|
Uitspraak
95/3620
AAW/WAO
U I T S P R A A K
op het verzet tegen een met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet
in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht gewezen
uitspraak van de Raad in het geding tussen:
A, wonende te B, opposant,
en
het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant is bij beroepschrift van 26 november 1994 in hoger beroep
gekomen van een door de rechtbank te Roermond onder dagtekening 17
oktober 1994 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Bij uitspraak van 28 februari 1996 heeft de Raad het ingestelde hoger
beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig
bij de Raad is ingediend.
Opposant is van die uitspraak in verzet gekomen en heeft in het
verzetschrift de gronden waarop het verzet berust uiteengezet.
Met toepassing van artikel 8:55, derde lid, eerste volzin van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van de mogelijkheid
opposant op een zitting te horen.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 6:24 van de Awb in samenhang met de
artikelen 6:7 en 6:8 van die wet dient het hoger beroep te worden
ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de aangevallen uitspraak
door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekend
gemaakt.
In artikel 6:24 van de Awb in samenhang met artikel 6:9, eerste lid van
die wet is bepaald dat een beroepschrift tijdig is ingediend indien het
voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van
dat artikel is bij verzending per post een beroepschrift tijdig
ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd,
mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank te Roermond is op 17 oktober
1994 aan partijen toegezonden, zodat de laatste dag van voormelde
termijn van zes weken 28 november 1994 was.
Het beroepschrift van opposant is blijkens de poststempel op de
enveloppe, waarop abusievelijk het adres van de Raad van State was
vermeld, ter post bezorgd op 28 november 1994 en is op 29 november 1994 ter griffie van de Raad van
State ontvangen.
Bij brief van 1 december 1994 heeft de Raad van State voormeld
beroepschrift doorgezonden naar de Raad, alwaar het beroepschrift ter
griffie is binnengekomen op 2 december 1994.
Nu het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn door opposant
ter post is bezorgd en binnen een week na afloop van deze termijn bij de
Raad is binnengekomen, is de Raad gezien het bepaalde in artikel 6:9,
tweede lid, van de Awb van oordeel dat het hoger beroep van opposant
tijdig is ingediend.
Gezien het vorenstaande bestaat er aanleiding het verzet met toepassing
van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, vijfde
lid, onderdeel c, van de Awb gegrond te verklaren.
Gelet op artikel 8:55, zevende lid, van de Awb vervalt de uitspraak
waartegen verzet is gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de
stand waarin het zich bevond.
De Raad is niet gebleken van op grond van artikel 8:75 van de Awb te
vergoeden kosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr.
R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid
van mr. B. Serno als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14
januari 1997.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) B. Serno.
|
|