|
Uitspraak
97/10961
AAW/WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:75a van de Algemene wet bestuursrecht inzake de kosten van het geding
tussen:
A, wonende te B, appellant, thans verzoeker,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen (Lisv) treedt het Lisv in de plaats van de
betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de
plaats getreden van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de
Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak
wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze
bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 29 april 1996 heeft gedaagde de aan verzoeker de
krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die
werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,
met ingang van 1 september 1996 herzien en nader vastgesteld naar een
mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
De Arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft bij uitspraak van 10
oktober 1997 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Verzoeker heeft bij gemachtigde mr L.E. de Geer, werkzaam bij DAS
Rechtsbijstand te Amsterdam, tegen bovengenoemde uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 17 december 1998 heeft gedaagde de Raad medegedeeld dat
besloten is het besluit van 29 april 1996 niet langer te handhaven.
Bij brief van 2 februari 1999 is door de gemachtigde van verzoeker het
hoger beroep ingetrokken, met het verzoek gedaagde bij afzonderlijke
uitspraak in de proceskosten te veroordelen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend met betrekking tot het
verzoek om een proceskostenveroordeling.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven voor het achterwege
blijven van een zitting.
II. MOTIVERING
Ingevolge het eerste lid van artikel 8:75a van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet kan,
in geval van intrekking van het hoger beroep omdat het bestuursorgaan
geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is
tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener onder
toepassing van artikel 8:75 van de Awb bij afzonderlijke uitspraak in de
kosten worden veroordeeld.
Blijkens de inhoud van de brief van 17 december 1998 wordt het in het
besluit van 29 april 1996 vervatte standpunt door gedaagde niet langer
gehandhaafd. Dit leidt ertoe dat verzoeker vanaf 1 september 1996
onverkort recht kan doen gelden op een uitkering ingevolge de AAW en de
WAO naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nu het
hoger beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel is tegemoetgekomen aan de indiener van het beroepschrift acht de Raad
termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel
8:75a, eerste lid, in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet.
In het voorgaande ziet de Raad voldoende aanleiding om gedaagde te
veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot f 1.775,- aan kosten
wegens aan verzoeker in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en een
bedrag groot f 710,- aan kosten wegens aan verzoeker in hoger beroep
verleende rechtsbijstand. Tevens komen naar het oordeel van de Raad voor
vergoeding in aanmerking de kosten door verzoeker gemaakt voor de door
hem in geding gebrachte psychiatrische expertise. Waar in artikel 8:36,
tweede lid, van de Awb het bij en krachtens de Wet tarieven in
strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing is verklaard en de
Raad geen grond ziet om wat betreft de vergoeding van kosten verbonden
aan op verzoek van partijen door een deskundige uitgebrachte verslagen
onderscheid te maken tussen enerzijds psychiaters en anderzijds andere
medisch specialisten en niet medisch deskundigen, is de Raad - anders
dan gedaagde - van oordeel dat voor bepaling van de omvang van de
terzake de betrokken psychiatrische expertise toe te kennen vergoeding
geen aansluiting moet worden gezocht bij het bepaalde in artikel 1,
eerste lid, onderdeel I, van het Besluit tarieven in strafzaken, maar
bij het bepaalde in onderdeel IV van dat artikellid. Nu de betrokken
psychiater blijkens de door verzoeker overgelegde specificatie aan de
ten behoeve van verzoeker uitgebrachte expertise 13 uur heeft besteed,
begroot de Raad de kosten van die deskundige op 13 x f 116,60 = f
1.515,80.
Een en ander leidt tot de conclusie dat moet worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker, in eerste aanleg
tot een bedrag groot f 1.775,-, en in hoger beroep tot een bedrag groot
f 2.225,80.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van
C.H.T.W.
van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 juni
2000.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|