|
Uitspraak
96/11791
AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken
bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats
getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,
Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder gedaagde
mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Gedaagde heeft bij brief van 6 februari 1995 aan appellante kennis
gegeven van een besluit uit hoofde van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), houdende een weigering om terug te
komen van een besluit van 15 oktober 1991.
De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 22
november 1996 het tegen dit besluit van 6 februari 1995 ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
Appellante is van deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift
uiteengezette gronden in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft een nader stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 december
1999, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.I.
Steinmetz, advocaat te Amsterdam, als haar raadsvrouw en waar gedaagde
zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.E.A. Smit, werkzaam bij
Gak Nederland B.V.
De Raad heeft, oordelende dat het onderzoek niet volledig is geweest,
het onderzoek heropend en is vervolgens tot de slotsom gekomen dat op
basis van de bestaande gegevens tot een beslissing op het beroep kan
worden gekomen.
Partijen hebben daarna desgevraagd toestemming gegeven voor afdoening
buiten zitting.
II. MOTIVERING
Appellante, werkzaam als zelfstandig schilderes en schrijfster, heeft
zich op 26 mei 1991 per 29 juni 1990, de datum van een haar overkomen
auto-ongeval, arbeidsongeschikt gemeld. Gedaagde heeft aangenomen dat
appellante inderdaad vanaf 29 juni 1990 arbeidsongeschikt was, maar
heeft bij besluit van 15 oktober 1991 geweigerd om een uitkering
ingevolge de AAW toe te kennen, omdat appellante in het jaar voorafgaand
aan de arbeidsongeschiktheid geen inkomen als bedoeld in artikel 6 van
de AAW had verworven en evenmin behoorde tot de groepen die geacht
worden voldoende inkomen te hebben verworven. Gedaagde heeft hierbij in
aanmerking genomen dat appellante op de werkzaamheden als kunstenares
slechts verlies had geleden en dat de omvang van deze werkzaamheden niet
toereikend was om te voldoen aan de eis betreffende het gedurende zes
maanden in het refertejaar gemiddeld ten minste 38 uur per week hebben
gewerkt, als gesteld in artikel 1 van het Koninklijk besluit van 28
april 1980, Stb. 1980, 263, dit laatste omdat appellante had opgegeven
slechts 30 uur per week te hebben gewerkt.
Tegen genoemd besluit van 15 oktober 1991 heeft appellante geen beroep
ingesteld.
Op 10 augustus 1993 heeft appellante, onder overlegging van een aantal
inkomensgegevens, een verzoek tot herziening van het besluit van 15
oktober 1991 ingediend "in verband met de gewijzigde voorwaarden
omtrent de inkomenseis", daarmee kennelijk doelend op de uitspraak
van de Raad van 23 juni 1992, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale
Verzekering 1992/317.
Op dit verzoek heeft gedaagde, na enig onderzoek, het bestreden besluit
genomen, houdende een weigering om van het eerdere besluit terug te
komen, waarbij is overwogen dat appellante ten tijde van de aanvang van
de arbeidsongeschiktheid ook aan de eis van "enig inkomen",
als voortvloeiend uit bovengenoemde uitspraak, niet had voldaan, alsmede
dat geen aanleiding werd gezien om af te stappen van de zienswijze dat
appellante in het refertejaar niet meer dan 30 uur per week arbeid had
verricht.
De Raad oordeelt als volgt.
Zoals in de aangevallen uitspraak met juistheid is overwogen dient een
weigering om van een in rechte onaantastbaar geworden besluit terug te
komen te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige
gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan
dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat
eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van degene
die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van het eerdere
besluit om feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere
besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als
beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan wel de
evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.
De Raad constateert dat appellante bij haar aanvraag tot herziening geen
gegevens naar voren heeft gebracht die destijds niet reeds bekend waren
- onder meer heeft zij herhaald de opgave dat zij gemiddeld 30 uur per
week werkzaam was -, terwijl zij evenmin gegevens naar voren heeft
gebracht die de evidente onjuistheid van het eerdere besluit aantonen.
In hoger beroep heeft appellante nader aangevoerd dat zowel het besluit
van 15 oktober 1991 als het bestreden besluit genomen zijn door een
onbevoegde bedrijfsvereniging, te weten de Bedrijfsvereniging voor Bank-
en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, terwijl de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging bevoegd was. Gedaagde heeft de onbevoegdheid
van eerstgenoemde bedrijfsvereniging ten aanzien van het oorspronkelijke
besluit niet ontkend.
De Raad ziet echter, met inachtneming van het eerder omschreven
toetsingskader, in dit eerst in hoger beroep gestelde bevoegdheidsgebrek
niet een zodanig gebrek dat gedaagde in redelijkheid niet had mogen
weigeren om het eerdere besluit ongedaan te maken. Uit bedoeld
toetsingskader vloeit immers voort dat niet de enkele aanwezigheid van
een gebrek (evidente onjuistheid) doorslaggevend is te achten, maar dat
het dient te gaan om een zodanig gebrek, dat het niet-ongedaan maken
ervan in strijd is te achten met de uit artikel 3:4 van de Algemene wet
bestuursrecht voortvloeiende rechtsplicht van het betreffende
bestuursorgaan. De Raad merkt in dit verband op dat het eerdere besluit,
waarvan de ongedaanmaking is verzocht, er niet aan in de weg staat dat
appellante gedaagde als rechtsopvolger van de toentertijd bevoegde
bedrijfsvereniging alsnog verzoekt om - alsnog bevoegdelijk - te
beslissen omtrent appellantes aanspraak op een uitkering ingevolge de
AAW ter zake van haar per 29 juni 1990 aangevangen
arbeidsongeschiktheid. Gelet daarop, komt thans aan ongedaanmaking van
het eerdere - onbevoegdelijk genomen - besluit niet een zodanige
betekenis toe dat de hierboven bedoelde rechtsplicht aanwezig is te
achten.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak in stand kan
blijven. Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad geen
termen aanwezig.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. N.J. Haverkamp als voorzitter en mrs. F.P. Zwart en
T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2000.
(get.) N.J. Haverkamp.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|