep
en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 2.130,- voor
verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en f 710,- voor verleende
rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten van 30 oktober 1995
en 20 maart 1996 alsnog gegrond;
Vernietigt de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor in rubriek
II is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een
bedrag groot f 2.130,- en hoger beroep tot een bedrag groot f 710;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 260,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr. B.
Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2000.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|