|
Uitspraak
97/11203
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 4 maart 1997 heeft appellant aan gedaagde met ingang van
9 juni 1996 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend,
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
De rechtbank te Alkmaar heeft bij uitspraak van 20 oktober 1997 het
beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd,
appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat
appellant het door gedaagde betaalde griffierecht vergoedt.
Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden van die
uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr. P.C.J. Isaak, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand
te Zoetermeer, een verweerschrift ingediend.
Bij brieven van 4 november 1999 en 16 februari 2000 heeft appellant
vragen beantwoord.
Namens gedaagde heeft mr. A.A. Slager, kantoorgenoot van mr. Isaak
voornoemd, bij brief van 16 november 1999 een vraag beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 mei 2000, waar
voor appellant is verschenen mr. E.G. van Roest, werkzaam bij Gak
Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan
door mr. A.T. Meijhuis, kantoorgenoot van mr. Slager.
II. MOTIVERING
Gedaagde was werkzaam als medewerker A-TIB bij [werkgever] B.V. te
[vestigingsplaats].
Na een eerdere ziekteperiode van juli 1994 tot 16 januari 1995 in
verband met psychische klachten, heeft gedaagde zich op 20 april 1995
ziek gemeld wegens klachten ten gevolge van jicht. Vanaf 24 juli 1995
zijn daar nog pijnklachten als gevolg van mishandeling bij gekomen. Op 6
november 1995 heeft gedaagde zijn eigen werk weer hervat. Op 2 december
1995 heeft hij zich weer ziek gemeld.
Op 2 april 1996 heeft gedaagde bij [werkgever] B.V. hervat in een andere
functie, te weten algemeen bedieningsman.
Per 30 mei 1996 heeft gedaagde zich wederom ziek gemeld, thans wegens een
perifere laesie in de linkerhand.
Vervolgens heeft appellant het in rubriek I omschreven besluit van 4
maart 1997 genomen.
Tegen dit besluit heeft gedaagde bij de rechtbank te Alkmaar beroep
ingesteld. Namens gedaagde is gesteld dat hij te rekenen vanaf 9 juni
1996 niet gedurende een tijdvak van 52 weken onafgebroken
arbeidsongeschikt is geweest en dus de zogeheten wachttijd niet heeft
vervuld, onder meer omdat gedaagde met ingang van 2 april 1996 weer
werkzaamheden in een andere functie is gaan verrichten.
Desgevraagd is namens gedaagde aangegeven dat het belang van zijn beroep
tegen het besluit van 4 maart 1997 een financieel belang is.
Zijn werkgever vult namelijk een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW)
aan tot 100% van zijn salaris en een WAO-uitkering tot 90%.
De rechtbank heeft in haar uitspraak van 20 oktober 1997 aangegeven dat
partijen in het bijzonder verdeeld zijn over de vraag of de wijziging
van de functie in oorzakelijk verband staat met gedaagdes
gezondheidstoestand.
De rechtbank stelt vast dat appellant eerst achteraf de stelling heeft
betrokken dat gedaagdes gezondheidstoestand redengevend was voor
overplaatsing en dat appellant meent dat impliciet toepassing is gegeven
aan het bepaalde in artikel 30 van de ZW.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat wil een overplaatsing binnen een
onderneming achteraf aan ziekte of gebrek kunnen worden toegeschreven,
met in het kielzog daarvan impliciete toepassing van artikel 30 van de
ZW, daarvoor overtuigende argumenten dienen te worden gefourneerd.
De rechtbank is van oordeel dat dergelijke argumenten ontbreken en stelt
vast dat met name ten aanzien van het tijdvak dat een aanvang nam op 2
april 1996, er onvoldoende gronden zijn om gedaagde als
arbeidsongeschikt aan te merken.
De rechtbank heeft het besluit van 4 maart 1997 dan ook vernietigd omdat
het berust op een onjuiste medische grondslag.
Appellant is in hoger beroep gekomen aangezien hij van oordeel is dat er
wel voldoende argumenten aanwezig zijn om te stellen dat de
gezondheidstoestand van gedaagde redengevend was voor de overplaatsing.
De Raad overweegt als volgt.
Artikel 6 van de AAW en artikel 19 van de WAO bepalen, voorzover hier
van belang, dat de verzekerde recht heeft op toekenning van uitkeringen
ingevolge deze wetten zodra hij gedurende 52 weken onafgebroken (althans
niet langer dan een maand onderbroken) ten minste 15% arbeidsongeschikt
is geweest; voor het bepalen van dat tijdvak worden periodes gedurende
welke aanspraak bestaat op ziekengeld ingevolge de Ziektewet in
aanmerking genomen.
Uit de gedingstukken is gebleken dat gedaagde door vanaf 2 april 1996 de
functie van algemeen bedieningsman te vervullen, welke functie op dat
moment voor hem passend werd geacht, een verlies aan verdiencapaciteit
had van minder dan 15%, zodat gedaagde vσσr 9 juni 1996 niet
onafgebroken 52 weken meer dan 15% arbeidsongeschikt was.
De Raad dient vervolgens te beoordelen of gedaagde vanaf 2 april 1996
aanspraak heeft behouden op ziekengeld.
Ter zitting van de Raad heeft gedaagde onweersproken gesteld dat uit
zijn salarisstrookjes, betrekking hebbende op de periode hier in geding,
niet was af te leiden of hij ziekengeld of loon ontving.
Hij heeft gedurende die hele periode zijn volledige salaris behorende
bij zijn werk van medewerker A-TIB ontvangen, ook in de tijdvakken
waarover partijen niet van mening verschillen dat gedaagde ziek was.
Weliswaar is gedaagde bij brief van 10 mei 1996 van de chef
personeelsregistratie van [werkgever] B.V., [chef personeelsregistratie]
medegedeeld dat de overplaatsing om medische redenen is geschied en dat
ter zake van zijn inkomensderving de bepalingen van de Ziektewet op hem
van toepassing zijn, maar dit is, zoals door gedaagde onder meer ter
zitting van de Raad onweersproken is gesteld, door de bedrijfsarts, toen
gedaagde hem in verband met vorenbedoelde brief van 10 mei 1996 heeft
bezocht, gecorrigeerd.
Voorts heeft de Raad bij het vormen van zijn oordeel in aanmerking
genomen dat:
- [lid ondernemingsraad], lid van de ondernemingsraad van [werkgever] op
4 februari 1997 heeft verklaard dat de overplaatsing van gedaagde naar
de functie van algemeen bedieningsman op 2 april 1996 op grond van
andere redenen dan medische is geschied;
- de verzekeringsarts T.E. Dragstra-Mooi in haar rapport van 4 februari
1997 uit de mond van gedaagde heeft opgetekend dat gedaagde door zijn
werkgever duidelijk werd gemaakt dat hij niet in zijn oude werk van
medewerker A-TIB kon hervatten wegens organisatorische redenen;
- de bedrijfsarts [bedrijfsarts]in zijn brief van 14 februari 2000 heeft
vermeld dat het oude werk van gedaagde van medewerker A-TIB, op 2 april
1996 ten gevolge van een reorganisatie niet meer bestond.
Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is aangetoond of
gebleken dat gedaagde ziekengeld heeft ontvangen vanaf 2 april 1996 tot
het moment dat onbetwist vaststaat dat gedaagde zich wederom ziek heeft
gemeld, te weten 30 mei 1996, zodat ook op deze wijze niet vaststaat dat
gedaagde vanaf 20 april 1995 de zogeheten wachttijd heeft vervuld.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit niet in
stand kan blijven.
Nu de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd, komt de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
Met betrekking tot de proceskosten in eerste aanleg heeft de rechtbank
een beslissing genomen. Hiertegen zijn in hoger beroep geen grieven
aangevoerd.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten
van gedaagde in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 1.775,- voor
verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd
en daarvan is de Raad ook niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde
lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van appellant
een recht van f 675,- dient te worden geheven.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep
tot een bedrag groot f 1.775,-;
Verstaat dat van appellant een recht van f 675,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van
mr. B. Serno als griffier en uitge-sproken in het openbaar op 13 juni
2000.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B. Serno.
|
|