|
Uitspraak
97/11022
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Appellant, die uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangt naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft gedaagde in april 1996
verzocht om zijn uitkeringen te verhogen. Dat verzoek is bij besluit van
10 juni 1996 afgewezen.
De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 27 oktober 1997 het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar
die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Appellant is bij beroepschrift van 6 oktober 1997 in van die uitspraak
in hoger beroep gekomen.
Dat beroepschrift luidt als volgt:
"Hier een brief van de hr. A voor bevestigd na de zitting van
6-10-1997 om 10.10 verschijnen maak ik verklaring als bewijs
vaststellen.
Over de aanklachten van de volgende hulpverlenende instanties ministerie
van justitie, politie, om, dokter waar hierop geen medewerker kon
verlener uit angst voor represaille en althans anoniem blijven.
Ik wens verplicht onderduiking adres in prive sfeer onderkomen.
Tevens dien ik groot claim op grote schaal misbruikt voor verschillend
doeleinden informatie tegen in vergifting, afgeluisterend sinds 1985
radiozender aangesloten.
Mijn woning is volledig isoleerd met technisch geheim geborgen microfoon
afgesloten.
Een openbaar vertoning dossier, film, foto kwijtspelen discriminatie
vastgezeten.
En openbaar politiepubliek show om die omstandigheden op de vlucht
gejaagd.
En gedwongen ontslagen wegens presentatie promotie eis ik volledig 100%
uitkering gelijkgesteld.
Ik wens teven in de Ziekenhuis voor onderzoek opgenomen word onder
toezicht van de rechter begeleiding uit angst voor infect toe slaat.
Gaarne wacht ik in afwachting op ontvangbewijs wettelijk
bevestigd."
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brief van 16 december 1998 de Raad het volgend
medegedeeld:
"Wegens omstandigheden wens ik onmiddelijk ingang vandaag op
16-12-1998 volledig intrekking verklaring procedure kenmerk 97/11022
AAWAO ALG 94 beeindig."
Bij brief van 4 januari 1999 is vanwege de Raad aan appellant de
ontvangst van zijn brief, waaruit blijkt dat het hoger beroep was
ingetrokken, bevestigd.
Bij brief van dezelfde datum is aan gedaagde medegedeeld dat het hoger
beroep was ingetrokken.
Bij brief van 11 januari 2000 heeft appellant de Raad het volgende
medegedeeld:
"Verzoek hierom schriftelijk hoger beroep aangetekening verlengd
eerder datum 4 januari 1999 kenmerk 97/11022 AAWAO R01094.
Met wederzijds onmiddelijk onderduikingadres verplaatsen.
Wegens omstandigheden zoals eerder vermeld raport overbodig vergifting
in omgeving.
Hierbij levering bewijsmateriaal in 2 flessen merk Spa rood 6/2001 en
Spa blauw 11/2001 constateren.
Tevens bewoning is gesaboteerd aan drinkwater vergifting.
Gaarne alsnog herkeuring medisch raport voor rontgenfoto bevestigd voor
spoed opname.
Hiermee zul uw wettelijk beoordelen voor financieel vergoeding.
Utrecht IMF."
Deze zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 18 juli 2000. Deze
behandeling is, zoals tevoren aan partijen was medegedeeld, beperkt tot
de vraag of het hoger beroep, gelet op de intrekking ervan bij brief van
16 december 1998, nog aanhangig is.
Appellant, die daartoe ambtshalve was opgeroepen, is ter zitting in
persoon verschenen, terwijl gedaagde, zoals tevoren was bericht, zich
niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraken
gepubliceerd in AB 1999/242 en in TAR 1997/223) kan een bevoegd gedane
intrekking van een beroep na het verstrijken van de beroepstermijn niet
ongedaan worden gemaakt, tenzij er sprake is van appellant niet toe te
rekenen omstandigheden waardoor hij in een situatie van dwaling
verkeerde of blijkt van dwang of bedrog van enige zijde teneinde
appellant ertoe te bewegen het hoger beroep in te trekken.
In aanmerking genomen de inhoud van appellants in rubriek I weergegeven
geschriften, gehoord appellant ter zitting van de Raad en in aanmerking
genomen de indruk die ter zitting van appellant is verkregen, waarbij
met name is opgevallen dat appellant nauwelijks tot communicatie in
staat bleek te zijn door zijn geestesgesteldheid - appellant is, zo
begrijpt de Raad, van oordeel te worden achtervolgd en bedreigd - en door
zijn doofheid, is de Raad van oordeel dat appellant als gevolg van hem
niet toe te rekenen omstandigheden in een situatie van dwaling
verkeerde ten tijde van de verzending van zijn brief van 16 december
1998.
Onder deze omstandigheden zal de Raad de in de brief van 16 december 1998 opgenomen intrekking van het hoger beroep als vervallen
aanmerken.
Dit betekent dat de behandeling van appellants hoger beroep zal worden
hervat in de stand waarin dat hoger beroep zich voor 16 december 1998
bevond.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad op dat appellant en
gedaagde over de verdere behandeling van het hoger beroep nader bericht
van de Raad zullen ontvangen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart de intrekking van het hoger beroep van 16 december 1998 vervallen.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.Th. Wolleswinkel en mr.
H.J. Simon als leden, in
tegenwoordigheid
van mr. drs. A.M. Overbeeke als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 15 augustus 2000.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) A.M. Overbeeke.
|
|