|
Uitspraak
97/10517 AAW,
97/10519 AAW en 97/10520 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,
en
A, wonende te B, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven,
Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder appellant
tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij besluit van 29 maart 1996 (besluit 1) heeft appellant besloten, met
toepassing van artikel 33 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(AAW) de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge die wet over de
periode van 1 januari 1993 tot 1 januari 1994 uit te betalen als was
gedaagde arbeidsongeschikt naar een mate van 45 tot 55%, en die
uitkering over de periode van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995 niet uit
te betalen omdat gedaagde door appellant beschouwd wordt in die periode
minder dan 25% arbeidsongeschikt te zijn.
Bij besluit van 19 november 1996 (besluit 2) heeft appellant besloten,
met toepassing van artikel 33 van de AAW de aan gedaagde toegekende
uitkering ingevolge die wet over de periode van 1 januari 1995 tot 1
januari 1996 niet uit te betalen omdat gedaagde door appellant beschouwd
wordt in die periode minder dan 25% arbeidsongeschikt te zijn.
Bij besluit van 27 november 1996 (besluit 3) heeft appellant met
toepassing van artikel 48 van de AAW, zoals die bepaling ten tijde hier
in geding luidde, van gedaagde een bedrag van f 17.048,97 (bruto plus
overhevelingstoeslag) teruggevorderd ter zake van hetgeen op grond van
die wet over de periode van 1 januari 1995 tot 1 januari 1996
onverschuldigd aan gedaagde was betaald.
De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak van 18
september 1997 die besluiten, onder gegrondverklaring van gedaagdes
beroep daartegen, vernietigd, bepaald dat appellant een nieuw besluit
neemt met inachtneming van het in haar uitspraak gestelde en een
beslissing gegeven omtrent het door gedaagde betaalde griffierecht.
Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. De gronden van
het hoger beroep zijn uiteengezet in een aanvullend beroepschrift.
Namens gedaagde heeft mr. E.A.A.M. Mijnsbergen, werkzaam bij Schipper
Accountants te Goes, een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft gedaagde bij brieven van 17 maart en 19 april 2000
nadere stukken overgelegd.
Bij brief van 20 april 2000 heeft appellant gereageerd op een verzoek
van de Raad.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 juli
2000 waar appellant, daartoe ambtshalve als partij opgeroepen, zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.G. Koch, werkzaam bij Gak
Nederland B.V, en waar gedaagde in persoon is verschenen, met bijstand
van mr. E.A.A.M. Mijnsbergen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, tussen
partijen vaststaande, feiten en omstandigheden.
Gedaagde was sedert 1 mei 1981 als zelfstandige werkzaam in het verband
van een vennootschap onder firma (VOF), welke drie beherend vennoten
had, waaronder gedaagde. Deze VOF dreef een onderneming ter
uitoefening van de mosselvangst. De drie vennoten waren gelijkelijk
gerechtigd tot het vermogen van de VOF Tot dat vermogen behoorde een
stalen motorvissersvaartuig "X." genaamd, waarop de beherend
vennoten daadwerkelijk de mosselvisserij beoefenden. De bedrijfswinst
die de onderneming maakte werd jaarlijks gelijkelijk onder die vennoten
verdeeld.
Aan gedaagde is, in verband met de bij hem bestaande
arbeidsongeschiktheid, met ingang van 29 juli 1987 door appellant een
uitkering ingevolge de AAW toegekend, berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde bleef zijn werkzaamheden
als mosselvisser uitoefenen. Zijn daaruit verkregen inkomsten, bestaande
uit zijn winstaandeel ter grootte van een derde deel van de nettowinst,
bleef gedaagde ontvangen. Die inkomsten werden door appellant als
inkomsten in de zin van het tot 1 augustus 1993 vigerende artikel 34 van
de AAW beschouwd en deswege is gedaagdes arbeidsongeschiktheidsuitkering
door appellant onder toepassing van deze bepaling met ingang van de
datum van toekenning niet uitbetaald.
Gedaagde heeft volgens een arbeidskundig rapport d.d. 18 september 1989,
opgemaakt door de arbeidsdeskundige van de toenmalige Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD), J.M.J. van de Broek, zijn werkzaamheden als
zelfstandig mosselvisser gestaakt met ingang van 20 maart 1989. Hij
heeft evenwel een toen 19-jarige jongen (in de gedingstukken de
jongen genoemd) in dienst genomen die, op basis van een
arbeidsovereenkomst met gedaagde, in zijn plaats met de twee andere
vennoten de mosselvisserij is gaan uitoefenen, terwijl gedaagde zijn
aandeel in de winst van de VOF bleef ontvangen. Volgens de genoemde
arbeidsdeskundige dienden de in VOF-verband verworven inkomsten van
gedaagde sedertdien te worden gezien als inkomsten uit vermogen, die
niet voor anticumulatie in aanmerking komen. In verband daarmee en
overeenkomstig het advies van de GMD d.d. 11 oktober 1989 heeft
appellant bij besluit van 23 oktober 1989 beslist gedaagdes uitkering
ingevolge de AAW met ingang van 20 maart 1989 onverkort uit te betalen.
In mei 1995 heeft appellant aanleiding gezien zich te beraden omtrent de
gevolgen van gedaagdes inkomsten, bestaande uit een derde gedeelte van
de nettowinst van de vennootschap, verminderd met de loonkosten voor de
jongen, voor gedaagdes uitkering ingevolge de AAW. Daartoe heeft
appellants arbeidsdeskundige A.R. Moet een onderzoek verricht in het
kader waarvan hij op 23 mei 1995 een onderhoud met gedaagde heeft gehad.
Dit onderzoek heeft tot de conclusie van de arbeidsdeskundige geleid
dat gedaagdes inkomsten uit de VOF moeten worden aangemerkt als
inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 33 van de AAW.
Naar aanleiding van dit onderzoek heeft appellant de
anticumulatiebesluiten 1 en 2 genomen.
Bij besluit 1 heeft appellant beslist met toepassing van artikel 33 van
de AAW de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge die wet over de
periode van 1 januari 1993 tot 1 januari 1994 uit te betalen als was
gedaagde arbeidsongeschikt naar een mate van 45 tot 55%. Verder heeft
appellant bij dat besluit beslist die uitkering over de periode van 1
januari 1994 tot 1 januari 1995 niet uit te betalen omdat gedaagdes
fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in die periode door appellant op
minder dan 25% wordt gesteld.
Bij besluit 2 heeft appellant beslist, met toepassing van artikel 33 van
de AAW de aan gedaagde toegekende uitkering ingevolge die wet over de
periode van 1 januari 1995 tot 1 januari 1996 niet uit te betalen omdat
gedaagdes fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in die periode door
appellant op minder dan 25% wordt gesteld.
Aan deze besluiten ligt het standpunt van appellant ten grondslag dat
gedaagde moet worden beschouwd als ondernemer met beheers- en
beslissingsbevoegdheden die hij in de VOF uitoefent. Als ondernemer
heeft hij volgens appellant een zodanig inkomen in het jaar 1993
verworven dat zijn verlies aan verdiencapaciteit geacht moet worden
52,5% te bedragen. In de jaren 1994 en 1995 wordt gedaagde door
appellant geacht geen fictief verlies aan verdiencapaciteit te lijden.
Gedaagde heeft in eerste aanleg - voor zover thans nog in geschil -
aangevoerd dat appellant in de besluiten 1 en 2 artikel 33 van de AAW
ten onrechte heeft toegepast omdat er te zijnen aanzien niet gesproken
mag worden van inkomsten uit arbeid in de zin van dat artikel. Hij
beschouwt zijn inkomsten uit de VOF als niet voor anticumulatie in
aanmerking komende inkomsten uit vermogen. Voorts acht hij die besluiten
genomen in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid omdat
appellant met betrekking tot de jaren gelegen tussen 1989 en 1993 de
desbetreffende anticumulatiebepaling niet heeft toegepast terwijl hij
dit bij die besluiten met betrekking tot de jaren 1993 tot en met 1995
wel heeft gedaan, zonder dat voor het laatste aanleiding is.
De anticumulatiebesluiten 1 en 2 konden de toetsing van de rechtbank
niet doorstaan.
Naar het oordeel van de rechtbank kan gedaagdes winstaandeel in de VOF slechts dan tot zijn verdienvermogen worden gerekend indien en voorzover
die winst geacht kan worden voort te vloeien uit activiteiten die door
gedaagde zelf zijn verricht. Daaronder dient volgens de rechtbank niet
alleen lichamelijke arbeid te worden verstaan, maar ook het houden van
toezicht op die arbeid en andere taken, zoals het bepalen van het beleid
van de onderneming, de organisatie en de algemene leiding daarvan,
alsmede het onderhouden van zakelijke contacten. Uit de desbetreffende
arbeidskundige rapporten blijkt volgens de rechtbank niet van zodanige
activiteiten. De aard van het onderhavige bedrijf, namelijk het
uitoefenen van de mosselvangst op een schip waarop drie vissers
jarenlang zonder noemenswaardige wijziging werkzaam zijn, maakt het ook
niet aannemelijk dat gedaagde zich met beheers- en beleidstaken zou
kunnen belasten. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden
gezegd dat gedaagde leiding geeft aan de jongen die hij ter vervanging
van zijn eigen arbeidsinbreng heeft aangetrokken. Die leiding, wordt
volgens de rechtbank gegeven door de vennoot die aan boord als schipper
optreedt. De rechtbank komt tot de conclusie dat gedaagde binnen de VOF geen arbeid van betekenis heeft verricht sinds hij zijn
visserijactiviteiten heeft gestaakt. Om die reden kan zijn winstaandeel
in de VOF naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als
inkomsten uit arbeid. Zij komt dan ook tot de slotsom dat appellant
artikel 33 van de AAW ten onrechte ten aanzien van gedaagde heeft
toegepast en deswege heeft zij gedaagdes beroep tegen de
anticumulatiebesluiten 1 en 2 gegrond verklaard en die besluiten
vernietigd.
Met de vernietiging van besluit 2 was tevens komen vast te staan dat
appellant over het jaar 1995 niet onverschuldigd aan gedaagde uitkering
heeft betaald. Daarom kon besluit 3, waarin de aan gedaagde over 1995
betaalde uitkering door appellant wordt teruggevorderd, evenmin door de
rechtbank in stand worden gelaten.
In hoger beroep heeft appellant ter bestrijding van het oordeel
daaromtrent van de rechtbank aangevoerd dat, wil er sprake zijn van
inkomsten uit arbeid er fysieke dan wel mentale arbeid moet zijn
verricht waaruit inkomsten voortvloeien. Gedaagde neemt volgens
appellant, ervan uitgaande dat er regelmatig beslissingen moeten worden
genomen over de wijze waarop het doel van de vennootschap zal dienen te
worden nagestreefd, als vennoot deel in de VOF en hij bepaalt samen
met de andere vennoten het beleid van de vennootschap dat moet voeren
tot het genereren van winst door de exploitatie van het schip. Appellant
is de mening toegedaan dat de inkomsten die gedaagde genereert
voortvloeien uit gedaagdes ondernemersactiviteiten en derhalve als
inkomsten in de zin van de desbetreffende anticumulatiebepaling moeten
worden beschouwd.
Gedaagde heeft het oordeel van de rechtbank onderschreven onder
handhaving van zijn in eerste aanleg aangevoerde gronden, voorzover hij
daarvan in hoger beroep niet uitdrukkelijk afstand heeft gedaan.
De Raad overweegt dat in hoger beroep het geschil zich toespitst op de
vraag of gedaagdes tijdens de hier aan de orde zijnde perioden verkregen
inkomsten, bestaande uit zijn aandeel in de winst van de VOF,
beschouwd moeten worden als inkomsten uit arbeid in de zin van de
toepasselijke anticumulatiebepaling.
Daaromtrent overweegt de Raad het volgende.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat
gedaagde vermogen heeft ingebracht in en inkomen verkrijgt uit de VOF. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk in zijn jurisprudentie heeft
uitgesproken, dienen in zo'n geval de desbetreffende inkomsten als
inkomsten uit arbeid in de zin van de toepasselijke
anticumulatiebepaling te worden beschouwd, indien de activiteiten
waarmee die inkomsten worden verworven het gewone vermogensbeheer te
boven gaan.
De Raad stelt in dat verband vast dat het bedrijfsresultaat van de VOF,
voor zover het gedaagdes aandeel daarin betreft, behaald wordt doordat
gedaagde aan de VOF de arbeidskracht van de jongen, met wie gedaagde
daartoe een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, ter beschikking stelt,
ter vervanging van zijn eigen arbeidskracht.
Anders dan gedaagde is de Raad van oordeel dat gedaagde door het op
basis van een arbeidsovereenkomst aan de VOF ter beschikking stellen
van de arbeidskracht van de jongen activiteiten verricht die het normale
vermogensbeheer te boven gaan. De arbeidskracht van de jongen kon en kan
immers niet worden aangewend zonder de feitelijke en arbeidsrechtelijke
bemoeienis van gedaagde. Dat die bemoeienis van beperkte omvang zou
zijn, doet aan het karakter daarvan niet af. Om deze reden moeten de
inkomsten van gedaagde, verkregen uit de VOF worden beschouwd als
inkomsten uit arbeid in de zin van de desbetreffende
anticumulatiebepaling.
Met betrekking tot de vraag of er gronden zijn de bestreden
anticumulatiebesluiten anderszins voor onrechtmatig te houden overweegt
de Raad als volgt.
Bij de besluiten 1 en 2 heeft appellant met terugwerkende kracht onder
toepassing van de desbetreffende anticumulatiebepaling gedaagdes
fictieve mate van arbeidsongeschiktheid over de jaren 1993, 1994 en 1995
alsnog vastgesteld met als resultaat dat gedaagdes uitkering uitbetaald
wordt als was gedaagde arbeidsongeschiktheid naar een mate van 45 tot
55% (1993) onderscheidenlijk als was gedaagde minder dan 25%
arbeidsongeschikt (1994 en 1995).
Het verlenen van terugwerkende kracht aan de desbetreffende
anticumulatiebepaling is in het algemeen in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel te achten. Van zodanige strijdigheid is slechts
dan geen sprake, wanneer betrokkene wist, althans redelijkerwijs had
behoren te weten dat hij ernstig rekening diende te houden met de
mogelijkheid van een dergelijke toepassing. Daarbij is van belang dat
een uitkeringsgerechtigde die inkomsten heeft uit eigen bedrijf, naar
vaste jurisprudentie van de Raad in het algemeen rekening mee moet
houden dat de na afloop van het betrokken boekjaar vastgestelde
inkomsten grond kunnen vormen tot toepassing van meergenoemde
anticumulatiebepaling.
Nu appellante jarenlang op grond van de opvatting dat geen sprake was
van inkomsten uit arbeid geen toepassing heeft gegeven aan genoemde
anticumulatiebepaling is, van een situatie in laatstbedoelde zin evenwel
geen sprake ten aanzien van gedaagde voordat hij op 23 mei 1995 kennis
nam van het daaromtrent door appellants arbeidsdeskundige ingenomen
standpunt waarbij deze arbeidsdeskundige gedaagde korting van zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft aangekondigd. Immers de
omstandigheid dat appellant bij de bestreden besluiten alsnog tot
anticumulatie is overgegaan berust niet op een voor gedaagde kenbare
verandering in de zich ten aanzien van hem voordoende feiten en
omstandigheden, doch vindt zijn grondslag in een gewijzigde benadering
en waardering door appellant van bedoelde feiten en omstandigheden.
Blijkens hetgeen de Raad eerder heeft overwogen is overigens appellants
standpunt juist dat gedaagdes hier aan de orde zijnde inkomsten
inkomsten uit arbeid zijn, maar uit het eerder overwogene vloeit tevens
voort dat een eventuele toepassing van de desbetreffende
anticumulatiebepaling niet eerder kan plaatsvinden dan met betrekking
tot perioden liggend na eerdergenoemde datum van 23 mei 1995.
Ter zitting van de Raad heeft appellant naar voren gebracht dat er van
strijd met de jegens gedaagde te betrachten rechtszekerheid geen sprake
kan zijn omdat het alsnog toepassen van de desbetreffende
anticumulatiebepaling niet heeft geleid tot terugvordering van het
teveel aan uitkering betaalde over de periode van 1 januari 1993 tot 1
januari 1995.
De Raad kan appellant niet in dit standpunt volgen reeds omdat de vraag
of de desbetreffende anticumulatiebepaling terecht is toegepast volledig
moet worden onderscheiden van die of appellant bevoegd was hetgeen hij
onverschuldigd aan gedaagde zou hebben betaald, van hem terug te
vorderen. Anticumulatiebesluiten als hier aan de orde kunnen en moeten
door de administratieve rechter als geheel op zichzelf staand worden
beoordeeld.
Gelet op het zojuist overwogene kan besluit 1 en, aangezien besluit 2
niet onderscheidt tussen de perioden liggend voor en na 23 mei 1995 ook
besluit 2, als te zijn genomen in strijd met het
rechtszekerheidsbeginsel, de rechterlijke toetsing niet doorstaan. De
rechtbank heeft die besluiten dan ook terecht vernietigd.
Daarmee is tevens komen vast te staan dat de rechtbank ook besluit 3
terecht heeft vernietigd.
De aangevallen uitspraak komt dan ook, zij het voorzover het de
besluiten 1 en 2 betreft met verbetering van de gronden, voor
bevestiging in aanmerking.
Met betrekking tot de proceskosten acht de Raad termen aanwezig om op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te
veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van
f 1.420,-.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. T. Hoogenboom
en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Fijnheer
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2000.
(get.) H.
van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
|
|