|
Uitspraak
95/8920
AAW/WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen
1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet
sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.
In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt
onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
Bij voor beroep vatbare beslissing van 21 oktober 1993 heeft gedaagde
geweigerd om appellants uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, per 18
augustus 1993 te herzien en nader vast te stellen naar een hogere mate
van arbeidsongeschiktheid.
De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 17
november 1995 het door appellant tegen die beslissing ingestelde beroep
ongegrond verklaard.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden,
uiteengezet in het hoger beroepschrift, is de Raad verzocht de
aangevallen uitspraak te vernietigen.
Gedaagde heeft op 9 mei 1996 een verweerschrift ingediend en de Raad
daarbij verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Bij brief van 12 maart 1997 heeft appellant de gronden van het beroep
aangevuld.
Bij brief, met bijlagen, van 3 juni 1997 heeft gedaagde enige vragen van
de fungerend president van de Raad beantwoord.
Appellant heeft bij brief van 12 juni 1997 op gedaagdes brief van 3 juni
1997 gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 20 augustus
1997, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich
heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.P. van Delft, werkzaam bij Gak
Nederland B.V.
II. MOTIVERING
Appellant heeft zijn werkzaamheden als chef-autospuiter bij garage X B.V.
te Y met ingang van 6 januari 1989 gestaakt wegens knieklachten. Kort
nadien heeft hij zijn werkzaamheden gedurende 20 uren per week in
aangepaste vorm hervat. Gedaagde heeft appellant vervolgens per 5
januari 1990 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de AAW
en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%. Zijn inkomsten uit arbeid werden op deze uitkeringen in mindering
gebracht. Per 1 april 1990 heeft gedaagde appellants uitkeringen herzien
en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot
45%.
Appellant is nadien, naast zijn werkzaamheden bij garage Hoeke, voor 10
uren per week als rozensorteerder gaan werken. In verband daarmee zijn
appellants uitkeringen met ingang van 1 februari 1991 herzien en nader
vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Op 19 augustus 1992 heeft appellant zijn werkzaamheden als
rozensorteerder gestaakt wegens (toegenomen) knie- en rugklachten. Ter
zake van deze arbeidsongeschiktheid heeft appellant gedurende de
maximale periode een uitkering krachtens de Ziektewet genoten.
Bij de bestreden beslissing heeft gedaagde geweigerd om appellants
uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, in aansluiting op deze periode,
naar een hogere mate van arbeidsongeschiktheid vast te stellen dan 25
tot 35%.
Aan deze beslissing ligt gedaagdes opvatting ten grondslag dat appellant
per 18 augustus 1993 in staat moest worden geacht om gedurende 40 uren
per week werkzaamheden te verrichten welke in overeenstemming zijn met
zijn belastbaarheid. Gedaagde heeft daarbij de resterende
verdiencapaciteit van appellant vastgesteld op basis van zijn feitelijke
verdiensten bij garage X, verhoogd met de op 10 uren per week gebaseerde
mediane loonwaarde van de door een arbeidsdeskundige van de toenmalige
Gemeenschappelijke Medische Dienst aan appellant voorgehouden
deeltijdfuncties.
In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de bestreden
beslissing in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank heeft gedaan,
bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde appellants
belastbaarheid voor arbeid op een juiste wijze heeft ingeschat. De Raad
kent daarbij, evenals de rechtbank heeft gedaan, doorslaggevende
betekenis toe aan de rapporten die de orthopedisch chirurg J.H.J. van
de Kamp op verzoek van de rechtbank heeft uitgebracht.
De Raad is voorts van oordeel dat de wijze waarop gedaagde de resterende
verdiencapaciteit van appellant heeft vastgesteld in overeenstemming is
met de eisen die de Raad in zijn uitspraak van 28 januari 1997,
gepubliceerd in RSV 1997/127, aan deze schattingsmethode heeft gesteld.
In verband daarmee overweegt de Raad dat naar zijn oordeel voldoende
vaststaat dat er voor appellant medisch gezien geen bezwaar bestaat
tegen het in combinatie vervullen van zijn werkzaamheden bij garage X en
andere passende werkzaamheden gedurende 10 uren per week. De Raad is van
oordeel dat voornoemde rapporten van de orthopedisch chirurg Van de
Kamp, mede gezien de overige medische gegevens, voldoende grondslag
bieden om tot dit oordeel te komen.
Gelet op gedaagdes in rubriek I vermelde brief van 3 juni 1997 acht de
Raad het voorts aannemelijk dat de aan appellant voorgehouden
deeltijdfuncties ook feitelijk in de hier van belang zijnde omvang
voorkomen, alsmede dat deze functies feitelijk gecombineerd kunnen
worden met appellants werkzaamheden bij garage X, mede omdat appellant
daar op vaste tijden werkzaam is.
Appellant heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat de overweging in de
aangevallen uitspraak dat de rechtbank geen aanleiding ziet om de
vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op een
percentage van 35 tot 45% voor onjuist te houden, niet overeenstemt met
het dictum van die uitspraak.
De Raad overweegt dienaangaande dat appellant dit terecht heeft
opgemerkt. De Raad is evenwel van oordeel dat hier sprake is van een
duidelijke misslag in de overwegingen van de aangevallen uitspraak. In
verband daarmee wijst de Raad er op dat in de aangevallen uitspraak
tevens is overwogen dat het verlies aan verdiencapaciteit van appellant
33,8% bedraagt, hetgeen leidt tot een indeling in de klasse van 25 tot
35%. De overwegingen van de rechtbank bieden voorts geen enkel
aanknopingspunt voor het oordeel dat beoogd is om appellants beroep
gegrond te verklaren. De Raad is dan ook van oordeel dat het dictum van
de aangevallen uitspraak door de overwegingen die eraan ten grondslag
liggen, kan worden gedragen en ziet geen aanleiding om, zoals door
appellant is verzocht, de aangevallen uitspraak op grond van de
tekstuele misslag te vernietigen.
Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra als voorzitter en mr. H. Bekker
en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van P.R. Bax als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 september 1997.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) P.R. Bax.
|
|