|
Uitspraak
98/772
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor het Slagers- en Vleeswarenbedrijf, de
Groothandel in Vlees en de Pluimveeslachterijen. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 10 april 1995 heeft gedaagde de uitkeringen van
appellant op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 31 mei
1995 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 13 januari
1998 het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond
verklaard.
Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift van
9 april 1998 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft op 28 juli 1998 een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 18 augustus 1998 heeft gedaagde nog een stuk ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 augustus
2000, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. R.G.H. de Glas,
advocaat te Nijmegen, is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. P.W.F. Mezenberg, werkzaam bij GUO
Uitvoeringsinstelling B.V.
II. MOTIVERING
Appellant was werkzaam als medewerker [...] in een vleeswarenfabriek. Op
24 september 1990 heeft hij zich voor dit werk ziek gemeld in verband
met een reactieve depressie.
Met ingang van 7 oktober 1991 zijn hem uitkeringen op grond van de AAW
en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn met ingang van 1 juni 1992
ingetrokken omdat appellant per deze datum minder dan 25 respectievelijk
15% arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de AAW respectievelijk
de WAO. Met ingang van 3 juni 1992 zijn deze uitkeringen heropend in
verband met duimklachten.
Op 7 oktober 1994 is appellant thuis onderzocht door de
verzekeringsgeneeskundige R.W. Reddingius die terzake op 27 oktober 1994
een rapport heeft opgesteld. Daarin concludeert hij dat appellant
beperkingen heeft wat betreft de functie van zijn rechter hand en dat
daarnaast sprake is van een fors overgewicht hetwelk energetische
beperkingen oplevert. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige A.J.B.
Janssen blijkens diens rapport van 6 december 1994 met inachtneming van
het door de verzekeringsgeneeskundige opgestelde belastbaarheidspatroon
functies voor appellant geselecteerd die tot de slotsom leidden dat
appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt is te achten.
Op basis hiervan is het bestreden besluit genomen waarbij de uitkeringen
van appellant op grond van de AAW en de WAO met ingang van 31 mei 1995
zijn ingetrokken.
Appellant is onderzocht door de door de rechtbank benoemde deskundige dr.
H.H. Vincent, internist. Deze komt in zijn hieromtrent opgestelde
rapport van 7 april 1997 onder meer tot de conclusie dat er bij
appellant sprake is van een levensbedreigende adipositas. Appellant kan
volgens deze deskundige niet langer dan vijf à tien minuten staan of
lopen. Het vervullen van de geselecteerde functies acht hij voor
appellant onmogelijk. Daaraan voegt hij toe dat het geforceerd opleggen
van het uiterst mogelijke medisch ook ongewenst is wegens mogelijke
schade door cardiale overbelasting en overmatige belasting van de
gewrichten.
In een reactie van 22 mei 1997 op dit rapport heeft de verzekeringsarts
L. Andriessen gesteld dat eerder genoemde verzekeringsgeneeskundige
voldoende rekening heeft gehouden met de adipositas van appellant en de
energetische belemmeringen die er het gevolg van zijn.
De deskundige dr. H.H. Vincent heeft in zijn commentaar van 29 juli 1997
op deze reactie zijn oorspronkelijke conclusie gehandhaafd.
De rechtbank, die het bestreden besluit in stand heeft gelaten, kon de
conclusie van de deskundige niet onderschrijven. Daartoe is het volgende
overwogen.
"Immers de door de deskundige aangegeven verdergaande
beperkingen zijn het gevolg van de geconstateerde adipositas. Nu niet is
gebleken dat de adipositas, die - gelet op de uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep van 15 juni 1994, nummer AAW/WAO 92/1213 - als zodanig
niet onder het begrip ziekte of gebrek is te vatten, te wijten is aan
enige vorm van pathologie kunnen de door de deskundige gestelde
verdergaande beperkingen niet worden beschouwd als beperkingen ten
gevolge van ziekte of gebrek.
De rechtbank is voorts van oordeel dat voorzover de
deskundige beperkingen heeft vastgesteld, die wel door ziekte of gebrek
zijn veroorzaakt, deze binnen de voor eiser toegestane belastbaarheid
vallen."
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte
de door haar geraadpleegde deskundige niet is gevolgd in zijn conclusie.
De Raad maakt uit de gedingstukken op dat appellant rond de datum in
geding een gewicht had van ongeveer 240 kilogram. De door de rechtbank
ingeschakelde deskundige dr. H.H. Vincent heeft op grond van het door hem
ingestelde onderzoek als zijn oordeel gegeven dat dit gewicht een
levensbedreigende situatie oplevert en dat appellant tot bijna niets
meer in staat is. Naar het oordeel van de Raad is geen aanknopingspunt
aanwezig deze zienswijze van de deskundige voor onjuist te houden. Het
buitengewone overgewicht van appellant (adipositas) en de door de
deskundige aangegeven ernstige gevolgen daarvan leveren een zodanig
beeld op dat voldoende aanleiding bestaat om - in lijn met het rapport
en commentaar van de deskundige - tot de conclusie te komen dat in dit
geval moet worden gesproken van een gebrek als oorzaak van de
arbeidsongeschiktheid van appellant. De omstandigheid dat adipositas in
haar algemeenheid, naar ook in de jurisprudentie van de Raad is
neergelegd, niet als een ziekte of gebrek kan worden gekenschetst kan
hieraan, gelet op de bijzonderheden van dit geval, niet afdoen. Dit
brengt mee dat appellant om medische reden ongeschikt moet worden geacht
de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Dit spreekt te meer nu
de deskundige kennelijk van oordeel is dat het vervullen van deze
functies, als appellant daartoe gedwongen zou worden, tot schade van
zijn gezondheid zou zijn.
Gezien het vorenstaande komen het bestreden besluit en de aangevallen
uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in
aanmerking.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van
appellant in beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op f 2.130,-.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de
artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten
slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger
beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt het
bestreden besluit;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een totaal bedrag groot f 2.130,-;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 210,-
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in
tegenwoordigheid van L. Savas als griffier en uitgesproken in het
openbaar op 4 oktober 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) L. Savas.
|
|