|
Uitspraak
98/151
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 8 april 1997 heeft gedaagde de aan appellant krachtens
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, welke
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 1 juni 1997 ingetrokken op de grond dat appellants
arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan
15%.
De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak van 4
december 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Namens appellant heeft mr. W.J.B.M. Alkemade, advocaat te Nijmegen, tegen
die uitspraak hoger beroep ingesteld op in een aanvullend beroepschrift,
met bijlagen, aangevoerde gronden.
Vanwege gedaagde is een verweerschrift, met bijlage, ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 februari
2000, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.B.M.
Alkemade, terwijl gedaagde zich daar heeft doen vertegenwoordigen door
mr. P.J. Reith, werkzaam bij Gak Nederland B.V.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat
het onderzoek niet volledig is geweest in verband waarmee de Raad heeft
besloten het onderzoek te heropenen.
Desverzocht hebben partijen toestemming verleend een nadere zitting
achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, tussen
partijen vaststaande, feiten en omstandigheden.
Appellant is met ingang van 21 oktober 1977 door gedaagdes
rechtsvoorganger, het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor
Overheidsdiensten, in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de
AAW en de WAO, welke laatstelijk werden berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, nadat hij met ingang van 20
augustus 1976 wegens een wervelontsteking zijn werkzaamheden had
gestaakt.
Ter uitvoering van de Wet terugdringing beroep op de
arbeidsongeschiktheidsregelingen is vanwege gedaagde een
verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht ter
herbeoordeling van de mate van appellants arbeidsongeschiktheid.
Dit heeft geresulteerd in het bestreden besluit waarin appellants
uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1 juni 1997 worden
ingetrokken op de grond dat appellants arbeidsongeschiktheid met ingang
van laatstgenoemde datum op minder dan 15% moet worden gesteld.
Dit besluit berust op het standpunt dat appellant op 1 juni 1997, de in
geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten
van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt
was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van hem
geselecteerde functies. Vergelijking van de voor appellant geldende, en
aan de mediane loonwaarde van de drie hoogstbeloonde aan de onderhavige
schatting ten grondslag gelegde functies ontleende, verdiencapaciteit
met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in
een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 15%.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit bezwaren van medische aard.
Hij acht zijn door de, gedaagde adviserende, verzekeringsgeneeskundige
vastgestelde belastbaarheid overschat. Voorts heeft hij naar voren
gebracht dat hij de ten aanzien van hem geselecteerde functies vanwege
zijn gezondheidstoestand niet kan vervullen.
Met betrekking tot de door appellant aangevoerde bezwaren heeft de
rechtbank in de aangevallen uitspraak het volgende overwogen:
"Het besluit berust op het advies van de
verzekeringsgeneeskundige Joosten d.d. 4 oktober 1996 en het door deze
opgestelde belastbaarheidspatroon. Geconstateerd moet worden dat deze
geneeskundige eiser zelf heeft onderzocht en op genoemde datum
(telefonische) informatie heeft ingewonnen bij eisers huisarts.
Daarnaast heeft de verzekeringsgeneeskundige nα afgifte van het
bestreden besluit nog kennis genomen van nadere informatie die de
huisarts op 18 april 1997 heeft verstrekt in verband met de uitslag van
het radiodiagnostisch onderzoek van 12 november 1996, alsmede van
eerdere onderzoeken d.dis 30 mei 1996 en 1 januari 1986. Naar
aanleiding van deze nader verkregen informatie is op 20 mei 1997 nog
gerapporteerd. Voor de verzekeringsgeneeskundige was bedoelde informatie
geen aanleiding om de beperkingen, zoals eerder vastgesteld, aan te
passen. De rechtbank dient allereerst te bezien of het onderzoek in deze
zaak zorgvuldig is te achten. Eiser bestrijdt zulks en voert daarbij aan
dat zijn behandelend cardioloog niet is benaderd, dat de
verzekeringsgeneeskundige weliswaar informatie heeft ingewonnen bij de
huisarts maar dat deze toen nog niet de uitslag had van een
radiodiagnostisch onderzoek d.d. 12 november 1996 dat eiser kort na het
onderzoek bij de verzekeringsgeneeskundige heeft ondergaan in verband
met eisers rugklachten. Met deze laatstbedoelde klachten heeft de
verzekeringsgeneeskundige in het geheel geen rekening gehouden. De
voorhanden stukken bevestigen de gegevens van eiser maar daaruit volgt
niet automatisch dat het onderzoek in deze zaak niet voldoet aan de
zorgvuldigheidsvereisten.
Betreffende de cardiale klachten wordt in bedoelde
rapportage van 4 oktober 1996 onder "anamnese" weergegeven:
"In 1993 heeft
belanghebbende een hartinfarct gehad waarna hij medicijnen is moeten
blijven gebruiken. Hij komt jaarlijks bij de cardioloog voor medicatie
en controle. Hij heeft a.n. Isordil maar hoeft die, omdat er weinig of
geen klachten optreden vrijwel niet te gebruiken. Hij heeft geen dyspnoe
klachten en slaapt op een kussen. Hij heeft geen oedeem vorming
bemerkt..."
Onder "informatie van derden" wordt
aangegeven:
"Informatie van de huisarts
van belanghebbende J.A.M. van Dijk op 4-10-96. Hij
heeft belanghebbende van een collega huisarts die de praktijk stopte
overgekregen, hij kent hem niet goed wat hij weet is dat er een
anteriorinfarct in 1993 is geweest wat met succes met streptokinase is
behandeld. De brieven van de cardioloog van begin 1996 zijn
geruststellend; de situatie is bevredigend.".
Op grond van deze gegevens is er geen aanleiding
het onderzoek, wegens het ontbreken van informatie van de cardioloog,
onzorgvuldig te achten. Evenmin kan worden gezegd dat de informatie van
de huisarts ontoereikend moet worden geacht, temeer nu deze na het -
kennelijk -
telefonisch onderhoud nog nadere en schriftelijke informatie heeft
verstrekt, welke informatie nog bij de onderhavige schatting is
betrokken. Resteert eisers grief betreffende de rugklachten.
Geconstateerd moet worden dat de verzekeringsgeneeskundige in ieder
geval ten tijde van het onderzoek op 24 juli 1996 en de rapportage op 4
oktober 1996 geen rekening kon en heeft kunnen houden met de
aanwezigheid van rugklachten, hetgeen verklaarbaar is te achten omdat
eiser noch de huisarts daarvan melding heeft gemaakt. Eerst nadat de
huisarts de nadere informatie betreffende de uitslag van het
radiodiagnostisch onderzoek kenbaar heeft gemaakt heeft de
verzekeringsgeneeskundige σσk de rugklachten betrokken bij de
schatting, met dien verstande dat de hem thans bekende gegevens geen
aanleiding waren de beperkingen, ook niet nu er tevens sprake was van
rugklachten, te herzien. Als motivatie voor deze opvatting is
weergegeven dat op grond van de anamnese destijds een beperkte
belastbaarheid is aangenomen ten aanzien van zwaar lichamelijk werk. Op
grond van al het vorenoverwogene moet dan ook worden geconcludeerd dat
er geen reden is het besluit te vernietigen wegens strijd met het
bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.
Gezien de voorhanden gegevens, waaronder de
informatie van de behandelende sector die door verweerder ιn door eiser
is verstrekt, is er geen reden te twijfelen aan de juistheid van de
vastgestelde beperkingen. Daarbij is met name van belang geacht dat de
verzekeringsgeneeskundige - zij het, zoals hiervoor is weergegeven, in
een later stadium - de beschikking heeft gehad over vrij recente
informatie betreffende eisers heup-, en rugklachten en dat de eerder
verkregen informatie van de huisarts, afdoende gegevens bevatte
betreffende eisers cardiale klachten. De voorhanden gegevens geven in
ieder geval geen aanleiding om te twijfelen aan de interpretatie en
inschatting van eisers klachten en de vertaling daarvan in genoemde
beperkingen. Daarenboven moet worden geconstateerd dat de geduide
functies ruim binnen de door eiser bestreden belastbaarheid vallen. Er
worden dan ook geen termen aanwezig geacht om een nader onderzoek te
doen verrichten."
Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat in het bijzonder dit oordeel
van de rechtbank, alsmede het bestreden besluit, onjuist is te achten.
Deswege heeft hij de Raad verzocht de aangevallen uitspraak en het
bestreden besluit te vernietigen, dan wel een deskundige te benoemen
teneinde de bij appellant aanwezige beperkingen te doen vaststellen.
Hierbij heeft appellant zich beroepen op een, op zijn verzoek opgemaakt
rapport d.d. 10 februari 1998 van de orthopedisch chirurg D.B. van der
Schaaf, waarin ten antwoord op vragen gesteld van de zijde van appellant
het volgende naar voren wordt gebracht.
"CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN:
Bij orthopedisch onderzoek werd gevonden een reeds zeer
lang bestaand langzaam progressief pseudora-diculair beeld rechts,
waarbij betrokkene betrekkelijk consequent en consistent aangeeft dat in
de zeer frequente perioden van klachten hij eigenlijk niet in staat is
enige werkzaamheden te verrichten. Ik heb geen redenen om aan de
waarheidsgehalte van zijn beweringen te twijfelen. Zoals te doen
gebruikelijk bij lage rugklachten zijn deze beperkingen niet goed te
onderbouwen door objectiveerbare afwijkingen en is men in aanzienlijke
mate aangewezen op de gegevens van betrokkene zelf. Men dient zich
echter daarbij wel te realiseren dat het om een pijnprobleem gaat
waarbij de mechanische belastbaarheid van de wervelkolom eigenlijk niet
in het geding is. De toestand van betrokkene op de peildatum 8-4-1997
was niet wezenlijk anders dan zijn huidige toestand. Zoals reeds gezegd
zijn zijn pijnlijke perioden bijzonder frequent en in die zin kan ik mij
niet vinden in het belastbaarheidspatroon zoals dit aangegeven is door
de verzekeringsgeneeskundige collega Joosten. Bij de arbeidsdeskundige
beoordeling zijn meer beperkingen in aanmerking genomen, maar ik acht
betrokkene ook niet in staat een van deze functies uit te oefenen.
Het komt er eigenlijk in het kort op neer dat de
maatschappij heeft toegestaan dat een man met een beperkt intellect
sinds 1980 niet meer heeft hoeven te werken. Door een veranderde
definitie van het begrip arbeidsongeschiktheid zou hij nu weer in het
arbeidsproces opgenomen moeten worden, hoewel naar zijn eigen zeggen,
zijn klachten de laatste jaren juist zijn toegenomen. Al met al ben ik
van mening dat deze man nu niet en ook in de toekomst niet in staat zal
zijn tot enige vorm van loonvormende arbeid."
In zijn aanvullende beroepschrift heeft appellant met betrekking tot het
hiervoor weergegeven oordeel van D.B. van der Schaaf betoogd dat uit het
feit dat de beperkingen van appellant niet goed zijn te onderbouwen niet
betekent dat die beperkingen geen relevantie zouden hebben voor de
beoordeling van appellants arbeidsongeschiktheid.
Ten betoge dat op grond van het rapport van D.B. van der Schaaf moet
worden aangenomen dat appellant zwaardere medische beperkingen
ondervindt dan gedaagde heeft aangenomen heeft appellant gewezen op de
door gedaagde vastgestelde "Richtlijn medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium". In dit verband brengt appellant
naar voren dat volgens deze richtlijn er niet noodzakelijkerwijs een
lichamelijke of psychische oorzaak voor een ziekte of gebrek behoeft te
worden vastgesteld alvorens het bestaan van beperkingen aan te nemen.
Ten aanzien van de van belang zijnde regelgeving en de daaraan te geven
uitleg en toepassing overweegt de Raad het volgende.
In artikel 18 van de WAO en artikel 5 van de AAW is - voor zover in dit
verband van belang - bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als
rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte,
gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te
verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en
ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen. Naar vaste rechtspraak van de
Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is
van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar
objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan
of mag verrichten. Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot
uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen
dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel en al
duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid
te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de
Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijk) medisch
deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch
gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als
gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te
verrichten.
Bij mededeling van 19 september 1996, nr. M. 96 122 heeft het voormalige
Tica een circulaire voor de uitvoeringsorganisaties het licht doen zien
betreffende het onderdeel van artikel 5 van de AAW en 18 van de WAO,
luidende "als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen
gevolg van ziekte of gebreken". Op 2 april 1997 heeft Lisv in het
kader van zijn taakstelling op grond van artikel 38 van de
Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 beslist deze circulaire
(verder te noemen: Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium of
de Richtlijn) met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 1997 over te
nemen.
Deze Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium beoogt blijkens
het gestelde in paragraaf 1.2. door een interpretatie van het medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium uitgangspunten voor de
verzekeringsgeneeskundige beoordeling te formuleren. Daarbij is
uitdrukkelijk aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van de Raad
over dit onderwerp, zoals hierboven weergegeven. Overeenkomstig vermelde
doelstelling heeft de Richtlijn het karakter gekregen van een uitvoerige
werkinstructie voor verzekeringsartsen, waarin de verschillende facetten
van de door een verzekeringsarts te verrichten beoordeling aan de orde
komen.
Het vorenstaande impliceert dat gedaagde bij het nemen van de
desbetreffende besluiten vanaf 1 maart 1997 de Richtlijn medisch
arbeidsongeschiktheidscriterium in acht dient te nemen en dat de inhoud
en wijze van toepassing in het kader van een beroep tegen zo'n besluit
ter toetsing van de bestuursrechter staat. De verplichting van gedaagde
om de Richtlijn in acht te nemen is tot 1 januari 1998, met ingang van
welke datum ter zake van beleidsregels als de onderhavige in de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) een wettelijke regeling tot stand gekomen is, in
het bijzonder gebaseerd op het beginsel van de rechtszekerheid en het
gelijkheidsbeginsel.
Alvorens te toetsen of gedaagde in het onderhavige geval de Richtlijn
medisch arbeidsongeschiktheidscriterium juist heeft toegepast, zal de
Raad dienen te beoordelen of de Richtlijn zich verdraagt met de
artikelen 5 van de AAW, 18 van de WAO en 3:2 van de Awb alsmede met de
door de Raad gegeven uitleg van de eerste twee genoemde wetsartikelen.
Dienaangaande stelt de Raad vast dat de kern van de Richtlijn - in het
bijzonder zoals verwoord in de punten ιιn tot en met vijf van
paragraaf 3.2. - niet in strijd komt met (een juiste uitleg van)
genoemde bepalingen dan wel enige andere geschreven of ongeschreven
rechtsregel. Dit geldt ook voor de paragraaf 4.6. van de Richtlijn
medisch arbeidsongeschiktheidscriterium, welke paragraaf de problematiek
rond "moeilijk objectiveerbare aandoeningen" tot onderwerp
heeft en voor het onderhavige geval in het bijzonder van belang is. In
die paragraaf is vermeld dat het feit dat er geen lichamelijke of
psychische oorzaken van de klachten van de verzekerde aangetoond kunnen
worden niet betekent dat er daarom geen stoornissen, beperkingen en
handicaps kunnen bestaan. In dat verband wordt van belang geacht of hun
bestaan aannemelijk te achten is en in hoeverre daarmee ongeschiktheid
als gevolg van ziekte optreedt.
Voor het onderhavige geval betekent het hierboven overwogene het
volgende.
Appellant heeft onder andere verwezen naar hetgeen in de Richtlijn wordt
gesteld omtrent wat daarin wordt aangeduid als "moeilijk
objectiveerbare aandoeningen". Daargelaten het antwoord op de vraag
of het in het geval van appellant gaat om een moeilijk objectiveerbare
aandoening als bedoeld in de Richtlijn, is de Raad van oordeel dat
gedaagde ter zake een juiste toepassing aan die Richtlijn heeft gegeven.
Uit de in het bijzonder op die aandoeningen betrekking hebbende
paragraaf 4.6. blijkt immers dat een uitvoeringsorgaan in
overeenstemming met de op dit punt gevormde jurisprudentie van de Raad
dient te beoordelen of bij een bepaalde verzekerde sprake is van
arbeidsongeschiktheid in de vorenbedoelde zin. Blijkens de inhoud van
het rapport d.d. 4 oktober 1996 van de verzekeringsarts J.P.M. Joosten
heeft gedaagde zulks bij de voorbereiding van het bestreden besluit ook
gedaan.
Hetgeen appellant, onder verwijzing naar het genoemde rapport van D.B.
van der Schaaf, verder naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen
aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van het resultaat van
het in geding zijnde verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
Daaromtrent stelt de Raad in de eerste plaats vast dat D.B. van der
Schaaf appellants gezondheidstoestand heeft beoordeeld zoals die was op
8 april 1997 dan wel op de datum van zijn onderzoek en - ten onrechte -
niet zoals die was op de datum hier in geding, 1 juni 1997. Van groter
gewicht acht de Raad evenwel dat uit dat rapport geenszins blijkt dat er
bij appellant op de datum hier in geding sprake is van tot
objectiveerbare gronden te herleiden medische beperkingen voor het
verrichten van arbeid welke verder gaan dan de beperkingen die naar
voren zijn gekomen uit het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan de
onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag ligt. In dit
verband heeft de Raad moeten vaststellen dat de genoemde arts vrijwel
uitsluitend op basis van anamnestisch van appellant verkregen informatie
tot zijn conclusie is geraakt dat appellant niet in staat is de ten
aanzien van hem geselecteerde functies uit te oefenen zonder dat
overigens de verdergaande beperkingen vanuit medisch oogpunt voldoende
kritisch op hun aannemelijkheid zijn bezien.
Voorts is de Raad van oordeel dat in het onderhavige geval geen
bijzondere situatie, zoals in de hiervoor weergegeven jurisprudentie van
de Raad is aanvaard, aan de orde is dat desondanks, verdergaande
beperkingen dienen te worden aanvaard dan door de verzekeringsarts zijn
vastgesteld.
Tenslotte is de Raad, gezien het geheel van voorhanden zijnde
gedingstukken van medische aard, van oordeel dat het aan de onderhavige
besluitvorming ten grondslag gelegde medisch onderzoek volledig is,
zodat de Raad niet zal voldoen aan het verzoek van appellant een nader
onderzoek te doen instellen naar de gezondheidstoestand van appellant op
de datum hier in geding.
Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat appellants grieven niet
kunnen slagen. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in
tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 16 augustus 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|